Familie Boissevain (Bergerac)

Wapen: in zilver drie groene pijnbomen naast elkaar op een grasgrond. Dekkleden : zilver en groen. Wapenspreuk: "Ni regrét du passé, ni peur de l'avenir" . In 1830 was er ook nog links van het wapen van familie Retemeyer (zie afbeelding)
I . Marthe Roux , vermeld 6 november 1671 eigenaar van het
voorvaderlijke erfgoed te Couze onder Saint Capraise (oostelijk van Bergerac,
Dordogne) afkomstig van Jaques Boissavin, dit Bouissavy, gestorven voor 2 juli
1685, trouwt N.N.
II, Lucas Bouyssavy, geboren te Couze (Bergerac) rond 1660, landeigenaar
erfgoed Couze (Frankrijk).Verkocht 22 juli 1685 zijn helft van het voorvaderlijk
erfgoed te Couze aan zijn broer Jean. Na als protestant aan de hevigste
geloofsvervolgingen te hebben bloot gestaan, vlucht hij naar Amsterdam. Hij maakt
op 4 december 1687 zijn testament op . Hij heeft dit gedaan omdat voor het geval
dat hij nooit meer terug zou komen in zijn geboorteland.(afbeelding). Volgens de
familieoverlevering wordt verhaald, dat hij met hulp van geloofsgenoten te
Bordeaux zich kon verschuilen in een schip, dat met vaten wijn bevracht was naar
Amsterdam. (zie link Hugenoten)

Testament Lucas Bouyssavy
Hij bracht enkele dagen en nachten door tussen de tonnen voordat het schip vertrok en kwam in "deerlike "toestand van alles beroofd in Amsterdam aan. Hij woont op de Lijnbaansgracht en daarna de Korte Leidsche Dwarsstraat. Hij trouwt in Rotterdam 1 september 1700 met
II.a Marthe Roux eveneens afkomstig uit Bergerac.

Huwelijk Lucas Bouyssavy en Marthe Roux 1 september 1700 Rotterdam
Met haar moeder en zusje ontvluchtte zij uit Frankrijk. Haar moeder stierf in 1686 in Antwerpen tengevolge van de ontberingen van deze reis. Zij kwamen de grens over verscholen onder in een hooiwagen. Een der dragonders stak een zwaard of lans tussen het hooi door om te ontdekken of iemand er onder schuilde. Hij wondde haar aan de dij maar zij had de zelfbeheersing door geen geluid te geven, dat zij met haar kinderen verborgen waren. De traditie verhaalt zelfs dat zij het bloed aan het zwaard klevende met haar kleed afveegde. In Nederland ontvingen de vluchtelingen veel bijstand en sympathie van kun kerk en geloofsgenoten en zelfs van de katholieken! Zij waren van alles beroofd in Nederland aangekomen. Velen poogden door onderwijs in hun onderhoud te voorzien, maar er waren al gauw meer onderwijzers als leerlingen, Lucas was een goed tekenaar en werd door de meer vermogende leden der Waalse gemeente aanbevolen als tekenmeester. Hij stierf op 44 jarige leeftijd 25 april 1705 in Amsterdam. Volgens een tante was hij de ontbering van zijn vlucht uit Frankrijk nooit te boven gekomen. Zijn zoon Jeremie werd geboren 9 oktober 1702 en zijn dochter Marthe Anne 10 juni 1705, dus 7 weken na de dood van haar vader. Marthe Roux stierf tegen of op 15 december 1727.
III . Jeremie Bouyssavy, later Boissevin en Boissevain, geboren Amsterdam, 9-10-1702. Vertrekt naar Londen. Daar leert hij IIIa.Marie Charlotte Du Chesne kennen (geboren 29 december 1705 in Londen). Hij trouwt haar in Amsterdam 19 april 1733. Zij was een dochter van Gédeon du Chesne een koopman en juwelier in Konstantinopel en Marie Boissonet. Zij was een vrouw uit duizenden, doortastend, flink en liefdevol .Na de dood van haar man gaf ze les in Frans en Engels en ook wat wij nu kunstnaaldwerk noemen

Huwelijk Jeremas Boissevain en Marie Charlotte Du Chesne
Zij hadden twee kinderen: Marthe 15 mei 1735 geboren en overleden in 1735 en Gedeon Jeremie geboren 21 mei 1741. (zie hieronder). Jeremie was zwak en vaak ziek. Maar na een zware kou te hebben opgelopen stierf Jeremie 30 Juli 1762 11:00. Zijn vrouw Marie Charlotte stierf 24 december 1779 23:00 ("une maladie de langueur" als gevolg van een hevige koorts).
IV. Gedeon Jeremie Boissevain, geboren Amsterdam 21-5-1741.Hij trouwt
19 april 1767 met IVa Marguérite Quien geboren 12 juli 1746 april
1767 eveneens van de Hugenoten stam. Zij was de dochter van Francois Quien, een
Amsterdamsch koopman, goudsmid en een poorter van Amsterdam, en Marguérite
Madelaine Couturier. Zij bracht aardig wat geld mee. Zij kregen 11 kinderen
waaronder Daniël zie hieronder. Gedeon Jeremie sterft in Amsterdam 21 juni 1802
Charles Boissevain schrijft in zijn boek Onze voortrekkers: "Mijn grootvader was
een zeer braaf en kundig man en in de eerste kantoren werkzaam waar hem het
partnerschip werd aangeboden, maar hij wilde liever zelfstandig blijven".
In 1784 werd hij boekhouder van de firma Braunsberg Streikeisen en later
procuratiehouder bij de firma Hogguer, Grand &Co, later koopman. In 1794 ging
hij zijn eigen zaken regelen voor eigen rekening. Hij kwam vooruit door kennis,
vlijt en zuinigheid. Gideon Jeremie richtte mede met 11 handelaren een
genootschap op: " de Woensdagsche Vereeniging". Allerlei kwesties werden
besproken ook een debat over de slavernij. Hij vond dat dit moest worden
afgeschaft. Hij diende als schutter in de compagnie van:"den Heer Capityn, Mr
Jan Bicker", van welke compagnie hij later luitenant werd. Hij was ook poorter
van Amsterdam" Gedion Jeremie overleed op 61 jarige leeftijd 21 juni 1802
1:30. Zijn vrouw Marguérite Quien stierf 29 juli 1808 21:45 (waterzucht).In
de familie bijbel van Mr Carel Faber, getrouwd met Suzanne Elisabeth Boissevain
(zie hieronder V.8):"Den 21 Juny 1802 trof de gantsche familie een ontzettende
gebeurtenis, die ons diep in den Rouw dompelde, door de oproeping des
Almachtigen van onze braven Vader de heer G.J.Boissevain. Zijn gedrag & handel
overtuigen ons, dat zijn Ed. bij Zijn Schepper is ingegaan. Zijn Ed. was gehuwd
met Jonkvrouwe Marguérite Quien,,,deeze alleszins gelukkigen echt was gezeegend
met 11 kinderen". Bij zijn graf getuigde zijn zoon Daniël Boissevain zijn
dierbare vader:"Hij was een man van algemeen bekende braafheid, uitgestrekte
kundigheden; de strikste eerlijkheid en zuiverste godsdienst kenschetsten zijn
edelmoedig caracter. Zij sterfbed was dat van een waar Christen en zijn
voorbeeldig leven was geheel de zorg en de opvoeding van zijn talrijk gezin
toegewijd".(Van deze 11 kinderen hebben wij de geboortetijden, afkomstig uit de
familiebijbels van Gidéon Jérémie en zijn zoon Daniël Boissevain).

V.3 Daniël Boissevain, Amsterdam 18-10-1772 12:45 . Hij sterft 25 november 1834. Na zijn schooltijd hielp hij zijn vader op het kantoor en hij verdiende genoeg om op 23 jarige leeftijd te trouwen 18 oktober 1795 in Amsterdam met de 19-jarige Johanna Maria Retemeijer
V.3a. Johanna Maria Retemeijer geboren Amsterdam 23 maart 1776 tussen elf en twaalf uur 's-morgens, overleden 23 mei 1820 10:15 (zware zenuwkoortsen die op 9 mei met onophoudelijk stuipen begonnen), dochter van Gottlieb Johan Arnold and Maria van Wijck..Zij was de dochter van Gottlieb Johan Arnold Retemeijer en Maria van Wijck. Gottlieb werd geboren in Vlothe bij Pruys Minden 13-10-1750 , sterft Amsterdam 3-3-1796 18:30. Maria van Wijck stierf in Amsterdam 11 juni 1802 10:00.

Daniël Boissevain en Johanna Maria Retemeijer
Kort na zijn huwelijk overleed zijn schoonvader aan de tering. Deze was chef van het vrij grote handelshuis Mijnhart Retemeijer en Zonen en zeer gefortuneerd. Na de dood nam Daniël het over en associeerde met zijn zwager Heinrich Carl Retemeijer onder de firma naam Retemeijer Boissevain. Toen door de oorlogen van Napoleon de zijn zaken bijna stil stonden heeft H.C. Retemeijer zich uit de zaak teruggetrokken. Aan het einde van de 18e en in het begin van de 19e eeuw ging de handel. Ook toen Lodewijk Napoleon regeerde, bleef er beweging in zaken. Vooral handel in Duitse linnen goederen, franse wijnen en granen bleef groeien. Maar moeilijke tijden kwamen voor kooplieden en bankiers in 1810. Na de val van Napoleon en de stichting van de Oranje dynastie begon in 1814 de handel te herleven. Koning Willem I had een goed zicht op de handel en begreep dat de bakens verzet moesten worden.. Ook Daniël en zijn zoon durfde nieuwe wegen in te slaan. Daniël was een beminnelijk man en innig geliefd door zijn kinderen. Hij schreef vanaf 1788 dagboeken maar heeft deze herlezend gezien, dat hij te indiscreet was geweest dat er vele geheimen van anderen in vermeld waren, zodat deze niet geschikt waren om na zijn dood gelezen te worden heeft ze helaas vernietigd. Hij had vele belangrijke functies: vice-president Walenweeshuis, lid Rechtbank van Koophandel, lid kamer van Koophandel en Fabrieken. In 1820 trof hem een zware slag, hij verloor zijn vrouw 23 mei 1820. De 26sten april was zij van haar veertiende kind bevallen en enige tijd daarna overviel haar een hevige zenuwziekte, vergezeld van stuipen, die haar krachten ondermijnden en waar zij tenslotte aan bezweek. Daniël leed in zijn ouderdom aan reumatiek en zenuwpijnen in de maag. Een aderlating werd beproefd. Hij overleed in de vroege morgen van 25 november 1834
Uit het boek van Charles Boissevain nog enige interessante citaten om het
tijdbeeld te schetsen waarin Daniël leefde:"Daniël Boissevain was geboren onder
het stadhouderschap van Prins Willem V van Oranje. Hij had diens gezag zien
dalen en ondergaan en een poging zien doen om het gewelddadig door Pruisische
troepen te herstellen. Hij had als jongeling de Bataafsche Republiek hooren
uitroepen en de sansculotten onder de Vrijheidsboomen zien dansen en hij was man
en vader toen de zeemacht van zijn land bij Kamperduin werd weggevaagd van de
zee. Toen was zijn land geleidelijk dieper en dieper gaan zinken eerst tot
dependentie, later tot provincie van Frankrijk". Zij kregen 14 kinderen:
VI.1 Gédéon Jérémie Boissevain Gédéon Jeremie Boissevain, Amsterdam 13-6-1796 3:45 of 4:00 , sterft Amsterdam 14-5-1875, trouwt Amsterdam 27-6-1816 met Antoinetta Elizabeth Klijn Amsterdam 13-6- 1796 3.45, gestorven Amsterdam 16-10-1817 11.30. Zij was op het zelfde uur en dag geboren als haar man. Zij was een dochter van de dichter Hendrik Harmen Klijn en Charlotte Maria Schenkhuysen. Gédéon Jérémie was assuradeur, lid firma Boissevain en Co, scheepsreders, 2e luitenant 1815 en 1e luitenant schutterij, kapitein landstorm, diaken en kerkmeester Waalse gemeente, rijkscommissaris Entrepotdok, bestuurder en mede-oprichter van het instituut voor volwassen Blinden, bestuurder van de Stadstussenscholen en Burgerschool, gekozen lid van de raad van Amsterdam, moest wegens toenemende hardhorendheid bedanken
In een boek met jeugd herinneringen schreef Gédéon Jérémie: "Wij hebben zoo
geleden in den Fransche tijd! Amsterdam telde in 1813 ca. 25.000 inwoners minder
dan voor weinige jaren; overal stonden de huizen en pakhuizen leeg; daarbij in
October 1813 zeer veel faillisementen, den geheelen geldomloop in verwarring
bragten en menigen zeer gevoelige verliezen deed ondergaan. Men wist niet meer
aan wien men vertrouwen konden schenken. Was het wonder dat de handelaar juichte
toen de Algoede God uitkomst gaf… was het wonder dat de November maand van 1813
het herkrijgen van de onafhankelijkheid, de terugkomst van een vorstenhuis,
onder welk bestuur het vaderland zooveel voorspoed gekend had. In 1814 begon de
handel te herleven." (Maar het duurde zeker nog 10 jaar voordat alles weer
hersteld was). Uit dit huwelijk:Levenloze zoon 16 october 1817.
Uit het boek van Charles Boissevain:" 1817 16 oktober. Des avonds ten nagenoeg
half twaalf overleed aan de gevolge van herhaalde en hevige stuypen mijne teder
geliefde Echtgenoote . De nacht daarvoor kreeg zij hevige stuipen. Van een
welschapen zeer groot kind en zoon werd zij verlost, doch bleef buiten kennis.
1817 21 oktober werd zij begraven met haar kind in de linker arm gedrukt".
Haar man heeft jaren nodig gehad om hier over te komen. Hij hertrouwt met
Judith van Walree, geboren Amsterdam 25 februari 1804 in Amsterdam 15
juni 1826 Zij was een dochter van Nicolaas van Walree en Judith van Lennep. Na
slechts een paar weken getrouwd te zijn bleek dat zij tering had en
stierf 23 april 1827. Nu breken gelukkiger tijden aan. Hij trouwt op 11
juni 1839 Maria van Heukelom

Gédéon Jérémie Boissevain Maria van Heukelom
VI.1c Maria van Heukelom, geboren Amsterdam, 25 juli 1801, dochter van Walrave van Heukelom en Joanna de Clercq. Haar vader was een groot bankier en gaf haar dochter 40.000 gulden mee voor het huwelijk.
Uit het boek van Charles Boissevain: "Mijn grootvader (van Heukelom) was niet groot van gestalte, had sneeuwwit haar en vonkelende oogen. Ik herinner mij hem het best zoo als hij boven op den bok van de afrijwagen zijn vier zwarte paarden mende en ze door de Spanjaardslaan achter en tusschen de boomen door een kronkelweg deed opgaan. Een beminnelijke man met een plezierige lach, een beetje driftig maar zeer goed gehumeurd en die mij, zijn kleinzoon, bedierf omdat ik niet bang voor paarden was en op mijn achtste jaar goed op een hit bleef zitten. De gelukkigste herinneringen aan ons zomerleven in de jeugd gewekt door den enkele naam ''Duinvliet". Dat was het buiten tussen Overveen en Aardenhout tegenover Elswoud van de heer W. Borski en hen eveneens toebehoorende, waar wij de heerlijkste zomers sleten na 1852".Mijn vaders mening was het dat wij in ons wonderlijk bestaan van leven, liefde en dood, als wij wijs zijn en nieuwe beweegkracht willen vergaren, vroolijk moeten zijn.. Telkens als het even kan vreugde scheppende in zomertochten, in kinderen en bloemen in muziek, kleur en dans. Moeder was de ziel van ons gezin. Ze was zoo vol leven en beweging. Ze had een mooi gelaat en lieve donkere oogen. Mijn vader was reeder. Elken ochtend als hij bij het ontbijt binnen kwam, ging hij uit het venster kijken maar het haantje van den Westertoren, want hij was afhankelijk van de wind., lagen er schepen in het Nieuwe Diep die uitzeilen moesten dan was den oostenwind onontbeerlijk."
Mijn moeder heeft ons allen geleerd wat liefde vermag en hoe innig
vertrouwelijke verhouding van een moeder met haar jongens en haar dochters zijn
en blijven kan ook als ze opgroeien. En leerde ons waardeeren en bewonderen,.
want ze had een afkeer van critiseeren en gispen.. Ze was innig godsdienstig. De
eindeloze theologische disputen over het onverklaarbare en onbegrijpelijke
trokken noch mijn vader noch mijne moeder aan. Ook vonden zij iets onnatuurlijk
in dat eindeloos zelfonderzoek. En ze waren beiden even vredeliefend en hadden
en afkeer van theologische twisten " de ergste van allen teiden". Mijn vader
was altijd bezig. Hij zat dagelijks op zijn hooge kantoorkruk , totdat hij
tachtig was. Hij las zeer veel, bijna uitsluitend Fransch en het liefst
memoires. Levensbeschrijvingen en reizen"
Zijn vrouw Maria stierf in Overveen, huize Duinvliet 20 mei 1866, en Gédéon
Jeremie stierf in Amsterdam 14 mei 1875
Zij kregen 7 kinderen: Daniël , Walrave, Annette Jeane Henriette,
Jan , Charles (hieronder), Hester (tweelingzuster van Charles), Jacob
Pieter

Maria Boisevain-van Heukelom met haar drie jongste kinderen. Vlnr.: Charles, Jacob Pieter en Hester
VII.6 Charles Boissevain, Amsterdam 28-10-1842, 15:40 sterft in Naarden 5-5-1927, Zoon van Gideon Jeremie Boissevain en Maria van Heukelom.

Geboorteakte Charles Boissevain 28 oktober 1842 te Amsterdam, Herengracht 348. Ondertekent door zijn vader en als getuigen Eduard Constantin*) en Henri Jean Arnaud Boissevain twee jongere broers van Gideon Jeremie .
*) Eduard Constantin nam als vrijwilliger deel aan de Belgische veldtocht. Hij behoorde tot de kringen van het Reveil. In deze beweging speelde ook zijn zwager Willem de Clercq een belangrijke rol. Willem de Clercq was getrouwd met Caroline Charlotte Boissevain, de zuster van Gideon Jeremie Boisevain. Ook Eduards echtgenote, Emma Nicholls, was lid van deze rechtzinnige groep. Dit in tegenstelling tot de meeste andere familieleden, die een minder uitgesproken opvatting hadden. Interessant is de tekst van de instructies voor dienstboden en werkmeiden die Emma Boissevain- Nicholls in rond 1860 heeft geschreven. Het typeert goed de standenmaatschappij in Amsterdam halverwege de negentiende eeuw (zie link Emma Nicholls).
In 1865 liet Charles Boissevain, de latere hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, uit Londen een onbegrijpelijk geval op twee wielen komen: de vélocipède of loopfiets."Het is moeilijk te bewijzen', schreef Charles Boissevain eind negentiende eeuw, 'maar ik geloof, dat ik onder de allereersten geweest ben, die hier in Holland op een tweewieler gereden hebben.

Loopfiets
Toen ik in 1867 of 1868 mijn Bone-shaker - zooals die ratelende,
hossende, zware wielen genoemd werden - van Londen medebracht, hadden de heren
der douane zulk een raar werktuig nooit gezien. Opstijgende, reed ik naar het
station en de Rotterdammers keken mij met open monden aan, wat voor een
Amsterdammer een fier ogenblik was. Weldra kreeg ik echter een koolstronk
tegen het achterwiel. Dit veroorzaakte een minder fier ogenblik.'
Op verscheidene plaatsen in ons land gingen smeden aan de hand van tekeningen
uit het buitenland vélocipèdes fabriceren. In 1869 werd in Deventer de
rijwielfabriek Burgers opgericht

Charles Boissevain later op een driewieler ((1884)
J.L. Heldring beschrijft de levenloop van Charles Boissevain:
Boissevain volgde aanvankelijk de gebruikelijke loopbaan van een jongeman uit de
Amsterdamse gegoede koopmansstand: na de schooljaren (in zijn geval: lagere
school in Amsterdam, kostschool in Hilversum) onmiddellijk naar kantoor. In 1865
ging hij als secretaris van de Nederlandse commissie voor de internationale
tentoonstelling te Dublin naar Ierland, vanwaar hij, onder de schuilnaam
Fantasio, 'Iersche brieven' naar het Algemeen Handelsblad stuurde. Deze
vielen zozeer in de smaak dat Boissevain drie jaar later opgenomen werd in de
redactie van die krant, waar hij allerlei werk verrichtte: van verslaggeverij
tot bespreking van boeken en toneelstukken. Als recensent hanteerde hij meer de
maatstaven van ethiek en (een vaag soort) religie dan die van esthetiek en
werkelijkheid, wat hem de felle kritiek der Tachtigers bezorgde. Ondertussen
schreef Boissevain zelf ook boeken en was hij enige tijd (1872-1888) redacteur
van De Gids. Een bundel van voor dit maandblad geschreven artikelen,
uitgegeven onder de titel Onder de kastanjeboomen (Haarlem, 1880),
maakte Boissevain populair. Deze werd herdrukt en grotendeels in het Duits
vertaald. Bekendheid verkreeg hij ook door zijn Van 't noorden naar 't
zuiden (Haarlem, 1881-1882. 2 dl.), schetsen en indrukken van de Verenigde
Staten van Noord-Amerika, waarheen de krant hem op een reportagereis had
gestuurd (een novum in de Nederlandse journalistiek).In 1885 werd hij, samen met
A. Polak, hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad. Twee jaar later
begon hij met zijn rubriek 'Van dag tot dag', die hem tot de bekendste
journalist van het Nederland dier dagen zou maken. In die rubriek behandelde hij
allerlei onderwerpen die de aandacht van zijn impulsieve en romantische geest
hadden weten te trekken. 'Elken dag afwisseling, nieuwe denkbeelden, nieuw werk'
brengen - zo zag Boissevain zijn taak. Hiermee introduceerde hij een nieuwe
stijl in de Nederlandse journalistiek, die tot dusver, behalve wellicht in de
politieke hoofdartikelen, vrij saai was geweest. Boissevains optimisme en geloof
in Nederlands roeping in de wereld vonden weerklank bij de zelfbewuste burgerij
van een land dat zijn economische en sociale achterstand hard aan het inhalen
was. Zijn idealisme, soms grenzend aan donquichotterie, werd dan wel voor lief
genomen, evenals het feit dat hij tegenover de 'ijswaterdouche' van het
orthodoxe liberalisme liever het 'nieuwe inzicht van onze plichten jegens de
gemeenschap, vooral jegens de zwakken en onterfden', beklemtoonde. Dat laatste
betekende overigens niet dat hij veel begrip had voor het opkomend socialisme.
Met P.J. Troelstra en J.F. Ankersmit kruiste hij herhaaldelijk de degens. Maar
ook zijn polemieken met Abraham Kuyper waren beroemd. Zijn fel partijtrekken
voor Emile Zola (wiens naturalisme hij overigens verafschuwde) in de
zaak-Dreyfus en tegen Engeland in de Boerenoorlog vertolkte veler gevoelens in
Nederland, maar toen hij in de Eerste Wereldoorlog de onbeperkte duikbotenoorlog
van de Duitsers 'gewetenloos' noemde, ging hij, naar het gevoel van voorzichtige
landgenoten, over de schreef der neutraliteit.

Charles Boissevain in het tijdelijk kantoor van het Handelsblad
Zijn rubriek zette hij tot 1919 voort, lang nadat hij in 1908 het
hoofdredacteurschap had vaarwel gezegd. Overigens was hij in 1896 tevens
directeur geworden. Hij bleef dat tot 1916, toen hij commissaris werd. Van 1895
tot 1898 was hij ook voorzitter van de Nederlandsche journalistenkring.
Is Boissevain ongetwijfeld een vernieuwer geweest, die voor de gemiddelde
dagbladlezer vensters naar hem tot dusver grotendeels onbekende werelden
openstootte, zijn belletristisch journalisme had weinig diepgang, zijn
levensbeschouwing weinig vastheid. Niet helemaal ten onrechte sprak F. Netscher,
in een overigens lovend portret, over de 'buitenhuidsche opgewondenheid' van een
'licht ontvonkend lyricus'(p. 781). Maar Boissevains verdienste was dat hij,
behalve zelf vernieuwer te zijn geweest, altijd oog had voor vernieuwers die na
hem kwamen, ook wanneer hun stijl of zienswijze anders was dan de zijne, en
aldus de mentor was van een nageslacht van journalisten en letterkundigen. *).
Behalve
de reeds genoemde boeken: Ierland en de oorzaken van het fenianisme
(Amsterdam, 1868); Aan Holland's vrijwilligers [Amsterdam, 1870];
De Arpanjak (Amsterdam, 1877); Leven en streven van L.R. Koolemans
Beynen (Haarlem, 1880); Over de Alpen. Reisindrukken uit Zwitserland en
Italië (Amsterdam, [1888]); Dertig jaar uit het leven van generaal jhr.
G.M. Verspyck (Amsterdam, [1892]); The case for Holland (London,
1896); Van dag tot dag in het oosten (Haarlem, [1896]); Open letter
to the Duke of Devonshire (Amsterdam, 1899); The struggle of the Dutch
republics. A great crime. An appeal to the conscience of the British nation
(Amsterdam, 1900); Zonnige uren (Haarlem, 1904); Onze voortrekkers
[Amsterdam, 1906]; Het volk van De Ruijter. Toespraak [Amsterdam,
1907]; Tropisch Nederland. Indrukken eener reis door Nederlandsch-Indië
(Haarlem, 1909); Van dag tot dag. Verzamelde opstellen. Uitgezocht en
gerangschikt door L. Aletrino (Amsterdam, [1925]). Briefwisseling tusschen
dr. A. Kuyper en Charles Boissevain (Haarlem, 1898); Vaderlandsliefde
(Baarn, 1912). Debat met J.F. Ankersmit in serie 'Pro en contra' VII no. 8.
*).Dat blijkt ook uit het verhaal van een pionier, die een hoge fiets uit
Engeland haalde. "Het is moeilijk te bewijzen", schreef Charles Boissevain eind
19e eeuw, "maar ik geloof, dat ik onder de allereersten geweest ben, die hier in
Holland op een tweewieler gereden hebben. Toen ik in 1867 of 1868 mijn
Bone-shaker - zooals die ratelende, hossende, zware wielen genoemd werden -
van Londen medebracht, hadden de heren der douane zulk een raar werktuig nooit
gezien. .Bij deze eerste fiets,
ook wel "draisine" of "snelvoet" genoemd, moest de
berijder zich aan weerszijden van zijn rijwiel met de voeten van de grond
afzetten. Opstijgende, reed ik naar het station en de Rotterdammers keken mij met
open monden aan, wat voor een Amsterdammer een fier ogenblik was. Sommige mensen
scholden me uit voor "nietsnut" en bekogelden met koolstronken
Dit veroorzaakte een minder fier ogenblik"
Er zijn publicaties waar Charles Boissevain niet bepaald positief wordt
afgeschilderd
In een boek van Dr H.J.Scheffer : Henry Tindal. Een ongewoon heer met
ongewone besognes, Uitgave Fibula-van Dishoek/Bussum 1976, worden deze
schotschriften uitvoerig besproken.
" In de loop van december 1890 verscheen bij de voorman van de Sociaal
Democratische Bond J.A. Fortuyn, het pamflet 'Achter de Schermen! Onthullingen
uit onze "deftige kringen". Ze waren geschreven door Mevr. B., geb.T. en de
inhoud van de brochures lieten maar één conclusie toe: Willy von Barnekow-Tindal,
ten diepste gekrenkt door de wijze waarop haar familie en de Amsterdamsche
gegoeden haar echtgenoot en haarzelf hadden bejegend."
Volgens Scheffer is haar man de eigenlijke auteur. Scheffer vervolgt: "Dat von
Barnekow inderdaad de eigenlijke schrijver van de brochures was, blijkt ook uit
een brief, die hij op 6 februari 1891 aan Domela Nieuwenhuis schrijft.(… ) De
pamfletten zijn niet alleen een rijke bron van informatie over tal van personen,
zij geven ook een boeiend tijdsbeeld…de beschrijvingen van de feiten en
gebeurtenissen die ik heb kunnen verifiëren bezit een redelijk graad van
betrouwbaarheid. Grote voorzichtigheid is echter vanzelfsprekend geboden daar
waar een oordeel over iets of iemand wordt geformuleerd. Toch heb ik daarnaast
de indruk dat de typering, die van allerlei personen wordt gegeven vaak treffend
is".
Mevrouw von Barnekow is door de rechter veroordeeld voor haar geschriften en
heeft ze haar 30 dagen vervangende hechtenis uitgezeten in het huis van bewaring
aan de Heiligeweg te Amsterdam van zaterdag 15 december 1891 tot en met
donderdag 14 januari 1892.
In haar eerst brochure beschrijft ze de Amsterdamsche financiële wereld van
toen:"De speciale Amsterdamsche maatschappij,bestaat meestal uit geldmenschen,
die materiële rijkdom uitsluitend beschouwen als datgene ,wat macht en invloed
heeft. Zijn dan ook bijna alleen nog in den handel of in de een of andere zaak
en de leuze is en blijft :"geldverdienen". De Amsterdamsche deftige heer steelt
waar hij kan"
Ook Charles Boissevain ontkomt niet aan haar niet aflatende kritiek: (deel
II) " Waar zit in Amsterdam de impuls, van welke kring gaat de kracht uit, die
deze menschelijke reuzenapparaat in beweging brengt en hem zijn richting geeft.
Dat is zonder twijfel de handel. De handel is alles, neemt alles en onderdrukt
alles in deze stad met het ouderwetsche gezicht en het moderne hart. De
vertegenwoordiger van den Amsterdamsche handel tegenover het publiek is het
aloude Handelsblad , deze oude journalistische koffiezuster, wier nijdige
karakter reeds door de twijfelachtige geele kleur van haar uiterlijk uitgedrukt
wordt. De redakteur van dit blad, hetgeen, als ik mij niet vergis, in 't
algemeen onder de liberale pers gerangschikt wordt, heet Charles Boissevain en
hij is het aan wien het eerste deel van dit werkje zijn buitengewone
verspreiding te danken heeft. De weigering van het Handelsblad om "Achter de
Schermen" te adverteeren, bevestigde het succes van dit boek. Een hartelijk
woord van dank is dus hier wel op zijn plaats. De drie gracien hebben niet aan
de wieg van Charles Boissevain gestaan en nog veel minder gezweefd . De vrouw
die eens en voor altijd van God amor wil bevrijd worden, die eens een grondig en
afdoend "remede contre l'amour" wil nemen, die begeve zich eens op een mooien
morgen naar de redactie van het Handelsblad.. Wanneer de van den redakteur ze
niet voor altijd van haar kwaal geneest, dan is zij niet te helpen, dan is haar
lijden kronisch, ja ongeneeslijk.
" Een blinde hen vindt ook eens een korrel" en dit woord mag op deze vadsigen
revolverjournalist par excellance, die zich den geheelen dag met zijn
ellenlangen tong den ongewasschen mond belikt, wel toegepast worden, want betere
schotels dan de bovengenoemde zullen hem vemoedelijk in dit leven en op dat
gebied niet gepresenteerd worden.. Ook een vrouw heeft deze perspiraat en ze is
ook daarnaar. Op een reis in Ierland viel hij, zoo verteld de faam, van een rots
en moest gewond in het naaste huis gebracht worden. Hier werd hij door het
meisje verpleegd, die later het twijfelachtige genoegen had, zijn ega te worden".Er
zijn publicaties waar Charles Boissevain niet bepaald positief wordt
afgeschilderd

"Drafna" in Blaricum
Charles Boissevain trouwt in Woolston 27-6-1867 Emily Héloise
MacDonnell


Links: Emily Héloise MacDonnell en Charles Boissevain. Rechts: het gouden bruidspaar op de driewieler (28 oktober 1912)
Zij krijgen 11 kinderen:: Charles, Maria, Alfred, Robbert, Hester, Olga, Hilda Gerarda, Eugen, Petronella, Jan Maurits, Catherina

Charles en zijn vrouw met zes dochters v.l.n.r boven Olga,Hessie, boven onder: Nella, Mary, Teay, Hilda

De familie Boissevain op Drafna in Blaricum

De stamboom van de kinderen en kleinkinderen van het echtpaar Charles
Boissevain en Emily Heloise MacDonnell
(bijlage bij een geschrift van John Tepper Marlin 17 juni 1983 ter ere van de
75 ste verjaardag van Nella van Boetzelaer ,kleinkind van
het echtpaar Boissevain-MacDonnell
Enkele citaten uit zijn boeken:
Uit : Onze voortrekkers pagina 1-2 In mijn 64ste jaar, omgeven door elf
kinderen, zeven behuwdkinderen, ons dierbaar als ons eigen kroost, en 27 kindskinderen, zet ik mij neder, om u allen eens iets
te vertellen uit het leven der Boissevains. Geen ridderverhaal uit langverleden
tijden zult ge hooren, maar een geschiedenis van eenvoudige lieden die,
gehoorzamende aan de stem van het geweten, vervolging en mishandeling
trotseerden om God te kunnen dienen volgens hun heilig geloof en diepe
overtuiging en met levensgevaar en achterlating van alle bezittingen uit het
schoone land van Frankrijk vluchtten naar Nederland, waar ze een tehuis zich
maakten en het nieuwe vader land liefkregen. Moed, standvastigheid, karakter
toonden onze voorgangers - die ik gaarne, naar Transvaalsche zegswijze, onze "voortrekkers"
zou wenschen te noemen -- in den zwaren strijd om gewetensvrijheid te winnen
... Karakter, moed en standvastigheid toonden ze eveneens, toen ze zich hier
vestigden, en zonder haast, maar zonder rust, door arbeid, rechtschapenheid,
spaarzaamheid en velerlei gaven van geest en gemoed zich een eervolle plaats
verwierven in ons dierbaar Amsterdam, de stad eerst hunner keuze, later hunner
liefde. Van deze voortrekkers: Lucas, ]érémie, Gidéon ]érémie, Daniel en Gidéon
]érémie, mijn vader, en hun echtgenooten, de edele moeders van het geslacht, wil
ik een en ander u mededeelen uit den familie-bijbel, uit dagboeken, uit brieven
en uit mijn herinneringen. Dus hoop ik u het besef te geven van wat ge uw
voorvaders schuldig zijt, wat niet anders tot gevolg kan hebben dan den wensch:
hun dankbaarheid te toonen door den eervollen naam, dien ze ons achterlieten,
hoog en rein te houden.
Zulk besef voegt iets toe aan de waardigheid van het leven en eenigen bijstand
geeft het, als wij pogen van ons te weren dwaasheid en wat ons verlagen
zou.Gedurende enkele maanden heb ik het leven onzer voorvaderen medegeleefd.
Diep ben ik getroffen door la douceur et l'urbanité àes moeurs van al die
beschaafde, godsdienstige, werkzame mannen en vrouwen. .. door hun
verdraagzaamheid en goed humeur ... door de aandoenlijke schoonheid van hun
familieleven! Moge dit boek dien indruk eveneens wekken bij elk die het leest.
Wellicht kan het bovendien nog in later tijd de vaders en moeders van
toekomstige generaties der Boissevains eenigszins helpen om in hun kinderen te
bestudeeren wat een Fransch schrijver genoemd heeft: "les combinaisons
puissantes et mystérieuses de l'héridité". Maar boven alles moge wat ik van ons
voorgeslacht vertellen ga, u, mijn kleinkinderen, een beweegkracht zijn tot edel
leven en streven en tot handhaving van liefde en eendracht in het gezin. Een
verwijzing naar het verleden, die als vanzelve in prikkel voor de toekomst
verkeert, gehoorzaamt aan wat mijn vriend Mr. H. P. G. Quack met zoo heerlijken
gloed van welsprekendheid ons allen eens op het hart legde in zijn rede over
"traàitie en iàeaal".
Laat onze traditie ten allen tijde ons den weg wijzen de toekomst in!
Uit: "Tropisch Nederland"pagina 491-494
Als ik aan Tropisch Nederland denk en aan onze grootsche roeping en taak aldaar,
gevoel ik wat onze ware eereschuld aan de inboorlingen van den Archipel is. We
zijn hun verschuldigd ons gezag daar zoo krachtig te bevestigen, dat die voor
zelfbestuur nog niet geheel rijpe volken niet onder den dwang komen van andere
conquistadores, die, hetzij ze Europeesche of Aziatische zijn, onze ervaring
niet hebben, en niet zoo goed en eerlijk besturen zouden als wij doen. Onze
eereschuld kan slechts gekweten worden als wij toonen, dat wij nog regeeren en
bevestigen kunnen…. kan slechts betaald worden als wij onze beste jonge krachten
naar Indië zenden, om daar ons te vertegenwoordigen, en als koopman, als
nijvere, als militair, als ambtenaar voorbeelden te zijn van karakter en goede
trouw. Onze eereschuld wordt slechts gekweten als ons volk met groote
denkbeelden en geestdrift doordrongen blijft…. Want dan behoort ons de toekomst
in Europa en in Indië. Het eenige onontbeerlijke is, dat men wete, waarheen men
gaan wil, dat men zicht hebbe en een vasten koers. Niet overmoedig! maar vooral
ook niet angstig en aarzelend. Zelfvertrouwen is noodig aan zwemmers en aan
volken. En voor het overige zij dit de leus van allen, die de jeugd onderwijzen
en jonge mannen voorwaarts wijzen:" Ein Staat braucht Ideën, welche sein ganzes
Wesen durchdringen".Is er nobeler denkbeeld dan dat van Tropisch Nederland tot
zelfbestuur op te leiden en het intusschen te beschaven door gerechtigheid te
betrachten en tot voorbeeld te zijn?Het is zoo stil op zee. Ik hoor enkel het
plassend watergebons, als het schip rhythmisch nu over bakboord, dan over
stuurboord zachtkens overbuigt. Dit liquide, spoelend geluid maakt dat de groote
stilte te meer ons treft. Die stilte boven het effen zonverlichte blauwe water
is een der stemmen van de zee. Hoop en herinnering, de twee levenskrachten, wekt
die zachte stem! Mannen van groote kracht in denken en daden zie ik over dezen
grooten blauwen Oceaan naar het Oosten glijden in-Hollandse schepen..Geen vlag
glanst zoo mooi boven zee als onze driekleur!Geen volk kan beter en krachtiger
kolonisten en regeerders zenden dan de Lage Landen aan zee…. Mits de roepstem
van ’t Oosten gehoorzaamd worde door onze aristoi!
Van Venetië zeide Ruskin eens: " I write the history of a people compelled by
its position either to live nobly or to perish!"
Wij moeten zijn als de oude Venetiers! Wij moeten zijn meesters van ons zelven,
die dienaren van ons land…. Wij moeten schuwen de vermenging van ons Europeesch
ras met een lager ras…. Wij moeten geduldig zijn in tegenspoed, maar ongeduldig
voor alles wat karakter, eer en moed bedreigt. To live nobly!
O, Tropisch Nederland! Liefelijke, bevallige, schoone Creoolsche, gezond en
frisch en fier, en zoo onweerstaanbaar mooi met den Europeeschen blos op uw
zonnige, donkere teint en met uw vieil-or oogen, weergaloos zijn ge te midden
van al de prinsessen van het Oosten! Wij zijn uw ridders, uw kampioenen en
beschermers,…. Gij behoort ons niet, wij behooren u…. dwingt ons tot eendracht,
tot loyauteit en verhef ons!
"We must either live nobly or perish!"
Van ’t karakter, het zedelijk gedrag der heerschers over niet-christelijke
volken hangt af of het goed zal gaan in de wingewesten , die zich zelven nog
niet besturen. Een hoog ideaal van zedelijkheid en zelfbedwang worde gevolgd.
Door voorbeeld, door invloed ga men voor. Dus wekt men eerbied. Zeker, goede
manieren worden gevorderd in den omgang met inlanders, maar boven alles is
noodig dat wat goede manieren echt maakt, doordien ze weerspiegelen en uiten een
beschaafden edelmoedigen geest en een eerlijk karakter.
O, laat ons een hoogen, reinen standaard van zedelijkheid toonen aan de
inlanders.
Jonge mannen, ik wijs u het ideaal, en leve het Vaderland!
Toevoegsel: Mijn tante Engelien vertelde me 8 december
2000 over haar grootvader Charles Boissevain en over haar grootmoeder Granny.
Vader was gesteld op Charles en Grootvader was gesteld op vader. Hij was
Carmiggelt van het Handelsblad. Op papier was het gezwollen.. Het was de
tijdgeest. Iedereen vond het prachtig dwz van dag tot dag. Hij is blind
geworden. Grootvader was preuts en er was een gedicht dat begon "het was nacht
toen mijn moeder baarde",hij vond dat de meisjes dit niet mochten lezen. De
meisjes waren soms heel ondeugende en dan zeiden "het was nacht": en dan kreeg
grootvader een kleur. Hij had prostaat kanker. Er was een opmerking van
Jan den Tex: "Ja jouw grootvader leende van zijn broer (zwager Jan die vreselijk
rijk was) 1000 gulden om met een maîtresse naar Nice te gaan, dat was wel
gebruikelijk maar dat beeld paste niet in het beeld wat ik van mijn eerzame
grootvader had, het beeld werd zwaar verduisterd. Terwijl ik van mijn vader ook
begrepen had is hij als adelborst naar de bordelen gegaan..
Granny heeft dertien zwangerschappen gehad maar vond het heerlijk omdat ze tien
dagen in bed kon liggen. ze had natuurlijk genoeg personeel. Maar ik denk dat
Jan die grootvader heel wat heeft toegeschoven. Ook verkocht Grootvader
Boissevain soms stukken van Drafna als hij weer eens geld nodig had. Ook bij het
onderwijs aan zijn kinderen werd bezuinigd: de jongens gingen naar de z.g Franse
school, de meisjes naar de stadsschool, ik geloof een dubbeltje per week dat ze
zelf moesten meebrengen en maar Granny had niet altijd geld in huis en dan
hadden ze op school het geld niet bij zich, een groet schande! De ouders van
mijn grootouders MacDonnell hadden een slecht huwelijk.