Werkstuk van Rutger van Houwelingen en Janneke Verheij voor het vak Egodocumenten  aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam:

Hendrik de Booij 1867-1964

Ter inleiding

Donderdag 10 december Brief van Rutger van Houwelingen
Beste Tom de Booij, Ik mail u naar aanleiding van uw website met de egodocument
en met onder andere gegevens over uw grootvader Hendrik de Booy 1867-1964. Ik ben met een andere studente geschiedenis bezig Hendrik de Booy te onderzoeken voor het vak Egodocumenten*). We zijn al in het archief te Amsterdam geweest. We zijn nieuwsgierig naar wat voor man het was, zijn karakter, hoe hij dacht over de man-vrouw verhouding, opvoeding van hem zelf en van zijn eigen kinderen of hij humor had en nog veel meer. Kortom: we willen graag een beeld vormen rondom deze man. Heeft u misschien nog tips? Vriendelijke groet, Janneke Verheij en Rutger van Houwelingen.
*) Het vak egodocumenten waarvoor zij dit werkstuk hebben geschreven is voor het keuzevak dat wordt gegeven door Arianne Baggerman van de Erasmus Universiteit.

Dinsdag 5 januari 2010 Op mijn werkkamer heb ik in een 4 uur durende gesprek Rutger en Janneke zoveel mogelijk informatie gegeven over mijn grootvader. Het bleek dat ze al heel goed op de hoogte waren en zich goed hadden voorbereid. Toch kon ik ze nog veel documentatiemateriaal te hand stellen.

Donderdag 11 februari 2010 Geachte heer de Booij, Bedankt voor de tip. Wij hebben deze week het werkstuk terug gekregen met een mooie 9 als beloning voor het resultaat. We zijn er dan ook wel een beetje trots op en willen het graag aan u laten lezen. Ik wil nog heel even de paar aantekeningen, die onze docent heeft gemaakt verwerken zodat u een nagenoeg foutloos exemplaar krijgt. Ik zal u niet lang in spanning houden en het zo snel mogelijk naar u opsturen.
Met vriendelijke groet, Janneke en Rutger

Vrijdag 19 december 2010
Geachte heer De Booij, In bijlage stuur ik ons egodocumenten rapport. Wij hopen dat u net als ons tevreden bent met het resultaat. In de voetnoten vindt u referenties naar secundaire literatuur over het onderwerp egodocumenten en informatie over de periode waarin uw grootvader leefde. Zelf vind ik het onderdeel familiearchieven in het algemeen ook interessant, in hoeverre is dit archief van belang voor het behouden of vormen van een familie-identiteit? Wat voor waarde of doel heeft het houden van zo'n archief? Over twee maanden heb ik tijd om me daar meer op te richten want dan begin ik met het schrijven van mijn werkstuk; dit rapport is daar eigenlijk al een voorproefje van. We hopen dat alles goed met u gaat en we wensen u veel plezier met het lezen van ons werkstuk. Met vriendelijke groet, Janneke en Rutger

Dinsdag 23 februari 2010
Geachte heer De Booij, Ik zie dat u een erg kritische lezer bent, bedankt voor het commentaar! We zijn blij dat u tevreden bent met het resultaat en hebben er geen bezwaar tegen als u het werk op uw website plaatst. Rutger schreef in zijn e-mail dat hij vereerd was met uw verzoek. Wij hebben gekozen om ons op het jaar 1931 te richten omdat we graag het dagelijks leven van de familie wilde onderzoeken en daarom de jaren van de oorlog hebben vermeden. Achteraf denk ik dat juist ook de jongere jaren interessant zullen zijn, zo rond 1900, maar ik heb nog tijd om me daar later verder in te verdiepen. Onze professor is Arianne Baggerman. Zij wordt waarschijnlijk alleen genoemd in de voetnoten, dat is niet zo netjes van ons. Zij doet veel onderzoek naar egodocumenten en heeft een hele lijst met boeken en artikelen over het onderwerp geschreven.
http://www.egodocument.net . Ze werkt ook mee aan deze website waar u veel informatie over egodocumenten kunt vinden. Met vriendelijke groeten, Janneke

Hieronder volgt het werkstuk van Rutger van Houwelingen en Janneke Verhey. Met hun toestemming heb ik een aantal aanpassingen gedaan


 

 

 

Hendrik de Booij werd op 23 juni 1867 te Haarlem geboren als de jongste zoon van Chrétien Jean Gérard, een nobele en zeer gewaardeerd notaris en Adriana Johanna de Mol van Otterloo, een lieve moeder die veel heil vond in het geloof. Over zijn ouders heeft hij in zijn herinneringen niets dan lof. Hij was de jongste van een gezin van 10 kinderen, van wie hij er slecht 6 heeft gekend. Op jonge leeftijd stierf zijn moeder aan een hevige koorts. Zij leed ook aan astma, ‘waartegen zij een bijzonder soort sigaretten rookte’.(1) Hendriks oudere zus, Mik, nam de taak van de opvoeding over. Zij leerde hem zelfs lezen en schrijven. Evenals twee van zijn broers werd hij marineofficier. De eerste helft van zijn leven werd gekenmerkt door zijn grote reizen op zee. Al in zijn vroege jeugd hield hij van avontuur. Zijn geheime hut of zijn huis in de kastanjeboom die wel 5 meter boven de grond was gelegen prefereerde hij boven de lange zondagse wandelingen met zijn vader. Als adelborst voer hij met het schip ‘Het Zilveren Kruis’, waarmee hij de wereld over zeilde. Havens in Japan, China en Honolulu werden aangedaan. Hij had ook andere ervaringen met de Marine: een verblijf voor de kust van Atjeh, het commando over de "Argus", inspectievaartuig voor de visserij op de Noordzee en tenslotte een verblijf in Nederlands-Indië als adjudant van de toenmalige gouverneur-generaal Willem Rooseboom. Bij deze laatste reis ging zijn gezin ook mee. Dit is zeker geen saai curriculum vitae te noemen, maar zoals zijn leven in zijn jeugd al was: zeer avontuurlijk. Helaas moest Hendrik zijn overzeese avonturen beëindigen door een zonnesteek en malaria en werd hij gedwongen terug te keren naar Nederland waar hij werd afgekeurd voor tropendienst en jammerlijk in 1903 werd ontslagen uit de Marine.
In 1897 trouwde Hendrik De Booij met Hilda Gerarda Boissevain (1877-1975), dochter van Charles, hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad en Emily Héloïse MacDonnell. Er kwamen vier kinderen: Hendrik Thomas (Tom), in 1898, Alfred (1901), Olga Emily (1905) en ten slotte Engelina Petronella (1917). Zij kwam weliswaar laat maar zeer gewenst, een echte engel. In zijn dagboeken spreekt een betrokken, trotse, maar ook bezorgde vader die zijn kinderen nauwlettend in de gaten houdt op hun manieren en prestaties. Toen De Booij naar werk moest zoeken had hij dus een vrouw met twee kinderen te onderhouden. Hij begon als administrateur van het Concertgebouw. Als muziekliefhebber en verdienstelijk amateur musicus beleefde hij hier veel plezier. In 1906 legde hij deze functie neer toen hij secretaris kon worden van de Noord- en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij. Dit was zijn grootste passie. Hendrik was een bezige bij en had dan ook vele andere functies, zoals die van schoolopziener, voorzitter van de Nederlandse Bouwmaatschappij, lid van de raad voor de Scheepvaart, bestuurslid van het hospitaal-kerkschip ‘De Hoop’ en commissaris van het Algemeen Handelsblad. Na zijn aftreden als administrateur bleef hij aan het Concertgebouw verbonden als bestuurslid. Zijn volledige curriculum Vitae is bijgevoegd als bijlage I.
De naam De Booij wordt soms met een lange ij aan het einde geschreven, soms met een y en in andere gevallen met een ij zonder puntjes. In het gemeenteregister is de familienaam geregistreerd als De Booij met lange ij met puntjes en dat is dan ook de spelling die wij in dit verslag aanhouden. In het stadsarchief in Amsterdam wordt de naam in het familiearchief met een y geschreven.

Hendrik trouwt op 16 juni 1897 met Hilda Boissevain. Op de tweede foto is het echtpaar 50 jaar getrouwd.

Het dagboek
In 1909 begon Hendrik De Booij dagboeken bij te houden, die hij tot 1964, kort voor zijn dood, voortzette. Het dagboek van De Booij is handgeschreven. Hij gebruikt waarschijnlijk een vulpen. Het bewijs hiervoor vinden we in de inktvlekken die hier en daar in de pagina’s zijn
getrokken. Het dagboek is een schrift met harde, gevlekte kaft en etiket. Naast heel veel tekst maakt de Booij af en toe een tekening ter illustratie of portretten die zomaar tussen de bladzijden zijn gestoken. Sommige portretten zijn overigens niet door hem zelf gemaakt maar door Hilda van Stockum. De Booij tekent erg graag, hij maakt ansichtkaarten en andere potloodtekeningen (zie foto hiernaast), een hobby die hij aan zijn zoon Tom doorgeeft. De onderwerpen zijn vaak huiselijke taferelen, de woonkamer met open haard, portretten of landschappen. Ansichtkaarten waren geliefde verzamelobjecten in deze periode. (2)
.

Een aantal door Hendrik de Booij getekende ansichtkaarten

De tekeningen bestaan uit allemaal kleine streepjes en getuigen van een geduldig en precies karakter. Verder plakt De Booij krantenknipsels in en bewaart hij memorabilia zoals de naambordjes die Engelina maakte voor de kerst of een uitnodiging die Engelina typte voor de jaarlijkse picknick. Hendrik de Booij beschrijft veel ontmoetingen zonder dat te achterhalen is wat zijn mening over het onderwerp is. Het lijkt alsof hij de woorden van de persoon die hij ontmoette neerzet zonder te oordelen, misschien kunnen we daaruit opmaken dat hij het er mee eens was of in ieder geval niet geheel mee oneens. Hendrik heeft een boek geschreven over mensen die hij ontmoette. Hieruit blijkt dat hij een erg beschouwend karakter had; de wereld was niet zwart-wit voor hem. Als iemands karakter hem niet aanstond, schuwde hij het niet om dit zonder ophaal in zijn boek te noteren. Het dagboek begint op 26 december 1930 met het kerstfeest. Hij geeft een beschrijving hoe de kerst wordt gevierd en wat er op het kerstmenu staat. Op sommige dagen schrijft hij erg uitgebreid, een hele of twee pagina’s, en andere dagen worden in twee regels genoemd, hij slaat ook wel eens dagen over. Het dagboek eindigt met de jaarwisseling 1931-1932, hij schrijft precies een jaar in 100 dagboekpagina’s, inclusief kaft. Hendrik schrijft het dagboek grotendeels in het Nederlands maar gebruikt hier en daar ook Engels en Duits. We leren zelfs een aantal Chinese woordjes van hem.

Schatplaats
De jongste dochter van Hendrik, Petronella Engelina de Booij, heeft een selectie gemaakt van dagboekfragmenten die ze heeft getranscribeerd en voorzien van aantekeningen. Ze bracht de originele documenten onder in het Centraal Register van Familiearchieven van het Algemeen Rijksarchief te Den Haag. In 1988 is het familiearchief verhuisd naar het Utrechts Archief waar P.E. de Booij hoofd van was. In 1998 zijn de documenten verhuisd naar het Stadsarchief van Amsterdam waar het nu grotendeels is gedigitaliseerd. In totaal heeft De Booij 110 dagboeken geschreven, welke allemaal zijn gedigitaliseerd. Hij is begonnen met het schrijven in 1909 op 42-jarige leeftijd en hij schrijft tot zijn overlijden in 1964. De jaren 1928 en 1929 zijn verloren gegaan. Naast de dagboeken vind je in het familiearchief ook reisverslagen van hem en zijn vrouw Hilda, onder andere van hun verblijf in Nederlands Indië. Voor de volledige inventaris van het familiearchief, zie bijlage II. Hendrik heeft op verzoek van zijn neef Chré de Booij, Benedictijns priester van de St. Paulus Abdij te Oosterhout, zijn jeugdherinneringen opgeschreven als laatste hoofdstuk van een familiedagboek waaraan deze neef heeft gewerkt. Door het toedoen van deze neef is de familie de Booij in ‘het blauwe boekje; van het Patriciaat opgenomen.
(3) Dit familieboek is later in drievoud uitgegeven waarvan één exemplaar in het bezit is van de kleinzoon Tom de Booij. Deze herinneringen heeft hij later nog een keer herzien. Beide versies zijn bewaard gebleven, zowel in handgeschreven versie als uitgetypte versie op een ouderwetse typemachine.
Voor deze opdracht hebben wij de herziene herinneringen gebruikt archiefnummer van het Amsterdams Stadsarchief: A071510000001 t/mA071510000134 en het dagboek uit 1931 archiefnummer A07275000002 t/m A07275000100. Daarnaast vonden wij een website waarop de kleinzoon van De Booij fragmenten uit verschillende dagboeken heeft geplaatst. Deze kleinzoon,Tom de Booij, is zo vriendelijk geweest om ons uit te nodigen bij hem thuis waar we nog veel meer te weten kwamen over de familiegeschiedenis en waar we een groot deel van het originele materiaal hebben gezien.

Tom de Booij in zijn werkkamer met alle familie boeken

Tom de Booij heeft zijn grootvader goed gekend. Tot aan zijn dood speelden ze samen verschillende stukken van Mozart en van andere grote componisten. Hendrik op de viool en Tom op de piano. Dit samenspel werd meestal gevolgd door diepgaande gesprekken over verschillende onderwerpen.

In deze foto, Tom en Hendrik de Booij sonates van Mozart spelend

Voor welk type onderzoek is dit dagboek, of op grotere schaal het familiearchief, geschikt?
In de periode rond 1850 vonden er zoveel veranderingen plaats in Nederland dat de wereld in de eerste helft van de negentiende eeuw nagenoeg onbegrijpelijk was geworden voor de mensen die in de tweede helft van de negentiende eeuw leefden.(4)
. Historici zoals Peter Gay gingen ervan uit dat de opkomst van het dagboekschrijven in deze periode voortkwam uit de behoefte aan introspectie. Deze behoefte aan introspectie zou weer te maken hebben met de individualisering van de samenleving door verstedelijking en het geloof. De kerk legde veel nadruk op de zonden en de noodzaak tot introspectie in de strijd tegen deze zonden. Door de verstedelijking kwamen er een nieuwe relatie tussen het publieke- en het privéleven wat individualisering en introspectie tot gevolg had. Dankzij het omvangrijke inventarisatieproject van Rudolf Dekker is er meer onderzoek gedaan naar het motief voor dagboekschrijven in Nederland. Dit project omvatte egodocumenten geschreven door een groot aantal verschillende mensen, behorende tot hoge en lagere klassen uit de bevolking. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat veel dagboeken tamelijk onpersoonlijk waren en helemaal niet introspectief. Dit is een heel ander beeld dan Gay schetst. Reinhardt Koselleck, een Duitse historicus, merkte op dat er door grote politiek-sociale en economische veranderingen een breukervaring ontstond in het historisch bewustzijn in de periode 1750-1850. Er kwam een toenemend besef dat de wereld maakbaar was en dat mensen de toekomst, zelf in handen hadden. De toename in het aantal autobiografieën dat geschreven werd kan wellicht worden gezien als een poging om de snel veranderende tijd te documenteren, betogen Arianne Baggerman en Jeroen Blaak.(5). Volgens Baggerman wordt de breukervaring die Koselleck beschrijft in Nederland pas teruggevonden in egodocumenten in de tweede helft van de negentiende eeuw en niet in de tweede helft van de achttiende eeuw. Het kan zijn dat de reactie op Koselleck’s ‘Sattelzeit’ later kwam, of dat veranderingen die in de negentiende eeuw plaatsvonden tastbaarder waren dan eerdere gebeurtenissen in de achttiende eeuw waardoor het voor mensen eenvoudiger te constateren en te documenteren was. Er veranderde in deze tweede periode vooral veel op het gebied van infrastructuur en techniek.(6). Er zijn meerdere voorbeelden te geven waarin De Booij schrijft over de trein, de klasse waarin gereden werd en de personen waarmee hij een coupé deelde. ‘Dinsdag 5 april, in de trein 3e klas..... ..13 juli vertrokken Hilda en Engelina 2e klas slaapwagon naar Zurich met de trein van 1556’. (pagina 32 en 67 van het dagboek). De trein was geen nieuw verschijnsel meer, de bouw van spoorwegen was al in 1838 begonnen, bijna dertig jaar voor De Booij geboren werd. Het spoorwegennet breidde zich nog wel uit, in 1898 werd er gewerkt aan de spoorlijn naast het IJ in Amsterdam.(7)De trein was voor de familie De Booij de belangrijkste vorm van transport voor langere afstanden maar binnen de stad gingen ze vaak met de ‘benenwagen’. De Booij deinst er niet voor terug om een uur te lopen om bij een vergadering aanwezig te zijn. De nieuwe benadering van egodocumenten die Baggerman en Blaak bespreken is ook van toepassing op ‘ons’ dagboek. We komen bijna geen introspectie tegen; hij is geen speurtocht begonnen naar zijn ware ik en vertrouwt geen gewetenswroegingen toe aan het papier. Met het geven van zijn persoonlijke mening over politieke situaties is De Booij spaarzaam. Dit blijkt onder andere uit de manier waarop hij over de politieke situatie in de wereld schrijft. Op bladzijde 17 van het dagboek schrijft hij:‘De toestand in het buitenland is als volgt: Engeland in grote financiële moeilijkheden. Snowdon, toenemende werkeloosheid Spanje in grote politieke moeilijkheden. De koning doch vele pogingen een Kabinet samen te stellen. Rusland hard bezig aan het 3 jaren plan, is dan zijn goedkope werkkracht een reusachtige prestatie een groot gevaar.’ Het dagboek en de herinneringen zijn uitermate geschikt om het dagelijks leven in de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw te onderzoeken. Dit type onderzoek zou een aanvulling kunnen zijn op het artikel van Pieter Stokvis, Het intieme burgerleven, Huishouden, huwelijk en gezin in de lange 19e eeuw, of het boek 1900, The Age of Bourgeoisie Culture van Jan Bank en Maarten van Buuren. Voorbeelden voor deze bewering zijn te vinden in alle anekdotes die in het verslag genoemd worden over opvoeding en andere dagelijkse bezigheden van de familie..

Voor wie zijn al deze dagboeken en herinneringen geschreven?
Uit het dagboek en de herinneringen blijkt dat Hendrik de Booij zijn dagelijks leven neerschrijft voor zichzelf en zijn nageslacht. In zowel zijn herinneringen als zijn dagboeken schrijft hij dit letterlijk.
‘13 november. Vandaag aan tafel sprak ik met Hilda over een boek van W. Glover "Know your own mind" en hetgeen daarin staat over bijv. het rangschikken van onze gedachten door onze wil, schijnt Tom te hinderen. Wij moeten eigenlijk niet spreken over zulke dingen in Tom's nabijheid, waar hij onder de invloed van Ds Kuiper naar mij voorkomt zeer vaste denkbeelden heeft over godsdienst en het zou jammer zijn als hij nu begon te twijfelen, vooral omdat voor twijfel geen reden is. Hij zeide dat het hem in het geheel niet interesseerde (dat gedachten dingen zijn enz.) waarop ik zeide dat ik dat in mijn dagboek zou schrijven en hem dan over 15 jaren voorlezen.‘ (vet gedrukt door de schrijvers).
De Booij schrijft 55 jaar lang bijna elke dag trouw, misschien is het uiteindelijk ook een gewoonte geworden. In het interview met zijn kleinzoon wordt dat beaamd. Er moet niet te veel achter het schrijven van dit dagboek worden gezocht, volgens Tom de Booij, het was zoals het lezen van de bijbel een gewoonte en net als het maken van muziek een prachtige hobby. Nadat De Booij heel vertederend over zijn dochter Engelina heeft geschreven maakt hij de volgende aantekening op 4 november:  ‘Zondagavond 4 november. Onze kleine Engelina is een grote vreugde voor ons. Zeker hebben wij ook veel geluk gehad van onze Tom, Alfred en van Olga toen ze zo klein waren als Engelina, maar het is vreemd dat ik mij eigenlijk alleen van Tom iets herinner als baby................. Ik schrijf dit op om het niet weder te vergeten.’  (vet gedrukt dor de schrijvers)i
Uit dit citaat blijkt dat hij het niet alleen schrijft voor zijn nageslacht, maar ook als geheugensteun voor zichzelf. Er komen veel vrienden en familieleden in het dagboek voorbij en hij is niet bang om zijn ongezouten mening te geven over de mensen om hem heen.‘ Frans is heel begaafd muzikaal, kunstzinnig maar niet geheel normaal’. (pagina 47 van het dagboek) ‘Ik vind Charles eigenlijk een wanhopige kerel, ontoerekenbaar, een gevaarlijk mens in zekere zin.’ ( pagina 67 van de door Engelien uitgewerkte dagboeken van haar vader)
Op 15 december schrijft hij: ‘Gisteren vonden wij thuiskomende Van Randwijck, die wij zeker in 3 jaar niet hadden gezien. Hij heel hartelijk en hetzelfde aristocratische gravenbakkes. Was in Konstantinopel geweest gedurende de oorlog, aan de legatie, vertelde daar wel aardig van. Hilda, ofschoon over geen hulpmiddelen beschikkende, zorgde voor een prachtig diner, zij het dan zonder vlees. De graaf was zeer tevreden en eenvoudig. Toch blijft hij raadselachtig en is soms wat vervelend. Hij gaf geen fooi bij het heengaan, ik geloof dat hij ‘pas de sous’ heeft’. (pas de sous betekent: geen geld), Hendrik is zoals eerder gezegd een zeer beschouwend persoon. Hij merkt veel op over de mensen om hem heen, wat hem er uiteindelijk toe beweegt om deze opmerkingen en verhalen over personen te bundelen in het boekje, Mensen die ik ontmoette. Hij gebruikte zijn dagboeken om deze anekdotes samen te stellen. Of de anekdotes in het dagboek en het boekje van elkaar verschillen gaat te diep om in dit verslag te behandelen. Over de familieleden schrijft De Booij veel goeds, hij prijst zijn vrouw voor haar werk bij de Montessorischool en ook voor de kinderen heeft hij veel goede woorden over. Hij is zeer met zijn kroost begaan maar hij bekritiseert ze ook. Zo noemt hij Tom en Alfred, lui in het huishouden en Olga is een grote zorg voor hen. Hij schrijft over haar op 25 april:‘Een zorg voor ons is Olga, die met al haar begaafdheid een grote karakterfout vertoont, namelijk gebrek aan toewijding en ernst in ‘alles’, ja letterlijk ’alles’ wat zij doet. Dit maakt dat zij op school op een na het slechtste rapport heeft. Ze wordt nu wat geholpen door Kettner, een leraar voor wien ze groot ontzag heeft’.Al deze familieverhalen wijzen erop dat het dagboek niet is geschreven ter publicatie. Waarschijnlijk zou hij minder bot zijn mening geven over mensen uit zijn omgeving als dat het geval zou zijn. Op een verslag dat hij schrijft over zijn reis naar Indië schrijft hij heel expliciet: niet voor de pers.

Gedeelte uit een artikel van Hendrik de Booij

Er zijn geen sporen van meelezers in het dagboek te vinden maar van de herinneringen is wel een herziene versie getypt. De originele herinneringen zijn zelfs handgeschreven. Het dagboek en de herinneringen zijn geschreven met een ander doel. De herinneringen schreef De Booij, op verzoek van zijn neef Chré, als laatste hoofdstuk van een familieboek. Het dagboek lijkt alleen bestemd voor het gezin en nabestaanden. Thomas Hendrik, Hendrik’s zoon Tom, zet het dagboekschrijven voort tot hij trouwt en daarna neemt diens zoon Tom de pen over. Volgens Tom de Booij heeft zijn grootvader niet uitgesproken wat er met de dagboeken moet gebeuren na zijn overlijden. Er wordt in de dagboeken niks bijgeschreven in een ander handschrift en de woorden die zijn doorgehaald zijn op het moment van schrijven doorgehaald. De egodocumenten-website van Tom de Booij is een ander verhaal. Hier zijn de dagboekfragmenten aangevuld met commentaar van zijn tante Engelina de Booij en van hemzelf. Tom de Booij vult het dagboek van zijn eigen vader Hendrik Thomas de Booij aan met dagboekfragmenten van Hendrik de Booij en hij vult de tekst verder aan met gegevens en foto’s die betrekking hebben op bepaalde personen of gebeurtenissen. Tijdens het interview met Tom de Booij komen wij te weten dat zijn tante Engelina bij het transcriberen en becommentariëren van de dagboeken wel censuur op deze egodocumenten heeft toegepast. Tom de Booij heeft deze hiaten ontdekt en probeert ze weer op te vullen. Wellicht heeft ze dit gedaan om de familie-identiteit die door dit archief is gevangen te perfectioneren zodat het als voorbeeld kan dienen voor toekomstige familieleden De Booij.(8). Een van de onderwerpen die uit de selectie was weggelaten was de Jodenvervolging tijdens de bezetting. Hilda bleek als hoofd van het bestuur van de Montessorischool een lijst van joodse kinderen te hebben opgegeven aan de Duitsers, in gevolg werden deze kinderen gedeporteerd. Ook Hendrik werd door de Zuiveringscommissie veroordeeld omdat hij tijdens de bezetting in het bestuur van het Handelsblad is aangebleven. Ook hier werden joodse personeelsleden ontslagen en werd een NSB’er in de directie geplaatst. Hendrik schrijft over deze procedure en veroordeling in zijn dagboeken van 1945-1946. Alle commissarissen waaronder de heer Six, Van Eeghen, Bos en hij mochten 2 jaar en 2 maanden geen leidende functie bekleden bij het Handelsblad. Zie bijlage IV
Buiten dat er dagboeken van de jaren1928 en 1929 verloren zijn gegaan, komen we geen bewijs tegen dat er ander materiaal is verdwenen of vernietigd. Tom de Booij zelf, de huidige beheerder van het familiearchief, zegt zelf nooit iets te hebben weggegooid en hij is ook niet bang om pijnlijke details te tonen.

De inhoud van het dagboek
De Booij bespreekt veel dagelijkse gebeurtenissen in zijn dagboek. Veel vergaderingen bij commissies en visites bij familie en vrienden worden genoteerd. Ook het weer is een terugkerend onderwerp, maar dat is door zijn bezigheden bij de Reddingmaatschappij geen verassing. De visvangst en zijn eigen gewicht worden ook keurig bijgehouden. Hij eet veel buitenshuis met verschillende mensen. In zijn dagboek komt al een aantal maal de rol van de vrouw in de samenleving ter sprake die in de tweede helft van de negentiende eeuw ter discussie werd gesteld, De Booij schrijft in een van zijn dagboeken dat hij nog niet zo zeker is over de plaats van de vrouw in de samenleving. (9)
Hij weet niet of vrouwen minder zijn omdat ze altijd in de verdrukking hebben gezeten, zoals zijn vrouw Hilda zegt, of dat ze van nature minderwaardig zijn.
Het onderstaande artikel heeft De Booij ingeplakt in zijn dagboek, het is een stukje uit het boek; De Toekomst tegemoet, beroepsmogelijkheden voor meisjes.

Misschien is De Booij bezig met de rol van de vrouw in de samenleving omdat zijn vrouw actief is in de vrouwenkiesrechtbeweging, die in 1919 zijn hoofddoel bereikte.(10). Hij laat zijn vrouw vrij in haar keuzes; zo wordt Hilda hoofd van het bestuur van de Montessorischool en studeert ze Theosofie. Zijn dochter ontwikkelt zich op intellectueel niveau en wordt historica. Uit zijn handelen blijkt dat hij respect heeft voor vrouwen en dat hij open staat voor verbetering van de positie van de vrouw. Het onderstaand citaat uit zijn dagboek geeft juist weer een twijfelachtig beeld. Het wordt niet duidelijk of dit de woorden zijn van de vrouwelijke passagier die hij citeert of dat hij het ermee eens is. Citaat dagboek: Dinsdag 5 April ’31 naar Vlieland in den trein 3e kl .............. en een getrouwde vrouw met krachtig gezicht. Eerst over de tegenwoordige jeugd. Zij is getrouwd met een Fries. heeft haar dochtertje van 15 jr op een kostschool in Gelderland gedaan om te ontkomen aan de moeilijkheden die men tegenwoordig heeft in de opvoeding van jonge meisjes. Het teveel aan vrijheid enzovoort.

Stand en het ‘ blauwe boekje’
De meeste personen worden met voor en achternaam in het dagboek beschreven, met uitzondering van de naaste familieleden. Er volgt geen
uitgebreide genealogische beschrijving bij het noemen van een naam zoals dit in het begin van de negentiende eeuw gebruikelijk was. (11)
Een persoon wordt eerder aangeduid met zijn functie en als het kan met het inkomen dat hij maakt. Hendrik de Booij beoordeelt de meeste mannen op prestatie en karakter terwijl bij vrouwen de persoonlijkheid en uiterlijk voorkomen vaak wordt genoemd, veel minder de afkomst tenzij het adel is. Dit past in de tijdgeest. In het begin van de negentiende eeuw was prestatie belangrijker dan afkomst, de tijd van de adel was voorbij en de ‘self made man’ werd geprezen. Een aantal citaten uit het dagboek waaruit dit blijkt volgen hieronder. Het was voor de lagere burgerij nu ook mogelijk om op te klimmen in de hiërarchie waardoor mensen die ‘deftig’ werden gevonden, tot het patriciaat konden gaan behoren. In 1903 werd het rode boekje voor het eerst uitgegeven. In dit boekje stonden alle families die door Koning Willem I opnieuw in de adel waren verheven nadat Napoleon de adellijke titels had afgeschaft. In 1910 volgt het blauwe boekje waarin in eerste instantie de families werden opgenomen die wel tot de adel behoorden maar niet door de Koning voor de tweede keer een titel hadden gekregen of voor de eer hadden bedankt.

Kaft van het 'Blauwe Boekje'

Maar het boekje breidde snel uit met de opname van families die in dezelfde stand leefden en ‘deftig’ genoeg waren.(12).

15 Januari 1931, pagina 10 dagboek: Aan het gebabbel van Connie komt geen eind en Hilda verstomt de gebruikelijke zelfverloochening.
8 Januari 1931, pagina 11 dagboek: Jim een gesloten karakter, volgens Tom en Ot heeft hij een houten kop. We komen niet veel nader tot Jim en Emelie maar boven is hij wel aardig. Hij is in ieder geval een eerste klasse man. Is hoofd van de organisatie des Baribbean en ................heeft een salaris van 50.000,- gulden behalve nog verschillende andere financiële inkomsten.
29 maart 1931 (A072750000019, archiefnummer)pagina nr niet gegeven We hebben een zachte herinnering aan dezen fijnen zwakken man die wij door de .... de laatste dagen zo weinig gesproken hebben. Hij heeft een fijnen geest, een grote beschaving, is meer beschouwend van natuur dan handelend, melancholisch hij is gepsychoanalyseerd dan Dr.Maeder in 1917.
In het werk In Veilige Haven van T.A.H de Nijs wordt een indeling gegeven in klassen zoals in deze tijd gebruikelijke was. Deze nieuwe indeling in klassen werd gemaakt aan de hand van het soort kapitaal. Er waren hier drie mogelijkheden: de eerste was economisch kapitaal, dit zijn goederen en geld, de tweede was cultureel kapitaal zoals voorkeuren, smaak, kennis; verworven bijna volledig tijdens de opvoeding maar niet volledig en de derde klasse was sociaal kapitaal, hieronder verstaan we het familienetwerk, de vriendenkring en lidmaatschappen van verenigingen. In de negentiende eeuw was het sociale kapitaal erg van belang. Men kon dit verwerven door deel uit te maken van een groep,  dit kostte tijd, bezoeken en soms geld. (13)
. Hendrik besteedde veel aandacht aan zijn sociale kapitaal, hij nam zitting in verschillende commissies en legde veel bezoeken af bij vrienden, familie en kennissen. Zijn dagboek staat vol afspraken voor vergaderingen, diners en samenkomsten met verschillende mensen, het lijkt alsof hij het netwerken heeft uitgevonden. Hij bezoekt met zijn vrouw en andere mensen vele toneelstukken en muziek- en dansuitvoeringen, hij is voorzitter van het Concertgebouw maar ook persoonlijk laat hij graag zijn mening over de uitvoeringen horen. Als je het opsomt dan zijn zijn bezigheden bij de Reddingmaatschappij, de Montessorischool en het Concertgebouw een visitekaartje voor morele karakter.

Hendrik de Booij tussen een groep Atjee-ers

De Booij toont bewondering en respect voor andere culturen. Dit kunnen we opmaken uit het feit dat hij heeft getracht om Atjees te leren. Het volgende schrift met deze poging vonden we in het familie archief bij Tom de Booij. Over een dansvoorstelling van Balische dansen merkt hij het volgende op: ‘Alles prachtig ook het orkest, iets om nooit te vergeten. Het stemt weemoedig als men beseft hoe die cultuur zal verdwijnen door de aanraking met het Westersche.’ (pagina 47 van het originele dagboek uit 1931).

Gedeelte uit het dagboek van Hendrik de Booij

Hendrik schrijft in zijn dagboek over de politieke situatie in de wereld, in veel gevallen weerhoudt hij zich ervan zijn eigen mening te geven over de situatie. Hij laat wel hier en daar doorschemeren dat hij erg vaderlandslievend is. Hij noteert in zijn dagboek op 1 april 1931 dat hij als jongeman ontmoet in de trein (derde klas) hij is verbaasd als deze hem vertelt dat hij niet tot de padvinders wil toetreden omdat zij op het standpunt staan hun vaderland te verdedigen. Hendrik herinnert zich dat toen hij jong was, je zoiets niet durfde te zeggen terwijl het nu lijkt alsof het moeilijk is om te zeggen dat je wel je vaderland wil verdedigen. De familie de Booij is in het blauwe boekje opgenomen nadat het familieboek door Chrétien de Booij is samengesteld. Aangezien het blauwe boekje pas in 1910 voor eerst werd uitgegeven, staat voor deze tijd niet zwart op wit tot welke stand de familie behoorde maar omdat vader De Booij notaris was en in het mooiste huis van Haarlem woonde waar het bellenmeisje de deur beantwoordde, gaan we er van uit dat de familie al tot de kringen behoorde. Hendrik de Booij trouwde met een Boissevain die ook in het blauwe boekje stonden. Uit de boekhouding blijkt dat De Booij het minder breed had dan zijn familieleden. De huur van het bovenhuis in Amsterdam was een grote kostenpost. Toch schrijft hij in zijn herinneringen dat alle kinderen van zijn vader bijna een ton meekregen. Het was gebruikelijk in die tijd om niet van het kapitaal te snoepen dus wellicht kwam de zorg over het niet rondkomen hiervandaan en was er dus wel kapitaal. ‘Mijn inkomen is dus 5854 + 4700 van effecten = f 10554.-. Hierbij komt nog de tantième Bouwmaatschappij ± 1000 en van de Raad v.d. Scheepvaart f 100. Met dit inkomen kom ik met veel moeite rond of eigenlijk niet rond in een bovenhuis te Amsterdam van f 650.- en de Sparren. Het is moeilijk, omgeven door veel rijke familieleden goedkoop te leven. ‘
Uit het dagboek en andere geschriften blijkt dat De Booij niet neerkeek op de lagere klasse. Hij schuwt het niet om met de gewone burger in gesprek te gaan en natuurlijk waren de werknemers van de Rederij ook geen jonkheren. Soms steekt hij zelfs iets op van zijn aanraking met de gewone man zoals in dit amusante gesprek op straat over het leger:‘Op de Stadhouderskade kwam de bereden militaire politie voorbij op haar mooie paarden. Ik  was op weg naar het kantoor van de Redding-Maatschappij in het Koloniaal Instituut en bleef er bewonderend naar staan kijken. Een mooi gezicht, meneer", zei een man naast mij. Hij was een werkman met een handkar, waarop enige planken. Een prachtig gezicht", herhaalde hij, "maar… ’t is niet nodig. Alleen nodig voor de rijke man".Ik kwam in verzet en toonde dit, maar hij bleef er bij. "Kijk nou eens, meneer. Ziet u die kar en die plankjes? Dat is nou mijn enig bezit, verder bezit ik niets. Als er nou een soldaat aankomt, een duitse of een franse en hij gaat op me schieten, dan zeg ik: hou op man, hier heb je me kar. Dat kan een rijke man niet doen." De bewonderde politie was nu voorbij. De man met de kar en ik liepen samen op. Hij op de weg, ik op het trottoir. Wat moest ik antwoorden, ik wist het niet goed, bleef bij mijn bewering, dat een leger nodig was voor de verdediging van het vaderland, maar hij bleef, aldoor met een vrolijk gezicht, bij de zijne, dat een leger alleen nodig is om de rijke man te verdedigen en toen ik er eindelijk de pas inzette en voor de laatste maal zei, dat een leger wel nodig was, riep hij mij nog eens, vrolijk kijkend toe: "niet nodig meneer, alleen voor de Rijke Man".
Dit gesprek had plaats in 1930.’
We moeten er wel rekening mee houden dat dit gesprek is overgenomen uit het boekje
‘Mensen die ik ontmoette(14). Dit zijn anekdotes die hij later uit zijn dagboeken heeft samengesteld, of hij iets heeft aangepast, zijn wij niet nagegaan.
De Nijs schrijft dat personen, om tot een groep te behoren, sociaal wenselijk gedrag moesten vertonen. Volgens de auteur zijn de eigenschappen die hierbij horen, hardwerkend, godsdienstig, fatsoenlijk, huiselijk, spaarzaam en gericht op het Algemeen Nut.
(15). In het geval van Hendrik de Booij worden deze eigenschappen niet klakkeloos overgenomen. Al deze eigenschappen worden in de familie duidelijk nagestreefd maar wel met een liberale ondertoon. Zo was hij wel godsdienstig maar schuwde hij niet het kerkbezoek over te slaan om een toneelstuk bij te wonen. Hardwerkend was hij zeker wel, maar door dit harde werken was hij ook vaak buitenshuis voor het diner en lunch wat weer niet overeenkomt met het huiselijkheids ideaal. Fatsoenlijk was De Booij ook en hij berispt in zijn dagboek andere mensen die niet fatsoenlijk genoeg waren. ‘Wij hebben zaterdag 7 october met de jongens in het Grand Theater een uitvoering bijgewoond van de Spaansche Brabander van Brederoo. De leraars aan de HBS hadden de jongens aanbevolen er heen te gaan, maar zij hadden dit te lichtzinnig gedaan zonder te bedenken wat in dit stuk wordt opgevoerd en gezegd. Zo werd dus voor een grote hoeveelheid Burgerscholieren, jongens en meisjes,opgevoerd een stuk dat heel erg plat was, waar "snollen" in voorkwamen, die elkander vertelden hoe zij op het slechte pad waren geraakt enz. Ik vind het bar en bar dat zulk een stuk wordt aangeraden door leraren van een HBS en telefoneerde de volgende dag met de directeur, die in het vervolg beter zal oppassen. Het enige wat van dit stuk gezegd kan worden is dat het niet pervers is maar gezond. ‘
‘'s Avonds feest bij Van den Bergh, die benoemd is tot directeur Javasche Bank. De hoofdschotel vormen Pisuisse en Blokzijl en ik vind het verschrikkelijk dat in zogenaamde deftige kringen zulke schuine en smakeloze liedje kunnen worden gezongen. Ik vind het walgelijk, walgelijk, walgelijk! Waar gaat ons land heen? Kunst 10de rang.’( dagboek getranscribeerd door Engelien pagina 70, 1913).
Hendriks vrouw draagt bij aan het algemeen nut op verschillende manieren, Hilda helpt de Belgische vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog en is hoofd van het bestuur van de Montessorischool. Hendrik zit in het bestuur van het Hospitaal-Kerkschip, een schip dat zendelingen naar onder andere Hong Kong brengt en ook een plek is voor vissers om naar de kerk te gaan
(16).  Hij is spaarzaam, wat we op kunnen maken uit de financiële aantekeningen die hij in zijn dagboek maakt. De Booij woont bijvoorbeeld niet erg groot en hij reist met de trein 3e klas als andere mensen al een auto tot hun beschikking hebben, dit kan gedeeltelijk als reden hebben dat hij niet graag pronkt, maar waarschijnlijk had de financiële situatie hier meer mee te maken. De manier waarop de verjaardagen en andere feestdagen worden gevierd wijst er op dat bewust of onbewust gewerkt wordt aan de emotionele band die in deze periode belangrijk werd gevonden binnen de familie (17). Er wordt ook een ritme opgebouwd door zondag naar de kerk vervolgens te gaan en te gaan wandelen. Op 12 juli wordt Hilda’s verjaardag gevierd, Hendrik wacht haar op met bloemen en leest haar psalm 103 voor. Hij schrijft over zijn vrouw: ‘Hilda is opgewekt, moedig en vol van werklust, ze is voorzitster van het bestuur van de Montessorischool, ze wordt 54 jaar. Er komt veel bezoek met bloemen en geschenken, ze sjouwen de hele dag. Een heerlijk diner met grape fruit, en soep en zalm en vleesch, groente aardappels en heerlijke taart pudding.’
Hendrik’s verjaardag op 23 juni:
‘ Heden word ik 64 jaar oud. Ik ben nog vlug ter been en ben nog jong voor mijn leeftijd, begin echter soms naar rust te verlangen. Hilda leest den 103den psalm en mijn stoel is versierd als ik beneden kom onder het gebruikelijke gezang, ’s avonds diner van 14 menschen, de tafel prachtig versierd met donkere rozen door Ot. Theo en Cateau, Tom en Ot, Jo, Johan en Olga, Betsy de Mol van Otterloo, oud 78 jaar, Marthe Voorhoeve, Mies Boissevain, Erminie, Hilda, Engelina en de jarige........’

Religie
Zoals veel families in Nederland uit de hogere kringen bezoekt de familie De Booij op zondag de kerk. Van huis uit is Hendrik de Booij hervormd opgevoed en hij ging elke zondag naar de kerk. Hij schrijft over zijn moeder in zijn herinneringen: ‘Zij was in haar godsdienst niet als de strenge calvinisten. In een van haar brieven bijvoorbeeld, van 1 juni 1881 uit Renkum, schrijft zij over de preken van ds. Gewin en keurt het niet goed dat deze de hel in zijn preken in steeds feller kleuren schildert, daarbij met de vuist op de bijbel slaande. Ik herinner mij die preken en de in snikken losbarstende boerenvrouwen. Te Haarlem heb ik zoiets nooit bijgewoond’. Hendrik kreeg als kind zelf de Bijbelleraar aan huis en hij ging in zijn jonge jaren naar de kinderkerk. Later als De Booij getrouwd is gaat hij nog steeds naar de kerk en leest hij in de bijbel. Zoals uit het onderstaande citaat blijkt, bezoekt hij niet alleen de hervormde kerk alhoewel hij deze wel verkiest. Hilda studeert theosofie en samen bespreken ze theosofische werken. (18). Citaat uit dagboek: 2e paasdag 1931 ‘We gingen zondag en maandag met Hilda VS (van Stockum) naar de kerk. Zondag naar de Gereformeerde en Maandag naar de Hervormde kerk. De laatste beviel ons het meest’.

De favoriete vrijetijdsbesteding van de familie de Booij is het bezoeken van het theater. Aan het eind van de twintigste eeuw werd het toneelbezoek populair en werden er een aantal toneelverenigingen opgericht. Deze manier van vermaak was vooral voor de rijkere burgers omdat de kostprijs van een kaartje vrij hoog was. De Amsterdamse schouwburg brandde af in 1890, in 1894 was de heropening van een prachtig luxe nieuw theater. De regels waren wel iets aangescherpt, zo mochten vrouwen geen hoeden meer dragen in het auditorium en het serveren van drankjes tijdens de voorstelling werd verboden. Er waren ook wat goedkope zitplaatsen met harde houten banken en smalle trappetjes en gangetjes voor het armere volk.(19).

Opvoeding
Uit het feit dat De Booij en zijn vrouw allebei lid waren van het bestuur van de Montessorischool kunnen we afleiden dat hij een pedagogische manier van opvoeden verkiest. In zijn dagboek noteert hij niet alleen de schoolprestaties maar ook vooral hoe ze met elkaar omgaan en hoe ze ontwikkelen. De opvoeding van families is soms moeilijk te onderzoeken; bij het lezen van egodocumenten kan de indruk ontstaan dat er niets anders dan vreugde en harmonie was in het gezin. De Nijs geeft hier in zijn werk In Veilige Haven drie redenen voor: ‘
Ouders en kinderen woonden onder hetzelfde dak en fronsten blikken, streng uitgesproken vermaningen en in het uiterste geval een pak slaag zijn dan directe en effectieve communicatiemiddelen die nauwelijks sporen achterlaten voor de historicus.’ Een tweede reden is het spontane karakter van opstootjes binnen het gezin, waardoor zij anders dan vreugdevolle gebeurtenissen, minder snel het dagboek halen. Een derde reden is dat de mens van nature geneigd is al dat niet wenselijk is te vermijden uit dagboeken. Vaak worden alleen de leuke herinneringen opgeschreven.(20). Maar dit is niet iets van toen, wanneer men vandaag de dag in fotoboeken zal kijken, zullen vreugdevolle momenten ook oververtegenwoordigd zijn. Wat opvalt, is dat De Booij opmerkelijk open is wat betreft de opvoeding van zijn kinderen. Hoewel er meer vrolijke noten staan opgeschreven, is hij ook erg kritisch. Wat we ook weten is dat hij zelf als kind een losse opvoeding heeft gehad. Hij kreeg weinig tot geen standjes van zijn moeder. Hier moet alleen bij worden gezegd dat deze kennis uit zijn herinneringen komt, en het is juist bij herinneringen dat nare gebeurtenissen worden gewist en vreugdevolle gebeurtenissen worden aangedikt. Hij lijkt geïnspireerd geraakt door deze opvoeding, maar zoals eerder gezegd, moeten we oppassen aan te nemen dat alles koek en ei was. Hieronder volgt een mooi voorbeeld waaruit blijkt dat hij waarschijnlijk een liefdevolle vader was die erg genoot van het samenzijn met zijn kinderen.

(Het volgende citaat komt uit het door Engelina de Booij getranscribeerde dagboek uit 1910)
‘15 juni. Ik heb zaterdag en zondag met Tom alleen gezeild met de Mavourneen. ..... Wij sliepen aan boord, maar ik sliep niet veel, want het was drukkend warm, onweer en veel regen. Bovendien gaf Tom mij van tijd tot tijd stompen. Tom heeft heerlijk geslapen. Wat heeft die jongen genoten. Het is aardig zo vertrouwelijk ik met hem word op zo'n zeilpartij. Zondag terug maar er was bijna geen wind, gezwommen in de Zuiderzee. Tom met een zwemvest en aan een touw’.
En als het nodig was, hield hij mensen uit de buurt van zijn kinderen. Uit de volgende citaten blijkt hoe netjes en kalm hij blijft onder een toch zeer verontrustende situatie.

(De volgende citaten komen uit het door Engelina de Booij getranscribeerde dagboek uit 1910)
‘11 juli. Een zekere Aug.J. Sillmann bemoeit zich mijns inziens te veel met Tom en zijn vrienden bij het cricketen, geeft hem veel prijzen, schrijft Tom brieven enz. Hij is 25 jaar ongeveer en mij komt zijn optreden enigszins onnatuurlijk voor. Heb er gisteren. (20)
met André de la Porte over gesproken, die informaties over hem laat inwinnen. [...] Het blijkt dat Sillmann de jongens ook herhaaldelijk van school kwam afhalen. Tom gaat nu logeeren bij Pim André de la Porte op Noordwijk, zodat Sillmann hem niet terugziet voor September. Ik vertrouw dien Sillmann niet helemaal op sexueel gebied.'
'Augustus. Aan de bezoeken enz. van Sillmann heb ik een einde moeten maken. Hij kwam Tom nu zelfs op de Sparren opzoeken. Ik heb S. bezocht Valeriusstraat en hem gezegd dat alles uit moet zijn.’
Zijn kritische houding ten opzichte van zijn kinderen en het feit dat hij ze nauwlettend in de gaten houdt blijkt ook uit opmerkingen van de volgende strekking:

(De volgende citaten komen uit het door Engelina de Booij getranscribeerde dagboek uit 1912)
1 januari. Tom en Alf zijn aardige jongens, maar nogal lui in het huishoudelijk werk, zoals pompen, hout halen enz. Ze zouden dat liever door een ander laten doen.
2 nov Tom is bezig aan een schermcursus met andere padvinders. Hij en Alfi vorderen aardig met de muziek.

Het enige echt linke moment dat wij hebben kunnen vangen, is het hier onder gegeven citaat waaruit blijkt dat de vader lijfstraffen niet schuwde maar ze zo goed mogelijk probeerde te vermijden. In de manier waarop hij zijn zoon kalm toespreekt zien we het pedagogische opvoedingsideaal terug.
‘Zondag 10 november. (naar kerk). Bevond bij thuiskomst dat Alfred niet met Tom en Olga zoals bevolen was aan de Amstel was gaan wandelen, maar daar dadelijk was omgedraaid. Hij was nog niet thuis. Kwam later. De snoodaard was de De la Portes tegengekomen, die hem mede hadden genomen naar Artis. Gaf hem een standje en hij beloofde zo iets niet meer te doen. Ik was boos op hem, had zelfs een wicket in mijn kamer gezet met het doel hem iets te laten voelen op zijn achterwerk, gebruikte de wicket 21 echter niet, doch sprak hem kalm toe en met effect’. (21)

Het lijkt alsof de ouders meer bezorgd zijn om het welzijn van hun kinderen dan om het schoolrapport en natuurlijk bezoeken de kinderen de Montessorischool waarbij de persoonlijke ontwikkeling van een kind op het eigen tempo een van de idealen is.

(De volgende citaten komen uit het door Engelina de Booij getranscribeerde dagboek uit 1913)
‘Zondag 9 febr. Tom na ontvangst van zijn rapport helemaal opgefleurd, hij had geen enkele onvoldoende en 7 voor meetkunde. De arme jongen is er erg benauwd voor geweest en zag er dientengevolge zeer slecht uit de laatste dagen, zodat we ons ongerust maakten over hem en hem thuis hielden. Nu bleek bij het ontvangen van het rapport wat de oorzaak was geweest en stelden wij ons bezoek aan dr. Beyerman, die wij wilden consulteren, uit.’

Conclusie
Het dagboek en de herinneringen van Hendrik de Booij bevestigen veel van de secundaire literatuur die wij tijdens het college hebben gelezen. Het motief voor het schrijven lijkt in lijn te zijn met de beweringen van Baggerman en Blaak; wat inhoudt dat dagboeken werden geschreven voor het nageslacht en in de strijd tegen het vergeten. We moeten er wel bij vermelden dat waarschijnlijk gewoonte hier ook een rol speelt. Het leven van De Booij werd gekenmerkt door veel rituelen rondom, kerkgang, verjaardagen, bezoeken en daar kan het schrijven van het dagboek ook bijhoren. De pedagogische manier van lesgeven is in het leven geroepen door een tijdgenoot van De Booij, Maria Montessori genaamd. Zij verbreidde haar manier van lesgeven over vele landen en kreeg ook ingang in Nederland. Vermoedelijk heeft De Booij deze pedagogische methode in de opvoeding van zijn kinderen doorgetrokken. De twijfels die hij krijgt over de plaats van de vrouw in de maatschappij komen in een periode waarin vrouwen vechten voor meer rechten. Zijn liberale houding hiertegenover kan komen door de actieve houding van zijn vrouw, zijn beschouwende geest waarin niks zwart/wit was of een combinatie hiervan. De religie van De Booij is lastig te onderzoeken, hoewel hij schrijft over de kerkgang en het lezen van de bijbel zijn we er niet achter gekomen in hoeverre hij werd beïnvloed door de theosofische studies van zijn vrouw. De beleving van tijd hebben wij niet opgenomen in het onderzoek, hij kijkt soms met nostalgie terug op zijn jeugd, wat volgens Baggerman alleen kan door de vorming van een nieuw historisch besef, maar hij realiseert zich ook dat kinderen het op sommige vlakken in deze periode beter hebben. Hij heeft een duidelijk besef van verleden en heden maar over de toekomst schrijft hij maar spaarzaam. Na de kleinzoon van Hendrik is er helaas geen De Booij om de pen over te nemen en zal het familiearchief tot de geschiedenis gaan behoren. Tom de Booij is de laatste in lijn die het archief aanvult en als onderdeel van de familie-identiteit behandelt. Wat wij hebben onderzocht is slechts het topje van de ijsberg. Dit familiearchief biedt een schat aan informatie dat heel nuttig kan zijn voor verder historisch onderzoek.

Bijlage I
Curriculum vitae Hendrik de Booy (opgegeven aan zijn zoon Alfred na l950)
Adelborst le klasse 2 augustus 1887, luitenant ter zee 2e klasse l mei l990, luitenant ter zee 1e klasse, l november l902, pensioen 16 oktober l903, weder in dienst 10 mei l9l5, l9l5-l9l6 belast met het bevel op Texel, weder ontslagen en gepensioneerd 1 oktober l9l9. 1904-1905 administrateur van het Concertgebouw te Amsterdam, 1905-1938 bestuurslid .1905 nautisch chef van een wetenschappelijke expeditie onder leiding van Dr. M.C.Dekhuyzen ( de expeditie beoogde physiologische onderzoekingen bij de vissen van de Zuiderzee en de Waddenzee en faunistische studiën in verband met het zoutgehalte te verrichten alsmede het plantaardig leven daar ter plaatse te bestuderen). 1906. Benoemd tot lid van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht en daarvan heden nog lid.
1906-1946 Secretaris, penningmeester en bestuurslid van de NZHRM te Amsterdam. 1907. Voorzitter van het Amsterdamse comité ter herdenking van de geboortedag van M.A. de Ruyter op 24 maart 1607. 1907-1921. Schoolopziener in het arrondissement Amsterdam IV. 1912-1949. Secretaris en bestuurslid van het Adderfonds te Amsterdam. 1913-1934. Secretaris en bestuurslid, daarna bestuurslid van het Zeemanshuis te Amsterdam, tot l946. 1913-1943. Bestuurslid van de Nederlandse Bouwmaatschappij, van l9l6-l943 bestuurslid van genoemde maatschappij te Amsterdam. 1913-1950. Secretaris-penningmeester en bestuurslid van de stichting Fonds voor de De Ruyter medaille, gevestigd te Amsterdam. 1919-1937. Plaatsvervangend lid van de Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam. 1920-1950. Commissaris van de N.V. Algemeen Handelsblad. 1925-1942. secretaris van de Oosterse Handel en Reederijen te Amsterdam. 1933-1964, Honorary Life-Governor van de "Royal National Life-boat Institution" te Londen onderscheidingen:(o.a.), Nederlandse Leeuw, Oranje Nassau, De Ruyter medaille , Witte Olifant van Siam, Danebrogorde

Bijlage II
Inventaris familiearchief zoals bewaard in het Stadsarchief in Amsterdam onder nr 1423,.
1. C
HRÉTIEN J.G. (1820-1901) X ADRIANA J. DE MOL VAN OTTERLOO (1827-1882)
2. C
HRÉTIEN J.G. (1853-1934) X MARY J. HOBSON (1859-1923)
3. J
EANNE MARIE (1856-1927)
4. A
DRIANA JOHANNA (1863-1937)
5. E
NGELINA PETRONELLA (1869-1907)
6. H
ENDRIK (1867-1964) X HILDA G. BOISSEVAIN (1877-1975)
6.1 Persoonlijk
- Jeugdherinneringen van hem tot 1900. 1654-1955
- Dagboeken van hem. 1928-1929 is verloren gegaan. 1909 – 1964 111 delen.
-Aantekeningen uit notitie- en kasboekje 1925-1946.
- Diverse aantekeningen door hem. 20
e eeuw.
- Aantekeningen door hem over dagelijkse gebeurtenissen. 1940-1950.
- Agenda’s van haar met dagelijkse notities. 1896-1957.
- dagboek van hen voor zijn vader van hun reis naar Indië en verslag van terugreis. 1900-1902
- Verslag van haar van hun verblijf in Indië 1900 1902.
- Krantenartikel door hem over hun terugreis uit Frankrijk bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en brief en briefkaart van hen aan
  hun neefje te Hattem.
- Brieven aan elkaar.1897 - 1949
- Brieven aan hen van zijn vader.1879 - 1901
- Brieven aan hen van zijn familieleden.1896 - 1937
- Brieven aan hen van haar ouders.1906 - 1929
- Brieven aan haar van haar familieleden.1891 - 1964
- Brieven aan hen van hun kinderen.1922 - 1969
- Brieven aan hen van hun neef Cré de Booy OSB.1942 - 1966
- Brieven aan hen van niet-verwanten.1895 - 1964
- Kopieën van zijn brief aan Willem Mengelberg en van diens antwoord.1914
- Brieven aan hem van zijn neef Jan den Tex en doorslagen van diens antwoorden.1953 - 1961
- Kopiebrieven aan haar van Kartini, concept en doorslag van haar lezing en krantenartikel over deze schrijfster met briefkaarten van het
  Indisch Huis op de tentoonstelling "De Vrouw 1813-1913".1900 - 1987
- Brieven van haar en hem aan haar moeder. Aan haar teruggegeven1890 - 1914
- Handschriftanalyses van hen, met bijlagen.1926 - 1929
- Gedeelten van brieven van haar zus Olga aan haar moeder.1896 - 1929
- Trouwboekje van hen, met bijlagen.1897 - 1926
- Stukken betreffende hun huwelijk, 12 1/2, 25, 40, en 50-jarige bruiloft en andere familiefeesten.1897 - 1961
- Journaal van het schip "de Mavourneen" door hem en zoon Tom bijgehouden, met kopie van zijn artikel "Op weg naar Wiewerd" over dit
  schip.1907 - 1914
- Foto's van hun huisje "De Sparren" te Naarden.1915
- "Waarnemingskaart voor de zonsverduistering" in 1912.1912- Vers op haar met tekening van haar door Jo der Kinderen-Besier.1915
- Vers voor hem op zijn 70e verjaardag door Willem Ortt en brief van hem aan Willem.1880 – 1937
- Dagboeken van hem en zijn gasten in het huisje "De Wijde Blik" op Terschelling, met - verslagje van een verblijf op het eiland 1934 - 195
- en tekeningen gemaakt tijdens hun vakanties op Terschelling.1934 - 1940
  met bijlagen betreffende hun reis, met Engelien, door Schotland met de zusters Drummond.1936
- Verslag van Cherry Drummond van haar bezoek aan Holland. Getypt. 1947.
- Verzamelde stukken uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog 1918-1945.
- Huishoudkasboek van haar. 1897-1957.
- Album van haar met ingeplakte foto’s, programma’s, uitnodigingen e.d. 1888- 1898.
- Programma’s van toneelvoorstellingen te Amsterdam en Nieuwediep. 1897 – 1975.
- Album met verzamelde gedichten door haar. 20
e eeuw.
- Aantekeningen van hem inzake de afwikkeling van hun nalatenschap, verdelingslijst door haar en taxatierapport van haar nalatenschap
  1951-1975.
- Mensen die ik ontmoette, verhalen door hem. 1960 – 1970.
- Tekeningen door hem. 1903 – 1966.
- Foto’s en tekeningen van hem en haar op verschillende leeftijden. 19
e-20e eeuw.
- Foto’s van haar op verschillende leeftijden. 19
e-20e eeuw.
- 6.2 Maatschappelijk zie stadsarchief Amsterdam nr. 1423
- 6.3 Familie van echtgenote zie stadsarchief Amsterdam nr. 1423
- 6.4 Verwante families zie stadsarchief Amsterdam nr. 1423
- 6.5 Foto’s zie stadsarchief Amsterdam nr. 1423
7. H
ENDRIK THOMAS (1898-1976) X OTTELINA GOOSZEN (1898-)
8. A
LFRED (1901-1997) X SONIA DE BENCKENDORFF (1913- )
9. O
LGA EMILY (1905-1960) X JOHANN GOTTLIEB VAN MARLE (1901-1979)
10. D
OCUMENTATIE )DELEN UIT HET FAMILIEBOEK, CORRSPONDENTIE)
11. E
NGELINA PETRONELLA (1917- ) X MARIUS FRANS POLAK (1916- )

Bijlage III
Transcriptie van de eerste 1689 woorden van het dagboek van Hendrik de Booij 1931
26 december. Hilda eerst 's morgens naar Moeder op het Houten huis. (22)
. (zij is 86) Ze ging per trein en daarna per auto heen en terug naar het Houten huis, vond Moeder in bed, liggende, wel achteruitgegaan in uiterlijk, maar geheel helder. Ze weet echter niet dat het Kerstmis is en ook niet hoe laat. Hilda heeft haar met opzet niet gezegd dat het Kerstmis is. "I'll soon get up, zegt Moeder, the hot water is ready".Hilda gaat ook naar het Witzand, waar ze de talrijke met vele cadeaux begiftigde familieleden aan de ontbijttafel vindt, erg vrolijk en hartelijk. Dan vraagt Charles of ze weet dat Jan en Charlotte zullen overkomen en als Hilda zegt dat dit wel mogelijk is, zegt Charles dat hij niet "on speaking terms" met Jan is. Hilda zegt dat hij mogelijk wel zal logeren in "zijn moeders huis". Dan nog een altercatie met Charles over het feit dat ze hem niet om een auto heeft gevraagd en nu een taxi heeft gehuurd en dan zegt Hilda dat "we nou maar niet boos moeten zijn en elkander een zoen geven".
28 december. De sneeuw is weer verdwenen en het is mooi zacht weer. Wij kregen Jan Maurits bij ons,die bleef logeren en met wien wij heden naar het Houten huis en Witzand gingen per auto. Jan Maurits was getroffen door het uiterlijk van Moeder, die hij erg achteruitgegaan vond. Hij blijft logeren op 't Witzand. Bij Olga zijn wij in afwachting. In de nacht van 29 op 30 december te Amsterdam is de kleine Henriette Constance geboren, wegende 7 pond. Ik zag het kindje en Olga 30 dec. in de namiddag en vond het een heel mooi meisje. Alles gaat voorspoedig.
31. december. Oudejaarsdag. 's Avonds waren Hilda en ik en Engelien thuis. Ik las uit de brieven van Mama en ook Corinthe XIII. We aten oliekoeken en hadden een gezellig huiselijk avondje, gingen om ½ 12 naar bed. In bed liggende hoorde ik om 12 uur nog enige schoten en toen was het nieuwe jaar l931 begonnen.
(22)

1 9 3 1
Het begint niet mooi. De belangrijkste kenmerken van dit nieuwe jaar zijn wel:
1. De bijna overal heersende werkeloosheid, het ergste in Amerika, Duitsland, Engeland, toenemend bij ons en in Frankrijk. Ook in Australië.
2. De drang naar onafhankelijkheid van Brits Indië, waaraan Engeland zal moeten toegeven en hetwelk zijn invloed zal doen gelden in ons Indië.
3. De houding van de sociaaldemocraten in Nederland, die hun land liefhebbende dit niettemin niet met de wapenen willen verdedigen.
1 januari l931. Een vervelende dag. Enkele gelukwensen van kleinkinderen en van Tom en Ot. 's Avonds met Hilda en Engelien naar de Gijsbrecht in de front bovenloge. Muziek van Diepenbrock ook bij de reien, tengevolge waarvan de woorden van de reien verloren gaan. Arntzenius dirigeert. Kloris en Roosje heel aardig. De 1ste maal dat Engelien het ziet. Slemp die naar niets lijkt en waarover Hilda zich schriftelijk beklaagt bij den heer Merckelbach, op welke klacht zij geen antwoord ontvangt. De pummel!!!
7 januari. Met Tom naar Wijk aan zee en daar vriendelijk ontvangen door Roland die ons uitstekende koffie schenkt. Ik lees de Commissie de les naar aanleiding van haar gedrag..'s Middags muziek met mevrouw Kempen geboren Van Heukelom, een aanvallige nicht van Hilda, die wat degelijker amusement of bezigheden wil hebben dan vroeger en die nu zal vinden in muziek met mij. Ze speelt heel muzikaal.
17 januari. Proeftocht Tjinegara. Er waait een zware storm uit het NW dus gaan we niet uit doch in stede daarvan naar Amsterdam. Maak kennis met De Kat Angelino
(23), die ik als tafelbuur heb. Hij is de schrijver van een groot werk over Indië. Richtlijnen van het koloniaal beleid; wil dat wij een practische politiek voeren, geen universiteiten oprichten op een onderbouw van niets. Laat de Javaan zelf tonen. (23) wat hij kan. Niet spreken van weggaan, maar werken uitvoeren in het belang van de economische opbouw van het volk. Landbouwscholen. Engeland is een voorbeeld van hoe het niet moet. Hij meent dat Engeland India verloren heeft. De Kat Angelino is ambtenaar aan dept Koloniën voor Chinese zaken. Het Chinees heeft 40.000 tekens. Kent men er 10.000 dan is dat mooi, met 4000 kan men zich  behelpen. [volgen voorbeelden van chinese karakters, tijdens de maaltijd opgetekend]. Als ik thuiskom hoor ik dat Moddergat 5 man heeft gered. We wilden dit station juist opheffen.
18 januari, zondag, eten wij 's avonds bij Jim en Erminie in het Carlton hotel met 2 Amerikaanse vrienden, Mr. en Mrs. Mac Keller, de vervelendste mensen die ik nog ooit heb gezien. Het publiek in Carlton over het algemeen weinig elegant. Er zat een partijtje Six-en. De weduwe professor Six, oude Jan Six met z'n zuster en nichtjes. De muziek van Strauss, 40 man, die walsen speelde.
25 januari zondag. NW wind, een beetje ruw. Hilda heeft de laatste dagen griep, ligt te bed met pijn in het gehele lichaam. Engelien ligt ook weer te bed, intussen ontzaglijk etende, ook lachende. 't Is een vreemde ziekte. Ik ben heden naar het Houten huis gegaan en ik sprak met Moeder. Gisterenavond heeft zij tegen Charles gezegd:"I'm off. Where am I going". Toen heeft Charles gezegd:"Where you will find rest; to a very good place". "That is good", heeft ze toen gezegd.
26 januari, maandag. Heden is Moeder te ongeveer 3 uur gestorven. Hilda ging vanmorgen naar het Houten huis, heeft haar nog levend gezien, maar toen had de dokter reeds een morphine inspuiting gegeven. Ik ging met de trein van 5 uur met Mies [Boissevain-Hooglandt] en zag Moeder, het gezicht heel fijn en teer. Heel mooi, maar niet het gezicht dat wij kenden, meer lijkend op een plaatje uit haar jeugd.
18 februari. De toestand in het buitenland is als volgt: Engeland in grote financiële moeilijkheden. Snowdon. Toenemende werkeloosheid. Spanje in grote politieke moeilijkheden. De koning doet vele pogingen een kabinet samen te stellen. Rusland hard bezig aan het 3 jarenplan, is door zijn goedkope werkkrachten en reusachtige productie een groot gevaar.
19 februari. Een man die lang werkeloos was heeft een schilderij van Rembrandt in het Rijksmuseum ernstig beschadigd met een bijl.
7 maart. Ik naar de begrafenis van Govers te Callantsoog. Het is een erg koude dag. [...] Eindelijk komt de stoet aan. Eigenaardig gebouwde rijtuigen. We gaan naar het kerkhof om de kerk, die er zo aardig uitziet - gerestaureerd - met z'n eigenaardige toren. Mooi het wit van de toren met z'n groene kap en die blonde duinen. We houden de hoeden op. Wat doen die bidders onhandig met de touwen, die ze maar niet van onder de kist vandaan krijgen. De burgemeester Breebaart spreekt eerst en vergelijkt het leven van Govers met een boek dat nu gesloten is. Dan kom ik, en eindelijk burgmeester Lovink, mijn oude vriend. Een bedankje van een familielid. Govers was een boer met een goed verstand en een gevoelig hart, die veel van bloemen hield en mij herhaaldelijk hetzij bloemen of bollen aanbood bij mijn bezoeken aan Callantsoog. Toen ik hem toesprak toen hij 40 jaar lid van de Commissie was en hem een wandelstok met gouden knop aanbood zei hij: dank je wel voor je drukte. Maar hij was erg trots op zijn stok, wees iedereen de knop met de daarin gegraveerde opdracht.
18 maart. Vergadering bij Charles op diens flat van het Handelsblad en daarna diner bij hem. Zijn bedoeling was zijn medecommissarissen te benvloeden, maar hij had daarmede geen succes. Als ik 's avonds 23 maart thuis kom word ik ontvangen met gelukwensen van Hilda en Engelien omdat ik de gouden De Ruyter medaille heb gekregen van de Koningin. Dat is een hoge onderscheiding, die niet veel wordt verleend. We zijn de laatste dagen in correspondentie geweest met Johan Bouvelet, een ouden Fransen vriend van l904 te Adelboden. Hij komt zaterdag logeren. Deze winter is een winter van heel veel griep. We hebben in het geheel niet kunnen schaatsenrijden.
28 maart. Bouvelet vanmorgen afgehaald om 11.30 uur en herkende hem. Naar de Nederlandse Bank om bij te wonen het uitreiken van de De Ruytermedaille aan den kapitein van het Hospitaalkerkschip "De Hoop" door Vissering. Ik ben nu ook in het bestuur van die vereniging. Ik ben nu in de volgende verenigingen en betrekkingen waaraan ik iets te doen heb: NZHRM - Zeemanshuis- Raad v.d.Scheepvaart - Amsterd. Montessorischool - Ned. Bouwmaatschappij -Adderfonds - Oosterse Handel en Rederijen - Hospitaalkerkschip "De Hoop" - Handelsblad - Concertgebouw.
29 maart. Naar de Mattheus Passion met Hilda, Engelien en Bouvelet. De uitvoering was prachtig, vooral wat de koren aanging. Onder de solisten was Mia Peltenburg te lief, Carl Erb te gemaniëreerd. De uitvoering was over het geheel ontroerend. We gingen 's avonds met Bouvelet naar het diner in het Amstelhotel, 52 mensen, ter ere van Mengelberg. [opsomming van de meeste aanwezigen].
Het diner uitstekend maar ik at weinig en drink nagenoeg niet. Intussen werden wij vermaakt door de Berlin Harmonist society, een zevental mannen die zongen op de manier van de Revellers, heel knap. Dansen met een jazzband en Hilda en ik deden een walsje. Om 3 uur naar huis. Aardig om te zien het plezier van Mengelberg en de aardige wijze waarop hij omging met die Revellers. De speech van Schmuller, vooral heel aardig waarin hij Mengelberg aanspoorde om nu voortaan in Holland te blijven. - Keyserling, die zeide dat men om een philosoof te worden de wereld om moet gaan in tegenstelling tot Kant die een groot philosoof was en Koningsbergen nooit heeft verlaten. De beschaving van Amerika die te meer vervlakt naarmate het aantal verdiepingen stijgt. Maandag 30 maart. Gezellig geluncht, waarna Bouvelet vertrok. We hebben een zachte herinnering aan dezen fijnen zwakken man, dien wij door de drukte van de laatste dagen te weinig gesproken hebben. Hij heeft een fijne geest, een grote beschaving, is meer beschouwend van natuur dan handelend, melancholisch. Hij is gepsychoanalyseerd door dr. Maeder in l9l7.

Bijlage IV
Dit zijn correspondentiestukken en notulen van een vergadering van de Montessorischool waarin er gesproken wordt over Joodse mensen op de Montessorischool.

 

Tekst van bovenstaande brief : "In opdracht van de Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming zendt ondergetekende, secretaresse van de Stichting van Middelbaar en Voorbereidend Hooger Montessori Onderwijs, U een staat van de leerlingen van Joodschen bloede op het Montessori Lyceum te Amsterdam
 w.g  A.D. Cnoop Koopmans -van Tienhoven secretaresse

 

Dinsdag 2 september 1941 Notulen bestuursvergadering Montessori Lyceum

 

Tekst van de bovenstaande brief:
Hoogedelgestrenge Heer, Naar aanleiding van Uwe circulaire van 26 augustus 1942, No 13908 afd V.H.M.O. hebben wy de eer U te berichten, dat noch onder het personeel van het Montessori Lyceum noch onder leden van het Bestuur personen voorkomen, die gehuwd zijn met een persoon, die volgens paragraaf 4 der verordening Nr 189/1940 betreffende het aangeven van ondernemingen, Jood is  of als zoodanig moet worden beschouwd
 w.g  H.G. de Booy, voorz. en A.D. Cnoop Koopmans-v.T. secr.

 

Lijst van Joodsche leerlingen van het Montessori Lyceum . Opgestuurd in 12 september 1941 door het bestuur van het lyceum aan het bestuur van de gemeente Amsterdam (maar recent door een historica aangetroffen in het stadsarchief van de gemeente Amsterdam en aan het Montessori Lyceum ter beschikking gesteld)

(Onderschriften van deze bijlage IV zijn toegevoegd bij het werkstuk en overgenomen van de website egoproject.nl)

 

Noten

1. http://www.egoproject.nl/archief-debooijfamilie/Her%20H%20de%20Booij.htm  (26-01-2010)
2 Alain Corbin, ‘Achter de schermen’, in Michelle Perot, ed.,
Geschiedenis van het persoonlijke leven 4. Van de Franse Revolutie tot de Eerste
   Wereldoorlog
(Amsterdam 1989) 436.
3. http://www.egoproject.nl/archief-debooijfamilie/Hendrik%20%20de%20Booij%20%281867-1964%29.htm (24-12-2009)
4. Arianne Baggerman en Jeroen Blaak, ‘Reizigers in de tijd, 19de-eeuwse autobiografen en hun strijd tegen vergeten’, Spiegel Historiael
    themanummer Egodocumenten’40 (2005) nr.3/4, 156, 157.
5  Idem, 158
6 Arianne Baggerman, ‘Zo een vrijheid begeer ik nimmer meer te beleven. Het witwassen van het verleden in Nederlandse egodocumenten
   (1800-1850)’, De negentiende eeuw 33
(2009) nr. 2, 85.
7 Jan Bank en Maarten van Buuren, 1900, The Age of Bourgeois Culture, (Houndsmill, Basingstoke, Hanpshire, 2004) 23, 108.
8 Arianne Baggerman, ‘Het geheugenpaleis van de familie Blussé, een uitgever met dynastieke ambities', Kunstschrift 44 (2000) nr. 2
   (themanummer 'Egodocumenten') 42.
9 Thimotheus Adelbertus Hendrikus de Nijs, ‘In veilige haven, het familieleven van de Rotterdamse gegoede burgerij, 1850- 1890',
   Historische publicaties Roterdamum 141(2001) 100.
10 Jan Bank en Maarten van Buuren, 1900, The Age of Bourgeois Culture, (Houndsmill, Basingstoke, Hanpshire,2004) 23,108.
11 Henk Nicolai, ‘De Genealogie van het voorwerp, Dierbare voorwerpen en familiecultuur bij Kingsma’s te Makkum;, in Peter te
     Boekhorst, Peter Burke, Willem Frijhoff, Cultuur en Maatschappij in Nederland 1500-1850, Een historisch-antropologisch perspectief
     (Heerlen 1992).
12  http://www.dbnl.org/tekst/mont023leve01_01/mont023leve01_01_0002.htm

13. Timotheus Adelbertus Hendrikus de Nijs, ‘In veilige haven, het familieleven van de Rotterdamse gegoede burgerij, 1850- 1890’,
     Historische publicaties Roterdamum 141(2001) 20.
14. http://www.egoproject.nl/archief-debooijfamilie/Verhalen%20van%20Hendrik%20de%20Booij.htm (26-01-2010)  
15 Thimotheus Adelbertus Hendrikus de Nijs, ‘In veilige haven, het familieleven van de Rotterdamse gegoede burgerij, 1850- 1890’,
     Historische publicaties Roterdamum 141(2001) 20.
16 http://nl.wikipedia.org/wiki/Hospitaal-Kerkschip_De_Hoop
17 De Nijs, ‘In veilige haven’het familieleven van de Rotterdamse gegoede burgerij, 1850-1890’, Historische publicaties Roterdamum
     141(2001). 191. 201
18 Dagboek van Hendrik de Booij 13 november 1931.
19 Jan Bank en Maarten van Buuren, 1900, The age of Bourgeois Culture, (Houndsmill, Basingstoke, Hampshire 2004) 488.
20 De Nijs, ‘In veilige haven, het familieleven van de Rotterdamse gegoede burgerij, 1850- 1890’,
     Historische publicaties Roterdamum 141(2001) 108,109.
21 Het instrument dat bij cricket wordt gebruikt om de bal te slaan. Vergelijkbaar met een honkbalknuppel alleen dan wat vlakker
     afgewerkt.
22 Houten huis: huis op het terrein van het Witzand waar mijn grootmoeder haar laatste levensjaren doorbracht.
23 A.D.A. de Kat Angelino, 1891-1967. Schrijver van "Staatkundig beleid en bestuurszorg in Nederlandsch-Indië"( 1929-1930).