Chrétien Jean Gérard de Booij 1853-1934, herinneringen en brieven aan zijn ouders over zijn deelname aan de eerste een tweede Atjeh oorlog 1873-1878

Alvorens de brieven van Chrik de Booy aan zijn ouders weer te geven, eerst enkele nadere persoonlijke herinneringen van zijn familie aan Chrik de Booy

Chrétien Jean Gérard de Booy (Chrik genoemd) geboren in Beverwijk op 24 Juni 1853, 13:00 uur.

 

1853 Brief van zijn moeder:
8ste dag (in bed) in 't gezicht van Christiaan. Lieve broers en zusjes !
Christiaan heeft al de kenmerken van volmaakte gezondheid en van sterk gestel. Van zinj zedelijke hoedanigheden is ons nog niet veel bekend, alleenlijk geeft hij bewijzen van drift en gulzigheid. Baker spreekt plat em zeer veel "Mefrouw, die vinkelwater is verschraal!". Mamma is vol attenties maar heeft aanhoudend last van hoest enz en verlangt geloof ik naar huis. Mijn man is ren engel.
...  dat er in het menschelijk leven geen tweede oogenblik voorkomt gelijk aan dat waarin men na zooveel lijden de eerste levenskreet van den jonggeborene hoort. Dat is met geen pen te beschrijven en werd dat oogenblik niet spoedig weer door pijn achtervolgd , dan zou men menen in den Hemel te zijn. Ik zal niet ligt vergeten wat er in mij omging, toen Halder zei : "Mevrouw daar heb je je zoon!" en toen Christiaan bonjour Mamma zei de groote Chistiaan zei niet veel moois want hij stond hardop te huilen als een kind. 

Christiaan de Booij (Later Chrik genoemd)

Handschrift van Chrik de Booy van een briefkaart aan zijn zoon Chré de Booy in 1924

Uit het dagboek van H. de Booij:

Misschien heeft Chrik er in gezeten als hij een ruit had ingegooid van de school van de heer Kok.Ik herinnerde mij over een verregaand ongepast gedrag van Chrik ten opzichte van de Heer Kok die een klacht had ingezonden. Toevallig horende dat de heer Kok den volgende dag zijn verjaardag zou vieren zond mijn Moeder haar oudsten zoon met een mooie taart naar den heer Kok en met de opdracht hem onder het aanbieden van gelukwensen excuses ten maken. Het succes was groot.

Chrik oud 15 jaar, werd op 1 september 1868 geplaatst aan boord Zijne Majesteit "Kortenaer" dat geweldige linieschip. Ik heb vroeger reeds de karaktereigenschappen, welke mijn broeder sierden vermeld. Daartoe behoorde een grote belangstelling voor alles wat in zijn omgeving gebeurde. Nu was zijn opleiding achter den rug en was hij als adelborst 1e klasse op 20 October 1871 geplaatst aan boord Z.M transportschip Java. Vrijdag 22 december 1871 verlieten hij dan de reede. Hij komt 23 april 1872 op de reede van Batavia Tanjong Priok aan. De reis had 4 maanden en 3 dagen geduurd.

Chrik , adelborst 1e klasse

Uit de brieven (aan zijn moeder) blijkt zijn sympathieke persoonlijkheid, zijn grote opgewektheid en vrolijkheid , zijn belangstelling in de mensen en de dingen waarmede hij in aanraking kwam, zijn bewondering voor de Atjeeërs die toen onze vijanden waren, de erkenning dat zij hun land moedig verdedigden.

Op 29 juni 1874 is hij met Steffan Ortt, evenals hij luitenant ter zee der 2e klasse aan boord van het S.S. "Holland" dat hem naar huis zal brengen en hij schrijft aan zijn beste ouders: Ortt schijnt verliefd te zijn. Dat ben ik nu al in drie jaar niet geweest, dat voorspelt dus wat voor Holland". Zo kwam mijn oudste broeder toen 21 jaar oud op 28 augustus 1874 in Nederland en het zal wel niet lang duren geduurd hebben voor de zware deur van het ouderlijke huis voor hem werd geopend Toen hij vertrok was ik 4 jaar oud dus was ik me op zevenjarige leeftijd niet of nauwelijks bewust hem ooit gezien te hebben. Zijn binnenkomst in de achterkamer is onuitwisbaar in mijn herinnering vastgelegd. Toen zijn reusachtige verschijning over de drempel kwam, liet hij ons, dwz mij en Lientje grabbelen om het losse geld, dat hij in zijn zak had. Hij bracht leven in het stille huis. Er kwamen vrienden op bezoek. Werd er gebeld dan kondigde het bellemeisje de komst aan van de Generaals van Swieten en Mac Mahon. Dan begreep men wel hoe laat het was en ging mijn vader naar de voorgang om de hoge heren te ontvangen en hun te beloven dat zijn andere zoons ook bij de Marine zouden komen. Chrik werd non-actief wat men in dien tijd soms lang bleef. In den tijd van 28 augustus 1874 tot einde April 1876, toen hij weder naar Indie vertrok. In 1876 vertrok Chrik dus weer naar Indië kwam weder op de kust van Atjeh aan de boord van de Metalen Kruis, later te Banjetrmasing en eindelijk 10 augustus 1879 weder in Nederland. Voor dat hij zou deelnemen aan boord van de Marnix aan een kort durende expeditie tegen Deli, waardoor hij drager werd van het erekruis voor belangrijke krijgsverrichtingen.

Chrik diende toen (1879) aan boord van Marnix, het volgende jaar op het artillerie instructieschip het Loo en werd in het begin van 1880 geplaatst in de rol van het wachtschip te Amsterdam om zich gereed te maken voor den 4 den tocht met de schoener "Willem Barentsz" naar de Noordelijke IJszee. Hij vertrok op den 7 mei en mijn vader was zoals van zelf spreekt om hen te zien uitzeilen. Over deze reis kan men evenals over de andere reizen van den zeilschoener lezen in de verslagen welke door het Comité voor IJszeevaart worden uitgegeven. In dit comité hadden verschillende vooraanstaande Nederlanders zitting en onder dezen was de warme vaderlander, de journalist, directeur en hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad Charles Boissevain een stuwende kracht.

Uit brieven van zijn moeder Adrienne:

1861 Aan zuster Anne. Het zal U wellicht niet verwonderen dat ik ferme koortsen heb gehad, zooals gij zaagt was ik al een beetje in de war, toen gij bij mij waart. Zoo'n koorts , dag en nacht, duurt lang, wat ik toen veel gedacht over Justus, over Emma, over mijn beste Johannaatje en haar lief broertje en wat heb ik mij bedroefd en geërgerd over den toon die in de kinderkamer heerste; Kato steeds jankende, altoos door, haar keel had geen rust, de kinderen met koekejs paayende om stil te wezen zonder enig succes. Adriaan als een Draak c'est le mot want dat is iets onbepaalds en hij was meer dan onaangenaam gehoorzaam , Kato evenwel verbood, maar strafte nooit. Marietjes stemmetje hoorde ik haast niet daar zij zeker verbluft was door al die discordance , en men bemoeide er zich niet mede, ik geloof dat ze koffie dronk, den heelen dag. Christiaan was ook niet zoet."A quele chose malheur est bon " zult ge zeggen, zoo gij het gevolg zult horen van mijn ondervindingen. Kato had steeds gezegd dat zij alleen met C. moeite had en sprak dan van hem als van een onhandelbaar kind, maar nu haar kon zeggen, dat ik de gansche middag getuige was geweest hoe zij op A, niets geen pouvoir had, zeide ik haar om deze reden de dienst op daar zij zigtbaar Adriaan's drift en ongehoorzaamheid (die groot zijn) erger in plaats van beter maakte.

1881 Aan haar zusters. Van Christiaan berigt uit Samalangan waar hij ook was op 1 september, toegevoegd aan kolonel van der Heyden. Hij heeft nogal misère uitgestaan en vooral akelige dingen gezien; na de slag zag hij 56 doden en de vele gekwetsten waarvan vele vreselijk leed moeten uitstaan.

Hij trouwt 10 september 1884 Mary Jane Hobson, geboren in Kilkea (Kildare, Ierland) 29 October 1859.

Groepsfoto na de huwelijksinzegening van Chrik de Booy met May Hobson 10 september 1884 in de St. Mary''s church Eton Socon. Behalve veel familie van May waren ook namens Chrik aanwezig zijn vader Chrétien ( in het midden met hoge hoed), zijn zusters Mik, Jo, Lien als bruidsmeisjes en mijn grootvader Hendrik de Booij (tweede van rechts)

In het dagboek van mijn grootvader Hendrik de Booy staat nog over het huwelijk het volgende:
"In 1879 was May Hobson bij ons gekomen om onze Moeder behulpzaam te zijn in het huishouden. May Hobson was 20 jaar en had met onze nicht Anna de Mol van Otterloo (zuster van Adrienne de Booy-de Mol van Otterloo) dezelfde kostschol gezeten. Haar ouders woonden in Ierland te Donerails Co Cork. Toen Chrik van zijn tocht met de "Willem Barentsz "was teruggekomen. bleek al spoedig, dat May en hij elkander genegen waren. In  1884 traden zij te Eaton Socon (Beds, Engeland) in het huwelijk. Ten huize van Oom en Tante van de bruid , op een plaats die Cross Hall Lodge heette, werden de gasten ontvangen. Mijn vader had tijdens de zomervacantie den Commandant van het Instituut, kapitein ter zee G. Doorman, die in den Haag zijn vacantie doorbracht, bezocht en van hem de toezegging ontvangen dat ik het huwelijk van mijn broeder in Engeland zou mogen bijwonen. Ik kreeg een week verlof, een zeldzaam tegemoetkomende houding van den Commandant. Ik had op Konings verjaardag de ponjaard gekregen, een onderscheiding. De ponjaard trok de aandacht van de Londenaars".

May Hobson, echtgenote van Chrik de Booij

Zij krijgen 3 kinderen: James Marnix, ( minister van Scheepvaart 1944-1945, vice-admiraal Kon. Nederlandsche Marine, ambassadeur van Nederland bij de Duitse Regering te Bonn), Theodoor Hendrik Nicolaas (archeoloog) en Chrétien Jean Gérard (priester en monnik). ( Volgens de burgerlijke stand dient de Booij met 2 puntjes op de ij te worden geschreven, maar mijn familie heeft de Booy steeds met een Griekse Y geschreven. In de tekst heb ik dit zo gelaten)

     

1879. Rechts op deze foto Chrik de Booy luitenant ter zee 2e klasse, links van hem mijn grootvader Han de Booy

Wat weet ik over deze oudste broer  van mijn grootvader Han de Booy? Allereerst enkele passages uit het dagboek van mijn grootvader, die betrekking hebben op Chrik de Booy

" In de achterkamer was onder de achtertrap naar boven een diepe kast waarvan de deur wel 3 decimeter dik was. Ouderen vertelden dat daarin wel eens hunnen door straf was opgesloten geweest en dat men had vergeten dat hij er inzat en hem miste aan het avondeten. Toen kwam men op het denkbeeld de kast te openen, daar lag de vermiste, rustig slapend. Ik geloof dit echter niet geheel want luchttoevoer was tot die kast niet mogelijk in gesloten toestand. Misschien heeft Chrik er in gezeten als hij een ruit had ingegooid van de school van den heer Kok, wiens school grensde aan onze tuin. Ik herinner mij een verhaal over verregaand ongepast gedag van Chrik ten opzichte van de Heer Kok, die een klacht had ingezonden. Toevallig horende dat de heer Kok den volgende dag zijn verjaardag zou vieren zond mijn Moeder haar oudsten zoon met een mooie taart naar den heer Kok met de opdracht hem onder het aanbieden van gelukwensen excuses te maken. Het succes was groot.
Chrik oud 15 jaar, werd op 1 september 1868 geplaatst aan boord Zijne Majesteit "Kortenaer"dat geweldige linieschip. Ik heb vroeger reeds de karaktereigenschappen, welke mijn broeder sierden vermeld. Daartoe behoorde een grote belangstelling voor alles wat in zijn omgeving gebeurde. Nu was zijn opleiding achter den rug en was hij als adelborst 1e klasse op 20 october 1871 geplaatst aan boord Z.M transportschip Java. Vrijdag 22 december 1871 verlieten hij dan de reede. Hij komt 23 april 1872 op de reede van Batavia Tandjong Priok aan. De reis had 4 maanden en 3 dagen geduurd. Op 29 juni 1874 is hij met Steffan Ortt, evenals hij luitenant ter zee der 2e klasse aan boord van het S.S. "Holland" dat hem naar huis zal brengen en hij schrijft aan zijn beste ouders: "Ortt schijnt verliefd te zijn. Dat ben ik nu al in drie jaar niet geweest, dat voorspelt dus wat voor Holland!"
 

Zo kwam dan mijn oudsten broeder, toen 21 jaar oud, op 28 augustus 1874 in Nederland en het zal niet lang geduurd hebben voor de zware voordeur  van het ouderlijk huis voor hem werd geopend. Toen hij vertrok was ik 4 jaar oud, dus was ik mij nu, op zevenjarige leeftijd niet of nauwelijks bewust hem ooit te hebben gezien. Zijn binnenkomst in de achterkamer is onuitwisbaar in mijn herinnering vastgelegd. Toen hij binnenkwam liet hij ons, Lientje en mij, grabbelen om het losse geld dat hij in zijn zak had en er waren guldens bij. Hij bracht leven in het grote huis. Aan tafel vertoonde hij kunsten van de longroom. Delen van het servies werden tot een hoge toren op elkaar gestapeld. Hij voerde dansen uit in de gang die lange  marmeren gang en luid klonk zijn stem Spilliedjes waren het die hij zong, die de matrozen zongen als zij, met de borst tegen de zware spilbomen, de ketting inwonden en het zware anker uit den zeebodem trokken. Dat ging dan onder het gezang :"vol van gramschap en ellende liep in de Kalverstraat ten ende, van de Munt al naar de Dam, toen daar een politieagent kwam". De wijs die er bij werd gezongen maakte het noodzakelijk dat de klemtoon in agent op de a kwam, legde mijn broeder uit. Zat het anker stevig in den zeebodem vast dan was veel kracht nodig het er uit te krijgen. Was het er uit dan ging het verder inwinden gemakkelijk zodat soms in den looppas ging. Het droevig lied van zoeven wijzigde zich dan in een veelal vrolijker melodie en woorden: " al in mijn jeugd ben ik naar Mexico gegaan om in den Oost met een meisje te verkeren ...".
Er kwamen vrienden op bezoek, naar mijn herinnering reuzen. Ze heeten Lamie, Jeekel, Kluit en Brutel de la Rivière. Werd er gebeld dan kondigde het bellen meisje de komst aan van de Generaals van Swieten en Mac Mahon. Dan begreep men wel hoe laat het was en ging mijn Vader naar de voorgang om de hoge heren te ontvangen en hun te beloven , dat zijn andere zoons ook bij de marine zouden komen. Lamie zou later den tocht met de "Varna" leiden waarbij het schip in de Karazee vastraakte in het ijs. Tengevolge van ijspersingen moest het schip verlaten worden en zonk het schip. Na een lange tocht over het ijs bereikten allen de kust en een bewoond oord. Lamie maakte twee tochten met de Willem Barentsz mede, mijn broeder de vierde tocht. De vrienden waren volgrappen. Om een ervan te begrijpen moet men weten, dat het sobere salaris van den jongen zeeofficier uit twee delen bestond en wel in vast tractement en zeetractement het eerste deel werd in Holland uitbetaald, in dit geval aan het adres van mijn Vader, het tweede deel deel aan boord. Met dit laatste deel kwam mijn broeder niet altijd uit toe, wat begrijpelijk was en wat hem dwong van tijd tot tijd wissels op zijn Vader te trekken. Beide delen waren het eigendom van mijn broeder. Nu zaten die vrienden bij ons aan tafel, rechts van mijn vader die geweldige Lamie en ze vertelden van het leven aan boord, "Wat prettig is, meneer de Booy"zei Lamie dan tegen de 54jarigen Vader "Je wordt goed betaald, met het zeetractement kom je gemakkelijk rond als je oppast"Ïk zal op mijn zevende jaar wel niet alles begrepen hebben. Chrik zette het hun betaald door bij het afscheid aan het station even voordat de trein in beweging kwam , het hoofd in de coupé te steken en , hoewel fluisterend , toch voor de medereizigers en reizigsters verstaanbaar te zeggen ;"de Justitie is jullie nog niet op het spoor".
Chrik werd op non-actief gesteld wat men op in die tijd soms lang bleef. In 1876 vertrekt Chrik dus weder naar Indië, kwam weder aan boord van de "Metalen Kruis" later te Bangermasing en eindelijk 10 augustus weder in Nederland. Zijn brieven zijn waard gelezen te worden. Chrik werd nonactief wat men in dien tijd soms lang bleef. In den tijd van 28 augustus 1874 tot einde April 1876, toen hij weder naar Indië vertrok. In 1876 vertrok Chrik dus weer naar Indië kwam weder op de kust van Atjeh aan boord van de Metalen Kruis, later te Banjermasing en eindelijk 10 augustus 1879 weder in Nederland .Voor dat hij zou deelnemen aan boord van de Marnix aan een kort durende expeditie tegen Deli, waardoor hij drager werd van het erekruis voor belangrijke krijgsverrichtingen"

Over de vrouw van Chrik de Booy May Hobson verhaalt het dagboek van H. de Booy:
"In 1879 valt nog de komst van May Hobson. Toen 20 jaar oud, stond in verband met het feit dat onze Moeder niet sterk was en iemand zocht om haar bij te staan. Zij kwam van een klein plaatje in Ierland, Doneraile in County Cork waar zij met haar ouders woonde en was met onze nicht Anna de Mol van Otterloo zuster van Henk (kinderen van Justus de Mol van Otterloo) op kostschool geweest. Wij zijn allen steeds dankbaar geweest voor haar komst. Zij leerde mij en Lientje engels en ik leerde haar hollands. Ze was een grote aanwinst door haar vrolijken aard".

Einde passages uit het dagboek van Han de Booy over zijn oudste broer Chrik de Booy  en zijn vrouw Mary Hobson

29 augustus 1902 schrijft een collega van Chrik L.A.H.Lammie op verzoek van zijn broeder Theo voor de zilveren bruiloft van Chrik met zijn vrouw Mary Jane Hobson het volgende:
"Uit zijn adelborsten tijd herinner ik mij dan de bijzonderheid, waarmede hij vaak geplaagd werd in de tijd dat hij als als commandant is moeten optreden nml van de "Gipsy" de oorlogschoener in 72 op de Atjehs veroverd en later op de Deli rivier opgelegd waar hij met een paar matrozen ter bewaking aan boord werd gezet. Als luitenant ter zee 2 e klasse diende ik met hem aan boord van de Oenaran te Banjermasin. De Booy deed zich daar kennen als iemand die dan een tijd zuinig kon zijn en zich zelfs een sigaar kon ontzeggen om dan weer op een het "pennywise pound foolish" toe te passen en Banjersche dames op den passar champagne te gaan fuiven. Reeds in die dagen kwam het uit dat hij aanleg had om een goed huisvader te worden. Over uw broeder als sportsman zou veel te zeggen zijn; reeds toen deed hij zich als zoodanig kennen en was onze beste roeier op de giek. De tenue was daarbij witte pantalon en frokje doch om de biceps beter te doen uitkomen, verzon hij er toen op de mouwen van het frokje te doen afnemen, wat het damespubliek zeer voldeed. Een andere sport waaraan we toen en later veel deden was het dansen. De Booy woog toen ter tijd echter 110 kilo en had dan ook de gewoonte de dames, die hij het eerst uitnodigde, te vragen of zij wel eens met met gewichten hadden gewerkt. Waar hij vroeger altijd in een richting danste en walste, heeft zijn vrouw hem dit met tegen zin geleerd. Aan lawntennis dacht hij vroeger nooit na zijn huwelijk is hij ook daarmee begonne
n en spoedig een gewilde partner geworden. De zwemsport stond bij hem hoog in aanzien. En dan het fietsen dat hij op 54 jarigen leeftijd begon en dank zij de medewerking van zijn echtgenote is hij thans een ware kilometervreter geworden. In 1881 maakten uw broeder en ik tezamen de Willem Barentsz reis mede. Op een goede dag zag ik toen de overwintering met de Varna medemaakte was Uw broeder weer in Indië doch keerde kort na mijn reis in 't laatst van 1883 terug. Hij had daar een ziekte aan de lever gehad en daarvan hersteld, begon nu spoedig wat de inlanders de ziekte van het hart (sakit hati) noemen. Zijn plannen om het jongeluisleven vaarwel te zeggen namen vastere vormen aan. Hij vroeg ons permissie om zijn latere echtgenote ten huwelijk te vragen en overtuigd dat hij geknipt zou zijn voor het huwelijksleven gaven wij onze toestemming".

De oudste zuster van mijn grootvader, Mik, geeft de volgende getuigenis over haar broer Chrik:
"Chrétien Jean Gérard de Booy geboren te Beverwijk 24 juni 1853, bekend als de leelijkste baby in Beverwijk - om iets heel ergs te zeggen , werd er van een baby getuigt "bijna net zo lelijk als het kindje de Booy" hieruit blijkt al weer dat de leelijkste kinderen dikwijls als de schoonste mannen opgroeien. Op de gymnastiek les van de Heer Vestdijk viel hij van een rekstok en brak zijn neus, waarna dit lichaamsdeel voor altijd scheef staat. Nu kwam de tijd van vele verliefdheden. Eindelijk de reis met de W. Barentsz toen het beeld van May hoe langer en dieper in zijn ziel gegrift werd. Liefde voor May neemt toe - onuitgesproken -modelletjes voor boetseerwerk, de toenmalige liefhebberij van May - werden overal gekocht en op listige wijze hier en daar neergezet".

Over zijn vrouw May Hobson verhaalt het dagboek van H. de Booij:

In 1879 valt nog de komst van May Hobson. Toen 20 jaar oud, stond in verband met het feit dat onze Moeder niet sterk was en iemand zocht om haar bij te staan. Zij kwam van een klein plaatje in Ierland, Doneraile in County Cork waar zij met haar ouders woonde en was met onze nicht Anna de Mol van Otterloo zuster van Henk (kinderen van Justus de Mol van Otterloo) op kostschool geweest. Wij zijn allen steeds dankbaar geweest voor haar komst. Zij leerde mij en Lientje engels en ik leerde haar hollands. Ze was een grote aanwinst door haar vroljjken aard.

Vanaf 22 december 1871 t/m 30 mei 1879 schrijft Chrik aan zijn ouders. Ik zal daaruit een selectie maken en alleen die brieven afdrukken die zijn bevindingen tijdens  oorlogen  in Atjeh weergeven. Om de lezer enigszins op de hoogte te stellen van deze Atjeh oorlogen, geef ik steeds eerst een kort overzicht van deze Atjeh oorlogen.

Chrik en Theo de Booij

De eerste Atjeh oorlog

Het was Multatuli (alias Douwes Dekker) die een voorgevoel had van deze Atjeh oorlog. Hij schreef 27 februari 1872: "het is er om te doen om Atjin in te palmen.  Het zal dan ook geschieden, maar niet zonder moeite, want de Atjinezen zyn strydbaar. Ik schreef u immers reeds:We zullen hooren van oorlog op Sumatra". In oktober 1872 schreef hij een open brief aan de Koning Willem III: "Uw Gouverneur-Generaal, Sire, staat op het punt, onder gezochte voorwendsels, hoogstens op grond van kunstig geprovoceerde reden, den oorlog te verklaren aan den Sultan van Atjeh, met het voornemen dien Souverein te beroven van zyn erfdeel. Sire, dit is noch dankbaar,noch edelmoedig, noch eerlyk, noch verstandig. (...) Reeds te lang, Sire, hebben wy door onze wanbedryven in Indië, alle aanspraak op de sympathie van Europa verbeurd. Het aanvallen van Atjeh zou een door uw vyanden gewenst zegel zetten op de algemene verachting".

   

Links:, Multatuli (alias Eduard Douwes Dekker) schrijver van Max Havelaar. Rechts:  Koning Willem III van het Koninkrijk der Nederlanden

Militair opperbevelhebber van de eerste oorlog tegen Atjeh was generaal-majoor J.H.R. Köhler, tweede commandant was kolonel E.C. van Dalen. Zij brachten troepen bijeen, die bestonden uit 3000 man, van wie duizend Europese fuseliers en onderofficieren en 118 officieren. Als dragers duizenden dwangarbeiders, misdadigers die veroordeeld waren 'tot gedwongen arbeid buiten hun eigen eiland'. Ook 220 Inlandse  vrouwen als keuken en bedgenoten der Javaanse en Ambonese soldaten en driehonderd officiersbedienden, twee per officier en de rest als kantine personeel. Zes kleine oorlogsschepen werden ingezet voor vervoer der troepen.

    

         Generaal-majoor J.H.R. Köhler.

Op 26 maart 1873 verklaarde de regeringscommissaris F.N.  Nieuwenhuijzen de oorlog aan de sultan van Atjeh. Uiteraard zijn alle brieven ondertekend door de Gouverneur Generaal James Loudon. In Nederland was de minister van Koloniën Fransen van der Putte. Hieraan was voorafgegaan een uitgebreide briefwisseling, die ik hieronder weergeef.

Links: Minister van Koloniën I.D. Fransen van de Putte. Rechts: De Gouverneur Generaal van Indië James Loudon

Loudon, James (1824-1900)

25 maart 1973
De Gouvernements-commissaris aan de Sultan van Atjeh

Vervolgens breng ik ter kennis van Uwe Hoogheid :dat het bij herhaling gebleken is, dat de bestuurders van Atjeh de ernstige voornemens en welwillende bedoelingen miskend hebben, door het Nederlandsch Gouvernement betoond, om de onderlinge vijandelijkheden, welke zeer ten nadeele der algemeene belangen van handel en scheepvaart strekken, in de aan gemeld rijk onderhoorige staatjes te keeren en eene goed geregelde verstandhouding tot dat Gouvernement in 't leven te roepen, en dat zij de deswege gedane dringende vertoogen hebben in den wind geslagen; dat zij onlangs met vijandige bedoelingen te Singapore de tusschenkomst van agenten van buitenlandsche mogendheden tegen het Nederlandsch Gouvernement hebben ingeroepen, bij monde van dezelfde gezanten, die onder het masker van vriendschap en goede trouw naar Riouw waren afgevaardigd om aan den resident van dat gewest, van wien zij bescherming ondervonden, uitstel te vragen van de politieke zending, bedoeld bij het Gouvernements-besluit van 31 Augustus 1872 , aan Uwe Hoogheid mede gedeeld bij schrijven van den Gouverneur van Sumatra's Westkust en met een oorlogschip overgebragt door den controleur jhr. Krayenhoff; dat de bestuurders van Atjeh door die handelingen artikel één de op 30 Maart 1857 met dat rijk gesloten overeenkomst van vrede, vriendschap en handel hebben geschonden, en ik thans gekomen ben om deswege namens de Regering van Nederlandsch Indië de vereischte schriftelijke opheldering te vragen, - tot het geven waarvan ik den bestuurders van Atjeh een termijn stel van vier en twintig uren ; mij voorbehoudende om, voort na ontvangst dier opheldering, aan de bestuurders van Atjeh te doen kennen, hoedanig naar mijne meening tot eene gewenschte verhouding tusschen het Gouvernement van Nederlandsch - Indië en Atjeh kan worden geraakt, om vervolgens dienaangaande de vereischte besprekingen te openen. Geschreven den 25sten Moecharam 1290. (25 Maart 1873.)

26 maart 1873
De Commissaris van het Gouvernement van Nederlandsch Indië voor Atjeh aan de Sultan van Atjeh

Overwegende: dat op het Gouvernement van Nederlandsch Indië de verpligting rust, om de algemeene belangen van handel en scheepvaart in den Oost-Indischen Archipel tegen belemmeringen te beveiligen; dat die belangen door de onderlinge geschillen en vijandelijkheden der aan het Rijk van Atjeh onderhoorige staatjes, waarvan enkelen hij herhaling de bescherming van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement hebben ingeroepen, bij voortduring zijn geschaad; dat de herhaalde vertoogen van de zijde van dat Gouvernement, om aan zoodanigen toestand een einde te maken en eene goed bevestigde verstandhouding van Atjeh tot hetzelve in het leven te roepen, steeds zijn afgestuit op den onwil en de volslagen onverschilligheid van de bestuurders van gemeld Rijk, en op hunne magteloosheid om in de onderhoorigheden van Atjeh de rust en orde naar eisch te handhaven; dat die pogingen onlangs zelfs zijn beantwoord met verregaande trouweloosheid, op een tijdstip dat het Nederlandsch-Indisch Gouvernement met de meest welwillende bedoelingen zich in nadere verbinding met Atjeh heeft gesteld; dat de Sultan van Atjeh, deswege nadrukkelijk om opheldering gevraagd, eerst bij het schrijven van den Commissaris van den 22sten dezer, en daarna bij dat van den 24sten daaraanvolgende, niet alleen geheel in gebreke is gebleven die te verschaffen, maar zelfs de tegen hem ingebragte grieven niet heeft weêrsproken, en daarenboven er toe is overgegaan zich zoo in het oog loopend mogelijk ten strijde toe te rusten, dat daaraan geen andere beteekenis kan worden toegekend dan dat Atjeh het Gouvernement van Nederlandsch Indië moedwillig heeft gehoond en zich op het daardoor ingenomen vijandig standpunt wenscht te handhaven; dat de bestuurders van dat Rijk zich daardoor hebben schuldig gemaakt aan schennis van het tusschen hetzelve en het Nederlandsch-Indisch Gouvernement op den 30sten Maart 1857 gesloten tractaat van handel, vrede en vriendschap, en het mitsdien overtuigend is gebleken dat geen staat kan worden gemaakt op de goede trouw van die bestuurders; dat het der Regering van Nederlandsch Indië onder deze omstandigheden niet langer mogelijk is, zonder krachtdadige middelen, een zoowel door het algemeen handelsbelang als de eischen van hare eigene veiligheid in noordelijk Sumatra gevorderden staat van zaken te waarborgen; Verklaart uit kracht van de magt en bevoegdheid, aan hem door de Regering van Nederlandsch Indië verleend, in naam van die Regering, den oorlog aan den Sultan van Atjeh, waarvan hij overigens bij dit manifest mededeeling doet aan elk wien zulks mogt aangaan, en een iegelijk aandachtig maakt aan alle mogelijke daaruit voortvloeijende gevolgen en aan de verpligtingen, welke in oorlogstijd op iederen burger van den Staat rusten. Gedaan aan boord van Zijner Majesteits stoomschip Citadel van Antwerpen, liggende voor Groot-Atjeh, op heden, Woensdag den 26sten Maart 1873.

26 maart 1873
De Sultan van Atjeh aan den Gouvernements-commisaris (Vertaling uit het Maleisch.)

Wijders deel ik mijn vriend mede, dat ik den brief, door Sidi Tahil overgebragt, met eerbied heb ontvangen, en na dien te hebben geopend, den inhoud er van goed begrepen heb. Daarin toch staat vermeld, dat mijn vriend binnen vier en twintig uren antwoord van mij verlangt. Thans is het mij aangenaam mijn vriend te doen weten, dat ik mijn dienaar Panglima Tibang Mohamed en de hoeloebalangs, de voor de resident van Riouw zijn verschenen namelijk Toekoe Nja Mohamed, gemagtigde  Teokoe Kali Malikoel Adil. Toekoe Nachoda Mohamed Said, gemagtigde van Toekoe Nanta Setia, Toekoe Akoeb, gemagtigde van Toekoe Nek Radja Moeda Setia en Toekoe Njah Agam, gemagtigde van Panglima Mesjid Radjapenm - met een brief naar genoemden resident heb gezonden, om van hem een uitstel van zes maanden (voor de volbrenging der hem opgedragen zending naar Atjeh) te vragen. Na aldaar te Riouw gedurende acht en veertig dagen op antwoord te hebben gewacht, deelde de resident (den gezanten) mede dat het Gouvernement mijn brief ontvangen had, terwijl hij, resident, Zr. Ms. stoomschip Marnix naar mij toezond. Aldus was de verklaring der vijf genoemde personen. Waarom komt nu het Gouvernement voor dat de (toegestane) termijn van zes maanden verstreken is, en wat is wel onze schuld? Het Gouvernement gelieve mij zulks mede te deelen, opdat ik het wete. Voorts maakt mijn vriend de opmerking, dat mijne onderdanen gewapend langs het strand loopen. De reden hiervan is, dat het schip, waarop mijn vriend zich bevindt, zeer digt aan den wal geankerd ligt, en het volk, zoodanig schip nog niet gezien hebbende, nieuwsgierig is het (meer van nabij) te bekijken. Ook is de plaats waar dat schip geankerd ligt geen gewone ankerplaats. Mijn vriend, die een beter oordeel omtrent zaken heeft, gelieve zulks niet kwalijk te nemen, en mij morgen antwoord te geven. Ten slotte doe ik opmerken, dat ik het Nederlandsch-Indisch Gouvernement van den wal met een saluut van een en twintig schoten heb begroet, terwijl ik van de zijde van mijn vriend geen contra-saluut heb vernomen.

27 maart 1873
De Commissaris van het Gouvernement van Nederlandsch Indië voor Atjeh aan de Sultan van Atjeh
.
Voorts deel ik Uwe Hoogheid mede, dat ik haar op heden morgen ontvangen schrijven van den 26sten dezer overwogen heb.
Evenmin als Uwe Hoogheid verlang ik den oorlog; doch de wijze waarop Atjeh het Gouvernement van Nederlandsch lndië tot dusver en vooral nu laatstelijk weer bejegende, heeft den oorlog onvermijdelijk gemaakt, ten ware Uwe Hoogheid van hare opregte gezindheid doen blijken, om tot het Gouvernement van Nederlandsch Indië in eene verhouding te komen, welke een afdoenden waarborg tegen verdere verwikkelingen oplevert.
Het eenige middel daartoe is, dat Uwe Hoogheid de opperheerschappij van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh erkenne.
Hiertoe geef ik haar tot Zaterdagmiddag, den 29sten dezer maand Maart, den tijd. Is de erkenning der soevereiniteit van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over Atjeh alsdan niet door Uwe Hoogheid gedaan, dan zal onherroepelijk tot het openen der vijandelijkheden worden overgegaan, waartoe ik, behalve de hier reeds aanwezige oorlogsschepen, binnen enkele dagen over eene hoogst aanzienlijke strijdmagt, welke van Batavia in aantogt is, zal kunnen beschikken. Ik moet Uwe Hoogheid evenwel doen opmerken, dat ik de vijandelijkheden, waarmede ik juist op het oogenblik dat haar voormeld schrijven mij gewerd een aanvang wilde maken, alleen dan zal staken, wanneer Uwe Hoogheid zorg draagt dat het strand door het zich thans daarop bevindend gewapende volk worde ontruimd, elke arbeid aan de daar aanwezige bentings ophouden en geen andere bentings worden opgerigt. Morgen ochtend, bij het aanbreken van den dag, behoort aan deze voorwaarde ten duidelijkste te zijn voldaan. Geschreven aan boord van Zr. Ms. oorlogschip Citadel van Antwerpen, op Donderdag den 27sten Maart 1873.

De Sultan van Atjeh aan den Gouvernements-commissaris.
Wijders maak ik mijn vriend mijn wensch kenbaar, dat hij mijn land niet verwoeste. Wat nu het verlangen van mijn vriend is, dat moge de Allerhoogste vervullen, en vervolgens ben ik het, die 't vervullen zal.Het moge mijn vriend voorts behagen zijn antwoord op dezen brief te overhandigen aan brenger dezes, genaamd Lebeh Mohamed.

30 maart 1873
De Gouvernements-commissaris
aan den Sultan van Atjeh
Ik ontvang zoo even een schrijven zonder dagteekening van Uwe Hoogheid, bevattende de mededeeling : Wijders maak ik mijn vriend mijn wensch kenbaar, dat hij mijn land niet verwoeste. Wat nu het verlangen van mijn vriend is, dat moge de Allerhoogste vervullen, en vervolgens ben ik het, die 't vervullen zal. Deze mededeeling is mij niet duidelijk en ik verzoek Uwe Hoogheid mij alsnog stellig en bepaald mede te deelen, of zij de souvereiniteit, van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden over het rijk van Atjeh erkent, ja dan neen. Van Haar antwoord op dezen brief wordt het al of niet staken der vijandelijkheden door mij afhankelijk gemaakt. Ik moet Uwe Hoogheid daarbij tevens doen opmerken, dat de aanzienlijke krijgsmagt, welke door mij van Batavia wordt verwacht tot voortzetting van den oorlog, hier elk oogenblik kan aankomen, en dat, zoo Uwe Hoogheid de rampen van den ooglog verder aan Haar land wil besparen, het geraden is Haar antwoord op dit mijn schrijven geen oogenblik langer dan noodig te doen uitblijven. Geschreven aan boord van Zr. Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen, den 30sten Maart 1973

Einde briefwisseling tussen de Gouvernements-commissaris en de Sultan van Atjeh

Het eerste doel dat de generaal Köhler had gesteld was de verovering van het verblijf van de sultan van Atjeh, de kraton geheten. Eenmaal beroofd van hun regeringscentrum zouden de Atjehers zich wel gewonnen geven. Maar hoe anders pakte het uit. De debarkatie verliep noodlottig. De troepen stuiten op een heftige weerstand. De bataljons verloren  negen doden en 46 gewonden merendeel door klewangaanvallen. De Atjehers wisten zelfs op de eerste dag het oorlogsschip Citadel van Antwerpen door twaalf kanonschoten te raken. Men wist niet precies waar de kraton was gelegen en zo kon het gebeuren dat ze in plaats van de kraton een moskee in brand  werd geschoten en veroverd ten koste van zware verliezen. Ze zagen toen pas dat ze zich hadden vergist. Generaal-majoor Köhler heeft daarna bevel gegeven aan de troepen om zich terug te trekken, omdat hij vond dat de troepen te vermoeid waren om de stelling te verdedigen. De moskee werd vervolgens weer door de Atjehers teruggenomen. 3 dagen later probeerde de generaal met zijn troepen de moskee te heroveren. Generaal Köhler werd op 14 april door een kogel dodelijk getroffen. Het bevel werd over genomen door de tweede man kolonel van Daalen. Zo werd de opmars naar de kraton voorgezet. De verbindingslijn tussen het strandbivak en de moskee werd voortdurend aangevallen door guerrilla troepen, die met doodsverachting op de troepen instormden

.

De nederlaag van de eerste Atjeh-oorlog. Links: de soldaten worden getroffen door speren. Rechts:  de met klewang gewapende Atjehers die de soldaten genadeloos neersabelden.

Op 16 april ging men over tot de aanval van de kraton. Deze werd afgeslagen met verlies van honderd doden en gewonden. Door kolonel  van Daalen werd voorgesteld om de troepen uit Atjeh terug te trekken Daarbij kwam nog dat de moesson was ingevallen en het strandbivac onder water zette. Daarop verzocht de regeringscommissaris Nieuwenhuijzen aan Batavia een machtiging om de troepen te mogen terugtrekken. Deze werd op 23 april verkregen. Twee dagen later werd de troepenmacht ingescheept. 17 dagen was men aan land geweest om met een verlies van 4 officieren 52 minderden, 27 officieren gewond en 411 minderen gewond Atjeh weer te verlaten!

De redacteur van de Javabode H.B. van Daalen heeft in zijn krant van 1,2,3, mei 1873 artikelen geschreven onder de titel : De mislukte tocht naar Atjeh. Aan wien de Schuld?. Hij komt daarbij tot de volgende conclusies 

"Veeleer schijnt de oorzaak te moeten worden gezocht in het feit, dat men steeds moest optrekken tegen rijken of naar landstreken waarvan ongeveer niets anders bekend was als hetgeen uit enkele, meer of minder oppervlakkige, mededeelingen of opgaven uit met een geheel ander dan oorlogsdoel samengestelde boeken en geschriften, uit rapporten van ouden datum, of uit berichten, dikwijls van twijfelachtige en minder betrouwbaren aard, kon worden geput. Veelal onbekend met de werkelijke hulpmiddelen welke den vijand ten dienste stonden, met het terrein en de ligging alsook den aard zijner versterkingen, onbekend ook in vele gevallen met de hulpbronnen die onze troepen daar zouden aantreffen, met den inwendigen toestand ,van het rijk en de dispositie der bevolking, was het bij elken voorkomenden oorlog allermoeilijkst om de groote van de macht en niet minder om de zamenstelling en uitrusting vam de troepen, welke op den vijand zouden worden afgezonden, te bepalen. En te moeilijker werd dit, naarmate men te doen had met landen, waarmede het N. I. bestuur in langen tijd geen punten van aanraking had". .

Hier volgen de brieven die de luitenant ter zee 1e klasse Chrik de Booy vanuit Atjeh aan zijn ouders in Haarlem schreef over deze eerste onfortuinlijke Atjeh oorlog . (De aanhef zoals Lieve ouders, Lief Moesje etc heb ik weggelaten en ook de ondertekening met Chrik)

Onrust 10 Mei 1872 ..Ik ben Zondag 12 Mei overgeplaatst aan boord van Zr.Ms. Schroefstoomschip Marnix dat ook hier te Onrust in reparatie ligt. Het is ongeveer de beste plaatsing die hier in Indië te krijgen is: een best ingericht schip, terwijl wij opperbesten kommandant en eersten officier krijgen ... Ons station is te Riouw, waar wij zijn bestemd om de groote expeditie mede te maken om het vroeger onafhankelijke rijk van Atjeh te veroveren: door het Guinea traktaat met Engeland is dat nu veroorloofd. Het zal een fameuse expeditie geven; het kan echter nog een heelen tijd duren omdat het klaarmaken der schepen veel tijd vergt. Er is hier een paar weken geleden een Hollander Varkevisser opgehangen. De doodstraf bestaat zooals u weet in Indië nog. De man had eenige moorden en brandstichtingen op zijn geweten. Hij werd in de laatste dagen bijgestaan door Ds Schuurman, die daarover een zeer mooi stuk geschreven heeft. De echte Indiesche lui schreeuwen er moord en brand over dat een Hollander door een Maleischen beul is opgehangen. Zij zeggen dat daardoor het prestige der blanken te veel lijdt. Wat Batavia aangaat is het toch al grootendeels op de flesch, hoewel er veel voor gedaan wordt het in stand te houden. Zoo wordt bv. dronkenschap vreeselijk streng gestraft enz.

1 Juli 1872. Gisteren avond kreeg de resident tijding, dat de gedebarqueerde troepen van Zr. Ms. oorlog schip Banca met de Indische troepen samen door de vijandelijke Inlanders van Delhi teruggeslagen zijn. Hij kommandeerde dan ook onzen kommandant heden morgen er zoo spoedig mogelijk naar toe te gaan om met onze landingsdivisie te assisteeren. Wij gaan dus a.s. Vrijdag naar Delhi en Sumatra’s Oostkust op expeditie! U begrijpt dat ik een beetje in spanning ben nu ik zoo voor het eerst van mijn leven uit vechten zal gaan! Wij nemen voor 2 maanden victualie mede, alles doet verwachten dat de expeditie nogal van eenigen duur zal zijn .... Ik hoop zeer te mogen mededebarqueeren. Ieder dag geeft dan f 5.00 boven mijn gewoon traktement, hetgeen vrijwel opweegt tegen de te lijden misères ... Zooeven hoorde ik de beslissing. Van der Sande en ik debarqueeren mede. Ik als kommandant van de vierde sectie. Speelman en Schuylenburg blijven aan boord. Die hebben zeer 't land.

Luitenant ter zee Speelman

Reede Deli NOkust Sumatra, 6 Augustus 1872. Zooals ik u het laatst van Riouw schreef, gingen wij naar Deli om daar te vechten tegen de Battakkers, een vrij woeste bergvolkstam. De oorlog was ontstaan doordat de sultan van Deli aan de verschillende planters, die daar uit alle oorden der wereld aankwamen toen bekend werd dat daar zulk goed tabaksland was, land had afgestaan zonder daarin zijne ondergeschikte opperhoofden (dataes), die er ook recht op hadden, te kennen. Die Dataes wisten door geld de Battakkers op te ruien en daar door ontstond de strijd tegen den sultan van Deli, die alras de hulp van het Hollandsche gouvernement vroeg en kreeg. Uit Riouw werd toen de kompagnie die daar in garnizoen lag, opgeroepen, terwijl de Banca, een oorlogschip, er ook heenging en hare landingsdivisies debarqueerde. Dit bleek echter spoedig veels te weinig te zijn. De troepen werden een paar maal geslagen en men had vele gewonden en dooden te betreuren. Ook een officier der marine werd gewond. De Battakkers werden zeer overmoedig en verbrandden een paar plantages. Dringend was nu de komst van meer troepen noodzakelijk. Er werd dan ook naar Batavia getelegrafeerd om een half bataillon, zegge 500 man, met de noodige artillerie. Wij, die met de Marnix te Riouw lagen, werden er door den resident aldaar natuurlijk dadelijk heen gestuurd. Den 7den Juli, Zondags, kwamen wij ter reede van Deli aan. Den volgenden dag ontscheepten wij de troep, bestaande uit een 70 man, onder bevel van onzen eersten officier, den luit. le kl. Bervoets, met den luit. 2e klasse Tadema en Holtzappel en door een toevallige omstandigheid, van de drie adelborsten alleen met mijn persoontje. Wij leggen op 2 uur roeiens afstands van den mond der Deli rivier en na die rivier nog 2 uur opgeroeid te hebben komt men aan den kampong Laboean, waar een Hollandsche controleur resideert. In diens huis waren alle vrouwen en dochters der planters gevlucht. Het was er dus zeer amusant. Wij lieten er echter de doodmoede geroeide matrozen maar een paar uurtjes rusten en marcheerden toen te 9 uur door, meer naar 't gebergte toe, dus naar het terrein van den strijd. Zoo liepen wij, geleid door een Maleischen gids, in de duisternis een uur of 4 door, langs een vrij slechten weg, en natuurlijk zwaar beladen met wapens en andere goederen, hetgeen echter meer het volk als ons gold, daar wij, de officieren nl., ieder een Javaanschen matroos tot onze bediening hadden. Daar wij natuurlijk nog niets van den toestand der zaken afwisten, meenden wij dat van achter iederen boom vijanden zouden komen. Te 1 uur 's nachts hield ik met Holtzappel en het grootste gedeelte der troep halt bij een Chineesch huisje; de kleinste helft liep nog verder door. Wij sliepen daar tot 5 uur en marcheerden toen ook door. Te Soekaradja, een huis van den sultan van Deli, kwamen wij allen weder voor een oogenblik te zamen. Een troep van 14 man ging onder den luit. 2e kl. Tadema naar de plantage Leyssuis, een dergelijke troep onder Holtzappel naar de plantage Rodijk om die plantages tegen den vijand te beschermen. De heer Bervoets, dokter van Lith Harrebommee en ik bleven voorlopig te Soekaradja als hoofdkwartier en ambulance. Den volgenden dag werden wij echter door ... de eigenaar van de plantage Polonia verzocht om het hoofdkwartier bij hem op te slaan daar hij zijne plantage ook niet veilig achtte. Dat gebeurde dan ook en wij werden ingekwartierd, de matrozen in de tabakschuur en wij in den huiselijken kring der familie Michalsky. Bij die familie sleet ik een 3 hoogst amusante weekjes .... De troepen, 500 man met eenige kanonnen, waren inmiddels van Batavia gekomen en daardoor waren de Battakkers ten minste in zooverre afgeschrikt dat er geen de minste quaestie van was dat de 4 plantages die wij bezet hadden aangevallen konden worden ....

Langzamerhand kwamen alle dames, gerustgesteld door onze aankomst, weder naar boven en toen begon de ware pret eerst. Toen werden er allerlei partijtjes georganiseerd. Bijna iederen dag deed ik fameuse ritten te paard of liever te pony, want hier heeft men als in heel Indië ook geen groote paarden. De troepen bleven niet zoo werkeloos als wij. Een paar maal deden zij tochten, waarbij eenige kampongs genomen en verbrand werden; terwijl bij die gelegenheid 27 Battakkers sneuvelden, terwijl de onzen geen verliezen of dooden hadden. De Battakkers bleven daardoor nog verder uit onze buurt. Dit huiselijke leventje duurde voor mij een week of drie. Toen werd ik tot kommandant benoemd van een detachement van 12 man die een groote benting moesten bouwen om een schuur, waarin de heeren Pechul(?) en Römer hun te velde staande tabak zouden trachten te redden .... Hier kwam ik dus op een plantage zonder huizen en was dus behelpen de hoofdquaestie ... Wij leefden van gewone matrozenkost en van tijd tot tijd van gevangen kippen, eigendom van de planters, doch die na 't verlaten der plantage natuurlijk wild waren geworden. In één der 2 verbrande huizen lag nog een gedeelte van 't skelet van een gesneuvelden Chineeschen koelie, enfin, hier was alles meer krijgszuchtig uitziende. Toen ik met behulp van 25 koelies (Chineezen), en 10 kolonialen en mijn eigen 10 man een vrij sterke benting of vesting om de schuur gebouwd had, verplaatsten wij onze woning daarin. Aan de eene kant lieten wij door strooien wanden een kamertje maken voor Römer en aan den anderen kant kwam er een voor Pechul en zijn vrouw. Dat was ene Engelsche dame die geregeld dronken was. Ik heb de ergste tooneelen daar beleefd . .. . Een benarde positie voor mij en vervelend tevens; wat moest men tegen die twee luidjes zeggen? Verder hadden ook P. en R. standjes over de firma. Alle boeken waren verbrand en de een had een massa schuld aan den ander, die kwamen dan beurt voor beurt bij mij over elkaar klagen. Ook lastig, om goede vrienden met allen te blijven. Door de ontberingen en 't slecht logies kreeg ik hevige diarrhee met later bloed er bij, dus zoo'n beetje dysenterie eigenlijk. Tevens zeer zware koorts. Het beroerdste was dat ik zonder dokter was. Ik vroeg een paard en deed met die ziekte een rit van een paar uur om medicijnen van de ambulance te halen. Dat deed mij ook geen goed! Echter 't slikken van een massa laudanum en het streng dieet houden door niets dan rijstebrij en sago te eten, brachten mij er gauw doorheen., zoodat ik op 't oogenblik weer volmaakt beter ben. Na daar een 10 dagen gesleten te hebben werd ik afgelost door Schuylenburg en moest ik voor een 14 dagen aan boord. Zoo zit ik nu dan weer op Deliesch reede, zonder nog 1 vijand gezien te hebben en toch al f 140 oorlogstoelage boven mijn traktement verdiend hebbende.

a/b Zr.Ms. Marnix 17 September 1872 ter reede van Deli 2 September heeft zeer plotseling en onverklaarbaar de overste Hombracht, kommandant der expeditie, de marinetroepen afgedankt en dus de Marnix matrozen allen laten embarqueeren, terwijl de zaken zonder eenige kwestie treuriger staan dan bij 't begin. Met zijn 500 man heeft de overste een paar kleine overwinningen behaald, de laatste keer echter heeft hij bepaald échec geleden; een 2e luitenant Logeman sneuvelde en een kapitein werd zwaar gekwetst. Een week daarna stuurde hij ons naar huis en liet de plantages door zijn eigen menschen bezetten; terwijl er al 125 zieken weggestuurd werden deed hij nu nog deze machtsverdeeling. Niemand begreep er iets van, vooral na wat er later gevolgd is, dat u straks zult hooren. De Marnix had altijd nog op zijn programma staan een reis naar Edie, nog N .lijker op de O. kust van Sumatra. De sultan van Simpang Olim, een rijkje in Atsjin, was in strijd met den radja van Edie, ook in Atsjin, en had diens haventjes volgens 't bericht met oorlogsschepen geblokkeerd. Wij moesten, zooals 't heette om den handel te beschermen, die blokkades opheffen; de groote politicussen zien er echter in een begin van den grooten krijg ter verovering van Atsjin. Het is een moeilijke quaestie voor den kommandant, want wij hebben niets met Atsjin te maken, het is zoo als u weet nog geheel onafhankelijk. Daarom ook dat motief "van den handel te beschermen". Wij stoomden dus naar Edie, hebben voor dezen tocht een controleur a/b als civiel bestuur, en een gezant van den radjah van Edie, zijnde een Indiesche groote met gevolg. Te Edie vonden wij echter geen prauwen en alles in rust, waarop wij noordelijker laatste dagen opgingen, de diamantspunt om, en op een andere plaats, Cortoy Creek, een groote oorlogschoener vonden, en een massa kleinere prauwtjes, die er op onze komst allen van door smeerden. Daar het laag water was kon de groote dit niet doen. Wij stuurden dadelijk een gewapende sloep, ik zat er toevallig ook in, en namen de prauw zonder slag of stoot. Wij bevonden het te zijn een groote schoener met 7 geladen stukjes en een enorme hoeveelheid kruit, geweren, sabels, klewangs, kogels enz. Zij waren juist bezig geweest aan 't kogels gieten, met porselein en glas er in, ijselijk gemeen. De 12 opvarenden werden dadelijk gevangen gemaakt en bij ons aan boord gebracht. Het is een onrechtmatige daad, want wij hadden er niets te maken, dus pleegden wij zeeroof en niet zij op dit oogenblik. Maar dat is politiek! De ammunitie was meestal Engelsch, dus waarschijnlijk weder een bewijs van de knoeierij van 't Engelsche gouvernement met Atsjin. Daarop stoomden wij terug naar Edie waar de controleur, een officier en adelborst en het hoofd der gevangenen aan wal gingen om bij den radjah dien laatsten te verhooren. Uit 't verhoor bleek dat wij den gevaarlijksten zeeroover te pakken hadden en tevens dat er nog 7 zulke schoeners in de vaart waren. Die zullen we dus zeker bij een volgende gelegenheid moeten snorren. Na afloop der onderhooren gingen we terug naar Delhi, met 't idee om daar even postpakketten en nieuws van de expeditie te halen en daarmede dadelijk naar Riouw te gaan. Dit is echter gansch anders afgeloopen. Tot aller verbazing verzocht de overste Rombracht de landingsdivisie weer aan den wal. Er waren onrustbarende berichten van de spionnen gekomen. De Battakkers waren van plan om 23 September Soengal, het hoofdkartier, aan te tasten ... Door het groote aantal zieken bij ons a/b kon de kommandant maar 25 man met een officier en adelborst laten debarqueeren ... Ik had zeer gehoopt dat ik zou gaan. Het treft echter Schuylenburg, die zeer lekker er mede is, waarschijnlijk valt er te vechten en zal het niet bij een detachement op de plantage blijven. Tevens verzocht de overste Rombracht onzen kommandant om zoo spoedig mogelijk naar Poeloe Penang, eiland op de Z.kust van Malacca te stoomen om van daar naar Batavia nog een half bataillon te telegrapheeren. Op dit oogenblik zijn wij al op weg naar Pinang. Dit is een alleraardigste vergoeding voor mijn niet aan wal gaan.

t/r Riouw, a/b Zr.Ms Marnix, 29 December 1872. Wij zijn hier in 't hartje van den West-Moesson, dag aan dag met onophoudelijk regens en windbuien van groote kracht. Dat moet nog wel 2 maanden zoo duren ...'t Is toch eigenlijk zo'n raar leven in Janstinje, dat kunnen de echte Hollanders zich nooit goed voorstellen .... Na den ontbijt is eigentlijk de eenige tijd dat er wat kan uitgevoerd worden. Dan werkt iedereen 't een of ander. Wij hebben meestal, zoo wij geen wacht hebben, de een of andere exercitie of varen met sloepen naar den wal en terug. Te 12 u. is de zoogenaamde rijsttafel, bestaande uit rijst, kip, kerrie en allerlei soorten van fameus sterk gemaakte groenten enz. Efin de vermenging is colossaal sterk, doch is men een tijdje hier dan begint men het lekker te vinden. Natuurlijk een dessert van ananas, pisangs of andere lekkere vruchten. Daarna kleedt iedereen zich in slaapbroek en cabay en slaapt tot p1.m. 4 uur. Dan blijft men ongekleed zitten en theedrinken luierende tot p1.m. 5 uur. Te 5 uur kleedt men zich en dan is het de eenige tijd dat men wat kan gaan wandelen. Echter maar tot p1.m. half zeven, dan is het al donker. Dan beginnen de lui evenals 's morgens voor twaalven aan de bitter. Te 7 u. begint het avondeten waarvan hier weinig werk gemaakt wordt. ... Na tafel kleedt men zich al weer spoedig in nachttenue en blijft dan onder een kopje thee naar de sterren kijken. Dan is het delicieus en men geniet ... Zoo ziet u dat er hier in Indië al heel weinig werk gedaan wordt en wat een indolent leven het is. Men leeft maar half, de helft slaapt men. In gezondheid daarentegen leeft men dubbel.

Riouw 13 Januari 1873 of liever Tandjong Pinang.  Ik heb een paar dagen met hevige koorts a/b op mijn kooi gelegen; de gewone Indische verschijnselen, pijn in alle ledematen enz. lieten zich niet wachten zoodat ik naar het hospitaal wilde. Daar was echter geen plaats. Ik was alweer getroost in mijn lot en bijna beter toen toevallig Dr. Arntzenius een visite kwam maken. Dit is dezelfde die met papa en Mik gereisd heeft in Zwitserland! Hij zag mij te kooi in de warme voorlongroom liggen en kreeg zoo'n medelijden met mij dat hij me, verbeeldt u de vriendelijkheid, dadelijk vroeg om bij hem te komen logeeren ... Ik ben nog nooit zoo lekker in Indië geweest, doe elke dag heerlijke wandelingen en amuseer mij uitstekend. Arntzenius is de goedige prettigheid in persoon. Een ongetrouwd vroolijk man, dien ik voor eminent knap houd. Hij heeft bij de ambulance van 't Roode kruis den heelen oorlog tegen Pruisen medegemaakt en heeft dan ook 't Legioen van Eer en verscheidene bedankmedailles etc . . .. Gisteren benijdde ik Arntzenius toen iemand hem kwam bedanken van zijn leven uit een zware typhus. Wat is de betrekking van dokter toch prachtig en oneindig veel mooier dan die van gewoon land- of zeeofficier, die meestal nutteloos voor de maatschappij is!!

Tandjong Pinang, 7 Maart 1873. Lieve Moesje. Groote groote dingen zijn er op til! Eindelijk vindt dan ons goevernement een reden om te beproeven ook het groote rijk van Atsjin onder zijn eigendommen te krijgen. Zonder dat schijnen ze niet genoeg te hebben. Ook die arme Inlanders moeten onze heerschappij gaan erkennen, om die naderhand nog blijvender te maken door al hunne inkomsten. Het zal een colossale expeditie worden. Men spreekt van 5000 man! Alle mogelijke oorlogschepen worden hier verzameld .... Ik ben eigenlijk zeer lekker nu ik denkelijk in de gelegenheid zal zijn om die groote veldtocht naar Atjeh nog mede te maken, want het zal een oorlog worden die wereldberoemd zal worden. Niet onwaarschijnlijk is de interventie van Amerika! Te Singapore houdt men het er stellig voor. De Engelsche politiek is te onzen voordeele. Krijgen toch de Amerikanen Atsjin, dan hebben zij daar een magnifique punt, om van daar uit tegen de Engelsche koloniën te ageeren, hetgeen zij tot nog toe totaal missen. Het is aardig om te zien hoe al Multatuli's voorspellingen uitkomen. In den Max Havelaar reeds spreekt hij van deze expeditie. De Atsjineezen moeten een enorm leger kunnen ten strijde brengen, terwijl de vrijhaven Singapore hun in de gelegenheid gesteld heeft, zich ruimschoots van alle nieuwerwetsche wapenen te voorzien! Het is een fatalistisch volk, dat zich zonder eenigen twijfel tegen de ongeloovige honden tot het uiterste zal verdedigen ... `

Reede Atsjin 24 Maart 73. Beste Ouders, Na mijn vorigen brief runs [sic] mijn geschiedenis als volgt: Met de Coehoorn vertrok ik naar Singapore, in eskader met de Citadel van Antwerpen. Aan boord van de laatste bevond zich de vice--president van den raad van Indië, bestemd om 't ultimatum naar Atsjin te brengen. Te Singapore vertoefden wij 2 dagen, waarop wij naar Poeloe Pinang stoomden, waar ik mijn Marnixje eindelijk na 2 maanden weer vond. Ik was ijselijk lekker mijn schip weer te zien. Ik ben nog nooit zoo aan een schip gehecht geweest als aan de Marnix. Jammer dat het maar zoo kort zal zijn. Over een dag of 10 zal de Djambi hier wel zijn en dan pak ik gedecideerd over ... Te Pinang bleven wij een paar dagen ... Eindelijk dan gingen Marnix, Citadel, Coehoorn en Vink in eskader naar Atsjin en daar liggen wij nu op de reede. Een prachtige baai, menschen die er geweest zijn vergelijken het met Italië (Napels) .... Eergisteren ging het ultimatum naar den wal. De inhoud is een geheim. Alleen is bekend dat den sultan maar 24 uur beraad werd toegestaan. Gisteren kwam 't antwoord. Zooals verwacht werd was 't ontwijkend en weifelend. Wat er nu gebeuren zal weet ik niet. Blijft men bij 't eerste plan dan wachten wij niet langer maar beginnen nog heden te bombardeeren met 't grof geschut. Wij zijn volkomen op aanvallen geprepareerd. De stukken zijn geladen. De sloepen klaar om desnoods tegen vijandelijke prauwen te ageeren. Den 22sten Maart zijn van Batavia naar hier vertrokken 5 mailbooten met 5000 soldaten en nog 3 oorlogschepen. Wordt 't ultimatum aangenomen dan dient dit bloot als machtsvertoon. In 't andere geval debarqueeren natuurlijk de troepen om te vechten. Ook de 7 oorlogschepen zullen samen 450 man debarqueeren onder commando van overste Sinkes, kommandant van de Citadel. Ik hoop dat ik weder van de partij zal zijn. Nu op de Djambi, waar zoo veel adelborsten zijn, is mijn kans veel kleiner. Toen wij zoo met ons vieren op de reede kwamen gingen subiet alle prauwen naar binnen en langs 't eiland verschenen spoedig duizenden zwaar bewapende Atsjineesche krijgslieden die door elkander liepen, als mieren uit een hoop verjaagd door warm water. 't Schijnt dus dat zij zich ten oorlog voorbereiden. Niemand der Hollanders kon er natuurlijk aan gewaagd worden den brief naar den wal te brengen. Daarom pikte de Citadel onderweg een handelsprauw in, nam die op sleper en stuurde een gedeelte der bemanning met 't ultimatum naar den Sultan. De rest werd in gijzeling gehouden tot 't antwoord gekomen was. Men zegt dat de Atsjineezen 50.000 krijgers hebben. Wordt het een oorlog dan zal het een vreeselijke zijn, die in geen 3 jaar gedaan is. Het zal een dito als de 80jarige zijn, maar nu hebben wij ongelijk en vechten tegen een volk dat voor zijne onafhankelijkheid strijdt. De rollen zijn dus omgekeerd. Enfin, wij zijn allen door een eed aan die vuile politiek verbonden ... Gisteren is de moedige onderhandelaar voor de 2de keer naar den wal geweest. Hij is gelukkig teruggekomen, doch zonder bepaald antwoord. De oorlogsverklaring gaat nu straks naar den wal toe en als die er goed en wel is, dan beginnen wij met schieten. Komen dan over een paar dagen de 5000 man, dan is de boel aan de kust al platgeschoten!

Reede Atsjin 7 April 1873 Beste Ouders ... Ik hoop u mijn vorigen brief ontvangen hebt. Sinds dien brief is de oorlog begonnen. Wij zijn met de Marnix zoowat beginnen te schieten. Daar de schoten nogal effect schenen te hebben kwam er spoedig een brief van den sultan, waarop eindelijk echter geen antwoord meer werd gegeven. Het was iederen dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat druk bombardeeren van de op 't strand opgeworpen bentings. Dat was in 't eerst zeer aardig van wegen de nieuwigheid. We konden met de kijkers duidelijk de Atsjineezen aan 't strand zien wegloopen. Van de brengers van bovengenoemden brief hoorden wij dat den eersten dag reeds 3 dooden, vele gekwetsten en nog meer huizen gevallen waren. Na een paar dagen kwam de Djambi, waarop ik helaas dadelijk over moest gaan ... De kommandant was ziek achtergebleven doch is eergisteren gekomen. Het is kolonel Koopman, adjudant des konings in b.d. en nu benoemd vlootvoogd van de maritieme middelen te Atjeh. Hij is zoo trotsch als zelden vertoond wordt en dat in plaats van mijn goede huiselijke overste Rietveld van de Marnix. Dat is een verandering ten nadeele. Verder is de voorlongroom wel grooter en luchtiger, maar er zijn veel meer lui, zoodat de dienst lang zoo huiselijk niet is ... Eindelijk 5 April kwam de heele vloot bestaande uit 5 mailbooten volgepropt met troepen, tesamen plm. 5000 man onder generaal Köhler, 5 koopvaarders van de grootste soort voor hospitaalschepen, proviand, 1000 koelies enz. en verder nog een oorlogschip met 6 kruisprauwen, morgen of vandaag komt er nog een oorlogschip. Het is dus met recht what you call een colossale expeditie. En toch helaas, helaas, ik mag niet debarqueeren! ... Wij hadden allen even veel ambitie, dus moesten de dobbelsteenen beslissen. Ik viel er o.a. uit. U begrijpt niet hoe ik 't land had. Ik wilde maar dat de heele expeditie al gedaan was, want niets is beroerder en vervelender dan bij zoo'n gelegenheid alb te blijven. Het is gewoon verschrikkelijk!

10 april Den dag nadat de troepen op de reede kwamen werden er ' s morgens een 500 a/d wal gezet met 't idee een verkenning te doen. Van boord konden wij zelfs met 't bloote oog alle bewegingen duidelijk zien. De marine assisteerde natuurlijk bij 't debarqueeren, en de schepen hadden eerst den wal met 't zware geschut trachten schoon te vegen. Niet zoodra waren de troepen alsof wij zagen de Atsjineezen met honderden en honderden tegemoet snellen. Zij boden een wanhopigen tegenstand. Het was indrukwekkend om te zien. De voorvechters, menschen door de hadjies of priesters opgeruid om zich a/d dood te wijden, dansten tegen de pelotonsvuren in en drongen door het gelid heen. Daar zagen wij ze dan vallen. Onze troepen werden zelfs een oogenblik teruggeslagen. Naderhand echter vluchtten de Atsjineezen en hadden (geschat) pl/m 50 dooden en gewonden. Wij hadden 5 gekwetsten, waarvan 2 overleden. Den volgenden dag hadden wij allen de taak de wal verder te bombardeeren, hetgeen ons den heelen dag in de kruitdamp hield. Van den wal werd dapper op ons geschoten echter voor de Djambi zonder effect. De Citadel kreeg verscheidene kogels in romp en tuig, omdat die dichter bij lag. Daarop volgenden dag debarqueerden bijna alle troepen, ook onze marinelandsdivisie. De marine bestuurde de heele landing, hetgeen maakte dat wij p.m. 48 uur bijna niet geslapen of gegeten of gezeten hebben. Zoo druk hadden wij 't allen, u begrijpt 't is geen kleinigheidje een 5000 man a/d wal te zetten, met cavallerie, artillerie en het debarqueeren duurde 2 dagen. Den 1sten dag werden de troepen voor een benting teruggeslagen. Wij zagen den aanval .... Langs 't strand waren 2 forten. Het werd betrekkelijk makkelijk genomen, 't 2e bood heftigen weerstand met wel 12 kanonnen. De troepen werden teruggeslagen en hadden pl.m. 5 dooden en een massa gekwetsten. Wij zagen alles. De troepen manoeuvreerden magnifique. 't Was alsof ze aan lintjes bewogen werden. Vóór 't commando 'retireeren' week niemand. Er waren vreeselijke gewonden bij. Wij zagen ze vallen, die helden. De vijand had denkelijk wel een 200 dooden, pl.m. 97 werden door onze troepen later begraven. Die lui vechten onbeschrijflijk moedig. Het is ook voor 't behoud van hun vrijheid ... Wij hebben met de schepen het tweede sterke fort zoo gebombardeerd, dat de vijand gevlucht is en de soldaten het zonder slag of stoot genomen hebben. Dat was gisteren. Heden trekken de troepen verder op naar 't fort van den sultan.

Reede Atsjin, 28 April 1873 a/b Zn..Ms. Citadel van Antwerpen.
Beste Ouders ... De expeditie naar Atjeh, u heeft het zeker al uit een massa telegrammen gehoord, is dan zoo mislukt. Na mijn vorigen brief is er een massa gebeurd. De adelborst le klas Zimmer stierf aan zijn borstwond. De luit.zee le kl. Engelvaart stierf op een marsch door een zonnesteek. Van de landmacht sneuvelde een massa officiers, waaronder de generaal opperbevelhebber.(Köhler) Het geheele aantal gewonden en gesneuvelden is p.m. 500. Het is een verschrikkelijke expeditie geweest. In mijn vorigen brief schreef ik reeds ik vermoedde 't zoo af zou loopen en hoe groot de tegenstand van den vijand dadelijk was. De Atjehneezen hebben prachtig en prachtig voor hun vaderland gestreden, trouwens ons Indiesch leger heeft zich ook magnifique gehouden. Toen de bentings aan 't strand allen met marinegeschut genomen waren, trok het grootste gedeelte van 't leger naar 't binnenland. Het doel was de sterkte van den sultan, de zoogenaamde kraton te nemen. Daarvoor hebben echter onze dapperen het hoofd gestooten. Men vermoedt, dat de Atjehneezen door blanken aangevoerd worden. Hun taktiek en hun schieten is uitstekend, terwijl de muren hunner bentingen zoo sterk zijn, dat de zwaarte van 't meegevoerde geschut ontoereikend is gebleken. Daar nu over een paar weken de slechte moesson hier intreedt, zoodat communicatie v/d wal met de reede onmogelijk wordt, is er wijselijk besloten de expeditie maar in te rukken, waarom dan ook hedenmorgen het embarquement der 300 man met 't meeste succes en zonder aanval des vijands heeft plaats gehad. Over een half jaar zal er denk ik wel een grootere macht terugkomen. De vloot blijft de kust blokkeeren. Zij bestaat uit Citadel van Antwerpen, Soerabaia, Coehoorn, Sumatra en Timor. Djambi en Marnix gaan naar Holland en daarom ben ik er juist afgeplaatst, want 't is mijn tijd nog niet. Om hier te Atjeh te blijven is zoo als u begrijpt allercriantst vervelend ... Het schip bevalt mij anders wel. De overste Binkes is zooals u weet nog een oude kennis; 1e officier en andere officiers zijn goede lui. Ik ben den heelen tijd niet gedebarqueerd geweest en leef dus nog. Eigenlijk is 't achteraf gezien toch maar beter. Ik ben al dien tijd kommandant geweest van een der stoombarkassen en heb 't als zoodanig schreeuwend druk gehad ...

Reede Atjeh a/b Citadel van Antwerpen 9 Mei 1873 .
Wij liggen nog steeds te blokkeren tot vervelens toe de mooie bergen van Atjeh te bekijken. Ik denk hierbij aan Moses die ook het mooie land van Kanäan alleen mocht zien, doch er niet inkomen ...Wij krijgen hier dagelijks meer zieken aan boord, vooral de Inlanders kunnen niet tegen dit leven zonder versch v1eesch en andere verversching. Zij krijgen de zoogenaamde beriberi, een vreeselijke ziekte, een soort van verlamming in de beenen ....

Einde eerste deel van de brieven van Chrik de Booy aan zijn ouders periode 10 mei 1872-9 mei 1873

Tweede Atjeh oorlog

Het bevel over de troepen die een tweede aanval op Atjeh zouden gaan ondernemen was generaal van Swieten.

         

Generaal Jan van Swieten (28 mei 1807- 9 september 1888) was een Nederlands militair, politicus en publicist. In 1873 kwam Van Swieten weer in actieve dienst. Hij was toen al 66 jaar oud en werd door gouverneur-generaal James Loudon als militair opperbevelhebber belast met de Atjeh-oorlog. Aan het eind van dat jaar begon onder Van Swieten een tweede expeditie tegen de sultan van Atjeh. Van Swieten had een enorme troepenmacht en vloot laten uitrusten en veroverde de kraton van de sultan. In 1874 keerde Van Swieten naar Nederland terug en werd hem eervol ontslag verleend. Hem werd het Grootkruis der Militaire Willems-Orde toegekend (Zie ook een passage uit het dagboek van mijn grootvader dat generaal van Swieten mijn overgrootvader suggereert om zijn andere zoons ook in de Marine te laten gaan.)

De troepenmacht voor deze tweede Atjeh oorlog bestond uit dertienduizend man: 389 officieren 8156 minderen 1037 officiersbedienden 3280 dwangarbeiders en 243 vrouwen. Negentien transport schepen werden ingehuurd. Een grote tegenvaller was dat er cholera heerste aan boord van de schepen. En voordat de vloot in Atjeh aankwam waren 60 mensen overleden.

 De landing vindt plaats op 9 december 1873 op de moeraskust van Noord Atjeh. Van Swieten stuurt een brief naar de sultan met het verzoek "om het krijgsgebruik van beschaafde volken in acht te nemen, dus het mishandelen en dooden van krijgsgevangenen tegen te gaan". De sultan antwoordt niet eens, de Javaan die de boodschap brengt, wordt gedood. Ten gevolge van de weer grote tegenstand op het strand, onder leiding van een broer van de sultan, lukt het de invasiemacht pas om, na 8 dagen van zeer felle gevechten, vanaf het strand verder te trekken. Het doel is weer die moskee, want de nationale eer was immers in het geding. Na weer zware gevechten, met aan beide zijden veel doden en gewonden, trekken de Nederlanders op 6 januari 1874 (voor de derde keer in 10 maanden) weer de moskee binnen. Men gaat vanuit de bezette moskee op zoek naar de kraton van de sultan. Op 24 januari wordt deze zonder veel tegenstand veroverd. Van Swieten is opgelucht en roept de beroemde woorden "De kraton is ons, en het trotsche volk van Atjeh heeft voor uw moed en uw krijgskunde moeten zwichten" en laat de champagne aanrukken.

Verovering kraton sultan Atjeh 28 januari 1874, zittend links generaal J. van Swieten, regeringscommissaris en opperbevelhebber, rechts generaal-majoor G.M. Verspijck. tweede bevelhebber

De meegebrachte militaire kapel speelt "Wien Neerlands Bloed". Wat Van Swieten niet wist was dat de kraton de nacht ervoor was verlaten, de jonge sultan, met zijn 3-jarig opvolger Mohamad Daud, was al veel eerder vertrokken. Van de Nederlandse troepen waren al 60 man gestorven aan de cholera, de sultan was bang dat ook hij besmet zou worden en was om deze reden weggetrokken. Helaas bleek de sultan toch al besmet en stierf op 29 januari. 
In de praktijk hadden de Atjehers zich dus helemaal niet overgegeven, voor hen begon het pas. In april 1874 vallen de, weer in witte kleding gehulde, Atjehers massaal aan en lijdt de opvolger van Van Swieten, kolonel Pel, een gevoelige nederlaag. De drieduizend man die van Swieten in april 1874 achterliet, nu onder bevel van kolonel J.H. Pel stierven in het zelfde jaar nog eens negenhonderd. Wat was nu het resultaat van deze tweede Atjeh oorlog. Een leeg kraton zonder politieke betekenis was bezet en stroomafwaarts langs de rivier enige kampementen gesticht.  Het is net zoals de eerste oorlog weer op een mislukking uitgedraaid. Terwijl Van Swieten als held wordt ingehaald in Batavia, is van de totale Nederlandse troepenmacht al 25% uitgeschakeld (ziek, gesneuveld of gewond). Kolonel Pel kan niets anders doen dan zich terugtrekken in een door een verdedigingslinie omheind gebied van ca 50 vierkante km. Niet meer dan ca 0.1% van Atjeh is gepacificeerd. Kolonel Pel wordt bevorderd tot Generaal Majoor en sneuvelt in 1876.

   

Graf van Generaal-majoor J.H. Pel gesneuveld in 1876 tijdens de tweede Atjeh oorlog. Inzet:  Generaal Pel

In 1879 heeft Luitenant-Generaal  J. v Swieten een dik boek van maar liefst 493 pagina's geschreven getiteld: 'De waarheid over onze vestiging in Atjeh'. Op pagina 414-416 geeft hij samenvatting van de mislukte tweede Atjehoorlog:

Dat de oorlog met de nederlaag en onderwerping van Atjeh zal eindigen, wordt door ons en zeker ook door niemand betwijfeld, het minst door de inboorlingen van onzen Indischen Archipel. Zelfs de Maleiers ter Sumatra's Westkust verklaarden dit reeds na den ongunstigen afloop der eerste expeditie. "De Compagnie, zeiden zij, mag nu en dan verliezen, maar zij houdt vol, komt terug en eindigt altijd met winnen." Welk stelsel men ook volge, het onze of dat van agressie, het einde zal altijd de overwinning zijn, en het onnadenkend publiek zal de palm uitreiken aan het stelsel, onder welks toepassing de onderwerping plaats heeft. Intusschen wagen wij ons aan eene voorspelling. Indien de onderwerping niet zeer spoedig tot stand komt, dan zal men, om uitputting onzer krachten te voorkomen, van stelsel moeten veranderen. Men zal de agressie moeten staken en zich moeten beperken binnen engere grenzen van terrein en troepencijfers. Deze beperking, die men toch nooit kan ontgaan, zal de meest af doende veroordeeling zijn van het agressief stelsel. Had men de resultaten afgewacht van het onze, dat ons, volgens Generaal Pel's verklaring van April 1875, eene onneembare positie bezorgde: men had de bevolking tot zich getrokken, menschenlevens en schatten gespaard, terwijl ons prestige ware bewaard gebleven, dat door terugtrekken noodwendig moet lijden. Men zal dus - tenzij spoedig een buitengewoon geluk een eind aan den strijd make - moeten terugkeeren tot het eenige goede stelsel, dat men nimmer had mogen verlaten. Met opoffering van menschenlevens en schatten heeft men "fausse route" gemaakt en het doel, pacificatie, voorbij gestreefd! Met de meeste onbesuisdheid en brooddronkendheid, om er niet meer' van te zeggen, heeft men door zwaard en brandfakkel, haat en afschuw verwekt. Waar de bestaande verdeeldheid onder onze vijanden, tot toenadering en onderwerping moest leiden, daar heeft men die door ruw geweld, door doodschieten en verbranden onmogelijk gemaakt. De wraakzucht, opgewekt tegen den gehaten vijand, die zelfs weerloozen niet sparende, het land te vuur en te zwaard verwoestte, heeft de bevolking hare verdeeldheden doen vergeten, om ons met de kracht der wanhoop nauw aaneengesloten te bestrijden. Maar, "à tout péché miséricorde." Beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald! en wanneer men door schade en schande wijs geworden, het werk op nieuw zal moeten beginnen waar het na April 1875 zoo noodlottig werd afgebroken,  en wanneer men dan met weemoed en zelfverwijt een terugblik zal werpen op het vierjarig tijdvak, dat zoo veel bloed en goud verslond, zonder ons een enkelen stap nader te brengen tot de onderwerping van het Atjehsche volk, dan zal de onstuimige jeugd wellicht wat meer consideratie gaan gevoelen voor den kalmen, door ondervinding wijs geworden ouderdom, die de rampen voorspelde, welke men tegen zijne waarschuwende stem in, als door blindheid geslagen, tegemoet liep, en voor welke men hem nu ten spotte van alle gerechtigheid, nog verantwoordelijk zou willen stellen" .


Hier volgen weer de brieven van Chrik de Booy aan zijn ouders die gaan over deze tweede onsuccesvolle Atjeh oorlog:

t/r Reede Edie besar 1 juni 1873 aan boord Zr.Ms St Citadel van Antwerpen.  Ik kwam net op mijn verjaardag met de Siak ter reede Atjeh terug , na mijn zending als prijskapitein gelukkig volbracht. Wij werden met de Citadel na mijn aankomst belast met een kruistocht langs de Oostkust om te zien of er nog kleine Atjehsche rijkjes zijn die tot ons willen toetreden. Overal bevonden wij de bevolking echter ten zeerste oorlogszuchtig; klewang zwaaiende vertoonden zij zich aan het strand zodat het niet raadzaam was iemand aan wal te sturen.

Reede Poel oe Pinang 27 Juli 1873 a/b Zr.Ms. stoomschip Citadel van Antwerpen
.. Ik heb een beetje moeten lachen om uw idee dat ik getelegrapheerd zou hebben tijdens de expeditie. Ik ben al zoo dol blij als ik eens een maand goed rond scharrel dat ik waarlijk niet zou weten waar ooit een f 60.00 vandaan te halen! Met een armzalig adelborstentraktementje gaat dat wezentlijk niet. Ik vind het al mooi als ik mijn brieven kan frankeeren. U weet niet hoe duur deze tijd voor ons is. Aan onze tafel hebben we b.V. aardappelen afgeschaft en die vervangen door droge rijst. Is er geen versch vleesch aan boord, dan eten we jachtschotel van zoutvleesch etc. We worden dan ook ijselijk vindingrijk wat aangaat het op tafel brengen van nieuwe kostjes gemaakt van scheepsrantsoenen. Ik heb o.a. geïnventeerd oesterpastijtje, gemaakt van meel en zoute droge visch.

22 Augustus 1873 a/b Citadel van Antwerpen, ter reede Gighen
Goddank zijn wij gisteren van het ruwe Atjeh vertrokken en zijn nu op ons bloccadestation gaan liggen .... Alles blijft anders steeds hetzelfde. Alleen komen er meer schepen 't Eskader versterken. Geheel Indië is leeggeplunderd. Op alle overige stations kan de zeerooverij welig tieren. Uit alles blijkt de verbazend slechte toestand waarin onze marine verkeerde. Ik geloof dat deze oorlog een enorme stoot van verbetering zal geven ... Wanneer de expeditie zal beginnen is nog een diep geheim. Alleen, de kolonel van Gogh, kommandant der marine middelen, is opgeroepen naar Batavia en daar de generaal van Swieten) ook waarschijnlijk al aangekomen is, doet dit algemeen een spoedig begin vermoeden .... Mijn voornaamste bezigheid is lezen. Ik heb in Holland ingetekend op eene geillustreerde Household Dickens editie, waarvan ik colossaal veel plezier heb, evenals van al de boeken die ik van u medegekregen heb. Het heele état-major profiteerde van mijn bibliotheek. Vooral Lief en Leed en De Wonderdokter vinden veel aftrek .... Wij leven compleet in een drijvende gevangenis, komen in geen maanden aan den wal, zien niemand, horen niets, wat valt er dan te vertellen dan voortdurende klachten? ... Zieken zijn gelukkig zeldzaam geworden door de doortastende maatregelen van steeds sappies (koeien) aan te voeren en rantsoen wijn aan 't volk te geven. De oorlogschepen zien er daardoor soms als veebooten uit. Het gebeurt wel dat we 15 sappies tegelijk aan boord krijgen. Wij zijn hier weer op een plaats waar de bevolking hoogst oorlogzuchtig is. Ze loopen klewang te zwaaien langs 't strand, in machtelooze woede.

8 September De laatste dagen hebben zich gekenmerkt door de inventie met verscheidene nieuwe amusementen. Een der meest in vogue zijnde is het priktollen - ook haasje over vindt veel aftrek. Zelfs onze eerste officier doet met al die dingen mede.

Reede Gighen 9 oct. a/b Citadel van Antwerpen
... Vanaf 31 Juli, dus nu ruim 2 maanden heb ik geen voet aan wal gezet ... U begrijpt wel hoe dol wij allen naar de expeditie verlangen. Die kan toch 't einde van onze verbanning zijn, zoo ze nl. lukt, anders nog niet eens. Het laatst van November, dus over 1 ½ maand, is de bepaalde tijd. Spionnen verhalen van de verbazende krijgstoerustingen der Atjehneezen en van hunne vastbeslotenheid om te sterven en onafhankelijk van ons te blijven. Op de reede van Atjeh zelf hebben zij alweer op de schepen geschoten zonder dat die er eenige aanleiding toe geven. 10.000 Atjehneezen zullen, alleen met de klewang gewapend als stormkolonne tegen de landing ageeren en hebben gezworen te sterven of te overwinnen .... Het zal een ongekende strijd zijn! menigeen zal aan den voet van Atjeh's schoone bergen zijn graf vinden! Of de marine hare landingsdivisie ook zal afgeven schijnt nog onbekend te zijn ....

13 october .Ons aller geest is stervende. Niets houd ik voor Genieindengrondverstikkender (een mooi woord) dan deze toestand.. Ik dank papa voor de verantwoording mijner gelden. Ik kan mij niet begrijpen dat u vindt dat ik zoo veel geld uitgeef. Dat vast tractement is toch om te verteren; bovendien kan ik voor het geld dat hier onze tafel kost in Holland wel onze heele familie te eten geven. Wil men goed eten dan kost het f 80.00 per maand. Mijn zeetraktement was tot nog toe f 91,66 ...

Reede Gighen a/b Citadel van Antwerpen 1 November 1873.
 Den vierden Nov dus over 3 dagen beginnen de troepen zich in te schepen; den 19de vertrekt de staf van Batavia, dus over een halve maand zullen we dunkt mij al druk aan den gang zijn ... Het is een interessante tijd voor ons landje .

Reede Bungaloo 18 November 73 a/b Citadel van Antwerpen.
 We zijn druk aan 't laden en 't is bar weer, zoodat ik mijn handen vol heb. De expeditie is 10 dagen uitgesteld en daardoor ook ons vertrek naar Atjeh zelf ... De reden van 't uitstel ligt in het nog niet goed door zijn van den goeden moesson ... Er loopt op 't eskader een gerucht dat te Batavia de cholera is uitgebroken. Als u dezen krijgt weet u al lang of dat waar is of niet. Het zou verschrikkelijk zijn en denkelijk de heele expeditie wel tegenhouden.

Reede Atjeh 23 November 1873.
Eindelijk zijn we voor goed ter reede Atjeh en is de expeditie bijna begonnen .... We liggen tijdens de expeditie met de oorlogschepen: Zeeland, Metalen Kruis, Koopman, Citadel, Watergeus, Sumatra, Borneo, Banda, Riouw, Amboina, Adm. van Kinsbergen, Siak, Hertog Bernard, Bronbeek en Argus, de 4 laatsten van de goevernementsmarine. Zooals u ziet is de Riouw er toch bij . Verder ligt de reede natuurlijk vol met een massa koopvaardijschepen en stoomboten. Ook zullen er oorlogschepen van andere natiën komen. De troepen worden morgen of overmorgen verwacht. Gisteren kwam het bataillon van Samarang al vooraf. Nu hadden wij al bij geruchte vernomen dat op Java cholera was, doch toen gisteren de boot bij het op de reede komen ene gele vlag hees, dacht daar toch niemand aan. Doch helaas, de uitkomst was verschrikkelijk: de sloep die er heen ging kwam dadelijk terug met de tijding: "Van het bataillon van Samarang zijn onderweg reeds 8 choleralijders overleden en nog 5 anderen hebben de ziekte". U begrijpt wat dat een paniek op de vloot teweeg bracht. De toestand is dan ook  verschrikkelijk! Een betrekkelijk kleine boot op een vijandelijke reede, met 800 soldaten a/b als koeien in een stal op elkaar gepropt en daar de cholera! 't Is horrible! Gisteren zagen wij 2 maal de gele vlag hijschen, een bewijs dat er weder 2 gestorven waren. Iedere minuut oponthoud kan natuurlijk levens kosten. Dadelijk werden alle officieren bij elkaar geseind en hun advies was: onmiddellijk een der naaste eilandjes in te gaan nemen en daar een hospitaal op te gaan richten. Dat advies werd natuurlijk aangenomen en heden morgen vroeg stoomden 4 oorlogschepen met het besmette oorlogschip er heen. De oorlogschepen zullen het nu nemen en dan zal het hee1e bataillon debarqueeren en een groot hospitaal oprichten ....

25 November. Poeloe Nanoy is zonder slag of stoot door de onzen genomen. De inlanders zijn allen weggeloopen. Het bataillon is er gedebarqueerd en is bezig er een hospitaal in te richten. De cholera is aan 't bedaren: er zijn ten minste geen nieuwe gevallen bijgekomen, hoewel er nog een paar gestorven zijn. Dus groote blijdschap op de vloot. Geen ziekte bij de nieuw aangekomen troepen, maar jawel, ijdele hoop. Een paar uur later werd er weder een quarantainevlag geheeschen. Op de Willem Kroonprins der Nederlanden was ook de cholera!!! ... Dus dat zijn al 2 bataillons die voorloopig buiten werking zijn. 2 andere booten kwamen gisteren, doch die zijn gelukkig vrij. De generaal van Swieten wordt morgen of overmorgen met de rest der troepen verwacht.

27 November 1873. Dagelijks kwamen er booten met troepen, bijna allen met choleragevallen a/b. Het is gelukkig niet erg, b.v. op één boot met 2000 man waren maar 2 gevallen en dat na een zeereis van 8 dagen.

1 december Eergisteren kwam eindelijk de generaal van Swieten. Den volgden dag dus gisteren werd gebruikt voor een verkenning langs de kust te doen met een paar schepen. Ik deed de tocht mee met een stoombarkas. Er werd nog al op ons geschoten maar totaal zonder effect, daar alle schoten veel te hoog waren De Banda vuurde eenige malen terug, ook echter met weinig effect. Heden vertelt men, ik weet niet of 't waar is dat de generaal nog wil wachten met debarqueeren tot het weder zich wat zet. Er vallen zulke verschrikkelijke regens dat volgens spionnen alles aan den wal een groot moeras is.

Atjeh 12 December 1873 a/b Citadel van Antwerpen  Het weder bleef een week lang allerellendigst, geen oogenblik zonder stortbuien, de cholera nam hevig toe. Dus aller allerslechtst voor een landing. Die werd dan ook uitgesteld tot den negenden dezer .... De landing gebeurde op een heel ander punt dan de vorige keer, waar de vijanden volstrekt niet op gerekend hadden. De oorlogschepen openden 't gevecht door eenige granaten 't land in te gooien. De Atjehs deden niets, vertoonden zich zelfs niet. Daarna werden wij met de gewapende sloepen naar 't strand gestuurd, achter ons aan kwamen de sloepen met de troepen. Toen wij tot op 100 el genaderd waren vertoonden de vijanden zich en openden een vrij hevig vuur op ons. Vlak naast mijn oor viel o.a. een rond kogeltje in de tent mijner stoombarkas, die 3 dubbel was .... Toen wij willig met onze stukjes terugvuurden hield het vuur der Atjehers spoedig op en wij zagen ze vluchten. Toen werden de sloepen met troepen naar het strand geroeid en begon het debarqueeren. Dat duurt nog steeds door. Tot nog toe zijn er nog maar weinig gekwetsten. De cholera vermindert echter nog niet. Op de oorlog schepen is tot nog toe geen geval, hoewel wij al heel veel in aanraking met besmette schepen geweest zijn. Het leger rukt langzaam voorwaarts naar de plaats waar wij de le maal geland zijn. Wij zijn met de oorlogschepen de troep altijd voor en beschieten den heel;en dag de kust. 1

16 December . Vanmorgen zag ik het lijk van Generaal Bicchio, een der groote generaals van Garibaldi, die hier een ltaliaanschen boot commandeert. Hij was aan de cholera gestorven. Deze wordt niet erger maar vermindert ook niet. De troepen rukken zegevierend voorwaarts. Tot nog toe maar 10 gesneuvelden.

Atjeh a/b Citadel van Antw. 6 Januari 1874  Er is eigenlijk nog niet veel gebeurd. De troepen zijn vanaf hunne landingsplaats kalm en met kleine eindjes tegelijk voortgerukt tot op 1500 el van den kraton, op hunnen weg alles veroverende wat weerstand bood. 3 malen leverden de vijanden hevigen tegenstand, het was den 14den bij de benting Moesapi en den 24sten en 25sten bij een verkenning naar den kraton. Alle 3 de keeren hadden wij een aanzienlijk aantal gekwetsten. Bij het nemen van de groote Atjeh rivier even als bij de late landing waren wij met de gewapende troepen behulpzaam. Overigens was het de taak der marine alle mogelijke bentings te bombardeeren, met dat gevolg dat de troepen behalve de 3 bovengemelde keeren er altijd in hebben kunnen trekken zonder eenigen tegenstand. Zij verhalen dan de boel op een vreeselijke manier vernield te hebben gevonden door onze granaten, dat nog een beetje satisfactie is, want overigens is 't zeer vervelend dat eeuwigdurende gebombardeer zonder zelf bijna iets van 't succes te zien. Tot op 1500 pas van den kraton begon een tijd van rust voor den infanterist, terwijl het werk der sappeurs en mineurs een aanvang nam. Ik heb ze gezien, die magnifique loopgraven tot op 500 pas van dien kraton, zoodat men dien van 't uiterste punt vrij goed kan zien. Daar gaan ze nu dezelfde soort 12 cm achterlaadskanonnen in batterij brengen die de Pruisen voor Parijs gebruikt hebben en daarmede hoopen ze de fiere Atjehers na een paar daags bombardement uit hun verste en grootste versterking te jagen .... Nu zijn wij weer een paar dagen weg geweest, een der onderhoorige staatjes van Atjeh, Pedir, had nl. 1500 man afgezonden om den sultan te helpen. Zulk een gedrag verdiende een tuchtiging van den rechtvaardigen Nederlander en daarom werden wij er met onze schepen heengestuurd om des sultans woonplaats te bombardeeren en in brand te schieten. Dat lukte perfekt in 2 dagen. Door dat succes overmoedig geworden werd er den 3den dag een landingsdivisie aan wal gezet, die echter terug moest trekken met verlies van 2 dooden en 12 gewonden, waaronder mijn kameraad en een mijner beste vrienden Schuylenburg, adelborst le klasse. Hij is gelukkig alleen licht gewond onder de linkerknie. Ik heb er den kogel uit zien halen. Hij maakt het echter perfect.

Atjeh, monding Atjehrivier, 27 Januari 1874.  Sinds een paar weken ben ik hier gedebarqueerd met een houwitser. Wij waren eerst gedeeltelijk aan den overkant, doch in 14 dagen waren van de 75 man maar 40 over: de overigen waren allen wegens zware koortsen geëvacueerd. De troepen hadden daar op hun weg naar den kraton eerst allen eens gelegerd en hadden vooral daar zwaar aan de cholera geleden. Er waren dus honderden begraven, en dat gaat in dezen tijd wel eens oppervlakkig. Als nu 's avonds de landwind doorkwam was het er bijna niet uit te houden van den stank, dus u begrijpt hoe ongezond Ik zelf heb er ook zwaar de koorts gehad, maar mijn sterke gestel heeft er mij weer bovenop gebracht.... Nu zijn wij allen op den West oever en hier gaat 't beter. Voorgisteren is de kraton genomen. Den volgenden dag ben ik dadelijk eens gaan kijken ... Mijn goede vriend Schuylenburg maakt het allerslechtst. Hij heeft de dysenterie er bij gekregen en er bestaat vrees voor zijn leven. Van morgen vroeg ben ik even naar 't Ziekenhuis geweest omdat ik mijn ouden shipmate (nu al over de 2 jaar) gaarne nog eens wilde zien. Hij zag er al uit als een lijk en herkende mij geloof ik niet eens. Spreken ging ook bijna niet. En ik die er misschien veel beter tegen zou hebben gekend kan maar geen kogeltje te pakken krijgen!Ainsi vale monde! - Ik ben tegenwoordig gerechtigd tot het dragen van een kruis en wel het Eerkruis voor krijgsverrichtingen, dat ook voor Deli uitgegeven is. Ik heb het verleden week gekregen. De cholera is uit geweest maar weer begonnen met de troepen die pas uit Padang kwamen. Verder heerschen er enorm veel koortsen. Ook zegt men , dat onder de vijand veel cholera heerst. De kraton is niets interessant om te zien. Een vuile boel. Het hoeft U niets te spijten dat U hem waarschijnlijk nooit zult zien,..Wij zijn allen natuurlijk colossaal benieuwd hoe nu de oorlog voortgezet zal worden, want met de kraton hebben we eigenlijk nog niets.

Atjeh, a/b Citadel van Antwerpen, 4 Februari 1874 . . .. Alle kans om doodgeschoten te worden is nu bij de marine lui verkeken, zelfs bij de landmacht is die na de inname van den kraton gering geworden en wat de cholera aanbelangt ik ben nu al zoo dikwijls met mijn zwakke ingewanden bij choleralijder en lijken geweest zonder iets te ondervinden dat ik geloof er tegen gepantserd te zijn. Ik houd het er voor dat dit komt omdat ik er zoo totaal geen vrees voor heb en er zelfs bij 't zien van de verschrikkelijkheden er van zoo weinig aan denk terwijl ik van verscheidende gevallen gehoord en er zelfs 2 bijgewoond heb van menschen die er zich erg benauwd over maakten en weinig tijd daarna aangetast werden en stierven ... Na het komen der versche troepen van Padang en Batavia is de cholera bij 't leger weder begonnen. Op de vloot bij ons is 't bijna uit. Eenige dagen geleden vervulden wij de treurige plicht onzen armen vriend Schuylenburg  - sinds 2 1/2 jaar mijn shipmate - te begraven.

Schuylenburg 29 jan 1874 overleden in Atjeh aan zijn wonden

Over den oorlog schrijf ik u niets, daar u alles toch bijna even gauw weet als ik door de telegrammen, b.v. toen de kraton genomen was wist ik uit een dagorder van den G. G. een week daarna al hier dat er in Nederland zoo gevlagd was en er zoo'n algemeene vreugde geweest was. Alleen waarschuw ik u toch geen geloof te schenken aan al dat flauwe Indiesche courantengeschrijf tegen generaal van Swieten. Ieder weldenkend en ontwikkeld mensch admireert ten zeerste de practiesche en menschen sparende taktiek waarmede hij zonder slag of stoot den kraton genomen heeft. Ik was dien laatsten tijd van al die gevechten juist aan de rivier monding gedebarqueerd, zooals ik u reeds schreef. Zoodra dan iets genomen was vroeg ik dadelijk verlof om met een stoombarkas naar boven te gaan zoodat ik dan ook én missigit (kleine moskee) én kraton (ommuurd vorstenverblijf, soms een uur in omtrek) bijna dadelijk na de inname gezien heb, hetgeen veel voor heeft daar nu b.v. al bijna alles in de lucht gesprongen is door onzen lithofracteur.(een soort dynamiet). Ik ben tot 17 Januari van af den 6en aan den wal gebleven, toen werd alles geembarqueerd, nadat de macht tot op 1/3 gedund werd ....

Reede Atjeh 9 Febr. 74 a/b Citadel van Antwerpen. .. Een paar dagen geleden werd er in het hoofdkwartier Tenajoeng een concert gegeven. Natuurlijk waren de état-majors van alle bodems geïnviteerd. Ik vond het idee allercurieust, een concert op pas veroverde grond, in de onmiddellijke nabijheid des vijands. Ik ging er natuurlijk heen en amuseerde mij uitstekend ... Ik blijf mij voortdurend in de beste gezondheid verheugen, terwijl 2/3 van ons état-major de koorts heeft. Dat geeft nogal drukte voor ons overblijvenden. De reede is vol koortslijders, waarschijnlijk door epidemiesche luchtstroomen van den wal veroorzaakt. Gedurende deze expeditie houdt het Roode Kruis zich weder prachtig. Magnifique zorgt het voor zieken en gezonden. Chef er van is een zekere Bunsingslöwe, schatrijk particulier uit Soerabaja, die bij alle gevechten vooraan was om gekwetsten weg te halen en bij gemis aan off. v. Gez. ook zelf te verbinden, waardoor hij zelfs met dien off. v. Gez. standjes kreeg, dat hij teveel in vak kwam. Men zegt dat hij ook het eerst in den kraton was ...

13 Maart 1874 a/b Citadel v.Antw. ter N.kust Atjeh .. Den achttienden Februari zijn wij plotseling van Atjeh weggestuurd naar de verschillende staatjes op de Noordkust van dat rijk, om daar brieven rond te brengen van den generaal van Swieten. In die brieven laat hij de hoofden van die rijkjes belooven ons goevernement als suzerein te erkennen, onze vlag te hijschen enz. nog een heele boel moois meer. Wij moeten die brieven dan onderteekend terug brengen. Wij zijn nu bijna een maand aan den gang, maar nog geen der flinke staatjes heeft willen toegeven. Wij zien niet in dat de val van den kraton ook die van heel Atjeh is, evenmin als ik dat inzie en niemand nog behalve heele erge optimisten. De Metalen Kruis heeft dezelfde zending op de Westkust gehad, die is nu reeds terug te Atjeh en heeft bij één of twee rijkjes succes gehad. Niet alleen dat op de Noordkust de kerels niet hebben willen teekenen, maar zelfs hebben zij duidelijk blijken van vijandschap getoond. Die brieven werden natuurlijk niet door blanken aan den wal gebracht, die zouden waarschijnlijk onmiddellijk vermoord zijn geworden, maar wij hadden daarvoor een stuk of 4 klingoleezen aan boord die ze altijd brachten en antwoord haalden. Er wonen in Atjeh verscheidene klingen, dus aan die menschen werd geen kwaad gedaan. En nu "la pièce". Op een der plaatsen waar wij kwamen, hebben die flinke Atjeh's die klingen trachten om te koopen om ons allen aan boord te vergiftigen. Gelukkig hebben die kerels het niet durven aannemen. Ik bewonder die haat aan ons, en heb respect voor iederen Atjeher, die hoewel onbeschaafd toch zoo veel liefde voor zijn vrijheid heeft, vindt u ook niet? We hebben het rijk dan ook nog lang niet, zooals ik u al verleden jaar Juli voorspelde. Eigenlijk zijn we nog niets verder dan bij de le expeditie, alleen het bezit van den kraton, maar dat geeft ook wat. Nog maar altijd is er dus geen eind te zien aan dat vreeselijke zijn hier. Van af 1 Augustus zijn we nu al niet op een bewoonde plaats aan wal geweest .... Verbeeldt u dat u 8 maanden thuis zit, en altijd dezelfde 100 menschen ziet. Een ondenkbare toestand niet waar, en dat alles hebben we te danken aan den gewezen onzinnigen minister Broek, die niet gezorgd heeft dat er een genoegzaam aantal schepen was om de eersten eens af te lossen. Daardoor bestaat nu het onzedelijke, geestdoodende, beschavings verminderende, voor de gezondheid nadeelige feit, dat duizend menschen bij kliekjes van 100, voor soms 8 maanden achter elkaar van de buitenwereld worden afgesloten. 't Is erg met ons landje gesteld en dat wil dan nog Atjeh veroveren .... Eindelijk 13 Februari is de Deli gekomen, medebrengende 2 deventer koeken ... een allerliefste attentie. Die "Deli" heeft door het kanaal van Suez een bijna even lange reis gemaakt als ik met de Java om de Kaap. Die reis door het kanaal, die anders hoogstens 2 maanden duurt, heeft nu 110 dagen gekost en bovendien hebben de officiers en equipage de grootste misères gehad van lekken etc. etc. Ik mis nog heel dikwijls mijn goede vriend Schuylenburg, ik had zoo lang en zoo prettig met hem gediend ... Het was een nobel kameraad, die alles voor je over had en toch voor zich zelf zoo hoogst zuinig was. We hebben hem honderden malen om zijn zuinigheid uitgelachen. Toen ik nog dapper wissels moest trekken, stuurde hij al braaf wat geld weg. Dit geval bewijst nu duidelijk het stomme van die handelwijs. Wat heeft hij er nu aan gehad? Niets, is daarop het antwoord.

19 maart. Bij een van mijn tochten naar kampement en kraton ben ik nog even in 't vuur geweest en heb nog eens op eenige Atjehers geschoten, echter te ver weg om eenig succes te hebben of gevaar te verwachten. Als eenige herinnering aan deze oorlog heb ik dus alleen dat kogeltje van de eerste landing, dat ik de tent van mijn stoombarkas naast me kwam. Mijn oude Schuylenburg had even als ik ook pas 't Deli kruis gekregen. Het lag naast zijn steek, degen en dragon op de kist. Als ik eenmaal begraven word, moest de mijne er ook op. Dat zal kranig staan. Wat zijn die militaire honneurs toch eigenlijk nonsens.

Kort na het schrijven van deze brief ging Chrik de Booy terug naar Nederland, om in 1876 weer naar Nederlandsch Indië te vertrekken.

Atjeh oorlog 1876-1879

We nemen de draad weer op en geven een korte opsomming van de feiten die  hebben plaats gevonden in de periode dat Chrik de Booy weer terug is gegaan naar Atjeh en brieven schrijft aan zijn ouders. Het betreft de periode van  medio 1876 tot medio 1878.

In 1876 bedroeg de troepenmacht, drieduizend Europese, vijfduizend Inlandse en 180 Afrikaanse fuseliers. Drie duizend dwangarbeiders en vijfhonderd vrije  koelies. Er sneuvelden of stierven in 1876 1400 militairen 1500 dwangarbeiders  en wegens ziekte 7500 moeten worden afgevoerd. Er waren zeventienduizend militairen nodig geweest voor een leger van 8000 man paraat te kunnen houden. In de strijd van 1876 was een van de eerste slachtoffers kolonel Pel. Het bleek dat de Atjehers goed georganiseerd waren. Hun leider Habib Abdoerrachman el Zahir.

         Generaal Eenoog

Opperbevelhebber van de Nederlandse troepenmacht generaal K. van der Heijden. Rechts: De leider van de Atjehse troepen Habib Abdoerrachman el Zahir

De opvolger van Generaal-majoor van Pel, wordt Generaal K. van der Heijden. Hij begon in 1877 een nieuw offensief.  Hij ging met drieduizend man en tien transportschepen tegen de kuststaat Samalanga. Het lukte ten dele alleen de voornaamste bergvesting Batoe Iliq, kon hij ondanks vele bestormingen niet in handen krijgen. Tijdens deze strijd verliest van der Heijden een oog en wordt dus prompt Generaal Eenoog genoemd.
In juni 1878 trekt Generaal Eenoog met een expeditie weg uit Kota Radja, op weg voor de "tuchtiging van enkele roerig geworden onderhorigheden". De Atjehers grijpen de kans : van alle kanten breken de "vijandelijkheden" uit. De Nederlanders lijken overal te worden teruggedreven! De huizen van Nederlandse bestuursambtenaren worden in brand geschoten, "iedereen" vlucht naar Kota Radja. Slechts twee dagen lijkt het alsof het Atjehse offensief succes heeft, maar dan onderneemt Generaal Eenoog een strategische meesterzet, hij stopt met de "tuchtiging" en in één geforceerde dagmars lukt het hem om de wegen naar Mon Tassik, waar alle Atjehse voorraden liggen, af te sluiten. Hij hoeft niets anders te doen, dan ervoor te zorgen dat deze voorraden niet meer bereikt kunnen worden.  Op 29 juni 1878 leiden de Nederlanders nog een groot verlies toen zij probeerden de strategisch belangrijke Glitaroenpas te heroveren. De Nederlanders moesten zich terugtrekken, maar bleven de wegen naar Mon Tassik beheersen. Vlak na deze nederlaag van de Nederlanders kwam Habib Abdoerrachman el Zahir "uit de bergen afgedaald" en gaf zich over aan de (verbaasde) Nederlanders, zijn rakans vluchten weg in opperste verwarring, naar Ibrahim. Op 13 oktober 1878 onderwerpt Habib Abdoerrachman el Zahir zich met veel ceremonieel aan de Nederlanders in Kota Radja. Hij wordt met 7 saluutschoten ontvangen en is gekleed in het officiële Atjehse staatskleed met de opgespelde Ster van de Turkse Orde van Osmanië op de borst.
Het politieke succes wordt nog groter als blijkt dat Habib Abdoerrachman el Zahir ook bereid blijkt te zijn naar Mekka te vertrekken, mits hij jaarlijks vanuit Batavia een jaargeld krijgt van $10.000,-, voor die tijd een gigantisch bedrag. Op 24 november 1878 wordt hij inderdaad, inklusief familie en wat volgelingen, door het Nederlands oorlogsschip Hr. Ms. Curaçao naar Djeddah overgebracht. Het is nooit duidelijk geworden waarom Habib Abdoerrachman el Zahir zich plotseling persoonlijk ging overgeven. De slag was weliswaar verloren, maar de strijd was nog niet definitief beslist. De onderwerping van Abbdoerrachman heeft niet geleid dat andere hoofden zich hadden overgegeven. Tussen maart en augustus 1879 voerde van der Heijden een keiharde strijd. Zij zaaiden dood en verderf in Groot Atjeh. Hij bereikte het verste punt Indrapoeri 15 kilometers van Koet Radja. De leiders van het verzet weken uit naar het binnenland. Zo kwam het verzet van de Atjehers aan het einde.. De oorlog was afgelopen. De hele Atjeh operatie . Door de "tuchtiging"van generaal van der Heijden was Groot Atjeh een ruïne geworden, de bevolking gedood of weggevlucht. Zoals we nu weten is het het einde van het begin geweest en zullen er nog vele oorlogen door Nederlandsche troepen worden gevoerd. Tegen 1880 maakte de leider van de tweede expeditie, generaal Van Swieten, de balans op: tussen 1874 en 1880 waren 30.000 Atjehers gesneuveld en 400 tot 500 kampongs verbrand’. Het enige resultaat was volgens hem ‘een verbitterd volk en een verwoest land dat Nederland ruïneert en met bajonetten bezaaid moet worden om het betrekkelijke kleine veroverde deel te kunnen behouden’

Brieven van Chrik de Booy aan zijn ouders over de Atjeh oorlog van 1876-1878

Chrétien de Booij 8 juni 1876

a/b Metalen Kruis ter reede Atjeh 6 Juli 1876 . Het Metalen Kruis bevalt mij uitstekend. De meeste officieren kende ik reeds van vroeger. De kommandant is tevens chef der maritieme middelen te Atjeh, dus bemoeit zich uiterst weinig met zijn schip speciaal en laat alles aan den eersten officier over. Dat verhoogt natuurlijk niet weinig de huiselijkheid. Het is de kapitein ter zee Escher, die vroeger als een der strengste en norschte kommandanten bekend was. Van die eigenschappen merken we nu natuurlijk niets. Toen ik nog adelborst was ben ik eens op zijn dochtertje verliefd geweest. De eerste officier is luitenant le klasse Sirks, een zeer wetenschappelijk man, maar die zeer prettig in dienst is . Verder zijn er de officier van administratie Verboon, papa's cliënt, een alleraangenaamst vroolijk man, die echter tot mijn spijt over een week weggaat, daar zijn tijd om is. Hij is van plan in Holland eens bij papa aan te komen. De dokter is Feitkamp, een jolig corpulent vrij oud heer, ongetrouwd . ... ik heb er dan ook volstrekt geen zwaar hoofd in om het hier een paar jaar uit te houden. Bovendien is het klimaat, vooral deze maanden (de regentijd) allerlekkerst. ... We liggen dicht bij den wal. De plaats heet Oleh-leh. Van hier loopt de spoor naar den kraton. Ik maakte er reeds eens gebruik van. We gaan echter weinig naar den wal, daar alles nog zeer primitief is ....

Reede Atjeh a/b Metalen Kruis 14 November 1876  Nu ga ik u eens op uw vragen antwoorden. I. Natuurlijk heb ik een afzonderlijke hut voor mij heel alleen, dat weet u toch wel van de Adder, en zoo is het ( aan boord van ieder schip. II. Mijn hut is zoo gezellig mogelijk. III. Ik heb er natuurlijk ook een tafeltje en krukje, maar zit er nooit nooit in te lezen, daar in Indië de minimum temperatuur in een hut 80 gr. fahrenheit is, en men dus overdag zoo lang mogelijk uit blijft behalve om een middagdutje te pakken en dat alleen gekleed in een nachtbroek. 's Avonds als ik mij bij één kaars uitkleed stijgt de temperatuur tot 82 gr. waarom men die dan ook zoo gauw mogelijk uitblaast. IV. Aan dek kan men niet goed gaan zitten lezen. Als adelborst gaat men er wel eens voor naar de mars, maar dat strijdt tegen het prestige van een officier. Wanneer men dus leest, doet men dat in de longroom, het algemeen verblijf. Zware lectuur is daar dus onmogelijk evenals studie. Als ik eens wat heb na te kijken wacht ik daarmede tot ik een hondewacht heb met mooi weer aan de reede. Dan doe ik het bij een lantaarn aan dek. VI. U kunt mijn hoeden best weggeven als het tenminste niet aan papa is. Die dikke jas moet ook maar weg. 't Model is bespottelijk. Ik zie volstrekt niet geel en ben ION ov. uitgescheden met kinine en staal, omdat ik mij lekkerder dan ooit voelde ....

a/b stoomschip Metalen Kruis reede Atjeh 11 December 1876 .  . . Wanneer er niets is dat haast vereischt, wordt de Zondag als rustdag voor de equipage gevierd. Soms komen er echter juist militairen of bootjes met victualie, die gelost moeten worden, en dan wordt er doorgewerkt. 5 dagen van de 7 wordt er aan boord een sappie (koe) geslacht en eten wij dan versch vleesch. We hebben tegenwoordig een zeer goede tafel.

aan boord Metalen Kruis Atjeh, 22 januari 1877 De Oost moesson is nu eindelijk goed door. Het is steady droog weer en waarschijnlijk zal dan ook morgen de vechtpartij weer op groote schaal beginnen.  De nieuwe generaal Diemont zal dan voor het eerst zijn kunsten vertoonen. De Marine zal een paar dagen ook een werkzaam deel aan den tocht nemen,.want het plan is om op 2 tot nog toe onbezette punten van de kust een landing te doen en van daaruit te gaan ageeren.  Wij moeten dan bij die landing helpen evenals vroeger bij de eerste en tweede expedities....

Atjeh a/b Z.M. Metalen Kruis 6 Februari 1877. Toen ik u mijn vorigen brief schreef waren wij op het punt van weg te gaan om troepen te helpen debarqueeren voor een nieuwen veldtocht. Die tocht is in 6 dagen geheel afgeloopen, en met zeer goeden uitslag. Daar onze kolonne juist van den anderen kant kwam als de Atjehneezen ze verwacht had, hebben deze allen overhaast de vlucht genomen. De bentings die dus allen in den rug werden aangevallen, vond men verlaten en er is dan ook bijna in het geheel niet gevochten. Had de landmacht dus al niet te doen, ons aandeel was natuurlijk nog veel lijdelijker. De landing werd niet door den vijand bemoeilijkt, dus hebben de gewapende sloepen geen schot hoeven te lossen. We zijn nu weer op onze oude ankerplaats teruggekeerd en het eentonige leventje van vroeger is weer begonnen ... U doet me eenige vragen over den kraton, die ik nu zal beantwoorden. Van hier (dat is het zogenaamde Oleh-leh, onze vestiging aan het strand, dat echter ook al een groote plaats wordt, vooral door Chinezen bevolkt) spoort men naar Kotta Radja, de vroegere kraton, in ongeveer een half uur door een mooie streek. De spoor is zeer goed en flink ingericht. Men heeft le, 2e, 3e klasse even als in Holland. Van hier tot K.R. kost het 1e kl. 50 ct. Retours worden niet gegeven. Ik maak er vrij dikwijls gebruik van, d.w.z. zoo gemiddeld eens per week, om dan kennissen in Kotta Radja of ook wel eens, als ik een paard weet te krijgen, in de vooruitgeschoven linie op te zoeken. De kraton is zeer interessant om te zien. Ik was er in den dag na de inname door van Swieten, ik geloof het was 25 Januari 74 en toen ik nu weer kwam in Juli 76 vond ik alles fameus veranderd. De colossale muren zijn bijna allen weggebroken, en de groote ruimte is bijna geheel met kazernes en woningen bezet. In Kotta Radja zelf zijn geen toko's (winkels), wel er buiten, doch toch vlak er bij. Daar vindt men er legio, waar men alles perfect kan krijgen maar tegen fabuleuze prijzen. Het is hier natuurlijk vol van allerlei slag van gelukzoekers, een ware rapsodie van menschen. Me dunkt het moet op California lijken. Een half uurtje loopen van den kraton af is Pondjoeng, de hoofdvestiging der Chinezen, die daar al bij duizenden wonen. We helpen hen natuurlijk zoo veel mogelijk en doen alles om hun reeds vrij uitgebreiden handel te bevoordeelen en te bevorderen ... Ik ben zeer gezond (met kinine en staal echter) en de ring kan niet meer van mijn pink af zooveel dikker ben ik geworden. Het is dus onnodig daarover te schrijven. Ik heb fameuzen aanleg om zoo dik als papa te worden, misschien wel dikker. In al mijn broeken heb ik door den scheepszeilmaker driehoeken in moeten laten zetten ....

Reede Atjeh a/b Metalen Kruis 6 Maart 1877 Ik rijd in den laatsten tijd nog al veel paard met een mijner collega's. We leenen zeer goede paarden van den kapitein van een der Engelsche booten, hier ingehuurd, wanneer hij op reis is. 't Is een ijselijke vriend van ons en we hebben hem dan ook een dag of wat geleden met zijn vrouw ten eten gehad. Dat was de meesten van ons in tijden niet gebeurd, een Europeesche dame te zien, nog vele minder te spreken en nog minder aan boord te hebben. Ja 't is hier een onmogelijk bestaan! U vraagt mij omtrent de tanks te Aden. Ik bezocht die 2 verschillende jaren. Beide keeren waren ze kurkdroog. Het zijn prachtig uitgehouwen bassins in te rotsen. Ze correspondeeren met elkaar, sommigen ten minsten, en hebben een ontzachlijken inhoud. In ieder bassin is een bordje waarop staat hoeveel gallon het inhoudt. Ik ben die cijfers vergeten, maar weet wel dat er fameus veel in kan. De eerste keer dat ik er was had het in geen 2 jaar geregend en de tweede keer ook in lang niet. Men kreeg nu water van een distilleertoestel aan het strand. Dat kostte natuurlijk veel geld. Voor de minderen werd water aangevoerd uit een zeer afgelegen plaats in lederen zakken van bokkevellen, juist zooals men wel in platenbijbels ziet afgebeeld. Ik heb nog nooit zoo'n dor land gezien als dat Aden. Geen plekje groen in het hee1e land ....

a/b Metalen Kruis, Ur Atjeh 20 Maart 1877.  We zijn sinds een dag of vier in een voortdurende drukte, veroorzaakt door de komst van Z.E. den goeverneur-generaal van N.I.[J. W van Lansberge], hier op de reede.

           

          Gouverneur-Generaal  J.W. van Lansberge

Hij is vergezeld door zijn vrouw en door een talrijk gevolg van adjudanten en sommige hooggeplaatste personen, zooals de algemeene secretaris van Indië, die ook zijn vrouw medegenomen heeft. Ieder oogenblik als Z.E. van boord gaat, want hij blijft aan boord van het schip dat hem hier bracht logeeren, en niet aan den wal, doen wij een salut van 21 schoten, en het volk paradeert in het want. Het wordt op den duur zeer vervelend natuurlijk. Eergisteren was hij hier aan boord om ons een bezoek te brengen. De étatmajors van de verschillende schepen werden aan hem voorgesteld. Tot mijn spijt kwamen de dames 'niet mede. Ik heb zijn intocht op den vasten wal van Atjeh gezien. Het was een belangrijke gebeurtenis uit een politiek oogpunt. Dat de reeds onderworpen Atjeneesche hoofden, die hunne opwachting kwamen maken, dit inzagen, was duidelijk op hunne gezichten te lezen. Er zijn natuurlijk een paar diners geweest, doch ik kom nog niet in aanmerking. Er zijn hier zoo enorm veel officieren van zee- en landmacht bij elkaar, dat er geen quaestie van is dat anders dan de autoriteiten te dineeren gevraagd konden worden. Ze moeten er zeer slecht eten, hetgeen onbegrijpelijk is daar er toch wel genoeg voor betaald zal worden. Het schip waarop Z.E. is is een particulier stoomschip dat er voor vertimmerd is. Z.E. werd geconvoyeerd van af Singapore door 4 oorlogschepen, waaronder het ramtorenschip Prins Hendrik. Te Singapore bleef hij twee dagen om den goeverneur der Straits Settlement een bezoek te brengen. Toen hij aan wal kwam was er door een misverstand of onbeleefdheid niemand om hem te ontvangen, zoodat hij met zijn gevolg een heelen tijd heeft staan wachten voordat de rijtuigen kwamen. Mevrouw Lamberghe is een mager vrouwtje, eene Spaansche. Zij spreekt altijd fransch.

a/b Zr. Ms. Metalen Kruis, t/r Oleh-leh, 11 mei 1877. Eergisteren kwam hier een van onze ingehuurde particuliere stoomschepen ter reede met het signaal "13 gewonden aan boord".Niemand begreep er iets van daar het in den laatsten tijd overal vrede was. Het schip kwam terug van de Westkust waar de materialen en troepen voor de benting te Analaboe gebracht had. Analaboe is de meest zuidelijke plaats van Atjeh aan de west kust. Dit rijke land had sinds lange tijd om onze vlag gevraagd en was voortdurend vredelievend. Men dacht dus, dat het oprichten van onze versterking daar na het hijschen van de vlag geen bloed zou kosten. Of men nu te zorgeloos is geweest of dat er iets in die versterking daar tot 2 maal toe zijn overvallen met het gevolg dat wij kregen 10 dooden en 10 gekwetsten. Onmiddellijk nadat bovengenoemd schip hier kwam en het bericht aan de generaal was overgeseind is er een expeditie uitgerust van een paar oorlogschepen en een paar kompagnieën soldaten om dat rijkje te gaan tuchtigen. Gisteren zijn zij vertrokken en zij zijn daar nu waarschijnlijk reeds bezig. De hele zaak is weer het bewijs , dat die Atjehers nooit te vertrouwen zijn, maar dat ook dat het flinke kerels zijn. Au fond van mijn hart geef ik ze volkomen gelijk. Tegelijkertijd is er weer een expeditie op de oostkust tegen Langsat. Dat is daar de meest zuidelijke plaats van Atjeh. Er zijn daar tabaksplantages die voordurend afgeloopen worden. Vandaar een tuchtiging. Zijn die tochtjes en nog een op de Noordkust naar wensch  afgeloopen dan houd ik en houden het er voor dat het vechten gedaan zal zijn. Er zullen dan denkelijk schepen en ook troepen weggaan .Aan dat tochtje op de  Noordkust hoop ik ook deel te nemen.

alb Metalen Kruis tir Oleh-Ieh 24 Mei 1877. Het groote nieuws is, dat we denkelijk spoedig gaan repareeren te Singapore .... Jammer dat Singapore zulk een dure plaats is, en dat er zoo weinig amusementen zijn. Ik ben er al een keer of drie geweest. Ons Batavia is veel mooier. Dat is werkelijk één van de prachtigste plaatsen, die ik ooit gezien heb. Een stad van villa's! De piano is heerlijk! We hebben behalve den dokter, nog een der luitenants tweede klasse die speelt. Hij is meer voor het vroolijke "mopjes "gedeelte, terwijl de dokter het klassieke behandelt .... Stelt u nu eens zoo'n toestand voor, dat een eenvoudige piano al zóó veel vreugde en genot geeft, is het dan te verwonderen dat men na een jaar of een paar jaar in deze gevangenis doorgebracht te hebben, in de non-activiteit in Holland zooveel mogelijk pret maakt, en naar opera's enz. gaat?? ...

 a/b Oleh-Ieh 6 Juli 1877 . . . De generaal Diemont is met de laatste boot wegens ziekte vertrokken. Tijdelijk is nu  een kolonel opperbevelhebber en wel kol. v.d. Heyden, algemeen bekend onder den naam van Tijger. Het is een inlandsch kind oftewel liplap en een enorme vechtersbaas. Hij zal dan ook denkelijk spoedig een tocht op touw zetten naar Samelangan op de Noordkust, een plaats die verdient getuchtigd te worden omdat er altijd volk van naar hier komt om mee te helpen vechten tegen ons. Dat zal voor ons ook eens een variatie geven, want het Metalen Kruis zal aan de tocht deelnemen.

Samalangan 25 augustus 1977  Dezen schrijf ik u uit een bivouac. Ik ben nl. toegevoegd aan den kolonel v.d.Heyden, chef van de expeditie, en wel met een seinpost. Het dient om de communicatie met de marine te onderhouden. Ik vind het een aardig baantje en een prettige afwisseling. Tot nog toe heb ik nog geen misère daar ik in de menage bij den kolonel ben .. Ik doe eigentlijk ook zoowat dienst als adjudant, en woon met 2 adjudanten en hem in één hutje , natuurlijk zeer eenvoudig, maar dat tenminste niet lek is, en groot voordele daar het nogal veel regent en dan is het voor de slecht logeerden een vreeselijke misère. Wij hebben hier nog geen last van aanvallen gehad, maar een bataillon dat een der eerste nachten vooruit gerukt was, heeft het vreeselijk te kwaad gehad. Zij hebben daar 's nachts een klewangaanval gehad, die hun kostte aan dooden 2 kapiteins en 24 minderen, en aan gewonden 4 officieren en een massa minderen. Ik ging er 's morgens vroeg met den kolonel heen en zag daar 58 dooden vijanden, en al onze dooden en gewonden. We woonden de begrafenis der onzen bij. Het was een droevig gezicht. Na die gebeurtenis is er zoo iets niet meer voorgevallen. Wel werden er bij patrouilles wel eens een paar gedood. De Atjehers schijnen ook door de granaten der oorlogschepen enorme verliezen geleden te hebben en vluchten naar het gebergte waar zij zich wel enorm zullen versterken. Het object van de expeditie is hun hoofdkampong te vernietigen als straf voor hun hulptroepen in Groot Atjeh. Is dat gebeurd dan blijft er een troep in een benting aan 't strand achter om de blokkade te ondersteunen, maar dan gaat de hoofdmacht naar Atjeh terug. Het zal dus wel gauw afgeloopen zijn. U hoeft zich over mij niets ongerust te maken. Mijn post is aan 't strand en verplaatst zich daarlangs; ik kon dus niet in gevecht. ... 27 Augustus~ Gisteren werd een groote streek lands veroverd, maar ten koste van enorme verliezen! Onze dappere kolonel werd zwaar gewond, verder één majoor, 3 officieren gewond, 50 minderen gewond, 10 dooden waaronder 2 officieren. Ik zag den strijd van uit een veilige plaats aan het strandbivouac, waar natuurlijk mijn seinpost veilig is, maar het was verschrikkelijk! De arme gewonden kwamen allen bij ons. Sommigen leden horrible. Vandaag rukten de troepen weder voort, maar geruchten loopen dat de vijand onderhandelt. Het is te hopen dat het wat geeft, want wij houden het zoo niet vol.  Ik ben zoo gezond als een visch.

Bivouac Samelangan 1 Sept. 1877  Na het vreeselijke gevecht waarvan ik u het laatst meldde zijn de Samalangers in hun schulp gekropen, en zijn komen onderhandelen. Wij stelden dadelijk als voorwaarde dat we ongehinderd door het land zouden trekken, door hun voornaamste kampong, tot aan het strand bij hun grootste rivier, en dat we daar pas zouden beginnen te praten. Dit gebeurde ook zoo; geen schot werd gelost, alhoewel duizenden vijanden of liever nu vrienden op de been waren, tot aan de tanden gewapend. Bij de rivier en dicht bij het strand gekomen, werd het bivouac opgeslagen. Ik verhuisde er dadelijk over zee heen, met mijn seininrichting. De onderhandelingen zijn nu in vollen gang. Het schijnt dat we harde voorwaarden zullen stellen. De vijanden hebben fameuze verliezen geleden. De granaten van de Marine hebben daartoe ook bijgedragen. Overal in het land vindt men er stukken van. Wij hebben ook enorm veel verloren, vooral betrekkelijk officieren wat bewijst dat de Atjehers goed kunnen schieten. Men gaat hier nu een paar vaste versterkingen maken en als dan de zaken geregeld zijn, zal de hoofdtroep teruggaan naar groot Atjeh.  Het schijnt hier een zeer gezond land te zijn, ten minste er zijn bij de troepen heel weinig zieken ... Ik heb een inlandsche bediende bij me, die uitstekend voor mij zorgt. Hij heeft altijd allerlei verrassingen en inventies. Toen we zoo'n massa gewonden kregen, en er te weinig hulp was, hielp hij uit zijn eigen die arme stakkers als de beste ziekenoppasser.

Bivouac Samelangan Vrijdag 14 September 1877 Zooals u ziet nog altijd in het bivouac, maar gisteren is de vrede gesloten, dus is het geen oorlogsbivouac meer. Maakt u zich niet ongerust. Na mijn  laatsten brief is er weinig belangrijks meer voorgevallen. Bij een militaire wandeling werd nog eens een officier verwond, door een verraderlijke Atjehnees, waar ze gemoedelijk mede stonden te praten. Die kerels zijn nog lang niet te vertrouwen, al wordt er onderhandeld. Zoo gingen we den volgenden dag met een grootere troep wandelen, om ze zoo langzamerhand aan het gezicht der soldaten te gewennen, en bij die gelegenheid werd er met een klein kanon op ons geschoten, zonder iemand te verwonden. Het huis waarin het stukje gevonden werd, werd onmiddellijk verbrand. Ik was voor mijn plezier eens medegegaan. Op den terugweg kwam er op eens weer een schot en dat verwondde helaas twee soldaten Ambonneezen beiden. De wonden waren gelukkig niet doodelijk. Zulke dingen gebeuren natuurlijk door enkele verwoede kerels, die in den strijd vader, moeder, broeders of zoo verloren hebben. Ik kan me zooiets best begrijpen, en het leert ons alleen verbazend voorzichtig te zijn. Op den politieken loop van zaken heeft het geen invloed daar de vorst aan zooiets niets kan doen ... Ik vergat straks te melden dat na dat tweede schot nu natuurlijk het geheele dorp verbrand werd. De schieters waren hard weggeloopen. Waarschijnlijk is het maar één kerel geweest. De kolonel van der Heijden, daar ik u van schreef vroeger, is zijn oog uitgenomen, een paar dagen geleden. We hebben nog geen bericht hoe het met hem gaat..

Bivouac Samalanga 28 September 1877 Nog altijd zit ik hier aan den wal, wat liederlijk vervelend dreigt te worden .. , Het blijft rustig; de bevolking schijnt met den vredetoestand ingenomen te zijn. Een der aangrenzende staatjes heeft zich op het voorbeeld van Samalanga ook onderworpen. Eergisteren wel is waar, werden er 2 Ambonneesche soldaten vreeselijk verwond door een paar Atjehers, maar dat was hun eigen schuld, daar ze zich in hun dorpen gewaagd hadden, en daar vruchten stalen. De hand van den eersten moest onmiddellijk afgezet worden; verder had hij nog 2 andere wonden. Ik kom net uit het veldhospitaal, waar ik hem heb zien verbinden. Zijn wonden staan prachtig. 't Is wonderlijk hoe een Inlander zich rustig kan houden. Van daar dat hun wonden altijd veel gauwer dan de onze genezen. Bovendien zijn klewangwonden meestal goedaardig, daar ze door zoo'n verbazend scherp instrument worden toegebracht. Ik ga altijd in 't hospitaal kijken, ik zie het graag alhoewel zoo'n afgezette hand of liever het oberblijvend stompje een akelig gezicht is...

aan boord Metalen Kruis reede Oleh-leh 13 october 1877.  Een paar dagen geleden werd een zeeofficier, die aan het opnemen was in een rivier van een der pas veroverde staatjes, aangevallen en hij en een der matrozen verwond. De matroos zijn hoofd was bijna af, dus hij was gauw uit zijn lijden, maar de officier heeft o.a. een lanssteek , die hem veel pijn veroorzaakt.. Voordat dit geslachte Atjehers voorbij is zullen zulke dingen nog wel dikwijls voorkomen en dat ik ook volstrekt niet vreemd en ze eigentlijk niet kwalijk te nemen. De algemeene toestand is echter rustig. Men spreekt er van of met Samalanga de oorlog beëindigd is. dat is nu wel heel mooi gezegd maar toch niet echt waar. Het duurt zeker nog 25 jaar voordat wij iets van het veroverde land zullen halen. Het schijnt nu zeker te zijn dat de marine hier aanzienlijk verminderd zal worden. Er zullen zegt men,. maar 6 schepen met een wachtschip blijven.

Aan boord Watergeus, reede Samalanga 17 october 1877 Zooeven ben ik weder geembarqueerd in den balkenden welstand. De expeditie is afgeloopen. Eergisteren werd de Nederlandsche vlag met groote plechtigheid aan den vorst van Samalanga uitgereikt. De hoofdtroep gaat nu terug naar Kota Radja, terwijl één bataillon achterblijft in twee bentings en een verschanst kamp om te zien of de vrede werkelijk gemeend is. Het grootste gedeelte van officieren en manschappen is ziek geweest of is het nog. Vooral koortsen heerschen sterk. Ik ben geen oogenblik ziek geweest. Ik dank daar altijd Coelen voor, want had ik niet zooveel staal geslikt, dan zou ik zeker meer geschikt zijn geweest voor malaria infectie. Ik ga nu weer kalm aan boord van mijn Metalen Kruis ter reede Oleh-leh. Men zegt dat dit schip spoedig naar Soerabaia zal gaan om daar afgekeurd te worden want het is vreeselijk oud. Ik hoop nu maar dat ik er op blijf want Atjeh begint mij vreeselijk tegen te staan. Ik ben echter pas 16 maanden hier, dus heb ik alle kans op overplaatsing op een schip dat hier nog blijft. Pas 16 maanden. Ít is eigentlijk schande!

a/b Z.M. St.Banjermasin reede Pasangan 17 April 1878. Daar ben ik in eens overgeplaatst, aan boord van de Banjermassing! Ik had zoo gehoopt met mijn oude Metalen Kruis, waar ik bepaald aan gehecht was, mede naar Java te gaan,maar dat heeft niet zoo mogen zijn . 22 maanden schijnt voor mij niet lang genoeg geweest te zijn.. Ik had eerst verschrikkelijk 't land, maar nu ik een paar dagen aan boord ben is 't al weer over. Ik tref huiselijke lui en een alleraangenaamsten kommandant. Bovendien is de Banjermasin een schip van de kleinste soort, een schroefstoomschip 4e klasse, en daar had ik nog nooit op gediend. Nu bevalt de dienst mij best 't Gaat alles veel gezelliger als op een groot schip, minder étiquette, meer als op een koopvaardijschip .... 't Is anders precies weer als voor 4 jaar aan boord van de Citadel van Antwerpen, nl. blokkeeren op de Noordkust van Atjeh. 't Aan den wal gaan, wat ik te Oleh-Ieh bijna elken dag deed, is nu weer totaal uit. We zijn weer op vijandig gebied.

Z.M. Banjermasin t/r Edie 25 mei 1878 . In plaats van met de Banjermasin naar Java te gaan zijn we weer aan het vechten als voor 5 jaar. De gehele Noord- en Oostkusr is weer zowel in opstand. het begon in Gighen, een staatje dat al jaren onze vlag had en nu opeens een onzer vestigingen aanviel . Enfin, die zaak is, hoor ik , al afgeloopen. Gighen schijnt genoeg voldoende getuchtigd te zijn, maar daar zij we niet bij geweest. Een der zuidelijkste staatjes van  Atjeh, die op de oostkust waar we een  belangrijk vestiging hebben, en ook tabaksondernemingen zijn, wordt nu vreeslijk verontrust. Onze soldaten hebben er een tijdje geleden échec geleden, waarbij 2 officieren, verscheidende minderen stierven ingevolge van  de warmte en 5 menschen gewond werden en dat heeft de oproerlingen zoo overmoedig gemaakt, dat zij nu bijna iedere nacht onze benting aanvallen. De dames die er in grote getale aanwezig waren, zijn met hoopen kinderen op een onzer oorlogsschepen naar Borneo gevlucht. Voortdurend moeten er gewapende sloepen ergens heen en zoo was ik bijv eergisteren 24 uur lang met een sloep een 6 uur roeien het land in om een controleur in de gelegenheid te stellen een brief te bezorgen aan een radja om hem te  verbieden aan de vijandelijkheden deel te nemen. Het was een vrij gevaarlijke tocht maar de hoopen gewapende atjehers deden gelukkig niets, want ik had weinig terug kunnen doen met mijn 10man. Zo is er altijd wat. In 3 nachten heb ik dan ook niet geslapen. Vannacht bijv. had ik de wacht en moest ook het half uur een schot met een der kanonnen doen,. wanneer het een nieuwtje voor mij was zou ik al diedrukte wel aardig vinden, maar ik heb het nu zoo dikwijls bijgewoond die aardigheden, dat het mij vrijwel de keel uithangt.

 Z.M. Banjermasin t/r Pasei -N.kust Sumatra 7 juni 1878. De heele  noordkust is weer in beroering, we zijn nu bezig het rijkje Gedong te tuchtigen. Dat is een staatje aan de noordkust, niet aan zee gelegen, en dat zich nooit heeft willen onderwerpen, maar voortdurend andere rijkjes tegen ons heeft opgezet. Wij zijn met 23 oorlogschepen , 1 goevernements stoomschip, 1 troepen schip en 400 man infanterie onder majoor Perné. Ook is  er een landingsdivisie van ons aan de wal en een flottielje gewapende sloepen maakt den tocht mede. Ik heb deze keer het lot getrokken van aan boord te blijven. Heel rouwig ben ik er niet om want de twee maanden te Samalanga zijn voor mij vooreerst genoeg geweest. Het succes van den eersten dag is prachtig geweest. Met twee dooden en 4 gewonden verlies, hebben ze een serie bentings en kampongs genomen, die geducht versterkt en verdedigd waren. Waren ze toch teruggekomen dan was de tuchtiging volkomen geweest, maar toen kwam het civiel bestuur op de proppen en moest er gehannest worden. het gevolg was, dat we weer vanmorgen een enorm gevecht gehoord hebben, waarvan wij den uitslag echter nog niet weten, Is dat nu niet goed afgelopen, dan  is het eerste succes weer naar de bliksem. Is deze expeditie afgeloopen dan gaan we onmiddellijk weer een andere beginnen te Passangan, ook op de Noordkust. De vrede is hier dus nog niet erg verzekerd , al is het dan ook officieel.

8 juni 1878. Wat ik vreesde is gebeurd. Wij hebben op onzen bliksem gehad 31 dooden en gekwetsten. Er zal denkelijk versterking aangevraagd moeten worden.

Z.M. Banjermasin t/r Passei, 8 juni 1878   Terwijl ik u dezen brief schrijf is, er weer een expeditie aan den gang. Het geldt de tuchtiging van het rijkje Gedong, waaraan de bewoners het ons in de laatsten tijd bij onze vestiging Edie voortdurend lastig maakten en waarvan de vorst zich nooit heeft willen laten onderwerpen..Een dag is er flink gevochten en met zeer veel succes. De voornaamste kampongs en bentings zijn genomen en geslacht of verbrand. Wij hadden 2 dooden en 4 gewonden, dus zeer weinig. Van de Marine niemand. De sloepen zijn niet in het vuur geweest. Gisteren moest een der oorlogschepen de Palembang , naar Edie stoomen waar niet van de Marine was achtergebleven, om berichten in te winnen naar de toestand daar. Het is een dag stoomen heen en weer en dat er daar aan boord maar één officier was achtergebleven, moest ik mede om den tocht zamen te verdeelen, de besturing namelijk. Te Edie moest ik gisterenavond in het donker naar die benting marcheeren door een zeer onveilig terrein. Ik had maar 5 kerels bij mij maar gelukkig gebeurde er niets. Het was er voortdurend rustig geweest. Alle maraudeurs schenen  weg te zijn naar Gedong om daar tegen ons te vechten. Ik keerde dus onmiddellijk terug en wij stoomden weer naar Passei. Ik heb van van nacht 2 uur af aan ook niet geslapen en hoop hem van middag een onversneden te kunnen raken Ik ben erg moede..Excuseer de olievlekken de lamp lekt.

atb Z.M. Bandjermasin 20 Juli 1878 voor Passangan  We zijn weer in actie, dus een korte brief. Deze keer geldt het het rijk Passangan op de Noordkust, dat zich tot nog toe altijd tegen ons verzet heeft. Sinds drie dagen zijn 3 oorlogschepen, waaronder wij, bezig het rijkje aan alle kanten plat te schieten. Den eersten dag hebben we een colossale kampong, de residentie van hun koninkje, prachtig in brand geschoten. Ik begin dat schieten, dat ik nu van 73 af eigentlijk voortdurend meedoe, verbazend vervelend en laf te vinden. We schieten op afstanden van 3500 meter. Voor de goede (!! !??) zaak zijn wij echter uitstekend. De Atjehneezen zijn verschrikkelijk bang voor de oorlogschepen en voor hun projectielen, die zoo ver in 't land in eens neervallen en uit elkaar springen, veel banger dan voor onze troepen. Eerstdaags verwachten we hier ook een 600 man om het land na ons bombardement te onderwerpen. Ik geloof echter dat de vijanden ons te Atjeh zelf nog te dicht op de huid zitten, dan dat wij hier flink zouden kunnen optreden. Per telegram zijn troepen van Java gevraagd in den hoogsten nood. Bereids zijn twee bataillons gekomen. De toestand is bepaald weer een paar jaar achteruit. Zoo kunnen we wel weer aan den gang blijven. Toen men officieel den vrede verklaard had, om te kunnen gaan bezuinigen, werden ook de entrées de campagne, een belangrijk geldelijk voordeel voor de landmachtofficieren die ten strijde trokken, ingetrokken. Nu hebben ze ze in eens uit armoede weer moeten verleenen. Een groot gedeelte der dames zijn weer uit Atjeh gevlucht. Alleen de vrouw van den goeverneur en een paar vriendinnen zijn uit politiek gebleven.

Singapore, 17 augustus 1878. Daar zit ik al op Singapore op reis naar Banjermasin via Soerabaia. Mijn schip heet Oenarang en ligt waarschijnlijk te timmeren te Soerabaia maar hoort in station Banjermasin. Het is een fameuse reis van Atjeh af. Ik ben nu reeds 11 dagen onderweg en heb er nog tot Soerabaia 14 voor de boeg. Moet ik dan verder, dan heb ik daar eerst een maand bijna rust want er gaat maar 1 boot in de maand naar Banjarmasin , en die loop ik net mis. De Oenarang is een rivier bootje. Ook die variatie doet mij genoegen. Het moet heel aardig varen zijn                           

Einde  brieven van Chrik de Booy  aan zijn ouders, die gaan over de oorlog in Atjeh in de periode medio1876 tot medio 1878

10 augustus 1879 komt Chrik de Booy terug in Nederland. Chrik diende toen (1879) aan boord van de Marnix, het volgend jaar op het artillerie instructieschip het Loo en werd in het begin van 1880 geplaatst in de rol van het wachtschip te Amsterdam om zich gereed te maken voor den 4 den tocht met de schoener "Willem Barentsz" naar de Noordelijke IJszee. Hij vertrok op den 7 mei 1880.

Over deze reis kan men evenals over de andere reizen van den zeilschoener lezen in de verslagen welke door het Comité voor IJszeevaart worden uitgegeven. In dit comité hadden verschillende vooraanstaande Nederlanders zitting en onder dezen was de warme vaderlander, de journalist, directeur en hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad Charles Boissevain een stuwende kracht..De brieven van de moeder van Chrik getuigen ervan hoe ze aan haar zoon bleef denken, vooral toen de Barentsz op de thuisreis met een zware storm te kampen had. Men vertrok op de 26ste september van Hammerfest en bereikte eerst een maand later, op 26 oktober, IJmuiden, na een zeer stormachtige reis, soms lenzende, maar ook bijleggend en opwerkend. De twee levende poolvossen, die men mede had willen nemen naar het vaderland, waren met hun hok overboord geslagen en het scheelde niet veel of dit was ook gebeurd met leden der bemanning.

 

Aan boord van de "Willen Barentsz" 1881. v.l.n.r Max Weber zoöloog, Commandant H. van Broekhuijzen, C.Hoffman luitenant ter zee 1e klasse, , L.A.H.Lamie luitenant ter zee 2e klasse, Chrik de Booy (oudste broer van Hendrik de Booy) luitenant ter zee 2e klasse.

Resumerend de staat van dienst van Chrik de Booy

         

         Schout bij nacht Chrik de Booy

Aanstellingen en bevorderingen 1 september 1868 Adelborst 3 klasse ;1 september 1870 Adelborst 2e klasse; 1 september 1871 Adelborsts1e klasse; 1 september 1874 Luitenant ter Zee 2e klasse; 1 juli 1885 Luitenant ter Zee 1 klasse; 21 oktober 1895 Kapitein ter Zee ; 31 augustus 1908 Schout bij Nacht (titulair) .

Chrik op vakantie in Egypte in 1928

Plaatsingen, overplaatsingen enz. 16 sept 1871 Wachtschip te Willemsoord; 20 oktober 1871 Transportschip Java; 1 mei 1872 stoomschip Marnix ; 30 maart 1873 stoomschip Djambi; 27 april 1873 stoomschip Citadel van Antwerpen;  16 april 1874 fregat Zeeland; 10 juli 1874 geëmbarkeerd a/b part. stoomschip Holland om te repatriëren 28 aug. 1874.  In Nederland gekomen en op nonactief gesteld; 16 mei 1875 geplaatst op de monitor Adder; 15 oktober 1875 op non actief gebracht. Bestemd naar Oost-Indië in april 1876. Zal einde april 1876 naar Oost Indië  vertrekken; 9 juni 1876 geplaatst op het wachtschip te Batavia; 20 juni 1876 gepl. op het stoomschip Metalen kruis  14 april 1878 gepl. op het stoomschip Bandjermassing;  6 augustus 1878 gepl. op het stoomschip Oenarang; 30 april 1879 gepl. op het wachtschip te Soerabaja; 20 juni 1879 geëmb. a/b part. s.s. Prins van Oranje om te repatriëren; 10 aug. 1879 In Nederland gekomen en op nonactief gesteld;.1 nov. 1879 geplaatst a/b stoomschip Marnix; 11 sept. 1880 gepl. a/b artillerie instructieschip 't Loo; 16 maart 1881 gepl. rol wachtschip te Amsterdam ten einde zich voor te bereiden tot het medemaken van den 4den tocht van de Willem Barentsz naar de IJszee. Van 7 mei tot 26 oktober 1881 tocht naar de N. IJszee; 30 nov. 1881. op nonactiviteit gesteld; 16 december 1881 gepl. a/b wachtschip te Willemsoord; 29 juni 1882. gepl. a/b SS Sindoro (oudste officier); 5 nov. 1882. gepl. a/b wachtschip te Batavia ;16 nov. 1882. gedetacheerd bij de VI afdeling van het dep. van Marine in Nederl. Indië 15 okt. 1883. De detachering ingetrokken; 17 okt. 1883. Geëmb. a/b part/ SS Sunda om te repatriëren tot herstel van gezondheid; 3 dec. 1883  In Nederland gekomen en op non actief gesteld; 1 juli 1901 Benoemd tot lid van het Hoog Militair gerechtshof, onder genot van een traktement van f 3000,- 's jaars en met stilstand van alle inkomsten bij de Marine.

      

             Chrik de Booy op latere leeftijd

Chrik de Booy is overleden in  Oegstgeest 3 juni 1934, op 1 april 1923 was zijn vrouw Mary Jane Hobson reeds overleden.

Ik heb gebruikt gemaakt van de volgende literatuur bronnen:

Daalen, H.B. van (1873) . Mislukte tocht naar Atjeh. Aan wien de Schuld? Batavia H.M. van Dorp
Rep, Jelte( 1996) Atjeh, Atjeh!. Uitgeverij de Prom Baarn. ISBN 90 6801 5618 4
Swieten, J. van  (1879) De waarheid over onze vestiging in Atjeh. Zaltbommel. Joh. Noman en Zoon
Veer, Paul van 't  (1969) De Atjeh-oorlog. Amsterdam. Uitgeverij de Arbeiderspers