Geschiedenis van het Helden-der Zee-Fonds 'Dorus Rijkers' Fonds 1923-2006

In het dagboek van mijn grootvader Hendrik de Booy wordt met weinig woorden gerept over de problemen, die hij heeft gehad met het Dorus Rijkers-Fonds. De reden daarvan is mij niet duidelijk. Het zou kunnen dat mijn tante Engelien de Booy, die de selecties van zijn dagboek heeft gemaakt, de passages over het Dorus Rijkers Fond niet heeft opgenomen. Ik zal dat binnenkort verifiëren op het Gemeente Archief van Amsterdam, waar al zijn dagboeken zijn bewaard. Het enige wat ik heb kunnen vinden is een passage van 13 oktober 1938. Lang nadat de affaire zich had afgespeeld, zie de brief die hij in 1932 schreef aan een bestuurslid de heer M.C. Koning van het Dorus Rijkers-Fonds. Ik citeer uit het dagboek van mijn grootvader:

13 september. Vergadering van de Reddingmaatschappij waarbij ik mijn mening uit over de houding die wij tegenover het Dorus Rijkersfonds behoren in te nemen. Mijn mening is dat de Reddingmaatschappij verplicht is goed te zorgen voor allen die diensten hebben verleend in hare reddingboten. Wanneer een ander hetzelfde werk gaat doen dan kunnen wij dit niet beletten. Wij kunnen dan slechts overwegen of wij soms te kort zijn geschoten in de wijze waarop wij onze taak uitvoerden en maatregelen nemen die leiden tot verbetering. Nooit mogen wij een deel van onze taak overgeven aan een ander. We zullen natuurlijk wel hulp mogen aanvaarden, ook van het DR fonds. Ik heb op de vergadering duidelijk mijn mening gezegd. Mijn standpunt is echter niet aanvaard, noch door den voorzitter, noch door een der anderen. Het is voor mij, die zovele jaren de zaken der Reddingmaatschappij heb geleid, eigenaardig te moeten ondervinden dat op zulk een belangrijk punt mijn standpunt niet aanvaard wordt. De Reddingmaatschappij zal nu dus met het Dorus Rijkers-Fonds, dat gedurende vele jaren een geheel onjuiste indruk van ons werk ingang heeft doen vinden bij het publiek, een onjuist beeld ook van de toestanden aan de kust, een overeenkomst aangaan volgens welke wij een deel van ons werk aan het DR fonds overdragen. Dit acht ik beneden onze waardigheid.

 Mijn vader schrijft er wel over in zijn herinneringen, maar hij was daar dan ook niet zo betrokken mee geweest, althans de problemen hebben zich afgespeeld voor zijn secretarisschap van de N.Z.H.R.M. Toch leek het  me goed om deze kwestie nader onder de loupe te nemen. Het voordeel daarbij is dat in 1993 het boek van Drs M. Spaans De "Noord",De geschiedenis van de Koninklijke Noord-en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij 1924-1990 (Uitgave De Bataafsche Leeuw Amsterdam 1993 KNRM. ISBN 90 6707 322 9) een goed overzicht is gegeven van de geschiedenis van het Dorus Rijkers Fonds. Enkele jaren later in 1998 werd een herdenkingsboek uitgegeven: Het Fonds der blauwe zeeridders. De geschiedenis van het Helden-Der-Zee-Fonds 'Dorus Rijkers'. 1923-1998. Uitgegeven door de Stichting Beheersraad van het Dorus Rijkers-Fonds ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Fonds. Tekst en onderzoek : drs L.C.E. van 't Zand, 's-Gravenhage. Hierin wordt de geschiedenis weer van een andere kant belicht. Het lijkt me voor de goede orde dat ik beide gezichtspunten zonder commentaar de revue laat passeren.

Allereerst het citaat betreffende het Dorus Rijkers Fonds uit het boek van drs M.Spaans De 'Noord':

Een appeltje voor de dorst

Het Zeemansfonds was niet de enige concurrent op het gebied van het verwerven van inkomsten. Een aantal mensen voelde zich geroepen zich het lot van oud-redders in behoeftige omstandigheden aan te trekken. In 1921 had Andrew Carnegie een fonds ingesteld met het doel personen, 'die met eigen levensgevaar anderen het leven hebben gered, te bevrijden van geldzorgen, die het gevolg zouden zijn van hun heldenmoed, door het verlenen van ondersteuning aan hen of hun weduwe en kinderen of door het toekennen van medailles of onderscheidingen.' De samenwerking met dit fonds was uitstekend. Men verleende alleen ondersteuning na goed overleg met de N.Z.H.R.M. en er was vrijwel nooit sprake van onenigheid.

Dat lag wel anders bij een tweede fonds, het Helden der Zee Fonds Dorus Rijkers. Het fonds was in 1923 opgericht door Henri J. ter Hall, een revue-artiest en lid van de Tweede Kamer als vertegenwoordiger van het amusementsbedrijf. Hij was van mening dat veel oud-redders aan de kust in zeer slechte omstandigheden verkeerden. Dorus Rijkers één van de bekendste redders van de N.Z.H.R.M. werd door hem opgevoerd als één van deze verwaarloosde helden. Met groots opgezette campagnes en door het wekken van medelijden probeerde het fonds geld in te zamelen.

     

Links: Henri ter Hall (1866-1944). Voorzitter Helden-der-Zeefonds 'Dorus Rijkers', van 1923 tot 1931 (oprichter). Rechts: Dorus Rijkers
 

Op zich een mooi streven, maar de N.Z.H.R.M. zag deze uitlatingen als een verwijt. Zij zorgde wel degelijk goed voor haar oud-redders en deze negatieve publiciteit en het misbruiken van de naam Dorus Rijkers vond zij nergens voor nodig. Daarbij kwam dat het Dorus Rijkers Fonds absoluut niet bij de N.Z.H.R.M. naar de oud-redders, die zij een uitkering gaf, informeerde. De Maatschappij was van mening dat op deze wijze veel geld bij de verkeerde mensen terecht kwam; iedereen kon wel zeggen dat hij vroeger in de reddingboot had geroeid. Ook de Z.H.M.R.S. had haar bedenkingen. Secretaris C.D. Julius schreef: 'Het is meer een gevoel, een inwendige weerzin tegen de café-chantant troep en hun gesol met het Dorus Rijkers Fonds'.

Toen in 1931 een nieuw bestuur van het fonds werd gekozen, juichte de 'Noord' het toe, dat haar eigen bestuurslid Koning zich kandidaat stelde. De Maatschappij zou dan meer grip kunnen krijgen op de publiciteit van het fonds en de verdeling van de uitkeringen. Maar men had te vroeg gejuicht. In de ogen van de N.Z.H.R.M. bleef de publiciteit misleidend en overdreven ondanks de bestuursfunctie van Koning. Het fonds schreef bijvoorbeeld: 'Nu zij door ouderdom of anderszins niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien, ten prooi aan bittere armoede en gebrek, als het Dorus Rijkers Fonds hen niet te hulp kwam.'

In de loop der tijd verbeterden de verhoudingen. In 1938 bezat het Dorus Rijkers Fonds zoveel geld dat het alle uitkeringen met 50% wilde verhogen. Toen de N.Z.H.R.M. dit afraadde stelde het fonds voor de uitkeringen van de N.Z.H.R.M. aan haar oud-redders over te nemen. De Maatschappij verklaarde zich wonder boven wonder bereid alle uitkeringen, die bovenop de reglementaire uitkeringen werden uitbetaald, over te dragen op voorwaarde dat altijd overleg zou plaatshebben. De enige die niet gelukkig was met de situatie was penningmeester H. de Booy *).Hij schreef nota na nota: 'Nu gaan wij een andere weg op, misschien nog maar een beetje, maar als men een klein stapje op een verkeerde weg doet dan volgen er meer, dat weten we. Daartegen heb ik nog eens willen waarschuwen. Ik kan op dien weg niet volgen'. Maar zijn smeekbeden mochten niet baten. Op 1 april 1939 nam het Dorus Rijkers Fonds alle liefdadigheidsuitkeringen over.

De oprichting van het Dorus Rijkers-Fonds had nog een ander gevolg. Aangezien het fonds het deed voorkomen alsof alle oud-redders in zeer behoeftige omstandigheden verkeerden, achtte de overheid het nodig de toestand aan de kust te onderzoeken. Naar aanleiding van dit onderzoek stichtte zij in 1925 de 'Commissie tot ondersteuning van oud-redders', die jaarlijks f 5000,- te vergeven zou hebben. Later werd dit bedrag verdubbeld. Deze commissie werd door de N.Z.H.R.M. bijzonder op prijs gesteld, voornamelijk omdat alles in goed overleg gebeurde. In 1927 reageerde het bestuur dan ook geschrokken op het voornemen van de overheid de commissie op te heffen en het geld voortaan aan het Dorus Rijkers Fonds te geven. Alles werd in het werk gesteld om dit plan van de overheid te verijdelen en met succes.    

*)Brief H. de Booy aan M.C. Koning bestuurslid van de N.Z.H.R.M. en het Dorus Rijkers-Fonds 29 september 1932
De lezing van een interview van de heer Witlau, voorzitter van het Dorus Rijkers Fonds door De Maasbode noodzaakt mij te wijzen op onjuistheden die daarin voorkomen. Dorus Rijkers verkeerde toen hij bij het Marine Monument stond niet in armoede. Hij was toen reeds ontslagen als bootsman van de Redding Maatschappij en had een vast inkomen. van
f 14,- per week (welk bedrag o.a. was ontstaan doordat hij zijn vergoeding van f 120,- als bootsman behield en wij hem een lijfrente van f 5,- bezorgden), had voor niemand te zorgen dan voor zichzelf en woonde in bij zijn dochter, die gehuwd is met Vader, die een betrekking had aan de werf. Dorus Rijkers heeft mij persoonlijk gezegd dat hij nooit gebrek had geleden in zijn leven. Het was en is onjuist hem te noemen, een in armoede verkeerende held. Ik ben er zeker van, dat hij het hoogst onaangenaam zou vinden zoo hij zag dat hij werd beschreven als 'armelijk aangedaan met een ietwat ingevallen borst'. Dit zijn uitdrukkingen die medelijden moeten wekken, doch die niet juist zijn. Dorus Rijkers heeft er steeds knap uitgezien en heeft nooit een ingevallen borst gehad ...

Moge dan die propaganda zoodanig zijn, dat zij berust op feiten, niet een verkeerden kijk op den toestand geeft en kwetsend wordt voor de Redding Maatschappij. Toen de Redding Maatschappij geen band had met het Dorus Rijkers-Fonds behoefde men zich van onjuistheden die gepubliceerd werden niets aan te trekken. Nu die band wel bestaat zou het onjuist zijn er niet op te wijzen.

Einde citaten uit het boek van drs M. Spaans De 'Noord'

Ondanks het feit dat mijn grootvader niets zegt over deze voor hem netelige kwestie, geeft hij in zijn verhalen  "Mensen die ik ontmoette"( Uitgave Geopol, 1970) een komische anekdote over Dorus Rijkers:
 "Dorus Rijkers is een schipper geweest die er de wind onder had. Hij was baas aan boord en met zeer "gespierde" taal zette hij kracht bij zijn bevelen. Ook op latere leeftijd, toen er reeds een motorreddingboot naar hem was genoemd, gaf hij meermalen blijk een onafhankelijk karakter te bezitten. Zo is hij in die jaren eens naar Amsterdam gekomen om mij te bezoeken. "Je bent hier nou toch, de Booy, ik heb je wat te vertellen", zo begon hij zijn relaas. Het bleek, dat een Vereniging, waarvan Dorus Rijkers Ere-voorzitter was, overal in Den Helder biljetten had doen aanplakken waarop stond, dat een feestavond zou worden gehouden tot steun van Dorus Rijkers."Tot steun van Dorus Rijkers", zei hij verontwaardigd. Ik heb nooit steun nodig gehad en ik  wil niet gesteund worden. Toen heb ik een ladder gehuurd en een man en toen heb ik 's-nachts  met eigen hand al die biljetten afgescheurd. Het was een heel werk in het donker. De Voorzitter was de volgende dag erg boos. Hij speelde op en zei: "Dorus, ben jij een Ere-voorzitter, dat scheelt je vijfhonderd gulden!"'.Dorus zweeg en keek mij doordringend aan. "Nou zou ik wel eens willen weten , wáár zijn nu die vijfhonderd gulden?"vroeg hij (Ik had ze niet ). Nadat dit geval dus op voor hem onbevredigende wijze was afgehandeld vroeg ik hem hoe de feestavond te Amsterdam hem was bevallen waarbij hij was gehuldigd voor een Vereniging voor Menslievend Hulpbetoon."Treurig" de Booy, zei hij "treurig". "Je bent hier nou toch, maar het was diep treurig. Toen kwam het verhaal. Dorus Rijkers was met zijn familie uitgenodigd tegenwoordig te zijn bij een feestavond van genoemde Vereniging te Amsterdam. Hij ging op reis met zijn dochter Doortje, zijn zuster en met nog iemand en nam zijn intrek in een hotel op het Damrak. De Vereniging zegde geen reis- en verblijfkosten toe en betaalde die later ook niet, hetgeen m.i. onjuist was "Ik kwam daar in een zaal"zei Dorus, "waar allerlei mensen waren, die iemand uit de gracht hadden gehaald en ook een juffrouw, die een deur had opengehouden voor een politieagent. "Moet ik met zulke mensen gehuldigd worden". "Heb je goed geslapen in je hotel" vroeg ik. "Helemaal niet!!" antwoordde Dorus, om vier uur kwam  Doortje me al wekken dat er een vigilante voorbij kwam en dat het dus zeker tijd was om naar de trein te gaan. Toen hebben we heel lang aan het station gezeten. Toen ik thuiskwam, dacht ik, dat is ééns maar nooit weer, wat zal ik  nou gaan doen? Toen heb ik mijn portret aan de Ere-voorzitter van de Vereniging gezonden. En raad eens wat die antwoordde? Dorus begon nu te zoeken in zijn broekzak die naar schatting een meter diep was. Eindelijk kwam er een propje papier uit, dat uit elkaar werd gehaald, gladgestreken en voor mij werd neergelegd. Het was een briefje van de Erevoorzitter en luidde als volgt: "Waarde Dorus Rijkers Gij hebt mij zeer veel genoegen gedaan met Uw portret. Het zal voor mij een aangename herinnering zijn aan de feestavond die wij tezamen hebben bijgewoond". "Dat noemen ze nou een heer "zei Dorus Rijkers.   

Hierbij moet nog vermeld worden dat Dorus Rijkers de bekende loterijman Broekhuis wel een "heer"vond. Wat heb je me een eer aangedaan de Booy, zei hij, dat je mijn naam op die boot hebt gezet. En 't heeft al wat opgebracht. Ik kreeg een prachtige nieuwe fiets van die man, ja hoe heet ie ook weer Broe...,Broek..., hij heeft gezeten, maar hij is er nou uit o ja Broekhuis, nou dat is beslist een heer want dat is een prachtige fiets.

Maar deze verhalen zijn niet geschikt voor het publiek dat verhalen leest waarin onze redders worden geschilderd als ridders zonder zelfzucht, een soort heiligen, er niet aan denkende dat, waren ze heiligen, hun daden niet bijzonder zouden zijn. Ook ik heb aanvankelijk in die richting gedacht, toen kwam de ontgoocheling, later weer respect maar op een andere basis"

Tot slot enkele citaten uit het reeds genoemde herdenkingsboek van het Helden-der Zee-Fonds 'Dorus Rijkers' Fonds: 

DE OPRICHTING VAN HET DORUS RIJKERS-FONDS

De onthulling van het Marine monument te Den Helder

Op het Havenplein in Den Helder was het op zaterdag 14 oktober 1922 een drukte van belang. Aldaar was een monument opgericht ter ere van de marinemannen die in de Eerste Wereldoorlog tijdens het vervullen van hun plicht waren gevallen. Het monument, gemaakt door beeldhouwer Lom, was voornamelijk op initiatief van luitenant ter zee P.J. Jager en het comité 'Voor hen die vielen' tot stand gekomen. Koningin Wilhelmina en prins Hendrik waren aanwezig om het monument te onthullen en belangrijke personen hielden toespraken. Vanaf Hr. Ms. 'Gelderland' werden vijf saluutschoten gelost en een zangkoor zong onder leiding van de Stafmuziek van de Marine een speciaal voor de gelegenheid gecomponeerde cantate. Op dezelfde dag werd op het gemeenschappelijke graf van de omgekomen slachtoffers op het kerkhof onder Huisduinen een krans gelegd. Bij het graf stond een eenvoudig gedenkteken dat ook door het comité 'Voor hen die vielen' tot stand gekomen was.

Het was op dit kerkhof dat een van de leden van het comité. Dr. L.A. Rademaker, redacteur van het dagblad 'Het Vaderland', een oude man ontwaarde met op zijn borst een hele rits medailles. Zijn verweerde gezicht stond wat somber. Rademaker kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vroeg eens om zich heen wie deze man was. Er werd met verbazing gereageerd. Kende hij Dorus Rijkers niet, de gepensioneerde schipper van de Helderse reddingboot? De nieuwe motorreddingboot die op dat moment in aanbouw was, werd zelfs naar hem vernoemd! Men wist niet precies te zeggen hoeveel levens hij had gered, maar "het benne er heel veul'. Met het schaamrood op de kaken stapte Rademaker vervolgens op de held af en er volgde een gesprek:
- "Wel Rijkers, mag ik je medailles even zien?"
 "Zeker meneer, ga je gang ".

Eén voor één kreeg Rademaker ze in handen: de bronzen en zilveren Koninginnenmedaille, het broederteken van de Nederlandse Leeuw, de medaille van de Koningin-moeder, de medaille van Koning Willem III, de medaille van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, de medaille van de Koningin van Engeland,. het burgerkruis 2e klasse van de Koning van België en de medaille van de Koning van Italië. Uit zijn vest haalde hij ook nog een groot gouden horloge van Keizer Wilhelm Duitsland uit 1887 en een diamanten dasspeldje van dezelfde keizer.
- "Kerel, dat is een mooie verzameling. Ik hoor dat de nieuwe reddingboot je naam krijgt hè?"
- "Ja zé zeggen het meheer en 't is allemaal heel mooi,maar weet je wat niet mooi is? Dat is dat  per week heb om van te leven. Vind jij dat mooi?"

Geld inzamelen voor Dorus

Rademaker's journalisten-neus rook een mooi verhaal en hij sprak met Dorus af voor een nader gesprek. Daaruit bleek dat zijn wekelijkse inkomsten waren samengesteld uit een pensioen van de NZHRM, een paar gulden per week van de broederschap van de Nederlandse Leeuw en f 5,41 uit een bijeen gebedeld fonds. Bij gebrek aan meer geld moest hij bij zijn dochter wonen, die hij tot zijn spijt geen beloning kon geven voor haar gastvrijheid. Sterker nog, in de zomer moest hij 76 jaar oud, nog geld bijverdienen door peilingen te verrichten voor de Waterstaat. Bovendien werd ook zijn fiets, die hij eerder had gekocht door zijn gouden NZHRM-medaille te verkopen, nu toch wel erg gammel. Wat een contrast: een held die zoveel mensen had gered en internationaal zo'n grote naam had dat hij van meerdere vorsten medailles had gekregen, moest op zijn 76ste jaar nog centjes "bijverdienen om rond te komen!". Rademaker vond dit lot een zeemansnatie als de onze onwaardig en besloot over dit onrecht een stuk te schrijven in zijn krant 'Het Vaderland' . Als hij dit aan zijn lezers vertelde, zou het toch wel goed moeten komen met Dorus? Behalve zijn lezers riep hij vooral de Minister van Marine op, eens in de buidel te tasten voor de stoere zeebonk. Naast Rademaker was nog iemand het karige bestaan van de oude, gepensioneerde redders opgevallen: Levy Grunwald. Ook hij was journalist, maar dan van de Heldersche Courant. Grunwald, die zijn journalistenbaan vreemd genoeg wist te combineren met die van zakenman en schrijver, verstond de kunst om net zo makkelijk met zakenlieden als met de Helderse jutters te praten en dat ook nog eens op geheel eigen wijze op papier te zetten. Op een koude januarimiddag in 1923 liep deze eigengereide man samen met Leo Pinkhof, leraar tekenen op de ambachtsschool over de dijk in Den Helder. In een klein gebouwtje hadden zich oude Helderse redders als Rijkers, Kuiper en Tabbie verzameld. Allemaal droegen zij blauwe wollen zeemanstruien. 'Prachtypen', noemde Pinkhof ze. "Je zou een boek over ze moeten schrijven ". Grunwald zag dat wel zitten en stelde meteen als titel voor: 'Koning Dorus en zijn Blauwe Zeeridders . Pinkhof beloofde de tekening voor de omslag te maken, en begon meteen. Het boekje verscheen in de loop van 1923. Het werd uitgegeven door de Helderse uitgever  H.P.J.Egner. Ondertussen had het artikel van Rademaker zijn uitwerking.. Bij de krant stroomden de giften binnen. Dorus kon van het geld in een splinternieuw pak worden gestoken. Door bemiddeling van Rademaker kreeg Dorus voor de rest van zijn leven f 10,-per week extra uitgekeerd van het Carnegie Heldenfonds. De bekende reclame-filantroop Broekhuys zorgde naar aanleiding van het artikel Het Vaderland voor een nieuwe fiets, terwijl Tjeerd Adema, hoofdredacteur van de Alkmaarse Courant, besloot het artikel van Rademaker over te nemen in zijn krant om er meer bekendheid aan te geven. Ook bij deze krant kwam al rap geld binnen voor Dorus. Zoveel, dat een  familielid van Dorus op een gegeven moment kwam polsen wanneer de krant van plan was het kapitaaltje aan Dorus te overhandigen. De krant wilde echter op dat moment nog doorgaan met de collecte (er kwam nog steeds geld binnen) en antwoordde hem dat als Dorus nu al een voorschot wilde hij dat maar op basis van de mededelingen in de krant bij iemand moest gaan lenen. Toen dat laatste niet wilde lukken, bracht het familielid enige weken later een bezoek aan de hoofdredacteur van de krant. Het familielid was niet alleen, zo schreef de hoofdredacteur later: "(. . .) hij bracht een lange forschen man mee, die een mooien door de wind en weer vergroefden kop en een schippersbaardje droeg". Wie anders dan Dorus zelf? Na het bezoek kreeg Dorus al wat mee van het kapitaaltje en toen de actie het grote bedrag van f 400,- had bereikt, bracht Adema dit hoogstpersoonlijk bij Dorus thuis. Hij was er maar wat blij mee. Eindelijk had hij het gelukkige gevoel dat hij wat geld bezat dat helemaal van hem was, en waarmee hij kon doen wat hij zelf wilde. Hij heeft het altijd zeer zorgvuldig besteed.(...)

Op 9 april 1923 vergaderden de heren met La Lau over de definitieve regeling van de gelden die voor Dorus en zijn makkers bijeen waren gebracht. (...). Naast het geld dat voor Dorus bijeen was gebracht, wilden de heren een fonds starten voor andere oud-redders die in financiële moeilijkheden waren geraakt. Daarom besloten zij hiervoor een apart fonds in het !even te roepen, dat bestemd was voor noodlijdende redders van schipbreukelingen langs de Nederlandse kust. Dit fonds zou naar hun grote voorbeeld Dorus Rijkers genoemd worden, hoewel deze naam voor verwarring zou kunnen zorgen, omdat de mensen wellicht dachten dat alleen Dorus gesteund werd. Door middel van de verkoop van boekjes van Grunwald en de revuevoorstelling van Ter Hall zouden de gelden bijeen gebracht worden voor dit nieuwe fonds, voluit genoemd: Helden-der-zee-Fonds 'Dorus Rijkers' .

 De officiële doelstelling van het Fonds luidde als volgt: Het scheppen van een nationaal fonds tot het verlenen van steun aan:
- behoeftige redders van schipbreukelingen op de Nederlandsche kust (Zuiderzeekust inbegrepen)
- behoeftige nagelaten betrekkingen van redders, omgekomen bij reddingen van schipbreukelingen op de Nederlandsche kust
-behoeftige nagelaten betrekkingen van overleden redders van schipbreukelingen op de Nederlandsche kust. (...)

 

Het hoofdbestuur van het Dorus Rijkers-Fonds in 1924. Staand van links naar rechts: Egner, Van Meeuwen en Alink. Zittend van links naar rechts. La Lau, De Jong-De Ruyter, Ter Hall en Grunwald. (Nationaal Reddingmuseum 'Dorus Rijkers').

DE EERSTE JAREN VAN HET FONDS

En wat deed de regering voor de oude helden (..) Het bestuur was het dan ook helemaal niet eens met de minister. Uiteindelijk besloot de regering voor de oude helden maar f 5000,- beschikbaar te stellen. (..) Nu de regering de oude helden danig in de kou liet staan, moest het Dorus Rijkers Fonds hard aan de slag om de benodigde fondsen bij elkaar te krijgen.(...) Het hoofdbestuur was verdeeld over de vraag hoe het ingezamelde geld het best verdeeld kon worden (...)

Kritiek op Ter Hall en Dorus

Toch was niet iedereen tevreden over de gang van zaken. Zo reageerde La Lau en het bestuur van de vereniging 'Moed, Volharding en Zelfopoffering' kribbig op de manier waarop Ter Hall alle eer van het behalen van steun van de regering (ook al was het niet veel) naar zich toe trok. Het was toch immers hun vereniging die al jaren eerder bij de minister en de Tweede Kamer had aangedrongen op steun voor de oud redders? La Lau stapte dan ook uit het bestuur van het Dorus Rijkers Fonds.(...) Ter Hall liet zich door het vroegtijdig vertrek van La Lau niet uit het veld slaan. Of hij zich nu te veel op de voorgrond drong of niet, hij werkte als een paard.(...)

Het was een mooie zaak dat er mensen waren die zich belangeloos inzetten om minder bedeelden in de samenleving te helpen. Of niet: Kritiek op Ter Hall en het functioneren van het Fonds in het algemeen kwam behalve van La Lau uit nog een andere (onverwachte) hoek. De reddingmaatschappijen bleken volstrekt niet tevreden te zijn met alle inspanningen van met name Ter Hall. Net als de vereniging 'Moed Volharding en Zelfopoffering' stoorden zij zich aan de manier waarop hij als een soort mensenredder alle eer naar zich toe trok. Maar dat was niet het enige. Zij zagen de bewering van Ter Hall als zouden veel oud-redders in zeer slechte omstandigheden verkeren als een direct verwijt aan de reddingmaatschappijen(...).

Het Dorus Rijkers Fonds deed het volgens de NZHRM voorkomen, dat zij de enige was die zich bekommerde om het lot van de redders. Dorus werd volgens hen misbruikt voor het binnenhalen van de gelden. Bovendien irriteerde het de reddingmaatschappijen dat het Dorus Rijkers Fonds hen niet om informatie vroeg, maar via andere wegen probeerde in nood verkerende redders te achterhalen. Op deze manier zou veel geld bij de verkeerde mensen terecht kunnen komen. Iedereen kon immers zeggen dat hij als vrijwilliger had deelgenomen aan een reddingactie? De reddingmaatschappijen waren het dus niet eens met de wijze waarop het Fonds zijn gelden besteedde. Zij protesteerden dan ook heftig toen de regering het plan opvatte de commissie die ingesteld was om toe te zien op de besteding van de staatssubsidie voor de oud-redders, op te heffen. Uiteindelijk besloot de regering, tot opluchting van de reddingmaatschappijen, van opheffing af te zien.  

Ook het bestuur van de NZHRM had geen goed woord over voor wat men noemde 'ongepaste reclame' door het Fonds. Zo stoorde het zich uitermate aan de reclamecampagne voor het boekje van Grunwald, 'Koning Dorus en zijn Blauwe Zeeridders' , dat met de volgende zinsnede werd gepromoot: "Weet gij wel, burgers van Nederland dat er helden der zee zijn, die zich verzadigd hebben met koude aardappelen en korsten brood, welke men op den weg voor de honden had neer geworpen? Weet gij, dat de kinderen van onze werkelijk nationale helden huiveren en rillen van koude, omdat zij geen kleeding hebben om het naakte lichaam voldoende te beschutten?" Een knap staaltje schrijverschap, bedoeld om het medelijden van de mensen op te wekken. Maar was het reëel? Hadden de redders het werkelijk zo slecht? Waarschijnlijk niet, maar vragen om een extra zakcentje als beloning voor al wat de redders voor anderen hadden gedaan, leverde vast niet zoveel op. En dat de oud-redders het niet zo breed hadden was duidelijk. Toch is het heel begrijpelijk dat de reddingmaatschappijen niet blij waren met deze 'misleidende' campagnes en de opstelling van met name Ter Hall. Door de acties zou de indruk worden gewekt dat de reddingmaatschappijen niets voor hun oud-redders deden. Zij vreesden dan ook dat de giften voor de reddingmaatschappijen in de toekomst kleiner zouden worden. Vooral directeur ( in die tijd was hij secretaris) de Booy van de NZHRM stoorde zich mateloos aan de opstelling van Ter Hall, en ook aan diens persoon. Op een brief van Ter Hall aan de NZHRM kon De Booy het niet nalaten om commentaar te geven op de handtekening van Ter Hall. Met potlood schreef de Booy onder aan de brief "naar het handschrift te oordelen een ijdel mensch".   

 

  

De 'Blauwe Zeeridders': v.l.n.r. C.J. Klaassen, Dorus Rijkers en J. Bijl in de tuin van de villa van Henri ter Hall in de wijk Leeuwendaal in Rijswijk..

Ter Hall was er de man niet naar om anoniem achter de coulissen te werken. Hij was gewend in de schijnwerpers op het toneel te staan, en wilde bij elk optreden gezien worden, als revue-leider, maar ook als voorzitter van het Dorus Rijkers-Fonds. Wellicht een minder gelukkige eigenschap, maar feit blijft dat hij veel voor de oud-redders deed. Ter Hall was echter niet de enige op wie kritiek uitgeoefend werd. Ook' Opa' zelf kreeg er van langs. Hij zou het alleen voor de publiciteit doen, alleen voor eigen gewin. Hij maakte het immers wel heel erg bont? Niet alleen trad hij tijdens door het Dorus Rijkers Fonds georganiseerde feesten telkens op, maar hij verscheen ook in allerlei reclames voor tabak en zeep. Men betwijfelde of hij de weelde wel kon dragen en of hij het geld dat voor hem was ingezameld wel moest krijgen. Hij zou er misschien alleen maar drank van kopen. Zo waren veel mensen het oneens met het feit dat Tjeerd Adema van de Alkmaarse Courant het verzamelde geld in één keer aan Dorus had gegeven in plaats van het in wekelijkse uitkeringen te verstrekken. Dorus zelf was juist blij dat hij het in één keer kreeg, in plaats van in wekelijkse termijnen want "dan merkte je er zoo weinig van, dat je wat geld bezat, dan werd je als onmondig kind onder curateele gesteld". En een onmondig kind was Dorus duidelijk niet. Ook geen dronkenlap, zoals afgunstige tongen wel eens beweerden. Opa lustte wel eens een bittertje, maar hij dronk het spaarzaam en nooit overmatig. Hij was ook maar een mens, maar wel een die grootse daden had verricht.(...)

RUMOER BINNEN BUITEN HET FONDS

Dit hoofdstuk gaat kort samengevat over de onenigheden van het hoofdbestuur van het Dorus Rijkers Fonds, vooral tussen de flamboyante figuur van Henri Ter Hall en de overige bestuursleden. Men vond dat hij te solistisch optrad. Het eind van het lied was wel dat Henri Ter Hall niet meer werd verkozen tot voorzitter en zelfs niet meer als gewoon lid van het hoofdbestuur

IN RUSTIGER VAARWATER

Na de tumultueuze vergaderingen begin 1932 werd het uiteindelijk rustiger rond het Dorus Rijkers Fonds (...).Ondanks de moeilijke economische omstandigheden in de jaren dertig leek het steeds beter te gaan met het Fonds. In 1938 konden de uitkeringen van de ondersteunden weer worden verhoogd. Bovendien nam het Dorus Rijkers Fonds een aantal uitkeringen aan redders over, die daarvoor door de NZHRM boven hun reglementaire uitkeringen werden uitbetaald. Na het definitieve aftreden van Ter Hall als voorzitter, begon de reddingmaatschappij langzaam meer vertrouwen te krijgen in het Fonds en verliep de samenwerking beter. Het overdragen van de uitkeringen was hiervan het bewijs, hoewel de Booy van de reddingmaatschappij waarschuwde toch vooral niet de verkeerde weg te gaan. (...)

HET FONDS TIJDENS DE OORLOG

De komst van de Duitsers

Na de inval van de Duitsers veranderd er in eerste instantie weinig binnen het Fonds.(...) Het gevaar dat het Fonds in handen zou komen van de N.S.B. dreigde, omdat zoals in veel besturen en organisaties, ook in het bestuur van het Dorus Rijkers Fonds N.S.B. sympathisanten zaten. (...)

Het hoofdbestuur tijdens de oorlog

Door het terugtreden van Withlau (als voorzitter). bestond het bestuur nog maar uit zes leden ( voor zover ik heb kunnen nagaan waren dat: J.J.van Capelle, P.S van 't Haaff, mevrouw G. Dirkzwager-Marin Gouay, mevrouw G.A.de Jong-de Ruyter, G. Ritmeester, G.H. Ruhaak en de administrateur was Jager). Volgens de statuten moesten zeven personen zitting hebben in het Fonds-bestuur. Daarom werd de heer Mouton, directeur van L.Smit & Co.'s Internationale Sleepdienst en bestuurslid afdeling Rotterdam gevraagd zich als kandidaat beschikbaar te stellen. Ook bij de commissarissen was een plaats beschikbaargekomen door het verdwijnen van Swart. Zijn plaats werd opgevuld door kapitein ter zee N.A. Rost van Tonningen, broer van de NSB topman.(de overige commissarissen waren voor zover ik heb kunnen nagaan: M.C. Koning,, lid van Bestuur N.Z.H.R.M. en C. Fock, vice-admiraal). De laatst bekende vergadering van het bestuur gedurende de oorlog vond plaats op 26 januari 1943. Een voorstel van Van Capelle om Jager de helel verantwoording voor het uitbetalen van de uitkeringen te geven werd afgewezen. Achter af bleek dat maar goed ook. Begin september werd het de N.S.B.-er te heet onder de voeten en vluchtte hij met de kas van het Fonds naar Duitsland. Aldaar besteedde hij de f 500, voornamelijk voor zich zelf. Het gekozen bestuur werd door de Duitsers ontslagen en vervangen door een N.S.B. bestuur, dat toen verantwoordelijk was voor de uitbetalingen van de uitkeringen. (In het herdenkingsboek worden de namen van dit bestuur niet vermeld).

VAN BEHOEFTIGEN-UITKERING TOT ERE-PENSIOEN

In 1959 vonden er weer een aantal verschuivingen in het hoofdbestuur van het Fonds plaats, onder andere door het overlijden van het langst zittende bestuurslid, mevrouw De Jong-De Ruyter. Vooral vice-voorzitter Mouton vond het belangrijk dat nieuwe bestuursleden uit Amsterdam zouden komen, zodat zij wellicht de vorming van een afdeling van het Fonds in Amsterdam konden stimuleren. Er werden twee nieuwe, in Amsterdam wonende, leden gekozen: de heer M. van Hall, neef van zowel de burgemeester van Amsterdam als van de Booy van de KNZHRM, en de heer J.Schol, oud-gezagvoerder Grote Handelsvaart. De aanwezigheid van twee nieuwe bestuursleden uit Amsterdam zorgde er inderdaad voor dat een afdeling in Amsterdam werd opgericht. Het bestuur bestond uit Van Hall en Schol, aangevuld met de heren A.C. Strumphler en S. Minnema. (...)

De relatie met andere instellingen

Waren de verhoudingen met de reddingmaatschappijen voor de oorlog al sterk verbeterd, na de oorlog was de relatie met beide maatschappijen zelfs goed te noemen. Beide maatschappijen hadden vertegenwoordigers in het bestuur of het college van commissarissen van het Fonds. De KNZHRM was de grootste van de twee maatschappijen en vertegenwoordigde ook het grootste aantal redders. De KZHMRS kon zich makkelijker bedruipen dan de KNZHRM, omdat eerstgenoemde maatschappij geld kreeg van de gemeente Rotterdam voor elk schip dat de haven binnenkwam. Van afgunst tussen de twee maatschappijen was echter geen sprake. Wel waren er soms tegenstrijdige belangen, waarmee het Fonds te maken kreeg.

Zo vroeg de KZHMRS het Fonds steun voor de oprichting van een reddingmuseum in Hoek van Holland, met als middelpunt de oude reddingboot 'President Jan Lels'. Omdat het bestuur echter subsidie had gegeven voor de oprichting van het Reddingmuseum in Den Helder, besloot zij geen steun te verlenen aan de oprichting van nog een reddingmuseum. Uiteindelijk slaagden zij erin zonder de steun van het Fonds toch een tweede reddingmuseum in Hoek van Holland op te zetten. Beide reddingmaatschappijen behielden hun vertegenwoordiger in het bestuur van het Fonds. Vanaf 1991, toen de KNZHRM en de KZHMRS fuseerden, zat er nog maar één vertegenwoordiger van de nieuwe reddingmaatschappij in het college van commissarissen van het Fonds, en wel de heer L.E baron van Till, reeds eerder vertegenwoordiger van de KNZHRM in dit college.

Een instelling waarmee het Fonds altijd nauwe contacten onderhield was de vereniging 'Moed,Volharding en Zelfopoffering'. Deze vereniging van oud-redders behartigde niet alleen de belangen van de redders, maar verstrekte ook informatie over redders die in aanmerking komen voor ondersteuning. Via de vereniging wist het bestuur van het Dorus Rijkers-Fonds wat er leefde onder de redders. Met de verbeterde situatie van de redders na de oorlog door betere pensioenregelingen en de A.O.W  werden de contacten tussen het Fonds en de vereniging minder frequent.

Toch bleef de vereniging' Moed,Volharding en Zelfopoffering' de belangen van de redders goed in het oog houden en kwam zij voor de redders op als zij dacht dat hun belangen op het spel stonden. Zo schreef zij begin 1998 een brief aan de Woningstichting van Den Helder over het feit dat er onrust was ontstaan onder de bewoners van het Dorus Rijkershofje. Nadat het Fonds eerder al één van de twee hofjes van de hand had gedaan, was het nu de beurt aan het oudste van de twee hofjes. Het beheren en onderhouden van het hofje nam te veel tijd en geld in beslag. Op 8 januari 1998 werd het hofje voor het symbolische bedrag van f 1,- verkocht aan de Woningstichting Den Helder, onder voorwaarde dat er voor de zittende bewoners niets zou veranderen. Het Fonds waardeert het werk van de vereniging voor de oud-redders nog steeds zeer. Jaarlijks stelt zij een bedrag beschikbaar waarvan de vereniging iets aardigs kan organiseren voor de redders.(...)

Het huidige Bestuur en de toekomst van het Fonds

Het Bestuur is vooral de laatste jaren zeer actief geweest in het steunen van tal van instellingen en projecten op maritiem gebied. Zo verleende het Dorus Rijkers Fonds steun aan projecten van de Stichting Zeilend Zeeschip en het Reddingmuseum te Den Helder, gaf het geld voor reparatie en onderhoud van de motorreddingboot 'Insulinde' en aan het opknappen van het Nationaal Monument voor het Reddingwezen. Jaarlijks stelt het Fonds een bedrag beschikbaar voor de vereniging 'Moed, Volharding en Zelfopoffering' en springt het bij in de pensioen-overbrugggingsregeling van de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM).(...)

Vorig jaar werd een extra feestelijk jaar voor de KNRM, toen zij op 20 september 1997 de nieuwe reddingboot 'Dorus Rijkers' in gebruik mochten nemen. Deze boot werd geheel gefinancierd door het Dorus Rijkers- Fonds(...)

    

    Motorreddingboot 'Dorus Rijkers' gefinancierd door het Dorus Rijkers-Fonds in 1997

Het Bestuur van het Dorus Rijkers Fonds zal doorgaan met het geldelijk ondersteunen van oud-redders en hun weduwen (...). Na 75 jaar is het Fonds nog steeds springlevend. Als die oude Dorus toch eens van tevoren geweten had waar een gesprekje met een journalist op een Helders kerkhof toe zou leiden....

Eind citaten uit het herdenkingsboek van de geschiedenis van het Helden-der-Zee-Fonds ' Dorus Rijkers'

De Dorus Rijkers (II) is in Den Helder inmiddels alweer enige tijd reserve geweest naast de oudere Johannes Frederik van het zelfde type, maar vanaf 2006 is ze weer de operationele boot van het station.

Noot. Met dank aan het Bestuur van de Stichting Beheersraad van het Dorus Rijkers-Fonds, die mij  middels haar voorzitter de heer Mr D.M.Dragt,  toestemming heeft gegeven bovenstaande tekst van het herdenkingsboek op mijn website te mogen publiceren.