Hendrik de Booij, herinneringen aan zijn deelname aan de derde Atjeh oorlog in de periode 1893-1895

Inhoudsopgave:
1. Inleiding
2. Derde Atjeh oorlog 1884 -1896 (met noot: de krijgsverrichtingen van generaal Vetter en luitenant Colijn in Lombok in 1894)
3. Herinneringen Hendrik de Booy over zijn deelname aan de derde Atjeh oorlog van 1893-1895
4. Vierde Atjeh oorlog 1898-1918

1. Inleiding

In het hoofdstuk 3  van deze website, heb ik verhaald  over de eerste en tweede Atjeh oorlog in de periode 1873-1879, daarbij heb ik de brieven van Chrétien Jean Gérard de Booy ( de oudste broer van mijn grootvader Hendrik de Booy) aan zijn ouders afgedrukt. Hij heeft deze Atjeh oorlog van nabij meegemaakt. Nu wil het dat mijn grootvader in de derde Atjeh oorlog  heeft meegevochten. De herinneringen van mijn grootvader over de periode van 1867 tot 1901 zijn door mij beschreven in hoofdstuk 1 van deze website. Ik heb daarbij gebruik gemaakt van de selecties, die mijn tante Dr E.P. de Booy (jongste dochter van mijn grootvader), heeft gemaakt uit de herinneringen en dagboeken van mijn grootvader. Bij nadere bestudering van deze herinneringen, die mijn grootvader heeft gebundeld in twee ingebonden exemplaren, blijkt dat mijn tante slechts enkele alinea's heeft geselecteerd, die gaan over de tijd, dat mijn grootvader betrokken was bij de derde Atjeh oorlog in de periode 1893-1895. De reden waarom mijn tante deze periode zo summier heeft behandeld, is misschien gelegen in het feit, dat de tijdgeest omtrent ons koloniaal verleden en onze krijgsverrichtingen aan het eind van de 19e en begin 20ste eeuw sterk is veranderd. In de tijd van mijn grootvader werden de koloniale oorlogen als rechtvaardig beschouwd, terwijl men in het recente verleden door de vele publicaties en fotomateriaal anders is gaan denken over deze vroegere tijd. Ik ben echter van mening dat het goed is om dit in gedachte een uitgebreidere selectie te maken van de herinneringen van mijn grootvader in deze derde Atjeh oorlog. Evenals in het hoofdstuk 3, dat gaat over de oudste broer (Chrik) van mijn grootvader, zal ik een korte samenvatting geven van de historische gebeurtenissen, nu niet van de eerste en tweede, maar van de derde en de vierde Atjeh oorlogen, die geduurd hebben van 1884-1918, zodat men de herinneringen van mijn grootvader beter in deze tijd weet te plaatsen. In hoofdstuk 6 worden de krijgsverrichtingen in Atjeh van mijn grootvader (van mijn moeders kant) A.F.Gooszen beschreven. Het blijkt dat mijn twee grootvaders tegelijkertijd deel hebben genomen aan een expeditie in november 1893 naar de bovenloop van de Tamiang rivier aan de Oostkust van Sumatra. Ze werden beiden hiervoor  onderscheiden door de Minister van Marine met een ereteken.

2. Derde Atjeh oorlog 1884-1896

De oorlog tegen Atjeh kostte Nederland handen vol geld en het was door de twee gevoerde oorlogen niet gelukt om het Atjehse verzet te breken. Zo besloot de minister van oorlog Weitzel om een andere tactiek in Atjeh toe te passen. 

     

     Minister van Oorlog A.W.Ph. Weitzel

Allereerst wilde hij een troepen vermindering en een afsluiting van de vesting Kota Radja door middel van een zwaar versterkte linie. Hij wilde op zo'n manier de Atjehers op de knieën brengen. Op 20 augustus 1884 werd onder commando van kolonel H. Demmeni met de aanleg van de Geconcentreerde Linie begonnen.

        De geconcentreerde linie om Kota Radja gebouwd  in 1884-1885

Zij bestond uit 16 bentengs, met een bezetting variërend van 60-160 man elk. Ze waren met Kota Radja verbonden door middel van telefoon en bereikbaar via een trambaan. Het gebied werd afgeschermd door een hoog ijzeren hek met wachthuisjes op palen. Deze verdedigingslinie moest  de Nederlandse troepen in Atjeh  beveiligen tegen infiltratie van Atjehse vrijheidsstrijders. De verdedigingslinie werd voltooid in maart 1885.

  

      Officiers vrouwen gaan op theevisite bij een andere post van de geconcentreerde linie.

Ondertussen werd gezocht naar bondgenoten onder de Atjehse leiders die met Nederland willen samenwerken. Men ging de verdeel en heers politiek toepassen. Er heerste onder de elite van de Atjehers een duidelijke rivaliteit  In januari 1891 stierf Teungkoe Tjèh Thaman di Tirò, een van de belangrijkste verzetstrijders.

    

Teugkoe Tjèh Thaman di Tiro 1836-1891

Hij was de leider van de godsdienst partij. Hij verzond brieven waarin hierin hij de Atjehers opriep om de heilige oorlog volgens de regels van de godsdienst te voeren. Deze geven een goed beeld van hoe men dacht over het Nederlands gezag. (zie achteraan in dit hoofdstuk bij de herinneringen  van mijn grootvader de tekst van zo'n brief). Hij stierf in 1891 evenals panglima Polim, een andere machtige verzetsstrijder.  Er was een andere verzetsstrijder Teukoe Oemar, die na hun dood de kans zag een sultanzetel te verkrijgen. Hij koos daarbij de zijde van de Nederlanders.

   

             De verzetstrijder Teukoe Oemar 

In januari 1992 werd een nieuwe militaire gouverneur benoemd, het werd  kolonel C. Deijkerhoff (Later tot generaal benoemd). Hij stelde o.a. voor aan de Gouverneur-generaal Cornelis Pijnacker Hordijk om Teukoe Oemar te voorzien van wapens. Pijnacker Hordijk stemde daarmee in en heeft zijn opvolger  Gouverneur-generaal Jhr. C.H.A. van Wijck te laten beloven, dat hij generaal Deijkerhoff de vrije hand zou geven om zijn plannen te kunnen uitvoeren.

 

      Generaal-majoor  C. Deijkerhoff.

 Links: Cornelis Pijnacker Hordijk, Gouverneur -generaal van 1888-1893. Rechts: Jhr Carel H.A. van der Wijck, Gouverneur-generaal van 1893-1899.

In juli en augustus 1893 is Teukoe Oemar militaire steun verleend gegeven in de strijd tegen de zich verzettende Atjehers in het Moekim gebied. Op 30 december werd hij zelfs aangesteld in Koeta Radja tot panglima prang besar, opperste krijgsheer van het gouvernement. Hij veranderde zijn naam in Teukoe Djohan Pahlawan, wat betekent Johan de Heldhaftige . Op 30 oktober veroverde hij zelfs Anagaloeng, het belangrijkste militaire steunpunt van de vallei. In april 1894 was de actie ten einde en het gehele gebied van de Moekims gezuiverd. Maar er kwam verzet tegen de plannen van Deijkerhoff en en wel door dr C. Snouck Hurgronje.

Links: Dr Christiaan Snouck Hurgronje (1857- 1936) was een Nederlands arabist en islamoloog. Rechts: majoor J.B. van Heutsz

Hij pleitte voor een goed georganiseerde systematische spionnage in plaats van terreur als middel om het Nederlandse gezag te handhaven. Men moest niet met de Atjehers onderhandelen, zij zwichten alleen voor geweld. Hij raadde de regering aan deze moslimleiders "zeer gevoelig te slaan". Deijkerhoff had door zijn succes in Atjeh echter het gelijk aan zijn zijde. Snouck wees op het gevaar, dat het monsterverbod met Teukoe Oemar  in hield. Hij stond daarbij niet alleen, ook majoor J. B. van Heutsz had soortgelijke denkbeelden. Dit blijkt uit een in 1893 van zijn hand verschenen brochure getiteld: "Over de onderwerping van Atjeh".Van Heutsz beschouwde de Atjehers niet als oproerkraaiers, maar als vrijheidsstrijders. Volgens van Heutsz biograaf Witte had de brochure daarnaast nog een verborgen boodschap: 'hier is van Heutsz, ik durf de Atjehers wel aan, benoem mij maar tot gouverneur van Atjeh'. (Het is hem later ook inderdaad gelukt. In mei 1898 werd hij benoemd als gouverneur van Atjeh)

Over de krijgsverrichtingen in 1893,  waar men grootvader direct bij betrokken was, staan interessante passages in het boek van W.J. Cohen Stuart,  De Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915 geschreven in 1937:

Het overlopen van Toekoe Oemar
Eenige maanden later had eene groote verandering plaats in de verhouding van Toekoe Oemar tot het Bestuur. De Regeering had gemeend, van den invloed en de voortvarendheid van dezen Atjeher voor het overwinnen van het verzet partij te kunnen trekken door hem aan onze zijde te brengen en blijkbaar had Oemar ook zijn voordeel daarin gezien; in Juli werd hij onze bondgenoot en de "Benkoelen" embarkeerde den 31 en dier maand van Rigaih, Gloempang en Lho Siddoh 137 personen, w.o. 42 vrouwen en kinderen, allen volgelingen van den Toekoe, ten overvoer naar Oeleë Lheuë; zij voerden mede 2 lilla's, 60 geweren - w.o. 20 achterlaad - (3 Beaumont-geweren werden als afkomstig van de Marine herkend), 116 blanke wapenen, 3000 patronen voor het Beaumont-geweer, 10 kg buskruit, 1000 looden kogels; van de patronen waren sommige door Atjehers gevuld.

De strijd tegen de verzetsstrijder Nja Makam
Het Westelijk deel der Noordkust was meermalen het tooneel van beschieting van schepen en sloepen, vooral bij Koeala Gigieng en Pedropunt, dat aanleiding gaf tot tuchtiging der betrokken kampongs met granaatvuur; bij eene dergelijke gelegenheid werd de Adelborst 1e kl. G. den Berger gewond. Onze post te Sigli stond herhaaldelijk aan aanvallen bloot; de "Lombok", van een zoeklicht voorzien, kon daardoor, bij het afslaan door de bezetting van nachtelijke aanvallen, goede diensten bewijzen; den 7en Mei wierp dit schip 46 granaten in de schuldige kampongs. Bloedig gevolg had de plotselinge aanval van een met klewang en rent jong gewapenden Atjeher op een detachement van 12 man van de "Lombok" dat aan den wal aan het schijfschieten was; de man wist dadelijk den officier en 2 man te verwonden en toen de Stuurman Prins hem te lijf ging, dezen een doodelijken steek toe te brengen, vóórdat hij afgemaakt werd. De strooptochten van het bendehoofd Nja Makam uitgebroed in het ons steeds vijandige Simpang-Olim, waren oorzaak van krijgsverrichtingen; waaraan de Zeemacht een belangrijk aandeel nam. In Januari 1893 ontving de Commandant van H.M.Raderstoomschip, Sindoro", de Luitenant ter zee 1 e kl. W. Allirol, ter Oostkust van Atjeh in station, van den Nederlandschen Consul-Generaal te Penang bericht, dat Nja Makam zich Zuidwaarts had begeven en voornemens was, in de residentie Oostkust van Sumatra vijandelijkheden te plegen. De "Sindoro" stoomde dadelijk daarop naar de Tamiang-Rivier en zond eene gewapende sloep onder den Adelborst 1e kl. van Idsinga naar Seroeway om onzen post aldaar te waarschuwen. Ongeveer halverwege, bij Rantau-Pakam, werd de sloep beschoten; bij den terugkeer werd zij gesleept door het van pantserplaten voorziene gewestelijk stoomjacht "Langkat" , waarop de bemanning der sloep was overgegaan, zoodat de beschieting geene verliezen veroorzaakte. Den 25en verscheen Nja Makam's bende op den rechteroever der rivier nabij ons etablissement Seroeway beschoot den pasar, waarvan het Maleische deel verbrandde en bezette de op den linkeroever gelegen Missisgit van het ons bevriende hoofd Radja Bandahara, welke zij plunderde en daarna in de vlammen deed opgaan

Cohen Stuart geeft vervolgens vele details  over de strijd tegen de troepen van Nja Makam. Ik begin weer met het citeren als blijkt, dat mijn grootvader van mijn moeder kant Luitenant ter zee 2e kl A.F. Gooszen  bij de gevechtshandelingen betrokken is.

Luitenant der zee 2e klasse A.F. Gooszen gaat met mee met de expeditie stroomopwaarts van de rivier Tamiang

Na deze voorvallen werd tot eene nieuwe expeditie besloten. H.M. stoomjacht "Koerier" werd met het oog op het bevaren der rivier gewapend met 4 kanonnen van 3,7 cm, een op den bak, een op de kampanje en twee op de brug; een kraaiennest voor 4 scherpschutters werd aan den fokkemast aangebracht, de kwetsbare punten werden met zware planken geblindeerd; ook bevestigde men voor het verbreken van versperringen een ijzeren schoen met kettingen aan den voorsteven en bracht door het lossen van steenkolen den diepgang tot 18 dm terug. 

Den 30en, nadat des morgens ten l0u met hoog water de "Koerier" de ondiepte had gepasseerd, stoomde de geheele macht in alarmstelling de rivier op; de versterkingen bij Rantau-Pakam bleken niet bezet te zijn, doch bij Pasir Poetih stuitte men op twee versperringen, bestaande uit niboengstammen, hout en bamboe, door dwarslatten met pen en gat verbonden, en waartusschen zich een staaldraadtros van 50 mm bevond. De versperringen gingen op den rechteroever van één punt uit, maar aangezien de rivier aldaar een scherpe bocht maakt, maakten zij een hoek met elkander en hadden op den linkeroever een onderlingen afstand van ongeveer 25 m. Hier lagen een tweetal geschutstellingen, bovendien verkende men aan den overkant der ladang eenige versterkingen; uit al deze verdedigingswerken werd het vuur geopend toen de "Koerier", aan het hoofd der flottille stoomende, ten 2u15m tot 250 à 300 m genaderd was. Dit vuur beantwoordende, stoomde de "Koerier", den rechteroever houdende, zoo normaal mogelijk op de eerste versperring in; deze werd verbroken, doch door de vermindering in vaart gelukte het niet, de tweede stuk te varen; de Commandant van de "Koerier", de Luitenant ter zee 2e kl. J. F. B. van Dijk, kreeg hierbij een schampschot in de zijde door een lilla-kogel, die tegen de bescherm plaat van het aan bakboordzijde op de brug staande kanon van 3,7 cm ricocheteerde; hij bleef echter het schip besturen. Het schip stoomde nu achteruit en daarna volle kracht vooruit op de tweede versperring in, die daarvoor bezweek; het voorschip liep echter hierbij aan den linkeroever in de modder en daar volle kracht achteruitslaan niet voldoende was om het schip achteruit tc krijgen, werd de bemanning naar het achterschip gezonden; zij kwam daardoor echter een oogenblik buiten de blindeering van planken, kooien en ijzeren platen, en kreeg door 's vijands vuur drie gewonden; het schip kwam vlot, en verdreef door vuur uit de gevechtsmars en aan het dek, de Atjehers uit de geschutstellingen aan den oever, waarna de officieren Mensert en Noordhoek Hegt met een klein detachement van de "Koerier" twee lilla's daaruit haalden; de versperringen werden latere door de sloepen opgeruimd. Inmiddels waren, op een punt, ongeveer 500 m benedenstrooms van Pasir Poetih, de beide colonnes der Infanterie met een deel der landingsdivisie op den linkeroever geland en rukten door de ladang, die, pas aangelegd, een zeer moeilijk terrein bleek te zijn, tegen de meest Noordelijk gelegen versterking op; de tegenstand, hier door den vijand geboden, bezorgde aan de Infanterie een gesneuvelde en vier gewonden; uit de overige bentings vluchtte de vijand. Eene compagnie bleef in de genomen versterkingen achter om die den volgenden dag te slechten, daarna werd het overige der gelande troepen geëmbarkeerd en ten 7u30m bereikte de flotille Seroeway, waar den 31 en de gewonden per particulieren stoomer naar Deli werden geëvacueerd, de colonne van Pasir Poetih afgehaald en overigens gerust werd.

Den 2en des morgens ten 6u werd door de sloepen aangevangen met het overzetten der colonnes en den trein, en ten 7u45m werd de marsch aanvaard; de landingsdivisie werd, om haar een vermoeiende marsch te besparen, door de "Anna" en "Slamat" overgevoerd naar een punt, tegenover Oud-Seroeway gelegen, waar zij ten 8u30m aankwam en in afwachting van de komst der colonne, naar den rand der sawah oprukte, vanwaar de ligging van een viertal vijandelijke versterkingen op ongeveer 700 m afstand, werd waargenomen; weldra kwam nu ook de colonne, onder bevel van den Majoor Meuleman, die het voetpad langs de rivier had gevolgd, op het terrein aan, en nadat de landingsdivisie hare plaats in den hoofdtroep had ingenomen werd even vóór 9u op de sawah gedeboucheerd; de sterkte van den troep bestond op dit oogenblik uit 9 officieren en 307 minderen der Infanterie, aan wie toegevoegd waren 1 officier en 19 mariniers, Marine-landingsdivisie 5 officieren en 73 matrozen 8 mariniers, artillerie 1 officier en 24 minderen met 3 getrokken bronzen kanonnen van 8 cm en een Coehoorn-mortier. Nadat tot ongeveer 650 pas van de vijandelijke stelling voortgerukt was, terwijl eene sectie infanterie bij het landingspunt achtergelaten was om de ageerende troepenmacht in den rug te dekken en de verbinding met de vaartuigen te onderhouden, kwam ten ongeveer 9u15m de artillerie in batterij en richtte haar vuur met granaten en granaatkartetsen achtereenvolgens op de vijandelijke versterkingen, terwijl door den troep beurtelings pelotons-  en sectiesgewijze salvovuur werd afgegeven; men kreeg vuur niet alleen uit de bentings maar ook van een 200-tal Atjehers, die nabij de meest Noordelijk gelegen versterking eene schietstelling hadden ingenomen, waardoor de rechtervleugel onzer linie bedreigd werd; het detachement van Seroeway, met eene sectie infanterie versterkt, hiertegen afgezonden, slaagde erin, dat vuur tot zwijgen tebrengen.

Inmiddels had de Commandant der Landingsdivisie bevel ontvangen, om de bovengenoemde benting op den linkervleugel van 's vijands linie gelegen, te nemen. Zij rukte in vier tempo's vooruit, op de halten salvo's afgevend; door het zeer moeilijke terrein, eene sawah, met riet of zwaar hard gras ter hoogte van 1,5 m begroeid, waarvan bovendien de bodem glibberig was en vele kuilen en nagenoeg onbegaanbare galangans opleverde, kwam men slechts langzaam vooruit en leed reeds eenige verliezen; op ongeveer 200 pas van het doel werd daarom de order tot stormloopen tegen de Noord-Oostelijke face gegeven.Men kwam vóór eene omheining van aangepunte bamboe waarachter eene drooge gracht, gevuld met bamboedoerie, om het buitentalud te bereiken, moest eene tweede omheining van bamboe doorbroken worden; men trachtte nu, door kappen en snijden, openingen te maken. Het gelukte Commandant en Officieren op enkele plaatsen de borstwering te bereiken, doch de Commandant, de Luitenant ter zee 1 e kl. Mensert, werd door een schot in het hoofd zwaar gewond, zoodat hij het bevel aan den Luitenant ter zee 2e kl. C.W. Broers moest overgeven. Terzelfder tijd was het detachement van Seroeway, waarbij, zooals reeds vermeld, 20 man van het Korps Mariniers waren ingedeeld, na het vermeesteren der bovengenoemde schietstelling, tegen de Vester- en Zuiderfacen der benting opgerukt, en werd getracht, de poort der versterking te forceeren; hierbij sneuvelde de Korporaal der Mariniers Viergever, terwijl de Commandant van de troep, de 1 e Luitenant der Infanterie C. van der Schroeff, bij het beklimmen der borstwering doodelijk gewond werd.

Intusschen was tot steun dezer actie eene groep infanterie van eene der andere collones afgezonden geworden, en gelukte het aan eenige manschappen dezer groep, met den Luitenant ter zee 2e kl. A. F. Gooszen en 4 mariniers, in de binnenruimte der versterking te springen, op hetzelfde oogenblik, dat het forceeren der poort gelukte; hiermede was de versterking in ons bezit. Reeds bij het oprukken had de Landingsdivisie 6 gewonden gekregen, waaronder de Luitenant ter zee 2e kl. J. H. Zeeman; bij het stormen sneuvelden met inbegrip van de bij het detachement Seroeway ingedeelde mariniers, vier man en werden, behalve de Luitenant ter zee 1e kl. Mensert, drie man gewond. (...)

Nadat alle versterkingen genomen waren, stoomde de "Koerier" nog hooger de rivier op en verjoeg met eenige schoten uit de kanons van 3,7 cm de nog standhoudende Atjehers uit een versterkt huis in de kampong Loeboek Batil. De veroverde versterkingen werden voor den nacht door de Landmacht bezet en daags daarna geslecht. Nog in den namiddag van den 2en April werden de lijken der gesneuvelden de gewonden en de landingsdivisie door de "Koerier" en de sloepen naar Seroeway overgevoerd; aldaar was de Kapitein ter zee Stokhuyzen, Commandant der vereenigde scheepsmacht in de wateren van Atjeh, per stoomschip "Kinta" aangekomen; hij begaf zich, vergezeld van den Kapitein-Luitenant ter zee van den Pauvert, leider van het nautische gedeelte der expeditionnaire macht, per stoomsloep naar het gevechtsterrein; vandaar terugkeerende, kreeg de sloep door een geweerschot een lek, waarin den volgenden dag, door haar op eene droogte te zetten, kon worden voorzien. Den 3en werden de gewonden door de gewestelijke stoomjachten, onder geleide van eene stoombarkas, naar de reede vervoerd en had in den namiddag de plechtige ter aarde-bestelling der gesneuvelden plaats. Op den 5en keerden alle schepelingen naar hunne respectieve bodems terug, terwijl de "Koerier" met eene stoombarkas op de rivier bleef.

Nu aan Nja Makam's aanhangers belangrijke verliezen waren toegebracht, was de toestand in het Tamiangsche aanmerkelijk verbeterd; niettemin werd voorloopig de aanwezigheid van een oorlogsvaartuig op de rivier noodig geacht; toen dan ook in Mei de "Koerier" naar Penang moest om te dokken, werd het Gouvernements-stoomschip  "Indragiri", met een Marine-detachement aan boord, ter vervanging aangewezen. Verder werd de toegankelijkheid van de "Tamiang-Rivier bevorderd door de opname van de Panaga-geul en de bebakening der monding van de Soengei Ijoe, welke dieper was dan de Tamianggeul.

Hendrik de  Booij gaat als commandant van gewapende sloepen op patrouille om de bovenloop van de rivier Tamiang  te verkennen

In de tweede helft van October werd door de "Koerier" op last van den Commandant der Zeemacht de poging herhaald, om den bovenloop der rivier te verkennen. Begunstigd. door hoogen waterstand tengevolge van bandjirs, vertrok men den 28e van Seroeway, vergezeld van eene stoombarkas en met een detachement als bovengenoemd aan boord, en bereikte den volgenden dag Karang, ruim 5 km bovenstrooms van Koeala Simpang, waar men vuur kreeg uit eene benting van Radja Silang, welk vuur door het geschut tot zwijgen werd gebracht. Terwijl men zich voor de landing gereed maakte, kwam met de "Anna" de Kapitein van Polanen Petel van Seroeway aan, vergezeld van 10 man Infanterie; deze als dekking der ambulance aanwendende, rukte nu het landingsdetachement onder den Luitenant der Mariniers G. Faassen tegen de benting op, welke overhaast verlaten bleek te zijn; daags daarna werd zij verbrand. Verder opstoomen werd voor de "Koerier" niet raadzaam geacht, zoodat, nadat met de stoom barkas eenige verkenningen waren verricht en een bezoek was gebracht aan bet ons bevriende Tandjong Mandang,aan de SimpangKiri, de "Koerier" den 2e November met krabbend anker de rivier afzakte, daar het stoomen wegen de vele afdrijvende boomen te gevaarlijk was. Terwijl de "Koerier" nog te Koeala Sim pang vertoefde, kwam aldaar den 9en November de Gewestelijk Militair Commandant per "Alllla", in prauwen eene halve compagnie Infanterie sleepende ; den volgenden dag werd de tocht vervolgd, waaraan door de gewapende stoombarkas en een 20-tal mariniers werd deelgenomen; men bereikte de Kampong Loeboek Sidoep, ongeveer 18 km boven Koeala Sim pang en deed haar in vlammen opgaan.

Inmiddels had de Oudst-aanwezend Zeeofficier ter Oostkust eene flottille gewapende sloepen van de "Merapi" en drie andere schepen samengesteld en voer daarmede den 9en de rivier op; men bereikte een punt nog bijna 20 km voorbij Loeboek Sidoep en bevond alles rustig; den 12e was men aan boord der schepen terug.

Nog werd door de Mariniers met de landingsdivisie van de "Koerier" deelgenomen aan een marsch van de Infanterie van Koeala Simpang uit, ter opsporing van eene in de nabijheid gesignaleerde, 200 man sterke, bende Atjehers; de vermoeiende marsch leverde geene ontmoeting met den vijand op. Intusschen had de "Sindoro", waarvan brug en ketelkap van eene doelmatige blindeering waren voorzien geworden, terwijl met eigen middelen een kanon van 3,7 cm in den top van den fokkemast was geplaatst, den gen October met de "Koerier" een tocht op de Ara Koendoe-rivier gemaakt. Toen de rivier te bochtig werd voor de "Sindoro", stoomde de "Koerier" verder op, voorafgegaan door de stoomsloep, en kwam men tot het eilandje Leboni. Op de hoogte van Blang-Ni gekomen, kreeg de stoomsloep uit een loopgraaf een salvo, dat echter niemand kwetste; toen de "Koerier" het vuur opende, vluchtte de vijand.

Einde citaten uit het boek van Cohen Stuart . De Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915

Begin 1896 kwam een nieuwe commandant luitenant-kolonel F.W. Bisschoff van Heemskerk. Hij zag dat de politiek van Deijkerhoff steeds minder goed ging functioneren. De posten  van de linie werden steeds meer beschoten, vooral vanuit de gebieden buiten de linie, die met hulp van Teukoe Oemar waren gezuiverd. Deijkerhoff wilde geen patrouilles buiten de linie, dat moest worden gewaarborgd door Teukoe Oemar. Maar Bisschoff van Heemskerk gaf desondanks het bevel om eens per maand een demonstratieve patrouille te houden in het gebied buiten de linie. Op 7 maart 1896 was kapitein Blokland met 92 man op patrouille gegaan. Direct al werden zij onder vuur genomen. Na afloop telde men negen doden en 22 gewonden. Deijkerhoff verlangde van Teukoe Oemar, dat hij de orde in de buiten gebieden ging herstellen, maar deze eiste van Deijkerhoff meer wapens en munitie. Maar al spoedig bleek,dat hij van plan was over te lopen. Hij weigerde in eerste instantie de orders van Deijkerhoff op te volgen. Teukoe Oemar ging vervolgens over, dankbaar gebruik makend van de wapens, die hij van Deijkerhoff had gekregen, door de Nederlandse troepen aan te vallen. Het verraad was al lang van te voren door hem gepland. 29 maart werden de Nederlandse posten buiten de linie ingesloten. Zo ontstond er een totaal nieuwe situatie. Deijkerhoff had zichtbaar gefaald en werd ontslagen. Generaal Vetter * ) werd benoemd als regeringscommissaris. Er werd nu korte metten gemaakt en een groot offensief gestart, waarop Snouck Hurgronje steeds had aangedrongen. Wie ook mee deed aan dit offensief was luitenant-kolonel J.B. van Heutsz (die al driemaal in Atjeh had gediend). Eveneens was  luitenant H. Colijn van de partij. Op 5 april 1896 schreef Colijn in de Nederlander): 'De geest onder de troep is uitstekend. Er heerst spannende geestdrift. En wanneer het aan ons en aan onze soldaten ligt, geen rijsthalmpje, ja geen grassprietje in het gebied der IV Moekims (Oemars kerngebied) zal ongeschonden blijven. Hij heeft het gewild, dat de oorlogsfakkel branden zou! Het zij zoo!'.
8 april 1896 begon een offensief, onder leiding van kolonel J.W. Stemfort, met colonne van duizend man met als doel om de belegerde posten te ontzetten. De Atjehers boden fel verzet. De vallei werd door de Nederlandse troepen bezet en vele posten van de Atjehers werden vernietigd, zo ook de geboorteplaats van Teukoe Oemar in mei 1896. Koningin Wilhelmina zond een telegram om de colonne, die onder commandant van van Heutsz stond, te feliciteren met de verovering van Lam Pisang op 24 mei. Daarna werd de kampong Lamasang met de grond gelijk gemaakt. Alle bomen gekapt en de grafheuvels afgegraven. Tijdens deze zware gevechten vielen vele doden aan beiden zijde. Colijn schrijft over deze 'heldhaftige' gebeurtenis in de Nederlander van 22 juli : ' De vallei van Lam Pisang bevat 30-tal welvarende dorpen (kampongs). In die vallei raast de rook: een 30-tal kampongs ging in vlammen op en zijn van dit aardsche schouwspel verdwenen. De geheele rijke vallei is één onafzienbare smeulende vlakte, talrijk goed gevulde voorraadschuren van Oemar - zoomede zijn eigen prachtige woning- deelden in het lot van al het overige'.  Zo kwam er een einde aan de derde Atjeh oorlog.

Dit betekende niet het einde, want er volgden nog vele oorlogen, niet alleen in Atjeh maar ook in andere gebieden van Nederlandsch Indië. Het onderstaande kaartje laat zien deze zogenaamde pacificaties van Indië.

 

Pacificatie van Indië door de Nederlanders 

Generaal Vetter en luitenant Colijn, die deelnamen aan de derde Atjeh oorlog, hebben een paar jaar daarvoor in 1894 een belangrijke rol gespeeld bij de verovering van Lombok. Hieronder volgt een korte samenvatting van deze krijgsverrichting.

 

Links: Luitenant H. Colijn. Rechts: Generaal  J.A. Vetter.

Het ten oosten van Bali gelegen eiland Lombok is lang buiten de Nederlandse invloedsfeer gebleven. Het eiland werd bestuurd door 2 vorstenfamilies uit het oosten van Bali, het huis van Karangasem-Mataram. Het Balische vorstenbewind bestuurde zowel het eigen gebied op Bali als het gehele eiland Lombok. Eind 19e eeuw was dit geslacht van radja's(vorsten) op het toppunt van hun macht. Zij bouwden paleizen en tempels op beide eilanden. Er bestonden spanningen tussen de oorspronkelijke moslimbevolking op Lombok, de Sasaks en de hindoeistische radja's van Bali. Vooral het autocratische bewind van de Balische vorsten leidde tot opstanden op Lombok. Bestuur en belastingheffing waren in handen van deze vorsten. In de jaren negentig brak op Lombok een opstand uit tegen de op Lombok regerende Balinese vorsten. Vooral de vorst Anak Agoeng Madé was berucht om zijn wreedheden t.o.v. de plaatselijke bevolking, de Sasaks. Batavia werd door enkele Sasaks voormannen gevraagd om hulp tegen hun Balinese onderdrukkers en dan vooral hulp voor de strijd tegen de vorst Anak Agoeng Madé. In deze periode was het zo dat de Balinese radja van Lombok leenheer was van de vorsten op Bali en verschillende Balinese leenmannen kwamen vanuit Bali hun leenheer op Lombok te hulp. Een gecompliceerde situatie en dat dus midden in de niet zo succesvol verlopende eerste Atjeh pacificaties. Er ontstond een hele diskussie : wel ingrijpen of niet, of misschien toch wel....De nieuwe gouverneur-generaal van der Wijck hakte de knoop door : we doen het wel en dus landde in maart 1894 een expeditieleger o.l.v. generaal Vetter op de kust van Lombok.

 Landing_Ampenan

   Invasie op Lombok aan het strand bij Ampenan

Tijdens de opmars naar Mataram pleegde de Balinese vorst Anak Agoeng Madé, die de Sasaks bevolking het meest had onderdrukt, zelfmoord en dus was eigenlijk de directe aanleiding verdwenen. De verdere onderhandelingen met de Balinese radja van Lombok liepen ogenschijnlijk voorspoedig, want de overmacht van de Nederlandse koloniale troepen was natuurlijk overweldigend.  Radja_van_Lombok

 

 

 

 

 

 

   

     Radja van Lombok

Ook de uit Bali overgekomen hulptroepen wisten, dat zij militair t.o.v de Nederlanders niets voorstelden. Maar, zoals gebruikelijk in die dagen, moesten nog wel alle kosten van de invasie worden betaald. De kosten van deze expeditie werden geschat op één miljoen gulden : voor die tijd en natuurlijk speciaal voor de Balinese radja, een krankzinnig hoog bedrag. In de loop van de maand augustus was echter al een kwart bijeen gebracht. Generaal Vetter legerde in deze periode zijn troepen verdeeld over het eiland. En toen ging het mis. De Balische vorsten kregen het (terechte) vermoeden dat, na betaling van de opgelegde schatting, de Nederlanders wel eens niet zouden kunnen vertrekken en dat op zijn minst nieuwe eisen zouden worden gesteld. Langzamerhand brak het besef door dat het Sasakse verzoek om hulp alleen maar had gediend als aanleiding voor Batavia om eindelijk heel Lombok te 'pacificeren', ook zij wisten natuurlijk wat er in Atjeh gaande was. Men besloot zich tot het uiterste te verzetten .En dus gebeurde het dat plotseling op een nacht de Nederlandse troepen, zonder waarschuwing vooraf, werden aangevallen : er vielen bijna 100 doden (w.o. de Generaal-Majoor van der Ham) en ruim 250 gewonden : de grootste nederlaag die de Nederlandse koloniale troepen tot nu toe in de 19e eeuw hadden geleden.

           hampt

Generaal-majoor P.P.M. van der Ham, gedood op Lombok 26 augustus 1894

Ook de reeds verkregen oorlogsschatting waren de Nederlanders weer kwijt. M.b.v. vers aangevoerde troepen werd Lombok, met meer dan grof geweld, gepacificeerd, want kostte wat het kost, het verraad van Lombok moest worden gebroken. De verwoestingen waren enorm : eerst werd alles tussen Ampenan en Mataram door de artillerie kapot geschoten en vervolgens werd dat wat er nog overbleef, nagenoeg met de grond gelijk gemaakt. Van zowel Ampenan als Mataram, bleef nauwelijks iets over. De verwoestingen waren zo grondig dat sommigen in de pers zich afvroegen "wat heeft het voor zin om alles zo te vernietigen, waarover men later gezag wil uitoefenen ?" Ook op Lombok werden de slachtoffers onder de bevolking nauwelijks geteld, want "het verzet moest worden gebroken". Toch werd er nog geaarzeld om Tjakranegara, waar de radja woonde, aan te vallen. Men wachtte totdat er bijna 10.000 man waren : alles tussen Mataram en Tjakranegara werd omgehakt c.q. afgebroken : de artillerie wilde een vrij schootsveld hebben. De radja stuurde een smeekbrief, daarop werd, op direct bevel van G.G van der Wijck, door Generaal Vetter geantwoord met granaten. De radja betoogde dat hij niets wist van de nachtelijke aanval op de Nederlanders, hij had toch niet voor niets al zoveel geld betaald ? Het mocht allemaal niet baten. Tjakranegara werd massaal bestormd en veroverd, de radja wist te ontvluchten en gaf zich later over en werd verbannen naar Batavia.

 

                            De bestorming van Tjakranegara

De laatste overgebleven vorsten pleegden zelfmoord via een Perang Poepoetan: mannen, vrouwen en kinderen stortten zich in witte kleren op de verbaasd toekijkende en continu schietende Nederlanders. Een van de vele Poepoetans tijdens de pacificaties in de 19e eeuw. Tijdens de 'akties' werd door de Nederlanders op Lombok een grote buit veroverd : zilveren en gouden sieraden en wapens : de zogenaamde schatten van Lombok. De schatten van Lombok werden jarenlang tentoongesteld in het Rijksmuseum in Amsterdam. Een gedeelte werd omgesmolten (!), pas in 1977 werd het grootste deel teruggeschonken aan Indonesië en een gedeelte bleef achter in Nederland en ligt nog steeds, naar men zegt, opgeslagen in de kluizen van de Nederlandse bank.

Uit de twee biografieën van Hendrik Colijn, die bij de invasie op Lombok heeft meegestreden, blijkt hoe men vroeger en tegenwoordig dacht over de oorlogen in Nederlandsch Indië. Het is interessant hoe de tijdgeest sterk is veranderd. Allereerst geef ik enkele citaten  uit de levensschets van Hendrik Colijn geschreven door Rullmann in 1933.  Hieruit blijkt hoe men in die tijd stond tegen over de krijgsverrichtingen van Colijn. De toon is, zoals we later zullen zien in de biografie van Herman Langeveld geschreven 65 jaar later in 1998  wel geheel anders dan die van Rullmann.

Rullmann pagina 12 "November 1894 werd hij geroepen deel te nemen aan de bekende Lombok-expeditie. Op den 18den van die maand, bij de bestorming van Tjakra Negara, onderging hij den vuurdoop. Zijn militaire bekwaamheden werden toen erkend met het ridderkruis 4e klasse van de Militaire Willemsorde, omdat zijn afdeeling van de Noordelijke troepen het eerst was doorgedrongen in de poeri van den vorst, gelijk de afdeeling van luitenant Van der Heyden bij de Zuidelijken.
In 1895 nam hij, op zijn verzoek overgeplaatst naar Atjeh, deel aan de krijgsverrichtingen in dat gewest. In datzelfde jaar noopte een ernstige ziekte hem naar Java terug te keeren. Maar na herstel daarvan vertrok hij met bekwamen spoed weer naar Atjeh en onderscheidde zich buitengewoon in de krijgsverrichtingen tegen Toekoe Oemar. Krijgsmakkers van Colijn uit die dagen hebben verklaard, dat hij een schitterend soldaat was, onverschrokken, koelbloedig, vasthoudend, onvermoeid, beslist, humaan tegenover den overwonnen en onderworpen inlander en goed voor zijn soldaten. Eens zag hij een gewonden soldaat in de wildernis halfdood liggen. Hij ging niet, gelijk de priester en de leviet, tegenover hem voorbij, maar kwam als de barmhartige Samaritaan tot hem, verbond zijn wonden, en droeg hem 2 uur ver naar het naastbij gelegen bivak ter verpleging. In 1925 heeft hij dien ouden strijdmakker nog eens ontmoet"..

De citaten uit de biografie van Colijn van Herman Langeveld in 1998 geven wel een heel ander beeld over Hendrik Colijn tijdens zijn krijgsverrichtingen in Lombok.

Langeveld p. 57-61:   "Colijn die ingedeeld was bij de derde compagnie, onder leiding van kapitein C.F. van den Ende schreef over deze zelfmoord het volgende aan zijn resp. zijn vrouw en ouders : 24 november 1894 'Ik heb er een gezien die, met een kind van ongeveer 1/2 jaar op den linkerarm, en een lange lans in de rechterhand op ons aanstormde. Een kogel van ons doodde moeder en kind.' Dan volgt een onheilspellende zin, gevolgd door een volledige beschrijving van het onheil. 'We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb 9 vrouwen en 3 kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar 't kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten. 't Was een verschrikkelijk werk. Ik zal er maar over eindigen.' (In een ander handschrift - zo goed als zeker dat van Colijns vrouw in de marge :"Hoe vreeselijk!").

In de brief (17 december 1894) aan zijn ouders gaf Colijn een iets andere beschrijving van deze gruweldaden. 'Zelfs jonge, schoone vrouwen met zuigelingen op den arm streden mee en wierpen uit de daken stukken lood op ons, terwijl anderen zelfs de lans hanteerden. Gelukkig stonden mijn dappere Amboneezen als een muur. Na den 8en aanval bleven nog eenige weinigen over, die genade vroegen, ik geloof 13. De soldaten keken mij vragend aan. Een 30-tal mijner manschappen was dood of gewond. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Eenige hartverscheurende kreten klonken en toen ik mij weer omdraaide waren ook die 13 dood.
Hiervoor is reeds de grotere betrouwbaarheid van de brief aan zijn vrouw ten opzichte van die aan zijn ouders aangetoond, maar zelfs als deze laatste lezing de juiste is en Colijn geen expliciet bevel tot doden gegeven zou hebben, dan nog was hij als bevelvoerend officier ten volle verantwoordelijk voor het executeren van vrouwen en kinderen die om genade smeekten.

De vraag rijst hoe Colijn een dergelijke handelwijze voor zichzelf gerechtvaardigd heeft. In de geciteerde passages zit iets van een rechtvaardiging, namelijk daar waar Colijn vermeldt dat een dertigtal van zijn mannen gedood of gewond was. Het is natuurlijk een uiterst primitieve en harteloze redenering, maar iets dergelijks bleek ook toen Colijn, de balans van de gevechten opmakend, van tot honderd vijf door zijn compagnie gedode Baliërs, onder wie zestien vrouwen. 'Ik verloor echter 1 officier, wiens vrouw in diepe droefheid eerstdaags de geboorte van een kleine tegemoet ziet'. (brief aan zijn ouders van 17 december 1894). Het heeft iets van tegen elkaar wegstrepen: één gedode officier met een vrouw die in verwachting is rechtvaardigt zestien gedode vrouwen.

Het vraagstuk heeft echter nog een andere dimensie. Bestond er voor Colijn geen tegenstelling tussen zijn christelijke levensovertuiging en de door hem gevolgde handelwijze? Leverde die geen conflict op met zijn door het christendom gevormde geweten? Daarvan blijkt in deze brieven niets, wat overigens niet wil zeggen dat het godsdienstig element er geheel in ontbreekt. Aan zijn vrouw schreef hij: 'Danken we, mijn lieveling, den Heere onzen God voor zijne weldaden en zegeningen. Hij heeft ons in de ure des gevaars bewaard. Zij hij ons ook verder nu nabij!' (brief van 23 november 1894).  En aan zijn ouders: 'Ik gaf mijn leven in de hand van Hem, die alom regeert en ik dankte den Heere voor 't geluk, dat hij mij gegeven had in mijn vrouwtje.'(brief 17 december 1894). Maar van de genoemde tegenstelling lijkt Colijn zich in het geheel niet bewust geweest te zijn. Blijkbaar achtte hij de christelijke ethiek niet van toepassing op het terrein van de oorlog. Anders gezegd: in de oorlog was volgens Colijn alles geoorloofd. '[ ... ] in den oorlog kan men geen jonge juffrouwen gebruiken. Voor de ijzeren wet der noodzakelijkheid zwijgt alles'. (brief van 17 december)

Toch is de conclusie dat Colijn in 'de oorlog' alles geoorloofd achtte, waarschijnlijk te globaal, omdat daarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen koloniale oorlogen en oorlogen tussen westerse, zo men wil christelijke naties onderling. Vooropgesteld moet worden dat een dergelijk onderscheid in de uitlatingen van Colijn zelf niet voorkomt. Dat wil echter nog niet zeggen dat hetgeen rol heeft gespeeld, want het kan zeer wel onderdeel uitgemaakt hebben van de 'unspoken assumptions', de onuitgesproken veronderstellingen, van zijn tijd. In het algemeen werd de tijd van het moderne imperialisme gekenmerkt door westers of blank superioriteitsgevoel. Ook zonder dat er van geprononceerd rasdenken sprake hoefde te zijn, kon dit er gemakkelijk toe leiden dat het leven van een niet-blanke minder waard geacht werd dan dat van een blanke. Het moderne imperialisme als zodanig ging uit van een 'recht' dat Europa zou hebben om de Derde Wereld in bezit te nemen; als de inheemse bevolking zich daar dan tegen verzette, had zij haar ondergang aan zichzelf te wijten. Zonder dat dergelijke redeneringen bij Colijn aanwijsbaar zijn, hebben zij, waarschijnlijk eerder onbewust dan bewust, mede zijn optreden op Lombok bepaald. Een zijdelingse aanwijzing voor dit soort redeneringen in verband met de Lombokexpeditie is te vinden in het boek van Cool uit 1896, dat achterin wel een lijst van 'Europese' gesneuvelde officieren en minderen heeft, maar daarbij in een noot slechts vermeldt: 'Over de opgave van de [gesneuvelde] niet-Europese mindere militairen kon niet beschikt worden.'. En dat gold dan nog de 'eigen' soldaten".

Einde citaten uit de biografie van Colijn door Herman Langeveld

Colijn kreeg voor zijn heldendaden het ridderschap van de militaire Willemsorde 4e klasse.

Langeveld, pagina 78:  In zijn Atjeh-brieven in De Nederlander ging Colijn niet in op de vraag naar de rechtmatigheid van de Nederlandse oorlog tegen Atjeh; impliciet blijkt wel dat hij hier geen probleem zag. In een brief van juli 1896 aan Van der Veen, antirevolutionair als hijzelf, voelde hij zich gedrongen wel nadrukkelijk bij die vraag stil te staan. Hij achtte deze van beslissende betekenis. 'Is de oorlog noodig en billijk, dan zij er ook oorlog, oorlog, oorlog! Men breke dan met elk half-systeem. Is de oorlog onbillijk, men verlate Atjeh!' Colijn kwam nu tot de conclusie dat de Atjeh-oorlog  'in oorsprong rechtvaardig' was. De antirevolutionaire pers, die blijkbaar nog steeds het tegendeel verkondigde dwaalde zijns inziens 'grovelijk', waarbij hij verwees naar het  dat van Kuyper afwijkende standpunt van Elout van Soeterwoude. Colijn had zich dus terdege verdiept in de geschiedenis van het antirevolutionaire standpunt inzake de Atjeh-oorlog, en dacht van mening te verschillen met de almachtige partijleider Kuyper. Het zou tot 1904 duren voor hij in de gelegenheid was Kuyper in een persoonlijk gesprek zijn zienswijze te ontvouwen.

3. Herinneringen van Hendrik de Booy over zijn deelname aan de derde Atjeh oorlog van 1893-1895

Luitenant ter Zee der 2e klasse Hendrik de Booy oud 26 jaar in Atjeh

In januari 1893 ontving onze Marine bericht dat het bekende bendehoofd Nja Makam ( later tijdens de vierde Atjeh oorlog zal hij sneuvelen) voornemens was vijandelijkheden te plegen in de residentie Oostkust van Sumatra en wel in het bijzonder bij de rivier van Tamiang waaraan onze post Seroeway gelegen was. Marine en Landmacht namen krachtige maatregelen om daartegen op te treden. Het werd een belangrijke onderneming. Wij hadden een aantal flottielje vaartuigen aan de kust waarvan verscheidene naar de rivier Tamiang kwamen voor het vormen van een divisie gewapende sloepen en een landingsdivisie onder bevel van den luitenant ter zee 1e klasse D. A. Mensert. De "Koerier" werd ook aangewezen,  gewapend met licht geschut. Het nautische deel van onze macht was in zijn geheel onder bevel van overste van den Pauvert. Er moesten versperringen in de rivier opgeruimd worden, bentengs worden veroverd en het geschiedde.

 

                 Benteng (vesting)

Ook de Landmacht gaf haar deel en vervulde haar taak. Over overste van den Pauvert, die zich voor deze gelegenheid had gewapend met een Japans zwaard van grote afmeting  was een verhaal in omloop dat hij, zich bevindende aan boord van de "Koerier" toen hem werd gerapporteerd "versperring vooruit", de ontvangst van dit bericht erkende met de woorden: "dank U, waarschuw wanneer wij ‘m dwars hebben". Wat er geschiedde, het staat alles beschreven in de Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915 in 2 gedeelten door W. J. Cohen Stuart , dat ik leende van de heer Cox, directeur van het Historisch Scheepvaartkundig Museum ( Uit dit boek heb ik reeds de belangrijks passages betreffende de krijgsverrichtingen die mijn grootvader in 1893-1895 heeft meegemaakt geciteerd). Nja Makam en zijn volgelingen hadden een nederlaag geleden, maar een toestand van rust en veiligheid was niet bereikt. Uit het bovenstaande zal blijken waarom ik Mensert, mijn 1e officier aan boord "Matador"en "Panter" bij mijn opname in het hospitaal te Weltevreden daar aantrof. De verwonding welke hij ontving waarbij de kogel tot de hersenen doordrong betekende voor hem verlies van een oog. Hij ontving de hoge onderscheiding te worden benoemd tot Ridder van de Militaire Willemsorde.

Mijn bestemming was op 31 mei 1893 mij te bevinden aan boord van het ramtorenschip" Koning der Nederlanden", Stationsschip van de Zeemacht op de kust van Atjeh, liggende ter reede van Olehleh. Hier bevond ik mij dus op de plaats waar in 1873 de eerste expeditie landde onder generaal Köhler, en nabij die waar generaal van Swieten landde voor de tweede expeditie in 1874.

Het landingshoofd Oleh-Leh en het strand in 1893

 De Kraton was door ons genomen. De Missigit ((Moskee) werd door ons herbouwd. In 1884 kwam de geconcentreerde postenstelling tot stand. Het huis van Teukoe Ne Radja Moeda Setia, hoofd van de grote Moekim, die gedurende de 1ste en 2de expeditie onze zijde had gekozen en ons herhaaldelijk goede raad had gegeven zagen we dichtbij. Ook konden wij wijzen op de Atjeh tram. (...) Het zou niet lang meer duren namelijk minder dan 2 maanden na mijn komst als zou blijken of wederom zou blijken, dat Atjeh nog niet tot rust gekomen gebied geworden was. Op 20 juli 1893 namelijk was de stoomsloep van Hr Ms "Madura" nabij Diamant punt op brandwacht toen lichtsignalen onder de wal werden gezien. Met den dag zag men top van "Madura" de twee masten van een op het strand zittend stoomschip dat bleek te zijn de "Rayah Kongsie Atjeh" varende onder Nederlandsche vlag. Aan boord vond men een bloedbad, slechts twee van de europese machinisten, die zich hadden schuil gehouden, waren ontkomen. Tenslotte bleek, dat vijf Atjehers, die te Lhos Seumawè aan boord waren gekomen, nadat de controlerende politie-oppasser van boord was gegaan en die rentjongs (Atjehse kris)  in hun kussen verborgen hadden meegebracht gedurende de vaart den Engelschen kapitein, die op de brug lag te slapen, dodelijk verwond en den wachthebbende stuurman gedood hadden. Daarna hadden zij de bemanning en de passagiers, voor zo ver deze zich verzetten hetzelfde lot doen ondergaan en het schip den wal opgestuurd, zodat het ten 9.30 's avonds even benoorden de Koela belas aan den grond liep. Daarna hadden zij met de drie sloepen de geldkist, de post , 2 Snider geweren en al wat zij geroofd hadden, benevens 4 Atjehers als gevangenen en 5 vrouwen aan wal gebracht. Toen de rovers tegen middernacht van boord waren gegaan, waren de machinisten te voorschijn gekomen en hadden enige vuurpijlen afgestoken. De bemanning van de "Madura"vond 24 lijken van passagiers en 12 gewonden; het bleek voorts dat 18 personen verdronken waren bij een poging om met de nog overgebleven sloep, die lek was, het schip te verlaten. De "Madura"nam maatregelen om het schip te bewaken en te beletten, dat het verder op den wal zou slaan, begroef de doden en verbonden de gewonden. Op de 25ste juli Juli sleepte de "Sindow" het schip vlot en werd het daarna met bewaking van de Marine aan boord onder geleide van het gouverments-stoomschip "Havik" naar Penang gebracht en overhandigd aan de eigenaars.(mijn grootvader heeft deze gebeurtenis geput uit het reeds genoemde  werk van de gepensioneerd kapitein ter zee, oud- Minister van Marine W.J.Cohen Stuart )

Op 17 november 1893 heeft kapitein ter zee F.J. Stokhuyzen het bevel over de Zeemacht in de wateren van Atjeh overgegeven aan den kapitein ter zee F.K. Engelbracht. Door  mijn plaatsing aan boord  "Batavia"heb ik van die overdracht niets gemerkt. Op 28 december 1893 heeft een zestal sloepen van "Merapi"en "Batavia op verzoek van het Binnenlandsch Bestuur de rivier  van Modjopahit opgevaren  waar de controleur van Idi werd aangetroffen, die met een bevolkings patrouille daarheen was opgerukt. Blijkbaar was enig machtsvertoon gewenst (..) In 1893 kwam op last van onze Regering het beroemde werk van Dr Snouck Hurgronje uit. De schrijver was van 1992-1893 in Atjeh teneinde over den politieke toestand van advies te dienen. Hij raadde nergens met den vijand te onderhandelen, hem alleen te slaan en nooit de gelegenheid geven zich te herstellen. Sinds een tiental jaren had het bendehoofd Teukoe Oemar het ons lastig gemaakt. Hij had door zijn persoonlijkheid op vele Atjehers invloed en hiervan wilde de toenmalige Gouverneur partij trekken door, na zijn onderwerping hem zijn vertrouwen schenken. Deze Teukoe werd Atjehs generaal in onze dienst, toegerust met onze wapens en voorzien van ons geld tot het onderhouden van een kleine legerafdeling. Een centraal , krachtig inlands gezag hebben wij in Atjeh nooit gekend. Oelemas hielden door hartstochtelijke zendbrieven den oorlogsgeest bij d bevolking wakker. Onder die oelamas ((godsdienstige leiders) was die in Atjeh steeds als autoriteit golden op het gebied van den godsdienst, die Teukoe werden genoemd was Tjèh Thanam di Tirò, een der ijverigste. Ik geef hier de vertaling van een van zijn zendbrieven.

"In handen te stellen van Teukoe Lamreng en Panglima II Moekins en Lamkapang en alle Moslims tot aan Lamthoes en Lampoelan. Laat deze op iedere plaats goed bekende brief niet verloren gaan. Wie hem doet verdwijnen wachte zich voor ongeluk Zo Allah wil!"
Lof zij Allah!
Van fakir, die op hulp hoopt van Allah, den Almachtige. Moge hij dezen brief doen geworden aan alle Moslimse broeders in de kampongs die door de Hollanders, de vervloekten, zijn overweldigd. Zo Allah de Verhevene wil en door zijn bestuur en Zijne kracht zullen deze en alle andere gelovigen nog overwonnen en wij Moslims door Hem ondersteund worden, zoals Allah, de Verhevene, heeft beloofd. En geopenbaard is het teeken der overwinning door het terugtrekken der ongelovigen. Hoevele sterke stellingen hebben de Moslims genomen, hoevele sterke wapenen reeds buitgemaakt. En om deze reden vermeerdert hunne volharding. De zekerheid dat de Moslims moedig zijn vermeerdert de vrees, de schuwheid en de kommer der ongelovigen en renegaten. Een duidelijk teken daarvan is, dat door paggers omgeven versterkingen willen maken en wachten plaatsen van Lam Bengkos tot aan Lambara, vandaar tot aan Geutapan Doea em Peukan Badas tot aan Koeala Tjangkool. Doch meer openbaar is het bewijs van hun kommer daar zij den vrede, van ons, Moslims, afvragen en Teukoe Basét opgedragen is geworden te verzoeken het geweervuur tussen Amagaloeng en Lambaro gedurende 15 dagen te staken. Allah! Allah! Gij lieden, onze broeders, die gevestigd zijt onder het bestuur der ongelovigen, wij zouden wensen, dat de ongelovigen en renegaten nog meer bevreesd werden. De Imam Mahdi heeft zich reeds in de Soedan en Egypte geopenbaard en hij beoorlogt die landen.(De mahdi is een persoon van wie in sommige islamitische stromingen verwacht wordt dat hij volgens profetieën aan het einde van de tijden komt. De komst van de mahdi is het belangrijkste dat er op de dag des oordeels zal gebeuren).  Hoevele rijken hebben zich reeds aan hem onderworpen en hoevele millioenen ongelovigen en renegaten zijn reeds door de de krijgers van den Mahdi gedood. Aldus het is het ware en duidelijke bericht dat reeds alom bekend is te Mekka en te Constantinopel en in Engeland en dat ook voorkomt in de overleveringen en verhalen van de vrienden des Profeet en de uitspraken der schriftgeleerden. inderdaad zal een heilige uit één der kleinzonen, afstammelingen van den Profeet geboren worden ten tijde der verwarring in goddeloze landen, die de goddelijke wet verwerpen waar nieuwe ketterijen het hoofd opsteken. Die tijd is nu aangebroken. Allen die zich aan de zijde der gelovigen scharen, die onze broeders in de Godsdienst zijn, wilt toch den Godsdienst verheffen, het Goede doen en het Kwade nalaten en de ongelovigen bestrijden, zij zijn de vijanden van Allah, den Verhevene en  de vijanden van ons, Moslims. Ook worden door U bestraft de afvalligen met duidelijke tekenen en bewijzen, terwijl gij lieden moet overleggen en beraadslagen om den godsdienst bij de renegaten versterken door ongelovigen te doden, hunne goederen te roven, bij hun te plunderen, hen te beliegen en te bedriegen en te verschalken, zoveel als in uw vermogen is, opdat gijlieden werkelijk volgens de Islamietischen Godsdienst onze broeders wordt terwijl het U hiernamaals niet als zonden zal worden aangerekend. De ongelovigen, zoals Allah wil, overwonnen en verdreven worden, zoals de heer, de Verhevene. heeft beloofd. Twijfelt gij lieden niet, wie twijfelt is niet de broeder van de Moslims. Inderdaad van den afvallige staat geschreven: Zij dragen U een kwaad hart toe en door Allah en den Profeet is ons opgedragen hen te belagen en ons te bestendigen, terwijl wij zullen gesteund worden door de kracht des Profeets, onzen voorganger Mohammed denalwetende Profeet, aan wien en aan wiens vrienden Allah barmhartigheid schonk.
16 Rabiak Achin 1302  (Adòë Mòslöt)  Deze brief is geschreven na de concentratielinie werd ingesteld in 1884.

(Bij het lezen van deze brief zou men kunnen denken dat zij geschreven is door de tegenwoordige Jihadstrijders)

In het boek van mijn grootvader is een pas voor een vissersvaartuig dat hij voor 40 gulden kocht van de Atjeher Masiad, zie hieronder

Pas voor vissersvaartuig dat mijn grootvader van de Atjeher Masiad voor f 40 gulden had gekocht

Ik vervolg weer met passages uit het boek met de herinneringen van mijn grootvader:

Wanneer ik nu, na zovele jaren, terugdenk aan de omstandigheden waaronder wij leefden aan boord van een klein schip dat meestal ten anker lag voor de kust van het ons als regel vijandige Atjeh, dan moet ik constateren dat wij tevreden waren, in weerwil van de warmte in de kleine hut en de aanwezigheid van kakkerlakken, die zich des nachts te goed deden aan vocht dat zij vonden in de mondhoeken van den slapende zeeman. Soms moest zo een slapende man de kooi (het bed) voor vier uur verlaten en in dien tijd zorgdragen voor de veiligheid van de een honderd en vier mensen, waarvan de meerderheid slapende was en ieder zijn eigen dromen droomde en een minderheid, gewapende aan dek in wakende staat, een marinier met geladen geweer op de brug de wacht hield. En lag ons scheepje niet ver van een post van de Landmacht, die last ondervond van nachtelijke beschietingen door den vijand, dan gebeurde het dat op verzoek van de Commandant van die Post, het op zijn station voor anker liggende schip elk uur van de nacht een schot loste met een der kanonnen van 12 cm, op de kampong waartoe de mensen behoorden, die de nachtelijke beschietingen voerde. Ik denk nu aan de Post Sigli op de Noordkust. Wij brachten een bezoek aan deze Post en werden door de Commandant op de hoogte gesteld van de nachtelijke beschietingen door volk van de kampong Lho Soekoen, waarna de regeling tot stand kwam van de nachtelijke beschieting van elk uur een projectiel van 12 cm op de genoemde kampong. De post Sigli had een hoge, ijzeren uitkijktoren. Ik vroeg den commandant van de post Sigli mij toe te staan den toren te beklimmen, wat hij toestond maar, voegde hij er aan toe: "u moet het mij niet kwalijk nemen als ze op u schieten terwijl U naar boven klimt". Een ijzeren trap voerde naar boven, boven was men beschut. Naar boven klimmende hoorde ik beneden mij een geluid, zoiets als ' klets' van ijzer op ijzer, dat op mij de indruk maakte, dat ik was beschoten. Bij het afdalen heb ik het niet gehoord. Ik heb omtrent de nachtelijk paraatheid van ons schip nog niet medegedeeld, dat volgens een vaststaande regel de stoomsloep met een gewapende bemanning op brandwacht voer. Hoelang de brandwachtsloep uitbleef herinner ik mij niet meer. Wel herinner ik mij dat een lid der bemanning zorgde voor een zeer op prijs gestelde  kop koffie waarbij naar ik geloof een primus dienst deed. Ik zal nu nog herinneringen opschrijven zonder precies dat te vermelden maar wel met de wetenschap dat ze verband hebben met de "Batavia" en gebeurtenissen welke plaatsvonden in 1893 en wel een tweede tocht met gewapende sloepen naar de bovenloop van de rivier van Tamiang. Deze rivier heeft haar bestaan te danken aan twee andere machtige rivieren, de Simpang kanan en de Simpang kiri (kanan en kiri zijn maleise woorden en betekenen rechts en links). Na vereniging van die twee rivieren heet de rivier verder Tamiang en valt in Noordoostelijke richting stromende in de straat van Malakka. Ik heb reeds verteld dat wij - de Hollanders - den Atjehsen bendeleider der Nja Makan een ernstige nederlaag hadden bezorgd. Toch kon de streek waar hij zich ophield niet als kalm worden beschouwd zoals uit berichten bleek. De "Koerier" bevond zich nog daar in de bovenloop van de Tamiang rivier met haar flinke commandant luitenant ter zee 2e klasse J.F.B.van Dijk en op het zelfde schip  bevond zich ook de commandant van de gehele expeditie de overste H van den Pauvert, met zijn japanse slagzwaard.

 

De Koerier""  voor de expeditie Tamiang 1893 bevorderd en in staat gebracht tot krijgsverrichtingen. De beschermde marsen zijn voorzien van snelvuur kanonnen tot krijgsverrichtingen.

Nu werd weder een nieuwe sloepen flottielje gevormd met de bedoeling dat die gewenst zou blijken, aan den wal zou optreden. De "Batavia" zou gewapende sloepen leveren en niet alleen de "Batavia", maar ook verscheidende andere schepen en ik zou commandant zijn van één van die sloepen. Verscheidende schepen leverden ook één of twee sloepen door en begeleid en gesleept door stoomsloepen en stoombarkassen verzamelden wij ons tot een sloepenmacht, waarvan ieder sloepscommandant zijn best had gedaan bemanning en commandant op de beste wijze doormiddel, van kooien (hangmatten compleet) te beschermen tegen geweervuur van den vijand.

Gewapende sloepen op de rivier Tamiang. De tocht vond plaats van  9 t/m 12 november 1893

Op mijn plaats achteruit had ik den indruk in Abrahams schoot te verkeren. Zo bereikten wij dan Seroeway op den eersten dag, een sterke Hollandse post aan de rechteroever van de rivier. Ik had in mijn hut aan boord  een briefje achtergelaten, waarop vermeld stond wat ik zou wensen dat met mijn eigendommen zou geschieden ingeval ik zou sneuvelen. In Seroeway sliepen wij aan den wal, wat niet et letterlijk moet worden opgevat daar slapen bijna onmogelijk werd gemaakt door de talloze muskieten, die zich verheugden in onze aanwezigheid. Den volgende dag vervolgden wij onze tocht. De stemming was best. Zo waren wij nu op die machtige stroom tussen twee dichte oerwouden. Soms liet ik, als  gelegenheid ons te beschieten mij voor den vijand gunstig scheen  mijn bemanning gereed zijn om te vuren van achter hun kooien. Maar van een beschieting door den vijand bleek niets en ook wij deden niets. Wij passeren een benting en stelden vast, dat het een verlaten vijandelijke benting was vlak bij de rivier waarin wij nog een oude lilla vonden, welke wij in de rivier wierpen en waarin een vermagerd katje in de benting werd aangetroffen, dat wij een naam gaven ( naam is ergens in die 66 jaren blijven hangen) en meenamen bevorderden tot kat van de "Batavia". Eindelijk bereikten wij de "Koerier"een mooi gezicht die Hollandse vlag op die machtige rivier.(...) Ik herinner mij van het bezoek aan de "Koerier"slechts dat ik, na de overste van den Pauvert met zijn Japanse slagzwaard eerbiedig te hebben begroet een zittende houding te hebben aangenomen, onmiddellijk in een diepe slaap viel, waaruit ik eerst ontwaakte toen men mij mededeelde dat onze gewapende sloepenmacht nog hoger op moest. De ":Koerier" kon niet hoger op wegens haar diepgang en nu zouden wij een kijkje gaan nemen (..) Wij gingen dus verder de rivier op en zagen toen plotseling na het passeren van een bocht een grote hoeveelheid mensen, die zich op een plek bevonden waar geen bomen stonden. Deze mensen waren Atjehers , die geen vijandige houding aannamen. Ik schat het aantal op iets minder dan honderd. Hadden wij vertegenwoordigers van ons Binnenlandsch Bestuur bij ons en kwamen deze in gesprek met  een  aantal van deze Atjehers? Ik heb den indruk behouden dat wij niet voldoende voorzichtig ware. maar er gebeurde niets. De volgende dag vertrokken wij met onze gewapende sloepen voorstrooms naar de schepen, ieder naar zijn eigen schip, wat mij betreft de "Batavia ". En ons katje van die Atjehse benting voelde zich 'senang' onder de  hollandse vlag.

Aantekeningen 1893 van Hendrik de Booy van de expeditie Tamiang rivier:

Wij waren vijf dagen en nachten (met muskieten) afwezig geweest en hadden het een vermoeiende tocht gevonden. Nu konden wij weder genieten van de gemakken welke ons goede scheepje de  "Batavia" ons kon bieden. Zo iets als wat wij in die vijf dagen hadden doorleefd, het was niet zo bijzonder belangrijk maar het was toch een avontuur en zulke avonturen zijn, nu wij geen oostindiesche koloniën beheren dan - (tijdelijk) Nieuw Guinea, niet langer in ons bereik en dat is een gemis en doet ons gevoelen dat wij, wat onze positie onder de naties betreft, zijn gedaald tot van landen als Zwitserland, Denemarken en dergelijke. Maar wij kunnen ons troosten met het feit dat denkbeelden welke behoren bij den tijd waarin wij leven bezig zijn zich te voltrekken en alle naties zullen ondervinden. Later ontving ik een onderscheidingsteken, het ereteken voor krijgsverrichtingen met de gesp Tamiang 1893, ook al waren die krijgsverrichtingen niet belangrijk, toch denk ik gaarne aan dien tijd terug.

Bij mijn komst aan boord van de "Batavia"had onze Commandant mij opgedragen eenmaal in de week te oefenen met het kanon van 18 cm dat op het voorschip stond. In verband met deze opdracht begaf ik mij op zekeren voormiddag naar het voorschip waar het kanon van 18 cm A mij met zijn bemanning van 10 man afwachtte. De exercitie met dit kanon doorlopende, viel het mij op dat bij het vele baksen ( het geschut in de gewenste positie stellen) waarbij verscheidene kampongs schijnbaar onder vuur werden genomen mijn bemanning de zwaarte van het kanon als een groot beletsel ondervond tegen een snel veranderen van vuurrichting. Er werd veel gezucht en weinig vriendelijke namen werden het kanon gegeven terwijl niet de aanwezige lichaamskrachten genoeg werden gebruikt. Ik zeide, dat, al was ik met de bemanning de mening toegedaan dat het kanon een pestbuil is, dit daarvoor niet verantwoordelijk is, zijnde het als zodanig geboren. Beter dan op het kanon te schelden ware het daarom alle kracht aan te wenden. Het baksen ging daarna beter en toen enige weken later den Commandant een oefening kwam bij wonen ging alles best en zeide na afloop. dat hij de oefening met genoegen had bijgewoond.(...)

In maart 1894 werd ik over geplaatst a/b van Hr. Ms. Ramtorenschip "Koning der Nederlanden". Nadat Kapitein ter zee Stokhuyzen op 17 november 1893 het commando over de "Koning" en de in de wateren van Atjeh aanwezige Nederlandse scheepsmacht had overgegeven aan Kapitein ter zee F.K. Engelbrecht had het niet lang geduurd of deze had op het schip waarop wij dienden zijn stempel gedrukt. Het duurde ook niet lang of ik had een naam bedacht, die goed bij hem paste. Deze naam was "Radja Brul", een naam waaronder hij weldra op onze gehele vloot bekend was, en die hij tot zijn dood behield, ja zelfs daarna. Hij was de door allen erkende "radja" op het schip dat "Koning" heette en de toevoeging Brul hield verband met zijn alle scheepsruimten doordringende stem. Bij de overdracht aan hem van het commando over een van onze grote schepen met een bemanning van 300 man zeide hij: "Ik heb van mijn voorganger gehoord, dat gij niet een gemakkelijke bemanning zijt en ook aan de wal wel eens aanleiding geeft tot klachten. Welnu, ik waarschuw u, als daarvan iets blijkt, zal ik u in veertien dagen zó tam maken, dat gij gort komt eten uit mijn hand." Wat hij tot de bemanning zeide werd zeer bewonderd.

Ik persoonlijk herinner mij, in de vroege morgen de wacht hebbende, aan dek geluid te horen van een menselijke stem, komende uit het achterschip, een geluid, aanzwellende tot een geluid dat het best kan worden vergeleken, al heb ik het nog nooit gehoord, met het geluid van de ontwakende leeuw, de koning der dieren. Dan een hofmeester van Europees ras, doodsbleek, die aan dek verschijnt, bedreigd wordende door die menselijke stem met het indraaien met een schroef in, ja waarin, ik weet het niet. Wij noemden zulk een vertoning "réveil du lion" en zorgden er voor een der torens van ons schip tussen onze commandant en ons te hebben als, na de doodsbleke hofmeester, de commandant op het halfdek verscheen. Het gebeurde wel eens, dat ik, op snippenjacht lang in de tropenzon gelopen hebbende, met een paar dagen koorts aan boord terug kwam en dan geen dienst kon doen. Ik was toen 26 jaar. Toen, nadat zo iets had plaats gehad, ik weer onderweg was met het voornemen snippen te schieten en op een afstand van zowat honderd meter van het schip was, hoorde ik mijn naam en, omkijkende, zag ik Radja Brul, staande op het achterschip, die mij toeriep: "denk eraan de Booy, je lichaam hoort niet aan je zelf maar aan het schip. En ik heb: "Jawel commandant" geroepen. Velen aan boord zullen zijn stem gehoord en verstaan en begrepen hebben wat hij zeide. Dat elke opvarende de plicht had mede te werken tot de goede naam van het schip, waarop hij dient en zodoende tot de goede naam van onze marine, was een gedachte die onze commandant gemeengoed wenste en die ook tegenover de Atjeher moest worden geëerbiedigd.

Als er te Kota Radja iets bijzonders gebeurde als de benoeming van een nieuwe, met ons bevriende Radja van Edi, waartoe de generaal Deijkerhoff ons uitnodigde, dan trok ik zelf mijn  mooie bullen aan, lange jas met sabel en epauletten en ging er heen met de tram want in de gouverneurswoning was dan iets te zien, vele Hoofd - en andere Officieren en bevriende Atjehse  hoofden vooral den nieuw te benoemen Radja van Edi  en ook  den sluwen Teukoe Oemar en wij vergaten dan tijdelijk dat wij (de Marine) het getikte blaadje, dat de Gouverneur  ons geregeld toezond, misschien onverdiend, altijd bestempelde met den naam Blauwe Leugen. Wij oordeelden misschien ten onrechte , dat de toestand van rust en veiligheid daarin al te gunstig werd geschilderd. 

Inhuldiging van de nieuwe Radja van Edi. V.l.n r Radja van Edi , x,  Generaal Deijkerhoff (met tafeltje met glazen voor hem), x ,x,Overste Siekens commandant dan 2e van links van de witte pilaar er achter zittende Teukoe Oemar, geheel rechts zittend Luitenant ter zee H. de Booy

Op 19 juli 1894 kwam een eind aan een periode van mijn dienst tijd bij de Marine waaraan ik gaarne terugdenk. Behalve met het gewone clubje bezocht ik ook enige kampongs in de geconcentreerde stelling met Alfred Boissevain (later na het huwelijk van mijn grootvader met Hilda Boissevain zijn zwager) dien ik op het instituut had leren kennen als adelborst van het jongste jaar. Met dit afscheid op 19 juli 1894  van een periode waaraan ik met genoegen terugdenk ben ik te vlug geweest. Immers werd ik op dien datum geplaatst aan boord van H.M. "Benkoelen" welk schip ik eerst op 18 oktober 1895 zou verlaten na 1 jaar en 3 maanden en er is geen reden waarom ik niet met genoegen ook aan dien tijd terugdenk.

De tijd dat mijn grootvader op het schip de "Benkoelen" heeft doorgebracht aan de kustwateren van Atjeh heeft hij weinig krijgsverrichtingen moet doen. Ik laat nog enkele passages uit deze tijd volgen.

H.M. "Benkoelen ", bemanning 77 Europeanen 28 inlanders

Wij doorzochten veel zeilprauwen die beantwoorden aan de voorschriften van de Scheepvaartregeling, waren in station aan Noord - en Oostkust, ik bezocht met een stoombarkas een in het binnenland gevestigde militaire post van het N.I. leger. Volgens mijn herinnering was de `Benkoelen" gedurende den tijd van een jaar en ongeveer drie maanden, de duur van mijn verblijf aan boord vaak aan de westkust, ook aan de Noordkust soms op de rede van Oelee Lheue voor het voorgeschreven bezoek aan het hoofdstation en ook geruimen tijd bezig aan de opname van het eiland Simaloer, een groot eiland aan de Westkust. Ik kan mij echter niet herinneren, wanneer wij aan de Noordkust gestationeerd waren wanneer aan de Westkust waar wij vele malen met de landingsdivisie den wal opgingen ook schijf te schieten en wanneer  wij het eiland Simaloer opnamen.

De landingsdivisie van H.M. "Benkoelen"op Poeloe Rajah, Westkust van Atjeh

De landingsdivisie van H.M. " Benkoelen"versterkt door een deel van de bezetting van de post Lho Theumawe oefenden aan de wal 1895 Geheel links staat ergens luitenant ter zee H. de Booy

Een  gebeurtenis vol spanning was het omslaan van onze vlet in de branding, de landing op een eiland van de bemanning van inbegrip van onze dokter v.d. Sande.  Verder mag niet onvermeld blijven dat de "Benkoelen" werkzaam aan de Westkust, even op een koraal rif stootte . Alles samen genomen, is het voor ons, koloniale mogendheid , een groot verlies, dat wij dit werk zo radicaal hebben moeten opgeven (..)

                                Hospitaal Pantei Perak bij Kota Radja

De photo hierachter (zie bovenstaande foto) stelt het grote militair hospitaal Pantei Perak bij Kota Radja voor waar ik enigen tijd met koorts verpleegd werd. De photo toont vooral den langen middenweg die vertakkingen heeft naar zijwegen rechts en links waaraan de kamers van de verpleegden zich bevinden. Achteruit die kamer keek men op het uitgebreide terrein van de geconcentreerde postenlinie vanwaar geluid van geschutvuur kwam en vooral in de avond van Vrijdag het geluid van godsdienstoefening in de kampongs. Op gewone avonden vaak het gegil van Atjehers. 's Avonds langs de middenweg dwangarbeiders die gestorven patiënten naar het lijkhuis brengen. In het hospitaal een Hoofdofficier van gezondheid ontmoet die (misschien) Rutgers van der Loeff heet en die zegt dat "de Booij "een goed ras is. Ik vind in het hospitaal ook ter Cock , de officier van administratie van de "Flores", die met zijn sloepen langzij "Benkoelen" liggende zware brandwonden heeft gekregen door onachtzaamheid van onze machine kamer, die niet heeft gewaarschuwd dat er zou worden gebreind, waardoor ter Cock dit breinwater, dat naar ik meen 40 graden celcius heeft, over zich heeft gekregen. Voornamelijk armen en benen getroffen..

                                   Werpen van mortier te Lhos Theumawe 1895

Ten anker liggende voor de kust van Atjeh bevindt zich gedurende den nacht steeds een gewapende marinier op de brug. Zijn Beamont geweer is geladen en draagt een sabelbajonet. Wij weten wat wij van den Atjeher kunnen verwachten op een donkeren nacht. Als hij wordt afgelost ontlaadt de afgeloste zijn geweer en neemt de sabelbajonet af. Nu was dat afnemen van de sabelbajonet door den afgeloste marinier wat onhandig geschied want de sabelbajonet viel in zee en wat erger is voor een bekwaam, goed oppassend marinier, vader van driekinderen in Holland, drukt deze zijn gevoelens uit wijzende naar de plek waar zijn sabelbajonet in de zee verdween: "daar leit het pestijzer". Ik maakte dadelijk het plan er over te schrijven aan des mariniers hoogste chef in de wateren van Atjeh doch voor dien brief als briefschrijven te nemen (zonder zijn medeweten) den marinier Middendorp "capitain d'armes "aan boord. H.M. "Benkoelen", een man, beantwoordend , wat zijn karaktertrekken betreft, aan de strengste eisen welke het Korps voorschrijft.

De marinier Middendop, "capitaine d'armes "aan boord H.M. "Benkoelen"op de kust van Atjeh. Hij schreef (zonder zijn medeweten ) een brief met een klacht aan zijn hoogste chef (zie tekst)

Bekendheid met wat er omgaat in het hoofd van den Marinier stelde mij in staat aan dien brief de vereiste vorm een inhoud te geven, ook wanneer dit hoofd staat voor de beoordeling van andere moeilijkheden van het verhinderen van het opschuiven van de stropdas. Hoe die brief luidde, er zijn sedert zestig jaren verlopen en mijn herinneringenvermogen is ontoereikend. Wel herinner ik mij dat een man, die later mijn schoonbroeder werd, dien brief las en gedurende een tijdelijke aanwezigheid aan boord van H.M. " Koning der Nederlanden" mij zeide dat hij er met genoegen van had kennis genomen. Die man was de luitenant ter zee 2 e klasse Abraham van Stockum.( een volle neef van Hendrik de Booy). Wat zou de ontvanger van den brief,  luitenant G. Faassen doen.. Wat hij deed had ik niet verwacht. Hij schreef aan de Commandant van d e "Benkoelen" van Rossum. Wat hij schreef weet ik niet en wist ik zestig jaren geleden ook niet. De heer van Rossum, commandant van H.M."Benkoelen" bezat verscheidene  lofwaardige eigenschappen doch hield niet van zulk soort aardigheden. Wat zou hij doen. Misschien had hij het briefje van G. Faassen, dat waarschijnlijk niet geheel vrij van een geestigheid zal zijn geweest op een dergelijke wijze hebben kunnen beantwoorden maar hij deed het best wat hij kon doen "niet"  en liep een week rond met de gelaatsuitdrukking welke lezer van het leven van Koningin Victoria bekend is, die van "we are not amused".

Daar mijn doel is het opschrijven van herinneringen mag ik geen herinneringen verzwijgen tenzij dit gewenst is. Op en neer wandelen op het half dek met onze commandant (luitenant ter zee 1e klasse J.P. van Rossum en sprekend over koetjes en kalfjes, zeide hij plotseling,  de Booy zeide hij  onze tweede Machinist wil bevorderd worden tot een hogere rang. Volgens de  bepalingen moet hij daarvoor examen afleggen en heb ik besloten U te  belasten met het afnemen van dat examen. Het gaat om  Natuurkunde, wel te weten de beginselen. En wanneer zal dit examen worden afgenomen, vroeg ik "Morgen "antwoordde de  Commandant. De marine is vol verassing.. Het ene ogenblik ben je de gast van een rijke Arabier het volgende sla ik om met een sloep; wat mij altijd treft als ik thuis kom in het ouderlijk huis te Haarlem dat de kruidenier van Veen terwijl ik in grillige lijnen den aardbol heb omcirkeld nog altijd bezig is met het afwegen van een of ander vocht zoals stroop of het afmeten van iets anders als ik uit  de tram, die mij naar huis brengt, hem met de hand groet, want ik ken dien man. Vaak heeft mijn Moeder mij opgedragen, toen ik nog een jongetje was, iets bij Veen te kopen,. maar deze verrassing gaat te ver. Als de Commandant mij in kennis brengt met deze benoeming herinner ik mij niets van de beginselen van Natuurkunde.  Er zal dus een leerboek nodig zijn om het geheugen op te frissen. veel meer dan iemand die her examen afneemt gevoel ik mij als iemand die examen aflegt. Maar ik had dien nacht de Hondenwacht en friste met een leerboek dat ik vond het vroeger geleerde op. Den volgende morgen zat ik met den machinist en de Commandant aan een tafeltje aan dek. De machinist kwam door zijn examen en ik door het mijne.
Mijn tijd dienende in de wateren van Atjeh liep ten einde. Op 18 october 1895 werd ik overgeplaatst in de rol van  H.M "Gedeh", het wachtschip in de haven van Tandjong Priok. Op 2 november melde ik mij aan boord van dit schip na een voorspoedige reis met de Westboot van de K.P.M. Ik nam afscheid van de "Benkoelen" en van mijn vrienden te Oleë Lheuë. In mijn atjehsen tijd had ik veel gelezen in het boek van Snouck Hurgronje en had ik getracht met behulp van de atjehse taal te leren. De gedachte was bij mij opgekomen afscheid te nemen van de  Marine en in dienst te komen bij het Binnenlands Bestuur. Toen het feit dat ik hierover ernstig nadacht en er over sprak met een assistent resident ter ore kwam van mijn ouderen vriend Frits Bauduin, schreef deze mij verscheidende brieven, minstens drie, waarin hij ten sterkste afraadt het plan dat ik heb, uit te voeren onder aanvoering van de grote nadelen en er aan verbonden waartoe dan ook behoort dat ik ten slotte dan zal trouwen met de "snaar" ,die zo trouw voor mij gezorgd heeft.  Hij wijst ook op de nadelen verbonden aan het op mijn leeftijd in dienst komen als controleur. Intussen, begrijpende dat ik bij de overgang naar het binnenlands bestuur zou moeten kunnen  beschikken over de kennis welke door aanstaande controleurs gedurende een studie van een aantal jaren te Leiden is verkregen of over een deel ervan, ben ik begonnen met het lezen van maleise hikajats in arabiesch schrift. Wij ontvingen op het Instituut van de Marine reeds onderricht in die richting van den heer Derx.  Het was mijn plan te Batavia te wenden tot een heer, die Margadant heette en die zonder twijfel bereid zou zijn mijn kennis in het lezen van hikajats te onderzoeken en beoordelen. (Later in Batavia heeft de heer Margadant zijn vaardigheid in het lezen van maleise hikajats in arabisch schrift niet voldoende gevonden wat mijn grootvader niet verwonderde)

       

              H. de Booy in de kleding van een atjees hoofd (oeloebalang)

Op den dag van vertrek besteeg ik de Westboot, aan boord waarvan groet drukte heerste. Er waren vele militairen aan boord en daarbij behorende vrouwen en kinderen. Op het grootluik zat een figuur, dien ik dadelijk herkende als een Atjeher. Hij was met een dun touwtje verbonden aan een politieoppasser, een inlander, die rustig sliep. Vrouwen van militairen brachten den gevangen Atjeher seroetos (inlandse cigaretten) dat hij dankbaar ontving. Ik vroeg hem in de Atjehse taal van waar hij kwam en hij vertelde mij dat hij kwam van de kampong Lho Soekoen bij Sigli; dat Atjehers de boot van het binnenlandsch bestuur, die onder de brug lag in de hollandse benting Sigli hadden geroofd en dat een atjehs oeloebalang de dader had aangewezen en uitgeleverd, echter werd de boot, naar ik meen, een stoomsloep, niet uitgeleverd en ontkende deze atjeher dat hij had deelgenomen aan de roof, maar oeloebalangs zijn en toen volgde een woord, dat waarschijnlijk vertaald in de hollandse taal "smeerlappen" betekent. Sigli is de ons welbekende post, welks militair commandant ons een bezoek bracht en met onze commandant een afspraak maakte welke inhield dat hij hulp nodig hebbende die vuurpijlen zou tonen. Hij zou, het was avond, na terugkomst op zijn Post, ook vuurpijlen omhoog schieten, maar deze zouden dienen om te zien, dat die vuurpijlen goed zichtbaar waren, niet als een verzoek om hulp. De Commandant van Sigli verzocht onzen Commandant de bemanning een extra oorlam te geven schenken en dit verzoek willigde onzen Commandant in.

                    Extra oorlam bij de gelegenheid van het bezoek van de Commandant van Sigli

 Daarna vertrok hij. Wij lichten daarna het anker en gingen onder stoom naar onze plaats door onze commandant opgegeven. Ik had de wacht en onder stoom zijnde stond ik op de brug. Toen zag ik drie vuurpijlen omhoog gaan boven Sigli, wat ik den Commandant rapporteerde, die mij mededeelde dat deze vuurpijlen geen andere betekenis hadden, dan dat ze gezien waren wat wij nog door het oplaten  van een vuurpijl bevestigden.

De Atjeher van het groot luik zeide te behoren tot de kampong Lko Soekoen van waar Sigli vaak beschoten werd en die wij dan beschoten met granaten. Na aankomst in Tandjong Priok gingen al die militairen en ook de Atjeher  van het grootluik van boord. Enige dagen, misschien een week later, te Tandjong Priok geland zijnde met de bedoeling naar Batavia te gaan zag ik een troepje dwangarbeiders op de gebruikelijke wijze  onder geleide  van een inheemse politieoppasser gekleed in een tenue dat hem het voorkomen geeft van een gekleed aapje. Een dun touw omgeeft zijn gehele troepje. De twee einden zijn aan elkaar geknoopt en dan heeft de politieoppasser het in de hand. Een van de dwangarbeiders steekt een arm  in de hoogte . Ik herken hem, al is zijn lange haar geknipt, den Atjeher aan boord van de Westboot. Ik vraag hen naar het oordeel van het binnenlands bestuur en hij zegt mij dat hij 20 jaar dwangarbeid heeft gekregen. Ik herinner mij dat hij er "soesah tehat"aan toevoegde. Toen kwam het troepje in beweging, ik denk naar de pakketboot die een lange reis zal maken naar een plaats in het oosten van ons eilandenrijk. Er waren vele mensen, een van die mensen scheen mij toe ietwat verbaasd te zijn over mijn spreken met een dwangarbeider.. Het was een ambtenaar van het BB een resident of assistent-resident.
 

-----------------------------------------

Voor de expeditie naar de Tamiang rivier van 5-12 november 1893 heeft Hendrik de Booij van de Minister van Marine Jjhr H.W. van der Wijck een oorkonde  gekregen dd 30 november 1894

:
Oorkonde voor Hendrik de Booij, Luitenant ter Zee der 2e Klasse, . ( De naam van de Booij wordt nu terecht met een lange ij geschreven). De tekst van deze oorkonde luidt: De Minister van  Marine,  Gezien het Koninklijk Besluit van den 19 Februari 1869 no 13 waarbij een eerteken is ingesteld voor hen, die deelgenomen hebben aan belangrijke krijgsbedrijven, verklaart dat de Luitenant ter Zee der 2e klasse H. de Booij gerechtigd is tot het dragen van het voormeld eereteken met gesp, hebbende hij als Luitenant ter Zee der 2e Klasse deelgenomen aan de expeditie naar de Tamiang-rivier ( Oostkust van Sumatra) 1893.  's-Gravenhage den 30 november 1894. De Minister voornoemd  Van der Wijck  

Opmerkelijk genoeg  bestaat er een direct verband tussen mijn twee grootvaders, voordat mijn ouders geboren waren. Wat wil namelijk het geval. Zoals we al hebben kunnen lezen waren zij aan boord van de gewapende sloepen, die een verkenningsexpeditie uitvoerden op de bovenloop van de Rivier Tamiang aan de Oostkust van Atjeh. Zowel mijn grootvader Gooszen als mijn grootvader de Booij krijgen  voor deze krijgsverrichtingen een ereteken van de Minister van Marine. Uit de oorkonde, die daarbij werd vergezeld gaat heeft de zelfde tekst voor beide grootsvaders, uiteraard waren de namen van hen op de oorkonde verschillend. De dagtekening was ook het zelfde: 30 november 1994.  De oorkonde was getekend door  Jhr  H.M. van der Wijck, de Minister van Marine. 

Oorkonde voor Antonie Frederik Gooszen, Luitenant ter Zee 2e klasse. De tekst van deze oorkonde is identiek aan die van Antonie Frederik Gooszen. Uiteraard verschilt de naam die bij de oorkonde is ingevuld

4. Vierde Atjeh oorlog 1898-1918

De vierde Atjeh oorlog duurde van 1998-1918. Mijn grootvader is reeds, zoals we al gezien hebben in 1895 uit Atjeh vertrokken Hij is in begin 1900 weer naar Indië teruggekeerd. Hier werd hij benoemd als adjudant van de Gouverneur-generaal W. Rooseboom

.

Willem Rooseboom ,Gouverneur-generaal 1899-1904. Mevrouw Rooseboom-Pit

 Door deze functie was hij indirect op een bepaalde manier betrokken bij deze vierde Atjeh oorlog. Rooseboom was van huis uit een beroepsmilitair.  Bij zijn ontslag uit de militaire dienst in 1899 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal. Roosebooms ontslag hing samen met zijn benoeming tot gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Men mag aannemen, dat deze benoeming het werk is geweest van de minister van Koloniën J.Th. Cremer, die Rooseboom uit de tijd van diens kamerlidmaatschap goed kende. Dat de keuze op een militair viel - voor het eerst in bijna zestig jaar na het overlijden van gouverneur-generaal D.J. de Eerens in 1840 - was op zichzelf niet zo verwonderlijk. De gebrekkige staat van de Indische defensie baarde bij het opdringen van Japan en het verlies van de Philippijnen door Spanje aan de Verenigde Staten grote zorgen. Rooseboom leek de geschikte man om Indië in een betere staat van tegenweer te brengen bij een onverhoopte aanval van een buitenlandse vijand. In de Indische pers vond Roosebooms benoeming echter geen onverdeeld gunstig onthaal, vanwege zijn onbekendheid met Indië waarvoor hij in het verleden nooit enige belangstelling had getoond. Hij volgde in oktober 1899 de Gouverneur-generaal Jhr C.H.A. van der Wijck op. Hij steunde van Heutsz met volle overtuiging in zijn strijd tegen de Atjehers om het Nederlands gezag te vestigen. Als gouverneur-generaal, heeft Rooseboom niet geheel aan de verwachtingen ten opzichte van de door hem te ondernemen reorganisatie van de Indische defensie beantwoord. Met de minister van Koloniën lag hij dikwijls overhoop. Zo bood Rooseboom in december 1903 zijn ontslag aan, omdat hij door gewapend ingrijpen een einde wilde maken aan de in het rijkje Tabanan op Bali bestaande weduwen verbranding, terwijl minister Idenburg van een dergelijk ingrijpen niet wilde weten.

    

Willem Frederik Idenburg , Minister van Oorlog

 Het conflict kon worden bijgelegd doordat de raja van Tabanan zich in het begin van 1904 naar de wensen van de Ned.-Indische regering schikte.(Zoals we later zullen zien, bij de memoires van mijn oom James Marnix de Booy, is het plan van Rooseboom toch uitgevoerd in 1906 toen Bali werd veroverd. Mijn oom heeft als zeeofficier meegedaan met deze verovering). Op 1 oktober 1904 gaf Rooseboom het bestuur over aan zijn opvolger, de pacificator van Atjeh, J.B. van Heutsz.

 

Hendrik de Booij adjudant van de Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië V.r.n.l: H. de Booij, zijn vrouw Hilda, Holle, vrouw van de Gouverneur Generaal Rooseboom-Pit,, Gouverneur-generaal Rooseboom, Regent van Bandoeng, Nederburg, De Lannoy, assistent resident Maurenborcher.

De tuchtiging van de opstandige Atjehers, aan het einde van de derde Atjeh oorlog heeft een onbeschrijfelijke verwoesting aangericht. Groot Atjeh was vrijwel geheel ontvolkt, de bevolking was weggetrokken naar andere gebieden zoals Malakka . Hoe diep de moraal van de troepen was gezonken laat een passage uit het boek van Paul van 't Veer over de Atjeh oorlog zien:

pagina 232: "De mate van verwildering wordt treffend geïllustreerd door een trofee die in 1897 op de achtergalerij van het militair hospitaal te Koetaradja was tentoongesteld. Het was een grote stopfles gevuld met alkohol waarin het opgezwollen hoofd dreef van teukoe Nja Makan. ( over deze man verhaalt mijn grootvader in zijn herinneringen). Deze verzetsleider was in juli 1896 ernstig ziek aangetroffen in kampong Lamnga even buiten de linie. Hij werd op een tandoe gelegd en met zijn gezin naar de colonnecommandant overste Soeters gebracht. Die liet hem van de tandoe gooien en ter plaatse doodschieten. In aanwezigheid van Makans vrouwen en kinderen werd zijn hoofd afgehakt. Kolonel Stemfoort liet het als trofee tentoonstellen. Een niet teerhartige ooggetuige schreef: 'Deze en soortgelijke barbaarsheden hebben de onderwerping en pacificatie van Atjeh niet in de hand gewerkt, tegendeel, zij hebben ons duizenden en duizenden onverzoenlijke vijanden bezorgd.'  (Later kreeg deze Stemfoort de Militaire Willemsorde 3e klasse).

Generaal van Heutsz was de leider van de Pedir expeditie in 1989. Uit Selimoen en Sigli vertrokken twee collones van 75-100 man. Snouck Hurgronje was ook weer van  de partij en had een groot aandeel, samen met van Heutsz, gehad om de voorbereiding van deze expeditie. Hun grootste tegenstander was niet minder dan de Teukoe Oemar, die we al eerder hebben leren kennen.

Bivakfoto Pedir expeditie  olv. generaal van Heutsz. Hij zit achter de tafel links op een stoel. De man uiterst links in de witte jas is Snouck Hurgronje

Op 10 februari 1899 viel het leger het kamp van Teukoe Oemar binnen. Hij had er echter lucht van gekregen en trok op tijd weg en viel met zijn mannen de plaats Meulaboh aan. Er waren nog maar weinig mensen op deze post achter gebleven. Maar van Heutsz had toch rond de post een hinderlaag gelegd met in zijn achterhoofd de gedachte : "Je kunt maar nooit weten". Er ontstond een heftige strijd. De troepen van Oemar raakten in paniek, maar ook de troepen van van Heutsz onder leiding van Verbrugh moesten zich terugtrekken.  De volgende ochtend bleek dat onder de gesneuvelden Teukoe Oemar zelf  en verscheidene van de bekendste panglima's.

  

                    Commandant J. J. Verbrugh

De volgende expeditie, die geleid werd door van Heutsz, is in 1901 tegen de bergstelling Batoe Iliq. In 1880 heeft Generaal van der  Heijden tot driemaal tevergeefs  geprobeerd deze vesting te veroveren. Nu lukt het wel met verlies van 5 doden en 27 gewonden en71 doden aan de kant van de Atjehers.

Van Heutsz bij de aanval op Batè Ilië op 3 februari 1901. Geheel links staat een afdeling infanterie voor dekking van de staf. Achter Van Heutsz v.l.n.r. kolonel Van Dussen, majoor Doorman, kapitein Spruijt, achter de kapitein luitenant Schutstal van Woudenberg en de controleur (inlandse bestuurder) Frijling

Bivak Tripa. De expeditie nam de familie van Panglima Polim in gijzeling en dwong hierdoor Panglima Polim zich over te geven. Colijn omcirkeld.

Door al deze militaire acties werd het verzet van vele feodale hoofden en hun legertjes gebroken. De sultan van Kota Radja en zijn volgelingen waren in 1874 uit hun stad verdreven en gaven zich na een kwart eeuw over op 10 februari 1903. Even later door Panglima Polim, die een grote  rol heeft gespeeld in de guerrilla strijd tegen het Nederlandse gezag.

   

Panglima Polim, de verzetsstrijder die zich in 1903 overgaf aan het Nederlands gezag

De tijd van van Heutsz van 1899 tot 1909 waren de tien bloedigste jaren van alle Atjeh oorlogen. Het toppunt was wel  de expeditie van 8 februari  tot 23 juli 1904, die onder leiding stond van overste G.C.E. Van Dalen. Zijn  rechterhand was 2e luitenant Christoffel. Hij vergezelde van Daalen op de tocht door de Gajo en Atlas gebieden in het zuiden van Atjeh. In de vijf maanden werden 2092 Atjehers gedood tegen 26 doden van de troepen van Van Dalen. Toch werd er maar eigenlijk een tiental  dagen heftig gevochten

Ook hier laat ik van 't Veer in zijn boek Atjeh oorlog over deze expeditie van Van Daalen aan het woord. Op pagina 270 lezen we:

"De  dorpelingen hadden zich met slag- en steekwapens en wat ouderwetse tromplaadgeweren verschanst achter aarden wallen met doornstruiken. Zij waren in geen enkel opzicht partij voor de marechaussees met hun moderne repeteergeweren. De aanvallers konden zich voor   de kampong model opstellen, kregen het signaal Aanvallen en bestormden de aarden wallen. Dat was altijd een hachelijk moment, het enige, en het duurde slechts kort. Zodra de soldaten op de wal stonden, schoten zij systematisch alles neer wat zich daarachter bevond. Soms duurde de schietpartij een kwartier of een half uur, soms duurde het een paar uur eer de kampong veroverd was en de complete bevolking afgemaakt. In één enkel geval duurde het van kwart over negen's morgens tot kwart over vier 's middags. Nimmer gaf iemand zich over. Nimmer dacht Van Daalen aan een andere tactiek dan de totale uitroeiing. Gevangenen kon hij niet maken. Wat had hij met hen moeten doen? Wie had hen moeten bewaken of afvoeren? Tijd voor belegeringen wilde of kon hij niet nemen. Hij had haast. Hij wilde voorbeelden stellen. Zijn tactiek was complete overgave of complete dood. Het werd een moordpartij zonder weerga, waarvan men de foto's zestig jaar na dato niet zonder ontzetting kan bekijken. Van Daalen was allerminst beschaamd over zijn optreden, veeleer trots op zijn succes, hij liet luitenant Neeb na afloop van de bestormingen de stapels lijken fotograferen, de triomfantelijke marechaussees ernaast.

De rechterhand van Van Daalen overtroef zijn baas nog in wreedheid. Van Daalen schreef in zijn verslag, dat Christoffel altijd als eerste begon te schieten en als laatste eindigde en hier had Van Daalen een hekel aan, niet aan dat schieten, maar dat Christoffel al begon voordat hij, Van Daalen, het bevel had gegeven. Na het bevel 'staakt het vuuren' schoot Christoffel met zijn mannen nog altijd even door..Ook van 't Veer weet enkele staaltjes van het optreden van deze luitenant Christoffel te verhalen:

Pagina 266: "De divisie die Christoffel onder zijn commando zelf had mogen samenstellen uit Ambonese, Menadonese en Javaanse veteranen, was dan ook geen gewone marechaussee. Het was 'de colonne mat jan,' de tijgercolonne, waarvan de manschappen als extra-ornament een rode halsdoek droegen. Als men een van de oude brigadecommandanten over die dagen spreekt, schrijft Zentgraaff, 'heft hij afwerend de handen even op; hij wil er niets meer van zeggen.' Een voorbeeld van Christoffels manier van optreden uit andere bron: Hij moest een eind maken aan het opbreken van de trambaan, een der meest voorkomende verzetsdaden. Hij controleerde 's nachts de kamponghuizen langs de baan. Was de man afwezig, dan werd op de deur met krijt een kruis getekend. De volgende ochtend vroeg werden de aangekruiste huizen weer nagelopen. Kon de man naar het oordeel van Christoffel geen goede verklaring geven van zijn nachtelijke afwezigheid, dan werd hij meteen doodgeschoten".

Vooral deze activiteiten werd hij de meest gedecoreerde officier van het KN.I.L.: Militaire Willemsorde 3e en 4e klasse, Ridder Nederlandse Leeuw etc. De hele expeditie is vastgelegd in het boek: De tocht van Overste Van Daalen door de Gajo-, en Alas- en Bataklanden. 8 februari tot 23 Juli 1904 door J.C.J. Kempees 1e Luit der Art. en fungeerend Adjudant van de Colonne Commandant. Uitgegeven te Amsterdam door J.C. Dalmeijer in  1905, 265 pp 28 foto's van J.Neeb (aan te schaffen voor 350 euro's bij het antiquariaat Gemilang)

.

   

        Links: Overste Van Daalen. Rechts: zijn rechterhand Luitenant Christoffel

 

De kampong Koeto Reh in de Alas landen in Atjeh op 11 juni 1904 veroverd door een marechaussee colonne onder commando van overste Van Daalen. Geheel links staande: overste Van Daalen. Foto genomen door J. Neeb

 

Massagraf in de kampong Koeto Reh

De groep van Van Daalen na de verovering van de kampong Koeto Reh. Achter rotsblok overste Van Daalen. Foto J. Neeb

Medio 1908 werd Van Daalen opgevolgd door de toenmalige Luitenant-kolonel H.N.A. Swart. Van Daalen werd 1910 werd benoemd tot commandant van het leger in Ned.-Indië. Van Daalen verliet de militaire dienst in 1914.

      

                Luitenant-kolonel H.N.A. Swart, 'pacificator' van Atjeh

Van 1908 tot 1918 trad Swart op als gouverneur van Atjeh. Zijn pacificatie van Atjeh gaat gepaard met vele bloedige veldslagen. In de Gajo-hooglanden waren volgens Nederlandse schattingen nog vijf tot zesduizend Atjehers, die bereid waren  zich dood te vechten Ze werden bezield door de Teungkoe Di Tiro, de zonen en de kleinzonen van Teungkoe Tjèh Thaman di Tiro. (Over deze verzetstrijder heb ik al eerder geschreven).. De marechaussee trok de ruwe hooglanden in en zette de achtervolging in. Uitgeput door de voortdurende klopjachten zagen sommige Atjeese verzetsleiders geen andere uitweg dan zich over te geven.  Luitenant H.J. Schmidt kreeg in 1909 de opdracht zich geheel te wijden aan het uitschakelen van de laatste Teungkoe Di Tiro, die zich in de bergen in de omgeving van Tangsé hadden verschanst.

              

                                Commandant H.J. Schmidt

Zij werden beschouwd als de gevaarlijkste tegenstanders van het Nederlandse gezag.  Schmidt vertrok met twee brigades. Hij probeerde overal inlichtingen in te winnen (Schmidt sprak vloeiend Atjees), maar niemand zei een woord over de verblijfplaats van de Di Tiro's. In mei 1910 kwam hij er eindelijk achter waar zich een schuilplaats bevond en wist hem te doden. In 1911 wist Schmidt nog meer familieleden van de Di Tiro's te doden. Zo kwam er een einde aan de pacificatie van Atjeh. (Later werd Schmidt kamerheer van Koningin Wilhelmina, met de exclusieve opdracht om als een soort financiële waakhond Prins Hendrik te schaduwen en voor nieuwe leningen te behoeden). In 1918 werd Swart in de rang van luitenant -generaal gepensioneerd. Op 12 augustus 1918 benoemd tot vice-president van de Raad van Indië tot 1922. Hij kreeg voor zijn krijgsverrichtingen de Militaire Willemsorde 2e klasse..Pm

Hiermee eindigt de samenvatting van de vierde Atjeh oorlog van de periode 1989-1918.

Aan het eind gekomen van dit hoofdstuk over de derde en  vierde Atjeh oorlog, zou ik nog het volgende willen opmerken. Het is goed de tekst te lezen met in het achterhoofd, dat ten tijde van deze Atjeh oorlogen in het Vaderland deze oorlog als legitiem werd ervaren. Zo is het te begrijpen dat de betrokken militairen zeer hoge onderscheidingen hebben kregen en zelfs door Koningin Wilhelmina werden gefeliciteerd voor hun krijgsverrichtingen. Om van deze tijdgeest een goed voorbeeld te geven citeer ik het begin van het boek van luitenant-generaal Jan van Swieten, De waarheid over onze vestiging in Atjeh. Hij heeft tijdens de tweede Atjeh oorlog een zeer belangrijke rol gespeeld, zoals we hebben gezien bij de herinneringen van mijn oom Chrik de Booy.

"Koloniale mogendheden kunnen zich zelden in een langdurigen staat van rust verheugen. Omringd door volken, die in zedelijk gehalte, in maatschappelijke ontwikkeling nog vrij laag staan en van het recht van eigendom geen hoog begrip hebben, zijn zij door provocatien, niet zelden door daden van geweld, - zooals menschen- en strandroof, overrompelingen en afloopen van handelsvaartuigen, gewapende rooftochten, voortdurend in geschillen gewikkeld, die tot vijandelijkheden overslaan, en ten slotte, ten einde herhaling te voorkomen, dwingen de landsgrenzen te verplaatsen en het gebied uit te breiden"

Momenteel zijn Nederlandse militairen in het gebied van Uruzgan in Afghanistan in oorlog gewikkeld met de Taliban guerrilla troepen. Door de media worden we verteld, dat er weer zoveel Talibans door onze troepen zijn gedood. Wel vraag ik mij of, waarom we alleen berichten krijgen over het aantal gedode Taliban-strijders en niets te horen krijgen over slachtoffers onder burgers, gewonden en gevangenen..Onze premier Jan Peter Balkenende zegt dat hij trots is op wat we in Uruzgan ondernemen.  Net zoals de Atjeh oorlog wordt deze oorlogsmissie door onze volksvertegenwoordiging goed gekeurd en als een legitieme strijd beschouwd. Het zou misschien wel eens kunnen gebeuren, dat de tijdgeest over deze oorlog net zo zal veranderen als met de Atjeh oorlog is gebeurd. De tijd zal het leren.

Gebruikte Literatuur

Cohen Stuart., W.J. (1937) De Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915 in twee delen. 's Gravenhage -Algemeene Landdrukkerij
Croo, M. H. Du ( 1943) Generaal Swart pacificator van Atjeh. Uitgave N.V. Letter -Nypels Maastricht
Kempees , J.C.J. (1905) De tocht van Overste Van Daalen door de Gajo-, en Alas- en Bataklanden. Uitgegeven te Amsterdam door J.C. Dalmeijer
Langeveld, Herman (1998) Hendrikus Colijn 1869-1944, deel een 1869-1944. Uitgeverij Balans. ISBN 90 5018 5061
Rep, Jelte( 1996) Atjeh, Atjeh!. Uitgeverij de Prom Baarn. ISBN 90 6801 5618 4
Rullmann, Dr J.C. (1933) Dr H. Colijn. Leiden, A.W.Sijthoff's Uitgeversmaatschappij N.V.
Veer, Paul van 't  (1969) De Atjeh-oorlog. Amsterdam. Uitgeverij de Arbeiderspers 

Ook op internet veel informatie  over Atjeh en Lombok gevonden en gebruikt.