Levensloop van Alfred de Booy (1901-1997).

1901 29 mei wordt Alfred de Booy geboren te Buitenzorg . Zijn ouders zijn Hendrik de Booy en Hilda Gerarda Boissevain

Geboorteadvertentie van Alfred de Booy ( In de burgerlijke stand zijn de leden van de familie de Booij allen ingeschreven met aan het eind van hun naam een lange ij, maar  vrijwel iedereen van onze familie gebruikt de schrijfwijze met een griekse y aan het eind. Om verwarring te voorkomen hou ik me maar vast aan de foutieve schrijfwijze. Waarschijnlijk komt het door hun vele contacten als zeeofficieren met Engels sprekende mensen en  was een schrijfwijze met een grieke Y  meer voor de hand liggend)

Hier volgen een aantal jeugdfoto's: van Alfred (Alfie genoemd)

Links: 1902 genomen in  Buitenzorg, Indië. Midden: 1907 in Amsterdam. Rechts: 1909 op weg naar de Nieuwe Schoolvereniging van Cornelis Vrij in Amsterdam

1905  12 maart wordt Olga Emily de Booy, het zusje van Alfred, geboren

                                       Olga Emily de Booy

1909 Uit het dagboek van zijn vader Hendrik (Han) de Booy : "3 dec. Voor tafel grote vechtpartij tussen Tom (2 jaar oudere broer) en Alfi.  Laatstgenoemde wordt er op school van beschuldigd dat hij Piet Muntendam zou verteld hebben dat St. Nicolaas niet bestaat. Hij ontkent het echter ten stelligste. Vandaar ontevreden stemming en vechtpartij, waarbij hij Tom de lampetkan naar het hoofd heeft gegooid. De verhouding tussen Tom en Alfi is niet zoals ik die zou wensen, d.w.z. Tom is niet vertrouwelijk genoeg met Alfi, heeft niet genoeg invloed op hem. Alfi is soms raadselachtig, maar een ventje waar heel veel bij zit".

1910 . Uit het dagboek van zijn vader Hendrik de Booy blijkt dat de stuurmanskunst van de jonge Alfred te wensen overlaat wanneer ze met hun boot gaan varen op de Zuiderzee: "Alfred stuurde de Mavourneen tegen een sluiswand , een stuk steen viel bij ons op dek".

 

         Als stuurman van de zeilboot "Mavourneen"

28 febr. Dagboek Vader: " Diepenbrock (componist) gesproken die er zeer verbaasd over is dat wij Alfred viool willen laten leren. Waarom? vraagt hij dan, echt op z'n Diepenbrocks.
6 maart Ontmoeten Lorentz, den man die het eerst het Sneeuwgebergte van Nieuw Guinea heeft bestegen. Een gezellige aardige kerel. Hij had zeeofficier kunnen geweest zijn, zou ik vroeger gezegd hebben. Tom en Alfred waren als Atjehers opgetuigd en zeiden ieder een vers op. Lorentz bleef bij ons "

Alfred (rechts) op fietstocht met zijn vader en zijn broer Tom

Later in zijn leven kijkt Alfred terug op zijn jeugd en schrijft het volgende:"Mijn jeugd heeft gestaan in het gelukkig voorrecht van te mogen opgroeien in een harmonische omgeving, de school van den heer Vrij, de padvinderij, de zeiltochten met Vader en Tom in de Mavourneen". Het is opmerkelijk dat de ouders van Alfred kennelijk hebben gekozen voor een progressieve opvoeding)

1913  Uit dagboek van zijn vader:"Woensdag 12 febr. 's Avonds eten bij ons de heer en mevr. Jonckheer, de heer en mevr. Guépin en Alfred (broer van zijn moeder) en Mies. Wij hadden oesters met bier en allerlei lekkere dingen die ik mij niet meer kan herinneren en het was bijzonder gezellig zoals ik ook wel gedacht had. Jonckheer was zeer genoegelijk en gaf met Alfred erg op de Marine af. Ze raden mij af Tom en Alfie bij de Marine te laten gaan".

1914 De familie de Booy brengt hun zomer vakantie door in Zuid Frankrijk in het bergdorpje Les Contamines.. Door het uitbreken van de Grote Oorlog (Later de  Eerste Wereldoorlog genoemd) moeten ze overhaast naar Nederland terugkeren. Het lukt hun na veel moeite om via Marseille  met de boot naar Nederland terug te keren.

      

Tekening gemaakt van Alfred  door zijn vader 28 juli in  Les Contamines

1915. De  vader van Alfred wordt voogd op het eiland Texel.

 

De familie  op weg naar Texel, vlnr. Alfred, Olga zijn zusje, zijn vader en moeder  

                 

              Alfred , Hemelsvaartdag 1915

1916  Uit het dagboek van zijn broer Tom: " 26 dec. Thuis gekomen was Alfred erg ziek (Longontsteking). Ik schrok verschrikkelijk, moest aan Zus Ophorst ( de zuster van zijn vriendin Jo Ophorst, die net was gestorven) denken. Erg down over Alfred. .Ik lag in mijn hangmat gewoon te huilen bij 't idee Alfred te moeten missen".
Uit het dagboek van zijn vader:"N
ovember. Alfred heeft de wekker die hij gekregen heeft uit elkander genomen en kan daarmede nu boeken ophijsen, niet er op zien hoe laat het is".

1917  21 maart. Uit dagboek van zijn vader: "Vanavond was Hart {de kleermaker] er om pakken te passen voor de jongens en veel plezier gehad in Alfred die altijd vindt dat alles past".

1918  Dagboek van zijn vader: " 26 mei. Alfred steeds vossende op zijn examen, wat zullen wij dien jongen missen en ik denk dat hij ook het ouderlijk huis zal missen. Ik denk wel eens met onrust aan de desillusie die de Marine aan Tom en Alfred moet geven. Maar ze kunnen er bijtijds uitgaan misschien. Intussen is Tom heel gelukkig op zijn kanonneerboot en ook tevreden op het Instituut.
19 aug:  Tom en Alfred kwamen 24 aug. eindelijk thuis. Alfred had Spaanse griep gehad".

                

Familiereünie zomer 1918: vlnr, Hendrik zijn vader, Alfred, zijn grootvader (van Moeders kant) Charles Boissevain.

6 september. Dagboek vader: " Met Alfred naar Nieuwediep, 2e kl. In de trein andere baren. Te Nieuwediep koffiegedronken bij de heer en mevr. de Raadt, waar ook de commandant van Texel, Van Braam Houckgeest, en daarna naar het Instituut. Er waren niet genoeg uniformen klaar, dus stond Alfred in zijn burgerpakje aangetreden. Na tafel zitten praten met de familie Molenburgh, aardige mensen, en toen kwamen enige van het oudste jaar en gingen baren. Alfred gaf herige antwoorden, werd daarom door Tom gewaarschuwd.
18 october. Ik was 12 oct. te Nieuwediep voor roeiwedstrijd en om Tom en Alfred te zien. Vond Alfred nog niet erg kalm. Met de jongens gegeten. Met verschillende zeeofficieren gesproken over de lamme toestand bij de Marine. Iedereen er over eens dat het een lamme boel is, waaraan ik heden morgen nog eens word herinnerd toen ik een matroos zag bij het Centraal Station".

      

                    De adelborsten Alfred en Tom de Booy

14 nov. Dagboek Vader: " Belangrijke brieven van Tom en Alfred die mededelen, dat de Commandant hun had medegedeeld dat op de bemanning van de vloot niet te bouwen viel. Sluitstukken van kanonnen en veel ander wapentuig is nu naar het Instituut gebracht en de jonkers staan op post met geladen geweer. Ik kreeg een droefgeestige indruk van Nieuwediep. Het geringe aantal schepen, het uiterlijk van de matrozen, hun slechte vormen (op de Holland zaten stokers op de verschansing met de benen buiten boord en liep een allersmerigste schildwacht op het voorschip), dat alles stemt niet vrolijk. De adelborsten maken een gunstige indruk. Het is merkwaardig te zien dat het Instituut niet de minste invloed heeft gehad op de manieren, het optreden enz. van Alfred, terwijl wij verleden jaar getroffen waren door de verstijvende, verstarrende invloed op Tom.
21 dec. Vandaag zijn de jongens gekomen. Alfred ziet er wat beter uit dan toen hij ons verliet, maar veel puisten. Ze vertellen dat 99% van de adelborsten op het Instituut er wel uit zou willen als ze maar wisten wat te beginnen. Tom en Alfred denken er nog niet aan er uit te gaan. Ze willen eerst zien hoe de zaken lopen.

1919 De familie de Booy trekt weer naar hun geliefde bergen, ditmaal naar het  Zwitserse Berner Oberland.
Uit dagboek Vader: " Alfred zegt altijd: als jij (je weet de jongens spreken mij met jij en jou aan) - als jij het kunt kan ik het toch ook. Ik voor mij twijfel daaraan, geloof zelfs dat ik van de drie nog het grootste uithoudingsvermogen heb".

          

Alfred op de Alpetli gletscher in het Berner Oberland

    

                        Alfred als adelborst

1920 Uit dagboek Vader: "2 april. Alfred is met griep met verlof gekomen en ligt te bed. Hij heeft enige dagen op het Instituut rondgelopen met griep en heeft dit niet laten merken wegens angst voor het Hospitaal".

Weer gaat de familie  in de zomer naar Les Contamines, het bergdorpje in Zuid Frankrijk, dat zij in 1914 zo overhaast moesten verlaten vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Rijtuig staat klaar om de familie de Booy naar het station te brengen om met de trein  naar Les Contamines te gaan , vlnr: Alfred, zijn moeder Hilda , Engelien (al in het rijtuig zittend) en zuster Olga, jongetje naam onbekend

25 dec Dagboek Vader : " Tom en Alfi thuis. Alfred speelt alleraardigst viool, zeer gevoelig en flink uit de maat. Hij zegt echter dat hij daarin vrij is".

1921 18 augustus wordt Alfred benoemd tot luitenant ter zee 3e klasse .Hij komt daarna als artillerie specialist aan boord  van de Hr.Ms. De Zeven Provinciën.

                  Pantserdekschip Hr.Ms. De Zeven Provinciën

                      Foto van Alfred juni 1921

1922 Alfred komt met Hr.Ms. De Zeven Provinciën op 4 februari aan in Batavia, waar hij komt te werken tot november in de marinekazerne Oedjong in Soerabaja en daar tot november verblijft. Hij komt daarna op de onderzeeër Hr.Ms. K.IV

 

     

Links:  Alfred bij de onderzeedienst in Soerabaja.  Rechts: K IV in droogdok in Soerabaja

Alfred en Tom beide op een oorlogschip (onbekend welke)

1923 Alfred wordt  waarnemend oudste officier aan boord van Hr.Ms. K V

Onderzeeboot  Hr.Ms. K V onder commando van luitenant-ter-zee C.H. Brouwer

Onderzeeboot K I, waaraan de Booy onderhoudswerkzaamheden heeft verricht

1924 Alfred wordt tot luitenant ter zee der 2 klasse bevorderd en wordt geplaatst op artillerie instructieschip Hr.Ms. Gelderland

                  Artillerie-instructieschp Hr.Ms. Gelderland

1927 Alfred wordt overgeplaatst aan boord van de Hr.Ms. Loodsboot nr 6 waarmee hij politietaken uitvoert voor de visserij.

1928 In januari vertrekt Alfred met Hr.Ms. Kortenaer naar Curaçao Suriname en Bovenwindse Eilanden . Even voor de zomer komt hij weer terug in het vaderland

Torpedobootjager Hr.Ms. Kortenaer waarmee de Booy verschillende reizen maakte

1929 Dit wordt een spannend jaar voor Alfred. In juni vertrekt hij in grote haast met de Hr.Ms. Kortenaer weer naar Curaçao. De aanleiding vormt de overval die de Venezolaanse revolutionair Urbina op het Waterfort in Curaçao had gepleegd.
In de nacht van 8 op 9 juni 1929 vaart de Venezolaanse rebellenleider Rafel Simon Urbina naar Curaçao. Urbina is een paar maanden ervoor op Curacao ‘persona non grata’ verklaard omdat hij een tegenstander is van de Venezolaanse president Gomez. Met honderd vijftig man valt hij het Waterfort aan. Hij maakt machinegeweren en munitie buit en ontvoert de Nederlandse Gouverneur L.A. Fruytier en de garnizoenscommandant Borren. Tijdens de strijd sneuvelen er drie Nederlandse militairen.

   Rafaél Simón Urbina

De Venezolaanse rebellenleider Rafel Simon Urbina (1897-1950)

Op internet vond ik een artikel in Time Magazine van 24 juni 1929 over deze overval. Aangezien ik heel weinig heb kunnen vinden  over deze overval kan men het artikel in het engels geschreven lezen, onder de link: Overval Curacao 1929

1930 Alfred gaat met de  Hr.Ms. Kortenaer naar Nederlands Indië onder leiding van kapitein-luitenant H. Ferwerda (Deze man heeft een rol gespeeld bij de moeilijkheden die mijn grootvader A.F. Gooszen heeft ondervonden bij het tot stand komen van de Vlootwet, zie  hiervoor A.F. Gooszen elders op mijn website). Alfred de Booy heeft een plan bij zijn commandant ingediend  voor een verdedigingssysteem bij een vliegtuigaanval. Helaas werd dit zeer tot zijn teleurstelling afgewezen.

1931 Alfred komt bij de KNIL in Bandoeng waar hij een serie oefeningen meemaakt  met berggeschut. Hij wordt daarna geplaatst op de kruiser Sumatra en vervolgens op de mijnenlegger Hr.Ms. Krakatau.

Hr. Ms. Java

                                    Kruiser Hr.Ms. Sumatra

1932 Alfred wordt bevorderd tot  luitenant ter zee der 1e klasse. Aan boord van de Hr.Ms Krakatau maakt Alfred nog een spannend avontuur mee, dat hij in een brief van 12 oktober uit Soerabaja aan zijn ouders beschrijft:
"Beste Vader en Moeder. Je zult uit de telegrammen wel gelezen hebben dat tijdens inspectie de Krakatau gebalkt is. We hadden net geluncht en zouden inspectie over 't schip maken. Op de brug gekomen helde 't schip plotseling sterk naar SB en kapseisde in 3 min. tijd. De radioman gaf op last van den Commandant op 't laatst nog SOS af dat door diverse Marineschepen opgenomen werd. Misschien is een golf door zuiging van het schip ontstaan, naar binnen gekomen in 't mijnenruim en daar 't schip zeer weinig stabiliteit heeft is dit de druppel geweest die de beker deed overlopen. We enterden tegen 't scheve dek op en klommen over de reling op de nu vlakke bakboordszijde van het schip. Uit de machinekamer klonk geroep - we lieten trossen afvieren en de mensen kwamen zo boven. Een bel luidde steeds, de electrische schel uit de spen geloof ik. De seiner was te water geraakt en zwom naar de mast. Hij werd teruggeroepen. Op 't dek zaten in groepjes de inlanders stil te kijken. [...] De dokter verbond de gewonden uit de verbandkistjes uit de sloepen. Strijken van sloepen zou onmogelijk zijn geweest zijn. Bij de reddingvesten was bijna niet te komen door de slagzij. Per Dornier zijn we terug gekomen. Binnen 45 minuten waren 6 vliegtuigen ter plaatse. [ . . . ] De kolonel van Reede*) heeft een gescheurde rib, niet ernstig. Iedereen was tijdens het ongeval zeer kalm en al dachten de meesten" voor 90 % komen we hier niet levend af, zo was van enige opwinding niets te bespeuren. Stabiliteit is iets waar men niet sceptisch genoeg tegenover kan staan. Het schip voer rustig - kalm weer - geen vuiltje aan de lucht - in 3 minuten weg. Het deed mij denken aan één van de vele torpederingen in de wereldoorlog (the Merchant Navy. Archibald Hurd) maar met dit verschil dat wij boften met het ondiepe water waarop 't geschiedde. Gelukkig dat de ketels niet sprongen. Ik zag een stroom water de schoorsteen inlopen waar ik vlak bij stond en dacht er het mijne van".

*) Johannes van Reede (1883-1932), chef-staf Soerabaya, die toevallig ter inspectie op het schip was, met Alfred de Booy als adjudant. Daar hij ter plaatse de hoogste in rang was werd hij geacht de verantwoordelijkheid te dragen, met nadelige gevolgen voor zijn marineloopbaan.

1933 Tijdens de muiterij aan boord van Hr. Ms. De Zeven Provinciën bevindt Alfred de Booy zich in Soerabaja. Na de muiterij krijgt hij van de Commandant der Zeemacht J.F. Osten te Batavia de opdracht een rapport samen te stellen over de moeilijkheden met het Indonesische personeel, waarvan sommigen de muiterij op de Hr. Ms. De Zeven Provinciën hadden veroorzaakt. In zijn conclusie vermeldde hij onder meer dat hij na zijn onderzoekingen geen rechtstreekse banden met China en de U.S.S.R. had aangetroffen maar dat het Indonesische nationalisme wel indirect door stromingen in deze landen aangewakkerd zou kunnen zijn.

In 1934 is er een rapport door de Algemeene Landsdrukkerij uitgebracht onder de titel : Ongeregeldheden bij de Koninklijke Marine in Nederlandsch-Indië in den aanvang van 1933.  Vele publicaties zijn daarna gevolgd:1934  J. C. Mollema Rondom de muiterij op de "De Zeven Provinciën". In 1975 heeft de tegenwoordige directeur van het Nederland Instituut voor Oorlogsdocumentatie Dr  J.C.H.Blom er zelfs een proefschrift aan gewijd  met als titel De Muiterij op de Zeven Provinciën. Reacties en de gevolgen in Nederland.  Een van de muiters Maud Boshart heeft een verhaal over de muiterij opgeschreven nadat hij was vrijgelaten in 1937 . Hij vindt echter geen uitgever voor zijn verhaal. Pas in 1978 heeft H.J.A. Hofland  zijn verhaal, voorzien met een inleiding, uitgegeven  bij Bert Bakker Amsterdam.  Zie link Maud Boshart

In een bundel Met alle geweld. Botsingen en tegenstellingen in burgerlijk Nederland is een artikel opgenomen van Elly Touwen-Bouwsma: Muiters of vrijheidstrijders - Indonesische reacties op de muiterij op de Zeven Provinciën Uitgever Balans. In september 2005 komt er een derde druk uit van het proefschrift van Dr  J.C.H. Blom waarin hij bepaalde kritische geluiden op zijn  proefschrift in 1975 probeert te weerleggen. Kortom de muiterij op de Zeven Provinciën heeft veel stof doen opwaaien . De onlusten in West Java en Sumatra  in 1926/27 vormen eigenlijk het begin van het opkomend nationalisme en vindt haar logisch vervolg in de Muiterij van 1933. Het verband tussen deze twee vormen van protest tegen het Nederlandsch gezag is mijn inziens in al deze publicatie onvoldoende belicht. Het doel om aan de Muiterij een apart hoofdstuk te wijden is om dit verband nader toe te lichten. Uiteindelijk heeft het via de politionele acties in de 1947-1949 geleid tot de soevereiniteit overdracht in 27 december 1949.

Over deze muiterij en haar gevolgen heb ik een apart hoofdstuk gewijd.  Zie link  Muiterij 1933

Uit het dagboek van zijn vader lezen we over het jaar 1933: " 30 maart, donderdag. Door het geval van de Zeven Provinciën komt Alfred voorlopig niet terug. Hij is nu tijdelijk chef van de staf te Soerabaja en bekleedt dus een heel belangrijke functie in heel moeilijke tijden".

Tot zo ver alles over de muiterij  van de Zeven Provinciën de gevolgen daarvan.

In de zomer keert Alfred terug naar Nederland en wijst er de hem aangeboden post van kabinetschef van de minister van Defensie af, omdat zijn voorkeur naar het varen uitging.

1934 Op aanraden van kapitein-luitenant-ter-zee K.W.M.F. Doorman besluit De Booy zich op te geven voor de Hogere Marine Krijgsschool waar hij in het najaar  met de tweejarige opleiding begint.

1935  Uit het dagboek van zijn vader: "  24 maart is Alfred bij ons en brengt ons 's avonds Sonja von Benckendorff, een Russisch meisje uit aristocratische kringen van voor de revolutie, een alleraardigste verschijning. Ze kon wel een Ierse zijn. Een bloempje van uiterlijk, maar fors, flink, opgewekt, natuurlijk. Spreekt Frans. We spelen 's avonds Joker".

1936 Op 8 mei 1936 wordt De Booy geplaatst bij de marinestaf in Den Haag waar hij een dubbele functie krijgt. Hij wordt zowel stafofficier voor Den Helder als marineattaché in Londen. Deze laatste functie eiste echter de meeste aandacht op en hij verbleef dan ook regelmatig gedurende langere tijd in Groot-Brittannië. Hier onderhield hij voor de Nederlandse regering contact met de Britse militaire autoriteiten.

1937   Alfred's vader nodigt zijn zoon Alfred, zijn dochter Engelien, haar vriendin Sara Hulshof en zijn kleinzoon Tom, uit voor een bergtocht in het Berner Oberland.  Van Fiesch maken zij een tocht naar Kandersteg via de Aletsch gletscher, Concordia Platz, Lötschen Lücke, Goppenstein, Lötschen pas naar Kandersteg..

  

Rustpauze op de Aletsch Gletscher, vlnr Alfred, Sara, Engelien, de Zwitserse gids

1938  Het is Alfred schijnbaar zo goed bevallen dat hij zijn zuster Engelien en zijn neef Tom uitnodigt voor een skivakantie naar San Bernardino in Zwitserland. 

        

Alfred op de lange latten in San Bernardino, Zwitserland

Zaterdag 12 maart. Alfred is hier een uurtje geweest op weg naar Londen waarheen hij gaat met het oog op de politieke toestand. Hij was juist teruggekomen van Kutai, zag er roodverbrand uit, had Schussnig vlak bij gezien, had een indruk van slordigheid van het Oostenrijkse leger gekregen en van veel verdeeldheid, had gereisd in één coupé met een kolossale Duitser die vol bewondering was voor de Rijn en voor Hitler.

1939 Uit dagboek van zijn vader ;"5 november. Gisteren naar de Hoop, die op de voormalige Marinewerf ligt en woensdag buiten dienst gaat. Ik kom een Marinewacht tegen en merk op dat de geweren op slordige wijze worden gedragen. En toch zegt Alfred dat er een behoorlijke tucht is bij de Marine. Ik geloof dat die tucht nog zeer te wensen overlaat. Het komt ook wel door het grote gemis aan zin voor decorum, een eigenschap van ons Volk, waardoor vele officieren niet zien, niet kunnen zien, of een man goed gekleed is of niet, of hij er goed bijstaat of niet. Bij het leger zie ik veel dat mij hindert. Een marcherende troep gaat wel, maar de houding van schildwachten bijv., de wijze van lopen, laat veel te wensen. Toch is de houding en de tenue iets beter dan in l914 schijnt mij toe. De sport heeft wel invloed ten goede gehad.
Zaterdag 18 november. 's Morgens naar kantoor, waar Tom was en ik hoorde dat hij van tijd tot tijd telefoneert met Alfred. Dat Alfred zelden schrijft, maar als hij het doet, interessante dingen vertelt, in tegenstelling met zijn Parijse collega, die veel schrijft, maar weinig dat interessant is.
3 dec. Alfred kwam vrijdagavond circa 8 uur en vertrok weer zaterdag per vliegtuig om 8 uur 's morgens. Hij zag er vermoeid uit, heeft het ook druk gehad met Simon Bolivar en Spaarndam. Hij vertelt o.a. dat de luitenant die bij het grensincident te Blerik met de Engelse onderhandelaars van de Secret Service was meegegaan, vergezeld had moeten zijn van een patrouille, maar dat hij voor die patrouille uit is meegereden met de Engelsen. Deze zijn in de val gelopen die de Duitsers hadden bereid. Het neerschieten van een Duits vliegtuig boven ons land, in het Zuiden, geschiedde door één soldaat met één schot uit één karabijn. Hij raakte de bestuurder waarop het vliegtuig tegen een boom vloog.

1940 Uit het dagboek van zijn vader:"17 april. Vandaag over het algemeen geen goede berichten van Noorwegen. Waar zijn de Engelsen geland? Wat doen ze daar? Alfred schrijft dat men in Engeland zeer optimistisch is en juicht voor het minste, maar dat intussen Noorwegen Duits wordt als er niet opgetreden wordt, en "waar blijft dan 't Engelse prestige?" vraagt hij.
25 april. 's Namiddags met Hilda naar Schiphol om Alfred te zien vertrekken naar Londen. Even met hem gepraat. Hij zag er best uit. Ik had een lijstje van vragen opgesteld: 
1. Zijn de Duitse berichten over aanvallen op landende troepenschepen e.d. overdreven? antw. Ja!
2. Zal een aanval gedaan worden op voorbereidingen te Memel? "Neen".
3. Hoe groot is de geallieerde troepenmacht? 40 à 50 mille. Is die vatbaar voor uitbreiding? Ja!
4. Waarom kunnen de Engelsen niet beletten dat te Dronthem schepen binnenkomen? Batterijen.
5/.. Wordt Churchill moe? Neen!
Daar zagen we de grote oranje vogel vertrekken en verdwijnen in de lucht. Een paar uur later zal hij in Engeland dalen".

Op 10 mei bevindt hij zich in Londen waar hij de Britse militaire staven op de hoogte brengt van de Duitse aanval op Nederland en daarbij tevens namens de Nederlandse regering om militaire steun vraagt. Vanaf deze datum bekleedt hij tevens de functie van Nederlands Liaison Officier in de Britse Admiraliteit. Deze taak behoudt hij tot 14 juni 1943.

Zijn vader tekent op 25 november 1945 in zijn dagboek aan dat Alfred hem een brief ter lezing geeft die hij in 1941 schreef voor het geval hij bij de een of andere gelegenheid om het leven zou komen. Vader schrijft de brief over in zijn dagboek. Het is mogelijk dat Alfred de brief heeft bewaard en in zijn schriftelijke nalatenschap is aangetroffen, maar ik vermoed dat dat niet het geval is. Hier volgt een copie, overgenomen uit Vaders dagboek nr. 129 van het familiearchief, lopend van 15-25 november 1945.
Admiralty, 30 maart 1941.
Lieve Moeder en Vader, Vandaag heb ik de wacht en zit rustig te wachten tot er weer een telegram naar Indië moet worden verzonden of een of andere engelsche autoriteit iets over onze Marine wil weten. De samenwerking laat niets te wenschen over en ik kan mij niet voorstellen dat wij in eenig ander land zoo correct en vriendelijk in een groote organisatie als de admiraliteit zouden zijn opgenomen. Dikwijls als ik door de gang loop waarop de kamers der Sealords uitkomen moet ik denken aan het boek van Winston Churchill, "The World Crisis" en wilde ik wel dat ik Tom hier een dag mee kon nemen op mijn dagelijksche wandeling door het gebouw. Daar staat het standbeeld van Lord Mountbatten, prins van Battenberg, die tengevolge van publieke agitatie over zijn duitsche afstamming als first Sealord moest aftreden; de eenige duitscher voor wien een standbeeld in de admiralty werd neergezet. De kamer waar de board of admiralty vergadert en waar een ivoren knop op de betimmering de lengte van adm. Nelson registreerde, hoe klein in afmetingen was deze groote admiraal. Hare Majesteit de Koningin was zoo goed mij vorige week de orde van officier Oranje Nassau op de borst te spelden voor uitstekende diensten als marine attaché en liaison officier bij de admiraliteit nadat Nederland daadwerkelijk in den oorlog was betrokken. Op haar vraag of ik het druk had heb ik neen geantwoord en dit is ook waar, alles gaat op rolletjes, ik heb uitstekende officieren, Krediet, Vos, Clay en van Meerkerk, die als ik weg ben, zelf beslissingen nemen. Ik zou niet kunnen werken met menschen die niet zelf kunnen beslissen en eenig risico durven nemen. Tot voor kort had ik ook een officier Berger, die hier 's avonds de wacht deed, laat in den avond werd hij bij admiraal Phillips, vice chief naval staff, ontboden, die hem mededeelde dat een vijandelijk oorlogsschip, de "Scheer", in den Indischen Oceaan was verkend en mogelijk op weg naar Ned. Indië was. Berger nam toen de juiste stappen en de Commandant der Zeemacht ontving kort daarop een telegram, dezelfde mededeeling bevattend. Helaas is Berger kort daarop door een duitsche bom getroffen en omgekomen. Het is een lot dat ons dagelijks kan treffen en min of meer de aanleiding tot het tikken van dezen brief, want men wil toch niet gaarne weggaan uit den wereld zonder een enkel woord van afscheid. Wij allen weten dat wij eenmaal geroepen worden, een vertrek met gezegelde orders, nl. onbekende bestemming. Ik vind het niet zoo belangrijk mij te verdiepen in de vraag of wij in een of anderen vorm zullen voortleven, ik ben er van overtuigd dat de schepper van het heelal ons niet zal verlaten, onze geest is nu eenmaal niet zoodanig geconstrueerd dat wij dergelijke dingen kunnen weten of begrijpen, wij kunnen slechts afwachten en het beste hopen. Ik herinner mij erg goed dat mijn dissertatie voor de doopsgezinde gemeente door dominee Kuyper werd verworpen. Ik had toen opgeschreven wat ik werkelijk dacht. Ik geloof niet dat mijn godsdienstige overtuiging veel is veranderd, nimmer zal ik er veel voor voelen tot een bepaalde gemeente te behooren om principieele redenen, doch ik kan mij zeer goed indenken dat om persoonlijke redenen, traditie, sympathieke dominees etc., men lid van een bepaald kerkgenootschap wordt. Wij leven thans in Londen nog een min of meer luxe bestaan en het is moeilijk zich in te denken hoe het mogelijk is een leven onder duitsche bezetting te verdragen, al treden de duitsche troepen nog zoo beleefd op. Uit Moeders brieven aan tante Olga kregen wij echter een heel goed beeld van wat men denkt en voelt in Amsterdam. Wij praten ook dikwijls over de vraag wat er na den oorlog moet gebeuren en komen dan als regel tot de conclusie dat wij een alliantie van mogendheden moeten tot stand brengen die belet dat Duitschland voor een derde keer de wapens opneemt. Zoodanige doelstelling klinkt wel zeer weinig opbouwend en men zou er nog eenige fraaie zinnen aan kunnen vastknopen, waarin gesproken wordt over verbetering economische betrekkingen etc. De wereld wijzigt zich steeds en het zal niet eenvoudig zijn het krachtige duitsche ras er onder te houden. Toch zal het voorloopig noodig zijn hard te zijn, totdat een nieuwe generatie in Duitschland is opgevoed, naar ik hoop volgens de montessoriaansche richtlijnen. Het is daarom van belang alles wat onnodig krenkend is weg te laten en geen wraak te nemen die geen zin heeft. Ontwapening is naar mijn gevoel het allerlaatste wat wij moeten doen en als de Amsterdamsche intellectueele kringen (prof. Kranenburg) weer te veel over politiemacht praten met het doel de weermacht te ondermijnen dan zullen wij niet moeten terugdeinzen voor krasse maatregelen. Graag had ik nog eens met Vader gewandeld, de brug over van de Stadionkade, dan naar de boschjes en volkstuintjes, dan op de hooge ringdijk, graag zijn meening gehoord over dit alles en nog veel meer, waarschijnlijk heeft hij in deze jaren weer de kern der dingen gevoeld en alles in de ware proporties gezien. Wat verlang ik soms om bij Moeder aan de theetafel te zitten met alle verhalen over alles en nog wat, niet alleen wat er gebeurd is in de wereld die wij zien, maar ook wat zich heeft afgespeeld in het innerlijke leven van hen die wij kennen, zoo weinigen in de wereld zijn als Moeder en Vader en ik hoop alleen maar dat ik hen niet te dikwijls heb teleurgesteld. Frans en Engelien, die met zoo veel moed in een kritieken tijd hun leven begonnen zijn, wat heb ik dikwijls genoten van die rustige uurtjes op zondagen met Engelien aan de piano, dan Aerdenhout met die twee gezellige huizen van Olga en Ot, wat mis ik hun kinderen, Tom, Elsbeth, Maria, Willem, Hilda en Puck - John zou ik wel eens rustig over zijn belevingen op den invasiemorgen willen spreken, Tom natuurlijk over alles en nog wat betr. de Marine. Misschien maar gelukkig dat alle gezinnen vereenigd waren, als het vriendelijke aanbod der Bibby's was aanvaard zouden de kinderen van Tom hier nu in Engeland zijn en dat heeft toch ook zijn bezwaren. Hoe graag zou ik weer eens naar Hattem gaan met alle herinneringen. Het is of men nog niet voldoende genoten heeft toen men dat alles doorleefde, zoo graag zou ik tante Hessie nog eens zien. Er is natuurlijk nog veel meer, te veel om op te noemen.Mijn jeugd heeft gestaan in het gelukkig voorrecht van te mogen opgroeien in een harmonische omgeving, de school van den heer Vrij, de padvinderij, de zeiltochten met Vader en Tom in de Mavourneen, de vacanties in de "Sparren" en op Drafna, hoeveel gelegenheid was er niet om te genieten van de natuur, van de bijna romantische omgeving van Drafna met de larixlanen en de denneheuvels, die we toentijds Majuba en Spionkop doopten, het uitzicht op de groote weide, met het kleine "Freddy"heuveltje in het midden. Hoe waren wij altijd weer verrukt het bruine Drafnahuis te zien vanaf de tramhalte, zoals het daar in de hoogte lag, wij wisten dat wij daar altijd welkom waren en dat wij ons daar altijd mochten terugtrekken in de rustige en veilige library, waar een schat van boeken ons gelegenheid gaf te kiezen, waar wij boeken lazen ver boven ons bevattingsvermogen, die ons wakker maakten voor deze literatuur, die deden verlangen naar meer, zooals jongens, verhalen hoorend van verre landen, deze landen ook werkelijk willen bezoeken. Den Helder was een wonderlijke overgang van een zorgelooze jeugd naar den rijperen leeftijd, een zoo strenge discipline en een onderstreping van de belangrijkheid van details, ceremonieel is misschien onvermijdelijk, over het geheel ben ik niet enthousiast over die heldersche opleiding, waar het initiatief zoo sterk werd onderdrukt. Gelukkig was de Bronckhorststraat, Drafna of Hattem steeds klaar ons welkom te heeten. Eerste torn Indië, eerste kennismaking met een land van onvergelijkelijke schoonheid, hoe genoot ik van het alleen varen op de oude torpedoboot Draak of Krokodil en smokkelaars te vangen, daarna allerlei avonturen bij den onderzeedienst - terug in Holland en op de "Gelderland" die onlangs - voor zoover wij weten - door engelsche vliegtuigen in den grond werd geboord. Ik verlangde veel naar buitenlandsche reizen, daarvan kwam nimmer iets, welk een opluchting op loodsboot 6 ter zee visscherij controle uit te voeren, vervolgens afbouw torpedojagers en twee interessante reizen naar de West, de tweede reis ter verjaging van Urbina uit Curaçao, doch Urbina bleek reeds uit eigen verkiezing het eiland te hebben verlaten. Tweede torn Indië met als hoogtepunt of laagtepunt de gebeurtenissen van de muiterij der Zeven Provinciën, terug naar Holland en alsmaar walplaatsingen tegen wil en dank, zoo werd ik via de Krijgsschool Marine attaché, na voor de betrekking van adjudant Minister te hebben bedankt na aankomst in Holland. Ik heb geen spijt de Marineloopbaan te hebben verkozen, al is het mogelijk dat als de oorlog in 1939 niet was uitgebroken ik de betrekking van hoofdambtenaar in algemeenen dienst bij een der grootste Nederlandsche scheepsbouwmaatschappijen tegen een traktement van 12000 gulden p.j. zou hebben aangenomen, ik gevoel namelijk veel voor een vaste werkkring en bij de Marine is men daarvan nimmer zeker, wordt men soms ineens in een baan gezet waar niets te doen valt, er valt op dit punt in de Nederlandsche Marine nog veel te verbeteren. Ik herinner mij ineens dat ik nog een zeker aantal stoffelijke bezittingen heb vergaard, ik heb een en ander hier op een apart vel getikt, het spreekt vanzelf dat het meer als een algemeene handleiding is bedoeld, ten aanzien van mijn stoffelijk overschot zou ik willen voorstellen: "laat liggen wat leit", d.w.z. geen onnoodige onkosten en drukte, als ik op engelschen bodem lig is mij dat goed, want in dit land heb ik veel lief en leed gehad. In deze wereldworsteling vallen slachtoffers, dat is nu eenmaal onvermijdelijk daarenboven had ik als beroep een vak dat risico bracht en ik vind het een logische consekwentie van deze keus, dat men het leven op een gegeven oogenblik er bij inschiet onder soms weinig heroieke omstandigheden. Hoezeer het mij dus spijt het vaderland niet zelf te mogen wederzien leg ik mij neer bij de beslissing van Hem die het Heelal regeert. Ni regret du passé, ni peur de l'avenir. (lijfspreuk van de familie Boissevain) w.g. Alfred
Hierbij was nog een testament waarbij hij mij vermaakt zijn grond op Terschelling en zijn effectenbezit, aan Engelien zijn grond bij Hulshorst, aan Tom zijn boeken.

14 juni Kapitein-luitenant-ter-zee de Booy wordt  commandant van het fregat Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau. Met dit schip beschermde hij in de 37 escortegroep vele konvooien naar West-Afrika.

          

De indienststelling van Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau, 14 juni 1943. Links (met gleufhoed) minister-president P.S. Gerbrandy. In het midden de commandant, kapitein-luitenant-ter-zee A. de Booy. Rechts van hem schout-bij-nacht P.J. Feteris, Chef Materieel van het Ministerie van Marine

    

                         Kanonneerboot Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau.

1944 Van 14 november 1943 tot 23 oktober 1944 wordt hij als senior officer aangesteld. Op deze laatste datum draagt hij het commando over en wordt Nederlands Liaison Officier bij het Britse havencommando van captain Cowley-Thomas in Antwerpen. Hier krijgt hij als taak het bevorderen van de Nederlandse bijdrage aan de bevrijding, met als belangrijkste onderdeel de heroprichting van de Nederlandse loodsdienst.

1945 In april wordt De Booy overgeplaatst naar een Britse legergroep in Tilburg, ressorterend onder Flag Officer Holland, admiraal C.V.C. Dickens. De Booy
coördineert er de inlichtingen over de geallieerde opmars in Nederland ter ondersteuning van hun maritieme activiteiten. In de zomer van 1945 wordt hij
betrokken bij het opnieuw opzetten van de marinestaf in Den Haag. Tijdens zijn plaatsing bij de marinestaf schrijft hij een nota aan de marineleiding waarin hij zijn bedenkingen over het nieuwe vlootplan voor 1946 uiteenzet.
Uit het dagboek van vader:"Het belangrijkste nieuws is wel dat Alfred te Tilburg is en binnenkort overkomt, Hij heeft 1½ jaar zijn schip gecommandeerd in de Middellandse zee en op de kust van Afrika. Nu is hij 'liaison officer' bij een Brits generaal en zal vermoedelijk te werk worden gesteld te Rotterdam om deze haven (en andere havens) weer geschikt te maken voor het gebruik.
11 mei. Om 11 uur als ik aan de tafel zit, brieven sorterende, hoor ik een bekende stem achter mij. Het is Alfred, weinig veranderd, een beetje dikker geworden in het gezicht. En dan komt Hilda binnen en omhelst hem en huilt een beetje. Hij blijft bij ons middageten en we eten de bekende bruine bonen soep met aardappelen en van dat lekkere militaire wittebrood erbij en daarna spelen we samen het dubbelconcert van Bach en we merken dat Alfred zijn mooie streek nog bezit.
10 juni. 's Morgens komt Alfred en gaan we met hem en Engelien per auto naar John en Olga. Hij vertelde o.a. over de neiging van onze Koningin om erg democratisch te doen, die zich reeds voor de oorlog wel eens uitte. Zo kregen we een verhaal van een picnic in de duinen, de Koningin plof nederzittende, stijve, bejaarde generaals met kramp in de benen, hofdignitarissen, stokstijf staande lakeien met schalen sandwiches en uitdrukkingsloze gezichten en onze brave Koningin die zich had voorgesteld op echt burgerlijke wijze een gezellig picnicje in de duinen te hebben. Alfred gaat dinsdag naar Engeland, laat zijn auto te Antwerpen, meldt zich in Engeland bij onze marine en als ze hem de Kinsbergen willen geven, dan vindt hij het best (om ermee tegen de Japs te vechten). En dus nemen we nu misschien voor lange tijd afscheid van hem". .

          

Alfred de Booy, kapitein-luitenant ter zee weer in Nederland terug na de Tweede Wereld oorlog

1946 Alfred blijft aan de marinestaf verbonden. Daarna volgt hij enige cursussen in Groot-Brittannië ter voorbereiding op zijn plaatsing op Hr. Ms. Karel Doorman. Op 20 maart wordt het eerste Nederlandse hulpvliegkampschip Hr. Ms. Karel Doorman in dienst gesteld. De Booy wordt als commandant aangewezen. Voor die gelegenheid wordt hij tijdelijk tot kapitein-ter-zee bevorderd. Een definitieve bevordering volgde op 1 mei .

 

Vliegkampschip Hr. Ms. Karel Doorman waarover de Booy het commando voert op zijn reis naar Indonesië

Na invaren en opwerken gaat Hr. Ms. "Karel Doorman", onder commando van kapitein ter zee A. de Booy, voor onderhoud naar de werf Wilton Feijenoord te Schiedam en na afloop daarvan naar Rotterdam. Op 12 juli wordt door de marinevoorlichtingsdienst een persconferentie gehouden aan boord van Hr. Ms. "Karel Doorman", liggende in de haven van Rotterdam, waarbij de B.D.Z., luitenant-admiraal C.E.L. Helfrich, een rede houdt over het begrip "Maritieme macht" en het nieuwe vlootplan van de Kon. Marine. Daarna wordt besloten het vliegkampschip een reis te laten maken naar Nederlands-Indië om vliegtuigen daarheen te brengen voor de Marineluchtvaartdienst. Op 26 augustus vertrekt Hr. Ms. "Karel Doorman" van Rotterdam naar Glasgow, waar 15 toestellen van het type Firefly, vol bewapend en uitgerust, aan boord worden genomen met 1000 ton reservedelen en 1000 ton munitie, alsmede 130 man personeel. In de Indische Oceaan, ter hoogte van de Cocoseilanden, stijgen de Fireflys aan boord op en leggen de 500 km. naar het nabij Batavia gelegen vliegveld Kemajoran zelfstandig af. De toestellen arriveeren daar behouden, slechts één zakt bij aankomst door zijn landingsgestel. Nabij de Welkomstbaai komt Hr. Ms. "Van Galen", met de commandant der zeemacht, Vice-admiraal A.S. Pinke aan boord om Hr. Ms. "Karel Doorman" te verwelkomen. Na een kort bezoek aan Tandjong Priok, maakt de "Karel Doorman" een rondreis door de Indische wateren: Soerabaja, Makassar, Moena, Ambon, Banda en keert op 11 december te Tandjong Priok terug met 2 Japanse vliegtuigen als oorlogsbuit. Enkele dagen daarna gaat de "Karel Doorman" weer op de thuisreis, nu zonder vliegtuigen. Van 8 tot 18 januari 1947 verblijft het schip te Kaapstad en keert via Dakar en Casablanca (5 tot 12 februari 1947) naar IJmuiden terug, waar het op 18 februari aankomt.

          

Kapitein ter zee Alfred de Booy commandant van het vliegkampschip Hr. Ms. Karel Doorman

Uit het dagboek van zijn vader :"6 juli. Als ik thuiskom is Alfred er, ziet er patent uit, rustig, gelukkig in zijn werk. Frans en Engelien komen eten. Frans mager. We eten gebakken tong met gebakken aardappelen en sla, drinken een fles wijn. Alfred schenkt mij een kistje beste sigaren. Hij doet aardige verhalen uit het scheepsleven.
7 juli. Alfred zet zijn verhalen voort, heel interessant, een prettige dag.
11 juli. 10.05 met de trein met Hilda en Engelien naar Schiedam waar we worden afgehaald door auto met matroos-chauffeur, die ons naar werf Wilton-Feyenoord brengt waar de "Karel Doorman" ligt. Alfred wijst ons het schip en we blijven bij hem koffiedrinken. Een keurige matroos-hofmeester geeft ons lekkere vis met gebakken aardappelen en sla en verrukkelijke vruchten: perziken en druiven. Ik heb een sterke indruk gekregen van de grote verantwoordelijkheid die op de schouders van onzen zoon rust. Het is een heel groot ingewikkeld bedrijf.
5 augustus Maandag gingen Olga en de kinderen naar Schiedam om de Karel Doorman te zien en daar te lunchen met de auto die Alfred haalde, een mooie auto van de Marine-pool, bestuurd door een burgerchauffeur in Marinedienst. Deze had een zwager meegenomen, die er weder uitmoest omdat er anders niet genoeg plaats was. Wat ik vroeger ook al eens had opgemerkt, toen Jim - minister van Marine - ons in z'n auto bezocht te Amsterdam en z'n adjudant een jonge dame permissie had gegeven mee terug te rijden naar Den Haag, zag ik nu weer. De chauffeur van de Karel Doorman vindt het heel natuurlijk of gewoon dat hij zijn zwager meeneemt. Deze zat op de plaats naast de chauffeur, liet slechts zijn rug zien, terwijl de chauffeur uitlegde dat er nu geen plaats was voor allen. Alfred zei natuurlijk dat die man niet meekon, stond wel toe dat hij naar station Bussum werd gebracht, wat de uiterste grens van meegaandheid was waarop hij kon gaan. "Hogerhand" werkt zoiets ook in de hand als een kameraadschappelijke omgang wordt gewenst met de ondergeschikten. Er zijn echter grenzen. De goede manieren moeten ook blijven bestaan en in ere worden gehouden. We zullen Alfred nu niet meer zien. Hij vertrekt volgens het plan 8 augustus van Rotterdam en 1 september van Portsmouth naar Indië, waar Soekarno en Shahrir wel zullen denken "wat doen ze nou weer" als ze het gevaarte van de Karel Doorman zien verschijnen. Alfred heeft in Holland ongeveer de rol moeten spelen van directeur van een publieke vermakelijkheid. Hij kreeg zeer vele bezoekers, wien allen het schip moest getoond worden, soms 100 tegelijk, zoals cavallerie officieren. ook journalisten in groten getale en vele anderen.

1947 Uit het dagboek van zijn vader : "18 februari . Alfred kwam [terug van wintersport in Casablanca na zijn verblijf in Indië]. Wij luisterden naar zijn verhalen over de Kaap, Casablanca, Indië, Linggadjati enz. Over straffen aan boord van de Doorman: Zeer gering, geheel ander soort volk dan vroeger in de Marine. Aantal minder dan één straf per man gedurende het gehele verloop van de reis. In Indië soms 3000 Inlanders aan boord gehad zonder dat iets vermist werd. Alfreds mening over de mariniers die in Amerika zijn getraind in vergelijking met de anderen ongunstig, maar hij erkent dat zij misschien goede vechters zijn. De Doorman had te IJmuiden bij de sluis nog maar 1 decimeter water onder de kiel. Wat Linggadjati betreft is Alfreds mening dat wij moeten trachten te aanvaarden wat mogelijk is, niet het onmogelijke najagen. Een man als Pinke zou er liefst op inslaan, wat dit betreft is Spoor verstandiger. Alfred weet nog niets van zijn naaste toekomst, zal binnenkort wel eens naar het Departement gaan. Hij hecht geen waarde aan het bereiken van de hoogst verkrijgbare rang in de Marine, zou er gaarne uitgaan. Dienen in de Marine is moeilijk. Men krijgt zelden gelegenheid iets af te maken.
24 februari. 's Middags maakte Alfred muziek met Engelien en we waren verbaasd over zijn goede streek en zijn muzikale voordracht. Het stemt wel eens droevig dat zijn gaven, ik denk nu niet bepaald aan de muziek, in de Marine niet tot volle ontplooiing zijn kunnen komen. Zodra men bij de Marine iets denkt te hebben bereikt wordt men overgeplaatst, dikwijls naar een werk dat onbelangrijk is. Een vaste werkkring is wat men hem zou toewensen en die had hij kunnen krijgen zo de oorlog niet was uitgebroken bij de werf waar hij nu gaat repareren. Hij is nu inmiddels 46 jaar geworden.
27 maart
. Linggadjati is getekend en nu het eenmaal hiertoe is gekomen moeten wij allen trachten er iets van te maken en Gerbrandy opsluiten als hij oppositie blijft voeren.
27 juli.
En nu komt Alfred mij mededelen op zondag 27 juli 1947 om 9 uur 's morgens dat hij weldra gaat trouwen met Sonia Ruitinga, geboren De Benckendorff, die we al geruimen tijd kennen als een allerliefst mens. Ze heeft twee kinderen (Pieter en Sonia) van Watze Ruitinga die in 1945 overleed en woont bijna naast ons op onze kade, no. 34. Hilda en ik zijn zeer ingenomen met hun besluit en in september zullen ze dus trouwen.
4  september. Gisteren trouwden Alfred en Sonia op het stadhuis te Amsterdam. Hij is 46, zij 34. Wij waren een klein gezelschap omdat zij dit zo wenste.
Couturier zorgde voor het dejeuner en Willem Bootz [echtgenoot van de Katja, zuster van Sonia] stelde 10 flessen champagne en 1 fles jenever beschikbaar, bood die aan omdat hij gevoelde dat dit dejeuner eigenlijk door hem had moeten zijn gegeven. Tom had het menu op rijm gezet. Willem Bootz is een aardige gevoelige man en die Russen bevallen me best, zowel Katja als haar moeder en de kinderen van Katja, de meisjes althans vind ik erg aardig en typisch Russisch. Jan [Bootz] is een gewone Hollandse slungel. Mischa zwijgt [broer van Sonia)

   

Kapitein ter zee Alfred de Booy treedt in het huwelijk met Sophia Alexandrovna Gravin de Benkendorff (Weduwe van Watze Ruitinga)

19 december. Gisteren kwamen Alfred en Sonia thuis uit Engeland. Alfred had zich te Hoek van Holland op bevel van de douane moeten ontkleden en toen Sonia op het vernemen van het bevel lachte, ook Sonia. De man die hem moest inspecteren zeer getroffen dat men den commandant van de Karel Doorman zich had doen ontkleden. Ze vroegen langs hun neus weg "U heeft zeker in Engeland geld bij een bank" Als je op die vraag "ja" antwoordt ben je verkocht.
27 december. [n.a.v. het zien van een film van het vliegdekschip Karel Doorman]. De film was interessant, vooral wat de oefeningen in opstijgen en landen van vliegtuigen op het vliegdek betreft, maar ik kreeg de indruk dat ik voor dergelijk riskant werk niet de nodige geschiktheid zou hebben. Men moet rekenen op een zeker percentage ongelukken en dankbaar zijn als het verlies van mensenlevens niet te groot wordt. Op de film zagen we ook enige ongevallen gebeuren, welke altijd plaats hebben als het vliegtuig niet precies zo neerkomt als het moet neerkomen. Er behoeft maar een kleinigheid aan te mankeren, dan is het mis. Het vliegtuig zwaait dan naar links of rechts. misschien over boord, of zwaar beschadigd. De ongevallen die zij zagen hadden slechts geringe beschadiging ten gevolge. Heden de gehele dag de brieven van Alfred over het tijdvak l909-l940 gelezen en gerangschikt.
29 december. De vertrekdag van Alfred is gewijzigd van 9 in 16 januari".

Alfred de Booy als admiraal in Den Helder

1948
Uit het dagboek van Vader: : " 7 januari. Gisteren Alfred, Sonia, Olga en John en Willem [hun zoon] bij ons ten eten op Driekoningen. Sonia was gekleed met een blouse van prachtige kleuren en Alfred gaf een komisch verslag van de financiële moeilijkheden die het kleden van zijn jonge vrouw medebrachten, was tegelijk erg trots op het feit dat zij bij verschillende gelegenheden de best geklede dame was. Ook vertelde Alfred nog eens dat Tom - lang geleden, misschien wel ruim 35 jaar - op de zweminrichting een vooroverbuigend heer die hij voor zijn vader hield een harde slag op zijn achterste had toegediend, tegelijk met schrik bemerkend dat hij zich had vergist, waarop hij pijlsnel in het water verdween.
Op 27 januari  wordt de Booy belast met de functie van Chef Staf van de Commandant Zeemacht in het Oosten, vice-admiraal A.S.Pinke. In deze hoedanigheid zet hij zich in voor de blokkade van Java en Sumatra. Dit wordt een onderdeel van de tweede politionele actie die duurt van 19 december 1948 tot 5 januari 1949".

1949 Tot 31 mei houdt de functie die hij in 27 januari in 1948 krijgt . Op 1 juli volgt zijn benoeming tot plaatsvervangend Chef van de marine staf bij het Ministerie van Marine.. Hij wordt nu bevorderd tot commandeur. In deze funtie neemt hij deel aan de Ronde tafel conferentie met de Indonesiërs.

1950  Dagboek van Vader: " 22 augustus. Zondag waren Alfred en Sonia hier. Alfred is een nobele kerel. Hij zag er wat beter uit, echter nog zeer mager en hij vertelde dat Pieter [zoontje van Sonia uit haar eerste huwelijk] hem nog steeds 's morgens om 6 uur komt wakker maken. Ik zou zoiets niet kunnen verdragen. Hij spreekt met mij ook over zijn toekomst. Hij zou alleen dan in de Marine willen blijven zo hij Commandant van de gehele Marine kon worden, zoals Van Holthe, maar op Van Holthe volgt een hele reeks van namen wier dragers ouder zijn dan Alfred. Pinke heeft nog geen werk. Is men eenmaal admiraal geworden, dan is het uiterst moeilijk werk te vinden". .

1951 Dagboek van Vader:" 27 januari kwam Alfred, die er zeer goed uitzag en zat een paar uur te praten. Hij wordt weldra naar Nieuw Guinea gezonden om daar de Marine te inspecteren. Ook zal hij in April, bevorderd tot Schout bij nacht, een oefening leiden van een smaldeel op de Noordzee. Ik ben dankbaar dat hij niet uit de Marine gegaan is, waar hij een bijzonder goede naam heeft. Hij gelooft niet dat Nederland Nieuw Guinea voorgoed tot de zelfbeschikking zal houden. Waarom hij dit denkt weet ik niet".

Op 1 maart wordt De Booy bevorderd tot schout-bij-nacht waarna hij van 16 april tot 6 juli 1951 als commandant van het Oefensmaldeel nr. 5 aan boord van Hr. Ms. Tromp werkzaam is. Hiermee neemt hij onder meer deel aan de oefening Progress. Op 1 augustus  wordt hij belast met de functie van Chef van de Marinestaf en tevens met die van Bevelhebber der Zeestrijdkrachten. Op diezelfde datum wordt hij tijdelijk bevorderd tot vice-admiraal.

Dagboek van Vader :"Maandag 3 december. Alfred verteld dat de overwinning door zijn smaldeel op de Engelse vloot van 36 schepen,waarbij hun gehele convooi werd vernietigd, van onze zijde enigszins verdoezeld werd. Hij heeft gezegd "We have been very lucky" en daar wordt van Engelse zijde niet verder op ingegaan".

1952 Dagboek van vader; "Maandag 1 februari namiddag Alfred en Sonia op weg naar Utrecht, waar zij tante Vera, zuster van Sonia's moeder gaan afhalen, die uit Joegoslavië naar Holland komt. Alfred ziet er goed uit, vertelt van Washington, de Amerikanen, die hij rustige eenvoudige lieden vindt, die het ver hebben gebracht in de techniek. - en van de Antillen, welks regeerders een taak toebedeeld wordt, die zij niet kunnen volbrengen. En boven die rommel, corruptie, rechteloosheid, waait dan de Nederlandse vlag. De gouverneur is een flinke man (R.K.) en spreekt er met Alfred over en Alfred spreekt in een ongunstige zin over Van Schaick (onzen Minister, eveneens R.K.) die een intens slappe broeder is - volgens A. Als ik A. zeg dat ik de indruk krijg dat wij de Antillen, Curaçao en Suriname binnen niet zo lange tijd zullen verliezen. Hij is het met mij eens dat wij liever onze vlag moeten neerhalen dan die te laten waaien boven een rotzooi. Ik vraag hem wat hij van onzen minister-president Drees denkt en hij antwoordt dat hij - al moet worden toegegeven dat bij hem het Vakverenigingsleven in het middelpunt van zijn belangstelling stelt - hij een man is van grote rechtschapenheid voor wien men groot ontzag en eerbied kan hebben en moet hebben".

1953 Dagboek van vader:"15 augustus. [Op weg naar Hattem] Uitgestapt bij Hulshorst voor een bezoek aan Alfreds terrein waar we Sonia aantreffen, die onherkenbaar is en er als een zigeunervrouw uitziet en verder Pieter en Sonia en twee vrienden, ook nog een juffrouw. We zijn vol bewondering voor Sonia die zich op zulk een eenvoudige wijze gedurende lange tijd, ook hard werkende, weet te handhaven en we zoenen haar in overeenstemming met de Russische gewoonte op beide wangen".

1954 Dagboek van vader:"9 januari. In verband met de tewaterlating van de "Groningen" zijn Alfred en Sonia met de twee kinderen naar Amsterdam gekomen en bergen hun bullen tijdelijk bij ons. Om 11 uur komen Frans en Engelien mij afhalen met hun wagentje. Wij gingen aan boord van het bootje, een van de scheepjes van de grachtenrondvaart en gingen onder een zachte regen van boord op de werf. Sonia werd met een boeket ontvangen. Even stonden wij op de tribune, beneden ons het lange slankgelijnde schip, toen de tewaterlating plaats had. De champagnefles barstte tegen de scheepsromp, en onmiddellijk daarop gleed het mooie schip snel te water, zoals steeds een ontroerend gezicht. Toen naar de koffiekamer, waar eerst Piet Goedkoop, zoon van wijlen Daan, en daarop Alfred het woord voerden. Uit de rede van Alfred:

"Deze nieuwste Groningen is nog niet door het Ministerie van Marine overgenomen. Hoe lastig ons ministerie ook moge zijn, het is waarschijnlijk dat dit schip zal worden overgenomen, evenals de Koetei, Sibolga [opsomming], maar er is nog een andere reden waarom ik geloof dat het een groot risico zou zijn van een marineman om dit schip na de proeftocht niet te accepteren. Zoals u weet heeft het ministerie een geweldig goed geheugen, al heeft het geen geweten. Toen de voorgangster van deze maatschappij, de werf Kromhout, onder leiding van de heer Daniel Goedkoop in 1879 een schip voor Hoorn heeft gebouwd, heeft zich de volgende historie voorgedaan volgens de archiefstukken die zich in het ministerie van Marine bevinden. Een aantal notabelen uit Hoorn had namelijk order gekregen een schip te bouwen voor de dienst van Hoorn naar Amsterdam, welke afstand volgens contract in 3½ uur gevaren zou moeten worden. Het schip kwam gereed, doch bij de eerst proeftocht bleek zij over die afstand wel 3 3/4 uur te doen. Daniel Goedkoop deed er aan wat er te doen was, en ten tweeden male ging men op proeftocht. Het werd toen 3 uur en 40 minuten. Ten slotte voer men ten derden male proef. Toen men halverwege was keek Daniel Goedkoop aan bakboord naar de groene oever van de Zuiderzee en zei:"Dat wordt 5 minuten te laat heren en meer haalt geen mens er uit." "Zo", zeiden de notabelen, "Dan accepteren wij het schip niet". "Juist", zei Goedkoop, "dus dan blijft het schip aan mij". "Zeer zeker", zeiden de notabelen. "Juist", zei wederom Daniel Goedkoop, "dus dan heb ik te zeggen wie er aan boord komt". De notabelen zwegen. "Dan allemaal als de weerlicht van boord", en aldus geschiedde. De Hoornse notabelen, met hoge hoeden, hebben zich toen enige uren lang hoogst eigenhandig in een vletje naar de groene oever van de Zuiderzee moeten roeien omdat zij het schip geweigerd hadden.
14 augustus. Alfred komt even praten, gaat koffie drinken bij koning Haakon op zijn jacht. Hij vertelt over Prinses Wilhelmina, die ergens op de Veluwe in het gewone tenue ging schilderen en toen werd aangesproken door een paar soldaten. Een hunner ging achter haar staan en vroeg: "Komt alles er wel op, juffrouw?" Prinses Wilhelmina vroeg toen wat ze deden. Ze waren van de genie, waren bezig een kabel te leggen. Wat doet U dan. O, we zitten maar wat te kijken. En hoelang duurt dat dan? We zitten hier al vier dagen. En is er dan geen toezicht? Wat zei U, toezicht, nee, ha ha ha, nee toezicht, o bedoelt U toezicht, nee dat, ha ha ha, nee dat is er niet. Prinses Wilhelmina, vroeger onze geëerbiedigde koningin, is daarop naar prins Bernhard gegaan, die de betrekking van inspecteur bekleedt over de Strijdkrachten en heeft hem het geval verteld".

De admiraliteitsraad in 1956. De 5e van rechts A, de Booy (bevelhebber der zeestrijdkrachten)

1956 Op 28 maart 1956 legt de Booy zijn functie neer in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
Alfred de Booy houdt op 28 maart een afscheidsrede aan boord HM kruiser De Ruyter bij de overdracht van het Bevelhebberschap der Zeestrijdkrachten aan Vice-admiraal F.T. Burghard.
Dagboek van Vader:" Alfred, van wien ik deze rede op mijn verzoek ontving schrijft erbij: "Terwijl ik deze speech hield woei mijn pet bijna van mijn hoofd. Nog juist pakte ik hem beet. Dit was mijn laatste geste als B.C.Z.
29 maart. Heden hoorden we van Tom dat Alfred werk heeft en wel dat hij lid is geworden van het hoofdbestuur van een zaak die onder directie is van een man die Verolme heet, een man die een grote hoeveelheid oude motoren heeft opgekocht en deze weder, vermoedelijk nadat ze weder bruikbaar waren gemaakt, voor 5 miljoen heeft verkocht en die zich nu, samenwerkend met anderen, heeft gericht op scheepsinstallaties te Rotterdam. Dit heeft Tom van het Handelsblad gehoord. Daar ik hierover nog niets van Alfred heb vernomen neem ik aan dat het juist is, maar laat ik een plaats voor twijfel over.
30 maart. Opgebeld door Alfred die mij vertelt over zijn nieuwe baan, zijn positie van lid der directie van een grote zaak op het gebied van de scheepsbouw, opgericht door een man van eenvoudige afkomst die aanvankelijk op klompen liep, maar die beschikt over een helder verstand en grote werklust. De naam van die man is Verolme. Alfred is zeer ingenomen met de wijze waarop zijn afscheid van de Marine heeft plaatsgehad en is dankbaar dat "ik hem in de Marine heb gezet" zo zegt hij. Hij dankt de positie natuurlijk aan zichzelf maar ook aan dr. Gerbrandy die hem erover polste en die zelf ook aan deze onderneming is verbonden. Hij concurreert nu met andere - grotere - werven, heeft thans 2000 werklieden (Goedkoop 7 á 8000) en Verolme krijgt weldra een 4de werf". 

Tussenvoegsel:

Links: Cornelis Verolme (1900-1981), scheepsbouwer en oprichter van het Verolme-concern. Midden: Pieter Sjoerds Gerbrandy (1995-1961),zijn President- commissaris tot 1961. Rechts:Alfred de Booy (1901-1997), zijn Vice-president  tot 1966

In het boek van Ariëtte Dekker over Verolme wordt op bepaalde plaatsen verwezen naar Alfred de Booy (Cornelis Verolme. Opkomst en ondergang van een scheepsbouwer.'Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam ISBN  90 351 3124x .Derde druk september 2006).  Zie hieronder de volgende fragmenten:

Pagina's 140-143: " Vrijwel tegelijkertijd met zijn raad van commissarissen breidde Cornelis Verolme medio jaren vijftig voor het eerst ook de dagelijkse leiding van zijn groeiende concern uit. Zijn nieuwe commissaris Gerbrandy had hem in contact gebracht met Alfred de Booy, een vice-admiraal buiten dienst van de Nederlandse marine. De 55-jarige De Booy was vóór en tijdens de oorlog marineattaché geweest in Londen en had daar de Nederlandse premier Gerbrandy leren kennen. Gerbrandy had De Booy bij Verolme aanbevolen als 'een man uit één stuk'. Cornelis Verolme kon een man als Alfred de Booy goed gebruiken. Hij was namelijk in veel opzichten de tegenhanger van hemzelf. De Booy was rustig en beheerst, een aimabele persoon die veel beter dan hijzelf in staat zou zijn gesprekken te voeren met de vertegenwoordigers van het personeel. Iemand die beter in staat was zijn emoties te beheersen en niet bij de minste of geringste tegenwerking met de vuist op tafel sloeg. Bovendien zou een man met de standing van De Booy beter liggen bij de deftige grote Nederlandse reders en last but not least kon De Booy een prachtige entree verzorgen bij de Nederlandse marine, die de meest aantrekkelijke opdrachten in Nederland te verdelen had. Alfred de Booy en Cornelis Verolme zagen elkaar voor het eerst in 1955. In een nooit gepubliceerd deel van zijn Herinneringen schreef De Booy over zijn eerste ontmoeting met de scheepsbouwer: 'De lunch met Gerbrandy verliep goed. Cornelis Verolme maakte een kordate indruk. Typisch was zijn vraag: "Wat vindt u van uw chef, de heer Staf (Staf was minister van Marine)," waarop ik niet anders dan ontwijkend kon antwoorden. Iets later zei hij plotseling: "Wilt u mijn compagnon worden?" Waarop ik antwoordde, dat ik na mijn pensionering gaarne zijn bedrijf zou willen bezoeken. Op dat moment wist ik niet dat Verolme gaarne woordelijk beloften deed, soms zelfs onnodig, doch dat hij contracten precies nakwam. De eerste werkdag van De Booy was al even verrassend. Op het kantoor in I]sselmonde vroeg De Booy Verolme wat hij van hem verwachtte. Verolme verzocht De Booy naar de Botlek te rijden om daar te kijken hoe de ontvangst van de honderden gasten geregeld kon worden voor het slaan van de eerste paal. Bij aankomst in Rozenburg zag De Booy alleen een vervallen steiger, wat grazende koeien en een paar borden van boeren die beweerden dat Verolme hun land ingepikt had. Een heimachine maakte af en toe een doffe klap. Teruggekeerd in IJsselmonde vertelde De Booy Verolme dat hij tevergeefs naar een grote werf had gezocht. Verolme had hoofdschuddend naar zijn voorhoofd gewezen en gezegd: 'Die zit hier!' Vanaf april 1956 tot de verhuizing van het hoofdkantoor naar de Botlek deelden de kleine, gedrongen Cornelis Verolme en de rijzige Alfred de Booy de grote directiekamer in het kantoor in IJsselmonde. Verolme stond zijn bureau af aan De Booy en was zelf voortaan te vinden in de leunstoel of aan de lange conferentietafel. In zijn eigen beleving duidelijk een daad van bescheidenheid.In zijn Memoires omschrijft Verolme Alfred de Booy als 'een van de meest karaktervolle figuren, die ik in mijn loopbaan als groot-ondernemer heb meegemaakt, een integer, volmaakt betrouwbaar man, een gaaf karakter, een echte marineofficier.Dat laatste was ook iets dat de medewerkers van Verolme was opgevallen. De Booy, die zijn marineverleden nooit zou afschudden, had de gewoonte mechanisch de vlag te groeten zodra hij een schip betrad. Zo positief als Cornelis Verolme later in zijn Memoires spreekt over AIfred de Booy, zo ongemeen scherp kon hij toentertijd uit de hoek komen als hij het gevoel had dat iemand De Booy hoger achtte dan hemzelf. Cornelis Verolme had namelijk de merkwaardige eigenschap dat hij, ondanks de grote waardering die hij kreeg als scheepsbouwer, maar heel moeilijk de zon in het water kon zien schijnen, een karaktertrek die mogelijk zijn oorsprong vond in een diepgeworteld maar goed verhuld minderwaardigheidscomplex, en die op onverwachte momenten de kop kon opsteken. Dat uitte zich in velerlei vormen, en één daarvan was dat hij graag personen van meer maatschappelijk aanzien dan hemzelf en plein public voor schut zette. Dat deed hij bij Pieter Sjoerds Gerbrandy, over wie hij rustig tijdens een diner durfde te zeggen: 'Zo heb ik een oud-premier voor mij werken,' zich niet realiserend hoe ongepast zijn stelling was. En als iemand prijzend sprak over Alfred de Booy kon hij in diens bijzijn doodgemoedereerd zeggen: 'Ach, een admiraal, wat is nou een admiraal? Ik heb er ook één.' Wijzend naar de hoek van de kamer zei hij dan: 'Daar zit ie!' Ook werkelijke ondergeschikten - eigenlijk zag Verolme iedereen die hij betaalde als zodanig, ook zijn commissarissen - moesten het geregeld ontgelden. Tegen zijn eigen privé-secretaris Wout Vuyk zei Verolme bijvoorbeeld in het bijzijn van anderen: 'Wout, je bent een pias' - Vuyk was één van de weinige medewerkers die door Verolme met zijn voornaam werd aangesproken en dan antwoordde de slaafse Vuyk nederig: 'Ja meneer Verolme'.Het was een vorm van bittere, soms snijdende spot, die ongetwijfeld geestig bedoeld was, maar die Cornelis Verolme blijkbaar nodig had om zichzelf te positioneren ten opzichte van deze mensen. Het werd door iedereen als onprettig en verstorend ervaren, maar ook als een bijkomstigheid waar men snel aan gewend raakte en die voor lief genomen werd. Iedereen was per slot van rekening wel een keer aan de beurt. Cornelis Verolme compenseerde zo'n minder prettig karaktertrek met zijn tomeloze energie en ondernemingslust en met de ruimhartige charme die hij óók had. Daarmee wist hij ervoor te zorgen dat mensen, ondanks zijn grillige, vaak autoritaire gedrag, toch graag - heel graag zelfs in zijn omgeving verkeerden. Alfred de Booy en zijn kokette vrouw Sonia, een voormalige Russische gravin, werden goede vrienden van het kersverse echtpaar Verolme. Ook Wout en Rietje Vuyk kwamen geregeld bij de Verolmes. Ze kwamen allemaal graag bij hen thuis in Villa De Heul".

vervolg dagboek van zijn Vader:"Zaterdag 15 april. Om 4 uur komt Debora Land en spelen wij sonates van Händel. Het lijkt mij dat de klank soms wel goed is. Heel mooi klinkt het Andante van de 1ste sonate. Terwijl wij spelen komen Alfred en Sonia die bij Moeder in de eetkamer theedrinken. Alfred vertelt zijn moeder van zijn nieuwe werk. Verolme en hij zijn de enige directeuren van deze grootse onderneming. Verolme is een man die 16 jaren bij Stork heeft gewerkt en die toen hij daarna niet verder kon komen zijn ontslag nam. Bij een brand te Rotterdam werden zeer vele motoren beschadigd. Deze kocht Verolme voor weinig geld en herstelde en verkocht ze tenslotte voor miljoenen. Deze miljoenen besteedde hij aan het kopen van een viertal bestaande werven. Deze zijn elk op zichzelf naamloze vennootschappen, staan onder zijn directie en thans ook onder de directie van Alfred. Alfred zit thans in de directiekamer, wordt om 8 uur van huis gehaald door de auto van de zaak en gaat zitten in de stoel van Verolme, die meestal voor het een of ander op stap is ".

1957 Dagboek van Vader: "Woensdag 30 januari komen Alfred en Sonia in de middag. Alfred ziet er goed uit in weerwil van de zorgen, waarin hij zonder twijfel als leider van een zeer groot bedrijf moet hebben. Verolme is nu op weg naar Brazilië waar hij hoopt een grote opdracht te halen, een van als ik goed heb onthouden 127 miljoen. Het werk aan de Botlek, waar een droogdok wordt gegraven. Een grote moeilijkheid is het steeds drooghouden van de gegraven kuil door middel van pompen. Voor zijn vertrek gaf de heer Verolme een diner van ongeveer 25 leden van de staf waarbij een van de leden een rede hield, waarbij hij wees op het risico verbonden aan het voeren van een reuzenbedrijf als dat van Verolme, waarin vele millioenen zijn belegd". .

1958 Dagboek van Vader: "22 februari liep de 20000 ton Tamcha te water bij Heusden, nadat men eerst getwijfeld had in verband met de stand van het water of de tewaterlating thans wel door zou gaan, met de bedoeling dezelve slechts symbolisch te doen plaats vinden en op de gelukkige vaart van het dan nog vastliggende schip te klinken op een vrij katterig feestmaal. Maar op het laatste ogenblik kwamen knappe waterstaatsingenieurs nog tot de slotsom dat het kon gaan en "Smijt 'm er in" riep Verolme en "bom" deed de fles tegen de romp met enige goede wensen uitgesproken door de vrouw van de Noorse opdrachtgever. Maar daarna kwamen vreselijke ogenblikken van volmaakte stilte zonder enige beweging van het schip. Hoe lang die stilte duurde kan niet gezegd worden, was het een minuut, misschien minder, toen enige geluiden van krassen en breken en daar gleed de reus omlaag. Maar de spanning duurde nog. Het schip was 150 meter lang, de Maas 120 meter breed. Daarop was gerekend door middel van ankers of een anker en kettingen die op tijd de steven zijwaarts zouden trekken. En dit alles werkte goed en zo kwam de reus met de neus in de stroom te liggen. Alfred deed ons dit op plastische wijze leven en we leefden mee met kloppende harten. Volgens Alfred hadden dergelijke toestanden Verolme naar een tweede man (Alfred) doen uitzien, die wat van de spanning kon wegnemen, waarin hij weken vóór zo'n tewaterlating verkeerde. Later beschikte Verolme natuurlijk over andere werven.
Op zaterdag 9 augustus is Alfred met mij naar Botlek gegaan. Wij hebben daar de werf gezien met alles wat erbij behoort, ook het nieuwe dok dat nog in wording is, maar al zover dat de nieuwe tanker er al in opbouw oprijst. Er zijn twee grote voorwerpen in bewerking: de nieuwe tanker van 30.000 ton en de restauratie van dat vliegdekschip van Brazilië. En alles moet op een vooraf bepaalde tijd gereed zijn. En voor het geheel verantwoordelijke man is Cornelis Verolme. Dien gaan we nu bezoeken. Dus per auto naar Ridderkerk en daar het mooie huis bezocht waar hij woont. Hij is ongeveer 58 jaar oud, ziet er jonger uit, heeft een jong uiterlijk en een heldere stem. En wij spreken weldra over nieuwe en oude tijd en ik vertel een en ander over mijn reis met de Zilveren Kruis.
Zondag 6 october. Heden komt Alfred de trap opstormen. Hij gaat op Schiphol afscheid nemen van een Ierse minister die in Holland is in verband met het plan Verolme om een werf te bouwen in Ierland. Men moet voor zo iets de instemming hebben van vele Ierse vakverenigingen. Onze regering heeft dien Iersen minister een diner aangeboden, waartoe Verolme en Alfred genodigd waren. Onze regering was vertegenwoordigd door minister Struycken.

1961 Dagboek van Vader: "Met Tom en Alfred over Nieuw Guinea gesproken. Wat Tom betreft, vernomen dat hij al lang niet ingenomen is met de weg die onze Regering gevolgd heeft wat N.G. betreft, een weg die tot de moeilijke toestand geleid heeft waarin wij ons thans bevinden. Alfred gelooft het wel eens te kunnen zijn met Hilterman. Alfred gelooft dat wij geleidelijk moeten gaan in diens richting, wat dan ook zal zijn geleidelijk toegeven aan de eisen van Indonesië. Als men bedenkt wat door Nederland aan de Papoea bevolking is beloofd, schijnt mij dit moeilijk, zo niet onmogelijk, en ik ben dus vol zorg over de toekomst wat dat betreft"..

1964 Dagboek van Vader :" 26 juni 1964. Ik heb een aardige herinnering aan de viering van mijn 97ste verjaardag. We hadden Alfred en Sonia bij ons ten eten. De vader van Alfred Han de Booy sterft 8 september in Amsterdam op 97 jarige leeftijd".

1966 Alfred  de Booy  gaat met pensioen bij het Verolme-concern.

1997  Op 3 maart overlijdt Alfred de Booy, Vice-admiraal b.d., oud-Vice-president van Verolme Verenigde Scheepswerven op 95 jarige leeftijd.  In de overlijden annonce staat: Na een leven dat gekenmerkt werd door eenvoud, eerlijkheid en humor en liefde is in zijn vertrouwde omgeving rustig ingeslagen.

Onderscheidingen van Alfred de Booy

Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 24 april 1953 ;Officier in de Orde van Oranje-Nassau, 30 januari 1941;  Oorlogsherinneringskruis 1940-1945, met twee gespen, 12 oktober 1949;  Ereteken voor Orde en vrede, 5 maart 1951;Onderscheidingsteken voor langdurige dienst als officier, 6 december 1951 ; Officer of the Military Division of the Most Excellent Order of the British Empire december 1941; Commander in the Legion of Merit oftt he USA, 10 maart 1956 ; Commandeur I e klas in de Danebrogorde van Denemarken, 24 juni 1952; Grootofficier in de Orde van Francisco de Miranda van Venezuela, 6 februari;  Grootofficier in de Orde van de Merito Naval van Brazilië, 22 augustus 1958.

Publicaties van Alfred de Booy

David Pietersz. de Vries' in: L.M. Akveld e.a. eds., Vier eeuwen varen. Kapil kapers, kooplieden en geleerden (Bussum 1974) 114-129.
De derde reis van de V
0. C. naar Oost-Indië onder het beleid van Admiraal P. van Caerden, uitgezeild in 1606. Werken uitgegeven door de Linschoten Vereniging, 1-2, LXX -LXXI (Den Haag 1968-1970).
De Mijnenoorlog, zoals deze met bovenwater-strijdkrachten van 1914-1918  gevoerd in: Marineblad LI (1936) 572-597.
'De politieke en strategische beteekenis van de vloottocht onder commando van admiraal Jonkheer Pieter van der Does in het jaar 1599 in: Marineblad LIII (1938) 751-762.
Met H.A. Jonkheer van Foreest, De vierde schipvaart der Nederlanders naar
Indië onder Jacob Wilkens en Jacob van Neck (1599-1604). Werken uitgegeven door de Linschoten Vereniging, 1-2, LXXXII -LXXXIII (Den Haag 1980-1981)
'Enige kanttekeningen bij twee jaar Rotterdams admiraliteitsleven' , Tijdschrïft zeegeschiedenis 1 (1983) 17-31.
'Herinneringen aan de reis van Hr. Ms. Karel Doorman naar Nederlands Oost
(1946-1947)', Marineblad LXXXII (1972) 357-376, 513-528.
'Holland in the Mediterranean (1607-1704)', The Mariner 's Mirror XXV (okt 1939) 392-416.

 

.