Het Montessori Lyceum Amsterdam in de oorlogsjaren
Ter verantwoording
Mijn grootmoeder Hilda Gerarda de Booij-Boissevain was voorzitster van het Montessori
Lyceum in de oorlogsjaren.(zie link
Maria Montessori). In 29 augustus
1941 heeft het bestuur van het Montessori Lyceum te Amsterdam een verzoek
gekregen van de secretaris-generaal van Dam om een lijst op te sturen van de
Joodse leerlingen van het Lyceum. Deze moesten de school verlaten. 12 september
1941 is door het bestuur een lijst van 22 Joodse leerlingen aan het
gemeentebestuur van Amsterdam opgestuurd. Van deze 22 Joodse leerlingen hebben
zeven leerlingen de oorlog niet overleefd. In het dagboek van haar man, mijn
grootvader Han de Booij, kan ik
slechts een enkel citaat en krantenknipsel terugvinden omtrent de moeilijkheden in 1941 ten aanzien van de
aangezegde maatregelen tegen de Joodse leerlingen van het Montessori Lyceum. De
vraag die daarbij naar boven komt is :Waarom is daar over in het dagboek van
mijn grootvader vrijwel niets terug te vinden. Reden
waarom ik alle citaten van het dagboek van mijn grootvader die betrekking
hebben op het Montessori onderwijs en het Montessori Lyceum in Amsterdam in het
bijzonder uit de periode 1931 tot en
met 1962.weergeef. Dit is te meer hoogst verwonderlijk aangezien juist
mijn grootvader in zijn dagboek blijkt geeft zeer betrokken te zijn geweest bij
de jodenvervolging. Dit te lezen in de link:
Citaten dagboek H.de Booij betr. Jodenvervolging.
Voor mijn grootmoeder stond maar een ding centraal:"het behoud van 'haar'
lyceum". Klaarblijkelijk heeft ze over het probleem van de Joodsche leerlingen
weinig contact gehad met haar man . We moeten het geheel wel in de tijdgeest
plaatsen. In het begin van de oorlog waren de niet-Joodse Nederlanders over het algemeen niet direct betrokken bij het lot van
hun Joodse medeburgers. Ik zelf kan daarover mee praten. Over periode 1940-1942
heb ik in een interview moeten opbiechten dat ook mij het lot van de Joodse medeburgers niet
direct aanging. In 2007 is dit interview verschenen in het boek van Anna
Timmerman "Machteloos?"Ooggetuigen van de Jodenvervolging geschreven door Anna
Timmerman. (Uitgave Athenaeum-Polak&Van
Gennep. Amsterdam 2007. ISBN 978 90 253 53391 NUR 686).( zie Link Machteloos).
Het gaat over mijn tijd in de oorlog, maar vooral over mijn houding tegenover de
Jodenvervolging Wrang is het daarom voor mij om te lezen wat er in de oorlog
allemaal met de Joden is gebeurd, zie hiervoor de link
Jodenvervolging 1940-1945.
Maar ook mijn grootvader heeft problemen gehad in de oorlog met zijn houding ten
opzichte van de Duitse bezetters. Hij was van 1920-1950 commissaris van het
Handelsblad NV Ondanks het feit dat 12 Joodse medewerkers in 1941 werden
ontslagen en een NSBer de heer S.S.Hoogterp in de directie werd geplaatst is
mijn grootvader tot het eind van de oorlog commissaris van het Handelsblad
gebleven. Door een perszuiveringscommissie heeft hij begin 1947, tezamen met de
commissarissen Six, Van
Eeghen en Bos, 2 jaren en 2 maanden ontheffing gekregen van het
recht een leidende functie bij het Handelsblad te vervullen. Ook deze
dramatische episode heeft hij nauwkeurig vastgelegd in zijn dagboek Zie link Fragmenten dagboek
Hendrik de Booij betr. Algemeen Handelsblad 1920-1950.
Citaten uit dagboek van mijn grootvader
Han de Booij betreffende het Montessori onderwijs
12 mei 1931. Vandaag vergadering van de Montessorischool. Eindbeslissing
hoop ik. Ik had voor deze vergadering een stuk opgemaakt, een overzicht
inhoudende wat inzake de bouw van de school in de laatste tijd was besloten en
de staat van weifelmoedigheid waarin wij waren geraakt. Na dit te hebben
voorgelezen nam Sillem ontslag uit het bestuur omdat hij geen vertrouwen had in
het slagen der school. Polenaar zeide integendeel ontslag te zullen nemen zo wij
niet zouden doorgaan. Ikzelf was de laatste dagen ook weifelmoedig genomen, doch
het optreden van Polenaar gaf steun. Gelukkig nam niemand verder meer ontslag en
kon ik dus constateren dat wij zouden doorgaan. Dit betrof de plannen van de
gemeente Amsterdam tot uitbreiding van de bestaande gemeentelijke
Montessorischool en vestiging van een nieuwe, dichtbij de plek waar de reeds
bestaande Amsterdamse Particuliere Montessorischool had willen bouwen.(De
bestuursleden Willem Sillem, echtgenoot van Theo Boissevain, en Mr. J. Polenaar,
beiden vaders van leerlingen).
24 december 1931 . Om 11 uur een bespreking bij Jan Boissevain met
Polenaar over onze Montessorischool en besloten 1e: dat wij op zullen treden
tegen den wanbetaler Drilsma en 2de: dat wij zullen voorstellen de leidsters te
vragen 10 % van hun salaris te offeren.
19 januari 1932 vergadering Montessorischool en nu blijkt weer eens
bij mij hoe God de zaken dikwijls ten goede keert wanneer men allerlei
zwarigheden verwacht, en hoe ook omgekeerd tegenslagen ineens geschieden als men
geen vuiltje aan de lucht ziet. Ik had tegen die vergadering opgezien en ging er
met een vrolijk hart vandaan. Wij hebben een exploitatierekening die niet sluit,
een grote schuldenlast waarvan 5% rente moet worden betaald en we horen niets
van de Gemeente over de schoolbouw. Eergisterenavond is althans enige klaarheid
gekomen. Ik bracht slechts twee punten ter tafel: de exploitatierekening en de
schoolbouw. Wij hebben op voorstel van mevrouw Lugt besloten de leidsters bij te
staan zodat ze nog niet behoeven te worden gekort. Dit was een aardig voorstel
van mevrouw Lugt.
22 januari 1932. 's Morgens bij Polenaar een onderhoud met de
schoolgeldwanbetaler D. Deze verbindt zich hetzij tot verrekening met een
obligatie en dan betaling van het gehele verschuldigde bedrag van f 285.- of tot
betaling van f 114.- + de helft van het overblijvende. Nu is het 3 febr. en ik
heb reeds vergeten wat hij ons toezegde en hij laat niets meer van zich horen.
30 november 1935. In de laatste tijd is een sterke oppositie ontstaan bij
Dr. Montessori tegen de Montessori-Lycea die bezig zijn zich op te richten. Zij
wil het Amsterdamse Montessori-Lyceum wel de vergunning laten haar naam te
dragen doch volgende lycea niet en zal misschien overkomen om advies te geven.
Zij schijnt vooral als ideaal de zogenaamde Erdkinder te hebben. Montessori was toen
van mening dat na de lagere school kinderen een poos geen "schoolwerk" moesten
doen, maar zich vrij moesten ontwikkelen bijvoorbeeld door het land te bewerken,
een handwerk leren enz. Ik meen dat in Duitsland toen een poging in die richting
gedaan is
23 november 1938 Ik breng Hilda 's avonds gedreven door de wind naar de
Lairessestraat waar ze een vergadering heeft van het Montessorilyceum. Er wordt
veel gesproken over opheffing van dit Lyceum, maar ik geloof nog steeds niet dat
het gebeurt.
14 december 1938. Hilda vanavond een vergadering met de ouders van het
Montessorilyceum over de vraag of dit zal kunnen voortbestaan. Ik woonde de
vergadering bij. Ongeveer 60 mensen waren opgekomen. Moeder presideerde
meesterlijk. De stemming was aardig en de verhoging schoolgeld zal er dus wel
doorkomen. Prof. Jordan hield een gloedvolle peroratie waarin hij opponeerde
tegen het defaitisme dat sprak over de mogelijkheid van ophouden van de school.
Dit mag nooit gebeuren, zei hij met nadruk. Als de "aanwijzing" plaats heeft,
d.w.z. als met een nieuwe wet de school het recht van eindexamen verkrijgt,
blijft de school bestaan. En als de aanwijzing niet plaats heeft, blijft ze ook
bestaan. Dan moeten de kinderen slechts het Staatsexamen afleggen en deze
moeilijkheid overwinnen.
Zaterdag 25 mei 1940 Hilda had gisteren een belangrijke vergadering van het Montessori
Lyceum. De ouders zullen een circulaire
ontvangen waarin staat dat ze nu door de omstandigheden niet in verband met het
10 j bestaan tot een feest kunnen worden genoodigd maar dat deze de mededeeling
ontvangen dat de school doorgaat. Er was een hele goede stemming.
Dinsdag 25 juni 1940 Hilda vanavond naar een vergadering van het
Montessori Lyceum. Dit verkeert natuurlijk weer in zeer groote financieele
moeilijkheden want doordat verschillende ouders niet het schoolgeld kunnen
betalen, dat ze tot dusver betaalden, is het inkomen der school circa 10 mille
minder. Het ontbrekende kan slechts gevonden worden uit de salarissen van de leeraren en deze ontvangen al heel weinig. Ontslaat men ze dan ontvangen ze
niets en hebben ze hebben geen kans op tewerkstelling op een anderen school.
Wat een zorgen.
Vrijdagavond juli 1940 Wij hadden wij de examen commissie van het
Montessori Lyceum bij ons aan tafel. Alexandrine Osterkamp, Professor Fischer,
Joanne Diepebrock, mevrouw Misset, Jo der Kinderen. Zij hadden de speciale meisjes
afdeeling geëxamineerd, de eenige afdeling die wettelijk is erkend,
27 november 1940 De zwaarste vernedering is het ontslag van Joden of
halfjoden uit betrekkingen bij de Justitie, in het Onderwijs, bij hospitalen enz.
enz. Dit is schandelijk, ondraaglijk. Zo is bijvoorbeeld de voortreffelijke
mevrouw Joosten van de Montessorischool ontslagen, iemand die onvervangbaar is,
en verscheidene professoren van de Amsterdamse Universiteit. In de couranten
staan van al die ontslagen niets, n i e t s .
Vrijdag 17 januari 1941 Gisteren inzage gehad
van een circulaire geteekend door den secretaris generaal Onderwijs om
de uit de schoolagenda het portret van H.M de Koningin en de woorden door
haar gesprek moeten worden verwijdend. Tot zoo iets leent zich deze secr. generaal
( Zie voor de redenering van prof van Dam, om bepaalde boeken uit de
roulatie te nemen, zijn rede van zondag 1 december 1940 voor scholieren en studenten) ( Rede van prof, van Dam)
Zaterdag 17 mei 1941 Hilda heeft s-avonds een
feestelijke bijeenkomst met diner 180 couverts in het Mont. lyceum ter
herdenking aan het
10 j. bestaan. Engelien was er ook sprak namens de pioniers heel goed en rustig. Hilda kan dankbaar op al haar werk neerzien. In de laatste tijd heeft het
bestuur voortdurend gedacht dat het gedaan zou zijn met de school totdat
eindelijk het jus promovendi verleend werd, het schoolexamen. Maar nu mankeert
nog gel,d want voor de nieuwe cursus zijn maar weinig kinderen ingeschreven en er
was dus niet genoeg voor de reeds schamele salarissen en onderwijskosten te
betalen. Maar ook dit is anders gelopen.
Zaterdag 23 augustus We hebben 't bericht gehoord dat alle
Joodsche kinderen van het Montessori Lyceum moeten worden verwijderd. Dat is
weer een slag op het arme hoofd van het Montessori Lyceum, dat het al zo
moeilijk heeft en nog een hardere slag op al die Joodsche leerlingen ongeveer
30. Straks komt Alexandrine Osterkamp op om het geval te bespreken.
Vrijdag 29 augustus 1941 Krantenknipsel in het dagboek:

Donderdag 12 februari 1942 Het Montessorilyceum is nu eindelijk erkend. Het is een
lange strijd geweest onder Hilda's leiding als voorzitster
Vrijdag 27 februari 1942 Hilda neemt vandaag afscheid van den Heer Baak.
Vrijdag 3 juli 1942 Hilda woont gisteren een avondje bij in het Montessori Lyceum. De
leerlingen geven een uitvoering van allerlei voordrachten, zang, poëzie, theater enz.enz. Het was bijzonder aardig. Het
is voor Hilda een groot ding haar leven dat
Montessori Lyceum iets waarin zij zich heeft kunnen uitleven.
December 1942 In het dagboek van mijn grootvader opgenomen
afschrift van een gedicht, waarschijnlijk geschreven door een bestuurslid
van het Montessori Lyceum :
Bestuursvergadering van het Montessori Lyceum. 9 december 1942. Sint Nicolaas
1942:
Wij wenschen van het heden,
Kijken weinig naar het veleden.
Doch soms past het een blik te slaan
In een periode die is voorbij gegaan.
Zoo zien wij in deez' vriendenschaar
Terug op menig nuttig jaar.
Gewerkt tot nut van 't algemeen.
Onder scholen is er geen.
Waar zoó de goede geest regeert
Door menig paedagoog begeerd.
In de eerste uiterst zware tijden
Kon niemand ons de taak benijden.
En, hadden wij ons lang bezonnen
Wellicht waren wij het nooit begonnen.
Doch koppig hielden wij braaf stand,
Geleid door onzen hechten band.
Geen tegenslag vermocht ons te hinderen,
Als recht geaarde Montessori kinderen.
Zoo kwam na langgezwoeg toch zegen,
Zooals de zon komt na de regen.
Op deez' gebenedijde school
Waar naast de ernst ook heerscht de jool.
Een woord van dank tot slot aan haar
Die leidde onze kleine schaar.
Zij leve lang, Mevrouw de Booy!
Voor haar klinkt driewerf ons Hiep hiep Hoera !
13 augustus 1943 Hilda heeft moeilijkheden in verband Montessorilyceum.
Er moet een wiskundeleraar aangesteld worden voor Haak die gevangen is genomen.
Ook moet er een aardrijkskundeleraar worden benoemd. Verder is bepaald dat
Jordan met een ster moet lopen, waardoor voor hem een bioloog wordt benoemd. Ten
slotte kwam zoëven bericht dat mej. Visser is gevangen genomen. Ook deze moet
worden vervangen en snel want de school moet 25 augustus weer beginnen. Dit
alles geeft veel beslommeringen voor de bestuurders van de school en veel
verdriet voor en die gevangen zijn genomen en voor hunne familieleden Het
blijkt nu dat de hele familie Visser is gevangengenomen in verband met het geval
Mies Boissevain. Engelien is bereid tijdelijk in de klasse van mej. Visser te
assisteren
8 oktober 1943 De kinderen Haak [van de wiskundeleraar Montessorilyceum] zouden
gisteren hun ouders bezocht hebben, die hun zilveren bruiloft herdachten, maar
toen zij in de gevangenis kwamen vernamen zij dat zij naar Vught waren.
7 october 1945 Het Montessori Lyceum is behouden. De secretaris generaal
van Onderwijs, Peter Sassen, heeft een bezoek aan de school gebracht, begeleid
door een allerliefste secretaresse en heeft verstrekkende toezeggingen gedaan.
Het Lyceum krijgt subsidie op de suppletore begroting van 1946.
8 november 1945 Het Montessori Lyceum heeft een optie op de voormalige
Hagedoornschool tot een bedrag van f 130000.- en wel aanvankelijk tot 1 nov., nu
tot 1 dec. e.k. . Het Montessori Lyceum heeft verder de zekerheid dat het
subsidie zal krijgen van het Rijk , welke subsidie met terugwerkende kracht zal
komen op een suppletore begroting in 1946. Het Rijk verschaft de gelden tot
aankoop van een nieuwe school slechts in deze vorm dat het de kosten van rente
en aflossing betaalt. De aflossing gaat op deze wijze wat langzaam. Daaraan
wordt tegemoet gekomen dat behalve de door het Rijk voorgeschreven schoolgelden
van de ouders der kinderen nog bijdragen worden verlangd voor een aparte
Stichting. Ze hadden gehoopt die f 70 000.- van Six te krijgen (Jhr. J. Six van
Hillegom, een rijk man, directeur van de Amstel Bierbrouwerij) die een zoon op
het Mont. Lyceum heeft en zeer met de school is ingenomen. Hij was daartoe ook
aanvankelijk bereid, zo slechts een brief van de Regering kon worden vertoond
waarin deze de subsidie toestond. Ofschoon het geheel vaststaat dat de subsidie
zal worden toegelaten, kan deze toestemming nog niet op schrift gesteld worden.
Ook had Six ten slotte toch bezwaren met het oog op de langzame aflossing,
zodat de medewerking die hij aanvankelijk dadelijk wilde toezeggen niet door hem
persoonlijk kon worden gegeven. Dus moest de optie worden verlengd, wat Hilda tot
stand bracht door een gesprek met J. Heineken, ook een brouwerijdirecteur, de
rijkste man van Amsterdam. Hij verlengde de optie tot 1 december. Het Mont.
Lyceum (Hilda) wendde zich nu in wanhoop tot Eugen en Jan Boissevain in Amerika,
vragende om f 60.000.- van vrijgevige en belangstellenden Amerikanen, het Rockefeller Instituut of zo iets. Hiervan zal wel niets komen, maar nu is de
toekomst toch weer hoopvol want Six voornoemd, die tevens president commissaris
is van een grote hypotheekbank is waarschijnlijk bereid het ertoe te leiden dat
deze bank het volle bedrag van f 130.000 al hypotheek voor hare rekening neemt.
Een gunstige omstandigheid is dat een broeder van Six die Hagedoornschool heeft
ontworpen. De school heeft f 300.000 gekost en is dus daarvan f 130.000
hypotheek een prachtig onderpand.
17 december 1945. Vanavond weder Montessorivergadering in de voorkamer.
Daar zitten nu weer Lex Osterkamp, Mevr. Misset, Aleva, Cnoop Koopmans en Daisy,
Mv. Rijk, onder de leiding van Hilda, als altijd getuigende van helder
doorzicht, optimisme, flinkheid en doortastendheid. Bovendien weet zij die
vergaderingen altijd tot een aangename bijeenkomst te maken, waarbij de koekjes,
de thee en de cigaretten van Amerika ook een rol vervullen. Het koopcontract van
het nieuwe Montessori Lyceum, de voormalige Hagedoornschool, is nu gesloten en
nog nooit, zei de notaris, had hij een zo vlugge gang van zaken in zijn praktijk
van jaren bijgewoond. De gesprekken van Hilda en van Willy Cnoop K. met Dr.
Heineken van de bierbrouwerij hebben hier ook een grote rol gespeeld. Heineken
houdt van Hilda, en terecht, en verschafte als verkoper nog f 25000 om de koop
mogelijk te maken. Dit is een lening, terwijl een ander aan bod was die meer
wilde bieden dan het Lyceum. Zo komt het M.L. voor de geringe som van 120.000
gulden in het bezit van een school die 300.000 gld gekost heeft.
Eind 1945 Het Montessori Lycuem is behouden De secr. generaal van Onderwijs
Peter Sassen heeft een bezoek aan de school gebracht begeleid door een
allerliefst secretaresse en heeft verstrekkende toezeggingen gedaan. Het Lyceum
krijgt subsidies op de suppletore begroting van 1946.
24 oktober 1946. Gisterenavond een drukbezochte vergadering
Montessori Lyceum, de laatste met Hilda als voorzitster. Tegen het eind nam W.
Cnoop K. het woord en huldigde Hilda. Hij noemde haar een mens van groot
formaat, met geniale spontaniteit en dit is volkomen waar. Ze hadden een
magnifieke taart meegebracht en 2 flessen wijn en zo bleven we napraten en
gingen tegen 12 uur naar bed. De nieuwbenoemde voorzitter Korthals Altes moest
herhaaldelijk aanhoren "dat wij zulk een voorzitter als mevrouw De Booy nooit
meer zullen krijgen enz." En de grote huldiging van Hilda zal zijn dat een
plaquette in de nieuwe school zal worden aangebracht met haar profiel. Dit vind
ik een prachtig denkbeeld en 't is ten volle verdiend 'T is een belangrijk
tijdvak dat voor Hilda wordt afgesloten. Ze is een bewonderswaardig mensch.
16 november 1946 Gisteren had het afscheidsfeest plaats bij ons ter ere van Hilda, aangeboden door besturen en leraren en leraressen [van het
Montessorilyceum]. Het was een aardige avond, die tot omstreeks half twee 's
nachts duurde. Het is aardig te zien hoe een gezelschap intelligente mensen zich
een hele avond met eenvoudige spelletjes bezig houden.

Onthulling van plaquette van Hilda (en
profiel), aangebracht in het Montessori-Lyceum in de Hagedoornstraat, als
dank voor het werk dat zij als oprichtster van die school gedaan heeft.
30 september 1962. Gisteren hadden wij Hilda's vriendin Lous Beyerman bij
ons te eten, een dame die bejaard is, kunstenares op het gebied van beeldhouwen,
die o.a. het werk heeft gemaakt dat in onze huiskamer hangt, Hilda's kop.
(Annotatie van Engelien bij het dagboek van haar vader."Mevrouw Beyerman maakte
een plaquette van mijn moeder en profiel, die indertijd is was aangebracht in
het Montessori-Lyceum, toen in de Hagedoornstraat, als dank voor het werk dat
zij als oprichtster van die school gedaan heeft. Het schijnt niet verplaatst te
zijn naar het nieuwe gebouw").
( De Heer Rolf Schoevaart deelde mij het volgende mede : "Dit betrof de
voormalige Hagedoornschool in de Anthonie van Dijckstraat. In 1977
verhuisde het Montessori Lyceum naar de huidige vestiging aan de Pieter de
Hoochstraat. Sinds 2005 is de gerestaureerde bronzen plaquette in het
gebouwencomplex aldaar opgenomen in de 'Montessori Galerie' in gebouw D).

Afscheid bestuurslid Han de Booy Lagere Monterssorischool (jaar onbekend)
Einde citaten dagboek van mijn grootvader Han de Booij
In 1980 is een boek verschenen
van J.S. Calff Van Pionier tot Mammoet. Het Amsterdams Montessori
Lyceum 1930-1980. Het is door de Stichting Montessori 50 ter gelegenheid van
het vijftig jarig bestaan van de Scholengemeenschap Montessori Lyceum Amsterdam.
Hier volgen enkele gedeelten die de geschiedenis van het Montessori onderwijs in
Nederland tot de oorlogsjaren treffend weergeven:
In 1914 sprak Maria Montessori op een pedagogisch congres in Nederland over de
opvoeding van kleuters en kinderen in de lagere
schoolleeftijd. Nog dat zelfde jaar werd in Den Haag de eerste
montessorikleuterschool in ons land opgericht, door mevrouw
J. Prins-Werker. De eerste lagere montessorischool volgde twee jaar later
als een vanzelfsprekende voortzetting van de eerste montessorikleuterschool. De
Nederlandse Montessori Vereeniging (NMV) kwam tot stand in 1917. Tot de
oprichters behoorden J. H. Gunning, A. de Vletter,
mejuffrouw C. Tromp en mevrouw M. Godefroy-van Mill. De belangrijkste
activiteiten van de NMV in deze eerste jaren waren het uitoefenen van invloed op
een wetsontwerp voor 'bewaarscholen' en pogingen in 1920 de minister te bewegen
de subsidievoorwaarden voor het lager onderwijs te wijzigen, zodat ook lagere
montessorischolen voor subsidie in aanmerking konden komen. Wat de
kleuterscholen betreft kwam pas in 1955 een wet tot stand, maar subsidiëring van
montessorikleuterscholen vormde ook daarvóór geen probleem. De Lageronderwijswet
van 1920 maakte het mogelijk dat lagere montessorischolen vrijheid van
lesrooster kregen, waardoor zij voor subsidie in aanmerking kwamen. De eerste
gemeentelijke montessorischool werd in 1923 in Amsterdam opgericht. Vanaf het
moment dat de eerste montessorileerlingen het zesde jaar van de lagere school
doorlopen hadden, bestond de behoefte aan voortgezet montessori-onderwijs. In
1923 verzocht de NMV daarom minster van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen J. Th. de Visser nu ook voor voortgezet montessori-onderwijs vrijheid van lesrooster toe te staan, maar de minister
wilde hier niet van weten. Het aantal kleuter- en lagere montessorischolen
groeide snel. In 1930 telde alleen Amsterdam al zeven lagere montessorischolen;
montessorikleuterscholen waren er nog veel meer. Van de Amsterdamse lagere
scholen waren er vijf openbaar, één particuliere was als aparte afdeling
verbonden aan de Wilhelmina Catharinaschool aan de Weteringschans, de zevende
was de lagere Amsterdamsche Montessori School (AMS) in de De Lairessestraat. Het
waren ouders van leerlingen en leerkrachten van deze laatste school die de
groeiende ontevredenheid over het ontbreken van voortgezet montessori-onderwijs
omzetten in daden. In 1927 was, onder leiding van het hoofd van de lagere
Amsterdamsche Montessori School, geprobeerd één jaar voortgezet montessori-onderwijs als een soort zevende leerjaar aan de school toe te voegen,
maar deze poging moest gestaakt worden bij gebrek aan in de montessorimethode
opgeleide vakdocenten. Het jaar daarop namen montessorimoeder mevrouw H. G. de
Booy-Boissevain, het hoofd van de lagere Amsterdamsche Montessori School mevrouw
R. Joosten-Chotzen en het hoofd van de kleuterschool van de Vereniging 'De
Amsterdamsche Montessori School' mejuffrouw C. Tromp het initiatief tot de
oprichting van een stichting, die zich ten doel stelde voortgezet
montessori-onderwijs tot stand te brengen. De Stichting voor Middelbaar en
Voorbereidend Hooger Montessori-onderwijs - in het onderstaande 'de Stichting'
genoemd - werd opgericht op 9 juni 1928.
Het bestuur van de Stichting - verder kortweg aangeduid als 'het Bestuur'
bestond uit enkele enthousiaste montessori-ouders, uit mevrouw Joosten en
mejuffrouw Tromp en uit enkele hoogleraren die speciaal in het
montessori-onderwijs geïnteresseerd waren. Behalve mevrouw De Booy, die als
voorzitster optrad, zaten in het Bestuur de heer W. Cnoop Koopmans (secretaris),
de heer W. Dutilh (penningmeester), mevrouw M. Godefroy-van Mill,
mevrouw E. Polenaar-Manson, de heer J. Aleva en de heer A. F. L.
Portielje. Deze laatste, de inspecteur van de levende have van Artis, was niet
alleen vader van leerlingen van de Amsterdamsche Montessori School, maar gaf op
deze school ook lessen over dieren en verzorgde rondleidingen door de
dierentuin. De hoogleraren waren prof. S. Dresden, prof. H. Jordan, prof. L.
Ornstein en prof. L. Polak. In de loop der jaren bleken het vooral de
ouders en de schoolhoofden te zijn, die het meest bij de dagelijkse gang van
zaken betrokken waren. De hoogleraren traden uit het Bestuur en vormden eind
1931 een Curatorium, waarin ook de professoren H. Pos en F. Buytendijk zitting
namen. Het Bestuur stond, naar analogie van de montessorikleuterscholen en de
lagere montessorischolen, een school voor voortgezet onderwijs voor ogen waar
gewerkt zou worden volgens de montessorimethode, maar die wat de vakken en het
eindexamen betreft niet van de traditionele middelbare scholen zou afwijken.
Tegen het eindexamen bestonden wel bezwaren, maar voorlopig had men met examens
nog niets te maken. Bij de opening van de school werd gesproken van het 'Montessori
Lyceum', hetgeen in ieder geval een hbs- en een gymnasiumafdeling inhield.!
Het Bestuur hield zich in 1928, 1929 en 1930 bezig met het bijeenbrengen van het
benodigde geld en het zoeken naar docenten voor de op te richten school.
Aangezien na minister De Visser ook de ministers Waszink (1926-1929) en Terpstra
(1929-1933) weigerden vrijheid van rooster te verlenen, was het onmogelijk
subsidie voor de school te krijgen. Alle gelden moesten dus uit giften en uit
bijdragen van de ouders van de aanstaande leerlingen komen. Zonder de energie en
de vindingrijkheid van mevrouw De Booy zou dit waarschijnlijk nooit gelukt zijn.
Als docenten werden in 1929 mejuffrouw drs. A. E. S. Osterkamp en dr. L Haak
aangesteld. Mejuffrouw Osterkamp had via een vriendin van bestuurslid mevrouw
Polenaar-Manson gehoord van de plannen tot de oprichting van een nieuwe school
en had - in de mening dat het om een docent klassieke talen ging - naar deze
betrekking geïnformeerd. De heer Haak, als wiskundedocent verbonden aan het
Amsterdams Lyceum, was een overtuigd montessoriaan. Zijn kinderen bezochten de
montessori-afdeling van de Wilhelmina Catharinaschool en de eerste openbare
montessorischool in de Corellistraat. Het Bestuur benoemde mejuffrouw Osterkamp
tot leidster van de op te richten school. (...)
Ter afronding van haar inwerkperiode in de montessorimethode, liet het Bestuur
mejuffrouw Osterkamp in januari 1930 naar Rome gaan, om daar de door Maria
Montessori zelf gegeven internationale montessoricursus te volgen. Een delegatie van het Bestuur was in 1929 naar Londen gereisd en had daar met
Maria Montessori en haar zoon, die als zaakwaarnemer optrad, afgesproken dat
mejuffrouw Osterkamp tijdens de cursus in Rome speciale adviezen zou krijgen
voor het montessorionderwijs aan kinderen van twaalf jaar en ouder en dat haar,
in verband met het te openen Montessori Lyceum, materiaal overhandigd zou worden
voor de vakken geschiedenis, aardrijkskunde en Latijn en verder voor zover dit
gereed zou zijn. Van deze afspraken kwam helaas niets terecht. Maria
Montessori stelde zich zeer terughoudend op, gaf mejuffrouw Osterkamp geen
duidelijke aanwijzingen en het beloofde materiaal bleek niet beschikbaar.
Waarschijnlijk kan het uitblijven van hulp van Maria Montessori voor een deel
toegeschreven worden aan het feit dat haar in 1920 geformuleerde ideeën over de
opvoeding van kinderen in de puberteitsjaren nog niet verder uitgewerkt waren.
Zelfs als dit in 1930 wel het geval zou zijn geweest, zou de kans op
verwezenliJking ervan minimaal geacht moeten worden. Toch kon Maria Montessori
zich ook niet zonder meer verenigen met het plan de montessorimethode voort te
zetten in het kader van een middelbare school, zoals men zich dat voor het
nieuwe Montessori Lyceum voorstelde. Waarop de in Londen gedane toezeggingen
gebaseerd waren, is al met al niet duidelijk.
Op 10 september 1930 stapten vijftien leerlingen, afkomstig van lagere
montessorischolen, binnen in een lokaal boven de lagere Amsterdamsche Montessori
School aan de De Lairessestraat 157. Zij vormden, onder leiding van mejuffrouw
Osterkamp, de heer Haak en acht docenten voor de verschillende vakken, de eerste
groep van het Montessori Lyceum. In het eerste schooljaar waren ook
mevrouw Joosten en de heer Haak veel aanwezig. Mevrouw Joosten gaf aanwijzingen
voor een zoveel mogelijk montessoriaanse werkwijze en verzorgde het onderwijs in
het vak Nederlands. De heer Haak gaf wiskunde en besteedde veel tijd aan het
maken van materiaal voor dat vak. Verder kwamen dat eerste jaar nog de volgende
docenten gedurende enkele uren per week naar de bovenverdieping aan de De
Lairessestraat: drs. H. Jordan, de latere rector van het Utrechts Montessori
Lyceum, voor het vak biologie, drs. J. van Hasselt voor natuurkunde, mejuffrouw
W. Wentholt voor Frans, mevrouw W. Lugt-van Tijen voor Engels, H. Eggink voor
aardrijkskunde en J. de Boer voor muziek. De meisjes kregen gymnastiekles van
mejuffrouw G. van Hall, de jongens namen deel aan gymnastieklessen in
AMVJ-verband.
Het tweede schooljaar begon op 4 september 1931 met vijftien nieuwe leerlingen.
In de loop van de eerste cursus waren er nog twee leerlingen bijgekomen en één
leerling van de oudste groep was naar een andere school gegaan, zodat het
Montessori Lyceum nu in totaal 31 leerlingen telde. Omdat de verdieping boven de
lagere Amsterdamsche Montessori School voor dit aantal kinderen veel te klein
was, werd een pand aan de overkant, De Lairessestraat 156, gehuurd.
Al met al lukte het elk jaar weer voldoende nieuwe leerlingen te krijgen om een
eerste groep te vormen, waardoor de school in 1934 uit haar behuizing dreigde te
barsten. Om zelf ruimteproblemen op te lossen werd het naastliggende pand, De Lairessestraat 158, erbij gehuurd en werden de muren doorgebroken. Er werd nu
voor het eerst gesproken over het bouwen van een eigen, nieuwe school, maar het
voortdurende geldgebrek hield dit voorlopig nog volledig buiten bereik .
In september 1935 was het Montessori Lyceum voor het eerst een 'complete' school
met ongeveer honderd leerlingen van zes verschillende leerjaren en met een
docentencorps van zestien leden. Van een groepje van vijftien leerlingen, aan
wie men voortgezet onderwijs wilde geven volgens de montessorimethode, was de
school uitgegroeid tot een volledig 'lyceum', waaraan alleen nog de officiële
'aanwijzing', dat wil zeggen de erkenning, die tevens subsidie en het recht een
eigen schooleindexamen af te nemen inhield, ontbrak.
Einde citaten van het boek van J.S. Calff Van Pionier tot mammoet.
In 2008 is verschenen het boek: "Kom vanavond met verhalen" Het Montessori Lyceum in de oorlogsjaren. Hier wordt uitvoerig ingegaan over het lot van de joodse leerlingen. Uit dit boek geef ik hieronder enkele citaten, alsmede foto's die voor zich zelf spreken
29 Augustus 1941. Brief van Secretaris-Generaal van het Departement
van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbeschermings aan het Bestuur van het
Montessori Lyceum Amsterdam.
De Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming brengt het
volgende ter algemene kennis: Krachtens de opdracht, gegeven door den
Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied, zullen met ingang van 1
September 1941 leerlingen van onderwijsinstellingen, welke ook - met
uitzondering van de instellingen voor hooger onderwijs, welke overeenkomstig
art. 4 der Verordening No.189/1940 van den Rijkscommissaris (Verordening
betreffende de aanmelding van .Joodsche ondernemingen) van Joodschen bloede zijn of
als zoodanig worden beschouwd, slechts onderwijs mogen
ontvangen van leerkrachten, die eveneens van Joodsche bloede zijn of als
zoodanig worden beschouwd. Dit heeft ten
gevolge, dat met ingang van den genoemde datum de hier bedoelde :leerlingen niet
langer in de onderwijsinstellingen zullen mogen worden toegelaten, tenzij het
onderwijsinstellingen betreft, welke alleen voor deze leerlingen zijn bestemd. Hieraan kan worden toegevoegd, dat volgens de uitdrukkelijke aanwijzing van
den Rijkscommissaris binnen don kortst mogelijken tijd zal worden overgegaan tot
de inrichting van de noodige scholen, bestemd voor do bovenbedoelde leerlingen.
De voorbereidingen hiertoe bevinden zich in een vergevorderd stadium, zoodat kan
worden: verwacht, dat binnen zeer afzienbaren tijd de noodige regelingen zijn
getroffen. In aansluiting aan deze bepalingen zij er op gewezen, dat het in den vervolge
verboden zal zijn, dat leerlingen van Joodschen bloede en zij, die als zoodanig
worden beschouwd, van niet Joodsche personen onderwijs, in welke vorm ook,
ontvangen, óók·wanneer dit onderwijs gegeven wordt in den vorm van club- of
privaatles, leerkrachten, welke van Joodschen bloede zijn of overeenkomstig de
bovengenoemde bepaling als zoodanig worden beschouwd, mogen slechts onderwijs
geven aan Joodsche leerlingen en de daarmede gelijkgestelden, terwijl hun
uitdrukkelijk is verboden om enig onderwijs, in welken vorm. ook, aan niet Joodsche leerlingen. Indien Joodsche leerkrachten
en de daarmede gelijkgeste1den, die in het genot zijn van enige uitkering op
grond van. aan hen verleend ontslag, nochtans mochten voortgaan met het geven
van onderwijs in welken vorm ook, aan niet Joodsche leerlingen, zal
onverwijld worden overgegaan tot de intrekking aan de aan hun toegekende
uitkeering.
J van Dam
Het
aangehaalde artikel 4 luidt: Begrip "Jood".
(1) Jood is een ieder, die uit ten minste drie naar ras voljoodsche
grootouders stamt
(2) Als jood wordt ook aangemerkt,
die uit twee voljoodsche grootouders stamt en:
1. hetzij
zelf op den negende mei 1940 tot de joodsch-kerkelijke gemeente
heeft behoord of na dien datum daarin wordt opgenomen.;
2. hetzij op den negende mei met een jood gehuwd of na dat
oogenblik met een jood in het huwelijk treedt
(3) Een grootouder wordt als voljoodsch aangemerkt, wanneer deze tot de
joodsch-kerkelijke gemeenschap heeft behoord.
N.B. Aangezien
punt 2 van het aangehaalde artikel 4 niet van toepassing kan zijn op de meesten
der in aanmerking komende kinderen, dient deze bepaling zoo te worden.
uitgelegd, dat kinderen, die twee voljoodsche grootouders hebben, dan als jood
worden aangemerkt, wanneer zij een joodsch-godsdienstige opvoeding ontvangen.
C .S. Stadhuis A'dam 9-'41.

Jan
van Dam (1896-1970, Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding,
Wetenschap en Cultuurbescherming. Van Dam werd op 12 mei 1945 gearresteerd door
de
Binnenlandse Strijdkrachten. Op
9 november
1948 werd Van Dam veroordeeld tot zeven jaar
gevangenisstraf, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis. Op
12 mei
1949 werd hij in vrijheid gesteld. Omdat zijn
pensioenrechten waren vervallen verklaard, zag hij zich genoodzaakt tot op hoge
leeftijd een betaalde functie uit te oefenen.
28 augustus 1941 Brief van het Bestuur van het Montessori Lyceum Amsterdam
aan de ouders van de leerlingen van het lyceum
Aan de Ouders!
In opdracht van het Departement Opvoeding enz. moet het Bestuur van het
Montessori-Lyceum aan de ouders de vraag voorleggen, of hun kind(eren),
voorzover leerling(en) van onze school, van Joodsen bloede is (zijn).
Voor het beantwoorden van deze vraag gelieve U te letten op het volgende;
1) Jood is ieder, die uit tenminste drie naar ras voljoodsche grootouders stamt.
2) Als jood wordt ook aangemerkt hij die uit twee voljoodsche grootouders stamt
en
1.hetzij zélf op den 9den Mei
1940 tot de joodsch-kerkelijke gemeente heeft behoord of na dien datum daarin
wordt opgenomen.
2.hetzij
op den 9 dcn Mei 1940 met een jood was gehuwd of na dat oogenblik met een jood in
het huwelijk treedt.
3} Een grootouder wordt als voljoodsch aangemerkt, wanneer deze tot do
joodsch-kerkelijke gemeenschap heeft behoord.
Daar punt 2 niet van toepassing kan zijn op de meeste der in aanmerking komende
kinderen, dient deze bepaling zoo te worden uitgelegd, dat kinderen, die twee
voljoodsche grootouders hebben, dan als jood worden aangemerkt, wanneer zij een
joodsch godsdienstige opvoeding ontvangen.
Voor Amsterdam komt dit hierop neer, dat Jood zijn allen, die in het bezit zijn
van een bewijs van aanmelding, afgegeven door den Joodschen Raad van Amsterdam.
Indien Uw kind volgens bovenstaande definities van Joodschen bloede is , gelieve
U dit aan het Bestuur mede te delen, uiterlijk tot Dinsdag 2 Sept. Die Ouders
van wie op 2 Sept. geen antwoord is ontvangen, worden geacht de vraag omtrent de Joodse afkomst van hun kinderen negatief te hebben
beantwoord. Naar ons werd medegedeeld zullen de
Joodse leerlingen tezamen worden gebracht in Joodse
scholen, waar Joodse leerkrachten onderwijs geven.
Het Bestuur van het Montessori Lyceum
(Toevoegsel: In het boek"Kom vanavond met verhalen. Het Montessori Lyceum in de oorlogsjaren" zijn bovenstaande twee brieven als bijlagen achter elkaar afgedrukt . Wat daarbij opvalt zijn de data van deze brieven. De brief van het bestuur van het Montessori lyceum aan de ouders van de leerlingen is gedateerd 28 augustus 1941, terwijl de brief van de secretaris-generaal van Dam een dag later is gedateerd en wel op 29 augustus 1941 . Dankzij het volgende citaat uit het dagboek van mijn grootvader Han de Booij blijkt dat het bestuur van het MLA zaterdag 23 augustus 1941 al op de hoogte was van de maatregelen tegen de Joodse leerlingen van het Lyceum: "Zaterdag 23 augustus 1941.We hebben 't bericht gehoord dat alle Joodsche kinderen van het Montessori Lyceum moeten worden verwijderd. Dat is weer een slag op het arme hoofd van het Montessori Lyceum, dat het al zo moeilijk heeft en nog een hardere slag op al die Joodsche leerlingen ongeveer 30. Straks komt Alexandrine Osterkamp op om het geval te bespreken.")
12 september 1941 Brief van het Bestuur van het Montessori Lyceum aan het
Bestuur van de Gemeente Amsterdam

Tekst van bovenstaande brief : "In opdracht van de Secretaris-Generaal van
het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming zendt
ondergetekende, secretaresse van de Stichting van Middelbaar en Voorbereidend
Hooger Montessori Onderwijs, U een staat van de leerlingen van Joodschen bloede
op het Montessori Lyceum te Amsterdam
w.g A.D. Cnoop Koopmans -van Tienhoven secretaresse

Lijst van Joodsche leerlingen van het Montessori Lyceum . Opgestuurd in 12 september 1941 door het bestuur van het lyceum aan het bestuur van de gemeente Amsterdam (maar recent door een historica aangetroffen in het stadsarchief van de gemeente Amsterdam en aan het Montessori Lyceum ter beschikking gesteld)
Deze lijst is niet teruggevonden in het archief van het lyceum, maar na de oorlog per toeval ontdekt)
Van deze 22 leerlingen van het Montessori Lyceum in september
1941 zijn er 7 omgekomen in de oorlog t.w
1. Hilda Julie Caffé
(1943 Auschwitz)
2. Johanna Charlotte (Jannie) Gompertz.
(1942 Auschwitz)
3. Lodewijk Jack (Lo) Gompertz
(1942 Auschwitz)
4. Enny van Raalte
(1944 Auschwitz)
5. Luise Marte Renate (Rena) Stenszewski (1943
Auschwitz)
6. Isaac Jonathan Veershijm
(1943 Sobibor)
7. Dina Louise van der Woude
(1943 Sobibor)
Tekst uit boek"Kom vanavond met verhalen" van pagina 190,193, 196
17 mei 1941 Tienjarig bestaan van het Montessori Lyceum
Amsterdam
Navrant
De school bestond in 1940 tien jaar. Dat werd op 17 mei 1941 gevierd met een
groots schoolfeest annex reünie in het toenmalige schoolgebouw (een dubbel
herenhuis aan de De Lairessestraat 156 en 158), georganiseerd door de
schoolvereniging. De voorzitter daarvan, de leerling Bram Cnoop Koopmans, zette
er voor een prijsvraag van het Gemeentearchief Amsterdam en het dagblad Het
Parool, 'Herinneringen aan Plan-Zuid', in 2002 iets over op papier.
Er was die dag een uitgebreid feestprogramma, met onder andere toneelstukjes en
komische acts door de diverse klassen en de docenten, en een groot diner voor
alle 180 deelnemers. Aan de achterzijde van de school werden groepsfoto's
gemaakt van alle leerlingen, oud-leerlingen en docenten. Met uitzondering van de
jongste twee klassen, want die waren toen al naar huis. Die groepsfoto's heeft
Bram destijds niet gezien. Hij kwam ze pas dertig jaar later tegen in de kelder
van zijn ouderlijk huis - bewaard door zijn ouders, beiden eerder lid van het
schoolbestuur. Zijn moeders voorstel de foto's naar zijn geëmigreerde broer te
sturen, 'met de groeten van allemaal', leek hem geen goed idee. 'Er was iets
zeer navrants met die foto's aan de hand,' schrijft hij. 'De aanwezigen staan er
weliswaar vrolijk en onbezorgd op, maar een deel van hen had nog maar kort te
leven en kon geen 'groeten' meer versturen. We weten nu dat weldra de grote ramp
zou plaatsvinden. Na de zomervakantie van 1941 moesten alle Joodse leerlingen de
school verlaten, ongeveer een vijfde van het totaal. Het bevel gold voor het
hele land en is overal vrijwel geruisloos opgevolgd. Bram begrijpt dat niet:
'Geen protesten of brieven, geen februari - of
andere staking, hoewel het toch een cruciaal onderdeel was van de door de nazi's
doorgevoerde ethnische, antisemitische 'zuivering'.
' Wat er daarna gebeurde met de Joodse leerlingen, de achtergebleven niet-Joodse
leerlingen en de docenten, is weergegeven in dit boekje. Tijdens de viering van
het derde lustrum in februari 1946 las rectrix
juffrouw Lex Osterkamp onder doodse stilte de namen voor van allen die om het
leven waren gekomen. Bram wilde mede om die
herinnering de namen terugvinden van iedereen op de grote gezamenlijke foto. Dat
is in 1980 uiteindelijk gelukt. 'Een indrukwekkende herinnering aan een vrolijk,
onbezorgd feest tegen de achtergrond van de naderende verschrikkelijke ramp, die
kort daarna ons land en onze school zou treffen,' aldus Bram.

Feestgangers/reünisten lieten zich fotograferen, zonder de jongste twee klassen., zij waren op het moment van opname al naar huis. Vierde van rechts is de voorzitser mevrouw H.G. de Booy-Boissevain

De personen van bovenstaande foto. Met kruisje aangegeven de Joodse leerlingen die zijn omgekomen en op de lijst stonden die het bestuur van het lyceum aan het bestuur van de gemeente Amsterdam heeft gestuurd. Bovenste rij nr 31: Rena Stenszweski., Middelste rij v.l.n.r, nr 44; Hilda Caffé, nr 50: Jannie Gompertz, nr 83: Enny van Raalte, nr 109: Lo Gompertz. Isaac Jonathan Veershijm en Dina Louise van der Woude waren in mei 1941 nog geen leerling van het Montessori Lyceum).
Citaten van de bloemlezing uit de bestuursnotulen samengesteld door Jaap Veenhuysen
30 april 1941 Bericht van Van Dam over erkenning en
financiering. "Nu kunnen we eindelijk beginnen met het opbouwen van een goede
school."
2 september 1941 De aangezegde maatregelen ten aanzien v.d. Joodsche
leerlingen:
"Eind augustus kwam een oproep om opgave te doen van de Joodsche leerlingen, en
het bestuur stuurde hierover een enquête-briefje aan de ouders. Voorlopig,
d.w.z. tot 1 oct., mogen de Joodsche leerlingen nog blijven. De Penningmeester
licht toe dat het vertrek der Joodsche leerl. een verlies van inkomen van ± f 8000,- voor de school beteekent."

Dinsdag 2 september 1941 Notulen bestuursvergadering Montessori Lyceum
Enkele gedeelten van de notulen:Bestuursvergadering op dinsdag 2 september 1941 ten huize van Mevr. de Booy-.Boissevain, 20 uur. Aanwezig: de dames De Booij, Cnoop Koopmans, Misset, Osterkamp en Schippers, en de heeren Aleva, Cnoop Koopmans, Haak en de Vries
1) Punt van bespreking: De aangezegde
maatregelen ten aanzien v.d. Joodsche leerlingen. De voorzitster opent de
vergadering en geeft het woord aan Juffr Osterkamp (...)
Eind Augustus kreeg spr. een oproep om opgave te doen van de Joodsche
leerlingen en stuurde hierover ene enquête -briefje aan de ouders. Voorlopig
, d.w.z tot 1 oct. mogen de Joodsche leerlingen nog blijven. De
Penningmeester licht toe, dat het vertrek der Joodsche leerl. een verlies
van inkomen van ongeveer fl 8000,- voor de school betekent. aan Prof van Dam
werd een begroting ingezonden.
3 september 1941 woonde een aantal bestuursleden de
docentenvergadering bij. Daar kwam de "groote ongerustheid van de docenten" tot
uitdrukking over de salarissen, zowel hoogte als onzekerheid. Men besluit
hierover aan Van Dam te schrijven. Per telefoon reageerde Van Dam op zaterdag 6
september dat de toelage in orde zou komen. "Mevr. de Booy bracht aan Prof. van
Dam nog onder oogen, dat de derving van f
8000.- onze begrooting weer aan 't wankelen bracht. Prof. Van Dam zeide
hierop dat dit van Finantiën afhangt, doch hij meende dat men daar de
billijkheid van een vergoeding van de schade, veroorzaakt door de maatregelen
ten aanzien van de Joodsche leerlingen wel zou inzien."
16 september 1941 "Tot de leerlingen van haar klas heeft
juffr. Osterkamp een vermanend woord gesproken om de politiek buiten de school
te houden."
"Mevr. Misset vraagt of de Joodsche leerlingen nog naar het sportveld mogen. Het
Bestuur meent van wel, daar dit geen openbare sportgelegenheid is.
Gesproken wordt nog over de moeilijkheden, welke Joodse ouders krijgen, om hun
kinderen het hen passende onderwijs te laten geven, indien deze ná oct. van de
scholen zouden moeten." De heer Schreuder wordt opgedragen het schoolblaadje
"Climax" aan "een zorgvuldige vóór-censuur" te onderwerpen.
Op 9 october 1941 komt een brief van Van Dam met de erkenning voor 6 jaar. Er
gaat een bedankbrief naar Van Dam.
26 november 1941 Uitvoerige discussie over erkenning
en de consequenties daarvan. (Echter geen woord over de verwijderde Joodse
leerlingen! - redactie van het boek.)
Einde bloemlezing notulen
8 september 1942 Brief van het Bestuur van het Montessori Lyceum aan de Secretaris-Generaal van het Department van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming

Tekst van de bovenstaande brief:
Hoogedelgestrenge Heer, Naar aanleiding van Uwe circulaire van 26 augustus 1942,
No 13908 afd V.H.M.O. hebben wy de eer U te berichten, dat noch onder het
personeel van het Montessori Lyceum noch onder leden van het Bestuur personen
voorkomen, die gehuwd zijn met een persoon, die volgens paragraaf 4 der
verordening Nr 189/1940 betreffende het aangeven van ondernemingen, Jood is
of als zoodanig moet worden beschouwd
w.g H.G. de Booy, voorz. en A.D. Cnoop Koopmans-v.T. secr.
Bestuursnotulen van 7 juni 1945 "Ten tweede herdenken wij met weemoed de Heer Haak,.die evenals zijn vrouw, in een concentratiekamp in Duitschland omgekomen is. Het Bestuur zal aan Jur Haak zijn deelneming betuigen (brief dd. 15 juni 1945). Nu de omstandigheden voor het gezin Haak zoo heel anders zijn geworden, besluit het Bestuur hiermede wat betreft het schoolgeld voor Floris Haak rekening te houden." "De Rectrix deelt mede, dat er nog steeds aanbiedingen voor nieuwe leerlingen komen, ook kwamen eenige Joodsche leerlingen terug. Naar aanleiding hiervan vertelt Mej. O. dat mevr. Breemer een school wil oprichten om tijdelijk Joodsche leerlingen op te vangen, tot deze weer in andere scholen terecht kunnen. Wethouder de Roos voelde hier veel voor." Besloten wordt de nieuwe minister Bolkestein te schrijven over een behoorlijke salariëring van de docenten. "De Rectrix is ook bereid naar Den Haag te gaan om den minister te bewerken." Aanvulling van het Curatorium: "Prof. Van Dam valt nu vanzelf uit. Mocht Minister Bolkestein geen minister blijven, dan hopen wij, dat hij zijn plaats in ons Curatorium weer zal willen innemen." "Wat onze Joodsche Bestuursleden, dr. Polenaar en Cronheim betreft, meent de voorzitster, dat wij hen gaarne in ons midden eens hartelijk willen ontvangen, doch dat zij niet meer in ons Bestuur moeten terug komen, daar zij geen kinderen meer op school hebben. Aldus wordt besloten."
Notities voor de rede van de voorzitster (mevrouw H.G. de Booy-Boissevain) op de curatorenvergadering van het Montessori lyceum 12 october 1945.

Notitie van Mevrouw de Booy-Boissevain voor haar rede tijdens de curatoren vergadering van het Montessori Lyceum Amsterdam 12 october 1945
Inhoud van bovenstaande notitie:
Beleid tijdens den oorlog
Sept 41 door vertrek Joodsche leerlingen f 8000 minder schoolgeld - vroegen
erkenning
Oct 41 verkregen erkenning
Prof. van Dam beschouwde ons als pioniersschool - bemoedigingstoelage f 20.000
veel moeite met contanten
Aug 43 1. Haak en vrouw gevangen genomen
2.
Klasseleidster Visser id id.
3.
mevr. de Boer wegens gebrek aan huish. hulp
4.
Jordan werd tot Jood verklaard - moet onderduiken
5. de
pasbenoemde Aardrijkskunde leeraar schreef af.
6.
Vacature Staatsinrichting
1. Voor Haak - Jur Haak
2. voor Visser - tijdelijk mevr. Polak-deBooy / P. Sluiter in '42 weggegaan
3. voor mevr de Boer- mej. Habbema.
4. voor Jordan - tijdelijk Dr Walther
5. voor aardrijkskunde Alessie
6. voor staatsinrichting Valkhoff
Alle moeilijkheden, die voortsproten uit te groote belangstelling van den
bezetter voor onze leerlinge, hun adressen, geboortejaar enz. hebben we het hoofd
geboden in overleg met de vereeniging van neutrale scholen
(de kopie van de notitie werd mij ter hand gesteld 2 december 2008 door het
Montessori Lyceum Amsterdam. Let wel het zijn notities voor een rede met
steekwoorden. Misschien is Mevrouw De Booij-Boissevain tijdens haar
rede uitvoeriger ingegaan op het lot van de Joodse leerlingen).
Uit het boek "Kom vanavond met verhalen" pagina 61 e.v,
Herinneringen van Dora Suuring-Polenaar toen Breemer-Polenaar Rectrix van
het Joods Montessori Lyceum in de oorlog
"De kinderen en de leraren werkten alsof alles normaal was"
"Ik ben in 1914 geboren. Dat was te vroeg om me tot een
Montessori leerling te maken. Vanaf 1939 was ik lerares op het Montessori
Lyceum. Ik moest een geheel nieuw soort wiskunde geven, en vroeg collega en
vakgenoot Jur Haak mij te helpen. Maar hij zei: "Swim or sink!" Gelukkig kon ik
zwemmen. En de scheikunde, die ik ook moest geven, was evenmin een probleem. Ik
deed mijn doctoraal scheikunde met natuurkunde en wiskunde in 1940, toen ik op
het Montessori Lyceum les gaf. In 1941 werd ik, als enige Joodse docent op het lyceum,
ontslagen. Ik geloof niet dat me dat officieel is medegedeeld. Ook de Joodse
leerlingen moesten van school af. Walter Emanuel had een zoon en dochter op het lyceum. Toen ook zijn kinderen daar niet meer mochten blijven, wilde hij
dat ze toch op deze manier verder werden onderwezen. Hij vroeg mij een Joods
Montessori Lyceum te organiseren en huurde daarvoor een huis. Ik heb gezocht
naar leraren en leraressen die daar wilden werken. We waren blij iemand voor elk
vak te kunnen vinden, plus een man die het huis schoonhield. Al gauw verloren we leraren en leerlingen, die of onderdoken of
door de Duitsers werden opgepakt. Maar we gingen het volgende jaar zo goed
mogelijk door en vonden weer de nodige leraren.

De docenten en leerlingen van het Joods Montessori Lyceum aan
de Guido Gazellestraat in Amsterdam.
Onderste rij Vlnr: Marty van Collum (x), Mariëtta Duchnitz, Nico Schloss (x),
Dora Breemer-Polenaar, Margot Wreschner
Tweede rij vlnr: Lineke van Praag, Renate Berg, Betsy Diamant (x), Gerda
Santcroos (x), Jackie Wechsler (x)
Staand vlnr: Betty Springer, Mirjam Emanuel (x), Hetty Heimanson, Hetty Rudelsheim,
Noëmi Kahn(x), Leo Palache, Ilse van Collum (x), Nico Frijda (x), Rena
Stenszewski(x,+) .
(x) Opgegeven aan Secretaris Generaal van Dam door het Bestuur van het
Montessori Lyceum 12 september 1941
(+) Omgekomen in 1943 Sobibar (Polen)
We hadden een lesrooster als op het Montessori Lyceum. De docenten waren heel vriendschappelijk, maar
gedroegen zich zoveel mogelijk als op hun vorige scholen, die ze als Joden
hadden moeten verlaten. Er was geloof ik meer contact tussen leerlingen en
docenten, maar niet veel. In die periode hielp ik, en ik geloof ook wel enkele
anderen, als het nodig was voor kinderen en/of ouders om onder te duiken. Maar
uiteraard vertelden we elkaar nooit wat we deden. Want dat kon gevaarlijk zijn. Wel verbaast het me nog steeds dat de kinderen en de leraren werkten alsof alles normaal was. Begin 1943 werd de school gesloten, omdat er vrijwel geen leerlingen en
leraren meer waren.
DE BIEZEN. In de loop van 1942 kregen allerlei Joodse
doktoren, leraren enzovoort het aanbod naar Huize De Biezen in Barneveld te
gaan, zogenaamd voor hun veiligheid. (Secretaris-Generaal Frederiks en zijn
collega Van Dam van onderwijs hadden lijsten opgesteld van Joden met bijzondere
verdiensten voor Nederland en Duitsland, die moesten worden beschermd - red.).
Hoewel ik het niet vertrouwde en zeker niet wilde gaan, heb ik dat uiteindelijk
toch gedaan. Mijn toenmalige man was namelijk doodsbang en vertrouwde het
aanbod. Zijn angst kwam doordat ik in die tijd mijn scheikundige kennis
gebruikte voor het vervalsen van persoonsbewijzen en andere papieren, en
verschillende mensen hielp onder te duiken. In de tijd in De Biezen werkten we op het land en gaf ik les
aan Joodse kinderen daar. Toen de Duitsers alle bewoners naar Westerbork
transporteerden, vluchtten wij door een gat in de omheining. Ik dook onder in Leeuwarden - mijn man werd elders
ondergebracht - en ging daarna naar Deventer. Daar werkte ik als scheikundige
onder een valse naam op de Peja bakpoederfabriek. Hierdoor kon ik weer voor de
ondergrondse werken, aangezien ik de beschikking over een laboratorium had. Nadat de fabriek was gebombardeerd ging ik terug naar
Amsterdam, pakte het werk met mijn oude verzetsgroep weer op, en kon
onderduikers herbergen tot het eind van de oorlog.
NA DE OORLOG Samen met leraar Nederlands Willy Pos van
het Joods Montessori Lyceum, heb ik na de oorlog het initiatief genomen om een
school op te richten voor Joodse kinderen die uit de oorlog terugkwamen. Verder
werkte ik ongeveer een jaar bij de falsificatie opsporingsdienst. Ook heb ik nog
scheikunde op de Handelsschool gegeven. In 1948 vertrok ik met mijn
tweede echtgenoot naar Nieuw-Zeeland. Daar heb ik tot mijn 75ste les gegeven op
scholen en opleidingsinstituten.
Overigens ben ik na mijn vertrek in 1941 nooit meer op het
Montessori Lyceum teruggeweest. Niemand vond het daar nodig om gedurende de
oorlog eens te vragen hoe het met me ging. Natuurlijk mocht dat officieel ook
niet, maar anderen stoorden zich daar niet aan. Ik had dus ook geen reden om na
de oorlog weer contact op te nemen."
Citaten van het interview gehouden op zaterdag 11 maart 2006 met drie
oud-leerlingen van de Montessorischool: Annelies Romein, Mance Post en Bram
Cnoop Koopmans door Meerle Braakman en Mira van der Naald
(beiden eindexamen Montessori Lyceum 2005) (pagina 30-43):
"Op school gebeurde niet zoveel. Het was een betrekkelijk vredig eiland"
In het najaar van 1941 moesten de Joodse leerlingen van school.
De Joodse docenten mochten toen al niet meer werken. Werd
er wel gepraat over wat er gebeurde met de Joodse kinderen, waar ze waren?
Wisten jullie daar iets van?
ANNELIES: Ik wist dat velen naar het Joods Lyceum gingen, dat toen is
opgericht. Tot de zomer van '41 ging het leven op school eigenlijk ongestoord
verder, behalve dat Joodse leraren weg moesten.
Het lijkt alsof het verwijderen van de Joodse kinderen helemaal niet gemerkt
werd. Maar toch wel meer dan de uitsluiting van Joodse leraren?
BRAM: We wisten ook niet wat er ging komen. Je dacht: misschien gaat het wel
weer over, ze zitten nu op de Joodse school en dan komen ze later wel weer
terug. Het heeft me achteraf wel eens verbaasd dat er daarna bij ons op school
vrijwel niet gepraat is over hun lot. Een enkeling had nog een enkel contact.
MANCE: Er werd eigenlijk helemaal niet over de oorlog gepraat op school, ook
niet in de lessen. Dat kon ook niet, want als leraar kon je je niet zo kwetsbaar
opstellen.
Was er geen verzet tegen het wegsturen van de leerlingen en docenten?
BRAM: Ik weet niet eens meer wie de Joodse leraren waren die weg moesten,
tot mijn schande. Ik geloof dat er in heel Nederland een heel klein aantal
leerlingen zei: "Wij gaan ook niet meer naar school." Op het Vossius Gymnasium
is een soort leerlingenstaking geweest. Wij en onze school hebben het wegsturen
van de Joodse docenten en kinderen klakkeloos geaccepteerd. De school ging
gewoon door. Wat me nog wel eens verbaast, is dat we ons daar zo weinig tegen
hebben verzet. Geen woord van protest of zoiets. Geen solidariteitscomité,
geldinzamelingsactie of belangstelling. Dat zou natuurlijk ook lastig zijn
geweest, want het was zomer '41. In februari was de Februaristaking, waar de
Duitsers furieus op reageerden. Toen zijn er stakers gefusilleerd. Als de
scholen gestaakt zouden hebben, zouden ze waarschijnlijk een paar docenten of
leerlingen oppakken of fusilleren. Dus durfde je eigenlijk niet zo vreselijk
veel. Op het MLA speelde toen ook de erkenning een rol. Juist in dat jaar zou
beslist worden of het een goedgekeurde, gesubsidieerde school zou worden. Dat
betekende normale eindexamens en normale lerarensalarissen. Die waren bij ons
allemaal aanzienlijk lager, er werd veel uit idealisme gedaan, vaak met steun
van ouders. Het bestuur was als de dood dat ze de erkenning konden vergeten
wanneer ze zich kritisch of opstandig zouden gedragen tegen de Duitse
maatregelen. De toenmalige secretaris-generaal voor het onderwijs Van Dam
besliste over de erkenning en zat in ons curatorium. Hij had eerst één, later
twee zoons op de school en was die dus gunstig gezind. Toen is die erkenning ook
afgekomen. De leerlingen hoefden niet meer ergens anders examen te doen. Ik heb
na de zomer van '41 een gedicht geschreven en in een overmoedige bui in de wc
opgehangen. Ik ken de eerste en laatste twee zinnen nog:
Ons land is als dit kabinet
Eerst was het vrij, nu is het bezet.
( ... )
Wat zullen we ons opgelucht gevoelen Als we al dat vuil weer weg zien
spoelen.
Dat was over de moffen natuurlijk, maar wel cryptisch. Rudolf van Dam*),
mijn maatje want we waren de twee bèta's, kwam woedend met dat gedicht in zijn
hand in de klas: "Wie heeft dat gedaan? Wat schandelijk. Mijn vader doet zoveel
voor de school. Dan krijgen we dit hier, en daar krijgen we gedonder mee. Dan
komen de Duitsers." Dat zijn vader voor de Duitsers werkte weerhield mij er niet
van met Rudolf om te gaan. Als je met zijn tweeën in de klas zit, moet dat ook
wel. Hij was helemaal geen NSB'er. Ik zei dat ik het gedicht gemaakt had en dat
we het maar moesten vergeten, maar hij diende een klacht in bij de
schoolleiding. Het gekke is dat ik hem dat nooit echt kwalijk genomen heb.
Juffrouw Osterkamp, de rectrix, zat er natuurlijk ontzettend mee. Toen ze het
las sloeg de schrik haar om het hart, vooral omdat Rudolf het al aan zijn vader
bericht had. Ze heeft me toen voor drie dagen geschorst en we besloten dat ik
niet langer de voorzitter van de schoolvereniging kon zijn met die toestand.
Inwendig heeft ze erom gegiecheld, dat was wel mooi. Dat gedicht was een soort
verzetsdaad, maar natuurlijk niet te vergelijken met wat er door anderen gedaan
is. Er is in gezinnen van alles gebeurd.
*) De vader van Rudolf was de secretaris-generaal van het Departement Opvoeding,
Wetenschap en Cultuurbescherming
Schaamt u zich er nog steeds voor?
BRAM: Ja. Dat geldt voor ons alle drie, en gaat echt niet weg. Na een groot
en gezellig lustrumfeest in mei '41 waren de Joodse leerlingen weg. Ik schaam me
ervoor dat ik me daar eigenlijk niet voor geïnteresseerd heb. De school had dit
ook niet zo mogen laten passeren. Ook mijn ouders niet, die waren bestuursleden.
MANCE: We zijn niet de enigen. Er zijn meer groepen in Nederland die zich wel
een beetje moeten schamen over hun passiviteit. Zoals er in alle tijden dingen
gebeuren waarover we ons later zullen schamen. Iedereen zou wel een grotere held
willen zijn.
Een artikel van Nico Groen in het boek "Kom vanavond met verhalen" (p. 55- 58) over het Joodsch Montessori Lyceum.
Voor dit artikel heeft hij gebruik gemaakt van de oud-leerlingen Han Emanuel, Mirjam-Emanuel en Hetty van Raalte-Heimanson. Ook is geput uit de memories van Walter Emanuel (vader van Han en Mirjam Emanuel), die het initiatief nam tot oprichting van het Joodsch Montesorri Lyceum.
1942-1943. Joods M
ontessori Lyceum. In de huiskamer in de Guido Gezellestraat, Midden achter (derde links van de klok Walter Emanuel, de oprichter van de schoolHet ontstaan
De financiering
De financiering van de school was een groot probleem. De Joden hadden
alles van waarde moeten inleveren - geld, zilver en goud, effecten, sieraden
enzovoort - bij een Joodse bank die de Duitsers hadden overgenomen. Dat was
Lippmann, Rosenthal
De
sfeerLIST REDDE LEVENS
Helty van Raalte-Heimanson ging midden in de oorlog van het Joods Montessori
Lyceum naar het Montessori Lyceum. Hoe kon dat?
De Duitsers beschouwden haar moeder als een Joodse vrouw, omdat zij een Joodse
vader en een Joodse man had. Hetty's grootmoeder bedacht een list om te
voorkomen dat het gezin zou worden weggehaald. Zij vertelde de Duitsers dat haar
dochter, dus Hetty's moeder, een buitenechtelijk kind was van haar tweede,
niet-Joodse man en dus niet Joods. De Duitsers lieten haar vervolgens
onderzoeken door een sibbekundige, die via skeletmeting bepaalt tot welk ras
iemand behoort. Zijn conclusie was: Hetty's moeder was absoluut een Arische en
géén Joodse vrouw. Dat maakte haar huwelijk tot een gemengd huwelijk, waardoor
ook Hetty en haar broer als niet Joods werden beschouwd. Daarom moest Hetty
meteen van het Joods Montessori Lyceum af, en kon zij in 1943 als leerling op
het Montessori Lyceum worden toegelaten.
Einde artikel Nico Groen over het Joodsch Montessori Lyceum"
Ter verantwoording:
Van Mevrouw J.S.Calff heb ik de toestemming gekregen om te citeren uit
haar boek: Van Pionier tot Mammoet. Het Amsterdams Montessori
Lyceum 1930-1980. Het is uitgegeven door de Stichting Montessori ter gelegenheid van
het vijftig jarig bestaan van de Scholengemeenschap Montessori Lyceum Amsterdam.
(1980)
Van de heer Rolf Schoevaart, namens de directie van het
Montesorri Lyceum Amsterdam, ontving ik 22 december 2008 een e-mail
met de volgende zin "Bij deze heeft u toestemming om de betreffende informatie
op uw website weer te geven " Het betreft hier het gebruik maken voor mijn
website van gedeelten van tekst en foto's uit het boek: "Kom vanavond met
verhalen ".Het Montessori Lyceum in de oorlogsjaren. Uitgave Montessori
Lyceum Amsterdam 2008