Fragmenten van het hoofdstuk 'Hamlet op Ternate' uit het boek van H. Th de Booy " Eenzame Tropenzeeën, met de Hr.Ms. Halmaheira tussen eilanden en riffen". Uitgave H.Meulenhoff-Amsterdam1957.
p.111-114
"Blijkbaar heeft de sètan*) nu bij mij z'n
tent opgeslagen," zei Meertens enige dagen later, toen hij 's ochtends aan boord
kwam. "Op onverklaarbare wijze verdwijnen er telkens enkele dingen uit huis.
Wij hebben vier bedienden, Loerat, een Boetonnees, Lena een jonge Ambonese baboe,
een oude Ambonese kokkie en een tuinjongen. Mijn vrouw is van hun onschuld
overtuigd, maar ik ben er nog niet zo zeker van. Vanmorgen miste mijn vrouw niet
alleen een biljet van twintig gulden, dat ze diep in het achterste vakje van
haar schrijfdoos had opgeborgen, maar ook een geëmailleerd reisklokje. Ik
vertrouwde Loerat niet; we lieten hem zoeken en na enige tijd kwam hij met het
bankbiljet terug. 't Lag tussen een boek, zei hij. Het klokje bleef echter
onvindbaar en ik hoorde Loerat iets mompelen over een kleine sètan. Dat hij het
bankbiljet had "verplaatst", zodat het eerste stadium van verdwijnen was
bereikt, viel niet te ontkennen. Ik haalde de. Commissaris van politie erbij, die
Loerat aan een streng verhoor onderwierp. Wegens gébrek aan bewijs werd hij weer
op vrije voeten gesteld. Het onderzoek in de kampong, in de huisjes van baboe
Lena en de kokkie, leverde niets op. Nu is warempel Loerat met het voorstel voor
den dag gekomen om de wijze vrouw Maria te raadplegen, een Ambonese
Christenvrouw uit kampong Oerimessing, die de faam heeft een zieneres te zijn."
"En wat denk je daarmee te bereiken?" vroeg Kooyman geïnteresseerd. "Ik heb van
Loerat begrepen," zei Meertens, "dat de , vrouw" door een soort Godsoordeel kan
uitmaken of, en zo ja van de bedienden schuldig is aan de diefstallen. Ik sprak
er met m'n buurman Bakker. Die woont al jaren op Ambon. H mij de raad op Loerats
voorstel in te gaan.
Probeer 't maar, zei hij. Baat 't niet, 't schaadt ook niet en meestal komt na
zo'n seance het gestolene op onverklaarbare wijze terug. Dan kan men het
gevoegelijk toeschrijven aan de toverkracht van Maria."
"En wat heb je besloten?" vroeg Holst, die evenals de andere officieren met
spanning Meertens relaas hadden, gevolgd.
"Vanavond om zeven uur zal de hokus pokus beginnen," zei Meertens glimlachend.
"Grote onzin natuurlijk, maar misschien. heeft Bakker gelijk en komt het klokje
weer terecht."
"Daar zou ik graag bij zijn," zei Holst.
"Je bent welkom," zei Meertens, "maar voor meer publiek is geen ruimte, want de
vertoning vindt plaats in het kleine kamertje van de kokkie."
Het was een donkere avond, een druilerig motregentje viel onafgebroken neer.
Holst liep door het verlaten Ambon naar het huis van Meertens en kwam net op
tijd. De oude Maria zat al voor een rokend houtskoolvuurtje gereed om te
beginnen. Een enkel olielichtje aan de muur verlichtte met rossige glans de
hurkende figuren van Loerat, Lena, de kokkie en de jeugdige kebon (tuinjongen).
Maria keek voor zich, hield de handen gevouwen en prevelde onverstaanbare
woorden. Van tijd tot tijd wierp ze een stukje wierook in het ijzeren potje,
waarin de houtskool gloeide. De spanning in het kleine kamertje was voelbaar.
Staande voor de deuropening maakten Meertens, zijn vrouwen Holst het drama -
want dat werd het mede.

Loerat nam het woord en legde de wijze vrouw uit waarom men haar had laten
komen. Ze knikte zwijgend; een blauwe wierookkronkel steeg omhoog en zij sloot
de ogen. Na enige minuten stak zij de punten van een wijdgeopende schaar in de
rand van een platte, rieten mand.
Loerat kwam het eerst aan de beurt. Hij moest de top van z'n rechter wijsvinger
onder een oog van de schaar houden. Maria deed hetzelfde met het andere oog. Zij
hielden de mand in evenwicht boven de wierookdamp. Maria prevelde met half
gesloten ogen zacht voor zich uit, en Holst meende de woorden "klokje" en
"diefstal" op te vangen. Na enkele minuten volgde een doodstille pauze.
Eindelijk vroeg zij fluisterend: "Loerat?"
Weer stilte, alle ogen waren in grote spanning op de mand gevestigd, die roerloos
bleef hangen. Loerat was onschuldig bevond en met een iets tè triomfantelijk
lachje stond hij op. Nu kwam kokkie aan de beurt; weer bewoog de mand niet.
Lena hurkte al voor het houtskoolvuurtje neer, maar onverwacht duwde Loerat haar
enigszins ruw opzij.
"Eerst de kebon," zei hij gejaagd. Ook de kebon ging vrij. Tenslotte moest
Lena zich aan de proef onderwerpen. Ze was de het zonderlinge optreden van
Loerat nerveus geworden. Met haar grote, donkere ogen keek ze naar de roerloos
hangende mand en
haar hand beefde. Loerat schoof dichterbij en
volgde de gang van zaken met ingehouden adem. Toen Maria de naam Lena uitsprak
draaide de schaar plotseling een kwartslag om haar lengte-as en viel kletterend op
de stenen vloer.
"Ik heb het niet gedaan, ik kan zweren mevrouw, ik kan het zweren, ik ben
onschuldig," riep Lena wanhopig.
"Daar ben ik ook van overtuigd," zei Meertens resoluut en pakt Loerat, die
zegevierend glimlachend in de hoek van het kamer stond, bij z'n kraag.
"Holst, haal jij Commissaris Blank op," zei Meertens. "Ik ben er nu
zeker
van, dat Loerat het klokje heeft gegapt."
De z.g. wijze vrouw had kans gezien van de algemene consternatie gebruik te
maken om snel weg te sluipen; ook de tuinjongen koos het hazepad. Even later nam
Commissaris Blank de hevig verbouwereerde Loerat mede. De arme Lena was danig
overstuur; eerst toen de Commissaris terugkwam om te zeggen dat Loerat bekend
had het "orakel" te hebben omgekocht, kalmeerde zij. Zij durfde echter
niet in de donkere nacht alleen naar de kampong terug te keren en Holst bracht
haar naar huis.
.
*) Het woord sètan letterlijk satan, maar het betekent meer: een ongeluk waar de
duivel achter zit