Archief Familie de Booy
Fragmenten uit het dagboek van mijn grootvader Hendrik de Booy die betrekking hebben op zijn functie als secretaris, penningmeester en bestuurslid van de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij van 1906-1946
Ter inleiding
Tijdens de hevige storm van 14 oktober 1824 raakte het Nederlandse fregat De Vreede in moeilijkheden. Tijdens de tweede poging heeft de reddingboot met zeven man elf man van het schip in veiligheid weten te brengen. Tijdens de derde poging wisten zij de kapitein, de stuurman en de bootsman van het schip te halen. Maar tijdens de terugweg sloeg de boot om, alle redders en geredden verdronken op een na, de roeier Reindert Willemz Kruk.

Op 14 oktober 1824 strandde bij Huisduinen het fregatschip 'de Vreede'. Bij de derde reddingpoging verdronken op de terugtocht van het schip alle redders en geredden op een na, de roeier Reindert Willemz Kruk.
Door dit vreselijke ongeluk vond de Amsterdamse koopman Barend Spreekens, dat een goed functionerende organisatie nodig was voor het redden van schipbreukelingen langs de Nederlandse kust. Samen met vier anderen: advocaat mr Adriaan de Bruine, inspecteur loodswezen benoorden de Maas kapitein ter zee Jhr Hendrik Jacob Ortt, commandant Amsterdams Schutterij Joan Hodshon en assuradeur Abraham Fock stichten zij op 11 november 1924 de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschapij. De reden waarom deze maatschappij niet de hele Nederlandse kust betrof is gelegen in het feit, dat de inspecteur loodswezen Jhr Ortt zich niet op het terrein wilde begeven van zijn collega Jhr A.C.Twent, die de departementen van het loodswezen van Maas en Schelde onder zijn hoede had. Rotterdam volgde het goede voorbeeld op en kwam 9 dagen later op 20 november het zelfde jaar tot de oprichting van de Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen De rivaliteit tussen Amsterdam en Rotterdam is volgens mij de dieper liggende oorzaak. Misschien platvloers gezegd te vergelijken met de rivaliteit tussen Ajax en Feyenoord.

De Amsterdamse advocaat Barend van Spreekens , medeoprichter Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij 11 november 1824.
Maar na 166 jaar werd de fusie tussen de twee Reddingmaatschappijen een feit en wel op 23 mei 1991 werd de naam van de K.N.Z.H.R.M vervangen door de nieuwe Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM) . Ter gelegenheid van het 125 jarig bestaan werd het predikaat Koninklijke verleend. Zowel mijn grootvader als mijn vader hebben in de periode 1906-1963 hun diensten verleend aan de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij. Allereerst geef ik fragmenten weer uit de dagboeken van mijn grootvader Hendrik de Booy en vervolgens zal ik citeren uit de dagboeken van mijn vader H.Th. de Booy
Dagboek fragmenten H. de Booy 1906-1964

Hendrik de Booy (1867-1964), secretaris-penningmeester en bestuurslid Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij 1906-1946
1906
Toen ik in l906 werd benoemd tot secretaris van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij vond ik daar een bejaard inspecteur van het materieel, die Ouwehand heette. Kapitein W. Ouwehand kwam, zoals vanzelf spreekt, uit Katwijk en uit een geslacht van zeelieden. Hij had het tot kapitein gebracht.

Kapitein W. Ouwehand, inspecteur van het materieel N.Z.H.R.M.
In die tijd werden de zeilschepen met paarden getrokken door het Noord-Hollands Kanaal naar het Nieuwe Diep. Op de rede van Texel bleven de schepen, bestemd voor Indië, soms geruime tijd wachten op een gunstige wind, nodig om door het zeegat naar buiten en door het Kanaal te komen.
1908
Nov. telegram. Heden nacht schip gestrand Engelsche hoek, havenboot met sleepboot ter assistentie. Reddingboot bij het schip over kop geslagen, drie roeiers verdronken, schipper zwaar gekwetst vijf man van het schip gered, zeven man verdronken, kapitein en één man met gebroken been nog aan boord,. boot van paal VII gerequireerd.
(Redactie: In de avond van 23 november 1908 strandde de Italiaanse driemastbark Fernando .Op de vuurtoren Brandaris werden om één uur 's nachts de noodseinen waargenomen, maar het was niet doenlijk om bij het schip te komen. Om half zes nam een sleepboot de roeireddingboot op sleeptouw. Om acht uur kon de reddingboot met enorme inspanning het wrak naderen en vijf bemanningsleden overnemen. Toen de boot nog maar net bij het wrak vandaan was, werd de boot door een enorme grondzee rechtstandig over de kop geworpen. Van de zeventien man konden er veertien worden gered. Eén roeier overleed in zee, twee werden niet meer gevonden. Dit ongeluk bewees eens te meer de kwetsbaarheid van de roeireddingboten).

Schipper Klaas Knop van de reddingboot van West-Terschelling. Hij verloor bij de ramp zijn zoon (Archief KNRM)
1909
27 november. Heden mijn dagboek begonnen. Ik ben 42 jaar oud, ben thans schoolopziener in het arrondissement Amsterdam IV, secr. van de N. en Z.Holl. Reddingmaatschappij, gedeleg. lid v/h bestuur van het Concertgebouw en lid van de Raad voor de Scheepvaart.

Hendrik de Booy op het kantoor van de N.Z.H.R.M te Amsterdam (Archief KNRM)
3 dec. Vannacht hard gestormd. De wind is hedenmorgen weer ruimende. Harde
wind - storm. Gisteren vergadering Reddingmaatschappij voor het eerst onder
leiding van Den Tex. Het blijkt dat mijn werken als secretaris op prijs wordt
gesteld. Dat doet mij plezier. Ik verklaar mij bereid voorlopig alles te blijven
doen, zolang Ouwehand nog leeft (Kapitein W. Ouwehand, inspecteur van het
materieel.)
9 december. Naar Ouwehand, die gisterenavond en nacht heel veel bloed is
kwijtgeraakt. Ik vind hem uitgeput, erg erg moe, stervende. Hij bedankt mij en
zegt dat hij zo prettig heeft samengewerkt met mij, dat ik altijd zo aardig ben
geweest en op zulk een ongekunstelde wijze, dat ik me gegeven heb net als ik
was. Hij draagt mij het geld af wat hij nog in kas had van de
Reddingmaatschappij, spreekt over een pensioen voor zijn weduwe, hij zwaait net
vrij van de vermogensbelasting. Dan zegt hij mij, dat een wagen die gerepareerd
wordt door Taat, Vlieland dorp moet en de boot te Schiermonnikoog moet vernieuwd
worden en nog een, meen ik. Ik zal hem wel missen.
29 dec.. Ouwehand hebben wij op 17 dec. te Katwijk begraven. De arme man heeft vreeselijk geleden. De kist werd gedragen door de bemanning der reddingboot. Bootsman v.d.Plas en alle roeiers met hoge hoeden..
1910
14 januari. Ik krijg opperschipper Kon. Marine Van de Poll als assistent. 't Kan geloof ik niet beter.

Opperschipper van de Kon. Marine G.J. van de Poll, assistent van Hendrik de Booy (Archief KNRM)
20 januari. Gisteren vergadering Reddingmaatschappij en besloten motorreddingboot te laten bouwen, f 23000 ruim.
2 april. Ben met Six naar Moddergat en Schiermonnikoog geweest.
Burgemeester van Moddergat die met de reddingboot op een oefening meegaat:
"Bootsman, je bent nu deftig uit, nietwaar?" Bootsman:"O, ik ben al zo
dikwijls met Burgemeesters en zulk rommel fort west".De Prins (red prins Hendrik gemaal van
Koningin Wilhelmina)
wil overal oefeningen bijwonen. Ik vind die hoge belangstelling wel wat lastig.
21 aug. Borkum Hier ben ik gestrand en ik moet naar Rottum maar kan er niet komen. Harde WZW wind. Gisteren poging niet gelukt. Bootsman Akkerman keerde halverwegen weer om. Vandaag weder een poging. Kolossaal vervelend. Er zijn hier slechts Duitsers. Gisterenavond bij Pastor Sluiter, de secretaris van de plaatselijke commissie der Reddingmaatschappij. Van Borkum gingen vroeger vele mensen als commandeur op de Hollandse Groenlands visserij en de visserij op Straat Davis. Vandaar nog vele walviskaakbenen, om het huis van Sluiter staan er zestig. Oost Friesland behoort tot de geref. kerk en ontving vroeger zijn Lehrer uit Holland. Vandaar dat vroeger ook op Borkum op de scholen 's morgens in het Hollands en 's middags in de Duitse taal werd onderwezen. Later werd het 's morgens Duits en 's middags Hollands en later alleen bijbellezing in het Hollands. In de kerk werd vroeger alleen in het Hollands gepreekt, doch in l856 werd het verboden. Toen is er nog een tijd geweest dat men wel in het Duits predikte maar Hollands zong omdat de gezangboeken nog Hollands waren. Op Borkum zijn geen Joden. Ze worden er zelfs 'weggepest' als zij komen. Het Borkumlied, waarin voorkomt: "Wer hat platte Füsse und Krumme Nase, der soll hinaus."
20 november. 9 nov. heb ik met Goedkoop de Brandaris naar Terschelling gebracht, de volgende morgen ging Goedkoop weder terug naar Amsterdam, ik bleef en oefende 10, 11, 12 november met stormweder met de Brandaris. Deze hield zich uitstekend. Dat zijn aangename herinneringen in een mensenleven. Toen wij het Thomas Smitgat uitkwamen door de branding, gingen op de sleepboot die er buiten lag alle mutsen en petten in de hoogte.
1911
10 februari. Vandaag Raad voor de Scheepvaart, onderzoek stranding Erica. Interessant.
29 maart. Vandaag naar Hindeloopen. Als ik daar kom en in het ouderwetse karretje van Elselo stap dan voel ik mij verplaatst in een tijd die een paar eeuwen geleden is. En die indruk werd nog versterkt ten stadhuize waar ik in de burgemeesterskamer den Burgemeester van Avenhoorn van Nauta nog gezeten vond tussen zijn twee wethouders, stokoude maar krasse mannen - ik schatte ze op 80 à 90 jaren, een hunner wandelde met een vervaarlijke stok, en in gezelschap van den opzichter der gemeente, een man met een pruik op en een gezicht alsof hij zo is komen wandelen uit een schilderij van Van Eyck of Matsijs. De burgemeester is niets waard. Hij ziet op tegen alle werk. Ik vind Elselo niet ongeschikt. Hij liet echter duidelijk uitkomen dat ik door mijn vroege vertrek, ik ging weder heen met de trein van 1.44, een slechte klant voor hem was geweest.
1, 2 en 3 juni. Op Texel met den Prins (Red. Prins Hendrik). De Prins is een zeer weinig ontwikkeld man, niet ontbloot van gezond verstand, wel sympathiek, zéér eenvoudig. Toen wij te Koog aankwamen juichte het volk hem toe. Hij steeg uit het rijtuig en ... ging een plasje doen tegen een heg. Het gejuich verstomde. Toen hij klaar was begon het weer. Een kat op Rottum was te Riga aan boord van een Hollands SS gekomen. Dit SS liep in het Kattegat op een mijn, de equipage met de kat kwam in een sloep aan wal op Skagen. De kat werd overgegeven aan een Hollandse tjalk De Zwerver, deze strandde op de Rottumerplaat. De kat liep de hele Rottummerplaat over en zit nu op Rottum en spint. Het spijt hem zo dat alle eilanden nu door hem gezien zijn.

Prins Hendrik aan boord van de Brandaris I (in wit gekleed) (Archief KNRM)
1912
11 januari. Ik kwam 's avonds in het donker te Oudeschild aan en kroop op de ouderwetse diligence naast den ouden voerman Jan Kalis die al 49 jaar op de bok van dat voertuig zit. Zo reden wij naar Den Burg, achter ons van tijd tot tijd de vrolijke tonen van de hoorn des postiljons, die met de postwagen volgde. 's Avonds visite gemaakt bij den burgemeester Gaarlandt, die voorzitter geworden is van de plaatselijke commissie. Gaarlandt is in het Indische leger geweest, is zwaar gewond bij de omsingeling van een huis in Atjeh. Een marechaussee schoot hem door het hoofd (hij mist één oog en de Atjeher die uit het huis kwam gaf hem nog een klewanghouw en een por met een rentjing).
12 januari, naar De Cocksdorp met Metz per auto. Daar gesproken met Buys over de plaats van de nieuwe boot voor Eierland en een bezoek gebracht aan de vuurtoren. De lichtwachter, een kromgegroeide oude zeeman, drukt zijn spijt uit over het niet stranden van een stoomschip dat gisteren vlak voor de kust moet geweest zijn, ook over het niet stranden van het zeilschip dat op 1 october vlak bij de gronden is geweest. De auto kan op de terugweg plotseling niet verder omdat er geen benzine meer in is. Met Metz gewandeld naar Oudeschild en vandaar weder met de auto naar Den Burg. De paarden zijn hier nog erg bang voor de auto. Er zijn hier twee auto's.'s Avonds gegeten bij Gaarlandt, die een lieve vrouw heeft. Gaarlandt is een flink ventje, dat wel in de smaak valt te Texel. Een gezellige avond. Mevr. Gaarlandt speelt heel aardig piano van Liszt en Chopin.

Reddingbootstation De Cocksdorp opgericht in 1912 met de reddingboot Eierland (Archief KNRM)
2 februari. Het vriest de laatste dagen weder geweldig maar ik waag het toch om naar Terschelling te gaan. Ben daarom donderdag naar Leeuwarden gegaan omdat Enkhuizen-Stavoren tot nader order gestaakt is. Vrijdagmorgen naar Harlingen, 's avonds vergadering van de commissie te Terschelling. De volgende dag in harde vorst en sneeuwstorm naar Midsland gewandeld, de weduwe Spanjer opgezocht en de smid Swart, naar aanleiding van de sollicitatie naar motordrijver Brandaris van zijn zoon, ook de nieuwe bootsman Dekker van Midsland opgezocht. Bij Swart speelt het dochtertje wat voor mij op de viool.
13 maart naar Scheveningen om een voordracht te houden over het Reddingwezen. Heb daar gelezen voor een 200tal schippers van bommen en loggers, de plaatselijke commissie was er ook - heel aardig. Ik ben 's nachts half twee teruggekomen van Scheveningen.
20 maart. Naar De Cocksdorp. Te Oosterend op Texel woont een oud man die als jongetje alleen in een boot uit zee is komen aandrijven. Hij was Engels, men noemde hem toen maar de "Boy". Hij wordt nu genoemd Simon de Booy.
31 oktober. Naar Nieuwediep waar de vlet bezichtigd met het oog op aanbrengen luchtkisten.
14 dec. Naar het boothuis om de nieuwe vlet voor Gaast te zien, een heel mooi vaartuig. Op het Mariniersplein spreekt een licht beschonken bootwerker met gunstig voorkomen - een grote knappe man - ons aan en biedt sigaren aan, die ik en v.d. Poll niet aannemen, toen bood hij zijn hand aan, die wij ook niet aannemen en vraagt van wat voor klasse of wij zijn. "Ik ben van alle klassen" zegt v.d. Poll. Of wij er wat voor zouden voelen dat hij wat meer kreeg, zei de werkman. Thuisgekomen speet het mij dat ik zijn hand niet aangenomen had. Hij leek mij een flink eerlijk man. Waarom heb ik die hand niet aangenomen. Omdat ik het gek vond of omdat ik huiverig was dien man, die een beetje dronken was, de hand te geven?
1913
Zaterdag 8 febr. Naar Scheveningen met Tom om te kijken naar de Ingeborg, die ± 3 km benoorden Scheveningen is gestrand, en waar onze motorreddingboot de mensen van gered heeft. Prachtig en interessant gezicht!
Maandag 10 febr. Toen ik gisterenavond thuis kwam vond ik een telegram van Bakker uit Scheveningen meldende de redding met grote moeite van 8 man van een op het Noorderhoofd gestrande logger door onze motorreddingboot. Ik ben daarom vanmorgen vroeg naar Scheveningen gegaan, heb de mannen toegesproken, beloningen en medailles toegezegd en heb de plek gezien waar het schip strandde. Het schip is dadelijk uit elkaar geslagen en het is een wonder dat de mensen gered zijn.

W. Bakker, lid van de plaatselijke commissie Scheveningen. Groot voorstander van de bouw van de mrb Rutgers van Rozenburg in Scheveningen
Dinsdag 11 maart. 's Morgens 7 uur naar Zwolle, vandaar per boot naar Zwartsluis, vandaar per fiets naar Vollenhoven, vond daar Arie de Boer en Harmen Visch, voorzitter en secr. der afdeling Vollenhoven van de Visschersbond Juliana. Arie de Boer in een costuum dat ik nog niet gezien had, het lijkt op het costuum der Urkers, maar verschilt er van, en hij legt mij uit dat het het costuum van Schokland is dat in 1856 (?) verlaten werd. Hij werd 1½ jaar later geboren in Vollenhoven. Hij en nog een paar anderen zijn de enige overblijvenden die nog het costuum van Schokland dragen. Naar de boot gegaan die zij gekocht hebben, 't is een lelijke ijzeren bak. Ik betaal hen f 170.- als bijdrage van de Reddingmaatschappij. Het woei hard uit het Westen. Van Vollenhoven gefietst tegen de wind in via Blokzijl naar de Lemmer, waar ik 6 uur aankwam. Daar intrek genomen in het aardige ouderwetse hotel De Wildeman van Faber. Ik ruik te Lemmer dadelijk bokkum en bestel dat aan tafel. 't Is het enige dat eetbaar is.
Woensdag 12 maart. 's Morgens weer vertrokken van de Lemmer, gefietst door Gaasterland en over Galamadammen en Koudum naar Hindeloopen en daarna naar Gaast. Prachtig weer, weinig wind. Boothuis ingewijd met een paar woorden, met de vlet in zee. De bemanning wat les in het roeien gegeven. De vrouwelijke bevolking helpt de boot weder in het huis hijsen. Daarna koffie en grote tulband bij Van der Leij en feest in de school [...] 3 uur 45 naar Workum, 4 uur 30 per trein naar Stavoren en Amsterdam.
Z
ondag 30 maart. 12 uur naar Callantsoog wegens grondruil. Gefietst van Schagen, daarna met Burg. Hulst naar Callantsoog gereden in een wagen. Prachtig weer, mooie lucht, prachtig en prachtig. Het gezicht op de Zijpe polder, op de duinen, op de zee!! Nooit moeten wij ons laten inpalmen door de Duitsers!16 sept. Naar Vlaardingen en Katwijk. Overal haringlucht. 3de klasse gereisd. Katwijk sterke haringlucht in de tram. Twee kloeke Katwijkse vissersvrouwen. Een smeerde haar broodje met de vinger. Daarna in de volle tram vouwden ze hunne handen en baden voor het eten, lang en ernstig. 't Waren nog jonge vrouwen.
1914
13 januari. Het hotel Phoenix te Leeuwarden is uitstekend, alles wat men wenst, netjes, huiselijk en uitstekend eten. 11.53 naar Harlingen, 1 uur naar Terschelling. 's Avonds naar Midsland gewandeld. 1 uur bezoek burg., en echtgenote, 11 uur 45 terug te Terschelling West. 's Nachts te weinig dekens, koud. bultig bed. Welk een beroerd hotel is dit toch. Moeder Swart is toch een bijzonder flinke vrouw. Als vroedvrouw helpt ze behalve haar gewone werk nog ca. 45 kinderen p.j. in de wereld komen.
1
4 januari. Flinke vorst, fraai weder. 9 uur met de Brandaris door Thomas Smitgat en terug door Hansegat. Veel branding op Eng. hoek. Wind ONO SK [stijve koelte]. Cupido [schipper van de Brandaris] heeft het weer over het niet hebben van meer reservedrijfvermogen, wil verlichting, zo mogelijk electrisch. Waterballastpomp zou tevens kunnen dienen voor leegpompen achterste afdeling (verblijf) door aanbrengen van een spruit (idee Swart).12 uur binnen. 1 uur 30 naar Kaart schaatsengereden. 4 u. viool gespeeld met juffr. Wilkens, 6 u.30 op de toren beproeven seinlichten.7 maart. Ik moet morgenavond naar Schiermonnikoog, kan niet zeggen dat ik er erg naar verlang. Zal mijn viool mede nemen. Wilkens heeft de Brandaris gebruikt voor particuliere zaken, heeft een standje gehad, ik ben benieuwd of hij ontslag zal nemen uit de commissie.
23 juni ben ik jarig. Ik word 47 jaar, ben: oud luit. t/z 1e kl., pensioen 1254,00, schoolopziener 1000,00, secr. NZHRM 3000,00.Lid raad beheer Bouwmij.
18 dec. vertrok Talma en bleef ik nog te Rottum, had een onderhoud met de Voogd en met Romswinckel over de motorboot die we gaan bouwen.
1915
4 nov. heeft de Brandaris een Duitse onderzeeër te Terschelling binnengesleept, hij wordt geïnterneerd. Hoerah!
1916
8 juni 1916. ½ 2 vergadering van de twee Reddingmaatschappijen in het Scheepvaarthuis, in de mooie vergaderzaal. Kort vergaderd en toen het Scheepvaarthuis gezien tot boven op het dak waar een mooi uitzicht op Amsterdam. Met een motorboot van de Nederland naar Zaandam en Wormerveer langs al die fabrieken. Bij Zaandam het aantal molens nog maar een 15tal. Diner heel goed en de wijn ook goed. Couvert f 8.- zonder wijn. Six weet op alles een stempel van verveling te drukken. Over de Reddingmaatschappij en haar werk maar heel weinig gesproken. Het gesprek op laag peil. Hummel vermakelijk. Na het diner met Six en Hummel naar Polen, een paar glaasjes bier gedronken. Hummel zegt dat alles wat hij nu gezien heeft van de oorlog hem erg het land heeft doen krijgen aan het militarisme, dat hij liever zijn zoons de benen zou breken dan ze in de Marine laten gaan enz. enz. Militairen noemt hij een noodzakelijk kwaad, maar ik vraag hem, als het noodzakelijk is, is het dan een kwaad? Geen antwoord, evenals op zovele vragen die je jezelf tegenwoordig stelt. Het aardigste van het diner was ongetwijfeld het biertje met Hummel bij Polen.
4 augustus. Vanavond zitten werken aan een overzicht van de financiële toestand der Reddingmaatschappij van l906 - heden, waaruit duidelijk grote vooruitgang blijkt. Ik doe dit ten einde klaar te zijn voor het geval Six mij aanvalt
10 sept. Op de vergadering Reddingmaatschappij van gisteren werd mij
hulde gebracht wegens de toenemende financiële bloei der Reddingmaatschappij.
Dientengevolge werd het salaris van de boekhouder van f
400.- op f 800.- gebracht, hetgeen hij dus aan mij te
danken heeft.
2 october naar Delfzijl, hotel De Beurs, en de volgende dag conferentie met
de Voogd van Rottum die ik had laten komen bij de heer Eybergen. Met hem
gesproken over de verankering van de motorreddingboot door middel van een boei.
Hij zegt mij toe een tweetal zware stenen en de ketting voor de boei (15 vadem)
als ik de boei naar Zoutkamp zend. Daarna 's middags met Voogd van Rottum naar Appingedam gefietst naar de fabriek van Brons. Deze is timmermanszoon, was zelf
timmerman, doch heeft helder verstand en daaraan te danken z'n uitvinding van de
Bronsmotor. Ook z'n vrouw geheel op de hoogte van motoren. Met haar besprak en
bedacht hij dan 's avonds de verbeteringen die hij er geleidelijk in aanbracht.
Nu heeft hij een grote fabriek die thans weer wordt uitgebreid en zoveel
bestellingen dat hij de eerste 2 jaren vol werk is en geen bestellingen meer
aanneemt omdat hij met het oog op de oorlogstoestand niet weet welke prijzen hij
moet vragen. Zag grote 4 cil. motoren voor sleepboten die naar Indië gaan en zag
deze in werking met de reminrichting. Terug langs het Damsterdiep, zagen vandaar
een aantal Zeppelins, waaronder zeer grote, boven de zee. In Engeland is er weer
een omlaag geschoten. Theegedronken bij de vrouw van de Voogd, waar Toxopeus zijn neef Mees
Toxopeus laat komen, dien Toxopeus wenst als schipper van de motorreddingboot.
Hij beschrijft hem als "een woeste kerel maar zeer bedaard".
31 october. Naar Terschelling. [o.a. wegens een redding door de Brandaris].Visser voordien gesproken, enthousiast over Cupido (de schipper van de Brandaris). Zijn stem klinkt door alles heen, hij commandeert nooit meer dan eenmaal. Grote kalmte en absolute tegenwoordigheid van geest, weet dadelijk wat te doen.
1 november. Wij hebben veel tijd nodig voor de tocht van Terschelling naar Vlieland door de vele omwegen wegens mijnen.[...] Naar burgemeester op Raadhuis. Deze klaagt over de vele tochten naar de Hors. Gisteren is de burgemeester op de Hors bij het terugkomen overvallen door de vloed en wandelde weldra tot de buik in het water. Een der paarden moest bijna zwemmen. Slufters moesten doorgestoken worden, er zijn er nu 3 à 4. Naar overste Timmermans. Hij woont in het oude huis van meester Westra en ik praat met hem over het medenemen van militairen in de reddingboot enz. Hij staat niet toe dat ik het "fort" ga zien op de Oostkant. Daarna naar de heer en mevrouw Akersloot (5 uur) die mij in het opkamertje van het Tromp's huis ontvangen, alleraardigst. Zij raken beiden in vervoering als ze spreken over het bezoek van de Koningin aan hun huis. "U weet misschien", zei hij, "we zijn mensen van de Schrift, wij beiden geloven dat elk woord van de Schrift waar is. Ons gehele leven hebben wij 's ochtends en 's avonds gebeden voor het Koninklijk Huis. Er staat in de Schrift: God neigt de harten der Vorsten, dat wil dus zeggen" (en hierbij richt hij z'n interessante kop op en kijkt mij aan - een aardige kop met die lange witte haren) "dat wil dus zeggen dat er een bijzondere gemeenschap bestaat tussen God en de Koningin, dat de Koningin dus aan niemand op aarde verantwoording schuldig is en dat geeft aan zulk een bezoek zulk een heel bijzondere wijding en zulk een hoge betekenis, 't is iets voor ons hele leven".Hij is iemand die in een roman thuisbehoort, een ouderwetse zeer vormelijke fijnbeschaafde heer van goede familie en - een zonderling waarschijnlijk.
2 november. Op om 7 uur. 8 uur per postkar met Blom naar posthuis, aankomst 9 uur en vandaar met Sieben op de postkar naar de postboot over de Hors. Blom vertelt van Akersloot hoe niemand eigenlijk weet of hij goed is of kwaad. Sieben vertelt dat de voerlui met de paarden bij de laatste stranding, op punt Hors, waar alle mensen van boord zijn gelopen, niet op de Hors zijn geweest, hij had het beter gevonden zo zij althans een wagen de Hors op hadden gezonden en ik vind dit ook. Het hebben van een voerman in de Commissie is wel een nadeel.10 uur in de postboot en 10 u. 15 vertrokken, ½ 12 aan de wal op Texel.
Vrijdag 3 november. Mist. diligence, boot - admiraal. Met admiraal gesproken over de kwestie Reddingmaatschappij - militair gezag. Hij zegt dat hij van mening verschilt met de opperbevelhebber. Deze had gewild dat in het geval van de Loch Ryan a/b Brandaris militairen waren geweest, terwijl volgens admiraal de order was dat dit slechts moest gebeuren als bepaaldelijk bleek dat dit nodig was. Uit de aanwezigheid van een lichtje onder de kust blijkt de noodzakelijkheid nog niet, volgens admiraal. Verder was het tot dusver de order dat het materieel (torpedoboten) 's nachts niet mocht uitgaan omdat dan alle lichten moeten worden ontstoken. Ik uit de wens dat gewapende trawlers of sleepboten worden gebruikt. Geef ze me maar, zegt de admiraal, maar wat belangrijker is: hoe krijg je het volk dat zo vertrouwd is met de gronden dat ze er 's nachts bij elke gelegenheid mee kunnen uitgaan. Ik wijs op de aanwezigheid van bekwame loodsen te Terschelling, maar kom in deze niet verder. De admiraal zegt nogmaals dat de regeling niet van hem komt, beaamt dat het een minderwaardige regeling is, maar dat ten slotte op het ogenblik de reddingboten de enige vaartuigen zijn waarmede de verlangde diensten kunnen worden verleend. Hij zegt: nu moet u eens niet secr. van de Reddingmaatschappij zijn, maar luitenant ter zee, dat bent U immers ook!
1917
24 juli. Gisterenavond teruggekomen van Rottumeroog. Te
Rottum prachtig, maar ellendig om te zien hoe wij daar beledigd worden door den
Mof, die het gehele Huibertsgat heeft ingepikt enz. enz. enz. De motorboot heel
goed. Alles op Rottum maakte een heel gunstige indruk. Mooi het land in Groningen. Wandelde van Noordpolderzijl naar
Usquert. Ik ben zo rood gebrand als een kreeft.
1918
29 mei ging ik 's avonds ½ 12 per nachtboot naar de Lemmer, sliep daar op een bank met een kussen. Heel vroeg ongeveer 5.15 te Lemmer en in het hotel wat gegeten in de tuin, later op het hoofd zitten schetsen, de binnenkomende ansjovisvissers en daarna 9 u. naar het Raadhuis, waar gesproken met secretaris Daan en wethouder De Vries over reddingstation te Lemmer, later met havenmeester naar werf De Boer, waar mooie driemastschoener gereed was en daarna heerlijke bot gegeten in hotel en eindelijk met zak op rug om 12.15 op weg naar Hindeloopen, rechte weg, eerst langs boezemgemaal, vervolgens Takozijl, een brug, een molen, een sluis en een paar huisjes, naar Sondel, prachtig het landschap, vol kleuren de zuring, klaver, het gras, veel vogels, de blauwe lucht, in de verte mijn vriend "Sloten" en "Balk" met herinneringen aan het Slotermeer, en Lemmer nog heel duidelijk zichtbaar in de verte, vervolgens langs Nijemirdum met z'n toren, Oldemirdum naar Rijs in Gaasterland, waar de Belgische interneringskampen zijn, die er goed uitzien, veel Belgen kom ik tegen. Wat wordt mijn zak zwaar. Te Rijs uitgerust en een glaasje bier gedronken in een café waarvan een Belgische soldaat de gérant schijnt te zijn, dan zie ik eindelijk de Morra links van mij en kom moe te Galamadammen. Boersma is juist vertrokken en een nieuwe familie die Hoekstra heet is in het huis, en ofschoon alles nog in wanorde is geeft men mij eieren en sla en aardappelen en bier. Een lieflijk gezicht op de Fluessen waar juist een schip op zeil naar Galamadammen. Ik ben moe en geef al de koek die ik te Lemmer kocht aan de familie Hoekstra, aan de aardige jonge vrouw en aan de kinderen en de jonge meisjes en aan de oude statige dame met de gouden kap met het regelmatige gezicht en de zwarte japon. En omdat de logeergelegenheid nog niet in orde is besluit ik maar door te lopen nog een 8 kilometer verder naar Hindeloopen. Zo trek ik door Koudum, het lieflijkste dorp dat ik ken en kijk een tijd lang naar het mooie landschap van het hoge land buiten Koudum. Daar ziet men overal in de rondte op het land neer, op de Fluessen in de verte en het is een pracht van tinten en een zeer vredig tafreel. Dan weer doorgewandeld, moe door de zware zak en nog langs een vaart zonder eind, wel 3 kilometer en eindelijk te ½ 10 te Hindeloopen, in het hotel Buis. Daar nog wat gepraat met Ids Simonides die ik laat komen, en vroeg naar bed. De hele wandeling was 33 kilometer, niet zo ver, maar 't was de zware zak die me moe maakte.
30 mei. Heerlijk geslapen en verrukkelijk ontbeten: lekker brood, lekker roggebrood, lekkere kaas, lekkere jam en lekkere boter. Een mooie wandeling over de dijk heen en terug, 20 kilometer, niet zo ver maar wat moe van de vorige dag.Bij terugkomst in Hindeloopen vergaderd met de Commissie, voorzitter Ids Simonides en Jan Jacob Kooi. Elselo kwam niet. De kwestie van de oefeningen geregeld en van de vaste bemanning. Kooi is nu 78 jaar oud en nog steeds barbier. Hij scheert 2 x per week voor de Hindeloopers, is vlug in zijn bewegingen als een jonge man. Ik herinner aan de brief van de oude Elselo over Kooi, waarin hij dezen aanbeval als een "kloeke knaap, 74 jaar oud, die de puntjes op de ie kan zetten" en Kooi merkte op dat Elselo alle reden had om hem een kloeke knaap te noemen, want dat eens, toen hij 28 jaar was, Elselo hem bij de jas had gepakt om hem uit het café te zetten en dat hij toen zich voorovergebukt had, Elselo bij zijn broekspijpen had gepakt en hem over zijn eigen hoofd had geslingerd. Dat was een kunstje dat hij op de Engelse schepen had geleerd en het was een wonder dat Elselo er goed was afgekomen. Gedineerd met den burgemeester Avenhorn van Nauta met een fles Haute Sauterne. Een zonderling. Hij is van goede familie, ongehuwd, 51 jaar oud, houdt van jagen en vissen en dat is zowat alles. Vroeg naar bed en
31 mei ½ 4 op en naar het huis van Foppe Vrolijk, die nog niet klaar is en met hem en zijn zoon in de jol naar zee om de ansjovisnetten te lichten. Elk net is 7 vaam lang en gewoonlijk zijn er aan een reep 5 netten, maar Foppe V. heeft er 6 omdat hij, volgens zijn zeggen, ankers gebruikt en geen dreggen. Aan beide einden van een reep 16 vaam touw en een joon (?). Vrolijk had ... netten en we hadden deze morgen ongeveer 2000 stuks ansjovis, dus heel weinig. Van het koppen van de ansjovis krijg je gezwollen handen. Er is heel veel ansjovis. De eerste 3 weken werd te Hindeloopen aan 36 vissers 40.000 gulden uitbetaald. De ansjovis zal dit jaar heel veel geld onder de vissers brengen, evenals de haring het deed. Terug ½ 8 ontbeten en daarna boothuis geïnspecteerd, vervolgens naar bakker Elselo en naar de weduwe Elselo. Deze weer levendig, aristocratisch, de oude 86jarige vrouw met haar slappe strooien zwarte hoedje en de grote bril, zittend in de tuin van het huisje bij het hek. Zij vertelt van de tijd toen zij een jong meisje was, toen men Hindeloopen niet verliet. 't Verst was Workum met de kermis en dan Bolsward op schaatsen, en hoe zij in het Hindelooper boek heeft gelezen hoe hier veel kapiteins woonden wier schepen dan op de reede lagen, die van Amsterdam op de Oostzee voeren en die veel welvaart brachten hier. En dan sprak ze van de gevangenen die de Duitsers nu weer gemaakt hadden, 25000 en ze geloofde het niet, "dat zou 25 maal Hindeloopen zijn", zei ze.
12 juni. Avonds te Terschelling. Vergadering met de Commissie - het geval; Cupido-Duif (83 jaar), over schepen met weeflijnen in het bramwant en over de schepen van de Japanners. Overste Brugmans, Cdt. Maritieme middelen, over luit. t/z Brouwer, die 2 mijnen zwemmende onschadelijk maakte. De mijnen in het Stortemelk zijn Engelse onderzeebootmijnen die verkrabt zijn en nu met laagwater boven komen.
13 juni. Met Wilkens per rijtuig (huifkar) de stations paal VII en Oosterend bezocht. Te Midsland tijdsein dat gehesen wordt om ½ 12 en blijft hangen tot ½ 2 voor de schoolkinderen die in het veld zijn. Te Oosterend Smit, flink als altijd, wordt wat doof, spreekt over voordeel korte boven lange riemen. Te Midsland is de schooljuffrouw op straat bezig met vrije en orde oefeningen.
1919
8 febr. Naar Beverwijk voor de overdracht van een stukje land van de Mij "E Pluribus Unum" aan de Reddingmaatschappij en het blijkt bij het verlijden van de akte dat ik de verkoopvoorwaarden slecht of niet gelezen heb, tengevolge waarvan een bepaling wordt opgenomen in de akte die nadelig is voor de Reddingmaatschappij. Hieruit blijkt weer wat ik eigenlijk toch een prul ben. Het geval geeft mij veel zorg. Zal ik Six er mededeling van doen of niet? Welk een lamme indruk zal het maken op Six en de anderen. Ik vind het beroerd. Misschien zie ik de zaak als te zwaar in.
December.Weinig dagboek ingeschreven, als ik denk aan de laatste 2 maanden, dan denk ik aan bezoeken aan Terschelling, aan Rottum, aan Delfzijl enz. Op Rottum is het magazijn der NZHRM nu voorzien van een bord waarop Villa Engelina, ter ere van onze Engelina. Deze laatste is een vermakelijk wezen, erg veel wil, herig, buitengewoon bijdehand, goede memorie, kent alle versjes, zingt Piet Hein enz. enz.
1920
2 april Gisteren te Baarn bij OptenNoort, bij hem gebedeld voor de Reddingmaatschappij en
f 5000.- gekregen6 mei. 's Morgens 11 uur te Harwich. Kruiser Dunedin, een nieuw schip, oude kruiser Blake, heel veel oud roest, van de oorlog. Naar Liverpool Street station en vandaar naar Charing Cross Road 22, waar ik hoor dat men mij te Worthing wacht als gast van de R.N.L.S. Aankomst Worthing 3.54. Zie bij aankomst Warner Hotel de reddingboot op beach met tractor er bij. Gear case gebarsten, oefening afgelast. Gezellig diner in hotel. Een alleraardigst hotel, versierd met mooie platen en prenten en allerlei reisherinneringen van den (overleden) eigenaar. Captain Rowley ( Chief Inspector van de RNLS) een aardige hartelijke magere Engelsman, die er gezellig slordig uitziet.
7 mei. 8 uur ontbeten, thee, porridge, vis, eggs and bacon, brood met marmelade. Naar het boothuis. De bootsman en seiner in niets te onderscheiden van hun Hollandse collega's, ook de andere mannen net Hollanders. Lange overwegingen of de gear cage al dan niet met lood kon worden opgevuld. 4.58 ging het schot en kwam tractor met boot op wagen langs de esplanade. Bij en op shingle mislukte de proef. Boot op gewone wijze ter zee gebracht. Het was niet een experiment dat een aangename indruk op het publiek maakte. Men vond over het algemeen de tractors "no good". Het boothuis en de boot niet netter dan bij ons. Ook deze maatschappij moet werken met plaatselijke commissies die niet betaald worden en dus dikwijls niet werken.
8 mei, Zaterdag. 7.32 naar Londen. Gesprek met viskoopman over de oefening van Vrijdag. Vroeger paarden. Hij vertelt over het ophalen van zware loggers vroeger, hoe de kustvisserij vervallen is (net als bij ons).
Maandag 31 mei. Naar Hunstanton voor de motortractors, per Harwichlijn. Hotel Le Strange Arms. Captain Rowley. Proeven met de tractor tamelijk. Eigenaar hotel is cook en butler geweest in Magdalen college en krijgt nu uit een fonds uit de tijd van Edward VII 2 sh. per jaar uitbetaald.
2 juni, prachtig weer. 's Morgens weer proeven met de tractor, en 's middags komen general Lake e.a. Zeer goed gelukt proeven.
4,5,6 october. Te Bremen voor de Reddingmaatschappij in verband met de bouw van motorreddingboten. Vertrokken per s.s. Nickerie zaterdagnamiddag 2 oct. en zondagavond 11 uur te Hamburg. Maandagmorgen 4 oct. te Hamburg van boord en 10 uur naar Bremen. In trein 3de kl. vol oorlogszuchtige of wraaklustige mensen. Soldaten met matrozenmutsen met opschrift "Unterseebootflotilje of iets dergelijks. Ik dacht dat Duitsland geen onderzeeboten meer had. Een man met een mooi fanatiek gezicht, mooi figuur, slank. Zulke mensen ziet men in Holland niet.5 en 6 de werven bezocht. Indruk van Duitsland: Voedsel, kleding etc. alles Ersatz. De mensen over het algemeen zeer oorlogszuchtig. "Jetzt haben die Halunken das Ruhr nicht in Handen, bald werden sie es abgeben müssen und dann werden wir die Franzosen zurück zahlen, mit Zinsen" etc. etc."Wir hassen die Franzosen nicht, wir haben immer Mitleid mit den Schwachen".De Duitsers zijn en blijven gevaarlijk.
9 november. Naar Keulen 11.15 en daar aangekomen tegen 5. 's Morgens vroeg naar de Deutz-Brons motorenfabriek aan de overkant van de rivier. Met de tram naar de fabriek. 3000 man. Vele motoren. Gesproken over schroeven met beweegbare bladen - en vaste schroeven.
Zaterdag 20 november. 8.01 naar Stavoren in de 3de kl. gereisd met een aantal Urkers en met hen gesproken over de Kromhoutmotors die ze in hun botters hebben. 12 PK onkosten aan olie, smeerolie etc., f
200.- per week, dat gaat dus af van de besomming , en alle 14 dagen, volgens hen, in reparatie. Reden vermoedelijk slechte verzorging. De oude raderboot brengt mij over, op de brug kapiten Ozinga, die twijfelt of het leggen van de dam van Wieringen naar Piaam wel spoedig zal lukken1921
9 april Avonds telefoon: boot Schiermonnikoog omgeslagen. Misschien wel hele bemanning vermist. Later blijkt dat 10 man gered zijn en 2 vermist.

Schiermonnikoog Reddingstation in 1914. De reddingboot is later omgeslagen, waarbij 2 man zijn verdronken
11 april. Te Schiermonnnikoog vergaderd met commissie en met kapitein Matroos. [verhaal over het zeilen naar een Duitse schoener, die in moeilijkheden verkeerde, maar waarvan de bemanning nog niet van boord wilde]. "We zeilden terug. Intussen was de eb ingetreden. We zeilden nu bij de wind over stuurboord. Toen zei ik tegen den schipper "Zou het niet beter zijn het Friese gat in te gaan, 't is ook niet gewenst in de branding te zeilen". "Laten we maar eens proberen", zei Dubblenga.

Ambrosius Dubblenga, schipper roeireddingboot te Schiermonnikoog, verdronken tijdens redding van Duitse Schoener (Archief KNRM)
Toen [...] hielden we af en hadden de wind toen ruim en alle zeilen bij. De eerste zee liet ons met vaart in de wind oplopen. Toen kwam er een 2de. Ik zei: nu gaan we. "Ja, nu gaan we" zei Dubblenga. En we gingen ook om. Eerst lagen we een tijd met de zeilen op het water, toen helemaal om en de masten braken. 11 man lukte het op de kiel te klauteren. Douwe Visser is niet op de boot gekomen, hij was zowat 10 meter te loevert van de boot. Aangezien ik het jackstay niet kon bereiken heeft Dubblenga mij geholpen. Hij zat op de grote kiel. Een volgende brandingzee heeft hem er toen afgespoeld. We zagen hem en Douwe Visser drijven, konden echter niets doen en de boot dreef harder weg dan zij zwemmen konden. Zo waren we dus met ons tienen op de omgeslagen boot. We stonden op de lijnaar [lijwaarts?] en hielden ons vast aan 't jackstay. Zo stonden we betrekkelijk goed. Als 't jackstay er niet was geweest was er niets van terecht gekomen. Maar de branding liep herhaaldelijk over ons heen en 't was dus zaak goed vast te houden. Een was ver weg en lag op de kiel tussen ons in. Dubblenga en Visser raakten uit zicht. Douwe heeft verschrikkelijk geschreeuwd. Dubblenga niet, hij heeft niets gezegd. Zo dreven we met de eb om de West over de buitengronden door de zware branding. Een tijdje was het wat beter, toen waren we in het Oude Noordoostgat, maar toen kwamen we er weer in. Op de onderzeeërsbult konden we niet komen. Daarvoor had het ongeluk te ver uit de wal plaats gehad. Hadden we op de onderzeeërsbult kunnen komen dan zouden we hebben kunnen staan en de boot rechten. Nu dreven we door het Oude N.O.gat weer in de branding en verscheiden voelden dat ze het niet heel lang meer zouden kunnen volhouden en zeiden: als we weer in de branding komen gaan we er allemaal aan. Een troost, zei ik, dat we nou misschien het Friese gat halen. En zo kwamen we in het Friese zeegat. De mensen hadden in het Friese zeegat niet veel meer te koop. In het Friese zeegat zette de ebstroom natuurlijk weer naar buiten en daarom vroeg ik aan Thomas de Groot, de voorman, of hij misschien kans zag de dreg los te maken, dan waren wij weer droog gekomen en hadden gewacht tot de vloed weer doorkwam. Maar Thomas de Groot kon er niet bijkomen. Zo dreven we naar buiten en we waren tussen de uiterton en andere tonnen in en zagen dat we weer dreven naar de branding, de branding op de drempel van het Friese gat. Kwamen wij daarin dan zou niemand meer op kunnen blijven. Toen hebben we een riem die ik opgepikt had in een van de loosbuizen gezet en een jas hebben we er aan vastgemaakt. We zagen schepen. Een was die oude schoener of sleper en een tanker en de ander was een trawler. Eerst hield hij aan op de tonnen, maar eindelijk op ons. We begonnen toen al weer in de branding te komen. We riepen:"Je moet goed lij maken en eindelijk lag hij Zuid Oost om met de reddingboot op zij in 12 vt, hij had 't loodje steeds grond gehouden. Hijzelf ging 11 vt diep dus 't is een flinke daad geweest. Nu heb ik nog vergeten te zeggen dat Jan Visser er eenmaal af is geweest, maar we hebben hem een voet toegestoken en hebben we hem er weer opgekregen."
13 april. Vandaag het lijk van Dubblenga gevonden en naar Schiermonnikoog gebracht door de Brandaris.
14 april. Naar Zoutkamp, waar de reddingboot en de sluismeester Kant en de Burgemeester van Ulrum, die niet knap is, maar z'n vrouw die geregeld de hengstenkeuringen bezoekt, wel, en de heer Brand, die leeft van het schilderen en uitvoeren van zeemos. Ik ging per fiets van Oostmahorn, een eigenaardig landschap, via Ezumazijlen, Dokkumernieuwezijlen enz. naar Zoutkamp.
15 april. Harde stormachtige ZW wind, zodat ik met een motorschip terug naar Dokkumernieuwezijl. Schipper Van Dalen, die de Ortten goed kent en hun jacht "De Schobbe". Hij zegt dat Willem Ortt zo zenuwachtig was en dat Steffan Ortt er wel een beetje van kan, van zeilen namelijk. Dat zij de Schobbe verhuurden voor
f 200.- de week, als bijverdienste, en dat hij er schipper van was. Van Dalen heeft z'n jonge vrouw aan boord die voor koffie zorgt. Overigens zet hij het schip dat 35 meter lang is en slechts een motor van 28 Paard heeft enige malen aan de grond en ik kom 2.10 te Dokkumernieuwezijl en ik mis de postboot, zodat ik de begrafenis van Dubblenga niet bijwoon. Terug naar huis. 's Avonds thuis. Ondertussen gehoord dat het lijk van Visser gevonden is.16 april. Weder naar Schiermonnikoog waar ik ongeveer 4 uur aankom en de begrafenis van Visser bijwoon. Eerst in het sterfhuis waar de kist - open - in de gang. In de huiskamer veel vrouwen en mannen. De moeder van Visser, zijn zuster en halfzusters, en dan wordt het lijk naar het kerkhof gedragen, eerst om de kerk heen. Als het neergelaten is spreek ik een kort woord en dan wordt de kuil volgeschept door een heel erg ouden man, die hoe langer hij schept te harder begint te zuchten en te kreunen. Eindelijk vindt hij dat er genoeg zand in is en neemt hij de hoed af met een mooie houding en zie ik zijn afgeleefde verweerde oude gezicht.
17 april. Naar het strand gewandeld en na een bezoek bij weduwe Dubblenga
terug naar Amsterdam in gezelschap van den heer Onnes, een houthandelaar en
reder van Groningen, reder van vele schoeners en motorschoeners, en een
gezellige kerel. De weduwe van Ambrosius Dubblenga
vertelt mij het volgende:
"Ach die oostenwind, die oostenwind, want weet je, als de
wind oost is, je hoort de mannen wel eens spreken over een tocht, dan zie je de
branding niet zo goed. Is 't niet heel erg, is 't niet héél erg, we waren 36
jaar getrouwd, als een jongen van 19 zat-ie al in de reddingboot, al 40 jaar nu,
en nu zou hij 60 worden en wat hebben we altijd moeten werken en zwoegen voor
een stukje brood, ja ik weet 't wel, anderen doen 't ook, en nou zou Bruys 60
worden en dan zou hij een pensioentje krijgen van de post en dan zouden we nog
een heerlijk tijdje hebben. 't is toch niet gek dat ik 't zeg? Ik ben nooit gaan
kijken als de boot in zee was, ik heb dikwijls gezegd:"Hest de nog geen hekel
der an?" 't Is zo erg, zo heel erg. Ik hoorde de burgemeester zeggen: Er is een
schip in de gronden, en dat Bruys zei:"Dan ga ik me klaar maken". Ik ben niet
gaan kijken. En toen zei hij:"Laat wat hard brood halen". Ik met de trommel naar
Dobbinga (lid van de Reddingcommissie) en ik zei: Als je er nu hard brood in
doet, doe er dan ook een paar pakjes tabak in, dan hebben ze nog wat onder weg".En toen had ik Bruys voor 't laatst gezien. En toen ben ik
voor 't eerst gaan kijken toen ze 't kwamen zeggen. Met m'n klompen ben ik naar
't kerkhof gegaan. O ik weet wel, ik zal mijn troost wel krijgen, waar al die
anderen troost van gekregen hebben".
21 april. Vergadering Reddingmaatschappij, er is weinig wezenlijke belangstelling, zoals altijd.

Kantoor Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij aan de Amstel in de jaren 1920-1930. Vanaf 1930 is het kantoor verhuisd naar het Koloniaal Instituut tot 1940.

Betsy Happee, secretaresse op het kantoor van de Rediingmaatschappij (datum?)
13 juni.[Reis naar Denemarken]. 's Avonds in Kopenhagen. hotel Weber.
22 juni Wat nu de Reddingmaatschappij betreft, geloof ik dat de volgende verbeteringen moeten worden ingevoerd:1e. moet ik een hoeveelheid hout kopen, laten zagen en 3 à 4 jaren bewaren. 2e. moet een boot als de Klitmöller en een gewone roeireddingboot in Denemarken gebouwd worden. 3e. moeten wij bij de pl. commissies sterk aandringen op het gebruik van de sleepzak. 4e. moet ik in de boot van Schiermonnikoog welke thans in reparatie is het dek open laten. Mijn indruk van het Deense reddingwezen is zeer gunstig.

De eerste gemotoriseerde strandreddingboot Klitmöller, gekocht in Denemarken, kreeg de naam Eierland en werd op De Cocksdorp gestationeerd
14 juli. Cupido van de Brandaris wordt blind, althans waarschijnlijk. Onderzocht door Ruitinga. Logeerde in Zeemanshuis en dronk thee bij ons. Welk een uitstekende indruk maakt hij. Grote rust en toch is hij gehaat te Terschelling door allerlei eigenaardige fouten die hij heeft.

Motorreddingboot van Terschelling Brandaris I , vergaan met man en muis 23 october 1921
(Redactie: merkwaardig is dat van dit ongeluk niets in het dagboek van mijn grootvader is terug te vinden, Op 23 oktober 1921 voer de 'Brandaris' voor het eerst uit onder bevel van schipper Wiegman naar de gestrande schoener 'Liesbeth' op de Eierlandse gronden. Aan boord waren F. Kies, A. Tot en R. Dijkstra. De 'Brandaris' vertrok 1.30 uur uit Terschelling, en werd omstreeks 4 uur nog van Vlieland gezien,, en kwam niet terug. Het schip is nooit teruggevonden .De Cocksdorpers hebben toen met een roeireddingboot de zes opvarenden gered. De kapitein van de 'Liesbeth' schreef daarover: “De reddingbootbemanning heeft buitengewoon gewerkt. Langzaam, zeer langzaam, met groote moeite, kwamen de flinke kerels vooruit. Soms verdween de boot geheel in de zware buien. Over de laatste 50 meter heeft de bemanning een uur moeten worstelen. Met bewonderenswaardige doorzettingskracht kwamen de helden naderbij; wij vreesden echter, dat zij niet langszij zouden kunnen komen. Tenslotte lukte het, zij ’t met zeer groote moeite, zoo dichtbij te komen, dat wij er in konden springen…”
Mees Toxopeus, toen nog schipper van de Rottumse reddingboot, schreef een brief aan de reddingmaatschappij waarin hij een nieuw type reddingboot voorstelde: 'Het zou een zelfrichtende boot moeten zijn van ketelvormig model en in een gevaarlijke zee ook benedendeks te besturen, een soort onderzeeboot boven water'. Hij had het idee al met scheepsbouwer Niestern van Delfzijl besproken en die had het geen slecht idee gevonden. Het systeem om de boot zelfrichtend te maken had Mees ook al bedacht. De boot kreeg een tank in de stuurboordzij die volliep als de boot ondersteboven lag, waardoor de boot dan een helling verkreeg. Door het verplaatste drukpunt en een laag zwaartepunt ontstond een koppel, dat de boot weer richtte. Ook de afsluiters voor de luchttoevoeren werden door Mees bedacht: zwaanshalzen met een zware kogel, die ze in omgekeerde toestand afsloot. Het uiteindelijke ontwerp werd door Professor Vossnack gemaakt. De Insulinde kreeg twee 60 pk Kromhout dieselmotoren in gescheiden machinekamers, twee schroeven en één roer. De schroeven draaiden in tunnels en de kiel bestond uit een brede ijzeren plaat, waardoor het schip ook in ondiep water zonder al teveel risico kon manoeuvreren. De metalen plaat zorgde samen met de motoren voor het richtend koppel. De stuurinrichting was dubbel uitgevoerd: de boot kon zowel vanuit het dichte stuurhuis als vanuit de open stuurstand bediend worden. De Insulinde kreeg een lengte van 18,80 m. breedte van 4,05 m., diepgang van 1,45 m. en waterverplaatsing van 46 ton.)
1922
10 jan. 's Morgens om 7 uur aan boord van de torpedoboot G 9, ook waren aan boord de schout bij nacht Fock en de adjudant van den Prins, Von Mühlen. Commandant van de torpedoboot was de vroegere commandant van Tom, De Ridder, een echte zeeman, uiterlijk flink, maar onbeschaafd, vetleer. Koud maar goed weer. Naar Terschelling en daar ½ 11 aangekomen en de medailles menslievend hulpbetoon uitgereikt aan de weduwen Wiegman en Kies en aan de ouders van Tot, hetgeen aangrijpend, en gesproken met Cupido, die komt bedanken voor het Broederschap van de Nederlandse Leeuw. Ook aangrijpend dien blinden man te zien, nog zo kort geleden de onverschrokken schipper van de Brandaris en over enige tijd geheel vergeten. Het kerkhof bezocht en verder naar Texel - Oude Schild en vandaar per auto naar De Cocksdorp waar de Prins wederom medailles uitreikt, ditmaal aan de levende bemanning van de reddingboot onder Maarten Boon, schipper. Deze staat op en zegt:"Diep getroffen ... geef me 't papiertje ... Diep getroffen door het bewijs van hulde dat ik en mijn bemanning in ontvangst mocht nemen verzoeken wij Uwe Koninklijke Hoogheid onze dank aan Hare Majesteit de Koningin over de brengen". Alleen "diep getroffen" had hij zonder papiertje gezegd, de rest niet. Vervolgens terug naar Helder en daar gedineerd bij Fock en mevrouw Fock die zeer kalm en aardig recipieerde. 's Avonds terug met den Prins, die van iedere gelegenheid gebruik maakt om patience te spelen, op de torpedoboot en in de trein, met Von Mühlen, die het tamelijk vervelend vindt. De Prins een eenvoudige natuur, wel zin voor humor, dit is het beste wat men van hem kan zeggen. Hij heeft ook een goed hart geloof ik.
7 maart. Oefening te IJmuiden, een mislukte oefening.
1923
3 januari .Te Schiermonnikoog met de boot in zee, bespreking met de Commissie over de motorreddingboot. De "Hilda" laten komen van Rottum en bespreking met Wobke Fenenga en Mees Toxopeus en 's avonds met de voerlieden

Motorreddingboot "Hilda" (genoemd naar Hilda de Booy-Boissevain, de echtgenote van Hendrik de Booy) (Archief KNRM)

Wopke Fenenga schipper roeireddingboot Schiermonnikoog (Archief KNRM)
18 januari. 's Morgens ½ 10 op bureau. Per tram naar de Rolandwerft Vertens. Mevr. Vertens al dadelijk min of meer bokkig en na enig gepraat over beproeven onderdruk van de dubbele bodem verregaand onhebbelijk. Het kantoor verlaten en de boot bezien. Deze is thans van buiten geschilderd. [...] De boot wordt klaargemaakt om te water te laten. De schilder bezig met het opschilderen van de initialen NZHRM in de zijde en de naam Dorus Rijkers. De patrijspoorten zijn aangebracht. De zeilen gezien, niet veel zaaks. zaterdag 20 naar Prof. Vossnack te Delft om met hem te spreken over de al- of niet noodzakelijkheid van het persen onder druk van de dubbele bodem der Bremer boot en andere zaken. Maandag naar stad en vind ik brieven uit Bremen die maken dat ik er weder heen moet. [dit gebeurt 26 en 27 jan., er worden gesprekken gevoerd met een Dr. Edgard en verder Vertens, c.s. en hun advocaat; de inhoud van die gesprekken niet opgetekend].

De 'Dorus Rijkers'(1923-1965) is een van de oudste Nederlandse motorreddingboten. Zij werd genoemd naar de bekende Helderse redder "Opa" Dorus Rijkers. (Voor de 'Dorus Rijkers' waren reeds zes motorreddingboten en twee stoomreddingboten (Van de 'Zuid') in de vaart gebracht. De oudste motorreddingboot van de 'Noord' is de 'Jhr. J.W.H. Rutgers van Rozenburg', gebouwd in 1907 en in 1908 in Scheveningen gestationeerd)
20 maart. Ik heb Tom's thuiskomst niet bijgewoond want ik moest Zondagavond naar Enkhuizen en ging Maandagmorgen vroeg om 6 uur met de Brandaris naar Terschelling. Fraai weer, wind Oost. We namen boot 26 met Wobke Fenenga mee naar Harlingen, waren daar om 10 en om 12 te Terschelling, waar de vlaggen uithingen van vuurtoren, boothuis, raadhuis enz. enz. maar waar ook de vader van Wiegman op de kaai stond met tranen in de ogen en waar zeker het gemoed van menigeen is bewogen geworden door het terugzien van de naam Brandaris op een scheepje zoveel lijkende op het vorige.
Vrijdag 23 maart. Naar de Rolandwerft. Mentz is daar bezig aan de rekening van het bijwerk, die mij 's avonds erg bijgewerkt wordt aangeboden. Intussen hebben wij gecompenseerd en de boot aan de Tiefer gelegd. De rekening van het bijwerk is ruim 8 miljoen Mark en 150 gld. en ik zet er mijn poot maar onder. Mentz tot het laatst onhebbelijk, zodat men lust heeft hem van de trappen te gooien. De conferentie eindigt met een fles Rijnwijn op kosten van Mentz. Wat een comedie is het toch in de handel.
Zaterdag 24 maart. Olie geladen in Nordenham, dit duurt 4 uren. 's Avonds 12.30 te Wilhelmshafen en de nacht doorgebracht in de kajuit, onder de fok en later op de bank zittend, pratend met Neuhaus over "het Leven". Beroerde nacht. Ik had niet veel lust in de kooien vooruit.
Zondag 25 maart. Het was een dikke mist 's morgens vroeg. Een beetje warm geworden in de kamer van een sterk gebouwde vuile sluiswachter. Diarrhee .Met Neuhaus naar allerlei autoriteiten om gedaan te krijgen dat wij door mogen op Zondag naar het Wilhelmshafen-Emden kanaal. 't Lukt eindelijk. 't Kanaal is afschuwelijk. Nauw en veel bruggen en sluizen. 's Avonds te Wiesede. Vruchteloze pogingen om daar een onderdak te vinden. Geslapen op de bank van de kajuit en volgens mededeling van Neuhaus sterk gesnurkt.
Maandag 26 Maart. Door naar Delfzijl. Prachtige avond. Geslapen bij Toxopeus waar ik heel hartelijk werd ontvangen. Ik was al tamelijk ziek toen.
Dinsdag 27 maart. Een derde man geëngageerd genaamd Berend Kip, een dikke kerel, die ons door de binnenwateren door Groningen naar Zoutkamp loodst waar wij slapen. Ik in het hotel. Voel mij zeer matig.

Dorus Rijkers (1847-1928) schipper roeireddingboot Den Helder. Motorreddingboot naar hem genoemd
Woensdag 28 Maart. Om 6 uur vertrokken. Koud beroerd weer en om 12 uur aangekomen te Leeuwarden voor het huis van Nella en Theo. Ik voel mij ellendig. Om ½ 3 kwamen vele bewoners van Leeuwarden de motorreddingboot Dorus Rijkers bekijken. 's Avonds een lezing over Reddingmaatschappij in de Leeuwarder bioscoop, een treurige vieze gelegenheid. De plaatjes onduidelijk. Dit en mijn koorts maken dat ik alles maar vlug afmaak. De films zijn in ieder geval mooi en we hebben 's middags en ook nu geld opgehaald en het aantal contribuanten is sterk vermeerderd.
Donderdag 29 Maart is de Dorus Rijkers vertrokken en ga ik namiddag 1 uur per trein in de 1e klasse en ik heb koorts en kom 's avonds thuis.
9 april Maandagmiddag naar de Dorus Rijkers die aan de kop van de Handelskade ligt na het compenseren van het kompas. Dorus Rijkers is er geweest en heeft staan zwetsen aan de wal. "Dat werk deet ik nu vroeger voor niks, daar wordt tegenwoordig
f 1300.- voor betaald enz.17 april kunnen wij op kantoor helpen met inpakken van de Reddingboot no. 22: Tine den Tex, Hilda, Betsy André de la Porte, Miss Grierson, Connie van Hasselt en mevrouw Bastert. Ze maken 2000 exemplaren klaar voor verzending. Mej. Weegenaar zorgt voor koffie, taartjes en thee en Connie fuift op chocolaadjes. Alles heel geslaagd.
21 april. Vanmorgen kapitein Wilkens op kantoor die hier logeert bij zijn schoonzoon. Hij vertelt dat de oorzaak van het vergaan van de Brandaris in l921 is geweest de onkunde en ongeschiktheid van schipper S. Wiegman, met wien niemand uit durfde gaan, dat ook de motordrijver Kies onbekwaam was en daar de 4de man een jonge smidsjongen was, die voortdurend zeeziek was, was de enige man aan boord A. Tot. Deze durfde dan toch wel met S. Wiegman uit te gaan. Verder zegt Wilkens dat als de Doeksens niet zoveel macht hadden op Terschelling, men wat gehoord zou hebben. Dat het een schande was dat de Commissie S.Wiegman had benoemd tot schipper en dat de directeur van het postkantoor woedend was geweest en had gezegd dat een klacht bij de Justitie moest worden ingediend. Verder kwam de Consulgeneraal van Duitsland die mededeelde dat de regering van Duitsland de Brandaris wil eren door het aanbrengen van een bronzen plaat.
28 april werd aan de NZHReddingmij de De Ruytermedaille uitgereikt in de Kweekschool voor de Zeevaart. Admiraal Colenbrander hield een rede en Tegelberg antwoordde m.i. op ongelukkige wijze, zeggende dat de Reddingmaatschappij geen recht op de medaille had. Ik vroeg mezelve af of ik dan tot geen enkel nut was. Bootsman Smit was er bij uit Oosterend uit Terschelling. Op de Dam merkte hij op, dat de vorige maal dat hij hier (te Amsterdam) was de trams 4 paarden hadden en hoge wielen en niet op rails liepen!!!( Ariën Pieters Smit is een van de oudste schippers die actief waren in de reddingboot. Op 75-jarige leeftijd redde hij en zijn bemanning 17 man van de gestrande Ellen Larsen)

Arien Pieter Smit bootsman roeireddingboot Oosterend, Terschelling.(Archief KNRM)
9 juni. Ik wandelde 9 juni van Oosterend naar West-Terschelling, afstand 15 kilometer. Te Hoorn liep ik het oude kerkje binnen. Ik deed de deur open - Maak dat je weg komt, hoorde ik. Toen zag ik een ouden kerel, model Terschelling. Wij naderden elkander. Ik dacht dat je een jongen was, zei hij, die jaag ik altijd weg. Ben je Protestant. Ja, zei ik. Modern of Orthodox? Modern, zei ik, maar ook Orthodox. Ik heb helemaal geen richting, zei hij, ik ben hier koster en voorzanger. Ik ben 82. Toen begonnen we te praten en vroeg hij wie ik was. Ik zei: "secretaris van de Reddingmaatschappij". "Waarom ben ik dan nooit gepensioneerd", vroeg hij toen, en toen kreeg ik een verhaal hoe hij ongeveer de laatste was van de oude bemanning der reddingboot en eerder in aanmerking kwam voor pensioen dan de leden der tegenwoordige bemanning, die nooit iets doen.
22 juni, naar Noordwijk waar vergadering van de commissie "24 november 1919". Een mooi gezicht op de levendige zee. Overigens heel stil te Noordwijk vanwege het slechte weer.
1924
1 februari. Te Hamburg. [met prof. Vossnack]
3 februari. Zondag. Naar Bremen, 11 uur, gegeten in Rathskeller. Vervolgens naar Neuhaus, Georg Grünstr. 102, waar na enig bellen kapitein Neuhaus verschijnt in z'n versleten jas en mij een standje geeft omdat ik niet vroeger gekomen ben aan het middageten waar z'n vrouw zo goed voor gezorgd had enz. enz. Een gezellig Abendessen. Alles veel beter dan vroeger. Neuhaus schenkt weer cognac en ik rook eindelijk een paar sigaren - heel goede. Ook hier krijgt men niet de indruk van gebrek - maar 't is mogelijk dat het hier wel moeilijk is. 's Avonds lang zitten praten over alles en nog wat, over de Rentenmark en over lijkverbranding enz. enz. Geslapen in het hotel Europaeischer Hof.
18 april. 6.39 Naar Rottum met Hilda, Olga, Engelien en John van Marle.

De bevolking van Rottum in 1924.Op de foto: Hilda de Booy-Boissevain met zuidwester helemaal rechts zittend naast Toxopeus. Staand resp 4 en derde van rechts: Olga de Booy (dochter van Han en Hilda) en haar aanstaande echtgenoot John van Marle.
22 april. Dinsdag. Getracht te vertrekken maar niet gelukt. Teruggekeerd en zitten nu weer in het huis van de voogd en zullen morgen weer een poging doen te vertrekken. Het zijn heerlijke dagen, maar 't is hier wel een beetje ruw voor Hilda.
½ 12. De Hilda ligt gemeerd vlak bij huis. Ik besluit een oefentocht te maken. Er staat veel branding op de Schildgronden en op het Borkumerrif, ja overal. Wind noordelijk. S.K. [stijve koelte]. J. van Marle gaat mee. Steffen T., Schipper Mees T. en Jan Toxopeus zijn de bemanning. Eerst over de Schildgronden, later afgehouden naar Borkumrif en daar geoefend, eerst zonder, later met stopzak en ondervinding opgedaan. Geen heel zware zeeën overgekregen, geen enkele waarbij cockpit geheel vol sloeg. Te ½ 3 terug. Tamelijk nat. John v. M. een flinke kerel, handig en onbevreesd, kalm.

Mees Toxopeus (1886-1974) schipper motorreddingboten, C.A. den Tex, Hilda en Insulinde
26 mei. Met Tegelberg naar de Minister van Waterstaat, die een zeer droevige indruk op ons maakt. Sweerts de Landas en Julius waren er ook. Bestuursleden van de Zuidh. Mij tot Redding van Schipbreukelingen, iets later, maar ook in 1824, te Rotterdam opgericht Treurig en treurig die Minister.
5 juni. Mijn moeilijkheden zijn op het ogenblik: de oude redders.
30 juni. Maandag 11.30 bij de gezant De Marees van Swinderen met Tegelberg, Sweerts de Landas en Julius. De gezant een praatjesmaker, niet veel bijzonders. De Brandaris gaat van het East India dock naar de ligplaats bij het Victoria Embankment. Om 3 uur wordt de vloot van reddingboten geïnspecteerd door admiraal Sir Doveton Sturdie, die van uiterlijk een onaanzienlijk mannetje is.[uit een in het dagboek geschreven concept voor een artikel over de conferentie:Hoe verschilden die reddingboten. Twee houten Engelse reddingboten, waarvan de grootste de kostbare nieuwe "William & Kate Johnston" , 60 voet lang en uitgerust met 2 benzinemotoren , de twee stalen Nederlandse, de "Brandaris" ruim 60 voet lang met 2 oliemotoren en de "Prins der Nederlanden", een Zweed met vol zeiltuig en hulpmotor, een Noor met vol zeiltuig, zonder motor, een kleinere Fransman met twee benzinemotoren en een Deense roei- en zeilreddingboot met hulpmotor. Duidelijk kwam bij het zien van de grote verschillen in het oog dat elke kust haar eigen reddingboten nodig heeft.
1 juli. Dinsdag begint de conferentie in de Westminster City Hall, geopend door de Mayor met een toespraak. en gevolgd door een toespraak van Sir Godfrey Baring. Het is een mooie zaal, half cirkelvormig, gemakkelijke banken met rode leren kussentjes. In het midden van de open ruimte staat het model van de "Insulinde".De conferentie duurde de gehele dinsdag en ook nog de woensdagmorgen. De agenda bevatte vele interessante punten, de bouw van reddingboten en de uitrusting met motoren betreffende. Ik was heel veel aan het woord en toen we de conferentie verlaten hadden werd ik omhelsd door een van de Noren, die mij zeide: Ah! Your country is a wonderful country. How we admired you during the war. The conference would have been nothing at all if you had not been there.'s Avonds hadden wij diner in Lancaster House, aangeboden door de Regering. Het was interessant zulk een Engels diner bij te wonen. Een aardige toespraak van Mr. Sidney Webb, Minister of Trade en een prachtig antwoord van Tegelberg.
25 october. 's Avonds te Haarlem bij de uitvoering in de Schouwburg van het comité voor de Reddingmaatschappij, een kort stukje van de Gravin Van Stirum en een ander stukje van A. Sutro, waarin een dochter Hummel de eerste rol speelde en dat heette "Het eeuwige Trio". Ik zou het niet aangenaam gevonden hebben Olga in dezelfde rol te zien spelen. Het Haarlemse publiek maakte een goed verzorgde indruk, gedistingeerd. Verscheidene aardige jonge meisjes. Tegelberg danste en we gingen met de trein van 11.50 terug naar Amsterdam.
28 october. Heen en terug naar Helder en daar Dorus Rijkers gesproken en Bot. Laatstgenoemde, zowel als D.R. zijn teleurgesteld dat zij niet zijn gevraagd op het diner van 11 november.
4 november. Heden in de vergadering van de Reddingmaatschappij heeft Tegelberg mij met hartelijke woorden medegedeeld dat besloten is mij een ouderdomspensioen toe te kennen van f 4000.- wanneer ik niet meer kan en aan Hilda als weduwe f 2000.- per jaar. Dat is een mooi besluit dat mij ontheft van zorg voor de toekomst.
' 
Bestuur van de Noord en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij in 1924. V.l.n.r.: staande P.H. Gallé en P.L. Lucassen; zittende Mr G.L. de Vries Feyens, J.H. Hummel, P.E. Tegelberg, H. de Booy, P. den Tex, en M.C. Koning (Archief KNRM)
5 november is de Reddingbootdag. 3 reddingboten rijden door de straten van Amsterdam, 1 oude lelijke boot op de oude wagen van Moddergat bemand met Noordwijkers en geleid door een jongen Schölvinck en 2 mooie boten van ons. Onze nieuwe vlag waait van het kantoor en het is grote drukte op het Hoofdkwartier der collecte op Rokin 114, waar mevrouw Vattier Kraane en vele andere dames hard werken. Ook Hilda. Ik ga er 's avonds dubbeltjes en kwartjes tellen en we eten die dag niet. Om 11 uur komen we thuis en hebben onderweg 1 bot gekocht, die ik opeet. 't Was een gezellige dag. En de opbrengst is ±
f 12000.- geweest.24 november. En nu is de viering van het 100 jarig bestaan finaal achter de rug. [korte beschrijving van de diverse feestelijkheden, ook te Rotterdam, voor het 100 jarig bestaan van de Zuidh. Mij tot redding van schipbreukelingen].
Op 11 november 1924 vierde de NZHRM haar honderdjarig bestaan. Op 20 november woonde mijn vader een receptie en diner bij te Rotterdam, waar de ZHMRS haar honderdjarig bestaan vierde. Rotterdam is een onaangename stad.
19 januari. Vandaag in een brief van capt. Saxild gehoord dat ik de Danebrogorde heb gekregen. De machinekamer van de "Zeemanshoop" volgelopen omdat de monteur van Goedkoop de buitenboordskraan heeft laten openstaan en het aftapkraantje van de mantels.
1926
Tocht naar Medemblik en Wieringen.Men gelooft dat Medemblik door de aanleg van het kanaal zal groeien tot een plaats van 600 inwoners. De havenuitgang loopt in NO richting. Bij slecht weder uit het NNO of NO zal een roeiboot er niet uitkunnen. Men is niet zeker van de aanwezigheid van een motorvaartuig, in staat om bij slecht weer een boot naar een gestrand schip te slepen. Wanneer de Wieringermeerpolder tot stand is gekomen wordt daarmede het gevaar van rampen te Medemblik geringer omdat de hoekzak waarin schepen bezet raken op lager wal, dientengevolge vervalt. De vraag wordt gesteld of, wanneer te Lemmer een motorboot is, deze in geval van nood kan worden te hulp geroepen. Ook wordt gewezen op het nut, dat uit de aanwezigheid van een reddingboot op Wieringen kan getrokken worden. De ramp met de tjalk die zonk op 25 of 26 november l925 had plaats ongeveer 4 of 5 kilometer van de wal ter hoogte van Opperdoes. De vrouw van den schipper spoelde in een reddingboei aan tegen de dijk. Zij had een tasje in de hand waarin een polis van levensverzekering. Voor een beetje geld had de schipper deze ramp kunnen ontgaan door de haven van Medemblik binnen te lopen. Ik heb een bezoek gehad van P.J. Jager. Hij is een gemene onbetrouwbare kerel.
1927
11 mei, de dag na de begrafenis (van zijn schoonvader Charles Boissevain, die op 5 mei stierf), begroette ik 's morgens captain Rowley en M. Rubie, die uit Engeland waren overgekomen voor proeven met de Insulinde. We gingen naar Delfzijl, ook met Eden, Goedkoop en Vossnack, en zagen daar in de namiddag de boot omtrekken en zich weer richten, of liever ik zag het niet want ik zat er zelf in met 11 man, mezelf meegerekend. De volgende dag, 12 mei, was het ruw weer, wind NW 7-8 en gingen we om 11.30 met de Insulinde uit, geëscorteerd door de "Hilda". Het plan was het Amelandse gat binnen te gaan maar dit lukte niet. We gingen weer terug en door de hoge branding van het Rif het Paalgat binnen en zo naar Oostmahorn. Dat was een mooi en interessant gezicht.

De eerste proefvaart van de nieuwe reddingboot 'Insulinde' in 1927. Van links naar rechts; H. de Booy, Mees Toxopeus, E.A. Zeilinga, Mr G.L. de Vriens Feyens, J. van der Meulen, Prof E. Vossnack, P.E. Tegelberg en G.J. van de Poll. (Archief KNRM)
12 october. Vergadering Reddingmaatschappij, waarop wordt besloten dat ik naar Turkije zal gaan voor 14 dagen
1928
Hierop volgen slechts korte aantekeningen tot 4 juli, met de mededeling dat het daaropvolgende dagboek, lopende tot september l929, is zoekgeraakt, vermoedelijk op een van de stoomschepen van de Holland-Frieslandlijn.
1929
4 october l929. Vanmorgen 9.17 naar Egmond aan zee. Bespreking met burgemeester Eyma op het raadhuis over behoeftige redders en later met hem naar het boothuis en de grond bezichtigd waarop nieuw boothuis zou kunnen komen, vervolgens naar zijn huis waar ik koffie drink. Zielig te zien die oude zeelui in de Prins Hendrikstichting, mensen die de gehele wereld omzworven hebben en nu wachten op de dood in een gesticht. Per auto naar Alkmaar en naar de "Hilda" die er prachtig uitziet maar voorover ligt. Ik laat de achtertank vollopen en nu ligt de boot er prachtig bij. De bescherming van den schipper is heel mooi en ook het verbouwde en verlengde onderschip. Verder door per auto naar Callantsoog dat zo schilderachtig ligt. Het kleine kerkje met het eigenaardige torentje. Bespreking met burgemeester Breebaard, het schoolhoofd Smit, Govers, de 88jarige, en bootsman Hollander weer over behoeftige oudredders en enige onderstanden vastgesteld. Vertrokken ± 6 uur en oudschipper Hovy geeft mij een haas en Govers bloemen
5 october. De oude 88 jarige Govers, die bij de vergadering zit te dromen terwijl de anderen opsnijden over de heldendaden der Callantsogers. Dan op eens komt de zwakke stem van Govers:"zie je als 't ruw weer was dan dorsten ze niet in de boot", geheel in tegenstelling met hetgeen door de anderen was gezegd.
16 october naar Callantsoog. Burgemeester en hoofd school per auto afgehaald en naar W. Govers. Hij is 88 jaar oud en 40 jaar commissielid. Ik overhandig hem met een mooie toespraak de wandelstok met gouden knop met het opschrift "aan Willem Govers, lid van de commissie van plaatselijk bestuur te Callantsoog van 16/10/1889-16/10/1929, en hij antwoordt:"Dank je wel voor je drukte".Ofschoon ik burgemeester heb gevraagd er voor te zorgen dat zijn kinderen bij de overhandiging tegenwoordig zijn, is daar volstrekt niet voor gezorgd. 't Zijn mensen zonder verbeelding.
13 november. Vergadering Reddingmaatschappij onder Gallé wegens afwezigheid van Tegelberg in Indië. Ik lees Toms brief voor waarmede hij bericht de betrekking van adjunct-secretaris te aanvaarden.
(Red. Tom de Booy, zoon van Hendrik de Booy aanvaardde zijn betrekking bij de Reddingmaatschappij mei 1930. Oktober 1933 trad Hendrik de Booy af als secretaris om alleen penningmeester te blijven. Tom volgde hem op als secretaris welke titel in 1947 werd gewijzigd in die van directeur).
18 november. Maandag - mooi weer. Proef gevaren met de "Eierland"' goed. Snelheid ± 6,3 zeemijlen. In de namiddag zegt Van de Poll mij plotseling de dienst op wegens mij onbekende redenen. Hij heeft niet veel ontwikkeling maar we kunnen hem nu heel moeilijk missen. Misschien waait het over.
7 december. Vandaag zijn wij 8 uur naar Delfzijl gegaan. Voorzitter van de Effectenhandel de heer Stroeve J.Ezn, en diverse leden, verder Eden (de zeeschilder) en van ons bestuur Gallé, Lucassen en ik, te samen elf. Met een gezelschapsbiljet. Van Groningen per autobus naar Delfzijl. Op de werf J. Niestern. Toespraak van Gallé in een loods tegenover de rood gemeniede nieuwe boot die er prachtig uitziet, maar ik denk dat prof. Vossnack het zal snappen dat de verschansing achter de stuurstand van den schipper hoger is opgetrokken dan hij had toegestaan. Die buitenkiel is wel kolossaal. Na Gallé die zeer goed sprak, sprak Stroeve die zeide dat op hem de taak rustte de boot een naam te geven, dat hij iemand gekend had die heel veel van de zee gehouden had en die zeer hulpvaardig was geweest in haar leven en dat hij daarom de boot naar haar noemde Neeltje Jacoba. De wijze waarop hij het zeide maakte het ons tot een genoegen de boot Neeltje Jacoba te noemen.

mrb Neeltje Jacoba gestationeerd in IJmuiden sinds 1930
Vervolgens begonnen de werkzaamheden van het wegslaan van blokken en wiggen. Toen kapte Stroeve het laatste touw door en gleed de boot mooi dwars te water. Het was een prachtig gezicht. 's Avonds 8.12 terug. Later belt Eden op en vertelt dat het grote 12.000 ton dok voor de Rotterdamse droogdokmaatschappij, dat door de Witte Zee en de Humber werd gesleept, bij Borkum in twee stukken is gebroken en dat het is gezonken, dat er 2 van de 8 mannen verdronken zijn, dat het lichtschip-Haaks is losgeslagen en de sleepboot Zeeland er heen is gegaan, dat daarvan de brug is ingeslagen.
8 december. Zondag.Het stormt uit het Zuidwesten. Ik ga naar kantoor waar ik werk tot 5 uur, heb Koster te IJmuiden doen weten dat men mij op het kantoor kan opbellen.
9 december. Het stormt uit het ZW, verwachting Zuidwest storm. Doeksen opgebeld 20.30, zegt dat het Engelse stoomschip enigszins verdreven is, zit nu bij paal 11. Volharding heeft verbinding. Ook Texel is er bij. Oceaan heeft een schip naar de Eems gebracht, zal vermoedelijk gaan naar een schip dat met machineschade ten anker ligt 20 zeemijlen W.t.N. van toren.
21 uur. IJmuiden opgebeld, zegt dat Insulinde vanmorgen uit is geweest en buiten onder Egmond een logger heeft aangetroffen met noodvlag, heeft sleepboot gewaarschuwd en is later met die sleepboot weer naar buiten gegaan omdat ze niet zeker wisten of sleepboot wel buiten kon komen. Men heeft te IJmuiden een uiterst gunstige indruk van de Insulinde. 21.45. Helder opgebeld, niets bijzonders. Wind te Helder WZW 8 à 9, heldere lucht. Had wel een noodbericht gehad van dat schip de Hansa die voor anker ligt.
22 uur. Opgebeld door schoonzoon van schipper Van Urk met de vraag of de Brandaris uit is. Neen. Dank u bij voorbaat, zegt schoonzoon.
10 december. Vanmorgen veel kalmer. wind West . Het gestrande Engelse schip zit te Terschelling op het strand.
In de namiddag, toen de dames wegwaren, de zaak in orde gemaakt met Van de Poll, die heel aardig is, maar zich vergist. Hij is half januari 20 jaren op het kantoor der NZHRM.21 december.Telefoon van Rottum dat Villa Engelina op de rand staat, op het punt in zee te vallen. Bijleveld is alleen op Rottum met de huishoudster. Wat zal dat geven. De "Insulinde" ligt klaar om onmiddellijk uit te gaan. De motoren een tijdje laten lopen zodat ze warm zijn. De boot ligt bij de Sluis.

Hendrik de Booy met zijn dochter Engelien voor het boothuis 'Engelina' op Rottumeroog

Villa Engelina op Rottumeroog (Tekening van Hendrik de Booy)
(Redactie: Daar het eiland Rottumeroog zich langzaam van West naar Oost verplaatst, moeten de daarop staande gebouwen af en toe verplaatst worden. De voogd had dat nagelaten met het magazijn, de Villa Engelina, tot ontstemming van Hendrik de Booy)
22 december. Zondag. Zag gisteren bij de tewaterlating van de "Marnix" hoe de sloepen van de "Pollux", alle drie in onooglijke staat, werden voortbewogen - roeien kon men dit niet noemen - over het Y, ter opluistering van het bezoek van Prinses Juliana! Bah!.
Kerstmis. Een beetje onrust werd veroorzaakt doordat de "Hilda" in de nacht van 24 op 25 december was uitgegaan naar een stoomschip, gestrand op Simonszand, doch dit niet had kunnen vinden en dat de Hilda daarop weer was uitgegaan om 12 uur en nu nog uit was. Het had gewaaid uit het NO en waaide nu nog hard uit het ZW. 's Avonds was de barometer rijzende. Ik ben dankbaar dat ik de "Hilda" heb doen verbeteren
26 december. Hoor van Oostmahorn dat "Hilda" gisterenavond 11 uur is teruggekomen en dat het gestrande schip is losgesleept. De bemanning is aan boord gebleven. "Hilda" heeft op de lange tochten heel goed voldaan. Ik geef de bemanning
f 25.- per kop, den schipper f 37.50. De zaak kost dus f 137.50 en de brandstof. Vernam van Schiermonnikoog dat de tractor niet goed liep, liep warm etc. Zou hij niet goed hebben afgetapt voor de vorst? Ik vrees het.1930
Zaterdag 29 maart ging ik naar Wijk aan zee om de laatste eer te bewijzen aan Van der Zant, secretaris en lid van de pl. commissie der Reddingmaatschappij, die gestorven was aan een korte ziekte. De man had altijd een zwakke borst gehad, leed dikwijls aan bronchitis. Ik ging naar Haarlem per trein en vandaar per auto naar het sterfhuis. Daar lag in de achterkamer in de open kist - het viel mij op hoe dun het hout van die kist was - het overschot van wat was Van der Zant, de schoolmeester, die mij zo menig maal verveeld had met zijn langdradige brieven, maar die uiterst zuinig was in het beheer van de zaken der Reddingmaatschappij. Als leidende kracht bij stranding of ongeval van geen of weinig nut. Ook de schoolkinderen kwamen naar Meester kijken."Niet dringen jongens", zei de jonge geestelijke, een zoon. Anderen kwamen en gingen. In de voorkamer de weduwe, kalm, berustend, met haar lieve ernstige gezicht. Al die Van der Zants zijn donker. Ze komen uit Brabant. Er zijn 10 kinderen, waarvan 3 dochters in het klooster zijn. Een van die drie is stervende in het klooster. De anderen mochten Vader even komen kijken voor hij stierf, toen dadelijk terug. Een zoon is missionaris of wordt dit. Hij, evenals de dochters, is bestemd voor Brazilië en gaat deze dagen naar Spanje om de taal te leren. Twee andere zoons zijn in Indië, beiden bij het Onderwijs. Ik zie nog een jongen en een dochter. Ze hebben allen flinke, ouderwetse gezichten, gezichten die zouden passen in een schilderij van Frans Hals. Van den vader had men een Spaans admiraal kunnen maken. De grote kalmte en berusting en de goede manieren vallen mij op. Geen zweem van aanstelling, overdreven emotie. Men kreeg de indruk dat zij dachten: Nu is hij de rust ingegaan; hij is goed bezorgd. Ik hoop dat men ook bij mijn overschot niet zal ongelukkig zijn maar dankbaar voor wat ik heb kunnen zijn, ook al was het niet zo veel. Er was even twijfel of men wel door de deur kon met de kist. Ja, het kon. Naar de kerk, waar de priester zijn zegen uitsprak en de kist besprenkelt met wijwater. Ik zat naast Roland, de voorzitter van de commissie, en luisterde naar het gezang van het zangkoor (mannen) waarvan Van der Zant de directeur was. Ze zongen goed. Ze wisselden hun zangen af met die van den priester. Een zeker aantal personen (familieleden?) kregen ouwels van de priester en kwamen terug naar hun plaats, de handen gevouwen, strak de gezichten. Weer gezang. Gerinkel van belletje. Blijkbaar verricht de priester een heilige handeling. Het duurde lang. Toen de dienst was afgelopen vroeg ik Roland: "Wat vindt u er van? 't Is of ze besjokke zijn" zei deze. "Dat zijn nou ontwikkelde, geleerde mensen. Ze zijn bepaald besjokke. 't Is toch onbegrijpelijk dat mensen, die toch logisch denken kunnen, zo iets kunnen doen". Als ik zeg dat je er met logisch denken ook niet komt, beaamde hij dit. We gaan nu naar het kerkhof waar onder gezang de kist wordt neergelaten in het graf. En als de leden van het zangkoor, al gebeden zeggende het kerkhof verlaten, schaart zich weer een andere groep personen om het graf en zingt. We gaan nu weer naar het sterfhuis en praten nog wat met de weduwe en kinderen over den overledene, die een week geleden nog voor de klasse stond. Gedurende zijn leven heb ik nooit veel bijzonders in hem gezien dan zijn uiterlijk, nu is hij door die plechtige dienst op een hoger plan gekomen. Hoe weinig kennen wij elkander toch gedurende het leven.
Vrijdagavond 8 mei met consul Von Bülow en Herr Wippersfeld per auto naar Groningen. Zaterdagmorgen te 6 uur op, naar Dokkum. Inspecteerden militaire graven te Warffum en Kloosterburen en waren verrukt over Groningen. Nergens zal men zulk een weelderig rijk land zien met vorstelijke boerderijen - terpen - de oude dijken. Te Dokkum auto gerepareerd en door naar Oostmahorn waar wij 12.30 aankwamen. Daar de geschenken uitgereikt aan Mees Toxopeus en anderen. Onze mannen zagen er keurig uit. Consul Von Bülow en Wipperfeld door met de "Hilda" naar Schiermonnikoog en Ameland. Het zijn goede geschikte mensen. Hoe verschillend is hun optreden van dit van Duitsers vóór de oorlog.Tom al spoedig te werk gezet aan de "Brandaris" vervolgens aan de "Neeltje Jacoba" en aan de "Zeemanshoop". Dit had vele reizen tengevolge. Ook ging hij naar Helder voor de inspectie van de "Dorus Rijkers" en bezocht Adrianus IJsbrand Kuiper, die 55 jaar getrouwd is.
10 juli. 's Morgens Harwich en met een voortrein naar London, aankomst Liverpoolstr. te 8 uur ongeveer, per taxi naar Charing Cross station en over het nog stille Trafalgar square gewandeld naar 22 Charing Cross road waar ik een penny deed in de bus van de Reddingmaatschappij.
9.15 naar Dover, en bij aankomst ontmoet Sir Godfrey Baring, Shee, Rowley, Barnett. Het platform. Ik zit vlak schuin achter de Prins. De Mayor. Welkomstspeech, speech van Baring, van verschillende anderen ter verwelkoming van den Prins, Rowley, de aartsbisschop van Canterbury, de Prins. Deze zegt o.a. dat hij welkom heet "Mr. de Booy, an old friend of the Institution". Het is een mooie dag. De hoge klip van Dover met het kasteel beheerst het geheel. Er zijn twee Hollandse mijnenleggers en de commandanten maken kennis met mij. Alles is goed geregeld. Padvinders, elegante dames van de propagandacommissie, oudstrijders. Maar hoe zenuwachtig is de Prins. Als hij zijn rede heeft voorgelezen biedt Baring hem een zilveren schaar aan waarop hij dezen een penny overhandigt (tegen het afsnijden van vriendschapsbanden) en wordt de boot te water gelaten.
7 augustus, op Rottum. De Voogd is weinig veranderd, wat magerder geworden hetgeen goed voor hem is. Ik praat met hem over 1ste: de opheffing van Rottum, waarop hij zegt dat het niet nodig is dat Rottum wordt opgeheven, maar hij komt, doorpratende, toch tot de mening dat dit wel aangewezen is, omdat men bij stormweder niet bij de reddingboot kan komen en dat dit ergerlijk is voor de bemanning. Doorpratende komen wij tot de mening dat een lijntoestel, zowel een vuurpijltoestel als een pistool, wel nuttig kan zijn om een lijn te schieten over een tjalk die nabij het eiland komt vast te zitten, of als een boot in het ijs vastraakt. 2de: over Kuiper en het plan wachtgeld, gekoppeld aan dienst bij den Voogd. Kuiper is een uitstekend werkman, smeden, bankwerken, galvaniseren, ook reparatie met hout, bootbouwen, maar als ondergeschikte is bij moeilijk omdat hij zich gegriefd voelt als hem iets wordt opgedragen. Men moet heel voorzichtig met hem omgaan. Als men zegt "Dat heb je tip top gedaan, Jan" dan werkt hij zich in het zweet, maar die overgevoeligheid is moeilijk. De voogd zegt:"Ik ben niet bang voor hem, maar ik heb respect voor zijn lastige karakter". Ik ga om ½ 5 weer terug met de boot van de Voogd met Thijs Toxopeus, die niet uitgegroeid is, en een 2de man, onlangs nog bakkersknecht. Samen verstaan ze niet veel van de motor van 20 PK, een Zweeds motortje, die van tijd tot tijd stopt, ook wel omdat er geen benzine in de tank is of niet toe kan vloeien. Om ½ 8 komen wij binnen bij Noordpolderzijl. 't Was mooi op het wad, de lucht donker, op sommige plaatsen de wal helder groen, de uitgestrekte droogliggende plaatsen bruinachtig paars. Daarop de meeuwen langzaam voortwandelende. Van tijd tot tijd regende het, dan zat ik in de kap.
9 augustus. Van de Poll zegt de dienst op met 1 october. Hij zegt eerst dat hij graag een paar dagen verlof wil hebben en dan dat hij "ook met het oog op de toestand van zijn vrouw" met 1 oct. weg wil. Van de Poll heeft meer dan 20 jaren onder mij en met mij samengewerkt. In de laatste jaren is hij vol grieven tegen mij geraakt, grieven die onbetekenend lijken voor ieder wien ze niet aangaan. Nu loopt het over de rand, nu ik Tom heb gekregen als adjunct en hem de zaken overgeef en niet aan Van de Poll, zoals vroeger als ik wegging.
21 december, Zondag, ga ik met twee verslaggevers van het Volk naar Rottumeroog. 's Avonds te Leeuwarden hotel Phoenix.
22 december. 's Morgens per auto naar Oostmahorn omdat men ons niet had geroepen en per Insulinde naar Rottum buiten om, doch onder het strand door bij Schiermonnikoog, vervolgens over het rif te Rottum, aankomst ca. 13 uur. Er stond vrij veel zee en branding. Dit gaf mij een enigszins zeeziek gevoel. Ik was blij met de bonten jas van Charles. Ik word wat oud voor dergelijke tochten. Visser van Oostmahorn was ook mee. De verslaggevers waren P. Bakker en Föncke Kupers, een tekenaar, tevens zanger. Rottum ziet er droevig uit en doet meer dan ooit denken aan het "Behouden huis" op Nova Zembla. De schuur is afgebroken en het huis staat enige weinige meters van de rand der duinen, die stijl zijn afgeslagen. Het moet indrukwekkend zijn hier bij hoge zee. De Voogd, de vrouw van de Voogd, Jan Toxopeus, 2 knechten, 2 meiden en enige toevallig op het eiland vertoevende mensen, o.a. een sergeant in verband met de verlegging van de telefoonkabel. De Groninger kaap staat op het strand en zal vermoedelijk over enige tijd in zee staan. 's Avonds zitten we in de kamer van den Voogd en komt het gesprek als vanzelf op "ontwapening", Het blijkt dat ik de enige ben die zich beslist uit vóór een verdediging van het vaderland. Ieder uit zijn mening: De domste is Visser van Oostmahorn die niet gelooft aan het bestaan van gevoelens waaraan hij zelf niet gelooft. Hij kan zich niet voorstellen dat er ooit weer oorlog komt, dus gelooft hij er niet aan. P. Bakker van het Volk valt niet mee. Föncke Kuper is een aardige kerel, een fijne natuur, met een fijn gezicht ook. Dat van Bakker is grof, onbeschaafd. Hij is niet zo kwaad, maar onontwikkeld. Ik vind het moeilijk hun praat aan te horen en dan te weten dat 1/3 van de natie en wellicht meer, net zo praat. Ik ga om 9 uur naar bed, leg de bonten jas op het bed en slaap goed tot ½ 8 volgende morgen.
1931
7 januari. Met Tom naar Wijk aan zee en daar vriendelijk ontvangen door Roland die ons uitstekende koffie schenkt. Ik lees de Commissie de les naar aanleiding van haar gedrag.
17 januari. Proeftocht Tjinegara. Er waait een zware storm uit het NW dus gaan we niet uit doch in stede daarvan naar Amsterdam. Als ik thuiskom hoor ik dat Moddergat 5 man heeft gered. We wilden dit station juist opheffen.
7 maart. Ik naar de begrafenis van Govers te Callantsoog. Het is een erg koude dag. [...] Eindelijk komt de stoet aan. Eigenaardig gebouwde rijtuigen. We gaan naar het kerkhof om de kerk, die er zo aardig uitziet - gerestaureerd - met z'n eigenaardige toren. Mooi het wit van de toren met z'n groene kap en die blonde duinen. We houden de hoeden op. Wat doen die bidders onhandig met de touwen, die ze maar niet van onder de kist vandaan krijgen. De burgemeester Breebaart spreekt eerst en vergelijkt het leven van Govers met een boek dat nu gesloten is. Dan kom ik, en eindelijk burgmeester Lovink, mijn oude vriend. Een bedankje van een familielid. Govers was een boer met een goed verstand en een gevoelig hart, die veel van bloemen hield en mij herhaaldelijk hetzij bloemen of bollen aanbood bij mijn bezoeken aan Callantsoog. Toen ik hem toesprak toen hij 40 jaar lid van de Commissie was en hem een wandelstok met gouden knop aanbood zei hij: dank je wel voor je drukte. Maar hij was erg trots op zijn stok, wees iedereen de knop met de daarin gegraveerde opdracht.
18 maart.Als ik 's avonds 23 maart thuis kom word ik ontvangen met gelukwensen van Hilda en Engelien omdat ik de gouden De Ruytermedaille heb gekregen van de Koningin. Dat is een hoge onderscheiding, die niet veel wordt verleend.
28 maart. Bouvelet vanmorgen afgehaald om 11.30 uur en herkende hem. Naar de Nederlandse Bank om bij te wonen het uitreiken van de De Ruytermedaille aan den kapitein van het Hospitaalkerkschip "De Hoop" door Vissering. Ik ben nu ook in het bestuur van die vereniging. Ik ben nu in de volgende verenigingen en betrekkingen waaraan ik iets te doen heb: NZHRM - Zeemanshuis- Raad v.d.Scheepvaart - Amsterd. Montessorischool - Ned. Bouwmaatschappij - Adderfonds - Oosterse Handel en Rederijen - Hospitaalkerkschip "De Hoop" - Handelsblad - Concertgebouw.
Zondag 25 october. Hoe men onderhevig is aan stemmingen merkte ik weder eens op dinsdag 20 dezer toen ik de vorige dag en 's morgens enigszins op mijn manier gegriefd door Tom, een gevoel had alsof ik er maar moest uitscheiden. We hadden 's middags vergadering van de Reddingmaatschappij waarop aan het slot Tegelberg het woord nam, zeggende dat hij nog wat had te zeggen. Hij deelde toen mede of liever herinnerde er aan en stelde vast dat ik 31 october a.s. 25 jaar bij de Reddingmaatschappij zou zijn en hoe hij zo gaarne had gezien dat ik dan de Nederlandse Leeuw zou krijgen. Ik had die in l924 reeds verdiend en nu had hij er met Röell over gesproken, die er alles voor gevoelde en toezegde dat ik hem zou krijgen. Maar Tegelberg ging ook naar Fock (Hoofdinsp. van de Scheepvaart) en deze handelde onafhankelijk en bezorgde mij de gouden De Ruytermedaille, ook een hele mooie onderscheiding, maar niet de Leeuw, die gedragen kan worden (dagelijks). Toen zei Röell: nu is het onmogelijk! Natuurlijk. Verder sprak hij mij toe met woorden vol waardering voor hetgeen ik in die 25 jaar had gedaan en ik verliet de vergadering in een heel andere stemming. Ik verzocht dat een mogelijke huldiging in kleine kring zou blijven, maar Tegelberg wilde toch dat de boothuizen zouden vlaggen en dit zal nu gebeuren op Zaterdag 31 october. Ik vind het een hele grote eer.
1932

De 3e Internationale Reddingboot Conferentie werd in Nederland in 1932 georganiseerd. De vloot van de NZHRM lag keurig op leeftijd zodat duidelijk de voortgang in techniek van de C.A.denTex tot de Insulinde te zien was. (Archief KNRM)
1934
18 januari. Gisterenmiddag is het Engelse s.s."Oakford" gestrand op Eierlandse gronden. "Eierland" er heen om ca. 7 uur. Toen die niet terugkwam "Brandaris" er heen. Eierland kwam 's morgens terug. Bemanning wilde niet van boord. Ging ten slotte met eigen sloep van boord waarbij allen verdronken. Tom is vanmorgen naar Texel gegaan. Ik telefoneerde om ½ 12 met hem toen hij op de vuurtoren Eierland was. Vandaag 16 october vergadering Reddingmaatschappij. Er werd besloten tot een 5% salarisverlaging. Tom en ik gaan daardoor elk f 400.- omlaag. Het wordt tijd dat ik weg ga van de Reddingmaatschappij, maar dat meen ik niet.
1935
17 september. Zware storm. Een stoomschip strandt op rif van Borkum en Toxopeus met de Insulinde redt de bemanning terwijl de Duitser er niet bij kan komen.
5 november. Met Tegelberg en Tom naar Egmond om de onderscheidingen uit te reiken die wegens de redding Drenthe en Kerkplein zijn verleend. Tom heeft zich in die nacht van de redding flink gedragen. Hij heeft werkelijk geleid. Zonder hem zou de plaatselijke commissie er weinig van terecht hebben gebracht. Waarschijnlijk zouden er ongelukken zijn gebeurd. We werden ook buiten het hotel gefotografeerd met de Drenthe achter ons. Deze ligt op 80 meter afstand van de duinvoet, een afstand zo klein dat men zich bijna niet kan voorstellen dat die redding zoveel moeite en gevaar heeft gegeven. Toch was dat zo. Het was nacht en de zee sloeg met kracht tegen de duinen.
Zaterdag 13 februari met de tram naar Zandvoort. Om 12 uur bij burgemeester van Alphen, waar ook Tegelberg en Tom. Daar koffiegedronken en vervolgens de begrafenis. Eerst schipper Molenaar, waarbij Van Alphen en Tegelberg spraken. Van Alphen herinnerde aan de houding van schipper Paap en bemanning bij de ramp Salento en leidde daaruit af dat de mannen van de reddingboot te Zandvoort de zee kunnen beoordelen. Hij begaf zich hier op ietwat gevaarlijk terrein met het oog op de aanwezigheid van enige IJmuidenaren, die de poging tot redding Salento medemaakten.
1937
Ds. Tromp sprak goed bij Molenaars graf, er op wijzende dat het hier geen "toeval" was, dat wij allen in Gods hand zijn. Ik weet wel, zeide hij, dat ik hier tegen mensen spreek die niet denken aan een toeval. Bij de begrafenis van Schuiler sprak weer Van Alphen, daarna Tom, heel goed. "Wij zijn geslagen, maar niet verslagen", zei hij. Het was mooi Tom dat te horen zeggen. Bij zulke gebeurtenissen gevoelt men de verantwoordelijkheid zo leider te zijn van een bedrijf waar het personeel grote gevaren loopt.

De lancering van de roeireddingboot van Zandvoort (Archief KNRM)
(Redactie: Mijn vader was in de reddingboort van Zandvoort tijdens een oefening in februari 1937. De reddingboot was uitgevaren onder schipper J. Molenaar Er stond een flinke branding windkracht 4-6 Op de tweede bank brak al een zware breker in de boot. Nog voor het water uit de ontlastbuizen was leeggelopen stortte een tweede grondzee in de boot. Toen een derde de boot oppakte sloeg deze over bakboord om. De meeste roeiers konden zich vastpakken aan de grijpkielen van de omgeslagen boot, die langzaam naar de wal dreef. Helaas bleek schipper J.Molenaar de roeier Schuiten onder boot te zijn geraakt. Beide overleden).
5 maart naar Noordwijk aan zee om Jan van Kan te spreken, die al lang lijdt aan spierontsteking of reumatiek of wat ook, Ik vind hem als een oude man zittend in een stoel. Hij begint al gauw over het geval te Zandvoort te spreken en is dan aangedaan en is niet uitgepraat over Tom. "Wees dankbaar dat je zo'n jongen hebt. We hoorden 't om 8 uur door de radio. Ik lag in bed. Laat me er uit. Wat is het. Goddank is De Booy behouden. Toen kwam de een na de ander, allemaal mensen van de reddingboot, of we 't wel gehoord hadden. Goddank, zeiden ze allen, De Booy is niet verdronken. Ja ze houden allemaal erg veel van je jongen. 't is eigenlijk te gek. Alleen Simon Verloop, de communist, die zegt dan 'De Booy is niet Onze lieve Heer'. En 't is overal zo langs de kust. Ik ben daar geweest te Egmond na de Drenthe, daar zatten die kerels allemaal dronken in dat kroegje, maar ze waren allemaal vol lof over De Booy. En de meisjes zeggen: Ik wou dat ik zo'n knappe jongen kreeg. Ja, je moet dankbaar zijn dat je zo'n jongen hebt. Toen hij [Tom de Booy] me kwam opzoeken liepen de tranen over z'n wangen. Ik dacht, is dat nu een verhouding van een meerdere tot z'n mindere." Z'n dochter Johanna was bezig in de kamer en mij trof de eerbiedige wijze waarop ze hem toesprak. Z'n vrouw magerder nog dan vroeger. Ze staan erop dat ik een visje blijf eten en ik doe het ook na eerst een bezoek te hebben gebracht aan de slagerij van Van den Berg, die gehuwd is met Leentje Cramer, de dochter van Cramer die in l9l9 omkwam met de reddingboot bij de KW 47. Deze slagerij, die dus is gekocht met de f 900.- die Leentje ontving, zag er netjes uit en ze hebben er een behoorlijke boterham van. Arie van Kan wijst mij hoeveel de kust bij Noordwijk is afgeslagen bij de storm in December. Dit is 8 meter en het doet dan weer denken dat deze storm wel iets heel bijzonders is geweest
1938
12 februari [naar Terschelling, wegens het overlijden van Cupido, vroeger schipper van de motorreddingboot Brandaris]. In het hotel horen wij dat Tegelberg in het sterfhuis Cupido is. Ik met Tom naar Cupido. Weduwe met Piet en Marietje en familieleden. Ik zeg dat zij goed op haar man gepast heeft, waarop zij antwoordt dat dit ook zo is en dat zij een goed geweten heeft. Cupido gezien, liggend in de kist, door een venstertje in het deksel. Hij is geheel de oude Cupido, onbegrijpelijk jong. Koffiedrinken in hotel, l.15 met commissie en bemanning Brandaris naar Hoorn. In "Ons Huis" worden we ontvangen. Daar staan twee lange tafels met tafelkleden er op en een dwarstafel aan het hoofd voor de familieleden. De gasten aan de lange tafel elk een kopje met een kandijklontje voor zich. We worden ontvangen door een statige mooie oude dame in de dracht, een verschijning die in de 17e eeuw behoort, een gaaf, blozend gezicht. Er zijn nog meer oude dames in de oude dracht, samen zeven. Hoe goed kleedt die dracht. Niemand zegt iets. De kist staat in het midden van de zaal. Eindelijk komt de dominee en spreekt eenvoudig en goed in verband met Mattheus ... Jezus de bemanning bestraffend als zij vreesachtig zijn gedurende de storm. Eindelijk kwamen de dragers. Enkelen sloegen nog een laatste blik op Cupido en toen werd hij weggedragen en liepen allen rond het oude kerkje. Aan de Noordzijde zijn 2 graven van Duitse matrozen, drenkelingen gevonden gedurende de oorlog. Drenkelingen worden steeds aan de Noordzijde begraven. Er was juist zon, maar het was nog stormachtig. De dominee sprak weer goed, daarop Tegelberg, Cupido lovende als schipper. Een familielid, een onderwijzer, bedankt en het trof me, zo duidelijk hij articuleerde en de uitgangen ook uitsprak. Het was mooi. Daarop zaten we weer aan de tafels in Ons Huis en dronken we thee uit de kopjes.

Jan Cupido , schipper mrb Brandaris I, 1912
(Over de zwijgzaamheid van Jan Cupido, schipper van de 'Brandaris I' heeft mijn grootvader Hendrik de Booy het volgende verhaal opgetekend :"Het had hard gestormd uit het Noordwesten gedurende de nacht en 's morgens kreeg ik bericht, dat de Brandaris was uitgegaan op een niet geheel duidelijke mededeling van de vuurtoren. Het was ,onze eerste Brandaris, die uitvoer met de geweldige, stilzwijgende Jan Cupido als schipper. Toen ik te Terschelling aankwam was de reddingboot al in de haven terug en de bemanning was nog bezig met olieladen en het zeeklaar maken van het·schip voor een volgende tocht. Al zeiden ze het niet, het was aan de mensen te zien, dat zij een zware tocht achter de rug hadden. Zij hadden lang gezocht, maar niets gezien. Ze deden hun werk stilzwijgend, want Cupido hield niet van praten. Toen ze gereed waren met het zeeklaar maken van de Brandaris, zei Cupido, met de hand aan de pet, tegen een lid van de reddingcommissie "Klaar om uit te gaan ". Toen gingen ze, ieder naar z'n eigen huisje. Het was indrukwekkend geweest Cupido, die vrijwel nooit sprak, die korte woorden te horen spreken, zijn ernstige gelaatsuitdrukking waar te nemen en zijn zware stem te horen. Drie en een half uur later belde de vuurtoren weer op, gaf nu nauwkeuriger berichten omtrent de plaats van het in nood verkerende schip. Het sprak vanzelf, dat Cupido en zijn bemanning wederom uitvoeren in de storm en de mensen redden, die zich nog op het in twee stukken gebroken schip bevonden . "Klaar om uit te gaan", zei hij nogmaals met dezelfde zware stem, toen hij de geredden aan wal had gebracht en alles zeeklaar had gemaakt. "Klaar om uit te gaan", zou men de zinspreuk kunnen noemen van onze reddingbootbemanningen, waaraan zij steeds getrouw bleven ).
We gingen met de bus weer naar het hotel. Ik heb een kachel op mijn kamer. Tegen de avond ging de wind naar het Noordoosten en werd nog krachtiger. Tom zei dat hij, als er iets gebeurde en de Brandaris was nodig, hij mee zou gaan. Ik zei, dat mot je doen. Ik had gisteren al gezien dat de bemanning Toms stoerheid bewonderde. Ik twijfel er echter aan of hij bestand is tegen een nacht op zee met de Brandaris bij zulk weer in deze tijd van het jaar. Hij zal er wel levend van afkomen, maar het heel armoedig hebben. Het beste is beneden te gaan zitten, zo lang mogelijk.
Zondag 13 februari. Er is gelukkig niets gebeurd gedurende de nacht. Naar Dekker waar gesproken met juffr. Dekker en Sipke. Juffrouw Dekker spreekt over Cupido en over z'n tweede vrouw, die volgens haar een 'uutsochte' vrouw voor hem 'war', want toen die meisjes Pietje en Marietje nog klein waren moesten ze van Cupido altijd klompen dragen, terwijl alle andere kinderen schoenen droegen. Dan liet de Moeder hun klompen dragen en daar liepen ze dan mee over het stenen straatje, zodat C. het goed hoorde, maar bij het hek deden ze de schoenen aan. Ze 'verneukte' hem. Ja 't was een 'uutsochte' vrouw. Nou, is dat dan niet zo? Naar het hotel om te eten. Het sneeuwt van tijd tot tijd. De wind vermindert wat. Gesprek met een Terschellinger zeeman. Hij is zeeman geweest, behoorde tot de buulgasten, heeft drie schepen verloren, is daarna 28 jaren bij de politie geweest te Amsterdam, brigadier-wachtmeester in de Jordaan. Over het karakter van de Jordaners die het politiebureau beschouwen als de plaats waar oplossing te vinden is voor al hun moeilijkheden. Hij zegt dat er erg bezuinigd is op de politie te Amsterdam. Alles en alles samen 2400 man. Daarom blijft dan voor agenten op straat 1800 man. Gezien het aantal diensturen is dat 600 per ploeg. Dit verminderd met verlofgangers, zieken enz. dan rekent hij dat er niet meer dan 300 agenten op straat lopen (dit lijkt mij weinig). Die mensen weten dat er niet veel hulp is op de bureaux, hetgeen de stemming niet verbetert. Mijn vriend acht de revolver van de politieagent een wapen dat hij alleen voor lijfsbehoud mag gebruiken, niet om bij kleine overtredingen schrik aan te jagen. Een gewone politieagent verdient circa f
2100.-, maar daar gaat 10% vanaf. Er is zeer op het personeel bezuinigd. Er zijn nu evenveel mensen als in l922. Mijn vriend heet Groendijk.13 september. Vergadering van de Reddingmaatschappij waarbij
ik mijn mening uit over de houding die wij tegenover het Dorus Rijkersfonds
behoren in te nemen. Mijn mening is dat de Reddingmaatschappij verplicht is goed
te zorgen voor allen die diensten hebben verleend in hare reddingboten. Wanneer
een ander hetzelfde werk gaat doen dan kunnen wij dit niet beletten. Wij kunnen
dan slechts overwegen of wij soms te kort zijn geschoten in de wijze waarop wij
onze taak uitvoerden en maatregelen nemen die leiden tot verbetering. Nooit
mogen wij een deel van onze taak overgeven aan een ander. We zullen natuurlijk
wel hulp mogen aanvaarden, ook van het DR fonds. Ik heb op de vergadering
duidelijk mijn mening gezegd. Mijn standpunt is echter niet aanvaard, noch door
den voorzitter, noch door een der anderen. Het is voor mij, die zovele jaren de
zaken der Reddingmaatschappij heb geleid, eigenaardig te moeten ondervinden dat
op zulk een belangrijk punt mijn standpunt niet aanvaard wordt
De Reddingmaatschappij zal nu dus met het Dorus Rijkersfonds,
dat gedurende vele jaren een geheel onjuiste indruk van ons werk ingang heeft
doen vinden bij het publiek, een onjuist beeld ook van de toestanden aan de
kust, een overeenkomst aangaan volgens welke wij een deel van ons werk aan het
DR fonds overdragen. Dit acht ik beneden onze waardigheid. ( Dit is de enige
opmerking van mijn grootvader die hij uitspreekt over de zo voor hem zo netelige
kwestie. Zie hierover veel meer details: hoofdstuk 3 herinneringen van
mijn vader H.Th. de Booy).
1939
Gisteren 13 januari naar Noordwijk en daar in de kamer van de burgemeester afgerekend met Hellenberg, die 21 jaar is geworden en die daarom in het bezit komt van zijn deel van het Fonds Ramp Noordwijk 24 november l9l9. Het is van
f 3800 aangegroeid tot ruim f 10.000 in 20 jaar. Daarna naar Noordwijk aan zee en in de bazaar van Jan van Kan zaliger zijn zoon Arie ontmoet met z'n vrouw, Hij was juist klaar met de balans, zei hij, zag er niet uit als iemand die met een balans is bezig geweest, daar hij aan het smeden was geweest, dus geheel onder de olie en roet zat. Aardig om te zien hoe hij brieven van z'n vader altijd bij zich draagt, ook een briefje van mij aan Jan van Kan.1940
8 febr. Ik vroeg Niël hoe de stemming is in de Wittenburgerstraat. "Ik vraag excuus", zegt hij, "Bitter". En toen legde hij uit dat het te begrijpen was dat de stemming bitter is wanneer men bedenkt dat het moeilijk is voor een gehuwd paar van f.10,80 steun per week rond te komen en tevens iets te kunnen doen aan herstelling of vernieuwing van huisraad en kleren. Die mensen zien dat ze zakken. Worden ze communist? vroeg ik. Neen, zei hij, ze zijn socialist, maar communist worden ze niet. Ze zien te goed het voorbeeld van Finland. En worden ze nationaal socialist? Dat helemaal niet, zei Niël, Faksist, daar moeten ze helemaal niets van hebben. Er was een groentehandelaar in de Wittenburgerstraat, die was faksist. Nu die kreeg iederen dag vast een pak slaag en is moeten verhuizen

P.B.Niël, magazijnmeester Grote Wittenburgerstraat te Amsterdam
maandag 13 mei De vergadering der Reddingmaatschappij werd door niemand bezocht. De Zeemanshoop was de reddingboot van Scheveningen, die in de nacht van vier op vijf mei door vier studenten was bemachtigd en uiteindelijk met veel vluchtelingen aan boord in Engeland arriveerde
8 oktober. Namiddags vergadering van de Reddingmaatschappij. [wij hebben] besloten dat wij onze reddingboten niet geven voor tochten verder dan 15 mijl uit de kust.
1943
3 juli Ging naar de oude heer Rose, die onze Reddingmaatschappij zijn vier apotheken schonk. Hij diende lang met mijn broeder Chrik in Indië. Doet gaarne verhalen uit het verleden. Op zeer jeugdige leeftijd ging hij naar Hellevoetsluis, werd tenslotte machinist bij de Marine. Toen hij te Hellevoetsluis aankwam zag hij bij aankomst de afstraffing van bootsmaat Baangooyer, die veroordeeld was tot 85 slagen. De mensen die moesten slaan, zijn collega's, kregen zelf 12 slagen als ze het niet goed genoeg deden. De provoost geweldige stond erbij en dirigeerde met zijn staafje, hardop tellende. Rose vond het vreselijk. Een van zijn herinneringen. Kwartiermeester van Wijk, bijgenaamd Hampie. Toen die met de Van Galen naar Indië ging had hij twee zoons en toen hij na 3 jaar terugkwam vond hij zijn familie vermeerderd met 3 dochters. Toen Rose hem (nieuwsgierig) vroeg hoe het wederzien was geweest antwoordde hij: dat zal ik je zeggen, Rose. Heb je mijn zoons wel eens gezien? Ja. En hoe vond je ze? Flinke jongens. Ja, ze heeft goed voor ze gezorgd. Nou heb ik tegen haar gezegd: je hebt goed voor mijn kinderen gezorgd, nou zorg ik goed voor de jouwe. "Een fideel man":, ze Rose. Toen Rose in de West was, in Paramaribo, was Van Asch van Wijck daar goeverneur, een nobel mens, die alles over had voor de kolonie, zozeer zelfs dat hij zijn salaris niet wilde aannemen."De gouverneur," zegt Rose, "wilde mij in aanmerking brengen voor een schip dat in Holland voor de West zou worden gebouwd. Ik had er plezier in en nam ontslag uit de Marine. Maar in Holland stond de Kamer tegen verwachting de bouw van het schip niet toe en zo was ik zonder inkomsten. Ik zal ongeveer dertig geweest zijn. Toen ontmoette ik in de Kalverstraat mijn oude vriend Blad van de Stenge Kompanie. Wel Blaadje, wat doe je hier, zei ik. Hij legde mij uit dat hij bode was van een levensverzekeringmaatschappij en ik, die nooit van zulk een maatschappij had gehoord, liet mij de werking uitleggen, want ik kon maar niet begrijpen dat men door betaling van een premie er zeker van kon zijn dat men geen dakpan op zijn hoofd kreeg, Maar wat doe jij nou, zei ik, en toen Blad mij had uitgelegd dat hij als bode postjes moest aanbrengen en daarvan dan provisie genoot, toen zei ik, wat ben je een stommeling, is dat nou een werk een ander rijk te maken. Waarom doen wij het niet zelf? Dat kon niet, zei Blad, daar waren millioenen mee gemoeid, enz. enz. Maar ik bleef op mijn stuk staan en hoewel we samen maar zevenhonderd gulden bezaten richtten we, na lang tegenstribbelen van Blad, de Nederlandse levensverzekering van 1879 op. Hij woonde bij zijn ouders op de hoek van de Keizersgracht en op zijn slaapkamertje boven hadden we het kantoor. We zaten op de rand van het bed en werkten aan de tafel. Op een dag liep ik door de Kalverstraat en jawel, daar kwam ik een ouden vriend tegen, bijgenaamd de Gammele. Hij had, met het voorbeeld van Hampie voor ogen, het veiliger gevonden bij zijn vrouw te blijven, op deze wijze wakende tegen gezinsvermeerdering waarin hij geen hand had gehad, had gesolliciteerd bij de Spoorwegen en was benoemd, omdat hij een zeeman was, had de Directie gezegd, op de lijn Amsterdam via Zaandam naar Den Helder. Maar na korte tijd stond hij weer op straat, want van een vrolijk humeur zijnde had hij als conducteur grapjes gemaakt met een aantal Zaandamse meisjes, die uit waren met hun jongens. Die grapjes namen ten slotte zulk een vorm aan dat aan het station te Zaandam die meisjes een kring vormden om de conducteur en om hem heen dansten, zingende, "conducteur laat ons niet gaan, wij zijn de mooie meisjes van de Zaan" of iets dergelijks, waarop een van de begeleidende jongens, jaloers zijnde, zijn beklag deed, wat zijn ontslag tengevolge had. "Ik heb een betrekking voor je" zei Rose", je bent bode bij de Nederlandsche Verzekeringmaatschappij van 1879". Tien jaar later kochten we het grote huis op de Keizersgracht waar de burgemeester in woonde. We hadden toen al een ander huis op de Keizersgracht gekocht en een op de Leliegracht. Doordat ik een goed gezond verstand had en opgewekt was stroomde het geld naar me toe. Ik kreeg eerder te veel dan te weinig en de zaak breidde zich voortdurend uit. Van het een kwam het ander. Zo kwam ik op ziekteverzekering en ten slotte tot de oprichting van zes apotheken. Daarvan zijn er nu nog vier over, een ervan heb ik gesloten omdat de hoofdapotheker mij bestal. Ik heb het personeel verzocht de apotheek te verlaten en toen ze allemaal buitenstonden heb ik de deur gesloten en de sleutel in mijn zak gestopt." Toen ik vertrok zei ik dat ik hoopte hem nog eens te mogen bezoeken. "Zoals U belieft", zei hij.
14 juli Het bestuur van het Dorus Rijkersfonds is ontslagen en vervangen door een NSB bestuur. Van den Bergh brengt verslag uit over de apotheken. Dit is, wat de personeelstoestanden betreft, niet gunstig. Verbetering is dringend nodig. Aan Van den Bergh is dit werk zeker toevertrouwd, maar het zal hem veel zorg baren. Zal de heer Rose zijn toezegging nakomen dat hij bij zijn dood aan de Reddingmaatschappij de rest van zijn bezit al nalaten, voornamelijk bestaande uit huizen?
18 oktober. Schipper Bot heeft na zijn vrijlating uit de gevangenis alweer een redding uitgevoerd. Hij redde twee Duitsers. Hij heeft het de laatste tijd goed gehad in de gevangenis, moest werken in de keuken, daarna in de tuin en toen hij wat dikker werd, werd hem plotseling gezegd: Heraus! Sie müssen gehen! Gisteren vergadering van de Reddingmaatschappij, waarbij de apotheekkwestie weder ter sprake kwam. Wij schreven een mooie brief aan Rose, maar wat die brief zal opleveren is nog niet bekend. Het advies van mr. Masthof luidt dat wij niet van onze schenking af kunnen
1944
25 februari. Heden kwam Mees Toxopeus, die met de "Insulinde" te Nieuwendam ligt en bracht boter en olie mee als cadeau. Hij ziet er goed uit, praat aardig en opgewekt en bleef bij ons middageten. Hij kreeg aardappelen met veldsla en bieten met jus en geweekte pruimen, vertrekt Dinsdag weder naar Oostmahorn. De komst van Mees was als een frisse wind in onze gevangenis. Hij is wat meer gezet dan vroeger, maar niet veel ouder geworden. De veldsla interesseerde hem, hij had zoiets nog nooit gezien, vertelde van iemand in Oostmahorn, die had gezegd dat we na de oorlog zouden zeggen dat "niemand zou gezegd hebben dat gras zo lekker is". Hij vond dat de veldsla een beetje op klaver leek en was verbaasd te horen dat die veldsla twee gulden per ons kostte. Mees wilde zijn handen telkens aan zijn sokken afvegen, vond het jammer zijn servetje vies te maken, gebruikte toen Engeliens servet. Hij vertelde van de tocht die hij met Tom had gemaakt toen hij werd overvallen door een orkaan. Ze waren dwars van Schiermonnikoog, hadden de wal helemaal niet gezien. Hij schat de brandinggolven die over de Insulinde heenliepen op 6 meter hoogte, ze zaten soms helemaal onder water.
12 april. Vandaag eerst tarwe gemalen, 1¼ uur, vervolgens groente (raapstelen) gehaald bij Van Gelder, vervolgens het Zweedse brood gehaald bij "De Spar" en toen ik thuis kwam was Rolff er met z'n zoon en z'n glundere gezicht met een welbepakte wagen waarmede hij enige malen was aangehouden. Maar dan wees hij op z'n trui en de letters NZHRM erop en dan zeiden ze "Ga maar door". De Dorus Rijkers was gekomen met tarwe en de Twenthe met aardappelen. Wij kregen twee flinke zakken aardappelen en een flinke hoeveelheid tarwe (10 kilo). Schipper B. bracht het bericht dat op Texel de mongolen een aanval hadden gedaan op de Duitsers en deze hebben vermoord, dat daarop assistentie is gekomen uit Den Helder, dat Texel vanuit Den Helder is beschoten en dat er 300 doden zijn.
1946
7 juli. Namiddag vergadering Reddingmaatschappij, waarbij Tegelberg belangrijke verhogingen van salaris voorstelt, zodat Tom nu f 12000.- ontvangt. Freule van Asch van Wijck naar ik meen 2800.- Reusachtige salarissen. Ik meen dat zo'n meisje f 600.- verdiende en dat ik het al buitengewoon vond toen ik de helft verdiende van wat Tom nu verdient. Alles is ook heel veel duurder. Hebben wij al inflatie?

Hendrik de Booy op latere leeftijd op het kantoor van de N.Z.H.R.M.(Archief KNRM)
Dinsdag 12 november '46. 2 uur naar Reddingmij. Ik heb mijn ontslag gevraagd en dit wordt dadelijk in behandeling genomen. Aanwezig waren: Tegelberg, Hudig, v.d.Bergh, Tom, Quarles en Koning, later ook nog Van Riel. Tegelberg sprak mij zeer hartelijk toe, zeide dat ik in die 40 jaren ontzaglijk veel voor de Reddingmaatschappij had gedaan, dat bij mijn komst het bestuur eigenlijk zeer weinig deed en dat na mijn komst alles was veranderd. Hij zeide dat zowat alles aan mij te danken was, dat hij dit nog beter kon gevoelen dan de andere aanwezigen. Het was een aangename bijeenkomst, al was het de laatste die ik bijwoonde. Ik dankte Tegelberg voor zijn gevoelige woorden, zeide dat ik hem steeds had bewonderd als een voorzitter van groot formaat, die op waardige en koninklijke wijze de Reddingmaatschappij had geleid
8 maart. [N.a.v. het overlijden van Daniël Goedkoop]. Ik kwam vroeger als secretaris van de Reddingmaatschappij veel in aanraking met Daan Goedkoop, heb hem steeds op prijs gesteld. Als bouwer van grote schepen kon hij geen reddingboten ontwerpen, zoals herhaaldelijk bleek. Dit is een speciaal werk dat men moet leren. Hij dacht zich te veel een groot schip te bouwen, maakte grote fouten, zoals o.a. bij de "Zeemanshoop", waarvan hij de bovenbouw veel te zwaar (van te dikke platen) maakte, zodat ik, om de nodige stabiliteit te waarborgen, kort na de aflevering een zware kiel moest aanbrengen. De door hem gebouwde "Rutgers van Rozenburg" gaf mij grote zorgen door de grote ruimten die benedendeks vol water konden lopen. Dit bezwaar werd zoveel mogelijk, maar niet geheel, verbeterd door een grote ruimte te vullen met houten luchtkisten. De oude Brandaris had ook veel te grote compartimenten die vol konden lopen. Dit alles klinkt niet als een begrafenisrede maar is wel waar. In l9l7 riep ik professor Vossnack te hulp. Toch hield ik van Daan Goedkoop wegens zijn humor.

Daniël Goedkoop (1874-1946) scheepsbouwer
Goedkoop heeft met de Nederlandse Scheepsbouwmij de hele oorlog, tot zijn werf werd vernield, voor de Duitsers gewerkt. Het heeft mij wel eens verwonderd dat men daarover zo weinig hoorde en wel over het blijven zitten van directeur en commissarissen van het Handelsblad. Ik kan mij wel voorstellen dat hij tijdens de oorlog een uiterst moeilijke tijd heeft doorgemaakt. Nu tegen het eind van de oorlog zijn werf werd vernield door de Duitsers, vraagt men zich af welk nut zijn aanblijven en doorwerken gedurende de oorlog heeft gehad. Hij zal zich dit alles zeer hebben aangetrokken en is er misschien door gestorven. Ik ga niet naar de crematie heden, daar ik weldra 80 ben. Er is nog een aardige anekdote over Daniël Goedkoop te vertellen
"Onder leiding van de heer Daniel Goedkoop, die in 1879 een schip voor Hoorn heeft gebouwd, heeft zich de volgende historie voorgedaan volgens de archiefstukken die zich in het ministerie van Marine bevinden. Een aantal notabelen uit Hoorn had namelijk order gekregen een schip te bouwen voor de dienst van Hoorn naar Amsterdam, welke afstand volgens contract in 3½ uur gevaren zou moeten worden. Het schip kwam gereed, doch bij de eerst proeftocht bleek zij over die afstand wel 3 3/4 uur te doen. Daniel Goedkoop deed er aan wat er te doen was, en ten tweeden male ging men op proeftocht. Het werd toen 3 uur en 40 minuten. Ten slotte voer men ten derden male proef. Toen men halverwege was keek Daniel Goedkoop aan bakboord naar de groene oever van de Zuiderzee en zei:"Dat wordt 5 minuten te laat heren en meer haalt geen mens er uit." "Zo", zeiden de notabelen, "Dan accepteren wij het schip niet". "Juist", zei Goedkoop, "dus dan blijft het schip aan mij". "Zeer zeker", zeiden de notabelen. "Juist", zei wederom Daniel Goedkoop, "dus dan heb ik te zeggen wie er aan boord komt". De notabelen zwegen. "Dan allemaal als de weerlicht van boord", en aldus geschiedde. De Hoornse notabelen, met hoge hoeden, hebben zich toen enige uren lang hoogst eigenhandig in een vletje naar de groene oever van de Zuiderzee moeten roeien omdat zij het schip geweigerd hadden".
1949
19 maart. Tom doet verhalen over de jongste gebeurtenissen op het gebied der Reddingmaatschappij. Wij maken de voorschriften, maar de bemanningen storen er zich niet aan. En ook niet de plaatselijke Commissie. Bij de tochten met de Brandaris droeg de bemanning geen zwemvesten., Ook werd er bij het binnenkomen van het Stortemelk geen sleepzak gebruikt. Te Schiermonnikoog liet men de boot te water op vele kilometers bovenstrooms van het gestrande schip, terwijl men wist of kon weten dat dit dicht op de kust zou zitten. Men wilde de Insulinde voor zijn.
1952
Maandag 21 januari kwam de weduwe Cupido, die toen zijn geest in de war begon te raken, dikwijls over mij sprak. [Cupido was schipper van de Brandaris, op Terschelling]. Hij stelde zich voor dat hij onder onmiddellijk bevel van mij verkeerde. Als het dan stormde en Cupido, die blind was, dit merkte door het gehuil van de wind en het kletteren van de regen, dan riep Cupido:"Piet (of Marie), haal gauw mijn zuidwester en oliejas, want meneer de Booy zal me straks uitzenden en dan moet ik klaar zijn". En als hij dan geschoeid en gekleed was ging hij in een stoel zitten wachten. "Zijn de boeren er al met de paarden? vroeg hij dan en als Piet of Marietje dan antwoordden dat ze er nog niet waren, dan werd hij boos en riep:"ik zal die lammelingen een pak slaag geven" of zo iets.
1954
27 december. Heden werd Tegelberg begraven. Tegelberg werd in 1916 lid van het hoofdbestuur [van de NZHRM], in 1919 voorzitter en sedert heb ik tot mijn ontslag in 1946 met hem samengewerkt en hem goed leren kennen. Hij heeft mij altijd medewerking verleend en grote vrijheid gelaten in mijn werk. Ik heb hem gewaardeerd wegens zijn royale, letterlijk koninklijke wijze van bestuur. Hij was nooit klein.
Hier volgt een lange beschouwing over de veiligheid van een motorreddingboot, door mijn vader overgenomen uit een aantekenboekje, waarin hij een gesprek met prof. Vossnack had opgetekend, die zijn adviseur was in de jaren twintig bij de bouw van reddingboten
1957
1 aug. geschreven aan P.B.Niël. Gorontelosstr.(?) 45 hs
Amsterdam Oost. [gewezen magazijnmeester van de NZHRM]
Waarde Niël, Enigen tijd geleden heb ik bericht ontvangen van
uwe echtgenote op een briefje van mij waarin ik had geschreven dat ik U wenste
te bezoeken en ik heb daarop geantwoord. Het is nu echter zo, dat het mij thans
minder schikt te komen en ik mijn komst dus nog eens wil uitstellen. Ik schrijf
U dit omdat het anders den indruk zou maken dat ik U vergat. Ik zou het
aangenaam vinden U weder eens te ontmoeten, maar zal nog wat moeten wachten. Ik
hoop dat het, in het bijzonder, goed vooruit gaat met U. Ontvang de beste groeten van H. de Booy.
Dinsdag 6 augustus. We stonden bij de Neeltje Jacoba waaraan een en ander was veranderd. Jaap van der Meulen is niet meer schipper. De vrolijke jonge zeemilicien die zo lang geleden aan boord van de Insulinde was benoemd, had zich geleidelijk ontwikkeld tot een wel moedig en bekwaam schipper, maar tevens tot een mens die het de bemanning zeer moeilijk maakte, een man met een zeer moeilijk humeur, die zich niets aantrok van den toestand waarin het schip verkeerde. Hij is vroeger dan op de bepaalde leeftijd van 60 jaar gepensioneerd. Het is een eigenaardig gevoel dat ik vroeger de leiding heb gehad van al die reddingboten en nu mijn zoon, die de Reddingmaatschappij in ere heeft gehouden, en dat niet alleen, maar ook nog gezorgd heeft voor de aanwezigheid van geldsommen die dit steeds meer eisende bedrijf nodig had. Ik herinner mij nog den tijd toen met f 40.000 alles was betaald. Dit bedrag moet thans, denk ik, met 10 worden vermenigvuldigd.
1958
Zondag 14 sept. , fraai weder, stil. Hilda telefoneert met Tom en hoort:1. dat hij meer en meer gelukkig wordt over zijn keuze van v.d. Zweep voor de betrekking van directeur van de Reddingmaatschappij. V.d. Zweep is vol belangstelling, verder een echte technicus, op de hoogte van motoren en ook wat daarmede samenhangt. Hij heeft iemand ontmoet die hem zeide dat hij geen betere vervanger had kunnen uitzoeken. Tom zelf is in het algemeen geen technicus, heeft zijn verdiensten die vele zijn, uit andere bronnen. Tom heeft de "Zeven Provinciën" gezien
Heden Woensdag 24 september Tom kwam hier gisteren, sprak met mij over dingen de Reddingmij betreffende, vooral over het aanst. Kerstnummer van de Reddingboot waarin hij een artikel wil plaatsen over de "Fernando" welke stranding de stoot gaf tot de bouw van een motorreddingboot, de 1ste "Brandaris". Tom vertelde welke indruk de "Zeven Provinciën" op hem gemaakt had. Deze was zeer onaangenaam. Geen patrijspoorten, kleine verblijven, alles ijzer en staal
1963
6 november. 8.15 namiddag kwam Tom jr. met wien ik de elfde en daarna de vierde sonate van Mozart speelde. Hij is vol leven, ook als begeleider, misschien als wat minder leven beter zou zijn. Hij deed ook mij toeschijnende fantastische verhalen over de door Vader Toms optreden verkregen toename van het bezit der KNZHRM, dat miljoenen zou bedragen in guldens, hij sprak zelfs over tien miljoenen. Het is niet onmogelijk dat hij, evenals zijn piano, zijn vaders mededelingen over de toename van het kapitaal der reddingmaatschappij te fors aanpakt.
Hendrik de Booy stierf 8 september 1964
Gebruikte literatuur:
Spaans, Drs.M. (1993) De 'Noord'. De geschiedenis van de
Koninklijke Noord-en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij 1924-1990. De Bataafsche Leeuw Amsterdam, ISBN 90 6707 3229
Vandersmissen, Hans en Siep Zeeman , Kees Brinkman (1999)
Redders. 175 jaar Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij. KNRM
Werkmanm, Evert (1974) Redden. 150-jarig jubileum K.N.Z.H.R.M en K.Z.H.M.R S.
Uitgever Ploegsma Amsterdam. ISBN 90 216 0036 6
Noot: Mijn grootvader Hendrik de Booij gebruikte meestal aan het eind van zijn naam de Griekse y, soms de lange ij zowel met of zonder puntjes. In de Burgerlijke Stand staat hij echter ingeschreven met twee puntjes op ij. Reden is misschien dat de Engelsen, waarmee hij veel contact had in zijn loopbaan de Griekse y beter overkomt. Ik zelf hou me sinds 1969 zoals sta ik ingeschreven, daarvoor schreef ik mijn naam zoals mijn grootvader het deed.
Met dank aan de KNRM voor het gebruik van het fotoarchief. Vooral veel dank verschuldigd aan de heer Kees Brinkman, hoofd van de afdeling publiciteit van de KNRM, die mij een CD stuurde met gedigitaliseerde foto's. Het fraaie fotoarchief is aangelegd door de voormalige secretaresse Jkvr. H.J. van Asch van Wijck (1941-1975), die na haar pensionering zorgde voor een goed geordend fotoarchief.