Antonie Frederik Gooszen. Zijn levensloop van 24 mei 1869 tot 26 april 1955.
Inhoudsopgave:
1. Inleiding
2. Het geslacht Gooszen (1350-1955)
3..Levensloop Antonie Frederik Gooszen (1869-1955). In 1893 deelname derde Atjeh
oorlog.
In 1920 voorzitter commissie ontwerp programma van Marine-materialen (Vlootwet).
Van 1923-1927 Commandant Zeemacht Nederlandsch Indië. Van 1930-1952.
Regeringscommissaris Koninklijke Paketvaart-Maatschappij.
Inleiding
In vorige hoofdstukken heb ik geciteerd uit de herinneringen en memoires van
familieleden, die betrokken waren bij oorlogen in Nederlandsch Indië. Mijn
oud-oom Chrik de Booy, mijn grootvader bij de oorlogen in Atjeh en mijn oom James Marnix de Booy bij de verovering van Bali. Mijn grootvader, van
moeders kant, Antonie Frederik Gooszen heeft evenals mijn andere grootvader
Hendrik de Booy in 1893 mede gestreden in de derde Atjeh oorlog. Hij was van 1923-1927 Commandant Zeemacht van Nederlandsch Indië, indirect betrokken bij de opstanden in Bantam
(West Java) en West Sumatra in januari 1927. Het is daarbij mijn bedoeling om te
laten zien hoe men in die tijd dacht over deze oorlogshandelingen in
Nederlandsch Indië. In die tijd vond men deze strijd volkomen gerechtvaardigd en
werd
door onze volksvertegenwoordiging goedgekeurd. Net zoals momenteel door onze
Tweede Kamer der Staten Generaal Nederlandse militairen op 'vredesmissies' worden
gestuurd en eveneens onze directe betrokkenheid bij de oorlog in Irak. Het
komt allemaal neer op de verandering van de tijdgeest, dat men nu heel anders
kijkt tegenover onze koloniale oorlogen.
Helaas heb ik voor dit hoofdstuk over weinig documentatiemateriaal kunnen
beschikken, geen dagboeken of opgeschreven herinneringen zoals dat bij de
familie de Booij het geval is. Ik heb moeten volstaan met een aantal brieven,
documenten en foto's. Aangezien mijn grootvader Gooszen betrokken is geweest bij
belangrijke gebeurtenissen, door de hoge posities die hij tijdens zijn leven
heeft ingenomen, heb ik over veel materiaal uit boeken en internet kunnen
beschikken. Ik hoop dat de vele nazaten van A.F. Gooszen mij nog aanvullend
materiaal kunnen verschaffen, alsmede eventuele correcties.
Het geslacht Gooszen van 1350-1955
In de Overijsselsche Geslachtkundige Varia zijn door Mr. R.E. Hattink Aantekeningen gepubliceerd over de Familie Gooszen. Uit deze brochure citeer ik de volgende gegevens over de familie Gooszen:
"Eeuwen geleden lag bij de stad Ootmarsum*) een erf Ghosenijng, die reeds in 1402 voorkomt als de vroegere benaming van een toenmalige hofstede. Als geslachtsnaam of afkomst aanduidende naam treft men in 1359 en 1366 twee charters Gosenine en Gosening aan. Met een s aan den vadernaam gehecht komen in Ootmarsum voor: in 1499 Gherd Gosens als keurnoot( bijzitter van de landrechter in Overijssel en Drenthe), in 1421 Gherd Gosens als keurnoot. In 1430 Gherd Goossens , in 1431 Gherd Gosens Men mag hieruit afleiden dat de dragers van de geslachtsnaam Gosenine of Gosens in de 14e en 15e eeuw tot de gegoede ingezetenen van Ootmarsum behoorden".
*) Ootmarsum is in 126 na Christus gesticht door de Frankische veldheer Othmar in een streek van voornamelijk Tubanten en later Saksen. Hij gaf ook zijn naam aan het stadje (Othmarsheim). Rond 700 werd in Ootmarsum een kerkje gebouwd, waarna vanuit de stad verdere kerstening van Twente plaatsvond. Ootmarsum was rond het jaar 1000 één van de grootste parochies in Twente. In de Middeleeuwen floreerde de handel in Ootmarsum, vanwege de gunstige ligging: zowel aan een belangrijke noord-zuid-route als aan de route West-Nederland - Noord-Duitsland. Rond 1300 werden aan Ootmarsum stadsrechten verleend. Vervolgens werd Ootmarsum, met de aanleg van een dubbele rij grachten en aarden wallen, een vestingstad. In het kader van de Tachtigjarige Oorlog vestigden Spanjaarden zich in Ootmarsum. Zij werden rond 1600 door Prins Maurits uit Ootmarsum verdreven, waarna de vesting ontmanteld werd. Een kogel in de kerk herinnert nog aan het beleg van Prins Maurits. De opkomst van de industrie in Twente ging aan Ootmarsum voorbij; het bleef een akkerbouwstadje. Hierdoor stokte de ontwikkeling van Ootmarsum, wat in de tweede helft van de 20e eeuw een gunstig effect had op de toeristenindustrie: het nostalgische stadscentrum doet oude tijden herleven.(Uit de Wikipedia)

Het wapen van de familie Gooszen
I. Antoni Gosens, zoon van Jan Gosens, geboren Ootmarsum 18 september
1668, getrouwd met Anna Veltkamp, geboren 18 september 1668, dochter van
Hendrik Veltkamp en Maria Palthe.
II. Henrick Gosens, gedoopt 29 november 1691, hij trouwt met Aleida
Tidemans gedoopt 23 juni 1689 Ootmarsum , dochter van Derck Tijdeman en Anna Salland.Uit dit huwelijk zes kinderen: Anne, Derck, Janna , Anthoni,
Anne, Anneit
III. Anthoni Goossens, gedoopt 23-6-1720 Ootmarsum trouwt met Geertruid
Groll. Uit dit huwelijk 6 kinderen: Jan, Janna, Antoni, Maria Aleida
, Andreas en Geertruid. Behalve deze zoon kregen ze ook nog een jongere zoon
Andreas Gooszen geboren 19 januari 1767. Een achterkleinkind van hem is Antony
Jan Gooszen geboren 31 december 1864. Hij heeft in 1907 een
militaire expeditie geleid in Nieuw Guinea Zie hieronder voor nadere gegevens over hem *)
IV. Antoni Goossen, geboren 21-5-1760 Ootmarsum. Boekhouder aan de
Keulsche Waag te Amsterdam, waar hij 2 october 1837 overleed. Hij trouwt Johanna Middelberg, geboren te Welsum (Overijssel), overleden te Amsterdam
24 januari 1765, dochter van Harmen Otto Middelburg en Jan van der Voorde,
overleden in Amsterdam 2-10-1837. Zij hadden twee kinderen: Willem en
Geertruij
V. Willem Gooszen, geboren Amsterdam 13-4-1794, boekhouder Keulsche Waag,
overleden in Amsterdam 23-1-1857 trouwt Amsterdam, 9-8-1820 Geertruij
Frederika Kraamer Nieuwer Amstel 9-4-1793, zij sterft in Amsterdam
29-10-1861, dochter van Harmen Frederik Kraamer en Anna Barbara Hasly. Zij
kregen 6 kinderen alle geboren in Amsterdam:
VI.1 Antonie Frederik Gooszen, geboren 9
februari 1821, jong overleden.
VI.2 Antonie Frederik Gooszen, zie hieronder voor nadere
gegevens
VI.3 Johanna Geertrui Gooszen, geboren 22 april 1826, overleden 3 maart
1827
VI.4 Johanna Geertrui Gooszen, 11 mei 1828, overleden 29 maart 1867
VI.5 Willem Gooszen, geboren 17 augustus 1830, overleden 7 april 1873
VI.6 Frederik Gooszen, geboren 5 september 1834, overleden 29 mei 1865
*) Antony Gooszen is een achterkleinkind van Antoni Goossens (1760-1837). Hij is geboren in Wilnis 31 december 1864. In 1889 werd Gooszen benoemd tot tweede luitenant van de infanterie bij het leger in Nederlands Indië. 18 april 1894 werd hij benoemd tot eerste luitenant. In 8 juli 1896 trouwt hij te Kota Radja (Atjeh) met Jeanne Cornelia Gaade geboren te Salatiga (Midden Java) 18 oktober 1875, dochter van Jan Hendrik Gaade luitenant-kolonel van de artillerie in Nederlands Indië en Maria Petronella Wilhelmina Theodora van Onselen. 28 september 1899 wordt hij benoemd tot Ridder 4e Klasse van de Militaire Willemsorde. Gezien het feit ,dat hij in 1896 in Atjeh trouwt, zou het zo kunnen zijn dat hij deze onderscheiding heeft gekregen voor zijn krijgsverrichtingen in Atjeh tijdens de derde of vierde Atjeh oorlog?

Staf van het eerste militaire exploratie-detachement dat Nederlands Nieuw-Guinea verkende. Links zittend met muts A.J. Gooszen.
Hij ging weer terug naar Nederland waar zijn dochter Elisabeth Jeanne Maria op 30 juli 1903 te Leiden werd geboren. In het zelfde jaar werd hij kort daar voren op 25 juni bevorderd tot kapitein. In 1907 leidde hij het eerste exploratie-detachement voor Zuid-Nieuw Guinea. Tegen het einde van de expedities in 1915 was geheel Zuidwest Nieuw-Guinea in kaart gebracht. Op initiatief van kapitein Gooszen werd het grootste deel van de verzamelde etnografica ondergebracht in het Rijksmuseum voor Volkenkunde. Een kleine groep voorwerpen werd in bruikleen gegeven aan het Koloniaal Landbouwmuseum te Deventer en later door de erven aan het museum geschonken. Ook zijn latere carrière hield hem in Oost-Indonesië. Als Militair Commandant van Ambon en Ternate liet hij - zowel uit militaire als wetenschappelijke interesse - op grote schaal etnografica verzamelen. In totaal bereikten door zijn inspanningen meer dan 6000 objecten, waaronder veel wapens, het museum Van de voorwerpen afkomstig uit Maluku Tenggara is het merendeel verzameld op de vroegere Zuidooster-eilanden. Internationale vermaardheid geniet het door Gooszen op Kai Kedl verzamelde beeld dat bekend staat als Werwat. .

Beeld van Moeder (links) en Dochter( rechts) van de stichter van het dorp Gelanit Kai eilanden (Zuid-Oost Molukken). Gevonden door A.J. Gooszen
Het is zeer waarschijnlijk, dat de Gooszen top in Nieuw Guinea naar hem is vernoemd De top ligt op 4 graden 22 minuten ten zuiden van de evenaar en op 138 graden 25 minuten van Greenwich.
VI.2 Antonie Frederik Gooszen, geboren Amsterdam 27 februari 1824
, overleden te 's-Gravenhage 26 maart 1883
Eerste huwelijk 22 april 1852 met Helena Catherina Rappold, geboren 16
juli 1929, overleden Amsterdam 30 juni 1864, dochter van Joseph Rappold en Anna
Maria Friederich Wulff, (de vader van Joseph Rappold is
Johann Christoph Rappold
Bürger und Bäckermeister Heilbronn, in 1813 naar Amsterdam , waar hij
Korenhandelaar was en op de Keizersgracht 48 woonde, geboren in
Heilbronn 1774, overleden Amsterdam 1852)
Tweede huwelijk 31 augustus 1865 met Ottolina Hendrika Rahé, geboren
Amsterdam 23 april 1835, overleden 9 december 1873. Dochter van Jacob Wilhelm
Rahé en Alida Maria Eenhuijs
Derde huwelijk 8 october 1874 Johanna Wilhelmina Jacoba Baronesse van Reede
van Oudtshoorn, geboren Noord-Scharwoude 4 juli 1830, overleden
's-Gravenhage 8 juni 1916, dochter van Gerrit Jacob baron Reede van Oudtshoorn
en Wilhelmina Jonas Bloem
Ui het eerste huwelijk van Antonie Frederik Gooszen en Helena Catherina Rappold
zijn twee kinderen geboren:
1. Willem Johann Gooszen geboren 27 januari 1853, assuradeur, lid
firma Boom & Gooszen *), getrouwd in Amsterdam 14 augustus 1884 met Alberdina Clasina Kampfraath geboren 12 april 1861, dochter van Andries Augustus
Kampfraath en van Alberdina Clasina Veelwaard. Zij kregen 4 kinderen te
Amsterdam: Helena Catherina Elisabeth, 8 december 1885, Andries Augustus, 27
november 1986, Anna Maria Frederika, 21 juni 1889.
2.Anna Maria Frederika, geboren 29 juni 1855, overleden Djember (Res.
Bezoekie) 25 oktober 1884 getrouwd bij volmacht te Amsterdam 16 juni 1884
met Meindert Willem baron van Reede van Oudtshoorn geboren te Beverwijk 8
augustus 1840, overleden te Amsterdam 18 maart 1890, zoon van Gerrit Jacob baron
van Reede van Oudtshoorn en Wilhelmina Jonas Bloem.
*) firma Boom & Gooszen is opgericht 1872 en was nauw geassocieerd met de firma Is. Franco Mendes opgericht in 1765.( Bij deze laatste firma heb ik mij al sinds 1954 verzekerd. Na verschillende fusies is Is. Franco Mendes opgenomen door Aon Nederland)
Uit het tweede huwelijk van Antonie Frederik Gooszen en Ottolina Hendrika
Rahé zijn 3 kinderen geboren:
1. Hendrik Gooszen, geboren Amsterdam 4-6-1866, overleden
Amsterdam, 17 juni 1872
2. Antonie Frederik Gooszen, geboren Amsterdam, 24 mei 1869,
overleden Oegstgeest 26 april 1955. Hij trouwt 's-Gravenhage 8 october-1896 met Henriette Elisabeth Peereboom Voller. (Zij krijgen 3 kinderen: Maria Johanna Gooszen, 9 juli 1897, Ottolina Hendrika Gooszen, 20 augustus 1898, Anthoinetta Frederika Gooszen,
29 november 1912)
3. Ottolina Hendrika Gooszen, geboren Amsterdam, 8 december 1873,
overleden Amsterdam 28 februari 1874
Het derde huwelijk van Antonie Frederik Gooszen en Johanna Wilhelmina Jacoba Baronesse van Reede van Oudsthoorn blijft kinderloos
Levensloop van Antonie Frederik Gooszen

Geboorteakte van Antonie Frederik Gooszen 24 mei 1869 Amsterdam. Ouders Antonie Frederik Goosszen en Ottolina Hendrika Rahé. Getuige Johann Christoph Rappold, broer van Helena Catherina Rappold, de eerste vrouw van Antonie Frederik Gooszen.
1869 24 mei wordt in Amsterdam Antonie Frederik Gooszen geboren.
1872 17 juni sterft zijn oudere broer Hendrik Gooszen
1873 7 april sterft zijn oom Willem Gooszen (broer van zijn vader, de broers en zusters van zijn vader waren al eerder overleden). 8 december wordt zijn jongere zuster Ottolina Hendrika geboren en op 9 december sterft in het kraambed zijn moeder Ottolina Hendrika Gooszen-Rahé.
1874 Zijn jongste zuster Ottolina Hendrika Gooszen sterft op 28 februari.
Hij is dus op 4 jarige leeftijd enig kind en zonder moeder. 8 oktober hertrouwt zijn vader met Johanna Wilhelmina Jacoba
Baronesse van Reede van Oudtshoorn .
1883 In 's-Gravenhage sterft op 26 maart zijn vader A.F. Gooszen. Hij blijft
dan alleen met zijn stiefmoeder over. Zijn voogd wordt zijn half broer Willem Johann Gooszen, een zoon van de eerste vrouw van zijn vader Helena Catherina
Rappold.

1884 25 oktober sterft in Djember (Sumatra) zijn half zuster Anna
Maria Frederika, een dochter van de eerste vrouw van zijn vader. Zij was enkele
maanden op 16 juni getrouwd Nu blijven nog als directe
familieleden over: Meindert Willem baron van Reede van Oudtshoorn de man van
Anna Maria Frederika, zijn stiefmoeder Johanna Wilhemina Jacoba baronesse van
Reede van Oudtshoorn, zijn halfbroer Willem Johann Gooszen
en zijn vrouw Alberdina Clasina Gooszen-Kampfraath.
1885 Gooszen meldt zich aan bij de Koninklijke Militaire Academie


Brief van het Departement van Oorlog IIe afdeeling Generale Staf no 46 Onderwerp Aspirant examen 1885 gedateerd 20 juli 1885 gericht W.J. Gooszen (halfbroer van Antonie Frederik Gooszen)
Uit dit document blijkt, dat Willem Johann Gooszen (zijn oudere halfbroer) zijn voogd is en dat hij toestemming moet geven aan het Ministerie van Oorlog of het goed is dat zijn pupil Antonie Frederik Gooszen op de Militaire Koninklijke Academie kan worden geplaatst. Hij was namelijk al geslaagd voor zijn toelatingsexamen.
1889 28 juli wordt Antonie Frederik Gooszen benoemd tot adelborst der 1e Klasse.
1890 Meindert Willem baron van Reede van Oudtshoorn sterft te
Amsterdam 18 maart Hij was getrouwd met Anna Frederika Gooszen, die al in1884 is
overleden, een halfzuster van A.F. Gooszen. Om het nog ingewikkelder te maken
was Meindert, de broer van zijn stiefmoeder, de derde vrouw van zijn vader
Johanna Wilhelmina Jacoba van Reede van Oudtshoorn.
Minister van Marine Hendrik Dyserinck verleent aan de
adelborst der 1e klasse A.F. Gooszen te Amsterdam verlof om 14 dagen, vanaf
10 november 1890 naar Parijs te gaan.
1892 22 april wordt hij bevorderd tot luitenant der 2e klasse. Het examen legt hij af met de vermelding: bijzonder goed.
1893 Gooszen wordt uitgezonden naar Nederlandsch Indië, waar hij wordt ingezet in de derde Atjeh Oorlog. Over de krijgsverrichtingen in 1893, waar Gooszen direct bij betrokken was, staan interessante passages in het boek van W.J. Cohen Stuart, De Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915 geschreven in 1937:
"Na deze voorvallen werd tot eene nieuwe expeditie besloten. H.M. stoomjacht "Koerier" werd met het oog op het bevaren der rivier gewapend met 4 kanonnen van 3,7 cm, een op den bak, een op de kampanje en twee op de brug; een kraaiennest voor 4 scherpschutters werd aan den fokkemast aangebracht, de kwetsbare punten werden met zware planken geblindeerd; ook bevestigde men voor het verbreken van versperringen een ijzeren schoen met kettingen aan den voorsteven en bracht door het lossen van steenkolen den diepgang tot 18 dm terug.
Den 30en, nadat des morgens ten l0u met hoog water de "Koerier" de ondiepte had gepasseerd, stoomde de geheele macht in alarmstelling de rivier op; de versterkingen bij Rantau-Pakam bleken niet bezet te zijn, doch bij Pasir Poetih stuitte men op twee versperringen, bestaande uit niboengstammen, hout en bamboe, door dwarslatten met pen en gat verbonden, en waartusschen zich een staaldraadtros van 50 mm bevond. De versperringen gingen op den rechteroever van één punt uit, maar aangezien de rivier aldaar een scherpe bocht maakt, maakten zij een hoek met elkander en hadden op den linkeroever een onderlingen afstand van ongeveer 25 m. Hier lagen een tweetal geschutstellingen, bovendien verkende men aan den overkant der ladang eenige versterkingen; uit al deze verdedigingswerken werd het vuur geopend toen de "Koerier", aan het hoofd der flottille stoomende, ten 2u15m tot 250 à 300 m genaderd was. Dit vuur beantwoordende, stoomde de "Koerier", den rechteroever houdende, zoo normaal mogelijk op de eerste versperring in; deze werd verbroken, doch door de vermindering in vaart gelukte het niet, de tweede stuk te varen; de Commandant van de "Koerier", de Luitenant ter zee 2e kl. J. F. B. van Dijk, kreeg hierbij een schampschot in de zijde door een lilla-kogel, die tegen de bescherm plaat van het aan bakboordzijde op de brug staande kanon van 3,7 cm ricocheteerde; hij bleef echter het schip besturen. Het schip stoomde nu achteruit en daarna volle kracht vooruit op de tweede versperring in, die daarvoor bezweek; het voorschip liep echter hierbij aan den linkeroever in de modder en daar volle kracht achteruitslaan niet voldoende was om het schip achteruit tc krijgen, werd de bemanning naar het achterschip gezonden; zij kwam daardoor echter een oogenblik buiten de blindeering van planken, kooien en ijzeren platen, en kreeg door 's vijands vuur drie gewonden; het schip kwam vlot, en verdreef door vuur uit de gevechtsmars en aan het dek, de Atjehers uit de geschutstellingen aan den oever, waarna de officieren Mensert en Noordhoek Hegt met een klein detachement van de "Koerier" twee lilla's daaruit haalden; de versperringen werden latere door de sloepen opgeruimd. Inmiddels waren, op een punt, ongeveer 500 m benedenstrooms van Pasir Poetih, de beide colonnes der Infanterie met een deel der landingsdivisie op den linkeroever geland en rukten door de ladang, die, pas aangelegd, een zeer moeilijk terrein bleek te zijn, tegen de meest Noordelijk gelegen versterking op; de tegenstand, hier door den vijand geboden, bezorgde aan de Infanterie een gesneuvelde en vier gewonden; uit de overige bentings vluchtte de vijand. Eene compagnie bleef in de genomen versterkingen achter om die den volgenden dag te slechten, daarna werd het overige der gelande troepen geëmbarkeerd en ten 7u30m bereikte de flotille Seroeway, waar den 31 en de gewonden per particulieren stoomer naar Deli werden geëvacueerd, de colonne van Pasir Poetih afgehaald en overigens gerust werd.
Den 2en des morgens ten 6u werd door de sloepen aangevangen met het overzetten der colonnes en den trein, en ten 7u45m werd de marsch aanvaard; de landingsdivisie werd, om haar een vermoeiende marsch te besparen, door de "Anna" en "Slamat" overgevoerd naar een punt, tegenover Oud-Seroeway gelegen, waar zij ten 8u30m aankwam en in afwachting van de komst der colonne, naar den rand der sawah oprukte, vanwaar de ligging van een viertal vijandelijke versterkingen op ongeveer 700 m afstand, werd waargenomen; weldra kwam nu ook de colonne, onder bevel van den Majoor Meuleman, die het voetpad langs de rivier had gevolgd, op het terrein aan, en nadat de landingsdivisie hare plaats in den hoofdtroep had ingenomen werd even vóór 9u op de sawah gedeboucheerd; de sterkte van den troep bestond op dit oogenblik uit 9 officieren en 307 minderen der Infanterie, aan wie toegevoegd waren 1 officier en 19 mariniers, Marine-landingsdivisie 5 officieren en 73 matrozen 8 mariniers, artillerie 1 officier en 24 minderen met 3 getrokken bronzen kanonnen van 8 cm en een Coehoorn-mortier. Nadat tot ongeveer 650 pas van de vijandelijke stelling voortgerukt was, terwijl eene sectie infanterie bij het landingspunt achtergelaten was om de ageerende troepenmacht in den rug te dekken en de verbinding met de vaartuigen te onderhouden, kwam ten ongeveer 9u15m de artillerie in batterij en richtte haar vuur met granaten en granaatkartetsen achtereenvolgens op de vijandelijke versterkingen, terwijl door den troep beurtelings pelotons- en sectiesgewijze salvovuur werd afgegeven; men kreeg vuur niet alleen uit de bentings maar ook van een 200-tal Atjehers, die nabij de meest Noordelijk gelegen versterking eene schietstelling hadden ingenomen, waardoor de rechtervleugel onzer linie bedreigd werd; het detachement van Seroeway, met eene sectie infanterie versterkt, hiertegen afgezonden, slaagde erin, dat vuur tot zwijgen tebrengen.
Inmiddels had de Commandant der Landingsdivisie bevel ontvangen, om de bovengenoemde benting op den linkervleugel van 's vijands linie gelegen, te nemen. Zij rukte in vier tempo's vooruit, op de halten salvo's afgevend; door het zeer moeilijke terrein, eene sawah, met riet of zwaar hard gras ter hoogte van 1,5 m begroeid, waarvan bovendien de bodem glibberig was en vele kuilen en nagenoeg onbegaanbare galangans opleverde, kwam men slechts langzaam vooruit en leed reeds eenige verliezen; op ongeveer 200 pas van het doel werd daarom de order tot stormloopen tegen de Noord-Oostelijke face gegeven.Men kwam vóór eene omheining van aangepunte bamboe waarachter eene drooge gracht, gevuld met bamboedoerie, om het buitentalud te bereiken, moest eene tweede omheining van bamboe doorbroken worden; men trachtte nu, door kappen en snijden, openingen te maken. Het gelukte Commandant en Officieren op enkele plaatsen de borstwering te bereiken, doch de Commandant, de Luitenant ter zee 1 e kl. Mensert, werd door een schot in het hoofd zwaar gewond, zoodat hij het bevel aan den Luitenant ter zee 2e kl. C.W. Broers moest overgeven. Terzelfder tijd was het detachement van Seroeway, waarbij, zooals reeds vermeld, 20 man van het Korps Mariniers waren ingedeeld, na het vermeesteren der bovengenoemde schietstelling, tegen de Vester- en Zuiderfacen der benting opgerukt, en werd getracht, de poort der versterking te forceeren; hierbij sneuvelde de Korporaal der Mariniers Viergever, terwijl de Commandant van de troep, de 1e Luitenant der Infanterie C. van der Schroeff, bij het beklimmen der borstwering doodelijk gewond werd.
Intusschen was tot steun dezer actie eene groep infanterie van eene der andere collones afgezonden geworden, en gelukte het aan eenige manschappen dezer groep, met den Luitenant ter zee 2e kl. A. F. Gooszen en 4 mariniers, in de binnenruimte der versterking te springen, op hetzelfde oogenblik, dat het forceeren der poort gelukte; hiermede was de versterking in ons bezit. Reeds bij het oprukken had de Landingsdivisie 6 gewonden gekregen, waaronder de Luitenant ter zee 2e kl. J. H. Zeeman; bij het stormen sneuvelden met inbegrip van de bij het detachement Seroeway ingedeelde mariniers, vier man en werden, behalve de Luitenant ter zee 1e kl. Mensert, drie man gewond. (...)
Nadat alle versterkingen genomen waren, stoomde de "Koerier" nog hooger de rivier op en verjoeg met eenige schoten uit de kanons van 3,7 cm de nog standhoudende Atjehers uit een versterkt huis in de kampong Loeboek Batil. De veroverde versterkingen werden voor den nacht door de Landmacht bezet en daags daarna geslecht. Nog in den namiddag van den 2en April werden de lijken der gesneuvelden de gewonden en de landingsdivisie door de "Koerier" en de sloepen naar Seroeway overgevoerd; aldaar was de Kapitein ter zee Stokhuyzen, Commandant der vereenigde scheepsmacht in de wateren van Atjeh, per stoomschip "Kinta" aangekomen; hij begaf zich, vergezeld van den Kapitein-Luitenant ter zee van den Pauvert, leider van het nautische gedeelte der expeditionnaire macht, per stoomsloep naar het gevechtsterrein; vandaar terugkeerende, kreeg de sloep door een geweerschot een lek, waarin den volgenden dag, door haar op eene droogte te zetten, kon worden voorzien. Den 3en werden de gewonden door de gewestelijke stoomjachten, onder geleide van eene stoombarkas, naar de reede vervoerd en had in den namiddag de plechtige ter aarde-bestelling der gesneuvelden plaats. Op den 5en keerden alle schepelingen naar hunne respectieve bodems terug, terwijl de "Koerier" met eene stoombarkas op de rivier bleef.
Nu aan Nja Makam's aanhangers belangrijke verliezen waren toegebracht, was de toestand in het Tamiangsche aanmerkelijk verbeterd; niettemin werd voorloopig de aanwezigheid van een oorlogsvaartuig op de rivier noodig geacht; toen dan ook in Mei de "Koerier" naar Penang moest om te dokken, werd het Gouvernements-stoomschip "Indragiri", met een Marine-detachement aan boord, ter vervanging aangewezen. Verder werd de toegankelijkheid van de "Tamiang-Rivier bevorderd door de opname van de Panaga-geul en de bebakening der monding van de Soengei Ijoe, welke dieper was dan de Tamianggeul.
Einde citaten uit het boek van Cohen Stuart . De Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915
Opmerkelijk genoeg bestaat er een direct verband tussen mijn twee grootvaders, voordat mijn ouders geboren waren. Wat wil namelijk het geval. Zoals al vermeld in hoofdstuk 4 Herinneringen van Hendrik de Booy aan de derde Atjeh oorlog, hebben mijn beide grootvaders zij aan zij gevochten in Atjeh. Zij waren aan boord van gewapende sloepen, die een verkenningsexpeditie uitvoerden op de bovenloop van de Rivier Tamiang aan de Oostkust van Atjeh. Beiden krijgen voor deze krijgsverrichtingen een ereteken van de Minister van Marine. Uit de oorkonde, die daarbij werd vergezeld met de zelfde tekst voor beide grootvaders, uiteraard waren de namen van hen op de oorkonde verschillend. De dagtekening was ook het zelfde: 30 november 1994. De oorkonde was getekend door Jhr H.M. van der Wijck, de Minister van Marine.


Boven: Oorkonde voor Antonie Frederik Gooszen, Luitenant ter
Zee 2e klasse. De tekst van deze oorkonde luidt: De Minister van Marine,
Gezien het Koninklijk Besluit van den 19 Februari 1869 no 13 waarbij een
eerteken is ingesteld voor hen, die deelgenomen hebben aan belangrijke
krijgsbedrijven, verklaart dat de Luitenant ter Zee der 2e klasse A.F. Gooszen
gerechtigd is tot het dragen van het voormeld eereteken met gesp, hebbende hij
als Luitenant ter Zee der 2e Klasse deelgenomen aan de expeditie naar de
Tamiang-rivier ( Oostkust van Sumatra) 1893. 's-Gravenhage den 30 november
1894. De Minister voornoemd Van der Wijck
Onder: Oorkonde voor Hendrik de Booij, Luitenant ter Zee der 2e Klasse, De tekst
van deze oorkonde is identiek aan die van Antonie Frederik Gooszen. Uiteraard
verschilt de naam die bij de oorkonde is ingevuld. ( De naam van de Booij wordt
nu terecht met een lange ij geschreven)
1896 Gooszen treedt op 8 oktober in het huwelijk met Henriette Elisabeth PeereboomVoller geboren te Soerabaja 25 februari 1875, dochter van Mr Jan Peereboom Voller en Maria Johanna Turk (Zie link Nazaten van A. F. Gooszen en H. E. Peereboom Voller,
Genealogie families Gooszen, Peereboom Voller, Turk en Buteux).

Links: Het bruidspaar Gooszen-Peereboom Voller in 1896. Bruidegom is nu Luitenant ter Zee der 2e Klasse Rechts: Het echtpaar Gooszen op de Eifeltoren in Parijs (huwelijksreis?). Gooszen was al in 1890 een keer naar Parijs geweest.
1897 9 juli wordt hun dochter Maria Johanna geboren. Vernoemd naar haar grootmoeder Maria Johanna Peereboom Voller-Turk
1898 20 augustus wordt hun tweede dochter Ottolina Hendrika geboren. Deze naam is haar gegeven ter nagedachtenis van de jong (2 ½ maand oud) gestorven overleden zuster van Antonie Frederik Gooszen

Links: Moeder met haar dochter Ottolina Hendrika. Rechts: de twee zusters Ottolina en Maria Johanna Gooszen in 1898
1899 A.F. Gooszen wordt op 11 maart 1904 benoemd tot luitenant ter zee der 1e klasse. Nadat hij op 17 januari het examen voor de rang uitmuntend had afgelegd volgens de minister van Marine Jhr Jacob Alexander Röell.

Diploma examen voor de rang van Luitenant ter Zee der 1e klasse. Door A.F. Gooszen heeft dit examen uitmuntend afgelegd. Het is ondertekend door de minister van Marine Jhr J.A. Roëll
1901 De familie Gooszen en de familie de Booy zijn gelijktijdig in Batavia (Ned.Oost Indië). Getuige daarvan zijn onderstaande foto's.

Links: 'First kiss' van Tom de Booy met zijn latere vrouw Ot Gooszen. Rechts: Ot Gooszen, Tom de Booy en Mary Gooszen in Buitenzorg 1901
1907 Koningin Wilhelmina benoemt op 30 augustus A.F. Gooszen tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Z.M. de Duitsche Keizer Wilhelm II benoemt 13 december A.F. Gooszen tot Ridder 3e klasse in de Orde van den Rooden Adelaar.

Brevet behorende bij de door Z.M den Duitsche keizer geschonken versierselen van Ridder 3e klasse in de Orde van de Rooden Adelaar aan A.F. Gooszen op 13 december 1907. (De Orde van de Rode Adelaar (Duits: "Der Roter-Adler-Orden") werd op 17 november 1705 door markgraaf George Willem van Brandenburg-Bayreuth (1678-1726) gesticht als " Ordre de la Sincerité".Derde Klasse is vergelijkbaar met een commandeur in Nederland)

Z.M. de Duitsche Keizer Wilhelm II . ( vergelijking handtekening met die van de oorkonde)

Gezin Gooszen rond 1908. V.l.n.r. Moeder, May, Vader, Ot. Vader Gooszen is nu Luitenant ter Zee der 1e klasse

Moeder Gooszen met haar twee dochters, May (links) en Ot (rechts) rond 1910
1912 29 november wordt hun dochter Anthoinetta Frederika Gooszen geboren.
1916 8 juni overlijdt zijn stiefmoeder (derde vrouw van zijn vader) Johanna Wilhelmina Jacoba baronesse van Reede van Oudtshoorn
1917 In een brief van mijn vader Hendrik Thomas
de Booy aan zijn vader Hendrik de Booij geeft hij een beschrijving van het
binnenlopen van Hrms Tromp komende van Nederlandsch Oost Indië. In deze brief
zien we dat ook de toen nog overste A.F.Gooszen een rol speelt, vandaar dat ik
enkele passages uit deze brief citeer:
" En ja waarachtig daar lag de Tromp - voor anker - z'n enige anker dat hij nog
over had. Hij was z'n St.B. anker kwijt met ketting en al. De zee sloeg over de
dijk soms. 't Was bepaald niet zonder gevaar om 't Wierhoofd langs te lopen.
Menigeen haalde daar vandaag een nat pak. Om langs de gewone weg op 't Hoofd te
komen was helemaal geen doen. 't Plankier stond vèr onder water. De Tromp heesch
de blauwe vlag. Inmiddels was de Koningin gearriveerd. 2 admiraals (ten Cate -
Bauduin) verschillende hooge bokken die zich erg onbehaaglijk voelden in dit
beesten weer, een hofdame, overste Gooszen enz. enz. De hooge personages
vatten post bovenop Wierhoofd en keken naar de Tromp, die nu zou trachten binnen
te komen. Hooge zeeën sloegen over 't haven hoofd heen. Zelfs kwamen ze dikwijls
heelemaal over de dijk heen bij Wierhoofd zoodat ze 't trapje aan de binnenzij
weer afstroomden. Veel adelborsten stonden op 't Hoofd (niet op de pier
natuurlijk) met veel andere menschen en we waren wel zo goed als afgesloten.
Daarbij woei en hagelde, regende het maar door. De koningin bleef de geheele
ochtend boven op Wierhoofd staan. Bewonderenswaardig. 't Ivoren aapje (ten Cate)
wandelde wat op en neer afgelost door overste Gooszen en andere
overheidsdienaren. De bokken zochten al spoedig dekking achter de schilden van de
Wierhoofd. Maar de Koningin trotseerde de storm. De Tromp kwam inmiddels op de
haven aan".
1918 A.F. Gooszen wordt bevorderd 1 februari tot kapitein te zee. Hij wordt 1 november Commandant Marine te Soerabaja, welke functie hij vervulde tot 28 augustus 1919.
1919 Uit het dagboek van mijn grootvader Hendrik de Booy van 23 december wordt melding gemaakt van (nu kolonel) Gooszen: "Tom komt morgen, is naar de Gooszens om de epauletten te halen van den kolonel Gooszen".
1920 Gooszen wordt 2 februari benoemd tot Chef Marinestaf (CMS)
te 's-Gravenhage.
Zijn dochter Maria Johanna Gooszen trouwt 23 maart in
Leiden met Jan Willem Gerrit van Hengel, zeeofficier.

Maria Johanna Gooszen trouwt 23 maart 1920 in Leiden met Willem van Hengel, zeeofficier
29 mei wordt Kapitein ter zee (Kolonel) A.F. Gooszen benoemd als voorzitter van de interdepartementale commissie, ingesteld door de Minister van Marine, die als taak heeft om een programma op te maken voor de aanbouw van Marine-materialen voor de eerstvolgende jaren.
De grote invloed van A.F. Gooszen, die tijdens de periode van de werkzaamheden van deze commissie en de verdere politieke gevolgen daarna heeft gehad, is door G. Jungslager in 1997 samengevat in een artikel in de bundel Kopstukken uit de krijgsmacht. Nederlandse vlag- opperofficieren 1815-1955 onder redactie van G. Teitler en W. Klinkert . Een 20 tal officieren uit de 18e,19e en 20ste eeuw worden besproken, waaronder Vice-admiraal A.F. Gooszen. Het artikel van Jungslager geeft een dermate goed beeld van mijn grootvader A.F. Gooszen, dat ik gemeend er goed aan te doen om het artikel in het geheel over te nemen. Dit is te vinden onder de link: Kopstuk A.F. Gooszen.
1921 28 augustus ontvangt A.F.Gooszen een brief van de minster van Marine met de mededeling, dat de interdepartementale commissie voor het opstellen van een nieuwe vlootwet wordt ontbonden, met dankzegging voor de door de commissie geleverde belangrijke arbeid en daarbij een speciale vermelding, dat de Minister een bijzondere waardering heeft voor de wijze waarop A.F Gooszen als voorzitter de werkzaamheden van de commissie heeft geleid.
1923 Zijn dochter Ottolina Hendrika Gooszen trouwt 21 augustus 1923 in 's Gravenhage met Hendrik Thomas de Booy, zeeofficier.

Ottolina Hendrika Gooszen trouwt 21 augustus in 's-Gravenhage met Hendrik Thomas de Booy, zeeofficier
21 oktober wordt Gooszen benoemd tot Commandant Zeemacht van Nederlandsch
Indië.
26
oktober wordt een zwarte dag voor Gooszen. Zijn vlootwet wordt door de Tweede
Kamer verworpen. Hierover nog de volgende feiten. In de herfst
van 1923 gaat een golf van emoties door Nederland. Aanleiding: het besluit van
het confessionele kabinet-Ruys de Beerenbrouck om de defensie van Nederlandsch-Indië
te verbeteren door de vloot sterk uit te breiden. Het is vooral Minister van Financiën
Hendrik Colijn, die veel geld wil uittrekken voor de bouw van nieuwe
oorlogsschepen, terwijl hij juist verder een hard bezuinigingsbeleid voert. De
kosten van de eerste fase van de vlootbouw worden
geraamd op 500 miljoen.

Minister-president Jhr Charles Ruijs de Beerenbrouck (1873-1936)
De woorden ‘oorlog’, en ‘vrede’, en ‘bewapening’ liggen plotseling op ieders lippen. De afschuw van de regeringsplannen overheerst. Zeer massale protestdemonstraties volgen, de grootste telde bijna 80.000 deelnemers. Petitionnements acties leveren het unieke aantal van ruim 1,2 miljoen handtekeningen op ‘Tegen de Vlootwet!’. Men heeft genoeg van oorlog, men wil vrede en geen uitbreiding van de oorlogsindustrie. De verschrikkingen van de Grote Oorlog (1914-918) liggen nog vers in het geheugen..


Links: Posters tegen de Vlootwet. Rechts: " Weg met de vlootwet" een brochure van Henri J.G.Beunders
Wanneer de behandeling van de omstreden Vlootwet in het najaar van 1923 op de kameragenda prijkt, verklaart het Tweede Kamerlid J.B. Bomans al in een vroeg stadium tegen de voorstellen dienaangaande van het kabinet-Ruijs te zullen stemmen. Naast bezwaren van min of meer principiële aard bestaat bij hem ook de angst dat, bij aanvaarding van de wet, veel katholieke arbeiders de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP), ten gunste van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de rug zullen toekeren. Het resultaat: na zeldzaam spannende kamerdebatten wordt het wetsontwerp in de Tweede Kamer met één stem meerderheid (50-49) verworpen. Tien katholieken hebben met de oppositie meegestemd. Navrant detail is, dat een voorstemmer het kamerlid B.J. Gerretson van de Christelijk-Historische Unie afwezig is wegens ziekte. Het kabinet treedt af. De Vlootwet is van de baan.. Een langdurige kabinetscrisis is, naast de verontwaardiging bij (vooral) de antirevolutionaire coalitiegenoot, het gevolg voordat het ministerie uiteindelijk alsnog aanblijft, omdat er geen ander kabinet geformeerd kan worden, dat door een kamermeerderheid gesteund wordt.
In de dissertatie van Henri Beunders (1984) staan vele wetenswaardigheden
over kapitein ter zee A.F. Gooszen en zijn verwoede strijd om de vlootwet door
de Tweede Kamer te krijgen. Ik citeer een aantal passages, aangezien het een goed
beeld geven van zijn energie en strijdlust:
pagina's 82-83: In maart. 1920 berichtte minister De Graaff aan G.G. Van
Limburg Stirum, die had gewaarschuwd dat het Verre Oosten 'onafwendbaar' een
nieuwe oorlog tegemoet ging, dat hij het kabinetsbeleid reeds in belangrijke
mate had omgebogen ten gunste van de Indische marine.(...) Op 29 maart 1920 werd
generaal W.F. Pop minister van Oorlog en Marine ad interim. Een week later kreeg
Pop een nota over de defensie van Indië van de nieuwe marinestafchef, de uiterst
wilskrachtige en militante kapitein ter zee A.F. Gooszen. Volgens Gooszen was
een zelfstandige verdediging uitgesloten, maar omdat Nederland zeker bondgenoten
zou vinden, moest het doel zijn te verhinderen dat de vijand met slechts een
kleine macht zijn heerschappij in de archipel zou kunnen vestigen. Verder moest
men proberen een waardevolle steun te zijn voor een bondgenoot. Voor de te
bouwen vloot kwam alleen nog klein ' materieel' in aanmerking. Onderzeeërs,
jagers en kruisers vormden echter een 'ondeelbaar geheel': 'Zonder kruisers is
het bouwen van onderzeeboten en jagers geld weggegooid'. Omdat commissies veel
te langzaam werkten stelde hij voor de marinestaf een bouwprogramma te laten
opstellen dat voor vier à vijf jaar in wet zou moeten worden vastgelegd.
Gewapend met deze nota ontvouwde Pop op 27 mei 1920 in de Eerste Kamer zijn
plannen. Hij volgde Gooszens nota grotendeels.(...) Van een vlootwet, zoals Gooszen had voorgesteld, verklaarde Pop
niets te willen weten: 'Dat zou geen gelukkig standpunt zijn geweest, want de
tijden veranderen en de omstandigheden daarmede: men zou vooruit werken in een
verre toekomst, zonder dat men de zekerheid had, dat de' eischen aan de vloot
te stellen dezelfde blijven'.Wel beloofde Pop een einde te maken aan
het 'gerommel' van de afgelopen tijd door een vlootplan te laten
opstellen. Maar ook hierbij gaf hij Gooszen niet zijn zin: hij gaf de
opdracht voor het maken van een plan aan een interdepartementale commissie.
Wel kreeg Gooszen gedaan dat hij voorzitter werd van de nieuwe defensie
commissie en
hij manoeuvreerde zich onmiddellijk in een sleutelpositie door de vier
subcommissies persoonlijk te leiden. Van de overige negen commissieleden;
afkomstig van de departementen van Marine, Koloniën, Oorlog en Financiën, waren
de belangrijkste kapttz. Putman Cramer, ltz. A. van Hengel en de reeds ter
sprake gekomen Trip. (A. van Hengel is de broer van de latere schoonzoon van
Gooszen Wim van Hengel)
pagina 84: 'De lust om in de Marine dienst te nemen is, zoals bekend is, thans zeer gering. (...) Die lust wordt niet herkregen door platonische verzekeringen der Regeering; zij kan slechts weder verkregen worden door een daad, die toont dat het de natie ernst is met den wederopbouw der Marine'. Hieruit bleek dat net als Colijn en Rambonnet ook Gooszen ernaar streefde een 'IJzeren Budget' te verkrijgen voor de marine, iets wat gezien de politieke ontwikkelingen en de heersende crisis op maritiem gebied, meer dan ooit. noodzakelijk leek.
pagina 92: Alsof de commissie nog niet verdeeld genoeg was, raakten de voorstanders van de Vlootwet ook nog onderling met elkaar slaags, en wel over de samenstelling van de voorgestelde vloot. Op 19 januari '23 wierp Struyken de vraag op of de Vlootwet niet meer op de voorbije oorlog dan op de toekomstige oorlog was afgestemd. Hij was zeer onder de indruk geraakt van het vliegtuig als wapen en volgens hem was hiervoor in het vlootplan een veel te kleine plaats ingeruimd. Alle grote mogendheden stuurden immers af op een krachtige luchtvloot. Door deze kritiek voelde Gooszen zich mogelijk nog meer bedreigd dan door de financiële argumenten van Trip. Met alle oratorische kracht die hij in zich had, trachtte hij 'de opgeschroefde verhalen van het luchtwapen' te ontzenuwen. Vanwege de weersomstandigheden kon het vliegtuig lang niet altijd worden gebruikt, de trefkans was 'zeer gering' en de animo van het personeel voor het vliegtuig was minimaal.
pagina 138:Vanwege de maritiem-strategische verwarring varieerde na de oorlog de strekking van artikelen in het Handelsblad van totale afkeuring van nieuwe vlootbouw tot militante verdediging ervan. In een anoniem artikel - afgaand op de woordkeus ongetwijfeld van de hand van Gooszen - werd eind '21 betoogd dat Nederland in Azië een grote mogendheid was en dat het vlootplan als een minimum moest worden beschouwd. Als men zelfs dat niet wilde, kon men beter de hele marine zo spoedig mogelijk afschaffen. De grootste tegenstanders vonden Gooszen en Van Hengel - die ook menig pleidooi voor de Vlootwet naar diverse kranten stuurde - onder hun eigen, veelal gepensioneerde collega's.
pagina 140: Een op voordacht van de minister van Marine in 1922 bij Koninklijk Besluit ingestelde staatscommissie ook wel 'Bezuiningsinspectie' genoemd, stelde in haar rapport van juni '23 behalve Marine suggesties nog een zestigtal andere maatregelen: van versobering van alle rangen en verlaging van de soldij van nieuw personeel tot beperking van de telefoonvergoeding en versobering van de voeding. Om een paar koksmaatjes uit te sparen moesten de matrozen voortaan zelf de aardappels schillen. Een woedende marinestafchef Gooszen liet onmiddellijk weten dat er na aanneming van de Vlootwet helemaal niet te veel hoofdofficieren zouden zijn en hij verwees dit 'oppervlakkig rapport' van 'leken op marinegebied' naar de prullenmand.
pagina 200: Met de Vlootwet van 1923 had de marine op 'alles of niets' gegooid en verloren: de Vlootwet was voorlopig van de baan. In de regeringsverklaring op 15 januari 1924 verklaarde Ruys dan ook dat de versterking van de maritieme defensie moest wachten tot er maatregelen voor financieel herstel waren genomen. Gooszen, die er tot het laatste moment niet aan had getwijfeld dat de Vlootwet zou worden aangenomen en Umbgrove alleen als vlootvoogd in Indië was opgevolgd om het vlootplan te realiseren, vroeg zich in Batavia dan ook verbitterd af wat hij daar nu eigenlijk nog deed.
(Mijn moeder heeft me vroeger wel eens verteld over het verwerpen van de vlootwet waaraan mijn grootvader zeer hard had gewerkt. Na het verwerpen van de vlootweet zat hij dezelfde avond nog aan een nieuw ontwerp te werken. Het is maar een vage herinnering. Dit verhaal van mijn moeder heeft mij echter wel geïnspireerd om altijd te blijven volharden ook na tegenslagen)
Eind 1923 vertrekt Schout bij nacht A.F. Gooszen met zijn vrouw en jongste dochter naar Indië. Hij is namelijk benoemd tot Commandant Zeemacht van Nederlandsch Indië en hoofd van het departement van Marine in Nederlandsch Indië .Hij wordt de rechterhand van de Gouverneur-generaal Jhr A.C.D. de Graeff. Zij nemen hun intrek in een groot huis (lees paleis) aan de Parapattan 8 in Weltevreden (even buiten Batavia).

Het 'paleis' van de Vlootvoogd A.F. Gooszen Parapattan 38, Weltevreden
1926 Zijn schoonzoon Hendrik Thomas de Booy (getrouwd met zijn dochter Ottolina ) wordt als zeeofficier naar Nederlandsch Indië gestuurd om daar vier jaren te dienen. Hij vertrekt met zijn vrouw en zoon Tom eind januari naar Indië. Zij komen de eerste tijd te logeren bij hun ouders in Weltevreden.

Familie Gooszen in Parapattan, Weltevreden februari 1926. v.l.n.r. Willem van Hengel, schoonzoon, Ot de Booij-Gooszen dochter, Tom kleinzoon, Hendrik Thomas de Booy schoonzoon, zijn vrouw Henriette, Gigs van Hengel kleindochter, Teun Gooszen jongste dochter, Antonie Frederik Gooszen, Hank van Hengel kleindochter, May van Hengel-Gooszen oudste dochter.
Uit de periode 1923-1927, dat Vice-admiraal Gooszen Commandant Zeemacht in
Nederlandsch Indië was, zijn nadere gegevens over zijn werkzaamheden te lezen in het reeds geciteerde artikel van G. Jungslager, dat bij het jaar 1920 te lezen is
onder link: Kopstuk A.F. Gooszen.
In zijn periode als vlootvoogd zijn ernstige onlusten zijn uitgebroken in Bantam
(West Java) in november 1926 en in Sumatra in januari1927.. Het is zeer
aannemelijk dat A.F. Gooszen als vlootvoogd en als rechterhand van de landvoogd
Jhr de Graeff hier mee te maken heeft gehad. Deze Gouverneur-generaal heeft een
belangrijke rol tijdens deze onlusten gespeeld.
Wie was deze Jhr de Graeff?.

Jhr A.C.D. de Graeff, Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië van 1926-1931
Jhr de Graeff is geboren in 's-Gravenhage op 7 augustus 1872. Hij is de zoon van Jhr Dirk de Graeff, consul-generaal en minister-resident in Japan, en Bonne Elisabeth Roijer. Bij besluit van de minister van Koloniën van 19 augustus 1895 wordt De Graeff ter beschikking gesteld van de gouverneur-generaal, Jhr C.H.A. van der Wijck, nadat hij nog dat zelfde jaar in Indië was aangekomen, op de Algemene Secretarie te Buitenzorg geplaatst. De Graeff bleek al spoedig een zeer bekwaam secretarieambtenaar. Hij trouwt op 25 maart 1897 in Buitenzorg met Jkvr. Caroline Angelique van der Wijck, een dochter van de Gouverneur-generaal Jhr C.H.A van der Wijck. Leden van de familie van der Wijck zijn sterk betrokken geweest bij de oorlogshandelingen in Nederlandsch Indië. De broer van deze Gouverneur-generaal Jhr H.M. van der Wijck was de Minister van Marine, die de oorkonde in 1894 van mijn beide grootvaders heeft ondertekend. Een klein wereldje. Hier volgen de relaties van de verschillende leden van de familie van der Wijck en hun betrokkenheid bij de oorlogshandelingen in Nederlands Indië:
Jhr Mr H.C. van der Wijck *) (1815- ?) Lid van de Raad van Nederlandsch Indië. Getrouwd met M.S.L. de Kock van Leeuwen. Zij hadden drie kinderen:
Jhr C.H.A. van der Wijck (1840-1914) Gouverneur-generaal van
Nederlandsch-Indië, 1893-1899 (Atjeh oorlog)
Jhr H.M. van der Wijck (1843-1932) Minister van Marine, 1894-1897 (Atjeh
oorlog, Lombok actie)
Jhr Mr. H. van der Wijck (1844-1909) Secretaris-generaal Ministerie van
Koloniën, 1880-1894 (Atjeh oorlog)

Links :Jhr C.H.A. van der Wijck (1840-1914). Rechts: Jhr H.M. van der Wijck (1843-1932)
*) Jhr H.C. van der Wijck heeft in 1865 een brochure geschreven
met als titel: "Onze Koloniale Staatkunde. Een beroep op het Nederlandsche
Volk" (uitgave Martinus Nijhoff, 's Gravenhage).
De tekst is zo interessant en vooruitstrevend voor die tijd, dat ik meen er
goed aan te doen om deze integraal weer te geven, zie
Brochure H.C. van der Wijck. Tot nu toe
heb ik in de literatuur geen bespreking van deze brochure of
verwijzing gevonden. Dit staat wel in schrille tegenstelling met de
bekendheid van het boek Max Havelaar, 6 jaar daarvoor in 1859 op een
hotelkamertje in Brussel geschreven door Eduard Douwes Dekker onder
zijn pseudoniem Multatuli. Maar hierbij moet wel gesteld worden, dat de
bekendheid van Max Havelaar van veel latere datum is. De eerste uitgaven
zijn verzorgd door de Amsterdamse advocaat en schrijver Jacob van Lennep,
aan wie Multatuli zijn rechten had verkocht. Het succes dat Multatuli van
zijn boek had verwacht, is aanvankelijk niet uitgekomen, mede door de dure
uitgave (vier gulden per exemplaar), die Van Lennep in beperkte oplage liet
verschijnen, waarin hij bovendien de politieke boodschap afzwakte door
plaatsnamen en jaartallen door puntjes te vervangen en zelfs hier en daar
iets uit de tekst heeft weggelaten Dit tot grote woede en verontwaardiging
van de schrijver, die echter een proces tegen deze verminking van zijn boek
in
1861 verloor.
De bekendheid van de brochure van Jhr van der Wijck is tot op de dag van
vandaag niet echter niet tot stand gekomen. Hopelijk door zijn tekst op mijn
website te zetten, kan daar misschien verandering in komen en wordt
zijn klemmende boodschap alsnog gehoord - beter laat dan nooit.
(Antiquarisch wordt de brochure aangeboden voor 90 euro).
Wanneer men deze brochure van Jhr van der Wijck leest kan men zich niet aan
de indruk ontrekken, dat hij zijn tijd ver vooruit was. Zijn zoons, die een
belangrijke rol hebben gespeeld in de koloniale oorlogen, hebben schijnbaar
weinig opgehad met de revolutionaire ideeën van hun vader. Over de persoon
van hun vader heb ik nergens biografische gegevens kunnen achterhalen. Alleen
zijn geboortedatum en geboorteplaats kan men terugvinden in zijn brochure.
Ik heb het sterke vermoeden, dat zijn gedachten vastgelegd in zijn brochure
hem niet bepaald in dank zijn afgenomen. ( einde noot)
Zijn huwelijk met Jkvr. Caroline Angelique van der Wijck, dochter van de Gouverneur-generaal Jhr C.H.A van der Wijck brengt Jhr de Graeff geen windeieren. In 1914 werd hij benoemd tot lid van de Raad van Nederlandsch-Indië en in 1917 tot vice-president van dat college. Om gezondheidsredenen en in verband met de opvoeding van zijn kinderen nam hij met ingang van 2-9-1918 pensioen en vertrok naar Nederland. De belangrijkste ontwikkeling in Indië tijdens De Graeffs 23-jarige loopbaan was ongetwijfeld de opkomst van de 'inlandse' beweging, mogelijk gemaakt door de ethische politiek en de uitbreiding van onderwijsfaciliteiten voor de inheemse bevolking. Tevens had zich steeds duidelijker het verlangen geopenbaard om aan Indië en de daar levende bevolkingsgroepen zeggenschap te geven bij de afdoening van interne Indische kwesties. Een markant punt in deze evolutie was de instelling van de Volksraad in 1918 geweest. De staatkundige ontwikkeling van het land leek dat jaar in een stroomversnelling te komen, toen gouverneur-generaal J.P. graaf Van Limburg Stirum met zijn bekende 'Novemberbeloften' het uitzicht opende op verdergaande hervormingen. In tegenstelling tot vele andere 'oudgasten' stelde De Graeff zich positief tegenover het ontwakend nationalisme op. In Nederland aangekomen, stelde hij zich tot doel de houding van Van Limburg Stirum, met wie hij nauw bevriend was - zij waren te Leiden jaargenoten geweest -, bij de minister van Koloniën, A.W.F. Idenburg, te verdedigen.

De Gouverneur-generaals A.W.H. Idenburg 1909-1916 en J.P. graaf Van Limburg Stirum 1916-1921
Zo bepleitte De Graeff om binnen een afzienbare periode de Volksraad tot een werkelijke vertegenwoordiging te hervormen met een aan de raad verantwoordelijke Indische regering. Al spoedig werd hij echter tot een andere werkkring geroepen, waardoor hij de ontwikkelingen in Indië voorlopig slechts uit de verte zou volgen. Op 13 december 1919 werd hij benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van Nederland te Tokio, waarmee hij dus de voetstappen van zijn vader drukte. Bij KB van 16 november 1922 werd hij hoofd van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging te Washington. Deze functie oefende hij uit tot 29 juli 1926. Al in 1916, bij het aftreden van Idenburg als gouverneur-generaal, was De Graeff als een serieuze kandidaat beschouwd voor de land voogdij. Van uitstel kwam in dit geval geen afstel: bij KB van 26 maart 1926 werd hij benoemd tot gouverneur-generaal. Na het repressieve bewind van D. Fock, dat de Indonesische nationalisten in hun verwachtingen had teleurgesteld, leek De Graeff de aangewezen man om het vertrouwen in het Nederlandse bestuur te herstellen. Bij zijn ambtsaanvaarding in de Volksraad op 7 september1926 verklaarde De Graeff dat hij 'eerbied' had voor de nationalistische idealen en sprak hij van de noodzaak het vertrouwen van de inheemse bevolking, 'voor zover het teloor is gegaan', in de rechtvaardigheidszin van de regering te herstellen; een uitlating die hem achteraf door Fock en de rechtse partijen in de Tweede Kamer nogal kwalijk is genomen. De paradox wil dat juist tijdens zijn progressieve bewind de Graeff te maken krijgt met een ernstige uitbarsting van Indonesisch, in hoofdzaak door communisten georganiseerd verzet. In november 1926 deden zich ongeregeldheden voor in West-Java. De onlusten werden staatsvijandig en moesten zo snel mogelijk krachtdadig worden onderdrukt. De Graeff trof harde tegenmaatregelen om het geschokte Nederlandse gezag te herstellen. Een week na het begin van de nacht van 12 november van de "communistische "revolte werd op 18 november 1926 een buitengewone zitting van de Raad van Nederlandsch Indië bijeen geroepen. De vergadering werd voorgezeten door de Gouverneur- generaal de Graeff. Verder waren aanwezig vice-president K.F. Creutzner, een 4 tal leden van de Raad, de algemene secretaris, gouverneur van West Java W.O. Hillen hoofd van de Justitie D. Rutgers, directeur binnenlands bestuur A.H. Maas Geestranus, Procureur-generaal H.G. P. Duyfjes, regering vertegenwoordiger voor algemene zaken J.J.Schrieke, adviseur van binnenlandse zaken E. Gobée. De Graeff stelde een paar harde maatregelen voor om deze communistische excessen hard aan te pakken en hoe we verdere onlusten moeten voorkomen. Van groot belang achtte hij dat raddraaiers veilig moesten worden opgeborgen, zodat zij verder geen invloed meer konden uitoefenen. .De weken daarna werd druk vergaderd. Er werd besloten dat de belangrijkste gevangenen zouden worden verbannen naar een in te richten internering kamp in Boven Digoel in Nieuw Guinea Het was een gebied dat weinig of geen mogelijkheden bood om te ontsnappen, midden in het oerwoud omringd door koppensnellers en alle andere gevaren van de jungle. Kapitein L.Th. Becking, die een belangrijk figuur was geweest bij het neerslaan van de revolte in Bantam, kreeg de opdracht om de leiding op zich te nemen van het interneringkamp van Boven Digoel. Er moet gezegd worden, dat De Graeff er voor pleitte dat een humaan beleid tegenover de gevangenen in acht genomen zou moeten worden.
In het boek van I..F.M Salim Vijftien jaar Boven-Gigoel, (1973), waar ik later uitvoeriger op zal ingaan, zijn een paar zeer interessante passages over het beleid van de Gouverneur-generaal de Graeff:
pagina 27: "
Het was voor de gouverneur-generaal Jhr mr. A. C. D. de Graeff (I926- I931),
die in onze Indonesische samenleving - in tegenstelling tot vele anderen onder
deze hoge regeerders - als een wáre aristocraat en ethicus bekend stond, een
zware opgave tot het stichten van een deportatieoord te besluiten. De bewindsman
had namelijk altijd een open oog gehad voor de behoeften en verdere ontwikkeling
van ons volk en toonde in dit opzicht een profetische blik. Hij liet soms
duidelijk doorschemeren, dat naar zijn inzichten binnen afzienbare tijd aan
iedere vorm van kolonialisme een einde zou komen. Hierom achtte de bewindsman
het noodzakelijk, dat de Ned.-Indische regering onder andere tot taak had ons
volk hierop geleidelijk voor te bereiden. Deze zienswijze en zijn correct en
welwillend optreden tegen ons, Indonesiërs, pasten natuurlijk niet in de
denkwijze van de massa der Nederlandse kolonialisten. Men aarzelde dan ook niet
deze integere figuur in de onderlinge conversatie een 'weekdier' te noemen.
Het speet ons daarom intens, dat de revolte nu juist onder zijn zo opbouwend
bewind moest plaatshebben. Maar de wil tot dit grote Indonesische verzet was nu
eenmaal in de loop van enige decennia gegroeid en zou zich daarom op een
willekeurig moment in de vorm van een revolte uiten. Daarentegen wezen de
fanatici onder de koloniale Hollanders erop, dat naar hun oordeel vooral het
milde en rechtvaardige regime van deze gouverneur-generaal de oorzaak van de
opstand moest zijn en dat dit bloedige optreden dus aantoonde, dat wij,
Indonesiërs, uitsluitend 'met straffe hand' moesten worden geregeerd! . Onder
druk van de minister van Koloniën in het moederland, de leden van de Raad van
Indië, de procureur-generaal en mogelijk van zijn eigen secretarie moest 's
lands regeerder wel voor het denkbeeld zwichten 'ergens' in een uithoek van onze
archipel een ballingsoord te laten bouwen. Hem werden daartoe de in onze ogen zo
beruchte 'exorbitante rechten' (uitzonderlijke bevoegdheden) toegekend. Zelfs
vele jaren later - nadat ik het Digoel-drama had overleefd en mij in Nederland
bevond -liet de toen ex-gouverneur-generaal mij door tussenkomst van de bekende
journalist dr. M. van Blankenstein zijn excuses voor dit onmenselijke gebeuren
overbrengen!" .
1927
Kort na de onlusten in West Java braken in januari 1927 in Sumatra weer
onlusten uit. Volgens de bedoeling van de communistische leiders zou de revolutie
tegelijk beginnen op Java en Sumatra's Westkust. Door verschillende
omstandigheden brak het verzet - op beperkte schaal - eerst uit in denacht van 1
op 2 januari 1927. Ook deze werden hardhandig neergeslagen. De Communistische Partij Indonesia (PKI) werd verboden. Na deze 2 onlusten werden 9 mensen ter dood
veroordeeld.(De Gouverneur-generaal, die het vonnis moet bekrachtigen heeft aan
drie mensen gratie verleend (De doodstraf werd in
de gehele archipel 'slechts' enkele keren per jaar uitgevoerd (in de jaren
1929-1936 14 keer), en moest als volgt plaatsvinden: de veroordeelde moest met
een strop om de hals op een schavot aan een galg worden vastgemaakt; onder zijn
voeten bevond zich een luik dat naar beneden openklapte), 13.000 mensen
werden gearresteerd. Vanaf 1927 werden
bijna 3000 Indonesiërs, zonder enige vorm van proces, naar het
concentratiekamp Boven Digoel op Nieuw Guinea gedeporteerd.
Nederland had dus, reeds ver voordat Duitsland en Japan er aan dachten, een oord
ingericht waar de gevangenen door de barre omstandigheden van zelf dood gingen.
Veel van de geïnterneerden hebben tot 1942, en sommigen zelfs tot 1945 in dit
kamp opgesloten gezeten. Na de opstand van 1926/ 27 was het als
kamp in een verlaten oord op Westelijk Nieuw-Guinea ingericht. Dat kamp lag in Tanah Merah in de binnenlanden aan de
bovenloop van de Digoel rivier. Er heerste malaria en het was aldaar zeer
ongezond toeven, door de terreingesteldheid en de zeer vijandige Papoea’s die in
de omgeving woonden betekende een vluchtpoging een bijna zekere dood. Onder druk van
een comité in Nederland en optredende Indonesiërs in de Volksraad ontstond een
discussie over de internering en mogelijke opheffing. De regeringsgemachtigde
voor inlandse zaken (W. Peekema) herinnert eraan, dat ,,meer in het algemeen was
overwogen" Boven-Digoel op te heffen en naar ,, een ander geschikt en minder
ongezond ballingsoord om te zien". Het kwam er echter niet van. Opmerkelijk is
nog wel de volgende ontboezeming: ,,De mindere geschiktheid van Boven-Digoel als
interneringsoord voor intellectuelen heeft enkele malen de aandacht getrokken,
en dientengevolge is het ook voorgekomen dat voor de openbare orde en rust
gevaarlijke, ontwikkelde Inlanders andere plaatsen tot verblijf kregen
aangewezen. Zoo zijn dokter Tjipto Mangoenkoesoemo en Mr. Koesoemo Soemantri
onlangs op Banda geïnterneerd en onlangs Ir. Soekarno op Flores." Communistische
intellectuelen werden echter wel naar Boven-Digoel gezonden. Hoe willekeurig
verbanningen plaats hadden, blijkt uit het voorbeeld van de ,,Minangkabauer Si
Gani", die na de opstand van 1927 (op Sumatra) tot gevangenisstraf was
veroordeeld. Toen in 1930 zijn tijd om was, werd besloten de internering voort
te zetten op grond van de overweging, ,, dat hij nog steeds behept is met een
gevaarlijke communistische mentaliteit, zodat met stelligheid kan worden
verwacht, dat hij zijn eventueel herwonnen vrijheid zal misbruiken om zich tegen
de bestaande orde van zaken te verzetten".
Het boek van I.F.M. Salim, Vijftien jaar Boven Digoel (1973),
waar ik hierboven reeds een passage uit heb geciteerd, geeft een verrassend goed
beeld hoe bepaalde mensen van Indonesische zijde dachten over de onlusten en
haar gevolgen. Van 1928 tot 1943 was Salim
een politieke gevangene van het Nederlands-Indische gouvernement: gedeporteerd
naar het interneringkamp in de jungle van westelijk Nieuw-Guinea. Het boek geeft
een onthutsend beeld over zijn arrestatie en zijn vijftienjarige opsluiting. Het is namelijk een van de weinige, zo
niet enige, getuigenissen van deze gitzwarte bladzijde uit onze koloniale
geschiedenis. Een uittreksel en citaten van en uit het boek van
I.F.M. Salim: Vijftien jaar Boven-Digoel, concentratiekamp op Nieuw-Guinea is te
vinden onder de volgende link
Vijftien jaar
Boven-Digoel
Dat het kamp niet bepaald een aanlokkelijk vooruitzicht was, blijkt uit het
volgende verhaal.: Soekarno, die in 1930 gevangen werd gezet was zo in paniek dat hij naar
Digoel zou kunnen worden gestuurd dat toen hij in 1933 in de gevangenis zat,
hij het gouvernement om vergiffenis vroeg in ruil voor dat hij zijn politieke activiteiten
zou staken en zelfs met het gouvernement zou willen samenwerken. Een andere
Indonesiër Soekabakt, de stichter van de ondergrondse revolutionaire partij Pari
( Partai
Republik Indonesia), pleegde zelfmoord voordat hij naar Digoel zou worden
gestuurd.
26 januari 1927 is een verslag van de
Commissie voor het onderzoek naar de oorzaken van de zich in de maand november
1926 in verscheidene gedeelten van de residentie Bantam voorgedaan hebbende
ongeregeldheden gepubliceerd. De commissie bestond uit J.W.Meyer Ranneft (assistent
resident) E.Gobée (wd. adviseur van inlandse zaken en R.M.T.D. Soemitro (regent
van Bandjarnegara). Op pagina 16 van dit verlag lezen we:
" Van het verzet, dat losbrak in deze maatschappij, waarvan karakter en
bestuur hierboven kort beschreven werden, zijn om te beginnen drie kenmerken te
constateeren.
1. Het verzet staat in nauw verband met het communisme;
het is een uitvloeisel van den algemeenen communisten-aanval, die op Java is
gepleegd. Het is, wat dit punt betreft, dus in den grond verschillend van vorige
opstanden in Bantam. Dat neemt overigens niet weg, dat andere factoren, zooals
volksaard en godsdiensthaat, dezelfde zijn als bij vroegere onlusten.
II. Het belangrijke van deze onlusten ligt niet zoozeer in de feiten van
werkelijk gepleegd of bijna gepleegd verzet in Laboean, Menes, Petir en Serang (Pantjoer)
, doch in het feit, dat over een veel grooter aantal plaatsen een groot aantal
lieden bereid was tot verzet. Overigens houdt dit nauw verband met het vermelde
onder I; de communistische samenzwering is belangrijker, dan de daaruit
voortgevloeide verzetsdaden.
III. Overal, zelfs in de verzetscentra, was het slechts
een deel der bevolking dat meedeed. Ook dit feit vloeit voort uit dat, vermeld
onder I; het was een opstand van door de communisten bewerkte lieden, geen
volledige volksopstand."
In hun conclusie komen zij tot een opmerkelijk uitspraak. Op pagina 35 lezen
we:
"Inzake de oplossing van dit uiterst moeilijke probleem zijn voor Bantam op dit
moment geen concrete maatregelen aan te geven. Doch het is zeker , dat reeds van
thans af aan voortdurend het oog gericht moet worden op wat er in deze richting
te doen valt. Zeker is dat ook voor Bantam alleen de oplossing nooit
brengen kan".
Een van de drie onderzoekers was Emile Gobée. Hij was ook aanwezig in de vergadering van 18 november 1926, als adviseur van de Binnenlandse Zaken, toen onder leiding van de Gouverneur-generaal Jhr J.G. de Graeff harde maatregelen werden getroffen tegen de raddraaiers van de onlusten. Gobée was het eens met het harde optreden van de Gouverneur- generaal. In het genoemde Bantam-rapport, werd er dus, zoals we gelezen hebben, ervan uitgegaan dat met het inheemse vrijheidsstreven rekening moest worden gehouden en werd een beleid van uitsluitend dwang ontraden. Ook in latere rapporten over het Indonesische politieke emancipatiestreven - waaronder de snel groeiende, op non-coöperatieve grondslag gebaseerde organisatie van Soekarno, de Partai Nasional Indonesia (PNI) - volgde Gobée consequent de liberaal-ethische lijn. Steeds weer legde hij de nadruk op het bevorderen van wederzijds vertrouwen in de hoop aldus de positie van de regering gunstig gezinde nationalisten te kunnen versterken. Door deze opstelling wist Gobée tijdens de beginjaren van De Graeffs landvoogdij de tot dan toe tanende invloed van Inlandsche Zaken op beleidszaken te herstellen.

Emile Gobée ,koloniaal ambtenaar (1881-1934). Medeopsteller rapport over de Bantam onlusten in 1926.
Met lede ogen moest Gobée aanzien dat onder gouverneur-generaal Jhr B.C. de Jonge (1931-1936) het georganiseerde Indonesische nationalisme principieel werd genegeerd en gereduceerd tot een politiële aangelegenheid. Het griefde hem dat hij niet langer werd geraadpleegd en dat op zijn adviezen geen acht werd geslagen. Gobées persoonlijke contact met De Jonge was dan ook uiterst gebrekkig
24 september kwam een rapport uit over de onlusten aan de Westkust van Sumatra. Het rapport, waarin de commissie haar bevindingen en aanbevelingen vastlegde..

J.C. Koningsberger (1867-1951), minister van koloniën van 1926-1929
De Gouverneur-generaal De Graeff heeft 5 genummerde exemplaren van het rapport aan de minister van koloniën (Koningsberger). gestuurd met een begeleidende brief : waarin staat o.m."Het zeer vertrouwelijk karakter van deze uitsluitend voor de internen dienst bestemde editie houdt verband met den inhoud van het daarin opgenomen eerste hoofdstuk van het verslag, waaraan ik na gezette overweging, overeenkomstig het gevoelen van den vorige procureur-generaal bij het Hooggerechtshof [H. P. G. Duyfjes] om: redenen van politieken aard heb ik gemeend geen publikatie te moeten geven. Ter voorkoming van den indruk alsof de revolutionaire beweging in genoemd gewest alleen door interne factoren zou zijn beheerscht, is echter in de voor het publiek bestemde uitgave van het eerste deel een korte samenvatting van de inhoud van het gesupprimeerde hoofdstuk gegeven".
Een belangwekkend citaat uit het slot van de inleiding van het rapport geeft een goed beeld van hoe men dacht over deze onlusten. Een citaat, dat mede kan verklaren, waarom een zo uitgebreid en diepgaand onderzoek werd ingesteld naar de opstandsbeweging in een beperkt deel van de buitengewesten:
"Tenslotte zou de commissie hier nog als hare meening willen bekend stellen, dat niet met voldoenden nadruk kan worden betoogd, dat Sumatra's Westkust, uit politiek oogpunt, wellicht het belangrijkste, en dus eventueel ook het gevaarlijkste gewest der Buitengewesten is. Als de Atjeher te kwader ure naar de klewang grijpt, blijft de guerrilla van den Atjeher beperkt tot het land van den Atjeher; maar als het volk van Minangkabau zich, hetgeen thans nog niet het geval is, in zijne breede lagen tegen de overheid keert, staat men voor eene (ook geestelijke) guerilla die zich uitstrekken zal zoover Minangkabau's zoonen zijn uitgezwermd - dat is van Nias tot Nieuw-Guinea, van Atjeh's Noordpunt tot Timor's Zuidkust. Dat men het zoover niet late komen!"
De onlusten leidden tot massale arrestaties van personen, die te boek stonden als leiders en/ of propagandisten van de P. K. I. en van hen, die daadwerkelijk aan verzetsacties hadden deelgenomen. Zij luidden ook een ingrijpende wijziging in van de toepassing van exorbitante maatregelen op hen, wie geen strafbare handelingen konden worden ten laste gelegd, maar die een bedreiging werden; geacht voor de openbare rust en orde. (citaat uit het boek van Kwantes 1978)
In Nederland werd ook door intellectuelen geprotesteerd tegen het keiharde optreden tegen de veroorzakers van de onlusten.

Henriette Goverdine Anna Roland Holst - van der Schalk (1869-1952) dichteres en socialiste.
Zo was er Henriette Roland Holst. Na de opstanden in 1926 en 1927 die eindigden met bloedige onderdrukking sprong zij in de bres voor de leiders die gedeporteerd werden naar concentratiekampen onder meer in Nieuw-Guinea.
Einde relaas over de onlusten van 1926/27 en de gevolgen daarvan.
In oktober 1927 komt voor Vice-admiraal A.F. Gooszen een eind aan zijn periode als Commandant van Zeemacht in Nederlandsch Indië. Vele toespraken vallen hem ten deel, waaruit blijkt dat men zich zeer lovend over hem uitlaat.
Zo lezen we in het avondblad van de Nieuwe Rotterdamsche Courant van Maandag 17 oktober 1927:
Afscheidsmaaltijd aan vice-admiraal Gooszen
Batavia, 16 October. (Aneta.) Een zeventig vertegenwoordigers van den
handel, scheepvaart en het bankwezen hebben den dezer dagen aftredende
commandant van de zeemacht, vice-admiraal A.F.Gooszen, een afscheidsmaaltijd
aangeboden (...) De president-directeur van de Javasche Bank, mr L.J.A. Trip*),
was aan dezen maaltijd de eerste spreker. Als tafelpresident bracht de heer Trip
een heildronk uit op de Koningin. Vervolgens wees mr Trip op de eensdeels
persoonlijke, anderzijds zakelijke redenen, die oorzaak zijn geweest van de
aangename verhouding, die in de laatste jaren heeft bestaan tusschen de marine
en het bedrijfsleven. Voor beide, aldus spreker, is het een eerste eisch, dat
het Nederlandsch gezag onverzwakt over Indië gehandhaafd blijft. Bij deze
woorden werd er van alle zijden geapplaudisseerd. Zoowel in staatkundig als
militair en economisch opzicht,aldus vervolgde mr Tip is het noodzakelijk, dat Indië in de handen van de Hollanders blijve (Hernieuwd applaus). Elke steen, zoo
zeide spreker, is hier door de Hollanders gemetseld, en als de Hollanders zich
uit Indië mochten terugtrekken, zal òf een andere macht zich over deze gewesten
doen gelden, òf het land vervalt tot een chaos. Daarom moet het bedrijfsleven er
toe medewerken, de marine binnen de draagkracht van onze financiën te handhaven.
Dat het vertrouwen in onze toekomst terugkeerde, en dat de grondslag van
onze vloot werd gelegd, is voor een overgroot deel te danken aan vice-admiraal Gooszen. In de geschiedenis van onze Marine zal gesproken worden van de "periode
Gooszen". Het bedrijfsleven in Indië zal deze periode niet vergeten. Gooszen is
een persoonlijkheid, die, gelijk zulk een man past, in zijn wapenschild het
devies voert: Ik zal handhaven. Deze redevoering werd met stormachtige bijval
begroet. Als tweede spreker stond de heer N. van Zalinge, directeur van de
Kon.Paketvaart-Mij. op. Hij zeide, dat de marine niet alleen een algemeene
beschermer van de scheepvaart in deze gewesten is, maar tevens door de
hydrografische dienst ook de padvinder en wegbereider daarvan, die bijdraagt tot
het economische heil van deze landen. In zijn antwoord verklaarde de heer Gooszen,
dat hij steeds gepoogd heeft, een hechten band te vormen tusschen het
bedrijfsleven en de marine. De vice-admiraal besloot deze redevoering met te
wijzen op de groote taak, die de Hollanders nog in Indië te verrichten hebben. Hij
wijst hen, die hier achterblijven, op die taak. Ook deze redevoering werd met
applaus begroet.
*) Interessant detail is dat Mr Trip lid is geweest van de Staatscommissie onderzoek inzake tempo van aanbouw van de voorgestelde vloot ("Vlootcommissie"), van 29 november 1922 tot 30 maart 1923. A.F. Gooszen heeft van 29 mei 1920 tot 28 augustus 1929 als voorzitter gezeten in een commissie, die als taak had om een programma op te maken voor de aanbouw van Marine-materialen voor de eerstvolgende jaren. Mr Trip keerde zich als lid van de Vlootcommissie in 1923 tegen het bij wet vastleggen van een meerjarig programma voor (marine)vlootbouw. De vlootwet werd op 26 october 1923 door de Tweede Kamer met één stem verschil verworpen.
A.F. Gooszen kreeg van de Gouverneur-generaal Jhr de Graeff eveneens een afscheidsmaaltijd aangeboden. Tijdens deze maaltijd heeft de Gouverneur-generaal de volgende afscheidsspeech gehouden:
Hooggeachtte Mevrouw Gooszen, Zeer waarde Admiraal,
Mevrouw de Graeff en ik zijn U beiden bijzonder erkentelijk dat U in deze drukke
en weemoedige laatste dagen voor Uw vertrek nog lust en tijd hebt kunnen en
willen vinden om hedenavond hier met ons aan te zitten. Wij stellen dit te meer
op prijs, niet alleen omdat gedurende onzen tijd van samenwerking tusschen den
Vlootvoogd en den Landvoogd eene ambtelijke verhouding heeft bestaan zoo
aangenaam als ik die maar had durven hopen en wenschen, maar ook en vooral omdat
althans naar wij ons vleien, in dien tijd tusschen de Heer en Mevrouw
Gooszen en de Heer en Mevrouw de Graeff eene persoonlijke vriendschappelijke
verhouding is ontstaan waarvan wij slechts kunnen hopen dat zij een grondslag
heeft gelegd, waarop later als ook voor ons het uur van scheiden uit Indië zal
hebben geslagen zal kunnen worden voortgebouwd.
Ik sprak van den weemoed dezer dagen om de stemming aan deze disch niet te
bederven wil ik daarop niet diep ingaan. Wij allen gevoelen en beseffen dat het
voor U beiden moet betekenen voor goed scheiden van een land waar U, zij
het ook verdeeld over verschillende perioden, tezamen zulk een goed en mooi stuk
van Uw leven hebt doorgebracht: wat het voor U moet beteekenen den afstand
nog te vergrooten tusschen U en een deel der Uwen die u , zij het gelukkig
slechts tijdelijk, hier moet achterlaten; wat het voor U moet beteekenen
afscheid te nemen van een heerlijk huis waar gulheid en gastvrijheid voor
anderen zoo harmonisch samengingen met de bekoringen van een rustig en gezellig
interieur dat - en hier breng ik graag een eeresaluut aan Mevrouw Gooszen en
twee dochters - de opfrissching en afleiding wist te bieden, waaraan een ieder
die ambtelijk en sociaal een druk leven heeft te leiden, zoo dringend behoefte
heeft; wat het ten slotte voor U beiden beteekent te scheiden uit een
vriendenkring , waaraan U eene zoo geheel eenige plaats hebt ingenomen. Die
weemoed, zeer waarde Admiraal, spreekt voor U zeker wel zeer luid. Voor U toch beteekent het scheiden uit Indië niet alleen het neerleggen van een werkkring
die U lief was en zoo geheel paste bij Uw persoonlijken aanleg, maar ook de
nadering van een gedwongen otium, dat zoo in het geheel niet past bij Uw actieve
geest en Uw jong en sterk physiek. Uwe bijzondere verdiensten ten aanzien van de Koninklijke Marine ligt minder op mijn weg. Maar wèl stel ik er prijs op
hier uitdrukkelijk te verklaren, dat U èn als Commandant der zeemacht èn als Chef
van het Departement der Marine èn als Gemachtigde der Regeering in den
Volksraad Uwe driedubbele taak heeft vervuld op een wijze, welke ver boven mijn
lof uitgaat. En die taak was verre van eenvoudig. Als Commandant der Zeemacht
moest U zijn, in den goeden zin des woords een man met twee aangezichten,
waarvan het eene gekeerd naar het departement op het Voorhout, het andere naar
de Indische Regeering. En nu strekt het U tot onbetwistbare eer, dat, al
moge somtijds de uitdrukking op het eene aangezicht verschilt hebben aan die van
het andere, op beide aangezichten de blik van Uw oogen toch steeds een
onafgebroken gezicht is geweest op één en het zelfde doel: de behartiging en
verdediging van onze nationale belangen voor zoover die aan de Zeemacht
hier te lande zijn toevertrouwd. Als Chef van het departement wist U officieren
van uw staf en de hoofden van de onder U ressorteerende diensttakken een
bezielende leiding te geven, terwijl uwe adviezen aan de Regeering
uitmuntten door helderheid van betoog en zakelijkheid en zich kenmerkten
door frischheid en voortvarendheid. En als u als gemachtigde de Regeering in den
Volksraad het woord moest nemen moge somtijds wel enkele leden van het College
het gevoel hebben bekropen dat ik niet beter weet aan te duiden dan met de
populaire zegswijze: "Boer pas op je kippen !" maar kan niemand dan ooit twijfel
hebben bestaan of U het onderwerp in het debat wat voldoende beheerschte en
vooral bij iemand twijfel zijn gerezen aan de eerlijkheid en vastheid van
Uw overtuiging. Men voelde en wist, als het ware bij intuïtie dat daar iemand
aan het woord was die stond voor zijn zaak, Admiraal, voor Uwe ambt - en
plichtvervulling breng ik U hier gaarne en zonder eenig voorbehoud hulde en
dank. Wat de toekomst U brengen zal ligt al in de schoot der Goden verborgen.
Voor ons is het echter onaannemelijk dat in een klein land als het onze waar
figuren als de Uwe zo schaarsch zijn, waar dringend behoefte bestaat aan personen
die al eigenschappen in zich vereenigen welke noodig zijn onze van een 'persoon,
een persoonlijkheid' te maken voor mij is het onaannemelijk dat in dat land voor
U geen bevredigende en voldoening gevende taak meer zou zijn weggelegd. Dat U er
spoedig in moge slagen zulk een taak te vinden is de wensch van talloos velen en
zeker van allen die wij hier met U aan deze disch mochten vereenigen. En aan die
wensch paren wij onze allerbeste wenschen voor U beider leven. Moge het ons
gegeven zijn en voor later van te overtuigen dat deze wenschen in vervulling
zijn gegaan. Dames en Heeren, ik zou nog veel meer kunnen en willen zeggen maar
de beide hoofdfiguren aan deze tafel hebben de laatste dagen al zooveel
toespraken moeten ondergaan dat ik meer in hun belang te handelen met het bij
dit enkele woord te laten en U voor te stellen onze wenschen die ik U
zooeven trachtte te formuleeren te bezegelen door het glas met mij te ledigen op
het bestendig welzijn van Mevrouw Gooszen en van Admiraal Gooszen en aan de hunnen.

Het eerste deel van de met de hand geschreven afscheidsspeech voor de aftredende Commandant van de Zeemacht A.F. Gooszen door de Gouverneur-generaal Jhr A.C.D. de Greaff
1928 1 februari wordt Vice-admiraal A.F. Gooszen op 59e jarige leeftijd gepensioneerd
1936

Het koperen bruiloftsfeest van Tom en Ot de Booy-Gooszen 22 februari 1936. Opmerkelijk is de volgorde van de tweede rij van voren: De families Gooszen en de Booij .V.l.n.r Antonie FrederikGooszen , Hendrik de Booy ( mijn twee grootvaders) de bruid Ot de Booy-Gooszen, kleinzoon Tom jr, de bruidegom Tom sr., Hilda de Booy-Boissevain, Henriette Gooszen- Peereboom Voller (mijn twee grootmoeders), zuster van A.F.Gooszen Dina Gooszen-Kampfraath

Zijn dochter Teun trouwt op 1 augustus in 's-Gravenhage met Jan Perks, Luitenant ter Zee der 2e klasse
1938 Grootvader A.F. Gooszen heeft de hele familie uitgenodigd om in juli naar Wengen in Zwitserland te komen, waar we enkele mooie dagen hebben doorgebracht. Enkele leden van de familie hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om met een gids de ruim 4000 meter hoge berg de 'Jungfrau' te beklimmen.

Aankomst van de hele familie in Wengen vlnr Leo van Hengel (broer van Wim van Hengel). Ot de Booy-Gooszen, May van Hengel--Gooszen, Maytje van Hengel,Tom sr., Tom jr, Hank van Hengel, Elsbeth de Booy, Gigs van Hengel, Grootmoeder Jet, Oom Wim van Hengel, grootvader Fik.
1941 Uit Soerabaja (Nederlandsch Indië) bereikt A.F.Gooszen en zijn vrouw het ontzettende bericht, dat hun twee kleinkinderen Paulina Hendrika en Antoine Frederik van hun dochter Teun een dag na elkaar zijn gestorven aan dysenterie resp. op 3 en 4 augustus.

Moeder Teun Perks-Gooszen met haar twee kinderen Paulina Hendrika Perks (geboren 6-9-1936 Den Helder overleden 3-11-1941 Soerabaja) en Antoine Frederik Perks geboren 9-3-1938 Den Helder overleden 4-11-1941 Soerabaja. (Opgenomen in Oegstgeest 1938)

Henriette Elisabeth Gooszen- Peereboom Voller, de vrouw van A.F. Gooszen. Foto genomen door de fotograaf Gustaaf Hisgen in 1939

Familie van A.F. Gooszen v.n.l.r. Annie Gooszen (dochter van zijn halfzuster Digna), kleindochters Maytje van Hengel en Elsbeth de Booy, onbekend, A.F Gooszen, zijn dochter Ot, zijn vrouw Henriette Gooszen-Peereboom Voller, schoonzoon Wim van Hengel, zijn halfzuster Digna Gooszen-Kampfraath, kleindochter Gigs van Hengel
1943 Op 14 april sterft de vrouw van A.F. Gooszen, Henriette Elisabeth Gooszen-Peereboom Voller in Oegstgeest op 68 jarige leeftijd
1946 Het weerzien na de oorlog met zijn familie vastgelegd in de volgende fotoserie.

Drie dochters van A.F. Gooszen, vlnr Ot de Booy-Gooszen, Teun Perks-Gooszen, May van Hengel-Gooszen

A.F. Gooszen met zijn dochters

Vice-admiraal A.F. Gooszen b.d. met zijn schoonzoons: vlnr Schout bij Nacht Wim van Hengel, Kapitein ter Zee Jan Perks, Luitenant ter Zee der 1e klasse b.d Tom de Booy

Teun Perks Gooszen en haar man Kapitein ter Zee Jan Perks met hun dochter Henriette Paulina
1948 De schoonzoon van A.F.Gooszen, Jan Perks sterft op 2 december in het Marine Hospitaal in Overveen
1952 De brief van 29 augustus aan Zijn Excellentie A.F. Gooszen van de Directeur de Heer Backer van de N.V. Koninklijke Paketvaart-Maatschappij *)
Zeer geachte Heer Gooszen,
Wy hebben de eer U mede te delen, dat de Raad van Bestuur in zyn vergadering van
25 Augustus j.l. de notulen van hetgeen door de Voorzitter, Mr. D.A. Delprat, en
Uwe Excellentie is gezegd in de vergadering van de Raad van Bestuur op 30 Juni
j.l., met betrekking tot Uw afscheid van onze vennootschap, als volgt heeft
vastgesteld:

Mr D.A. Delprat, Voorzitter N.V. Koninklijke Paketvaart-Maatschappij
"De Voorzitter zegt, dat deze vergadering twee belangrijke punten voor de
K.P.M. te behandelen heeft gekregen. Het eerste punt is de oprichting door de
K.P.M. van een tankvaartmaatschappy en het tweede punt het afscheid van de
Regeringscommissaris. Dit is niet alleen een afscheid van een persoon, maar
tevens van een instituut, dat in 1905 zyn aanvang nam. In een brief van 14
Maart 1905 van de heer Hummel aan de heer Taylor wordt laatstgenoemde
medegedeeld, dat er by de K.P.M. een Regeringscommissaris zou komen. De eerste
Regeringscommissaris was Dr.E.B. Kielstra, die deze functie van 1905 tot 1920
vervulde. Daarna kwam tot 1929 Vice-admiraal W.Th.de Booy (Oudere broer van
mijn grootvader Hendrik de Booy) en vervolgens tot
1930 het oud-lid van de Raad van Nederl.- Indië de heer L.C. Westenenk. Het
langst werd de functie echter vervuld door de heer Gooszen, n.l. van 1930 tot
heden. Met uitzondering van de heer Koning heeft de heer Gooszen alle hier
aanwezigen zien komen. In het Groot-Archipel Contract werd het toezicht op de
handelingen van de vennootschap opgedragen aan een Regeringscommissaris. De heer
Gooszen heeft meer gedaan dan dat. Het toezicht werd door hem op uiterst
correcte, zorgvuldige en bescheiden wyze uitgeoefend. Daarnaast toonde de
heer Gooszen grote belangstelling en liefde voor de K.P.M. De vennootschap is
hem grote dank verschuldigd voor hetgeen hy, naast het toezicht, voor de K.P.M.
deed. Toen de heer Gooszen in 1928 als Hoofd van het Departement van Marine in
Indonesië afscheid nam, zeide de heer Trip, dat de laatste vier jaren altyd
bestempeld zullen blyven als de tyd van Gooszen. Zo zullen ook by de K.P.M. de
jaren 1930/1952 bestempeld worden. De heer Gooszen drong nimmer zyn mening op,
doch desgevraagd werd deze zeer duidelyk gezegd, waarmede de Raad van Bestuur en
de Directie talloze malen hun voordeel hebben gedaan. Formeel komt thans een
einde aan het contact met de heer Gooszen doch de Raad van Bestuur en de
Directie zullen hem niet vergeten. Zy bevelen zich in de vriendschap van de heer
Gooszen aan. De Voorzitter eindigt met de heer Gooszen te verzoeken zyn
geschilderd portret te willen aanvaarden als herinnering aan de tyd van zyn
byzondere medewerking aan de bloei en groei van de K.P.M. De Raad van Bestuur
doet blyken van zyn grote instemming met de woorden van de Voorzitter.
De Regeringscommissaris antwoordt en begint met zyn hartelyke dank uit te
spreken voor de sympathieke en waarderende woorden door de Voorzitter tot hem
gericht en voor de instemming, welke de verder aanwezige heren daarmede hebben
betuigd. Het neerleggen van zyn functie als Regeringscommissaris by de
K.P.M. heeft voor hem twee zyden. Er is vooreerst een aangename zyde.
In de laatste jaren was zyn functie niet meer zoals deze bedoeld was. Het
was niet meer zoals vóór de oorlog, het was half werk. Voor de oorlog had hy
veel contact met het Departement van Koloniën, waar veel belangstelling bestond
voor bet werk van de K.P.M. Na de oorlog werd zyn functie weggedrongen. Hy
begreep, dat dit een gevolg was van de veranderde omstandigheden en vroeg zyn
ontslag. Hem werd verzocht dit in te trekken en te wachten tot hiervoor een
geschikt ogenblik zou zyn aangebroken. Hy bleef derhalve aan in de hoop, dat dit
misschien ook in het belang van de K.P.M. zou zyn. In zoverre bezwaart het hem
dus niet dat aan zyn functie thans een einde is gekomen. De onaangename zyde,
welke de eerstgenoemde verre overtreft is, dat hy tot zyn groot leedwezen
afscheid moet nemen van de K.P.M. Hy heeft de K.P.M. practisch gesproken
van het begin van zyn Marine carrière af medegemaakt en hy leerde dat regeren in
Nederl.-Indië zonder de K.P.M. practisch onmogelyk was. Het verheugde hem dan
ook zeer, toen hy na zyn pensionnering tot Regeringscommissaris by de K.P.M
werd benoemd. Hierdoor leerde hy de K.P.M. van een andere zyde
kennen, n.l. de hoogste leiding. De bewondering, die hy in Indië reeds had voor
de K.P.M. werd groter door hetgeen hy hier zag..Onder de moeilykste
omstandigheden werd de K.P.M. met vaste hand bestuurd; de K.P.M bleef de K.P.M.
Zyn verhouding met de Raad van Bestuur en de Directies was van byzonder
aangename aard. Zowel de Raad van Bestuur als de Directie waren steeds loyaal;
zy kwamen de verplichtingen tegenover het Gouvernement ruim na. Het viel hem dan
ook niet moeilyk de belangen van de K.P.M., voor zover hem dat mogelyk was, met
liefde te behartigen. De gedachte, om hem als souvenir zyn geschilderd portret
aan te bieden, accepteert hy gaarne; hy gaf uiting aan zyn byzondere dank
daarvoor. Hy ziet daarin ook een stoffelyk blyk van de goede verstandhouding
tussen de Raad en hem. Dat hy zyn eigen portret gaarne aanvaardt is geen
ydelheid, maar hy denkt daarby ook aan zyn kinderen, die daarin steeds een bewys
zullen zien van de door hem van de K.P.M. ondervonden waardering . In het
byzonder is hy de Heer Backer erkentelyk voor de onderlinge vriendschappelijke
verhouding, gebaseerd op vertrouwen. De heer Gooszen eindigt met de K.P.M. zyn
beste wensen mede te geven. Laat zy blyven, zoals zy altyd geweest is.
Zyn goede wensen gaan ook uit naar de leden van de Raad van Bestuur en de
Directies, in wier blyvende vriendschap hy zich gaarne aanbeveelt."
Hoogachtend N.V. Koninklijke Paketvaart-Maatschappij getekend Backer

Schilderij van A.F. Gooszen, aangeboden door de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij als dank voor periode van 1930-1952 als regeringscommissaris.
*) De Koninklijke Paketvaart-Maatschappij was het belangrijkste scheepvaartbedrijf in de Indische Archipel met vaste lijndiensten tussen de eilanden. In 1888 gelanceerd door de Stoomvaart Maatschappij Nederland en Rotterdamse Lloyd gezamenlijk. In het contract met de overheid van 1888 staat vermeld dat de schepen van de KPM als transportsysteem door/voor het Koninklijke Nederlandsch Indische Leger gebruikt kunnen worden. In de praktijk fungeerde de KPM als verlengstuk van de regering. Zij zorgde voor:troepentransport bij militaire expedities en het afsnijden Indische-inheemse vaarten naar het buitenland ter bevordering van de eigen handelsrelaties en het eigen verbindingsysteem , vervoer bestuursambtenaren, openleggen van eerder afgesloten streken/eilanden
1955 26 april overlijdt Vice-admiraal Antonie Frederik Gooszen op 85-jarige leeftijd in zijn huis te Oegstgeest, na een vruchtbaar werkzaam leven waar hij talrijke hoge functies heeft bekleed. Vele hoge onderscheidingen vielen hem ten deel: Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Commandeur in de orde van Oranje Nassau, Commandeur in de kroonorde van Italië en Ridder 3e klasse in de orde van de Rooden Adelaar van Pruisen.
Gebruikte Literatuur
Beunders, H.J.G (1984)' Weg met de Vlootwet'. De
Maritieme bewapeningspolitiek van het kabinet-Ruys de Beerenbrouck en het
succesvolle verzet daartegen in 1923. Academisch proefschrift. Universiteit
Amsterdam. Krips repro Meppel
Cohen Stuart., W.J. (1937) De Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915 in twee
delen. 's Gravenhage -Algemeene Landsdrukkerij
Jungslager, G. ( 1997) A.F. Gooszen (1824-1955). In Kopstukken uit de
krijgsmacht onder redactie van G.E. Teitler en W.L. Klinkert Nederlandse vlag- en
opperofficieren 1815-1955. De Bataafsche Leeuw Amsterdam. ISBN 90.6707.438.I
Kwantes, Drs R.C. (1978) De ontwikkeling van de Nationalistische
beweging in Nederlandsch-Indië .Wolters en Noordhoff Groningen.
ISBN 012345/82 81 80 79 78
Salim, I.F.M. (1980) Vijftien jaar Boven-Digoel. Concentratiekamp in Nieuw
Guinea. Bakermat van de Indonesische onafhankelijkheid. Tweede druk. N.V.
Uitgeverij Smit van 1896 Hengelo. ISBN 90 6289 515 8
Schoonheyt, L.J.A. (1937) 'Boven-Digoel', het land van communisten en
kannibalen. 2de druk. G. Kolff, Amsterdam-Batavia 1940
Wijck, H.M. van der (1965) Onze Koloniale Staatkunde. Een beroep op het Nederlandsche volk, 's-Gravenhage Martinus Nyhoff..