Werkstuk van Rutger van Houwelingen en Janneke
Verheij voor het vak Egodocumenten aan de Erasmus Universiteit te
Rotterdam:
Hendrik de Booij 1867-1964
Ter inleiding
Donderdag 10 december Brief
van Rutger van Houwelingen
Beste Tom de Booij, Ik mail u naar aanleiding van uw website met de egodocumenten
met onder andere gegevens over uw grootvader Hendrik de Booy 1867-1964. Ik ben
met een andere studente geschiedenis bezig Hendrik de Booy te onderzoeken voor
het vak Egodocumenten*). We zijn al in het archief te
Amsterdam geweest. We zijn nieuwsgierig naar wat voor man het was, zijn
karakter, hoe hij dacht over de man-vrouw verhouding, opvoeding van hem zelf en
van zijn eigen kinderen of hij humor had en nog veel meer. Kortom: we willen
graag een beeld vormen rondom deze man. Heeft u misschien nog tips? Vriendelijke
groet, Janneke Verheij en Rutger van Houwelingen.
*) Het vak egodocumenten waarvoor
zij dit werkstuk hebben geschreven is voor het keuzevak dat wordt gegeven door
Arianne Baggerman van de Erasmus Universiteit.
Dinsdag 5 januari 2010 Op mijn werkkamer heb ik in een 4 uur durende
gesprek Rutger en Janneke zoveel mogelijk informatie gegeven over mijn
grootvader. Het bleek dat ze al heel goed op de hoogte waren en zich goed hadden
voorbereid. Toch kon ik ze nog veel documentatiemateriaal te hand stellen.
Donderdag 11 februari 2010 Geachte heer de Booij, Bedankt voor de tip.
Wij hebben deze week het werkstuk terug gekregen met een mooie 9 als beloning
voor het resultaat. We zijn er dan ook wel een beetje trots op en willen het
graag aan u laten lezen. Ik wil nog heel even de paar aantekeningen, die onze
docent heeft gemaakt verwerken zodat u een nagenoeg foutloos exemplaar krijgt.
Ik zal u niet lang in spanning houden en het zo snel mogelijk naar u opsturen.
Met vriendelijke groet, Janneke en Rutger
Vrijdag 19 december 2010 Geachte heer De Booij, In bijlage stuur ik ons
egodocumenten rapport. Wij hopen dat u net als ons tevreden bent met het
resultaat. In de voetnoten vindt u referenties naar secundaire literatuur over
het onderwerp egodocumenten en informatie over de periode waarin uw grootvader
leefde. Zelf vind ik het onderdeel familiearchieven in het algemeen ook
interessant, in hoeverre is dit archief van belang voor het behouden of vormen
van een familie-identiteit? Wat voor waarde of doel heeft het houden van zo'n
archief? Over twee maanden heb ik tijd om me daar meer op te richten want dan
begin ik met het schrijven van mijn werkstuk; dit rapport is daar eigenlijk al
een voorproefje van. We hopen dat alles goed met u gaat en we wensen u veel
plezier met het lezen van ons werkstuk. Met vriendelijke groet, Janneke en
Rutger
Dinsdag 23 februari 2010 Geachte heer De Booij, Ik zie dat u een erg
kritische lezer bent, bedankt voor het commentaar! We zijn blij dat u tevreden
bent met het resultaat en hebben er geen bezwaar tegen als u het werk op uw
website plaatst. Rutger schreef in zijn e-mail dat hij vereerd was met uw
verzoek. Wij hebben gekozen om ons op het jaar 1931 te richten omdat we graag
het dagelijks leven van de familie wilde onderzoeken en daarom de jaren van de
oorlog hebben vermeden. Achteraf denk ik dat juist ook de jongere jaren
interessant zullen zijn, zo rond 1900, maar ik heb nog tijd om me daar later
verder in te verdiepen. Onze professor is Arianne Baggerman. Zij wordt
waarschijnlijk alleen genoemd in de voetnoten, dat is niet zo netjes van ons.
Zij doet veel onderzoek naar egodocumenten en heeft een hele lijst met boeken en
artikelen over het onderwerp geschreven.
http://www.egodocument.net
. Ze werkt ook mee aan deze website waar u veel informatie over egodocumenten
kunt vinden. Met vriendelijke groeten, Janneke
Hieronder volgt het werkstuk van Rutger van Houwelingen en Janneke Verhey. Met
hun toestemming heb ik een aantal aanpassingen gedaan

Hendrik de Booij werd op 23 juni 1867 te Haarlem geboren als de
jongste zoon van Chrétien Jean Gérard, een nobele en zeer gewaardeerd notaris en
Adriana Johanna de Mol van Otterloo, een lieve moeder die veel heil vond in het
geloof. Over zijn ouders heeft hij in zijn herinneringen niets dan lof. Hij was
de jongste van een gezin van 10 kinderen, van wie hij er slecht 6 heeft gekend.
Op jonge leeftijd stierf zijn moeder aan een hevige koorts. Zij leed ook aan
astma, ‘waartegen zij een
bijzonder soort sigaretten rookte’.
(1)
Hendriks oudere zus, Mik, nam de taak van
de opvoeding over. Zij leerde hem zelfs lezen en schrijven. Evenals twee van
zijn broers werd hij marineofficier. De eerste helft van zijn leven werd
gekenmerkt door zijn grote reizen op zee. Al in zijn vroege jeugd hield hij van
avontuur. Zijn geheime hut of zijn huis in de kastanjeboom die wel 5 meter boven
de grond was gelegen prefereerde hij boven de lange zondagse wandelingen met
zijn vader. Als adelborst voer hij met het schip ‘Het Zilveren Kruis’, waarmee
hij de wereld over zeilde. Havens in Japan, China en Honolulu werden aangedaan.
Hij had ook andere ervaringen met de Marine: een verblijf voor de kust van Atjeh,
het commando over de "Argus", inspectievaartuig voor de visserij op de Noordzee
en tenslotte een verblijf in Nederlands-Indië als adjudant van de toenmalige
gouverneur-generaal Willem Rooseboom. Bij deze laatste reis ging zijn gezin ook
mee. Dit is zeker geen saai curriculum vitae te noemen, maar zoals zijn leven in
zijn jeugd al was: zeer avontuurlijk. Helaas moest Hendrik zijn overzeese
avonturen beëindigen door een zonnesteek en malaria en werd hij gedwongen terug
te keren naar Nederland waar hij werd afgekeurd voor tropendienst en jammerlijk
in 1903 werd ontslagen uit de Marine.
In 1897 trouwde Hendrik De Booij met Hilda Gerarda Boissevain (1877-1975),
dochter van Charles, hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad en Emily
Héloïse MacDonnell. Er kwamen vier kinderen: Hendrik Thomas (Tom), in 1898,
Alfred (1901), Olga Emily (1905) en ten slotte Engelina Petronella (1917). Zij
kwam weliswaar laat maar zeer gewenst, een echte engel. In zijn dagboeken
spreekt een betrokken, trotse, maar ook bezorgde vader die zijn kinderen
nauwlettend in de gaten houdt op hun manieren en prestaties. Toen De Booij naar
werk moest zoeken had hij dus een vrouw met twee kinderen te onderhouden. Hij
begon als administrateur van het Concertgebouw. Als muziekliefhebber en
verdienstelijk amateur musicus beleefde hij hier veel plezier. In 1906 legde hij
deze functie neer toen hij secretaris kon worden van de Noord- en Zuid-Hollandse
Reddingmaatschappij. Dit was zijn grootste passie. Hendrik was een bezige bij en
had dan ook vele andere functies, zoals die van schoolopziener, voorzitter van
de Nederlandse Bouwmaatschappij, lid van de raad voor de Scheepvaart,
bestuurslid van het hospitaal-kerkschip ‘De Hoop’ en commissaris van het
Algemeen Handelsblad. Na zijn aftreden als administrateur bleef hij aan het
Concertgebouw verbonden als bestuurslid. Zijn volledige curriculum Vitae is
bijgevoegd als bijlage I.
De naam De Booij wordt soms met een lange ij aan het einde geschreven, soms met
een y en in andere gevallen met een ij zonder puntjes. In het gemeenteregister
is de familienaam geregistreerd als De Booij met lange ij met puntjes en dat is
dan ook de spelling die wij in dit verslag aanhouden. In het stadsarchief in
Amsterdam wordt de naam in het familiearchief met een y geschreven.

Hendrik trouwt op 16 juni 1897 met Hilda Boissevain. Op de
tweede foto is het echtpaar 50 jaar getrouwd.
Het dagboek
In 1909 begon Hendrik De Booij
dagboeken bij te houden, die hij tot 1964, kort voor zijn dood, voortzette. Het
dagboek van De Booij is handgeschreven. Hij gebruikt waarschijnlijk een vulpen.
Het bewijs hiervoor vinden we in de inktvlekken die hier en daar in de pagina’s
zijn
getrokken. Het dagboek is een schrift met harde, gevlekte kaft en etiket. Naast
heel veel tekst maakt de Booij af en toe een tekening ter illustratie of
portretten die zomaar tussen de bladzijden zijn gestoken. Sommige portretten
zijn overigens niet door hem zelf gemaakt maar door Hilda van Stockum. De Booij
tekent erg graag, hij maakt ansichtkaarten en andere potloodtekeningen (zie foto
hiernaast), een hobby die hij aan zijn zoon Tom doorgeeft. De onderwerpen zijn
vaak huiselijke taferelen, de woonkamer met open haard, portretten of
landschappen. Ansichtkaarten waren geliefde verzamelobjecten in deze periode.
(2)
.

Een aantal door Hendrik de Booij getekende ansichtkaarten
De tekeningen bestaan uit allemaal
kleine streepjes en getuigen van een geduldig en precies karakter. Verder plakt
De Booij krantenknipsels in en bewaart hij memorabilia zoals de naambordjes die
Engelina maakte voor de kerst of een uitnodiging die Engelina typte voor de
jaarlijkse picknick. Hendrik de Booij beschrijft veel ontmoetingen zonder dat te
achterhalen is wat zijn mening over het onderwerp is. Het lijkt alsof hij de
woorden van de persoon die hij ontmoette neerzet zonder te oordelen, misschien
kunnen we daaruit opmaken dat hij het er mee eens was of in ieder geval niet
geheel mee oneens. Hendrik heeft een boek geschreven over mensen die hij
ontmoette. Hieruit blijkt dat hij een erg beschouwend karakter had; de wereld
was niet zwart-wit voor hem. Als iemands karakter hem niet aanstond, schuwde hij
het niet om dit zonder ophaal in zijn boek te noteren. Het dagboek begint op 26
december 1930 met het kerstfeest. Hij geeft een beschrijving hoe de kerst wordt
gevierd en wat er op het kerstmenu staat. Op sommige dagen schrijft hij erg
uitgebreid, een hele of twee pagina’s, en andere dagen worden in twee regels
genoemd, hij slaat ook wel eens dagen over. Het dagboek eindigt met de
jaarwisseling 1931-1932, hij schrijft precies een jaar in 100 dagboekpagina’s,
inclusief kaft. Hendrik schrijft het dagboek grotendeels in het Nederlands maar
gebruikt hier en daar ook Engels en Duits. We leren zelfs een aantal Chinese
woordjes van hem.
Schatplaats
De jongste dochter van Hendrik, Petronella Engelina de Booij, heeft een selectie
gemaakt van dagboekfragmenten die ze heeft getranscribeerd en voorzien van
aantekeningen. Ze bracht de originele documenten onder in het Centraal Register
van Familiearchieven van het Algemeen Rijksarchief te Den Haag. In 1988 is het
familiearchief verhuisd naar het Utrechts Archief waar P.E. de Booij hoofd van
was. In 1998 zijn de documenten verhuisd naar het Stadsarchief van Amsterdam
waar het nu grotendeels is gedigitaliseerd. In totaal heeft De Booij 110
dagboeken geschreven, welke allemaal zijn gedigitaliseerd. Hij is begonnen met
het schrijven in 1909 op 42-jarige leeftijd en hij schrijft tot zijn overlijden
in 1964. De jaren 1928 en 1929 zijn verloren gegaan. Naast de dagboeken vind je
in het familiearchief ook reisverslagen van hem en zijn vrouw Hilda, onder
andere van hun verblijf in Nederlands Indië. Voor de volledige inventaris van
het familiearchief, zie bijlage II. Hendrik heeft op verzoek van zijn neef Chré
de Booij, Benedictijns priester van de St. Paulus Abdij te Oosterhout, zijn
jeugdherinneringen opgeschreven als laatste hoofdstuk van een familiedagboek
waaraan deze neef heeft gewerkt. Door het toedoen van deze neef is de familie de
Booij in ‘het blauwe boekje; van het Patriciaat opgenomen.(3)
Dit familieboek is later in drievoud
uitgegeven waarvan één exemplaar in het bezit is van de kleinzoon Tom de Booij.
Deze herinneringen heeft hij later nog een keer herzien. Beide versies zijn
bewaard gebleven, zowel in handgeschreven versie als uitgetypte versie op een
ouderwetse typemachine.
Voor deze opdracht hebben wij de herziene herinneringen
gebruikt archiefnummer van het Amsterdams Stadsarchief: A071510000001
t/mA071510000134 en het dagboek uit 1931 archiefnummer A07275000002 t/m
A07275000100. Daarnaast vonden wij een website waarop de kleinzoon van De Booij
fragmenten uit verschillende dagboeken heeft geplaatst. Deze kleinzoon,Tom de
Booij, is zo vriendelijk geweest om ons uit te nodigen bij hem thuis waar we nog
veel meer te weten kwamen over de familiegeschiedenis en waar we een groot deel
van het originele materiaal hebben gezien.

Tom de Booij in zijn
werkkamer met alle familie boeken
Tom de Booij heeft zijn grootvader goed gekend. Tot aan
zijn dood speelden ze samen verschillende stukken van Mozart en van andere grote
componisten. Hendrik op de viool en Tom op de piano. Dit samenspel werd meestal
gevolgd door diepgaande gesprekken over verschillende onderwerpen.

In deze foto, Tom en Hendrik de Booij sonates van Mozart
spelend
Voor welk type onderzoek is dit dagboek, of op grotere schaal
het familiearchief, geschikt?
In de periode rond 1850 vonden er
zoveel veranderingen plaats in Nederland dat de wereld in de eerste helft van de
negentiende eeuw nagenoeg onbegrijpelijk was geworden voor de mensen die in de
tweede helft van de negentiende eeuw leefden.(4)
.
Historici zoals Peter Gay gingen ervan uit
dat de opkomst van het dagboekschrijven in deze periode voortkwam uit de
behoefte aan introspectie. Deze behoefte aan introspectie zou weer te maken
hebben met de individualisering van de samenleving door verstedelijking en het
geloof. De kerk legde veel nadruk op de zonden en de noodzaak tot introspectie
in de strijd tegen deze zonden. Door de verstedelijking kwamen er een nieuwe
relatie tussen het publieke- en het privéleven wat individualisering en
introspectie tot gevolg had.
Dankzij het omvangrijke
inventarisatieproject van Rudolf Dekker is er meer onderzoek gedaan naar het
motief voor dagboekschrijven in Nederland. Dit project omvatte egodocumenten
geschreven door een groot aantal verschillende mensen, behorende tot hoge en
lagere klassen uit de bevolking. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat veel
dagboeken tamelijk onpersoonlijk waren en helemaal niet introspectief. Dit is
een heel ander beeld dan Gay schetst. Reinhardt Koselleck, een Duitse
historicus, merkte op dat er door grote politiek-sociale en economische
veranderingen een breukervaring ontstond in het historisch bewustzijn in de
periode 1750-1850. Er kwam een toenemend besef dat de wereld maakbaar was en dat
mensen de toekomst, zelf in handen hadden. De toename in het aantal
autobiografieën dat geschreven werd kan wellicht worden gezien als een poging om
de snel veranderende tijd te documenteren, betogen Arianne Baggerman en Jeroen
Blaak.(5).
Volgens Baggerman wordt de breukervaring die
Koselleck beschrijft in Nederland pas teruggevonden in egodocumenten in de
tweede helft van de negentiende eeuw en niet in de tweede helft van de
achttiende eeuw. Het kan zijn dat de reactie op Koselleck’s ‘Sattelzeit’ later
kwam, of dat veranderingen die in de negentiende eeuw plaatsvonden tastbaarder
waren dan eerdere gebeurtenissen in de achttiende eeuw waardoor het voor mensen
eenvoudiger te constateren en te documenteren was. Er veranderde in deze tweede
periode vooral veel op het gebied van infrastructuur en techniek.(6).
Er zijn meerdere voorbeelden te geven waarin De Booij schrijft over de trein, de
klasse waarin gereden werd en de personen waarmee hij een coupé deelde.
‘Dinsdag 5 april, in de trein 3e
klas..... ..13 juli vertrokken Hilda
en Engelina 2e
klas slaapwagon naar Zurich met de trein
van 1556’. (pagina 32 en 67 van het
dagboek). De trein was geen nieuw verschijnsel meer, de bouw van spoorwegen was
al in 1838 begonnen, bijna dertig jaar voor De Booij geboren werd. Het
spoorwegennet breidde zich nog wel uit, in 1898 werd er gewerkt aan de spoorlijn
naast het IJ in Amsterdam.(7).
De trein was voor de familie De Booij de
belangrijkste vorm van transport voor langere afstanden maar binnen de stad
gingen ze vaak met de ‘benenwagen’. De Booij deinst er niet voor terug om een
uur te lopen om bij een vergadering aanwezig te zijn. De nieuwe benadering van egodocumenten die Baggerman en Blaak
bespreken is ook van toepassing op ‘ons’ dagboek. We komen bijna geen introspectie
tegen; hij is geen speurtocht begonnen naar zijn ware ik en vertrouwt geen gewetenswroegingen
toe aan het papier. Met het geven van zijn persoonlijke mening over politieke situaties is
De Booij spaarzaam. Dit blijkt onder andere uit de manier waarop hij over de politieke situatie in de
wereld schrijft. Op bladzijde 17 van het dagboek schrijft hij:‘De toestand in het buitenland is als volgt: Engeland in grote
financiële moeilijkheden. Snowdon,
toenemende werkeloosheid Spanje in
grote politieke moeilijkheden. De koning doch vele pogingen een Kabinet samen te stellen. Rusland hard bezig
aan het 3 jaren plan, is dan zijn goedkope werkkracht een reusachtige prestatie een groot
gevaar.’ Het dagboek en de herinneringen zijn uitermate geschikt om het
dagelijks leven in de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw te
onderzoeken. Dit type onderzoek zou een aanvulling kunnen zijn op het artikel van Pieter
Stokvis, Het intieme burgerleven, Huishouden, huwelijk en gezin in de lange 19e
eeuw,
of het boek 1900, The Age of Bourgeoisie Culture van Jan Bank en Maarten van Buuren. Voorbeelden voor deze
bewering zijn te vinden in alle anekdotes die in het verslag genoemd worden over opvoeding en
andere dagelijkse bezigheden van de familie..
Voor wie zijn al deze dagboeken en herinneringen geschreven?
Uit het dagboek en de herinneringen blijkt dat Hendrik de Booij
zijn dagelijks leven neerschrijft voor zichzelf en zijn nageslacht. In zowel zijn herinneringen
als zijn dagboeken schrijft hij dit letterlijk.
‘13 november. Vandaag aan tafel sprak ik met Hilda over een boek
van W. Glover "Know your own mind" en hetgeen daarin staat over bijv. het rangschikken van
onze gedachten door onze wil, schijnt Tom te hinderen. Wij moeten eigenlijk niet spreken over zulke
dingen in Tom's nabijheid, waar hij onder de invloed van Ds Kuiper naar mij voorkomt zeer vaste
denkbeelden heeft over godsdienst en het zou jammer zijn als hij nu begon te twijfelen, vooral omdat
voor twijfel geen reden is. Hij zeide dat het hem in het geheel niet interesseerde (dat gedachten
dingen zijn enz.) waarop ik
zeide dat ik dat in mijn dagboek zou schrijven en hem dan over 15 jaren
voorlezen.‘ (vet gedrukt door de
schrijvers).
De Booij schrijft 55 jaar lang bijna elke dag trouw, misschien
is het uiteindelijk ook een gewoonte geworden. In het interview met zijn kleinzoon wordt dat beaamd.
Er moet niet te veel achter het schrijven van dit dagboek worden gezocht, volgens Tom de Booij,
het was zoals het lezen van de bijbel een gewoonte en net als het maken van muziek een
prachtige hobby.
Nadat De Booij heel vertederend over zijn dochter Engelina heeft geschreven maakt
hij de volgende aantekening op 4 november: ‘Zondagavond 4 november. Onze kleine Engelina is een grote
vreugde voor ons. Zeker hebben wij ook veel geluk gehad van onze Tom, Alfred en van Olga toen ze zo
klein waren als Engelina, maar het is vreemd dat ik mij eigenlijk alleen van Tom iets herinner als
baby................. Ik
schrijf dit op om het niet weder te vergeten.’
(vet gedrukt dor de schrijvers)i
Uit dit citaat blijkt dat hij het niet alleen schrijft voor zijn
nageslacht, maar ook als geheugensteun voor zichzelf. Er komen veel vrienden en familieleden in het
dagboek voorbij en hij is niet bang om zijn ongezouten mening te geven over de mensen om hem heen.‘ Frans is heel begaafd muzikaal, kunstzinnig maar niet geheel
normaal’. (pagina 47 van het dagboek) ‘Ik vind Charles eigenlijk een wanhopige kerel, ontoerekenbaar,
een gevaarlijk mens in zekere zin.’ ( pagina 67 van de door Engelien uitgewerkte dagboeken van haar
vader)
Op 15 december schrijft hij: ‘Gisteren vonden wij thuiskomende Van Randwijck, die wij zeker
in 3 jaar niet hadden gezien. Hij heel hartelijk en hetzelfde aristocratische gravenbakkes.
Was in Konstantinopel geweest gedurende de oorlog, aan de legatie, vertelde daar wel aardig
van. Hilda, ofschoon over geen hulpmiddelen beschikkende, zorgde voor een prachtig diner, zij
het dan zonder vlees. De graaf was zeer tevreden en eenvoudig. Toch blijft hij raadselachtig en
is soms wat vervelend. Hij gaf geen fooi bij het heengaan, ik geloof dat hij ‘pas de sous’
heeft’. (pas de sous betekent: geen geld), Hendrik is zoals eerder gezegd een zeer beschouwend persoon. Hij
merkt veel op over de mensen om hem heen, wat hem er uiteindelijk toe beweegt om deze
opmerkingen en verhalen over personen te bundelen in het boekje, Mensen die ik ontmoette. Hij gebruikte zijn dagboeken om deze anekdotes samen te stellen. Of de anekdotes in het dagboek en
het boekje van elkaar verschillen gaat te diep om in dit verslag te behandelen. Over de
familieleden schrijft De Booij veel goeds, hij prijst zijn vrouw voor haar werk bij de Montessorischool en ook
voor de kinderen heeft hij veel goede woorden over. Hij is zeer met zijn kroost begaan maar hij
bekritiseert ze ook. Zo noemt hij Tom en Alfred, lui in het huishouden en Olga is een grote zorg
voor hen. Hij schrijft over haar op 25 april:‘Een zorg voor ons is Olga, die met al haar begaafdheid een
grote karakterfout vertoont, namelijk gebrek aan toewijding en ernst in ‘alles’, ja letterlijk ’alles’
wat zij doet. Dit maakt dat zij op school op een na het slechtste rapport heeft. Ze wordt nu wat geholpen
door Kettner, een leraar voor wien ze groot ontzag heeft’.Al deze familieverhalen wijzen erop dat het dagboek niet is
geschreven ter publicatie. Waarschijnlijk zou hij minder bot zijn mening geven over mensen uit zijn omgeving als dat het geval zou zijn. Op een verslag dat hij schrijft over zijn reis naar Indië schrijft hij heel expliciet:
niet voor de pers.

Gedeelte uit een artikel van Hendrik de
Booij
Er zijn geen sporen van meelezers in het dagboek te vinden maar
van de herinneringen is wel een herziene versie getypt. De originele herinneringen zijn
zelfs handgeschreven. Het dagboek en de herinneringen zijn geschreven met een ander doel. De
herinneringen schreef De Booij, op verzoek van zijn neef Chré, als laatste hoofdstuk van een
familieboek. Het dagboek lijkt alleen bestemd voor het gezin en nabestaanden. Thomas Hendrik,
Hendrik’s zoon Tom, zet het dagboekschrijven voort tot hij trouwt en daarna neemt diens zoon
Tom de pen over. Volgens Tom de Booij heeft zijn grootvader niet uitgesproken wat er met de
dagboeken moet gebeuren na zijn overlijden. Er wordt in de dagboeken niks bijgeschreven in een
ander handschrift en de woorden die zijn doorgehaald zijn op het moment van schrijven
doorgehaald. De egodocumenten-website van Tom de Booij is een ander verhaal. Hier zijn de
dagboekfragmenten aangevuld met commentaar van zijn tante Engelina de Booij en van hemzelf. Tom de Booij
vult het dagboek van zijn eigen vader Hendrik Thomas de Booij aan met dagboekfragmenten van Hendrik de
Booij en hij vult de tekst verder aan met gegevens en foto’s die betrekking hebben op
bepaalde personen of gebeurtenissen. Tijdens het interview met Tom de Booij komen wij te weten dat
zijn tante Engelina bij het transcriberen en becommentariëren van de dagboeken wel censuur
op deze egodocumenten heeft toegepast. Tom de Booij heeft deze hiaten ontdekt en probeert ze
weer op te vullen. Wellicht heeft ze dit gedaan om de familie-identiteit die door dit archief is
gevangen te perfectioneren zodat het als voorbeeld kan dienen voor toekomstige familieleden De Booij.(8).
Een van de onderwerpen die uit de selectie was weggelaten was de Jodenvervolging tijdens de
bezetting. Hilda bleek als hoofd van het bestuur van de Montessorischool een lijst van joodse
kinderen te hebben opgegeven aan de Duitsers, in gevolg werden deze kinderen gedeporteerd. Ook
Hendrik werd door de Zuiveringscommissie veroordeeld omdat hij tijdens de bezetting
in het bestuur van het Handelsblad is aangebleven. Ook hier werden joodse personeelsleden ontslagen
en werd een NSB’er in de directie geplaatst. Hendrik schrijft over deze procedure en
veroordeling in zijn dagboeken van 1945-1946. Alle commissarissen waaronder de heer Six, Van Eeghen,
Bos en hij mochten 2 jaar en 2 maanden geen leidende functie bekleden bij het Handelsblad. Zie
bijlage IV
Buiten dat er dagboeken van de jaren1928 en 1929 verloren zijn
gegaan, komen we geen bewijs tegen dat er ander materiaal is verdwenen of vernietigd.
Tom de Booij zelf, de huidige beheerder van het familiearchief, zegt zelf nooit iets te hebben
weggegooid en hij is ook niet bang om pijnlijke details te tonen.
De inhoud van het dagboek
De Booij bespreekt veel dagelijkse gebeurtenissen in zijn
dagboek. Veel vergaderingen bij commissies en visites bij familie en vrienden worden genoteerd.
Ook het weer is een terugkerend onderwerp, maar dat is door zijn bezigheden bij de
Reddingmaatschappij geen verassing. De visvangst en zijn eigen gewicht worden ook keurig bijgehouden.
Hij eet veel buitenshuis met verschillende mensen. In zijn dagboek komt al een aantal maal de
rol van de vrouw in de samenleving ter sprake die in de tweede helft van de negentiende
eeuw ter discussie werd gesteld, De Booij schrijft in een van zijn dagboeken dat hij nog niet zo
zeker is over de plaats van de vrouw in de samenleving. (9). Hij weet niet of vrouwen minder zijn omdat ze altijd in de verdrukking hebben gezeten, zoals zijn vrouw Hilda zegt, of dat ze van nature
minderwaardig zijn.
Het onderstaande artikel heeft De Booij ingeplakt in zijn
dagboek, het is een stukje uit het boek; De Toekomst tegemoet, beroepsmogelijkheden voor meisjes.

Misschien is De Booij bezig met de rol van de vrouw in de
samenleving omdat zijn vrouw actief is in de vrouwenkiesrechtbeweging, die in 1919 zijn hoofddoel
bereikte.(10). Hij
laat zijn vrouw vrij in haar keuzes; zo wordt Hilda hoofd van het bestuur van de
Montessorischool en studeert ze Theosofie. Zijn dochter ontwikkelt zich op intellectueel niveau en wordt
historica. Uit zijn handelen blijkt dat hij respect heeft voor vrouwen en dat hij open staat voor
verbetering van de positie van de vrouw. Het onderstaand citaat uit zijn dagboek geeft juist weer een
twijfelachtig beeld. Het wordt niet duidelijk of dit de woorden zijn van de vrouwelijke passagier
die hij citeert of dat hij het ermee eens is. Citaat dagboek:
Dinsdag 5 April ’31 naar Vlieland in den trein 3e
kl .............. en een getrouwde vrouw met krachtig gezicht. Eerst over de tegenwoordige jeugd.
Zij is getrouwd met een Fries. heeft haar dochtertje van 15 jr op een kostschool in Gelderland
gedaan om te ontkomen aan de moeilijkheden die men tegenwoordig heeft in de opvoeding van
jonge meisjes. Het teveel aan vrijheid enzovoort.
Stand en het ‘ blauwe boekje’
De meeste personen worden met voor en achternaam in het dagboek beschreven, met uitzondering van de naaste familieleden. Er
volgt geen
uitgebreide genealogische beschrijving bij het noemen van een
naam zoals dit in het begin van de negentiende eeuw gebruikelijk was. (11)
Een persoon wordt eerder aangeduid met zijn functie en als het kan met het inkomen
dat hij maakt. Hendrik de Booij beoordeelt de meeste mannen op prestatie en
karakter terwijl bij vrouwen de persoonlijkheid en uiterlijk voorkomen vaak wordt
genoemd, veel minder de afkomst tenzij het adel is. Dit past in de tijdgeest. In het
begin van de negentiende eeuw was prestatie belangrijker dan afkomst, de tijd van de adel was
voorbij en de ‘self made man’ werd geprezen. Een aantal citaten uit het dagboek waaruit dit blijkt
volgen hieronder. Het was voor de lagere burgerij nu ook mogelijk om op te klimmen in de
hiërarchie waardoor mensen die ‘deftig’ werden gevonden, tot het patriciaat konden gaan behoren. In 1903
werd het rode boekje voor het eerst uitgegeven. In dit boekje stonden alle families die door
Koning Willem I opnieuw in de adel waren verheven nadat Napoleon de adellijke titels had
afgeschaft. In 1910 volgt het blauwe boekje waarin in eerste instantie de families werden opgenomen die wel
tot de adel behoorden maar niet door de Koning voor de tweede keer een titel hadden gekregen of
voor de eer hadden bedankt.

Kaft van het 'Blauwe Boekje'
Maar het boekje breidde snel uit
met de opname van families die in dezelfde stand leefden en ‘deftig’ genoeg
waren.(12).
15 Januari 1931, pagina 10 dagboek: Aan het gebabbel van Connie komt geen eind en Hilda verstomt de
gebruikelijke zelfverloochening.
8 Januari 1931, pagina 11 dagboek:
Jim een gesloten karakter, volgens Tom en Ot heeft hij een
houten kop. We komen niet veel nader tot Jim en Emelie maar boven is hij wel aardig. Hij is in
ieder geval een eerste klasse man. Is hoofd van de organisatie des Baribbean en
................heeft een salaris van 50.000,- gulden behalve nog verschillende andere
financiële inkomsten.
29 maart 1931 (A072750000019, archiefnummer)pagina nr niet
gegeven
We hebben een zachte herinnering aan dezen fijnen zwakken man
die wij door de .... de laatste dagen zo weinig gesproken hebben. Hij heeft een fijnen geest,
een grote beschaving, is meer beschouwend van natuur dan handelend, melancholisch hij is
gepsychoanalyseerd dan Dr.Maeder in 1917.
In het werk In
Veilige Haven van T.A.H de Nijs wordt
een indeling gegeven in klassen zoals in deze tijd gebruikelijke was. Deze nieuwe indeling in klassen
werd gemaakt aan de hand van het soort kapitaal. Er waren hier drie mogelijkheden: de eerste was
economisch kapitaal, dit zijn goederen en geld, de tweede was cultureel kapitaal zoals voorkeuren, smaak,
kennis; verworven bijna volledig tijdens de opvoeding maar niet volledig en de derde klasse was
sociaal kapitaal, hieronder verstaan we het familienetwerk, de vriendenkring en lidmaatschappen van
verenigingen. In de negentiende eeuw was het sociale kapitaal erg van belang. Men kon dit verwerven
door deel uit te maken van een groep, dit kostte tijd, bezoeken en soms geld.
(13)
.
Hendrik
besteedde veel aandacht aan zijn sociale kapitaal, hij nam zitting in verschillende commissies en legde veel bezoeken
af bij vrienden, familie en kennissen. Zijn dagboek staat vol afspraken voor vergaderingen, diners en
samenkomsten met verschillende mensen, het lijkt alsof hij het netwerken heeft uitgevonden. Hij bezoekt
met zijn vrouw en andere mensen vele toneelstukken en muziek- en dansuitvoeringen, hij is voorzitter
van het Concertgebouw maar ook persoonlijk laat hij graag zijn mening over de uitvoeringen
horen. Als je het opsomt dan zijn zijn bezigheden bij de Reddingmaatschappij, de Montessorischool en
het Concertgebouw een visitekaartje voor morele karakter.

Hendrik de Booij tussen een groep Atjee-ers
De Booij toont bewondering en respect voor andere culturen. Dit
kunnen we opmaken uit het feit dat hij heeft getracht om Atjees te leren. Het volgende
schrift met deze poging vonden we in het familie archief bij Tom de Booij. Over een dansvoorstelling van Balische dansen merkt hij het
volgende op:
‘Alles prachtig ook het orkest, iets om nooit te vergeten. Het
stemt weemoedig als men beseft hoe die cultuur zal verdwijnen door de aanraking met het
Westersche.’ (pagina 47 van het originele dagboek uit 1931).

Gedeelte uit het dagboek van Hendrik de Booij
Hendrik schrijft in zijn dagboek over de politieke situatie in
de wereld, in veel gevallen weerhoudt hij zich ervan zijn eigen mening te geven over de situatie. Hij
laat wel hier
en
daar doorschemeren dat hij erg vaderlandslievend is. Hij noteert in zijn dagboek op
1 april 1931 dat hij als jongeman ontmoet in de trein (derde klas) hij is verbaasd als deze hem
vertelt dat hij niet tot de padvinders wil toetreden omdat zij op het standpunt staan hun vaderland te
verdedigen. Hendrik herinnert zich dat toen hij jong was, je zoiets niet durfde te zeggen
terwijl het nu lijkt alsof het moeilijk is om te zeggen dat je wel je vaderland wil verdedigen. De familie de Booij is in het blauwe boekje opgenomen nadat het
familieboek door Chrétien de Booij is samengesteld. Aangezien het blauwe boekje pas in
1910 voor eerst werd uitgegeven, staat voor deze tijd niet zwart op wit tot welke stand de
familie behoorde maar omdat vader De Booij notaris was en in het mooiste huis van Haarlem woonde waar
het bellenmeisje de deur beantwoordde, gaan we er van uit dat de familie al tot de
kringen behoorde. Hendrik de Booij trouwde met een Boissevain die ook in het blauwe boekje
stonden. Uit de boekhouding blijkt dat De Booij het minder breed had dan zijn familieleden. De huur van
het bovenhuis in Amsterdam was een grote kostenpost. Toch schrijft hij in zijn herinneringen
dat alle kinderen van zijn vader bijna een ton meekregen. Het was gebruikelijk in die tijd om niet van
het kapitaal te snoepen dus wellicht kwam de zorg over het niet rondkomen hiervandaan en was er dus
wel kapitaal.
‘Mijn inkomen is dus 5854 + 4700 van effecten = f 10554.-. Hierbij
komt nog de tantième Bouwmaatschappij ± 1000 en van de Raad v.d. Scheepvaart f 100. Met
dit inkomen kom ik met veel moeite rond of eigenlijk niet rond in een bovenhuis te
Amsterdam van f 650.- en de Sparren. Het is moeilijk, omgeven door veel rijke familieleden
goedkoop te leven. ‘
Uit het dagboek en andere geschriften blijkt dat De Booij niet
neerkeek op de lagere klasse. Hij schuwt het niet om met de gewone burger in gesprek te gaan en
natuurlijk waren de werknemers van de Rederij ook geen jonkheren. Soms steekt hij zelfs iets op
van zijn aanraking met de gewone man zoals in dit amusante gesprek op straat over het leger:‘Op de Stadhouderskade kwam de bereden militaire politie voorbij
op haar mooie paarden. Ik was op weg naar het kantoor van de Redding-Maatschappij in het
Koloniaal Instituut en bleef er bewonderend naar staan kijken. Een mooi gezicht, meneer", zei
een man naast mij. Hij was een werkman met een handkar, waarop enige planken. Een prachtig
gezicht", herhaalde hij, "maar… ’t is niet nodig. Alleen nodig voor de rijke man".Ik kwam
in verzet en toonde dit, maar hij bleef er bij. "Kijk nou eens, meneer. Ziet u die kar en die
plankjes? Dat is nou mijn enig bezit, verder bezit ik niets. Als er nou een soldaat aankomt, een
duitse of een franse en hij gaat op me schieten, dan zeg ik: hou op man, hier heb je me kar. Dat kan
een rijke man niet doen." De bewonderde politie was nu voorbij. De man met de kar en ik
liepen samen op. Hij op de weg, ik op het trottoir. Wat moest ik antwoorden, ik wist het niet goed,
bleef bij mijn bewering, dat een leger nodig was voor de verdediging van het vaderland, maar hij
bleef, aldoor met een vrolijk gezicht, bij de zijne, dat een leger alleen nodig is om de rijke
man te verdedigen en toen ik er eindelijk de pas inzette en voor de laatste maal zei, dat een
leger wel nodig was, riep hij mij nog eens, vrolijk kijkend toe: "niet nodig meneer, alleen voor
de Rijke Man".
Dit gesprek had plaats in 1930.’
We moeten er wel rekening mee houden dat dit gesprek is
overgenomen uit het boekje
‘Mensen die ik ontmoette’
(14). Dit zijn anekdotes die hij later uit zijn
dagboeken heeft samengesteld, of hij iets heeft aangepast, zijn wij niet nagegaan.
De Nijs schrijft dat personen, om tot een groep te behoren,
sociaal wenselijk gedrag moesten vertonen. Volgens de auteur zijn de eigenschappen die
hierbij horen, hardwerkend, godsdienstig, fatsoenlijk, huiselijk, spaarzaam en gericht op
het Algemeen Nut. (15).
In het geval van Hendrik de Booij worden deze eigenschappen niet klakkeloos
overgenomen. Al deze eigenschappen worden in de familie duidelijk nagestreefd maar wel met een
liberale ondertoon. Zo was hij wel godsdienstig maar schuwde hij niet het kerkbezoek over te slaan
om een toneelstuk bij te wonen. Hardwerkend was hij zeker wel, maar door dit harde werken was
hij ook vaak buitenshuis voor het diner en lunch wat weer niet overeenkomt met het
huiselijkheids ideaal. Fatsoenlijk was De Booij ook en hij berispt in zijn dagboek andere mensen die niet
fatsoenlijk genoeg waren.
‘Wij hebben zaterdag 7 october met de jongens in het Grand
Theater een uitvoering bijgewoond van de Spaansche Brabander van Brederoo. De leraars aan de HBS
hadden de jongens aanbevolen er heen te gaan, maar zij hadden dit te lichtzinnig gedaan zonder
te bedenken wat in dit stuk wordt opgevoerd en gezegd. Zo werd dus voor een grote hoeveelheid
Burgerscholieren, jongens en meisjes,opgevoerd een stuk dat heel erg plat was, waar "snollen" in
voorkwamen, die elkander vertelden hoe zij op het slechte pad waren geraakt enz. Ik vind het bar en bar
dat zulk een stuk wordt aangeraden door leraren van een HBS en telefoneerde de volgende dag met de
directeur, die in het vervolg beter zal oppassen. Het enige wat van dit stuk gezegd kan worden is
dat het niet pervers is maar gezond. ‘
‘'s Avonds feest bij Van den Bergh, die benoemd is tot directeur
Javasche Bank. De hoofdschotel vormen Pisuisse en Blokzijl en ik vind het verschrikkelijk dat
in zogenaamde deftige kringen zulke schuine en smakeloze liedje kunnen worden gezongen. Ik
vind het walgelijk, walgelijk, walgelijk! Waar gaat ons land heen? Kunst 10de rang.’( dagboek
getranscribeerd door Engelien pagina 70, 1913).
Hendriks vrouw draagt bij aan het algemeen nut op verschillende
manieren, Hilda helpt de Belgische vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog en is hoofd
van het bestuur van de Montessorischool. Hendrik zit in het bestuur van het
Hospitaal-Kerkschip, een schip dat zendelingen naar onder andere Hong Kong brengt en ook een plek
is voor vissers om naar de kerk te gaan (16).
Hij is spaarzaam, wat we op kunnen maken uit de
financiële aantekeningen die hij in zijn dagboek maakt. De Booij woont bijvoorbeeld niet erg groot en hij
reist met de trein 3e
klas als andere mensen al een auto tot hun beschikking hebben, dit kan
gedeeltelijk als reden hebben dat hij niet graag pronkt, maar waarschijnlijk had de financiële
situatie hier meer mee te maken. De manier waarop de verjaardagen en andere feestdagen worden
gevierd wijst er op dat bewust of onbewust gewerkt wordt aan de emotionele band die in deze
periode belangrijk werd gevonden binnen de familie
(17).
Er wordt ook een ritme opgebouwd door zondag naar de kerk vervolgens te gaan en te gaan wandelen. Op 12 juli wordt Hilda’s verjaardag gevierd, Hendrik wacht haar
op met bloemen en leest haar psalm 103 voor. Hij schrijft over zijn vrouw: ‘Hilda is opgewekt, moedig en vol van werklust, ze is
voorzitster
van het bestuur van de Montessorischool, ze wordt 54 jaar. Er komt veel bezoek met
bloemen en geschenken, ze sjouwen de hele dag. Een heerlijk diner met grape fruit, en soep
en zalm en vleesch, groente aardappels en heerlijke taart pudding.’
Hendrik’s verjaardag op 23 juni:‘ Heden word ik 64 jaar oud. Ik ben nog vlug ter been en ben nog
jong voor mijn leeftijd, begin echter soms naar rust te verlangen. Hilda leest den 103den psalm
en mijn stoel is versierd als ik beneden kom onder het gebruikelijke gezang, ’s avonds diner
van 14 menschen, de tafel prachtig versierd met donkere rozen door Ot. Theo en Cateau, Tom en Ot, Jo, Johan en Olga, Betsy de Mol van Otterloo, oud 78 jaar, Marthe Voorhoeve, Mies Boissevain, Erminie, Hilda, Engelina en de jarige........’
Religie
Zoals veel families in Nederland uit de hogere kringen bezoekt de familie De Booij op zondag de kerk. Van huis uit is Hendrik de Booij hervormd opgevoed en hij ging elke zondag naar de kerk. Hij schrijft over zijn moeder in zijn herinneringen: ‘Zij was in haar godsdienst niet als de strenge calvinisten. In een
van haar brieven bijvoorbeeld, van 1 juni 1881 uit Renkum, schrijft zij over de preken van ds. Gewin en keurt het niet goed dat deze
de hel in zijn preken in steeds feller kleuren schildert,
daarbij met de vuist op de bijbel slaande. Ik herinner mij die preken en de in snikken losbarstende
boerenvrouwen. Te Haarlem heb ik zoiets nooit bijgewoond’. Hendrik
kreeg als kind zelf de Bijbelleraar aan huis en hij ging in zijn jonge jaren
naar de kinderkerk. Later als De Booij getrouwd is gaat hij nog
steeds naar de kerk en leest hij in de bijbel. Zoals uit het onderstaande citaat blijkt, bezoekt hij
niet alleen de hervormde kerk alhoewel hij deze wel verkiest. Hilda studeert theosofie en samen
bespreken ze theosofische werken. (18). Citaat uit dagboek: 2e
paasdag 1931 ‘We gingen zondag en
maandag met Hilda VS (van Stockum) naar de
kerk. Zondag naar de Gereformeerde en Maandag naar de Hervormde kerk. De laatste beviel ons het meest’.

De favoriete vrijetijdsbesteding van de familie de Booij is het
bezoeken van het theater. Aan het eind van de twintigste eeuw werd het toneelbezoek populair
en werden er een aantal toneelverenigingen opgericht. Deze manier van vermaak was vooral
voor de rijkere burgers omdat de kostprijs van een kaartje vrij hoog was. De Amsterdamse
schouwburg brandde af in 1890, in 1894 was de heropening van een prachtig luxe nieuw theater. De
regels waren wel iets aangescherpt, zo mochten vrouwen geen hoeden meer dragen in het
auditorium en het serveren van drankjes tijdens de voorstelling werd verboden. Er waren ook
wat goedkope zitplaatsen met harde houten banken en smalle trappetjes en gangetjes voor het
armere volk.(19).
Opvoeding
Uit het feit dat De Booij en zijn vrouw allebei lid waren van
het bestuur van de Montessorischool kunnen we afleiden dat hij een pedagogische manier van opvoeden
verkiest. In zijn dagboek noteert hij niet alleen de schoolprestaties maar ook vooral hoe
ze met elkaar omgaan en hoe ze ontwikkelen. De opvoeding van families is soms moeilijk te
onderzoeken; bij het lezen van egodocumenten kan de indruk ontstaan dat er niets anders dan
vreugde en harmonie was in het gezin. De Nijs geeft hier in zijn werk In Veilige Haven drie redenen voor: ‘
Ouders
en kinderen woonden onder hetzelfde dak en fronsten blikken, streng
uitgesproken vermaningen en in het uiterste geval een pak slaag zijn dan directe en effectieve
communicatiemiddelen die nauwelijks sporen achterlaten voor de historicus.’ Een tweede
reden is het spontane karakter van opstootjes binnen het gezin, waardoor zij anders
dan vreugdevolle gebeurtenissen, minder snel het dagboek halen. Een derde reden
is dat de mens van nature geneigd is al dat niet wenselijk is te vermijden uit dagboeken.
Vaak worden alleen de leuke herinneringen opgeschreven.(20). Maar dit is niet
iets van toen, wanneer men vandaag de dag in fotoboeken zal kijken, zullen vreugdevolle momenten ook
oververtegenwoordigd zijn.
Wat opvalt, is dat De Booij opmerkelijk open is wat betreft de
opvoeding van zijn kinderen. Hoewel er meer vrolijke noten staan opgeschreven, is hij ook erg
kritisch. Wat we ook weten is dat hij zelf als kind een losse opvoeding heeft gehad. Hij kreeg weinig tot
geen standjes van zijn moeder. Hier moet alleen bij worden gezegd dat deze kennis uit zijn
herinneringen komt, en het is juist bij herinneringen dat nare gebeurtenissen worden gewist en
vreugdevolle gebeurtenissen worden aangedikt. Hij lijkt geïnspireerd geraakt door deze opvoeding,
maar zoals eerder gezegd, moeten we oppassen aan te nemen dat alles koek en ei was. Hieronder volgt
een mooi voorbeeld waaruit blijkt dat hij waarschijnlijk een liefdevolle vader was die erg genoot
van het samenzijn met zijn kinderen.
(Het volgende citaat komt uit het door Engelina de Booij
getranscribeerde dagboek uit 1910)
‘15 juni. Ik heb zaterdag en zondag met Tom alleen gezeild met
de Mavourneen. ..... Wij sliepen aan boord, maar ik sliep niet veel, want het was
drukkend warm, onweer en veel regen. Bovendien gaf Tom mij van tijd tot tijd stompen. Tom
heeft heerlijk geslapen. Wat heeft die jongen genoten. Het is aardig zo
vertrouwelijk ik met hem word op zo'n zeilpartij. Zondag terug maar er was bijna geen
wind, gezwommen in de Zuiderzee. Tom met een zwemvest en aan een touw’.
En als het nodig was, hield hij mensen uit de buurt van zijn
kinderen. Uit de volgende citaten blijkt hoe netjes en kalm hij blijft onder een toch zeer
verontrustende situatie.
(De volgende citaten komen uit het door Engelina de Booij
getranscribeerde dagboek uit 1910)
‘11 juli. Een zekere Aug.J. Sillmann bemoeit zich mijns inziens
te veel met Tom en zijn vrienden bij het cricketen, geeft hem veel prijzen, schrijft Tom
brieven enz. Hij is 25 jaar ongeveer en mij komt zijn optreden enigszins onnatuurlijk
voor. Heb er gisteren. (20)
met André de la Porte over gesproken, die informaties over hem
laat inwinnen. [...] Het blijkt dat Sillmann de jongens ook herhaaldelijk van school kwam
afhalen. Tom gaat nu logeeren bij Pim André de la Porte op Noordwijk, zodat
Sillmann hem niet terugziet voor September. Ik vertrouw dien Sillmann niet helemaal op
sexueel gebied.'
'Augustus. Aan de bezoeken enz. van Sillmann heb ik een einde
moeten maken. Hij kwam Tom nu zelfs op de Sparren opzoeken. Ik heb S. bezocht
Valeriusstraat en hem gezegd dat alles uit moet zijn.’
Zijn kritische houding ten opzichte van zijn kinderen en het
feit dat hij ze nauwlettend in de gaten houdt blijkt ook uit opmerkingen van de volgende
strekking:
(De volgende citaten komen uit het door Engelina de Booij
getranscribeerde dagboek uit 1912)
1 januari. Tom en Alf zijn aardige jongens, maar nogal lui in
het huishoudelijk werk, zoals pompen, hout halen enz. Ze zouden dat liever door een
ander laten doen.
2 nov Tom is bezig aan een schermcursus met andere padvinders.
Hij en Alfi vorderen aardig met de muziek.
Het enige echt linke moment dat wij hebben kunnen vangen, is het
hier onder gegeven citaat waaruit blijkt dat de vader lijfstraffen niet schuwde
maar ze zo goed mogelijk probeerde te vermijden. In de manier waarop hij zijn zoon kalm
toespreekt zien we het pedagogische opvoedingsideaal terug.
‘Zondag 10 november. (naar kerk). Bevond bij thuiskomst dat
Alfred niet met Tom en Olga zoals bevolen was aan de Amstel was gaan wandelen, maar daar dadelijk
was omgedraaid. Hij was nog niet thuis. Kwam later. De snoodaard was de De la Portes
tegengekomen, die hem mede hadden genomen naar Artis. Gaf hem een standje en hij beloofde zo iets
niet meer te doen. Ik was boos op hem, had zelfs een wicket in mijn kamer gezet met het doel hem
iets te laten voelen op zijn achterwerk, gebruikte de wicket
21
echter niet, doch sprak hem kalm toe en met
effect’. (21)
Het lijkt alsof de ouders meer bezorgd zijn om het welzijn van
hun kinderen dan om het schoolrapport en natuurlijk bezoeken de kinderen de
Montessorischool waarbij de persoonlijke ontwikkeling van een kind op het eigen tempo een
van de idealen is.
(De volgende citaten komen uit het door Engelina de Booij
getranscribeerde dagboek uit 1913)
‘Zondag 9 febr. Tom na ontvangst van zijn rapport helemaal
opgefleurd, hij had geen enkele onvoldoende en 7 voor meetkunde. De arme jongen is er erg
benauwd voor geweest en zag er dientengevolge zeer slecht uit de laatste
dagen, zodat we ons ongerust maakten over hem en hem thuis hielden. Nu bleek bij het
ontvangen van het rapport wat de oorzaak was geweest en stelden wij ons bezoek aan
dr. Beyerman, die wij wilden consulteren, uit.’
Conclusie
Het dagboek en de herinneringen van Hendrik de Booij bevestigen
veel van de secundaire literatuur die wij tijdens het college hebben gelezen. Het motief voor het
schrijven lijkt in lijn te zijn met de beweringen van Baggerman en Blaak; wat inhoudt dat dagboeken
werden geschreven voor het nageslacht en in de strijd tegen het vergeten. We moeten er wel
bij vermelden dat waarschijnlijk gewoonte hier ook een rol speelt. Het leven van De Booij werd
gekenmerkt door veel rituelen rondom, kerkgang, verjaardagen, bezoeken en daar kan het
schrijven van het dagboek ook bijhoren. De pedagogische manier van lesgeven is in het leven geroepen
door een tijdgenoot van De Booij, Maria Montessori genaamd. Zij verbreidde haar manier van
lesgeven over vele landen en kreeg ook ingang in Nederland. Vermoedelijk heeft De Booij deze
pedagogische methode in de opvoeding van zijn kinderen doorgetrokken. De twijfels die hij krijgt over de
plaats van de vrouw in de maatschappij komen in een periode waarin vrouwen vechten voor
meer rechten. Zijn liberale houding hiertegenover kan komen door de actieve houding van zijn
vrouw, zijn beschouwende geest waarin niks zwart/wit was of een combinatie hiervan. De
religie van De Booij is lastig te onderzoeken, hoewel hij schrijft over de kerkgang en het lezen
van de bijbel zijn we er niet achter gekomen in hoeverre hij werd beïnvloed door de theosofische
studies van zijn vrouw. De beleving van tijd hebben wij niet opgenomen in het onderzoek, hij kijkt
soms met nostalgie terug op zijn jeugd, wat volgens Baggerman alleen kan door de vorming van een
nieuw historisch besef, maar hij realiseert zich ook dat kinderen het op sommige vlakken in deze
periode beter hebben. Hij heeft een duidelijk besef van verleden en heden maar over de toekomst
schrijft hij maar spaarzaam. Na de kleinzoon van Hendrik is er helaas geen De Booij om de pen
over te nemen en zal het familiearchief tot de geschiedenis gaan behoren. Tom de Booij is
de laatste in lijn die het archief aanvult en als onderdeel van de familie-identiteit behandelt.
Wat wij hebben onderzocht is slechts het topje van de ijsberg. Dit familiearchief biedt een schat aan
informatie dat heel nuttig kan zijn voor verder historisch onderzoek.
Bijlage I
Curriculum vitae Hendrik de Booy (opgegeven aan zijn zoon Alfred
na l950)
Adelborst le klasse 2 augustus 1887, luitenant ter zee 2e klasse
l mei l990, luitenant ter zee 1e klasse, l november l902, pensioen 16 oktober l903, weder in dienst 10 mei
l9l5, l9l5-l9l6 belast met het bevel op Texel, weder ontslagen en gepensioneerd 1 oktober l9l9. 1904-1905 administrateur van het Concertgebouw te Amsterdam,
1905-1938 bestuurslid .1905 nautisch chef van een wetenschappelijke expeditie onder
leiding van Dr. M.C.Dekhuyzen ( de expeditie beoogde physiologische onderzoekingen bij de vissen
van de Zuiderzee en de Waddenzee en faunistische studiën in verband met het zoutgehalte te
verrichten alsmede het plantaardig leven daar ter plaatse te bestuderen). 1906. Benoemd tot lid van het Provinciaal Genootschap van
Kunsten en Wetenschappen te Utrecht en daarvan heden nog lid.
1906-1946 Secretaris, penningmeester en bestuurslid van de NZHRM
te Amsterdam. 1907. Voorzitter van het Amsterdamse comité ter herdenking van
de geboortedag van M.A. de Ruyter op 24 maart 1607. 1907-1921. Schoolopziener in het arrondissement Amsterdam IV. 1912-1949. Secretaris en bestuurslid van het Adderfonds te
Amsterdam. 1913-1934. Secretaris en bestuurslid, daarna bestuurslid van het
Zeemanshuis te Amsterdam, tot l946. 1913-1943. Bestuurslid van de Nederlandse Bouwmaatschappij, van
l9l6-l943 bestuurslid van genoemde maatschappij te Amsterdam. 1913-1950. Secretaris-penningmeester en bestuurslid van de
stichting Fonds voor de De Ruyter medaille, gevestigd te Amsterdam. 1919-1937. Plaatsvervangend lid van de Raad voor de Scheepvaart
te Amsterdam. 1920-1950. Commissaris van de N.V. Algemeen Handelsblad. 1925-1942. secretaris van de Oosterse Handel en Reederijen te
Amsterdam. 1933-1964, Honorary Life-Governor van de "Royal National
Life-boat Institution" te Londen onderscheidingen:(o.a.), Nederlandse Leeuw, Oranje Nassau, De Ruyter medaille , Witte
Olifant van Siam, Danebrogorde
Bijlage II
Inventaris familiearchief zoals bewaard in het Stadsarchief in
Amsterdam onder nr 1423,.
1. C
HRÉTIEN
J.G. (1820-1901)
X ADRIANA
J. DE
MOL
VAN OTTERLOO
(1827-1882)
2. CHRÉTIEN
J.G. (1853-1934)
X MARY
J. HOBSON
(1859-1923)
3. JEANNE
MARIE
(1856-1927)
4. ADRIANA
JOHANNA
(1863-1937)
5. ENGELINA
PETRONELLA
(1869-1907)
6. HENDRIK
(1867-1964) X
HILDA
G. BOISSEVAIN
(1877-1975)
6.1 Persoonlijk
- Jeugdherinneringen van hem tot 1900. 1654-1955
- Dagboeken van hem. 1928-1929 is verloren gegaan. 1909 – 1964
111 delen.
-Aantekeningen uit notitie- en kasboekje 1925-1946.
- Diverse aantekeningen door hem. 20e
eeuw.
- Aantekeningen door hem over dagelijkse gebeurtenissen.
1940-1950.
- Agenda’s van haar met dagelijkse notities. 1896-1957.
- dagboek van hen voor zijn vader van hun reis naar Indië en
verslag van terugreis. 1900-1902
- Verslag van haar van hun verblijf in Indië 1900 1902.
- Krantenartikel door hem over hun terugreis uit Frankrijk bij
het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en brief en briefkaart van hen aan
hun neefje te Hattem.
- Brieven aan elkaar.1897 - 1949
- Brieven aan hen van zijn vader.1879 - 1901
- Brieven aan hen van zijn familieleden.1896 - 1937
- Brieven aan hen van haar ouders.1906 - 1929
- Brieven aan haar van haar familieleden.1891 - 1964
- Brieven aan hen van hun kinderen.1922 - 1969
- Brieven aan hen van hun neef Cré de Booy OSB.1942 - 1966
- Brieven aan hen van niet-verwanten.1895 - 1964
- Kopieën van zijn brief aan Willem Mengelberg en van diens
antwoord.1914
- Brieven aan hem van zijn neef Jan den Tex en doorslagen van
diens antwoorden.1953 - 1961
- Kopiebrieven aan haar van Kartini, concept en doorslag van
haar lezing en krantenartikel over deze schrijfster met briefkaarten van het
Indisch Huis op de
tentoonstelling "De Vrouw 1813-1913".1900 - 1987
- Brieven van haar en hem aan haar moeder. Aan haar teruggegeven1890 - 1914
- Handschriftanalyses van hen, met bijlagen.1926 - 1929
- Gedeelten van brieven van haar zus Olga aan haar moeder.1896 -
1929
- Trouwboekje van hen, met bijlagen.1897 - 1926
- Stukken betreffende hun huwelijk, 12 1/2, 25, 40, en 50-jarige
bruiloft en andere familiefeesten.1897 - 1961
- Journaal van het schip "de Mavourneen" door hem en zoon Tom
bijgehouden, met kopie van zijn artikel "Op weg naar Wiewerd" over dit
schip.1907 - 1914
- Foto's van hun huisje "De Sparren" te Naarden.1915
- "Waarnemingskaart voor de zonsverduistering" in 1912.1912-
Vers op haar met tekening van haar door Jo der Kinderen-Besier.1915
- Vers voor hem op zijn 70e verjaardag door Willem Ortt en brief
van hem aan Willem.1880 – 1937
- Dagboeken van hem en
zijn gasten in het huisje "De Wijde Blik" op Terschelling, met - verslagje van een verblijf op het eiland 1934 - 195
- en tekeningen gemaakt tijdens hun vakanties op
Terschelling.1934 - 1940
met bijlagen betreffende hun reis, met Engelien, door Schotland
met de zusters Drummond.1936
- Verslag van Cherry
Drummond van haar bezoek aan Holland. Getypt. 1947.
- Verzamelde stukken uit de
Eerste en Tweede Wereldoorlog 1918-1945.
- Huishoudkasboek van haar.
1897-1957.
- Album van haar met
ingeplakte foto’s, programma’s, uitnodigingen e.d. 1888- 1898.
- Programma’s van
toneelvoorstellingen te Amsterdam en Nieuwediep. 1897 – 1975.
- Album met verzamelde
gedichten door haar. 20e
eeuw.
- Aantekeningen van hem
inzake de afwikkeling van hun nalatenschap, verdelingslijst door haar en taxatierapport van haar nalatenschap
1951-1975.
- Mensen die ik ontmoette,
verhalen door hem. 1960 – 1970.
- Tekeningen door hem. 1903
– 1966.
- Foto’s en tekeningen van
hem en haar op verschillende leeftijden. 19e-20e
eeuw.
- Foto’s van haar op
verschillende leeftijden. 19e-20e
eeuw.
- 6.2 Maatschappelijk zie
stadsarchief Amsterdam nr. 1423
- 6.3 Familie van
echtgenote zie stadsarchief Amsterdam nr. 1423
- 6.4 Verwante families zie
stadsarchief Amsterdam nr. 1423
- 6.5 Foto’s zie
stadsarchief Amsterdam nr. 1423
7. HENDRIK
THOMAS
(1898-1976) X
OTTELINA
GOOSZEN
(1898-)
8. ALFRED
(1901-1997) X
SONIA
DE
BENCKENDORFF
(1913- )
9. OLGA
EMILY
(1905-1960) X
JOHANN
GOTTLIEB
VAN MARLE
(1901-1979)
10. DOCUMENTATIE
)DELEN UIT
HET FAMILIEBOEK,
CORRSPONDENTIE)
11. ENGELINA
PETRONELLA
(1917- )
X MARIUS
FRANS
POLAK
(1916- )
Bijlage III
Transcriptie van de eerste 1689 woorden van het dagboek van
Hendrik de Booij 1931
26 december. Hilda eerst 's morgens naar Moeder op het Houten
huis. (22)
.
(zij is 86) Ze ging per trein en daarna per auto heen en terug naar het Houten huis, vond Moeder
in bed, liggende, wel achteruitgegaan in uiterlijk, maar geheel helder. Ze weet echter
niet dat het Kerstmis is en ook niet hoe laat. Hilda heeft haar met opzet niet gezegd dat het Kerstmis
is. "I'll soon get up, zegt Moeder, the hot water is ready".Hilda gaat ook naar het Witzand, waar ze de talrijke met vele
cadeaux begiftigde familieleden aan de ontbijttafel vindt, erg vrolijk en hartelijk. Dan vraagt Charles
of ze weet dat Jan en Charlotte zullen overkomen en als Hilda zegt dat dit wel mogelijk is, zegt
Charles dat hij niet "on speaking terms" met Jan is. Hilda zegt dat hij mogelijk wel zal logeren in "zijn
moeders huis". Dan nog een altercatie met Charles over het feit dat ze hem niet om een auto heeft gevraagd
en nu een taxi heeft gehuurd en dan zegt Hilda dat "we nou maar niet boos moeten zijn en elkander
een zoen geven".
28 december. De sneeuw is weer verdwenen en het is mooi zacht
weer. Wij kregen Jan Maurits bij ons,die bleef logeren en met wien wij heden naar het Houten huis en
Witzand gingen per auto. Jan Maurits was getroffen door het uiterlijk van Moeder, die hij erg
achteruitgegaan vond. Hij blijft logeren op 't Witzand. Bij Olga zijn wij in afwachting. In de nacht van 29 op 30 december te Amsterdam is de kleine
Henriette Constance geboren, wegende 7 pond. Ik zag het kindje en Olga 30 dec. in de namiddag en vond
het een heel mooi meisje. Alles gaat voorspoedig.
31. december. Oudejaarsdag. 's Avonds waren Hilda en ik en
Engelien thuis. Ik las uit de brieven van Mama en ook Corinthe XIII. We aten oliekoeken en hadden een
gezellig huiselijk avondje, gingen om ½ 12 naar bed. In bed liggende hoorde ik om 12 uur nog enige
schoten en toen was het nieuwe jaar l931 begonnen.(22)
1 9 3 1
Het begint niet mooi. De belangrijkste kenmerken van dit nieuwe jaar zijn wel:
1. De bijna overal heersende werkeloosheid, het ergste in
Amerika, Duitsland, Engeland, toenemend bij ons en in Frankrijk. Ook in Australië.
2. De drang naar onafhankelijkheid van Brits Indië, waaraan
Engeland zal moeten toegeven en hetwelk zijn invloed zal doen gelden in ons Indië.
3. De houding van de sociaaldemocraten in Nederland, die hun
land liefhebbende dit niettemin niet met de wapenen willen verdedigen.
1 januari l931. Een vervelende dag. Enkele gelukwensen van
kleinkinderen en van Tom en Ot. 's Avonds met Hilda en Engelien naar de Gijsbrecht in de front
bovenloge. Muziek van Diepenbrock ook bij de reien, tengevolge waarvan de woorden van de reien
verloren gaan. Arntzenius dirigeert. Kloris en Roosje heel aardig. De 1ste maal dat Engelien het
ziet. Slemp die naar niets lijkt en waarover Hilda zich schriftelijk beklaagt bij den heer Merckelbach, op
welke klacht zij geen antwoord ontvangt. De pummel!!!
7 januari. Met Tom naar Wijk aan zee en daar vriendelijk
ontvangen door Roland die ons uitstekende koffie schenkt. Ik lees de Commissie de les naar aanleiding van
haar gedrag..'s Middags muziek met mevrouw Kempen geboren Van Heukelom, een
aanvallige nicht van Hilda, die wat degelijker amusement of bezigheden wil hebben dan vroeger en
die nu zal vinden in muziek met mij. Ze speelt heel muzikaal.
17 januari. Proeftocht Tjinegara. Er waait een zware storm uit
het NW dus gaan we niet uit doch in stede daarvan naar Amsterdam. Maak kennis met De Kat Angelino
(23),
die ik als tafelbuur heb. Hij is de schrijver van een groot werk over Indië. Richtlijnen van het
koloniaal beleid; wil dat wij een practische politiek voeren, geen universiteiten oprichten op een onderbouw
van niets. Laat de Javaan zelf tonen. (23) wat hij kan. Niet spreken van weggaan, maar werken uitvoeren in
het belang van de economische opbouw van het volk. Landbouwscholen. Engeland is een voorbeeld
van hoe het niet moet. Hij meent dat Engeland India verloren heeft. De Kat Angelino is ambtenaar
aan dept Koloniën voor Chinese zaken. Het Chinees heeft 40.000 tekens. Kent men er 10.000 dan
is dat mooi, met 4000 kan men zich behelpen. [volgen
voorbeelden van chinese karakters, tijdens de maaltijd opgetekend].
Als ik thuiskom hoor ik dat Moddergat 5 man heeft gered. We
wilden dit station juist opheffen.
18 januari, zondag, eten wij 's avonds bij Jim en Erminie in het
Carlton hotel met 2 Amerikaanse vrienden, Mr. en Mrs. Mac Keller, de vervelendste mensen die ik
nog ooit heb gezien. Het publiek in Carlton over het algemeen weinig elegant. Er zat een partijtje
Six-en. De weduwe professor Six, oude Jan Six met z'n zuster en nichtjes. De muziek van Strauss, 40
man, die walsen speelde.
25 januari zondag. NW wind, een beetje ruw. Hilda heeft de
laatste dagen griep, ligt te bed met pijn in het gehele lichaam. Engelien ligt ook weer te bed, intussen
ontzaglijk etende, ook lachende. 't Is een vreemde ziekte. Ik ben heden naar het Houten huis gegaan en ik sprak met Moeder.
Gisterenavond heeft zij tegen Charles gezegd:"I'm off. Where am I going". Toen heeft Charles
gezegd:"Where you will find rest; to a very good place". "That is good", heeft ze toen gezegd.
26 januari, maandag. Heden is Moeder te ongeveer 3 uur
gestorven. Hilda ging vanmorgen naar het Houten huis, heeft haar nog levend gezien, maar toen had de
dokter reeds een morphine inspuiting gegeven. Ik ging met de trein van 5 uur met Mies [Boissevain-Hooglandt] en zag Moeder, het gezicht heel fijn en teer. Heel mooi, maar niet het gezicht dat wij
kenden, meer lijkend op een plaatje uit haar jeugd.
18 februari. De toestand in het buitenland is als volgt: Engeland in grote financiële moeilijkheden. Snowdon. Toenemende
werkeloosheid. Spanje in grote politieke moeilijkheden. De koning doet vele
pogingen een kabinet samen te stellen. Rusland hard bezig aan het 3 jarenplan, is door zijn goedkope
werkkrachten en reusachtige productie een groot gevaar.
19 februari. Een man die lang werkeloos was heeft een schilderij
van Rembrandt in het Rijksmuseum ernstig beschadigd met een bijl.
7 maart. Ik naar de begrafenis van Govers te Callantsoog. Het is
een erg koude dag. [...] Eindelijk komt de stoet aan. Eigenaardig gebouwde rijtuigen. We gaan naar het
kerkhof om de kerk, die er zo aardig uitziet - gerestaureerd - met z'n eigenaardige toren. Mooi het
wit van de toren met z'n groene kap en die blonde duinen. We houden de hoeden op. Wat doen die bidders
onhandig met de touwen, die ze maar niet van onder de kist vandaan krijgen. De burgemeester
Breebaart spreekt eerst en vergelijkt het leven van Govers met een boek dat nu gesloten is. Dan kom
ik, en eindelijk burgmeester Lovink, mijn oude vriend. Een bedankje van een familielid. Govers was een boer met een goed verstand en een gevoelig hart,
die veel van bloemen hield en mij herhaaldelijk hetzij bloemen of bollen aanbood bij mijn bezoeken
aan Callantsoog. Toen ik hem toesprak toen hij 40 jaar lid van de Commissie was en hem een
wandelstok met gouden knop aanbood zei hij: dank je wel voor je drukte. Maar hij was erg trots op
zijn stok, wees iedereen de knop met de daarin gegraveerde opdracht.
18 maart. Vergadering bij Charles op diens flat van het
Handelsblad en daarna diner bij hem. Zijn bedoeling was zijn medecommissarissen te benvloeden, maar hij
had daarmede geen succes. Als ik 's avonds 23 maart thuis kom word ik ontvangen met
gelukwensen van Hilda en Engelien omdat ik de gouden De Ruyter medaille heb gekregen van de Koningin. Dat
is een hoge onderscheiding, die niet veel wordt verleend. We zijn de laatste dagen in correspondentie geweest met Johan
Bouvelet, een ouden Fransen vriend van l904 te Adelboden. Hij komt zaterdag logeren. Deze winter is een winter van heel veel griep. We hebben in het geheel niet kunnen schaatsenrijden.
28 maart. Bouvelet vanmorgen afgehaald om 11.30 uur en herkende
hem. Naar de Nederlandse Bank om bij te wonen het uitreiken van de De Ruytermedaille aan den
kapitein van het Hospitaalkerkschip "De Hoop" door Vissering. Ik ben nu ook in het bestuur van die
vereniging. Ik ben nu in de volgende verenigingen en betrekkingen waaraan ik iets te doen heb: NZHRM - Zeemanshuis- Raad v.d.Scheepvaart - Amsterd.
Montessorischool - Ned. Bouwmaatschappij -Adderfonds - Oosterse Handel en Rederijen - Hospitaalkerkschip
"De Hoop" - Handelsblad - Concertgebouw.
29 maart. Naar de Mattheus Passion met Hilda, Engelien en
Bouvelet. De uitvoering was prachtig, vooral wat de koren aanging. Onder de solisten was Mia
Peltenburg te lief, Carl Erb te gemaniëreerd. De uitvoering was over het geheel ontroerend. We gingen 's avonds met Bouvelet naar het diner in het
Amstelhotel, 52 mensen, ter ere van Mengelberg.
[opsomming van de meeste aanwezigen].
Het diner uitstekend maar ik at weinig en drink nagenoeg niet.
Intussen werden wij vermaakt door de Berlin Harmonist society, een zevental mannen die zongen op de
manier van de Revellers, heel knap. Dansen met een jazzband en Hilda en ik deden een walsje. Om 3
uur naar huis. Aardig om te zien het plezier van Mengelberg en de aardige wijze waarop hij omging met
die Revellers. De speech van Schmuller, vooral heel aardig waarin hij
Mengelberg aanspoorde om nu voortaan in Holland te blijven. - Keyserling, die zeide dat men om een
philosoof te worden de wereld om moet gaan in tegenstelling tot Kant die een groot philosoof was en
Koningsbergen nooit heeft verlaten. De beschaving van Amerika die te meer vervlakt naarmate het aantal
verdiepingen stijgt. Maandag 30 maart. Gezellig geluncht, waarna Bouvelet vertrok. We hebben een zachte herinnering aan dezen fijnen zwakken man,
dien wij door de drukte van de laatste dagen te weinig gesproken hebben. Hij heeft een fijne
geest, een grote beschaving, is meer beschouwend van natuur dan handelend, melancholisch. Hij is
gepsychoanalyseerd door dr. Maeder in l9l7.
Bijlage IV
Dit zijn correspondentiestukken en notulen van een vergadering
van de Montessorischool waarin er gesproken wordt over Joodse mensen op de Montessorischool.

Tekst van bovenstaande brief : "In opdracht van de
Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en
Cultuurbescherming zendt ondergetekende, secretaresse van de Stichting van
Middelbaar en Voorbereidend Hooger Montessori Onderwijs, U een staat van de
leerlingen van Joodschen bloede op het Montessori Lyceum te Amsterdam
w.g A.D. Cnoop Koopmans -van Tienhoven secretaresse

Dinsdag 2 september 1941 Notulen bestuursvergadering
Montessori Lyceum

Tekst van de bovenstaande brief:
Hoogedelgestrenge Heer, Naar aanleiding van Uwe circulaire van 26 augustus 1942,
No 13908 afd V.H.M.O. hebben wy de eer U te berichten, dat noch onder het
personeel van het Montessori Lyceum noch onder leden van het Bestuur personen
voorkomen, die gehuwd zijn met een persoon, die volgens paragraaf 4 der
verordening Nr 189/1940 betreffende het aangeven van ondernemingen, Jood is of
als zoodanig moet worden beschouwd
w.g H.G. de Booy, voorz. en A.D. Cnoop Koopmans-v.T. secr.

Lijst van Joodsche leerlingen van het Montessori
Lyceum . Opgestuurd in 12 september 1941 door het bestuur van het lyceum aan het
bestuur van de gemeente Amsterdam (maar recent door een historica aangetroffen
in het stadsarchief van de gemeente Amsterdam en aan het Montessori Lyceum ter
beschikking gesteld)
(Onderschriften van deze bijlage IV zijn toegevoegd bij het werkstuk en
overgenomen van de website egoproject.nl)
Noten
1.
http://www.egoproject.nl/archief-debooijfamilie/Her%20H%20de%20Booij.htm
(26-01-2010)
2 Alain Corbin, ‘Achter de
schermen’, in Michelle Perot, ed.,
Geschiedenis van het persoonlijke leven 4. Van de Franse Revolutie tot de Eerste
Wereldoorlog
(Amsterdam 1989) 436.
3.
http://www.egoproject.nl/archief-debooijfamilie/Hendrik%20%20de%20Booij%20%281867-1964%29.htm
(24-12-2009)
4. Arianne Baggerman en
Jeroen Blaak, ‘Reizigers in de tijd, 19de-eeuwse autobiografen en hun strijd
tegen vergeten’,
Spiegel Historiael
themanummer Egodocumenten’40 (2005) nr.3/4, 156, 157.
5 Idem, 158
6 Arianne Baggerman, ‘Zo
een vrijheid begeer ik nimmer meer te beleven. Het witwassen van het verleden in Nederlandse egodocumenten
(1800-1850)’, De negentiende eeuw 33
(2009) nr. 2, 85.
7 Jan Bank en Maarten van
Buuren, 1900, The Age of
Bourgeois Culture, (Houndsmill,
Basingstoke, Hanpshire, 2004) 23, 108.
8 Arianne Baggerman,
‘Het geheugenpaleis van de familie
Blussé, een uitgever met dynastieke ambities', Kunstschrift
44 (2000) nr. 2
(themanummer 'Egodocumenten') 42.
9 Thimotheus Adelbertus
Hendrikus de Nijs, ‘In veilige haven, het familieleven van de Rotterdamse
gegoede burgerij, 1850- 1890',
Historische publicaties Roterdamum
141(2001) 100.
10 Jan Bank en Maarten van
Buuren, 1900, The Age of Bourgeois Culture, (Houndsmill, Basingstoke, Hanpshire,2004) 23,108.
11 Henk Nicolai, ‘De
Genealogie van het voorwerp, Dierbare voorwerpen en familiecultuur bij Kingsma’s
te Makkum;, in Peter te
Boekhorst, Peter Burke, Willem Frijhoff,
Cultuur en Maatschappij in Nederland 1500-1850, Een historisch-antropologisch perspectief
(Heerlen 1992).
12
http://www.dbnl.org/tekst/mont023leve01_01/mont023leve01_01_0002.htm
13. Timotheus Adelbertus
Hendrikus de Nijs, ‘In veilige haven, het familieleven van de Rotterdamse
gegoede burgerij, 1850- 1890’,
Historische publicaties Roterdamum
141(2001) 20.
14.
http://www.egoproject.nl/archief-debooijfamilie/Verhalen%20van%20Hendrik%20de%20Booij.htm
(26-01-2010)
15 Thimotheus Adelbertus
Hendrikus de Nijs, ‘In veilige haven, het familieleven van de Rotterdamse
gegoede burgerij, 1850- 1890’,
Historische publicaties Roterdamum
141(2001) 20.
16
http://nl.wikipedia.org/wiki/Hospitaal-Kerkschip_De_Hoop
17 De Nijs, ‘In veilige haven’het familieleven van de Rotterdamse gegoede
burgerij, 1850-1890’, Historische publicaties Roterdamum
141(2001).
191. 201
18 Dagboek van Hendrik de
Booij 13 november 1931.
19 Jan Bank en Maarten van
Buuren, 1900, The age of
Bourgeois Culture, (Houndsmill,
Basingstoke, Hampshire 2004) 488.
20 De Nijs, ‘In veilige haven, het familieleven van de Rotterdamse gegoede burgerij, 1850- 1890’,
Historische publicaties Roterdamum
141(2001) 108,109.
21 Het instrument dat bij
cricket wordt gebruikt om de bal te slaan. Vergelijkbaar met een honkbalknuppel
alleen dan wat vlakker
afgewerkt.
22 Houten huis: huis op het
terrein van het Witzand waar mijn grootmoeder haar laatste levensjaren
doorbracht.
23 A.D.A. de Kat Angelino,
1891-1967. Schrijver van "Staatkundig beleid en bestuurszorg in
Nederlandsch-Indië"( 1929-1930).