Fragmenten uit de herinneringen van mijn grootvader Hendrik de Booij
Op den dag waarop mijn Vader 47 jaar oud werd, den 23 sten Juni 1867 werd ik te Haarlem geboren

Mijn Vader verzond een telegram aan zijn schoonbroeder Adriaan de Mol van Otterloo, die met zijn zusters Anne en Line woonden te Amsterdam, Herengracht 114, tegenover de Bergstraat. (red. gebouwd omstreeks 1755). Het luidde als volgt: "Adrienne heeft mij een zoon gegeven hedennacht ten 3 uur, die verjaart gelijk het mij, alles is Goddank wel, de zoon die Hendrik zal heten, is een kind dat op Just lijkt". Wij woonden in het grote huis in de Groote Houtstraat no 99, dat mijn vader kocht in 1860 kocht. Gebouwd in het begin van de 18e eeuw, behoorde het tot de mooiste huizen van Haarlem.

Grote Houtstraat 99, geboortehuis Hendrik de Booij
Wanneer ik aanneem dat mijn geboortehuis met mijn huwelijk in 1897 ophield het huis te zijn waarheen men, van zelf sprekend, na lange reizen terugkeert, dan heb ik het als zodanig dertig jaren gekend. Het is dus niet verwonderlijk dat , en aan denkende , elk hoekje en gaatje ervan mij helde voor den geest komt. Van allen die het bewonderde ben ik de enige die, nog in leven, er kan van kan vertellen. Ook zal mij neef-oomzegger- Jim- er zich nog iets van herinneren en zeker nog mijn oud-schoolvriend Louis Ortt. Na de dood van mijn Vader in 1901 verkochten mijn zusters het, het was niet geschikt voor de bewoning door drie dames. De architect Van der Steur kocht het en bewoonde het enige jaren met veel liefde, daarna was het nog enige tijd een restaurant en ten slotte brak men het mooie huis af, naar ik meen in l9l3. nog enige tijd een restaurant en tenslotte brak men het mooie huis af en bouwde men een winkelhuis op de plaats waar het had gestaan. Het enige wat men er nog van kan zien en betasten is de zware voordeur. Men kan die deur bewonderen in het gemeentelijk museum te 's-Gravenhage.

Voordeur Grote Houtstraat 99, Haarlem
Wanneer men door een zware trekbel te doen luiden of met behulp van een ijzeren sleutel van groot gewicht en bijna 2 decimeter lengte de deur geopend zag, leidde een marmeren gang van 24 meter lengte naar de achterkamer, die uitzag op den tuin. In die ruime kamer van 8 1/2 bij 6 meter speelde zich het huiselijk leven in hoofdzaak af. Maar voor men de achterkamer had bereikt, had men misschien al iemand gezien, beladen met papieren komende uit een vertrek bij de voordeur, een van de zes of acht klerken van het beneden kantoorwaar mijn Vader, de Notaris zetelde. ]

Aanstelling van Chrétien Jean Gerard de Booij als notaris in het arrondissement Haarlem, standplaats Beverwijk, 11 januari 1852, getekend door de Minister van Justitie Mr J.Th.H. Nedermeyer ridder van Rosenthal en Koning Willen III Koning der Nederlanden.
Die brede trap met en sierlijke zwaai van dertig schoon geschuurde eiken treden omhooggaande, was een prachtstuk van bouw. Een fijn bewerkte, uit eikenhout gesneden leuning begrensde haar aan de gangzijde en boven, aan het trapgat, keken beelden van een Griekse godenwereld uit nissen op je neer.

Gang van het geboortehuis van Hendrik de Booij, met eikenhouten leuning van trap
Door de benedengang op weg naar de achterkamer was men voorbij de suite gekomen. In de grootste van die twee nogal; duistere kamers stonden twee vleugelpiano’s. Maar de achterkamer, uitziende op de tuin, die van uit die kamer gezien 45 meter lang was stond de grote mahoniehouten tafel waaraan wij 's-morgens zaten en luisterden (of niet luisterden) naar wat onze Vader voorlas uit den Bijbel. Wij baden altijd voor en na het eten. Het kwam niet vaak voor dat iemand te laat kwam aan het ontbijt. Mijn Vader was er zeer op gesteld dat dit niet zou gebeuren Hij waarschuwde zelfs logerende gasten op tijd te komen. "Mijn huis is geen herberg" herinner ik mij. Na tafel vonden wij het een prettig spel steeds stapels te maken van de stoelen en daaraan dan een wedloop de tafel te verbinden waarbij wij over de tafel sprongen.

De bovengang, deur rechts slaapkamer de moeder van Hendrik de Booij, in het midden slaapkamer van zijn vader, links de kinderkamer. Let op de bellen

Hendrik
Mik, mijn oudste zuster, toen ongeveer 16 jaar oud, leerde mij lezen en
schrijven. Voor het lezen werd een boekje gebruikt dat verhalen bevatte die een
strekking hadden. Het boekje was geïllustreerd. Ik herinner mij een verhaal van
een jongen, die uitging met vrinden die veel groter en sterker waren dan hij.
Het resultaat was dat die grote sterke jongens de kleine zwakke jongen in de
modder gooiden, zijn kleren scheurden en hem, in het algemeen, mishandelden.
Toen de jongen thuiskwam zeide zijn moeder dat het een goede les was geweest om
altijd met gelijken om te gaan.
Toen ik zeven jaar was kon ik lezen en schrijven en bracht mijn moeder mij naar
de school van de heer Knoop in de Jacobijnenstraat. Deze nam mij een examen af
dat ik mij goed herinner: "Eén paard heeft vier poten, hoeveel poten hebben vier
paarden?" Ik antwoordde onmiddellijk zonder enige aarzeling: "vier en twintig",
waarop de heer Knoop zeide, ":Mevrouw, uw zoontje is niet harmonisch opgevoed".
Op de terugweg vroeg ik mijn moeder wat "harmonisch" betekende, maar ik herinner
mij niet antwoord op die vraag te hebben ontvangen. Behalve lezen en schrijven
had Mik mij nog veel andere dingen geleerd. Dit gebeurde als Mama haar met mij
uit wandelen zond. Dan vertelde zij mij verhalen, die zoals ik veel later te
weten kwam, stamde uit Herodotus, Homerus en Platon.
Toen wij eenmaal huiswaarts wandelden langs de Brouwersvaart waarin eenden zwommen vroeg ik Mik (Jean Marie) waarom het was dat bij de mensen vrouwen mooier waren zijn dan mannen terwijl het bij de eenden juist andersom is. Ik kreeg geen antwoord. Misschien zal Mik gedacht hebben "wat kan zoo’n jongetje moeilijke vragen stellen". Mik vertelde mij over het beleg van Troje en van de terugreis van Odysseus ook wel iets uit het symposion van Plato, zoals ik later heb bemerkt. Een aardig verhaal van Herodotus, zeer spannend, over een koning, die en schatkamer doet bouwen voor zijn grote bezit maar de bouwer van de schatkamer heeft er voor gezorgd, dat één van de stenen in den zijwand zonder veel moeite kon worden verwijderd en men door het ontstane gat toegang topt de schatkamer kon verkrijgen. Hij hield dit geheim maar deelde het voor zijn dood mede aan zijne beide zoons met het merk dat op de los te maken steen was aangebracht. Na de dood van den vader brengen de zoons herhaaldelijk boeken aan de schatkamer tot de koning bemerkte dat hij bestolen werd. Wat hij ook doet en hoe tenslotte één der dieven een hogen eervolle betrekking aan het hof van de Koning krijgt .Men kan het lezen in het tweede boek –Eruterpe – van Herodotus. Mik zal toen 18 jaren geweest, wat jonger misschien.
Het kleine huisje waarin de weduwe Taurel woonde voor een geringe vergoeding aan mijn Vader wien het toebehoorde ik geloof dat haar overleden echtegoot op mijn vader kantoor had gewerkt scheidde ons huis van dat der familie van Meurs. Mevrouw van Meurs was een deftige oude dame oud let wel in mijn oog En haar man was eveneens in mijn oog een deftige oude heer. Ze hadden twee dochters die Jeanne en Betsy heetten; Betsy had rood haar ze had ook een zoon veel ouder dan ik Op zekeren dag droeg mijn Moeder mij, oud 8 jaar, op, een boodschap te brengen aan Mevrouw van Meurs, Daar het destijds in strijd was met de voorschriften van wat behoorde, zonder hoofddeksel op straat te zijn, ofschoon de afstand tussen de huizen zeer gering was, zette ik mijn pet op en belde ik enige ogenblikken later bij de familie van Meurs. Op mijn bellen kwam een meisje, dat mij naar een zijkamer bracht, en mevrouw ging roepen. In die grote zijkamer stond een grote kast en daarop twee vazen. Ik was nu alleen in die grote kamer en je moet toch iets doen, dus nam ik de pet van het hoofd en liet die door de kamer zeilen. Hij zeilde naar boven en kwam zelfs hoger dan de kast, ja zelfs nog hoger, boven op een der vazen terecht. Even bewoog de vaas, maar viel niet om en de pet lag er boven op. Toen ging de deur open kwam Mevrouw van Meurs binnen. ,,Wel Henri", zei ze, ,,wat kom je me vertellen". Toen bracht ik de boodschap van mijn Moeder goed over en gaf ze me een boodschap mee voor mijn Moeder en ik kreeg een lekker koekje en ze bedankte en veel complimenten aan je Moeder, en ik hoopte dat ze uit de kamer zou gaan, want dan had ik er wel weg mee geweten, maar dat deed ze niet en ze zag de pet niet omdat zij met de rug naar die kast gekeerd was. ,, Waar wacht je op" zei ze ,, Mijn pet"… zei ik en ook keek er naar en ze draaide zich om en zag het gevaar dat haar waardevolle chinese vaas (misschien van de Ming periode) had doorgemaakt. Ja, je kan wat beleven.

Louis (Felix) Ortt
Willem Ortt
Ik werd ouder en sterker. In onze tuin was een grote, hoge kastanjeboom. Daar
klom ik in met mijn beste vrinden. Dat waren de jongens Ortt, Louis en Willem
heetten ze. Met de familie Ortt was onze familie zeer verbonden. Een zoon,
Steffen, was een vrind van Chrik en Henriette was de beste vriendin van Mik. Zij
woonden aan de oostelijke oever van het Spaarne, dicht bij de Melkbrug en hun
huis staat er nog.

Henriette Ortt, boezem vriendin van Mik de Booij
Als ik te Haarlem kom loop ik er even langs hoor ik mijn Vader nog zeggen"De Ortt'en zijn een aristocratische familie" hoor ik mijn vader nog zeggen. "Wij niet".

Jonkheer Ortt
Van tijd tot tijd ging ik bij de jongens Ortt spelen, waarvoor de gelegenheid niet zo goed was als bij ons. De tuin was kleiner en er was geen boom, geschikt om in te klimmen. Dan bleef ik soms eten en dat was een feest voor mij, want de jus was bij Ortt veel lekkerder dan bij ons. Ik werd wel eens van tafel gestuurd door de heer Ortt omdat ik vuile handen had en eenmaal likte ik mijn lepel af zoals een jongen dat kan doen, waarop de heer Ortt mij vroeg "wie heeft je dat geleerd?" waarop ik antwoordde "mijn moeder". De heer Ortt was statig, droeg bakkebaardjes. Hij was hoofdinspecteur van de Waterstaat, maakte wel eens een inspectiereis met een mooi zeiljacht dat eigendom was van het Rijk. Hij sprak het woord "blauw" op een bijzondere wijze uit, anders dan wij, met meer van de "A" klank duidelijk hoorbaar.

De familie Ortt bij gelegenheid van hun zilveren bruiloft.
Vlnr staande: de heer Jhr Ortt, Henriette, Johan. Zittend Willem, Louis, mevrouw
Ortt, Stephan
Mevrouw Ortt was een belgische, heette de Raikem. Zin had een vriendelijk gezicht, een zachte uitdrukking in de ogen. Nog vele malen zal men leden van de familie Ortt ontmoeten in deze herinneringen. In onzen kastanjeboom timmerde ik bovenin een lessenaartje zodat ik mijn huiswerk op en vijftien meter boven de grond kon maken. Er kwam weinig van terecht. Te vaak, gebeurde het dat boek of schrift omlaag viel Vanuit de top van mijn kastanjeboom had ik een mooi uitzicht op de Sint Bavo, die hoog boven alle huizen uitstak. Duidelijk kon men de damiaatjes zien hangen, de klokjes die herinnerden aan het beleg van Damiate en die nog steeds van negen tot half tien worden geluid. De damiaatjes werden ook geluid bij het begin van de kermis. Dat was een feest. Wij kregen kermisgeld volgens een vaste regeling en wel evenveel dubbeltjes als wij jaren oud waren. Aangenomen dat ik tien jaar was, dan kreeg ik dus één gulden of honderd centen, wat de mogelijkheid schiep om hetzij honderd ritten in de draaimolen te maken, die op de Krocht was gericht wel vijftig ritten te maken en vijf en twintig oliebollen te eten., die 2 cents kostten. De geheel Gedempte Oude gracht en grote markt stonden dan vol kramen en spullen Er waren andere mogelijkheden, waarbij ook de kop van Jut een rol speelde. Op de Turfmarkt was het circus gebouwd. Hield het circus een rondgang door de stad, dan stond ik daar met open mond naar te staren, de in schitterende kleding uitgedoste mensen die eraan deelnamen als wezens van een hogere orde beschouwende. De poffertjeskraam is ook onvergetelijk. Op een verhoging zat, zoals vorstelijke personen past, in een leunstoel met hoge rug, een omvangrijke vrouwelijke verschijning, de rokken wijd uitstaande en een gouden kap op het hoofd. Naast haar, een beetje meer naar voren, stond een aarden vat, hoog en met wijde mond, gevuld met deeg; voor haar strekten zich in de lengte de lange rechthoekige poffertjespannen uit, verhit door het open vuur dat eronder brandde. In haar rechterhand omvat zij de scepter van hare waardigheid, een lepel, die een steel had van wel een el lengte, die zij achtereenvolgens doopte in het blanke deeg dat zij daarna, de arm lang uitstrekkende, vlug en met grote beheerstheid van beweging, neergoot in de uithollingen van de pannen, beginnende met de verste en eindigende met de dichtsbijzijnde. En als dan de misschien wel honderd poffertjes gaar waren, dan kwam de vork, alweer op el-lange steel, en wipte al die poffertjes uit hun hete ligplaats in een ander bruin aarden vat, dat gereed werd gehouden door een andere prinses, ook met een gouden kap.

Zitkamer van het geboortehuis van Hendrik de Booij
Haarlem verschilde van het tegenwoordige. Het had in mijn jeugd ongeveer dertigduizend inwoners, nu zeker wel driemaal dat getal. Oude gebruiken verdwenen door de ontwikkeling van de nijverheid, ja van alles. Ik herinner mij de Zandvoorter vissers en vissersvrouwen, die langs het visserspad, dat door de duinen voerde en een kortere weg was dan de Zandvoortse laan, op blote voeten naar Haarlem kwamen, de manden met verse vis op het hoofd dragend en langs de huizen ventende. Zandvoortse bomschuiten, daar pinken genaamd, waarvan ik mij te Zandvoort een vijftiental herinner, vingen de vis, die aan het strand werd verkocht en dan door de opkopers door de duinen naar de stad werd gebracht. Ik herinner mij dat een troepje ezelinnen langs de huizen trok en melk leverde voor jonge kinderen. De ezelinnen werden op de stoep gemolken. Ik herinner mij dat ingeval een bewoner van de Houtstraat ernstig ziek was, een dikke laag van run werd gestrooid voor het huis van de zieke, waardoor deze niet meer zou worden gehinderd door het geraas van karren en rijtuigen.

Strand van Zandvoort met bomschuiten (tekening gemaakt door Cateau Biben)
Ik herinner mij de lage hondenkarretjes, waarvan boeren gebruik maakten om van hun boerderij naar de stad en terug te gaan als ze niet met hun wagens en paarden kwamen. Het waren wagentjes die door vier honden werden getrokken en deze honden gaven de indruk plezier te hebben in hun werk. Als de boer verscheen waren ze ongeduldig, verlangend te vertrekken. Dan wipte de boer op het karretje en onder vrolijk geblaf was het vierspan in snelle vaart onderweg.
Ik herinner mij dat onze lieve Moeder ons saleb te drinken gaf als we last hadden van de maag. De herinnering aan dit geneesmiddel vervaagde en verdween tenslotte tot ik in Turkije zijnde, door een nieuwen Turkse vriend, genaamd Nedjmeddin Bey te Stamboel werd uitgenodigd "iets lekkers te gaan proeven", echt turks. Hij voerde mij naar de brug van Pera en onder die brug stond ene koopman die verschillende dranken bereidde en verkocht. Toen ik de door hem bereidde drank aan den mond zette, zag ik dadelijk mijnmoeder voor mij en ik zeide "dat is saleb" waarop Nehjmeddin zich verwonderde over mijn bekendheid met den naam. Saleb wordt bereid uit een plant , die in Arabië groeit uit de wortels van de Orchis mascula maar dit is een geen herinnering......
Ik herinner mij dat mijn oudere zuster Jo, geboren in 1863, mij vertelde nog te hebben bijgewoond of althans ervan te hebben gehoord, op het bestrate deel van den tuin, daar waar men deze begint als men door de tuindeur , dicht bij de achterkamer uit de gang naar buiten komt, een varken was geslacht. Ze wees mij de plek. Ik herinner mij, dat er een tijd is geweest grote belangstelling had voor het slachten van varkens. Het lukte soms, er iets, zo niet alles, van te zien en het staat mij voor den geest, dat ik thuiskwam met de uitroep "Mama, ik heb een varken zien slachten welke mededeling met afgrijzen werd aangehoord. Wat ik ook graag zag was het opbrengen van beschonken mensen door de politie, vooral als daarbij de sabel moest worden getrokken tegen een opstandig publiek. Er was veel dronkenschap in het Haarlem van mijn jeugd vooral op den dag waarop geloot werd voor de militie. Dan was de stad vol dronken lotelingen die met het nummer, dat ze hadden geloot op de pet gehecht, door de straten zwaaiden. Nette mensen lootten niet, zij kochten een remplacent die voor hem diende. Met de kermis werd het erg levendig in de stad, dan kwamen de jonge boeren uit de Meer met de jonge boerendochters, die toen nog in de dracht waren gekleed met kappen en oorijzers. Zij vulden de Groote Houtstraat over de volle breedte, arm in arm, zingende en schreeuwende, en naarmate de avond naderde verergerde de staat van hun dronkenschap. Dan was er wat te zien voor het jongetje dat zat te kijken in de stille zijkamer.
De Zondag was een stille dag in Haarlem. 's-Morgens ging men naar de kerk en in de namiddag zaten zij die niet uitgingen in de zijkamer te kijken naar de burgerij van Haarlem, gekleed in haar zondagse plunje op weg naar de muziek in den Hout. Dan waren het vooral de huzaren, rode of blauwe, wier kolbak, tressen, sporen en leren zitvlakken diepe indruk op mij maakten, en het militaire bereikte een hoogtepunt op 19 februari, 's Konings verjaardag, want dan rukten garnizoen en schutterij uit voor de parade die werd gehouden voor het Paviljoen. En het schoonste ogenblik van de parade was dan wanneer de huzaren met de sabels hoog in de lucht, luid Hoera roepende, als ware het Waterloo, maar thans op een denkbeeldige vijand, aanrenden en die zonder veel moeite versloegen. Daar trilde je van. Vergeleken bij de huzaren waren infanterie en schutters niets.
Ik zou nog lang kunnen doorgaan met mijn herinneringen, ze komen in drommen op mij aan: ik denk nu aan de geheimen van zolder en vliering en vooral aan de goten, verboden terrein geloof ik, maar nu nog zou ik geen ogenblik de weg kwijt raken. Ik denk ook aan mijn liefde voor Dop van Bemmelen, wier ouders woonden in de Damstraat in een huis dat er nog staat. Ik ontmoette haar op dansles van den heer Bel in een zaal of ruimte naast het Stadhuis aan de Zuidzijde ervan, in de Middeleeuwen misschien ingenomen door een klooster. Daar danste ik met Dop van Bemmelen de dansen die we leerden, Mazurka, Polka, Duitse polka , galop en nooit sprak ik tot haar, evenmin als zij tot mij Aan een jongen uit Indië die bij haar ouders in de kost was, hij heette Carstens, vroeg ik mij een portret van Dop te bezorgen. Hij was bereid voor een kwartje. Het duurde enige tijd voordat dit er was. Ik was tien jaar. Toen kwam het portret, dat ik verwisselde met een portret van tante Line, dat deze mij gegeven had. Zij verdween uit het lijstje en Dop hing nu boven mijn bed. Met dansles nam ik Dop's portret uit de lijst, stopte het in mijn kiel, ook wel "hes" genaamd, en nam het mede en toonde het Dop. Er werd geen woord bij gesproken. Later, toen mijn ouders op reis waren en tante Line uit Amsterdam kwam om ons op te passen, kwam ze ook op mijn slaapkamertje en toonde haar verbazing over het feit dat haar portret was verwijderd uit de mooie zwarte lijst en vervangen door dat van Dop. Ik geloof dat Dop van Bemmelen gedurende de oorlogstijd te Arnhem is gestorven. Zij was ongehuwd. Te Haarlem heb ik mij nog een op en schoolfeest in haar tegenwoordigheid onderscheiden door vaardigheid met balgooien. Ik heb haar niet vergeten.
Op zekeren dag viel ik van een hoogte van ongeveer 5 meter omlaag uit en kastanjeboom in onze tuin waarvan ik al iets verteld. Ik viel op een hoop dorre bladeren. Als was ik geschrokken mij mankeerde niets en mijn Moeder zond me dus naar school maar thuiskomende vond ik bij binnenkomst in de achterkamer mijn Moeder in gesprek met onze huisdokter. Dr Posthuma, wien ze had verzocht te komen. Toen ik binnen kwam stormen zag hij dadelijk dat er niets aan de hand was. Merkwaardig was dat het klimmen in den boom op een gewone wijze door ging ook wat de vrienden Ortt betrof. Er volgende geen raadgevingen of verboden. Zeker zullen, als ik vertel over mijn ouders, broeders en zusters nog vele herinneringen opduiken. Een volledig beeld van mijzelf zullen ze niet geven. Want hoe gaat het met herinneringen, men schrijft niet op wat men liever niet op een of andere wijze zou hebben gedaan, in het algemeen dat, waarom men zich schaamt.In een van zijn boeken zegt Dickens, ik kan niet mee vinden in welk want dan zou ik mijn eigen woorden gebruiken dat hij nog nooit in een beschrijving van het eigen leven de eigen ernstige fouten, misslagen en domheden vermeld had gezien. Zo ongeveer herinner ik mij wat Dickens zeide en ik ben niet anders. Wij kennen ook niet de geheimen van de anderen die wij beschrijven. Wij beschouwden onze oudste zuster als een nagenoeg foutloos wezen, maar hoe ik herinner ik mij haar verontwaardiging toen een onzer iets in die richting zeide. Ze zeide niet veel maar wat ze zeide betekende: je moest eens weten, je ken niet al mijn fouten en tekortkomingen. Toen zij in 1927 gestorven was, schrijft mijn broeder Just uit Amerika die daar toen 47 jaar was en hollandsch had vergeten '' she taught us how to love"

Zeerust, het huis in Zandvoort, links vooraan
In mijn jeugd hadden wij een huisje te Zandvoort, dat de naam Zeerust droeg. Het
staat, of stond, zo het door de Duitsers is afgebroken, zuidelijk van het Grote
Badhuis boven op het duin. De weg van Haarlem naar Zandvoort was vroeger niet
bestraat, maar door de hulp van particulieren kwam daar verbetering in. Langs
die weg liep mijn vader, als wij te Zandvoort waren, na afloop van zijn werk in
ongeveer 1 1/2 uur naar Zandvoort. Hij deed het soms veel vlugger. Ik herinner
mij vaag dat hij het wel eens in de looppas deed. Later herinner ik mij hem te
paard. Het paard werd gestald in de stalhouderij van Van den Berg, even voor de
Houtbrug. Die stalhouderij droeg het opschrift "Honi soit qui mal y panse",
welke woordspeling wel uit de franse tijd zal hebben gestamd, toen er meer
Nederlanders waren dan thans die wisten dat panser met een a roskammen betekent.
De kinderen beschikten voor hun reizen van en naar Zandvoort, als de vacantie
nog niet was begonnen, over een ezelwagen met twee ezels bespannen. Zij heetten
Mina en Bertha. Wij bestuurden de ezels zelf. Het gebeurde wel dat de ezels,
voorbij de weg komende die leidde naar hun stal, als we niet opletten,
plotseling die weg insloegen., waarbij de wagen dan omsloeg. Dan kwamen de
mensen van de stal aanlopen en werd alles weer in orde gebracht en vervolgden
wij onze weg
Bij het baden is mijn vader eenmaal in groot gevaar geraakt, maar hij werd gered door een paar vissers. Dit deed hem die vissers met hun vrouwen en hun naaste familieleden uitnodigen tot een maaltijd of diner in het Grote Badhuis. Het bleek toen dat veel meer mensen dan mijn vader zich voorstelde aan die redding hadden deelgenomen. Het aantal groeide met de dag. Hoe groot het was kan ik mij niet meer herinneren. Dit gebeurde voor mijn tijd. Mijn vader hield veel van wandelen. Hij was geheelonthouder, of liever afschaffer, zoals men toen zeide, maar dit betekende voor hem slechts dat hij geen jenever dronk. De liefde voor wandelen uitte zich des zondags door het maken van een lange wandeling met alle aanwezige kinderen, bijvoorbeeld naar Overveen, vandaar naar Elswoud en langs de Zandvoortse laan terug. Op de hoek van de Zandvoortse laan, waar deze uitkomt op de Wagenweg verkeerden wij dan in spanning, want wij hoopten dat wij linksom zouden slaan en zo naar huis, maar vaak gingen wij dan nog rechtsaf naar de Koedief en naar Heemstede en dan pas naar huis. Dat was dan een tegenvaller. Ik vond die wandelingen vervelend. Veel prettiger vond ik het met een paar vrienden, met Louis en Willem Ortt bijvoorbeeld, de duinen in te gaan naar de verborgen hut, die we daar hadden ingericht met allerlei keukengerei dat we uit de keuken hadden geleend, en daar dan een vuurtje te stoken en iets te koken. Een koddebeier maakte aan dit spel eenmaal een einde. Terwijl wij aandachtig bezig waren stond hij plotseling voor ons met zijn stok en hond. Wij schrokken en gingen er vandoor, alles in de steek latende. 's Avonds was Henriette Ortt bij ons en kwam bij mijn bed, waar ik in lag. Zij vond het verkeerd van ons en laf, dat we waren weggelopen - "dat moet je nooit doen", zei ze.
Een andere ervaring in de duinen herinner ik mij. Met mijn vriend Willem Ortt wandelden wij in de duinen. Toen het tijd was terug te keren sloegen wij de terugweg in, maar een dikke mist maakte dat wij verdwaalden en we wisten ten slotte niet meer of wij in de goede richting liepen. Het begon al wat donkerder te worden. Toen knielden wij beiden bij een duintje en vroegen God ons te helpen in deze moeilijkheid. Daarop liepen we weer verder. Een eindje verder kwamen we een man tegen die ons de weg wees. Wij vonden onze families aan tafel in spanning, want we waren al een uur te laat. Thans zou men telefoneren maar dit was toen nog niet mogelijk. Mijn moeder had Sientje gezonden naar de familie Ortt aan het Spaarne om te vragen of ik daar wellicht was en die was nog niet van haar boodschap terugekeerd. Mijn moeder kan men goed leren kennen uit haar mooie brieven. Van mijn Vader bezit ik er niet zovele . De oudere broers en zusters hebben haar heel goed gekend. Chrik maakte verscheidende reizen naar het buitenland met haar. Ze was niet sterk, leed aan asthma, waartegen zij een bijzonder soort cigaretten rookte. Wij verloren haar in 1882, toen ik 14 jaar was. Zij was toen in haar 55ste jaar. Zij was opgeruimd van natuur, had een sterk godsvertrouwen, dat haar zeker tot grote steun is geweest. Maar zij was in haar godsdienst niet als de strenge calvinisten. In een van haar brieven bijvoorbeeld, van 1 juni 1881 uit Renkum, schrijft zij over de preken van ds. Gewin en keurt het niet goed dat deze de hel in zijn preken in steeds feller kleuren schildert, daarbij met de vuist op de bijbel slaande. Ik herinner mij die preken en de in snikken losbarstende boerenvrouwen. Te Haarlem heb ik zoiets nooit bijgewoond.
Als regel gingen wij des zondags, toen wij oud genoeg waren, naar de kerk en wel naar de Bakenesser kerk, waar preken voor kinderen werden gehouden. Zij wekten mij niet op tot luisteren. Eenmaal per week kwam een bijbelleraar, die T.M. Looman heette om ons en de jongens Ortt les te geven. In de korte Christelijke Encyclopedie van prof. Grosheide wordt hij genoemd: Theodorus Matthijs Looman, van 1816 tot 1900, huisonderwijzer, o.a. van Da Costa's zoon...Zijn vele diensten worden opgesomd en de conclusie is: "deed veel voor Gods Koninkrijk." De heer Looman was een pittig mannetje, die wij toen erg oud vonden en die dan ook naar de zestig jaar liep. Hij hield het hoofd een beetje schuin en snoof. Dan werd de zilveren snuifdoos voor de dag gehaald, gevolgd door een enorme zakdoek. Hij nam zijn snuifje, eerst het ene, dan het tweede neusgat, waarop dan een kort niezen volgde en de zakdoek, na gebruik en langdurig opvouwen, zowel als de snuifdoos werden opgeborgen. Ik herinner mij niet dat wij veel van hem hielden, maar afkeer hadden wij ook niet van hem. Zo zaten wij dan boven met hem aan tafel: Jo en ik en Lientje en Louis en Willem Ortt. "Henri", zeide hij, "noem mij de profeten eens op". Ik noemde ze allen op, zonder fouten, tot en met Maleachi, maar toen kwam er een moeilijkheid, want tegenover ons was een winkel waar men kledingstoffen kon kopen, een lapjeswinkel, zal ik maar zeggen, die gedreven werd door een meneer Allebé. Deze had boven zijn winkelzaak een groot bord gehangen, waarop hij DE PROFEET had doen schilderen. Zo kwam de gedachte bij mij op dat de heer Allebé ook tot de profeten behoorde en zei ik na Maleachi "en natuurlijk meneer Allebé". Wat er toen gebeurde was anders dan ik had verwacht. De heer Looman nam zijn bril af en legde die op tafel. Met zijn scherpe ogen keek hij mij lange tijd aan en vroeg eindelijk "Zeg Henri, waar zal je zijn na je dood?" Ik had die vraag niet verwacht, een kind denkt niet veel aan de dood en zo antwoordde ik dat ik het niet wist. "Dan weet ik het wel", zeide de heer Looman. Ik heb dit niet aan mijn moeder verteld.
Het sterke godsvertrouwen dat mijn moeder had, het gevoelen dat wij allen in Gods hand zijn, steunde haar in dagen van verdriet en gaf haar rust als we in de boom zaten of andere streken uithaalden. Ik herinner mij niet dat ik ooit werd aangespoord voorzichtig te zijn. En nooit kregen we, wat je noemt, standjes. Op zekere dag gaf mijn moeder mij een nieuw pak. Het goed zal wel gekocht zijn bij de PROFEET en de huisnaaister zal het wel gemaakt hebben, want alles werd thuis gemaakt. Het was een mooi pak en ik zag er keurig uit, zei mijn moeder. Het was woensdag en ik ging naar den Hout, waar ik een troepje schoolvrienden ontmoette, onder andere de jongens Daudey, Piet en Harrie, en zijn oudere broer Jan. Piets vader was runderslager, die van Harrie slachtte varkens. Piet rook altijd erg naar vlees. We zouden gaan slootje springen, en dan naar de overkant. Ik kon heel goed springen, maar een keer ging het mis en lag ik in de sloot. Ik ging dus naar huis. Maar Jan Daudey vroeg:"wat doe je dan thuis?" Ik antwoordde dat ik daar een ander pak zou aandoen, waarop Jan Daudey zeide: "hoor je dat jongens, hij heeft een ander pak. Wij hebben maar één pak.".Ik liep dus naar huis, zowat een half uur, kwam binnen door de kantooringang, door het kantoor, de gangdeur even open, even gekeken, niemand in de gang, trap op, in mijn kamertje, het natte pak onder het bed gegooid, de modder van mijn gezicht gewassen, haren gekamd, ander pak aan en aan tafel zat ik, alsof er niets gebeurd was in mijn daagse pak. Maar toen kwamen de moeilijkheden. De eerste was dat mijn moeder me een complimentje gaf omdat ik zo goed voor mijn kleren had gezorgd. "Dat vind ik nou eens aardig van je, Henri, dat je je verkleed hebt." Dat was de eerste moeilijkheid en ik zal wel een kleur gekregen hebben, maar het werd nog moeilijker toen ons, zoals gebruikelijk, werd gevraagd wat we alzo hadden gedaan en beleefd op onze vrije middag. "Gespeeld in den Hout". "Wat speelden jullie?" "Slootje springen". Toen zei Jo, die naast mij zat:"je bent er toch niet ingevallen?" Ik merkte wel dat het helemaal mis was en zei ja, dat ik er eventjes was ingevallen. Toen werd het duidelijk waarom ik mij had verkleed en ik moest antwoorden op de vraag wat ik met mijn nieuwe pak had gedaan. Maar ik kreeg geen standje. In de achterkamer was onder de achtertrap naar boven een diepe kast waarvan de deur wel 3 decimeter dik was. Ouderen vertelden dat daarin wel eens hunnen door straf was opgesloten geweest en dat men had vergeten dat hij er inzat en hem miste aan het avondeten. Toe kwam men op het denkbeeld de kast te openen, daar lag de vermiste , rustig slapend. Ik geloof dit echter niet geheel want luchttoevoer was tot die kast is niet mogelijk ingesloten toestand. Misschien heeft Chrik er in gezeten als hij een ruit had ingegooid van de school van den heer Kok, wiens school grensde aan onze tuin. Ik herinner mij een verhaal over verregaand ongepast gedag van Chrik ten opzichte van de Heer Kok, die een klacht had ingezonden. Toevallig horende dat de heer Kok den volgende dag zijn verjaardag zou vieren zond mijn Moeder haar oudsten zoon met een mooie taart naar den heer Kok met de opdracht hem onder het aanbieden van gelukwensen excuses te maken. Het succes was groot.
Mijn vader, de notaris, was te Haarlem een algemeen bekend man. Als hij even te laat in het station kwam en de trein reeds in beweging was, liet de chef de trein stoppen om hem te laten instappen, al reisde hij ook derde klasse, wat destijds door heren zelde gebeurde. Ik heb dit zelf bijgewoond. Toen de paardentram in Haarlem kwam, in 1878, was mijn vader al minder goed ter been. De conducteur hielp hem bij in- en uitstappen, er waren geen bepaalde halteplaatsen. Uit dankbaarheid trakteerde hij dan met Nieuwjaar het gehele personeel op bruine bonen of capucijners met spek, bij elk van de leden van het personeel in zakken thuisbezorgd.
Ik herinner mij dat Jo, Lien en ik met onze vader eens een reisje door België maakten. Wij bezochten toen o.a. het slagveld van Waterloo, op een hoge omnibus, getrokken door twee paarden, van Brussel uit. Op het slagveld gekomen bood een gids zijn diensten aan. Toen hij zijn verhaal gedaan had, zeide mijn vader dat hij hem geen centime zou geven voor wat hij had verteld omdat hij niet had verteld van den prins van Oranje die zulk een groten invloed had uitgeoefend op het verloop van de slag en die gedurende de slag ook nog was gewond. De gids bleef beteuterd staan maar, zich bezinnende, begon hij een indrukwekkende éloge op den prins, die ten gevolge had dat hij nog iets ontving, echter vergezeld van een strenge waarschuwing.
Op 20 october l871 was Chrik als adelborst naar Indië vertrokken. Uit zijn brieven blijkt zijn belangstelling voor de omgeving waarin hij werkte en de mensen waarmede hij in aanraking kwam, zijn bewondering voor de Atjehers die toen onze vijanden waren, de erkenning dat zij hun land moedig verdedigden. Op 29 juni l874 is hij aan boord van het stoomschip Holland dat hem naar huis zal brengen en schrijft hij aan zijn ouders:..."ik zit nu met Ortt te domineeren wie of de rijtuigen te Soerabaja zal betalen ...Tegen half augustus zien we elkaar hoop ik weder".
In de achterkamer was onder de achtertrap naar
boven een diepe kast waarvan de deur wel 3 decimeter dik was. Ouderen vertelden
dat daarin wel eens hunnen door straf was opgesloten geweest en dat men had
vergeten dat hij er inzat en hem miste aan het avondeten. Toe kwam men op het
denkbeeld de kast te openen, daar lag de vermiste, rustig slapend. Ik geloof
dit echter niet geheel want luchttoevoer was tot die kast is niet mogelijk
ingesloten toestand. Misschien heeft Chrik er in gezeten als hij een ruit had
ingegooid van de school van den heer Kok, wiens school grensde aan onze tuin. Ik herinner
mij een verhaal over verregaand ongepast gedag van Chrik ten
opzichte van de Heer Kok, die een klacht had ingezonden. Toevallig horende dat
de heer Kok den volgende dag zijn verjaardag zou vieren zond mijn Moeder haar
oudsten zoon met een mooie taart naar den heer Kok met de opdracht hem onder
het aanbieden van gelukwensen excuses te maken. Het succes was groot.
Chrik oud 15 jaar, werd op 1 september 1868 geplaatst aan boord Zijne
Majesteit "Kortenaer"dat geweldige linieschip. Ik heb vroeger reeds de
karaktereigenschappen, welke mijn broeder sierden vermeld. Daartoe behoorde een
grote belangstelling voor alles wat in zijn omgeving gebeurde. Nu was zijn
opleiding achter den rug en was hij als adelborst 1e klasse op 20
october 1871 geplaatst aan boord Z.M transportschip Java. Vrijdag 22 december
1871 verlieten hij dan de reede. Hij komt 23 april 1872 op de reede van Batavia
Tandjong Priok aan. De reis had 4 maanden en 3 dagen geduurd. Op 29 juni 1874 is hij met Steffan Ortt, evenals hij luitenant ter zee der 2e
klasse aan boord van het S.S. "Holland" dat hem naar huis zal brengen en hij
schrijft aan zijn beste ouders: "Ortt schijnt verliefd te zijn. Dat ben ik
nu al in drie jaar niet geweest, dat voorspelt dus wat voor Holland!"
Zo kwam dan mijn oudsten broeder, toen 21 jaar oud, op 28
augustus 1874 in Nederland en het zal niet lang geduurd hebben voor de zware
voordeur van het ouderlijk huis voor hem werd geopend. Toen hij vertrok was ik 4 jaar oud, dus was ik mij
nu, op zevenjarige leeftijd niet of nauwelijks bewust hem ooit te hebben gezien.
Zijn binnenkomst in de achterkamer is onuitwisbaar in mijn herinnering
vastgelegd. Toen hij binnenkwam liet hij ons, Lientje en mij, grabbelen om het
losse geld dat hij in zijn zak had en er waren guldens bij. Hij bracht leven in
het grote huis. Aan tafel vertoonde hij kunsten van de longroom. Delen van het
servies werden tot een hoge toren op elkaar gestapeld. Hij voerde dansen uit in
de gang die lange marmeren gang en luid klonk zijn stem Spilliedjes waren het
die hij zong, die de matrozen zongen als zij, met de borst tegen de zware
spilbomen, de ketting inwonden en het zware anker uit den zeebodem trokken.
Dat ging dan onder het gezang :"vol van gramschap en ellende liep in in de
Kalverstraat ten ende, van de Munt al naar de Dam, toen daar een politieagent
kwam".De wijs die er bij werd gezongen maakte het noodzakelijk dat de
klemtoon
in agent op de a kwam, legde mijn broeder uit. Zat het anker stevig in den
zeebodem vast dan was veel kracht nodig het er uit te krijgen. Was het er uit
dan ging het verder inwinden gemakkelijk zodat soms in den looppas ging. Het
droevig lied van zoeven wijzigde zich dan in een veelal vrolijker melodie en
woorden: " al in mijnjeugd ben ik naar Mexico gegaan om in den Oost met een
meisje te verkeren ...".
Er kwamen vrienden op bezoek, naar mijn herinnering reuzen. Ze heeten Lamie,
Jeekel, Kluit en Brutel de la Rivière. Werd er gebeld dan kondigde het bellen
meisje de komst aan van de Generaals van Swieten en Mac Mahon. ( Toevallig
zal tijdens de tweede Atjeh oorlog Chrik de Booy de generaal van Swieten
meemaken). Dan begreep men
wel hoe laat het was en ging mijn Vader naar de voorgang om de hoge heren te
ontvangen en hun te beloven , dat zijn andere zoons ook bij de marine zouden
komen. Lamie zou later den tocht met de "Varna" leiden waarbij het schip in de
Karazee vastraakte in het ijs. Tengevolge van ijspersingen moest het schip
verlaten worden en zonk het schip. Na een lange tocht over het ijs bereikten
allen de kust en een bewoond oord. Lamie maakte twee tochten met de Willem
Barentz mede, mijn broeder de vierde tocht. De vrienden waren volgrappen. Om een
ervan te begrijpen moet men weten, dat het sobere salaris van den jongen
zeeofficier uit twee delen bestond en wel in vast tractement en zeetractement
het eerste deel werd in Holland uitbetaald, in dit geval aan het adres van mijn
Vader, het tweede deel deel aan boord. Met dit laatste deel kwam mijn broeder
niet altijd uit toe, wat begrijpelijk was en wat hem dwong van tijd tot tijd
wissels op zijn Vader te trekken. Beide delen waren het eigendom van mijn
broeder. Nu zaten die vrienden bij ons aan tafel, rechts van mijn vader die
geweldige Lamie en ze vertelden van het leven aan boord, "Wat prettig is, meneer
de Booij"zei Lamie dan tegen de 54jarigen Vader "Je wordt goed betaald, met het
zeetractement kom je gemakkelijk rond als je oppast".Ik zal op mijn zevende jaar
wel niet alles begrepen hebben. Chrik zette het hun betaald door bij het
afscheid aan het station even voordat de trein in beweging kwam , het hoofd in
de coupé te steken en , hoewel fluisterend , toch voor de medereizigers en
reizigsters verstaanbaar te zeggen ;"de Justitie is jullie nog niet op het
spoor".
Chrik werd op non-actief wat men op men in
die tijd soms lang bleef. In
1876 vertrekt Chrik dus weder naar Indië, kwam weder aan boord van de "Metalen Kruis" later te Bangermasing en eindelijk 10
augustus weder in Nederland. Zijn
brieven zijn waard gelezen te worden. (door mij vet gedrukt). Chrik werd nonactief wat men in dien tijd soms lang bleef. In den
tijd van 28 augustus 1874 tot einde April 1876, toen hij weder naar Indië
vertrok. In 1876 vertrok Chrik dus weer naar Indië kwam weder op de kust van
Atjeh aan de boord van de Metalen Kruis, later te Banjermasing en eindelijk 10
augustus 1879 weder in Nederland .Voor dat hij zou deelnemen aan boord van de
Marnix aan een kort durende expeditie tegen Deli, waardoor hij drager werd van
het erekruis voor belangrijke krijgsverrichtingen"
Tussenvoegsel: De brieven van Chrik de Booy aan zijn ouders, die hij gedurende de Atjeh oorlogen van 1873-1878 heeft geschreven zijn mogelijk een waardevolle bijdrage voor de reconstructie van ons koloniale verleden. Vooral omdat het een beeld geeft hoe men vroeger in die tijd dacht over deze oorlog. Nu achteraf bezien - ruim 130 jaar geleden - kan men zich afvragen of we hier niet te maken hebben met een misdaad tegen de mensenrechten? Zie voor de tekst van deze brieven die gaan over zijn tijd in Atjeh van 1873-1878 elders op mijn website Familie archief de Booij index pagina hoofdstuk 4. Chrétien Jean Gérard de Booij
Zo kwam dan mijn oudsten broeder, toen 21 jaar oud, op 28 augustus 1874 in Nederland. Toen hij vertrok was ik 4 jaar oud, dus was ik mij nu, op zevenjarige leeftijd niet of nauwelijks bewust hem ooit te hebben gezien. Zijn binnenkomst in de achterkamer is onuitwisbaar in mijn herinnering vastgelegd. Toen hij binnenkwam liet hij ons, Lientje en mij, grabbelen om het losse geld dat hij in zijn zak had en er waren guldens bij. Hij bracht leven in het grote huis. Aan tafel vertoonde hij kunsten van de longroom. Delen van het servies werden tot een hoge toren op elkaar gestapeld.
[In 1879 was hij van een tweede reis naar Indië weer thuis]. De voorgang had weder vol van de gebruikelijke rommel gestaan en zijn vrolijke stem klonk weder door de marmeren gang: "al in mijn jeugd ben ik naar Mexico gegaan om in den Oost met een meisje te verkeren" of wel "Hoera, hoera, hoera, op den Dam zag ik een politieagent staan". Dat waren spilliedjes, zeide hij, en dan legde hij mij uit wat een spil was. Ik ken de wijsjes nog, maar de woorden helaas niet meer. Zo kwam ik vanzelf in de Marine, zonder veel na te denken of mijn aanleg mij misschien meer geschikt zou maken voor iets anders. Hoe dan ook, Theo was in l875 naar het Instituut gegaan. En Just zou hem volgen, maar zijn ogen waren niet goed genoeg, dus kwam ik nu aan de beurt. Zo gevoelde ik het ongeveer.
Mik was nu een jonge vrouw van 23 jaar geworden. Ze was een van de beste leerlingen geweest van de Burgerschool voor Meisjes onder leiding van Mejuffrouw Schubert, dat ik dat rare liedje had voorgezongen. Haarlem was de eerste stad in ons Vaderland waar zulk een school werd gesticht Toen de onstuimige van Vloten, die rector was van de Illustre school te Deventer in 1868 zich bij de overdracht van rectoraat in de ogen van de gemeenteraad door zijn rede dusdanig onmogelijk had gemaakt, dat hij op vrijwel staande voet, en niet eervol, werd ontslagen, verhuisde hij naar Bloemendaal en de rede van de keuze was de nabijheid van Haarlem waar zijn dochters konden worden onderwezen op een school met vooruitstrevende begrippen omtrent opleiding en opvoeding van de vrouwen.

Links: Johannes van Vloten 1818-1883 letterkundige (schoonvader van Frederik van Eeden). Rechts: Martha van Vloten
Een van die dochters was Martha, die later de echtgenote werd van Frederik van Eeden. Mik werd geboren in 1856, Martha van Vloten in 1857, ze zijn zeker samen op school van Mej. Schubert geweest
In mijn boekenkast staan prijzen die Mik daar gekregen heeft en onder mijn papieren zijn actes die haar recht geven onderwijs te geven. Als in die tijd mijn moeder haar vroeg met mij uit wandelen te gaan dan vertelde zij mij geschiedenissen uit de Oudheid, die van het beleg van Troje en over de tochten van Ulysses. Ik herinner mij nog dat wij langs de Brouwersvaart kwamen waarin op dat ogenblik eendjes zwommen en ik haar vroeg waarom het was dat in de dierenwereld de mannetjes mooier waren dan de vrouwtjes en dat het bij de mensen net andersom was. Dat ik mij dit herinner komt zeker doordat die vraag een zekere verbazing wekte, die ik moet hebben opgemerkt. Wel is het zeker dat kinderen onverwachte dingen kunnen vragen en zeggen. Ik herinner mij dat een gewezen dienstbode die verloofd was, met haar aanstaande een bezoek bij mijn moeder kwam brengen. Zij zat op een stoel in de achterkamer en ik moest haar een hand geven, waarbij ik haar vroeg "Ben je nu al moeder?", welke vraag eveneens verbazing opwekte, hierin bestaande dat niemand iets zeide, tot mijn moeder het verlossende woord sprak, dat zij moeder zou worden als het daarvoor tijd was. Dan nog dit: de kapper die zijn zaak had in de Anegang, had mijn broeder Theo bij het knippen een klein knipje in het oor gegeven, wat bloedverlies had veroorzaakt. Het gebeurde had dien kapper sterk in mijn achting doen rijzen. De volgende dag was het mijn beurt naar den kapper te gaan en hem ziende vroeg ik hem, vermoedelijk met van bewondering stralende ogen, of hij het was die mijn broeder in zijn oor had geknipt, welke vraag ook weder een reactie gaf, bestaande uit algemeen stilzwijgen en ophouden van knippen bij onder handen zijnde klanten. Ik zal het hierbij laten. Ze had zich ook onder Leander Schlegel die mij eens zeide, dat Mik zijn beste leerlinge was , bekwaamd tot ene uitstekende pianiste. Ze was ook steeds een trouwe hulp geweest voor haar Moeder die op haar kon steunen wanneer zij voor haar gezondheid buitenlandse badplaatsen moest bezoeken’


Anne Marie (Mik) de Booij en haar vriend Daan de Clercq
Haar grote vriendin was Henriette Ortt. Het was in deze tijd en wellicht al
vroeger, dat wij Frederik van Eeden vaak zagen. Zijn vader was directeur van het
Koloniaal Museum, dat gevestigd was in een vleugel van het Paviljoen, dat
vroeger als woonplaats van koning Lodewijk Napoleon had gediend. Ik herinner mij
dat er een laan was in den Hout, die ik misschien nog wel zou vinden, waarvan
een der bomen de daarin gesneden worden "respectez ma solitude"vertoonde. Deze
woorden waren toen leesbaar. Algemeen zeide men dat Lodewijk Napoleon ze in
den boom had gesneden. Vader van Eeden was een knap botanicus die met leerlingen
van scholen ook met Mik en Henriette de duinen introk om planten en bloemen te
bestuderen
In zijn dagboek dat hij naliet kan men er over lezen Hij noemt haar daarin Ati.
Het is een ontroerend verhaal van een ongelukkige liefde
Henriette hield ook van hem, maar zij kon hem niet als echtgenoot aanvaarden omdat hun denkbeelden omtrent de Bijbel teveel verschilden. De familie Ortt behoorde, evenals de onze, tot de Hervormde kerk. Wij waren en werden allen opgevoed in de leer dat de Bijbel Gods woord was en als zodanig volkomen was, ook al hadden wij hier te doen met een Statenvertaling. Te Haarlem was één vrijzinnige, toen genoemd "moderne" dominee, die Moltzer heette. Blijkbaar werd in de familiekring over dien dominee in afkeurende zin gesproken want ik heb van dien dominee de herinnering dat hij een man was die afkeuring verdiende en dat men zeer zeker niet naar zijn preken kon luisteren. Van Eeden vond tegenstrijdigheden in de Bijbel, stelde vragen die Henriette en Mik niet konden beantwoorden. Zij raadden hem aan zich te wenden tot hun leermeester, de algemeen bekende Ds. Bronsveld.
Het duurde lang, maar eindelijk kwam aan hun verhouding een eind. Korter duurde het bij Mik. Ook deze werd bewonderd en wel door Daan de Clercq en ook deze werd afgewezen op dezelfde gronden, ongeloof betreffende de inhoud van de Bijbel. Slechts ging hier alles vlugger; ik herinner mij althans niet dat Daan de Clercq bij ons aan huis kwam. Wel herinner ik mij dat hij met Just in een gymnastiekclub was, dat hij zeer sterk was, en eenmaal, in de trein reizende van Haarlem naar Amsterdam, uit het coupeeraampje naar buiten was geklommen en langs de trein naar den machinist was gegaan om dezen te waarschuwen dat er iets niet in orde was met de wagenwielen. Deze daad werd zeer bewonderd.

Justus de Booij
Ik zeide reeds dat mijn moeder niet behoorde tot de Calvinisten en nu treft het mij Christelijke encyclopedie van Prof dr F.W.Grosheide de Ned. Herv predikant A.W. Bronsveld die in 1839 werd geboren, tot de felste bestrijders van de antirevolutionairen en van hun leider Abraham Kuyper wordt gerekend.

Frederik van Eeden, schrijver en dichter (1860-1932)
Van Eeden was jong en soms fel in zijn wijze van uitdrukken. Hij werd geboren in 1860. Henriette Ortt was, geloof ik , een paar jaar ouder. Ik herinner mij hem als een aanstaand student. In zijn dagboek schrijft hij 4 oktober 1878…"Daar vond ik in mijn koffer een brief van Mevrouw de Booij zo lief en zo hartelijk, dat ik haar wel omhelzen wou op dat oogenblik. Zij was bang voor mij, dat mijn fijngevoelige (?) geest zich ongelukkig zou voelen in het ruwe studentenleven en dat mijn gehoor en gezicht zouden gekwetst worden door dingen, die ik niet gewoon was…. ’t Is nu zaterdagmorgen, het is hier allergezelligst zitten, de zon schijnt onder het ontbijt nog binnen, nu al niet meer- ik kijk op mijn mooie inktkoker op Mevrouw de Booij’s brief, op Ati’s laatste epistel, op het doosje van Mik…Groenlopen is een goed ding, het heeft inderdaad het karakter van een loutering en ontbolstering.
Ik laat nu nog enkele aantekeningen in van Eeden’s dagboek volgen, die ik
vroeger had moeten opnemen. Ik herstel dit verzuim wegens de inhoud ervan.
20 juli 1876
’’s-Morgens stormde het geweldig , maar wij lieten ons niet afschrikken en
stapten in de boot die ons naar Ijmuiden zou brengen. De hele familie Ortt en de
Booij kwamen en toen de wind de wolken verdreef en de zon helder scheen, geleek
de boot wel een korf met levend en bloemen, een drijvend nest van lachende
waternimfen. Wij dronken wijn en aten broodjes en staken met een zeeboot de
haven uit. Daar dansten wij flink op en neer en werden natgespat door de
schuimende zee en ik bleven bij elkaar en hadden de nodige pret… ik dacht over
alles na en mij flink en krachtig toen zij mij verzekerd veel van mij te houden
en niets liever te wenschen dan innige vriendschap met mij. Toen durfde ik haar
te zeggen dat die vriendschap zou komen en blijven en dat geen verschil van
gedachten die zou verminderend en dat ik altijd gelukkig zou blijven als mij wij
het zoon goed konden vinden. Ik kreeg een aai tot beloning", (van Eeden was toen
16 jaar Henriette 18 à 19 jaar oud)
27 october 1876
Vandaag heb ik heerlijk gewandeld over Heemstede en Groenendaal, die roode
beuken, die dorre bladeren en die heerlijke dampige herfstlucht stemmen mij zeer
ernstig… Ati houdt veel van mij, heel veel. Wat doet mij dat goed. Ik heb geen
andere godsdienst dan liefde, maar zij zou ook zonder liefde niet kunnen leven ,
ze zegt ze…Zij noemde mij " lieveling"
14 december 1876
"…Gisteren kunstbeschouwing en daarna speelde Mik bij Ortt en we draaien de
lichten uit en lagen op luie stoelen maar ik genoot zooals ik zelden doe. Zoo
rustig, zoo liefelijk was het. Ik droomde ervan"
7 Januari 1879
"Och! Dergelijke redeneringen helpen mij niet, wien niet wil zien, houdt
de oogen gesloten. Als ik tegen Ati iets dergelijks zeg, dan praat ze van
"andere tijden". In dien tijd was dat gewoonte (alsof God met zijn tijd
meepraat) en wat bepaald onzin is, moet niet letterlijk opgevat worden… Ik ben
het geheel met haar eens dat de verhalen dier oude schrijvers alleen mooi zijn
als men op de strekking en de gedachten let en dat het bespottelijk is de
dichterlijke en fantastische aankleeding naar de letter op te nemen. Vooral
geldt dit voor het N.T. , in het Oude is de zedelijke strekking zelfs allen maar
half beschaafde natiën goed, de dichterlijke inkleeding is daarin meestal geheel
onzinnige goede zwervende , oorlogvoerende stammen, maar niet voor beschaafde
menschen. Maar neen! Ati blijft op zonderlinge wijze aan de een letter hangen en
laat de andere letter los.. Wonderverhalen, verschijningen, spookhistoriën als
’t ware , worden woorden voor woord geloofd en al wat een weinig "raar" klinkt,
niet naar de letter opgenomen, evenals of eerstgenoemde onzin niet "raar"
klinkt. Het schijnt haar te treffen dat de tegenwerpingen die ik maak door zoovelen
anderen ook gemaakt worden.. Ik durf haar toch eerlijk verklaren, dat zij geheel
oorspronkelijk zijn en opkwamen onder het lezen van haar "heilig "boek.
22 januari 1879
"Weer 14 dagen voorbij zonder te schrijven . Een dag ervan heb ik heerlijk
besteed door eerst ’s-morgens halfweg Leiden schaatsen te rijden met Daan (de
Clercq) en Just de Booij (mijn broeder geboren 1 juni 1861) en Jo
(waarschijnlijk een broeder van Fr. van Eeden) en nog anderen. En ’s-Middags den
ganschen middag te rijden met mijn Ati. . Onder het prachtigste weer en samen
een tocht te maken van en uur lang. Wat heb ik heerlijk genoten".
29 januari 1879
"… Een gezellige verjaardag hebben wij bij de O. (bij de Orttén ) gevierd ,
maar de vorige dag , toen wij drie uur bijna hand in hand door reden was toch
nog heerlijker. Ik heb een versje voor haar gemaakt. Arme goede Daan! Ik houd
toch werkelijk veel van hem en nu heb ik zoo’n onbegrensd medelijden en
mededogen met hem. Ik krijg een beetje het land aan Mik. Ze is zoo koel,
mogelijk dat ze bijzonder ver in het veinzen is, maar toen ik mij toevallig de
woorden :’" goede daan" liet vallen praatte ze heel kalm over hem alsof hij haar
niet aanging…Ati ., twee en twintig , wat oud is (Blijkens was op dien dag de
verjaardag van Henriette Ortt gevierd en was zij dus geboren in 1857).
31 Januari 1879
".. Als God een bijbel , een boek moest gebruiken om ons te overtuigen, zou het
dan geen boel moeten zijn, zoo schoon, zoo duidelijk en helder, zoo overtuigend,
dat ieder die het in de handen kreeg dadelijk op de knieën viel en riep: "God,
schrijver van zulk een heilig boek, ik erken U". Een eenvoudig mensch met gezond
verstand en vrij van bijgeloof vindt bijbelverhalen ongerijmd, een meer
ontwikkel begrijpt deze niet, kan ze niet overeenbrengen met zijn ideën van
God’s volmaaktheid zegt eenvoudig, het zijn sprookjes van oude volken… Zie je,
Ati .. gelooft van ganscher harte aan een God, die ons schiep en ons het leven
gaf" Nu vraag ik :":Waarom? Antwoord mij nu eerst, dan zal ik je zeggen waarom
ik dat niet doe. Verder Ati lief, beoordeel je Daan verkeerd. Hij is volstrekt
geen egoïst , die een meisje haar levensgeluk wil ontnemen om haarzelf tot vrouw
te krijgen, zooals je hem voorstelt even goed overtuigd als ik, dat iemand die
met gezonde denkbeelden en een opgeruimde liefde vol hart door het dagelijks
leven gaat en onder de menschen verkeert, gelukkiger is dan iemand, die droomt
van andere werelden, van geesten en goden en eeuwige zaligheid. ….Als Daan zijn
hoofd op hol was zou ik zeker niet zooveel met hem ophebben, ik heb nooit aan hem
kunnen merken, dat hij verliefd is, dat hij zich door zijn liefde tot verkeerde
dingen laat verleiden. Wat hij doet , doet hij met het kalmste overleg… Dat hij
van Mik houdt , is z’n wonder niet, hij heeft tot nu toe ook nooit geweten , dat
ze zulke denkbeelden had. En al had hij het geweten, zou jij het dan mooier en
flinker hebben gevonden om haar eens den rug toe te draaien en te zeggen :"O,
denk je zóó, dan ben je krankzinnig, dan wil ik niets meer met je te maken
hebben"… ’t is hem een ernstige zaak taak dat meisje tot nadenken te brengen.
Hij heeft Mik van zijn twaalfde jaar afgekend en houdt innig veel van haar, is
hem dat kwalijk te nemen?… Als Mik een vaste overtuiging en geestkracht had, zou
ze niet vreezen met hem te spreken, steunend op haar geloof. Hij zou haar tot
zijn vrouw willen nemen, overtuigd dat ze binnen weinige dagen de waarheid van
zijn woorden zou erkennen. Hij geen redenaar die met welsprekendheid overstelpt,
hij spreekt zoals hij denkt en zijn taal heeft geen kracht, dan die der waarheid
en van het gezonde verstand. Maar Mik heeft zelf gezegd, dat erdoor hem
overtuigd zou worden en nu schuwt ze hem, omdat ze zich zwak gevoelt, ze wil
niet hem spreken, hij zou haar het dierbare droombeeld kunnen ontrukken, dat
haar onmisbaar is geworden… En dat iemand die het geloof heeft dat bergen kan
verzetten. Ik kan het niet nobel vinden… Ten eerste, waar blijft de goddelijke
rechtvaardigheid, als de Heer: "redt en niet redt, wie Hij wil?" Was de beste
Egyptenaar dan slechter dan de slechtste Jood?.. Jij gelieft te gelooven, dat
Pharao het zelf deed, dat verharden van zijn hart. Ik kan niets anders zeggen
als: "Dat staat er niet Ati… Nu komen de verwarringen , de tegenstrijdigheden.
Denk maar eens na. De mensch kan doen en laten wat hij wil (strookt geheel met
den Bijbel) God laat iemand het kwade doen. God kan iemand tot het goed dwingen.
Ati denkt dat de menschen buiten Gods wil om kan doen wat hij verkiest.
Tusschenbeide echter kan God hem weer laten doen wat hij zelf wil…
15 april 1879
"O Ati! Ati!..zij zal het wel nooit lezen. Moet zij weg, uit mijn hoofd, uit
mijn leven? die zonneschijn, die warmte , die liefde? Die lieve , lieve oogen,
die vriendelijke stem – moet ik Ati verliezen? Die mij kracht geeft om goed te
blijven, die mijn geloof versterkt in reinheid en braafheid , die mij oprecht
doet zijn , mijn poëzie, mijn geluk, moet ik het zelf wegwerpen, vernietigen?
Einde dagboek fragmenten van Frederik van Eeden
In beginsel heb ik bij het inschrijven van mijn herinneringen opgeschreven wat uit mijn oog gezien belangrijk, treffend of ontroeten was. Het is mogelijk dat onze kinderen en kleinkinderen er langzamerhand ook achterkleinkinderen, deze herinneringen aan menschen die zij nooit gezien of gehoord hebben, niet zo belangrijk vinden. Uit ervaring weet ik , dat het mij spijt uit de mond van Vader en Moeder niet te hebben vernomen over hunne jeugd. De brieven van mijn Moeder en van andere familieleden hebben voor een deel dit gebrek opgeheven, ook de uittreksel van het dagboek geven een beeld van de kring waarin ik opgroeide. Ik heb er nu een streep onder gezet, zal er later nog een en ander van overnemen als van Eeden bij het schrijven van een van zijn boeken, ons huis te Haarlem gebruikt voor het ouderlijk huis van de hoofdpersoon van zijn boek.
Henriette Ortt maakte zelve een eind aan haar verhouding tot Frederik van Eeden door hem, zooals uit de aantekening in het dagboek op 28 april 1879 blijkt, duidelijk te zeggen "wensch niet, dat ik uit medelijden minder stellig spreek, al was je ouder dan ik, knap, gevestigd, religieus. Ik zou je niet tot mijn man willen hebben". Frederik van Eeden heeft eronder geleden, hij bleef echter van tijd tot tijd de familie Ortt bezoeken maar Henriette (Ati) sprak hij, geloof ik niet meer. Zijn jeugd bezwaren tegen de Bijbel, tegen Godsdienst , hebben niet verhinderd dat hij zich tenslotte aansloot bij de Rooms Katholieke kerk. Een persoonlijke herinnering heb ik nog aan hem toen op 28 December 1879 de trein van London naar Schotland van de brug over de Tay omloog stortte met groot verlies van menschenlevens. Iedereen in Haarlem was er vol van. Ik kwam thuis – 12-jaar - van school en vond in de achterkamer, staande vlak bij de deur, Frederik van Eeden, die er ook vol van was. Hij gaf als zijn mening over de oorzaak te kennen dat "in dezen tijd de sneltreinen naar Schotland zulk een grote snelheid hebben dat de wielen bijna niet, soms in het geheel niet de rails raken". Ik zie hem duidelijk naast mij staan, een grijs pak draagt hij, de 19 jarige student. Het opschrijven van die herinneringen maakt dat de leden van mijn familie kring en vele aandreven uit die tijd , doet herleven, en dat ik al die lieve mensen voor mij zie als ware het gisteren dat ik ze zag.
En hoe ging het nu met Mik en Daan de Clercq. Daan hield geen dagboek, waardoor alles kalmer maar toch even droevig zal zijn verlopen. Het is wel zeker dat hij door Mik zal zijn bedankt wegens zijn moderne denkbeelden over den Bijbel. Mijn zuster Jo heeft mij eens gezegd dat Mik zevenmaal ten huwelijk is gevraagd maar niemand heeft aangenomen Ik herinner jij slechts de namen van Daan de Clercq en van Heumen. Daan was uiterlijk een krachtig gebouwde man, niet hoog van gestalte , goed gymnast, moedig, niet hoog van gestalte, zoals bleek door het door zijn optreden tot stand brengen van een trein, hij werd later en bekend vegetariër, woonden te Aerdenhout en kwam daar om het leven doordat hij bij het verlaten van zijn huis door een auto werd overreden. Ik denk dat hij , ware hij aangenomen, voor Mik een goed echtgenoot zou geweest zijn en wie weet wel tot overeenstemming zou zijn gekomen over den Bijbel. Men ziet hoe sedert 1879 meer vrijzinnige gedachten veld hebben gewonnen zonder het innerlijk geloof aan te tasten. Frederik van Eeden heeft later in zijn boeken, zoals vele ander schrijvers, gebruik gemaakt van vroeger ontvangen indrukken van mensen die hij ontmoette of van omgevingen waarin hij vertoefde. Zo beschrijft hij in zijn boek "Aan de koele meren des doods"ons ouderlijk huis voor het ouderlijk huis van de hoofdpersoon van het boek en Haarlem voor de provinciestad waarin die ouders leefden.

Titelblad van het beroemde boek van Frederik van Eeden "Van de koele meren des doods". 1900
Hij beschrijft het huis, dat stond "in de stille, bochtige hoofdstraat der stad. Een rijweg van blankgrauwe, welgevoegde kei-steenen in 't midden, daarnaast twee voetpaden van gele, gebakken steentjes, dan de blauwharde steenen stoepen en palen van ijzeren staven of kettingen, dan de vensters, hoog en star, met donkeren inkijk. . . Er was een lichte, zonnige tuinkamer. . daar huisde het gezin meesttijds. ." Het is heel duidelijk dat hij ons ouderlijk huis beschrijft, maar ook als hij spreekt over de ouders van de hoofdpersoon dan schijnt het wel dat hij aan onze ouders heeft gehad, aan mijn vader, wiens hart "vol was van goedheid met een sterk besef van plicht en recht . . . maar die niet had de diepe gevoelswijsheid van zijn vrouw, noch haar wel-gebalanceerd gemoed.."Hij beschrijft ook de gang met het groote witte harten gevormd door twee aan elkaar sluitende marmerplaten. Aan het eind van de lange marmeren gang, in een gangetje rechts, mondde de keuken uit. Dat was een groot vertrek, waarin handpompen en een zeer groot fornuis. De keuken keek uit op een binnenplaats, met gele steentjes bestraat, met een put. Ik geloof dat het aantal meiden -(men noemde ze toen nooit anders) - drie was. De jongste van het drietal was geen volleerde meid, meer een loop- of schellenmeisje. Ook kwam 's-morgens nog een man voor het slijpen van messen en dergelijk werk. Op zolder was een meidenkamer waar het 's winters wel koud geweest zal zijn. Op geen der bovenkamers werd gestookt. Naast de kinderkamer was de badkamer. Het water werd met gas verwarmd. Ik geloof dat we hiermede anderen voor waren. Wij hadden een tijd lang een tweede meid die van een verafgelegen deel van ons land kwam, misschien de achterhoek van Gelderland.. Zij gevoelde zich hier als in een vreemd land waar de mensen een andere taal spreken. Op haar uitgaansavond, eens in de veertien dagen, s' avonds op een bepaald uur thuis, had ze de gewoonte niet uit te gaan, dan bleef ze in de keuken zitten aan de tafel met een doek over haar hoofd. Werd ze dan voor het een of ander geroepen dan antwoordde ze van achter die doek: "ik ben uit", of als het die meid uit de Achterhoek was, "ik ben uut". Nu herinner ik me dat Mik voor een moeilijke beslissing kwam toen Daatje 's avonds naar de kermis wilde gaan. Maar denkend aan de gevaren bleef ze uiterlijk onbewogen en wees het verzoek af. Maar dit is een andere geschiedenis. Toen de verhouding van Henriette Ortt en Frederik van Eeden nog bestond werkte zij op het Koloniaal Museum waar Vader Van Eeden directeur was. Op weg erheen leidde de kortste weg van het Spaarne door het Klein Heiligland, de onaanzienlijke straat waarop onze tuin uitliep. De grens werd gevormd door een hoge muur, waarin een deur. In die deur waren twee gaten die erin waren geschoten door Chrik en Steffan met hun pistolen, wat zeer roekeloos genoemd kan worden, daar de kogels op het Klein Heiligland terecht kwamen. Als Henriette dan voorbij onze tuindeur kwam stopte zij een briefje voor Mik in een van die kogelgaten en Mik ging de tuin in en haalde het en stopte een briefje voor Henriette in het gat. Waarover correspondeerden die twee, over Freek en Daan?
Enkele losse gedachten over de passages in het dagboek van mijn grootvader over de ongelukkige liefdes zowel van Mik de Booij (oudste zuster van mijn grootvader) en haar boezemvriendin Henriette Ortt met resp Daan de Clercq en Frederik van Eeden. Ook is duidelijk dat het hier ging bij beide liefdesbreuken, vooral ging om geloofspunten, namelijk over de interpretatie van de bijbel. Het is dit verband interessant om te zien wat de ideeën waren van Frederik en Daan, die duidelijk botsten met de conservatief ingestelde vrouwen Henriette en Mik. In beroemde boek van Frederik van Eeden 'Van de koele meren des doods' speelt de ongelukkige liefde met Henriette de belangrijkste rol .Opvallend is wel dat de hoofdpersoon (lees Henriette) een vrouw van stand met een gewone jongen tragisch verloopt. Is dit ook terug te voeren dat Frederik zich in feite verzette tegen de aristocratische familie Ortt. (zie hierover de opmerking van de vader aan zijn zoon Hendrik: "De Ortten zijn een aristocratische familie, wij niet"). In dit verband is ook aardig om te vermelden dat Felix Ortt (de jongste broer van Henriette) zich ook met zich linkse ideeën verzette tegen gevestigde orde van zijn familie. Ook bij Daan de Clercq zien we dergelijke verschijnselen. De grootvader van Daan, Willem de Clercq stamde uit een gegoede doopsgezinde Amsterdamse familie.

Willen de Clercq (1794-1844) Isaac da Costa 1798-1860
Hij kwam in contact met de tot het christendom bekeerde joodse dichter Isaäc da Costa. Da Costa kwam uit een aristocratisch bankiersgezin. Hij was vurig in het belijden van zijn godsdienst. Eerst was hij orthodox-joods maar later is hij orthodox christen geworden. Hij vormde later met een groepje Het Réveil, die de samenleving wilden terugbrengen onder de heerschappij van Christus. Hij opende samen met z'n jonge vrienden een nieuwe wereld voor de jongeren van toen.Er groeide tussen hen een innige vriendschap en onder invloed van Da Costa bekeerde De Clercq zich tot het orthodoxe calvinisme. Zou het zo kunnen zijn dat ook Daan zich keerde tegen zijn conservatieve familie? In de volgende link geef ik in het kort de levensgeschiedenissen van de drie genoemde mannen weer resp Frederik van Eeden, Daan de Clercq en Felix Ortt)
Theo, die 1 februari l860 was geboren, maakte nu zijn eerste grote zeereizen. Na hem werd op 1 juni l861 Just geboren. Hij was de langste van ons allen, hij was meer dan zes voet lang. Hij ging naar een kostschool te Oosterwijk en niet naar de Marine, omdat zijn ogen minder goed waren, althans niet goed genoeg; hij gevoelde ook meer voor de praktijk dan voor de theorie, leerde daarom smeden op een fabriek en ploegen en dergelijke werkzaamheden op een boerderij in Gelderland. Na het sterven van mijn moeder ging Just als landverhuizer naar Amerika en hij is er zeer wel geslaagd.
Nu volgt die hartelijke Jo, die geboren werd op 23 februari l863. Zij hield veel van Theo, die haar echter dikwijls plaagde. Zij had misschien niet de begaafdheden van Mik en van haar jongere zuster Lien, maar later bleek dat zij eveneens begaafdheden bezat en wel in de schilderkunst en veel meer dan wij bewust waren. Ik herinner mij, dat zij soms erg somber kon kijken en dan hoorden we later dat ze bij haar vriendin Witsen Elias, logerende in Den Haag, een gangmaakster van pret was geweest. Er moet dus iets aan de omgeving thuis gehaperd hebben. Toen mijn moeder stierf was zij bijna 19 jaar oud en op een kostschool in Ede.

Lien de Booij
En nu zou ik volgen, maar ik wil eerst mijn jongere zuster Engelina Petronella, geboren op 9 december 1869, laten volgen. Met haar was ik het meest verbonden. Zij was niet sterk, had op jeugdige leeftijd een tijd op een plank moeten liggen en moest een met leer bekleed toestel om het bovenlichaam dragen, ik geloof om te verhinderen dat de ruggegraat vergroeide. Bij het overlijden van mijn moeder was zij een weinig ouder dan 12 jaar. Zij was een lief uitziend en vrolijk meisje.
Nu doorgaande met het jaar 1879, dan valt daarin nog de komst van May. Ik geloof dat de komst van Mary Jane Hobson, toen 20 jaar oud, in verband stond met het feit dat onze moeder ziek was en iemand zocht om haar bij te staan. Zij kwam van een klein plaatsje in Ierland waar zij met haar ouders woonde en was met Anna de Mol van Otterloo op kostschool geweest. Wij zijn allen steeds dankbaar geweest voor hare komst. Zij leerde mij en Lientje Engels en ik leerde haar Hollands. Chrik diende toen op de Marnix en werd begin l880 geplaatst in de rol van het wachtschip te Amsterdam om zich gereed te maken voor de vierde tocht met de schoener Willem Barentsz naar de Noordelijke IJszee.

Links: Prof. Max Wilhelm Carl Weber (1852-1937) zoöloog Rechts: Luitenant ter zee Hoffman. Expeditie Willem Barentz.
Hij vertrok op de 7de mei en mijn vader was zoals vanzelf spreekt aan boord om zijn zoon te zien wegvaren. Ik weet niet precies meer wie hij had meegenomen, maar ik weet zeker dat Just mee was en ik, want ik was in het want van de Barentsz geklommen en Just beduidde of zei mij dat ik dat niet moest doen.

Aan boord van de "Willen Barentsz" 1881. v.l.n.r Max Weber zoöloog, Commandant H. van Broekhuijzen, C.Hoffman luitenant ter zee 1e klasse, , L.A.H.Lamie luitenant ter zee 2e klasse, Chrik de Booij (oudste broer van Hendrik de Booij) luitenant ter zee 2e klasse.
Over deze reis van de Willem Barentsz kan men lezen in de verslagen welke door het Comité voor de IJszeevaart werden uitgegeven. Mijn moeders brieven getuigen ervan hoe ze aan haar zoon bleef denken, vooral toen de Barentsz op de thuisreis met een zware storm te kampen had. Men vertrok op de 26ste september van Hammerfest en bereikte eerst een maand later, op 26 oktober, IJmuiden, na een zeer stormachtige reis, soms lenzende, maar ook bijleggend en opwerkend. De twee levende poolvossen, die men mede had willen nemen naar het vaderland, waren met hun hok overboord geslagen en het scheelde niet veel of dit was ook gebeurd met leden der bemanning. Door de lange duur van de thuisreis nam de onrust in het vaderland toe. Deze dagen zijn onuitwisbaar in mijn geheugen vastgelegd. Op woensdagavond 26 oktober kwam het telegram. We hesen de vlag in de gang en later op de avond kwam Chrik, rood en verweerd als een matroos, met een ringbaard. Hoe dankbaar was hij voor alles. Op de volgende zondag gingen wij allen naar de kerk. Mijn moeder schrijft een lange brief aan hare zuster Line en zegt er in:" Ik ben overstelpt van dankbaarheid, ook daarvoor. Juist kerk gaan van allen wenste ik zoo en 't is een punt, dat ik nauwelijks meer aan durf te roeren. Door eigen onhandigheid wellicht heb ik al dikwijls onaangename gezegden uitgelokt op dat punt en wanneer ze het doen om Mama, is het toch het rechte niet, daarom vraag ik het nu maar liever aan God; wanneer die er hen de lust toe geeft, is het in de beste hand".
In 1880 had ik de lagere school verlaten en was ik toegelaten tot de Burgerschool. Ik heb mij op die school niet bijzonder onderscheiden, vooral niet in de wiskundige vakken. Het beste maakte ik het in de Nederlandse taal, waarvoor ik een 8 kreeg, voor meetkunde had ik een 2, in de andere wiskundige vakken een 5. Voor de overige vakken had ik vier zessen en twee zevens. In weerwil van dit m.i. niet mooie rapport was en bleef ik nummer 7 van de 31 leerlingen, waaruit ik afleid dat mijn medeleerlingen ook niet bijzonder goed waren. Over mijn toekomst dacht ik niet veel na; slechts eenmaal herinner ik mij dat ik mij erover uitte. Dit geschiedde in de achterkamer in tegenwoordigheid van verschillende familieleden, maar ook van onze bijbelleraar, de heer Looman. Ik zeide toen, dat ik gaarne kunstschilder zou willen worden en dan gebeurtenissen die in onze geschiedenis worden vermeld, zou willen schilderen. Hierop zeide de heer Looman:"Dan mag je wel een toelage van je vader hebben". Daar ik niet wist wat het woord "toelage" betekent was zijn bedoeling mij niet duidelijk.
Ik geloof dat ik in deze tijd met een jongen Westerveld een cricketclub oprichtte. Die jongen woonde met zijn familie in Engeland, maar was met zijn zusters naar Holland gekomen om school te gaan. De kleuren van onze club waren zwart en geel: een petje en een das hadden deze kleuren en dat stond wel chic. Wij oefenden geregeld in den Hout. Chrik en zijn vrienden zeiden dat wij er nog niet veel van kenden en dat ze heel ander spel hadden gezien in Singapore. Ik geloof niet dat het veel indruk op ons maakte. Toch heb ik het onthouden. Wij bestonden reeds vóór de oprichting van Rood en Wit, waarvan de Posthuma's, zoon van onzen huisdokter, de leiding hadden. Wij kwamen niet tot de grote bloei van Rood en Wit, waarom weet ik niet.
Het gebeurde van tijd tot tijd dat dominee's van de Waalse gemeente, die om de een of andere reden in Holland waren, ons bezochten en dan bleven logeren. Dan vonden mijn zusters het wel prettig als ik, die op de lagere school Frans leerde en vroeger met onze kindermeid of juffrouw Rosa Manche die taal had gesproken, 's avonds zulk een bezoeker de weg naar de slaapkamer kon wijzen. Ik ging dan met zo een Franse dominee onze mooie gangtrap op, daarmede komende op de bovengang. Vlak naast de trap op die gang bevond zich wat wij nu de W.C. zouden noemen, maar dat in 1875 nog geen W.C. was. Ik opende dan de deur van dat kamertje wijd open en zei, trots op mijn Frans:"Voici, Monsieur, un petit endroit dont, peut-être, vous aurez besoin pendant la nuit".
Marineloopbaan 1883-1902
O p l e i d i n g 1883-1887
Als leerling van de tweede klasse van de Burgerschool deed ik examen voor het Instituut voor de Marine, en wel zonder succes, waarom mijn vader mij naar de kostschool van de heer Lauer in Arnhem zond. Van die school heb ik slechts onaangename herinneringen, maar in 1883 deed ik met succes examen voor het Instituut en ik haalde nog een mooi cijfer ook. Er waren namelijk 150 jongens die zich voor het examen hadden aangemeld en het aantal plaatsen was 30. Van die 30 was ik nummer 10. Ik was een magere bleke jongen van 16 jaar, wien het een jaar lang had ontbroken aan al wat een jongen van die jaren toekomt. Ongaarne denk ik aan dat jaar op de kostschool terug.
Toen Chrik van zijn tocht met de Willem Barentsz was teruggekomen, bleek al spoedig zat May (Hobson) en hij elkander genegen waren. In 1884 traden zij te Eaton Socen in het huwelijk. Daar, op een plaats die Cross Hall Lodge heette hebben een oom en tante van de bruid de gasten ontvangen. Mijn Vader had tijdens de zomervacantie den Commandant van het Instituut, kapitein ter zee G. Doorman, die in Den Haag zijne vacantie doorbracht, bezocht en had van hem te toezegging ontvangen dat ik in September het huwelijk van mijn broeder in Engeland zou mogen bijwonen. Ik herinner mij dat ik een week verlof kreeg. Zulk een houding van den Commandant was wel zeer bijzonder. Op Koningsverjaardag, 19 Februari 1884, had ik den ponjaard gekregen, een onderscheiding, want de adelborsten van de jongste afdeling liepen zonder ponjaard. Zo kon ik dus mijn Vader, men drie zusters, mijn oom Pierre en Walaardt Sacré, zeeofficier,pupil van mijn Vader, vergezellen nasar Engeland. Ik geloof dat men als Nederlands militair niet gewapend mag loopen in een vreemd land, maar ons adelborsten werd door het oudste jaar ingeprent, dat wij geen militair waren en dat was ook wel waar, want we hadden geen verbintenis aangegaan, maar vooral waren we er trots op geen militair te zijn. Ook als zeeofficier zouden we geen militair zijn, stelden we ons voor, want bij het woord militair denkt men aan de infanterie en daarvoor hadden we minachting.
De zeeofficieren die ons opleidden in de zeevaartkundige vakken waren niet allen als onderwijzers even goed. Ik denk nu aan een van hen die ons onderwees in de vakken Sterrenkunde en Op- en Aftuigen van Oorlogsschepen. Zijn naam was Kraakman. Hij was luitenant ter zee 1ste klasse en droeg een slordig jasje. Hij had de gewoonte zich te verspreken, zei bijvoorbeeld over het sterrenbeeld Orion: Orion is het mooiste sterrenbeeld, als je het eens vergeet, zie je het nooit meer, waarop echter volgde: ach, wat zeg ik, als je het eens gezien hebt vergeet je het nooit meer. Zo ging het ook bij de beschrijving van het tuig van het oorlogsschip. Dan zei hij: een touwen schip heeft houten waterstagen. Dit zijn slechts twee voorbeelden. Maar van mijn huidige woonplaats kan ik vaak het sterrenbeeld Orion in zijn volle pracht aanschouwen en dan gaan mijn gedachten naar den heer Kraakman en ook zal ik nooit vergeten dat een houten schip touwen waterstagen heeft, zodat ik mij wel eens heb afgevraagd of er niet iets voor te zeggen zou zijn leerboeken te schrijven volgens het systeem Kraakman.
Voordat wij het instituut zouden verlaten moesten wij nog een eindexamen afleggen ten overstaan van een commissie bestaande uit zeeofficieren, die ik mij herinner als gekleed in zogenaamd klein tenue met steek en epauletten, waarbij er minstens een was wiens steek met witte struisveren was versierd ten teken dat hij vice-admiraal was of minstens schout-bij-nacht. Ik geloof dat deze mooi uitgedoste vlagofficier de vice-admiraal Gregory was. Tegenover deze van goud blinkende commissie zaten wij, jonkers, vier jaren opgeleid op het instituut, die wel eens hadden gehoord van een uiterton, doch niet precies zouden kunnen zeggen waar die lag, noch minder die ton ooit hadden gepasseerd. Nog meer dan wij gevoelden de leraren van de bijvakken zich onaangenaam. Bijvakken waren talen, aardrijkskunde, geschiedenis. Wij hadden niet veel belangstelling voor die vakken, die van weinig invloed waren op ons rangnummer. Maleis was ook een taal, maar deze werd niet door een burger, maar door een zeeofficier onderwezen, en deze smeet je, als je niet goed oplette met het stuk krijt naar je hoofd, hield ons in ieder geval wakker. Van de bijvakken herinner ik mij dat Van Gendt, die voor mij zat, de opdracht kreeg in het Engels te vertellen over Othello. Hij begon met te zeggen "Othello killed Desdemona", hetgeen wel juist was, maar niet iets waarmee je begint. Ik zei hem voor door in het Hollands te zeggen "met een kussen", waarop hij, slechts "kus" horende, toevoegde, "with a kiss" en admiraal Gregory uitriep "dat was me een zoen".
Ik hield veel van de practische oefeningen. Ik denk nu bijvoorbeeld aan de geschutsexercities op de overdekte batterij in de "Salamander", waar we schoten met een batterij van, naar ik mij herinner, 12 bronzen getrokken voorlaadkanonnen van 16 cm. op rolpaarden. Daar kon men zich in de tijd van De Ruijter denken, vooral als we er mede gingen schieten op de schijf die op een duizend meter aan de overkant van de haven was opgesteld. Ik kon mij de gedachten niet voorstellen van den matroos of marinier, die op een dekbalk van die batterij had geschreven "over vier jaar en drie maanden ben ik van die pestboel verlost". Wel had gedurende de les in splitsen en knopen een matroos met een betrouwenswaardig uiterlijk in volle overtuiging gezegd dat "in de Marine nooit recht te verkrijgen was", maar daartegenover had een ander een gloedrijk verhaal gedaan over een bezoek aan het circus op Ceylon waarbij hij door het breken van de middenpaal van het circus een tijd lang met een 300tal "Cingalezen en andere kaffers" en een partijtje slangen, waarmede vertoningen werden gehouden, onder een zeil had gelegen. Dit verhaal was vol spannende ogenblikken.
Ik geloof dat de bemanning van zo'n kanon wel een man of acht was, ieder had zijn nummer en zijn werk en dat was alles in een boekje gedrukt. Maar nu verder. Ik ben nu aan boord van de Urania, het opleidingsschip van de adelborsten, dat in die zomer in dienst kwam en waarop je als adelborst in de twee laatste jaren van je verblijf diende voor je opleiding. We leerden dan ook op een paar kanonneerbootjes die van hun kanon waren ontdaan. Daar leerden we stoken en de behandeling van de stoommachine, maar het zeilschip werd in mijn tijd meer geacht.

Het marine zeilschip "Urania"
De Urania was een klein volgetuigd zeilschip, een korvet, van hout gebouwd met een diepgang van 29 dm en volgens mijn herinnering ongeveer 30 meter lang. Het voerde onderzeilen, marszeilen en bramzeilen en later, toen ik er als 1e officier op diende ook nog bovenbramzeilen, omdat ik de lange bramstengen die in het magazijn stonden, weder in gebruik had genomen. De bemanning bestond uit ongeveer 120 koppen onder een luitenant ter zee 1e klasse als commandant. Er waren zo'n 40 adelborsten en een 60tal lichtmatrozen en jongens. Die lichtmatrozen en jongens hadden we voornamelijk nodig als trekkracht bij de vele manoeuvres die met het schip werden gemaakt. Voortdurend werd er gewend, gehalsd, bijgedraaid, geboegseerd, ankers uitgezet en weet ik wat. Adelborsten moesten daarbij ook trekken en terdege, maar aan die 40 adelborsten zouden we niet genoeg gehad hebben. Het moet een mooi gezicht zijn geweest voor de vissers van de Zuiderzee de Urania bezig te zien. [Hier volgen enige bladzijden met een uitvoerige beschrijving van de diverse op zo'n schip verrichte handelingen]. Het was een fijne tijd in mijn bestaan. Je kunt je niet voorstellen hoe onbewoonbaar het dek was met al die neergenomen zeilen en onderdelen. De schipper, chef van de equipage, was dan in volle actie, de dagen van het zeiltuig waren eigenlijk al geteld, maar men kon er nog niet goed afscheid van nemen. Er waren onderofficieren, die meer op schepen zonder, dan met zeilen hadden gediend en zich dan op een zeilschip niet op hun gemak voelden. "Kwartiermeester M....", hoorde men de zware stem van den schipper zeggen, "je hebt je armen vol spikkelaas [=onderscheidingstekens], maar je hoort op zo'n moordenaar thuis, niet op een schip met vierkante lappen". Poplijn, dempgording, marseval, bovengrietje, grietjebuik, brampardoen, en zeer veel dergelijke woorden, betrekking hebbende op het tuig van een vol zeilschip, betekenden 70 jaar geleden iets voor ons en werden dagelijks gebruikt. Wie praat nu nog over "dempgording" of "bramboelijn"? Toen onze provoost (weer zo'n woord) Korsman de marine met pensioen had verlaten kon hij al met bijna niemand meer praten over zijn vak. Eens kwam ik hem op straat tegen en vroeg ik hem goed het hem beviel in de burgermaatschappij. "Meneer", zei hij, "in de burgermaatschappij hebben de mensen om zo te zeggen geen conversatie".

De bemanning van het zeilschip Urania, onder commandant luitenant ter zee 1e klasse M.C. van Doorn
Ik herinner mij dat toen ik later 1ste officier was op de Urania wij de haven van Harlingen zouden binnengaan, waar wij nog niet geweest waren. Wij gingen niet door het grootscheeps vaarwater, maar, komende van om de Zuid, voeren wij door een geul over de droogten, die Molengat heette, waarbij wij een molen van Harlingen in een kerk moesten houden. Vandaar de naam Molengat. Die geul was door takken afgebakend. We kwamen de haven van Harlingen binnen met alle zeilen bij, aangegaapt door de bemanningen van een paar britse stoomschepen die daar lagen. Op tijd streken wij de zeilen en geiden we ze op, zodat wij met een zacht vaartje bij de kade kwamen, op korte afstand ervan, zonder hulp van een sleepboot, Toen enterden zo'n man of vijftig naar boven om de zeilen vast te maken, de vlet werd gestreken en bracht trossen aan de wal, de loopplank neergevierd en een ogenblik later lagen we langs de wal alsof wij er een jaar gelegen hadden, de gewapende schildwacht bij de loopplank. Daar kwamen twee stoere mannen aanlopen, die aan de schildwacht vroegen aan boord te mogen komen. Het bleken de kapiteins te zijn van de twee britse schepen. Nu kwamen ze ons zeggen dat ze ons binnenkomen zo hadden bewonderd, zo zonder hulp van de wal en al de zeilen zo vlug geborgen en dat ze ervan genoten hadden.
Ik heb driemaal op de Urania gediend, eerst als adelborst in 1886 en 1887 en later als 1e officier in l898 en vertel van de herinneringen van die drie maal door elkander. De Urania had als zij in dienst kwam 17000 liter zoet water in haar ruim; het water van de Zuiderzee, die toen nog in open verbinding met de Noordzee was, was niet zoet genoeg. Men moest zuinig zijn met water, want water uit Amsterdam halen kostte veel geld. Schipper Jerphanion deelde het uit aan de bemanning om plunje te wassen, als was het een kostbaar vocht, zoals bijvoorbeeld jenever, en zuinig was hij ermee. Kregen we nu gebrek aan water en verwachtten we niet spoedig water uit Amsterdam, dan stelde de schipper voor een beetje water te halen in Hoorn, "dan kunnen de jongens" - hij bedoelde daarmee niet de adelborsten, want dan had hij "jonkers" gezegd - "zaterdagmiddag flink water krijgen voor plunjewassen en d'r eigen goggen". Met een tweetal sloepen roeiden dan een twintig adelborsten naar de wal, medenemende een aantal watervaten. Na bij den scheepsleverancier Van Kleef aan de haven een glas jenever gedronken te hebben, omdat dit zeemansgebruik was, rolden wij de vaten langs de straten, over de Markt langs het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen naar de Noord, een brede straat waar een grote kerk stond waarbij een pomp. De bevolking van Hoorn werd door ons altijd kortweg Hoornvee genoemd. De exemplaren van het Hoornvee dat zich op straat bevond, liepen, zo geen ernstig gevaar, dan toch de kans in aanraking te komen met zulk een watervat, dat met de voet voortgerold, door zijn grillige bewegingen moeilijk te ontwijken was. Als ze gevuld waren, waren ze meer stabiel en minder gevaarlijk. Dan werden ze weder naar de haven gerold en naar de op de reede liggende Urania gebracht, waar ze met een wippertje werden overgenomen.
De tijd aan boord van de Urania was een alleraangenaamste afwisseling met die doorgebracht in de duffe schoolbanken van het Instituut. Toen ik adelborst was werd er aan sport niets gedaan. Later, in 1899 benoemd tot officier van politie aan het Instituut, ondervond ik medewerking van den commandant, kapitein ter zee Stolp, met de invoering van voetbal. De heer Stolp was van nature een droog geleerde, allerminst sportief van aard. Toen ik eens vroeg of hij een aangename vacantie had gehad antwoordde hij dat zijn vacantie inderdaad zeer aangenaam was geweest, hij had de watergetijden van Indië nagerekend.
De adelborsten werden op het Instituut door middel van een systeem van verbodsbepalingen, waarvan de strekking niet altijd duidelijk was, beheerst. Zij mochten bijvoorbeeld niet zeilen, niet op een oorlogsschip komen dan met een speciale permissie, bepaalde wijken en straten waren verboden, men mocht geen ander koffiehuis bezoeken dan hetwelk was aangewezen voor het studiejaar waartoe men behoorde, men mocht des zondags geen grote wandeling maken buiten de plaats, dus bijv. niet naar Huisduinen, en men moest natuurlijk altijd zorgen dat de kleding in overeenstemming was met de voorschriften, bijvoorbeeld de jekker de eerste 14 dagen van de maand rechts, de laatste helft links geknoopt. Maar het had ook anders gekund door bijvoorbeeld het zeilen niet te verbieden doch aan te moedigen, allerlei andere sport aan te moedigen en de adelborsten niet door een streng stelsel van strafbepalingen tam te houden, maar hen meer te beschouwen en te behandelen als de toekomstige kameraden, scheepsmakkers van de mensen die met hun opleiding waren belast. Maar dergelijke denkbeelden zouden eerst later komen. Wij werden door een aantal sergeants van het korps mariniers in al onze gangen bespied. Wij noemden deze sergeants "fielten". Zij maakten rapport van je bij den officier van politie - een luitenant ter zee 2e klasse - en deze bracht het bij den commandant. De volgende dag hoorde je dan op het strafrapport je naam roepen door een van de fielten, waarop je "present" riep en de fielt verder voorlas dat je wegens overtredingen die genoemd werden, werd gestraft met hetzij een of meer dagen strafdienst, kamerarrest, politiekamer of provoost. Het vervelende van strafdienst was dat er zo gemakkelijk weder strafdienst of erger uit voortvloeide. Die strafdienst bestond uit geweerexercitie onder commando van een van de fielten, een uur lang, terwijl men anders in de amusementszaal had gezeten. Zeide men iets dat de anderen deed lachen dan was men er onmiddellijk bij en kreeg men een paar dagen meer strafdienst. Politiekamer was iets minder dan provoost. In de provoost zat men nagenoeg in het donker. De politiekamers hadden een voordeel dat de provoost niet had. Men kon ze namelijk verlaten zonder dat er iets van gemerkt werd. Kwam men voor het eerst in de politiekamer, dan vond men al spoedig een aanwijzing die tot het gewenste doel leidde. Ergens vond men een teken aangebracht met een potlood, waarbij stond geschreven "volg deze lijn en ge zult een spijker vinden die u iets te vertellen geeft". De lijn volgende, die langs allerlei omwegen en kronkels het hok doorwandelde waarin men was opgesloten, kwam men eindelijk bij de spijker, die los bleek te zitten. Men kon hem uit het gat trekken en er volgde weder een nieuwe instructie, leidende, na een lange omweg die je nagenoeg terugbracht naar het punt van afvaart, naar een tweede spijker, eveneens los zittende, en daarmee de mogelijkheid biedende een belangrijk onderdeel van de kooi waarin men was opgesloten los te maken. Ten slotte kon men zich door een opening in de houten wand wringen en bevond men zich in betrekkelijke vrijheid op de zolder van het Instituut. Men kon nu, zo de provoosten bewoond waren, deze bezoeken en een woordje wisselen met de bewoners. De toegangen leidende van het gebouw naar de zolder waren op slot. Het was beter die wandelingen over de zolders niet te lang te doen duren, want van tijd tot tijd kwam een fielt naar boven en keek door een luikje naar binnen.
In mijn tijd was op het Instituut een geheime vereniging, de BB of Broederbond genaamd. Deze BB nodigde Birnie en mij toe te treden. Daar de vergaderingen als regel in het hotel Den Burg plaats hadden moesten wij de kans lopen te worden betrapt op het bezoeken van een niet voor ons bestemd koffiehuis. Ik herinner mij dat de installatie als lid met enige plechtigheid plaats had. Wij waren zonder moeite onontdekt in hotel Den Burg gekomen en waren daar van blinddoeken voorzien en . . . binnengeleid in de vergaderkamer. Daar werd een verklaring van ons verwacht welke ik mij niet herinner. Daarna werden de doeken afgenomen en zagen wij een welvoorziene tafel voor ons wat voor een jongen van onze leeftijd geen kwaad gezicht was. De BB is niet zolang daarna tot een vroegtijdig einde gekomen. Het bestaan van een geheime vereniging had langzamerhand tegenzin gewekt bij het korps adelborsten. Het denkbeeld werd in overweging genomen uitnodigingen om toe te treden niet aan te nemen. Maar ik zou nog vele jaren, toen de BB niet meer bestond, bij het paraferen van mijn boekje van de administratie onder mijn handtekeningen de 2 streepjes plaatsen, welke het kenmerk waren van mijn lidmaatschap.
Het gebeurde, maar niet vaak, dat mijn vader mij op een zondag kwam opzoeken en dat dan een van de zusters meekwam. Hij bracht dan een trommeltje mede, zoals wij thuis gebruikten als wij, zoals wel eens voorkwam, koffiedronken op school. Het was een groen trommeltje, waarop met witte schrijfletters "mijn twaalfuurtje" was geschilderd. Het was dan echter gevuld met een stuk taart of iets dergelijks, dat over was gebleven van een of andere verjaardag of andere feestelijkheid en mijn vader verzuimde niet dit met duidelijke stem - en zijn stem drong goed door - kenbaar te maken, en daar het in tegenwoordigheid van andere adelborsten, misschien wel van het jongste jaar, plaats vond, vond ik dit maar half prettig, hoe goed het ook bedoeld was en hoe gaarne ik de inhoud verorberde.
Mijn vader zal zeker derde klasse gereisd hebben, maar misschien wel den conducteur een flinke fooi gegeven hebben, zo hij alleen gezeten heeft. Zulk een bezoek bracht je weder eens in aanraking met het ouderlijk huis en dat was aangenaam, want het gebeurde overigens slechts wanneer we met verlof kwamen.
Reis met de Zilveren Kruis
Na het eindexamen werd ik op 2 augustus 1887 benoemd tot adelborst der 1e klasse, en werd geplaatst op de Zilveren Kruis, die in westelijke richting een reis om de wereld zou maken.
De gehele marine - ik denk nu aan de officieren - liet zich kleden door de firma Croiset van der Kop te 's-Gravenhage, wier vertegenwoordiger of reiziger of coupeur ons reeds verscheidene malen had bezocht. De uitrusting van een adelborst 1e klasse kostte ongeveer f 1200.-. Bij mij en bij de meesten van ons jaar - geloof ik - sprak het vanzelf dat de ouders de uitrusting betaalden, maar er waren er ook, bij wie dit niet het geval was en die met een belangrijke schuld belast hun intrede in de marine moesten doen. Men droeg toen nog geen korte uniformjassen, ook in de tropen geen witte uniform, wel witte vesten. Tot mijn uitrusting behoorden twee of drie uniformen voor dagelijks tenue, waarvan er een werd gebruikt bij gelegenheden waarbij wij netjes moesten zijn. Ook hadden we een groot tenue jas, die een hoge met een anker geborduurde kraag had. Daar we nog veel zeilden en dus lange reizen zouden maken, behoorden tot de uitrusting een 48 tal overhemden, die vaste boorden en manchetten hadden en ik bedenk me nu, dat we ook een groot aantal witte broeken hadden.
De Zilveren Kruis was een houten zeilschip met stoomvermogen. Het had ijzeren dekbalken, was gebouwd in l867. De verschansingen waren zo hoog, dat men er, op het dek staande, niet overheen kon kijken. Om te zien wat er buiten boord geschiedde moest men zich naar bak, brug of kampagne begeven.

Het zeilschip Z.M. Zilveren Kruis
Onze commandant was de kapitein ter zee J.C. Joekes, een Haarlemmer zoals ik, le officier was de luitenant ter zee 1e klasse J. van Scheers. Dan volgden 7 luitenants ter zee der tweede klasse. We voerden twee dokters. De administratie was in handen van de officier van administratie en de adjunct-administrateur C. Valkenburg. Den schipper heb ik reeds genoemd. Hij was de hoogste onderofficier aan boord, waarbij ik de machinekamer niet meereken. Alles wat de eigenlijke bemanning betreft, onderofficieren en daar beneden, echter niet de machinekamer, ging over hem. Hij was dus een belangrijke figuur aan boord; van zijn flinkheid, zijn bekwaamheid, zijn zin voor netheid en orde, zijn humor en takt hing veel af. Al met al waren er 255 mensen aan boord, waarvan er 100 jonger waren dan 20 jaar.
Wij waren op 1 september l887 aan boord gekomen. De drie masten staken fier omhoog, de grote mast wel 30 meter boven het dek, de raas met de onberispelijk vastgemaakte zeilen vierkant gebrast, alles zoals het in de Marine past. We maakten kennis met schipper Witteveen, een forse kerel met rossig haar en baard, die juist bezig was met een stoker die het gewaagd had aan dek te komen. "Wat mot je aan dek, vetlap, blijf met je vuile poten bij je koffiemolen". Koffiemolen betekende hier "machine".
We lieten ons zakken naar ons verblijf, ongeveer 4 bij 5 meter groot, aan elk einde een bergplaats. In dit verblijf zouden wij met ons veertienen, adelborsten en de adjunct-administrateur, in de wandeling scheepsklerk genaamd, wonen, d.w.z. er in slapen, eten, en er onze becijferingen maken, wat wil zeggen, de uitkomst van onze observatie van hemellichamen uitwerken. Het slapen geschiedde in hangmatten, die 's avonds werden opgehangen.
Van alle luitenants ter zee aan boord was het Bauduin die zich het meest van ons aantrok. Al scheelden wij 5 jaren met hem in promotie, minder was het verschil in leeftijd, ik bv. scheelde slechts 3 jaren met hem. Van de anderen stond H. Herman waarschijnlijk in wetenschappelijk opzicht boven hem, doch deze was gehuwd en moest daarom zuinig zijn. Hij ging zelden de wal op, meestal zeide hij "wat is dit nu weer voor een negorij" en bleef aan boord. Toen onze commandant de indruk kreeg dat het resultaat van het op het Instituut genoten onderwijs belangrijk bleef beneden wat redelijkerwijs geëist kon worden, droeg hij Herman op ons geregeld onderwijs te geven op de punten waarin wij faalden. Zo kwamen wij weder op school, thans in een vertrek onder de kampagne.
Wij vertrokken op 10 october l887. Het was die dag op de kade het gewone tafereel dat men ziet bij vertrekkende schepen. De laatste bestellingen worden aan boord gebracht. Mensen aan de wal, die geld moeten hebben. Mensen aan boord, die het niet hebben. Lachende matrozen aan boord en huilende vrouwen op de kade. Een van die vrouwtjes was de dag voor ons vertrek in het huwelijk getreden met een onzer matrozen 2de klasse. "Denk nou niet", zei een van zijn vrienden, "dat ze met je is getrouwd om je mottige gezicht, 't is enkel voor de delegatie". Daar nadert een klompje mensen. Het zijn twee politieagenten, die een matroos die aan wal is achtergebleven aan boord zullen brengen. Het publiek op de kade is vol belangstelling. Ook wij aan boord. De agenten hebben hun arrestant tussen zich in, ze houden hem vast. Ze zijn vlak bij de loopplank. Daar rukt hij zich los en springt te water. Grote opwinding. Hij zwemt goed en is weldra om het achterschip gezwommen tot midden in de haven. Commandant, officieren, alles komt aan dek en volgt met grote aandacht wat er gebeurt. Want nu zijn wij, die tot de Zilveren Kruis behoren, een besloten gemeenschap geworden, welker sympathie voor 100 procent bij den matroos is en niet bij de politie, die zo bedremmeld aan de kade staat. Zal het de matroos lukken zelfstandig aan boord te komen, dan ontgaat aan de politie de geldelijke beloning voor het aan boord brengen van een schepeling. De politieagenten doen nog moeite met een vlet de ontsnapte matroos te volgen, maar zij ondervinden weinig medewerking en worden hartelijk uitgelachen. Een onzer sloepen gaat erop af en weldra komt de druipende matroos over de valreep, toegejuicht door zijn kameraden. Ook de officieren hadden plezier in het geval, hetgeen niet belette dat hij de volgende dag werd gestraft.
Na een bezoek en inspectie van de schout-bij-nacht vertrekken we. Wij verlaten de haven onder stoom onder de tonen van het Wien Neerlands Bloed, maar in stede van westwaarts te wenden en het zeegat uit te gaan, gaat het anker in de grond wegens een storm die verwacht wordt. Die storm kwam en zo bleven wij nog zes dagen ter rede achter het anker. Storm, regen hagel. Welk een woeste muziek speelde die storm op het hoge tuig der masten. Het was koud, nat en guur.
Nadat de westerstorm uitgeraasd was vertrokken wij 16 october van de reede, na de vlag van den schout-bij-nacht, commandant van de marine, met het verschuldigde aantal schoten te hebben gesalueerd. In het Kanaal hadden we een flinke bezeilde wind, zodat we goede schuivers maakten. Op de adelborsten rustte ook de plicht om des avonds voor zonsondergang op te klimmen naar de zalings van de voortop en vandaar het aantal in zicht zijnde schepen te tellen en daarvan te rapporteren. Dit heette "ronde van top". Zo zat ik dan op de bramzalings van de voortop en telde wel meer dan honderd schepen, waarvan de meerderheid zeilschepen waren. Op 28 november kwamen wij over de evenaar, welk feit met het gebruikelijke feest gevierd werd. Ik geloof dat de matroos 1e klasse Kap de rol van Neptunus op zich had genomen. Ik hoorde hem zeggen dat we zijns inziens wel met een grote omweg naar Indië gingen. (Wij zouden achtereenvolgens Cadiz, Montevideo, Punta Arenas, Callao de Lima, San Francisco, Honolulu, Yokohama, Kobe, Nagasaki en nog enige havens aandoen en ten slotte Batavia, vanwaar we de thuisreis via de Kaap de goede hoop zouden ondernemen). Wij waren intussen in de Zuidoost passaat geraakt en konden zo over stuurboord Montevideo vol en bij beleggen. Met een bramzeilskoelte uit het Oostzuidoosten liepen we dan 7 à 8 mijl.
Op vrijdag 2 december gebeurde een ernstig ongeval doordat onze eerste machinist, staande bij de stuurboords stortkoker, over boord geraakte. De officier van de wacht had het schip weliswaar spoedig bijgedraaid en de boei van het Holmeslicht werd direct te water gegooid, maar voordat wij stil genoeg lagen om een sloep te strijken, waren wij een flinke afstand van de drenkeling verwijderd. Bij "man over boord" was mijn plaats in de kruismars en daar trof ik de matroos aan die vlak voor ons vertrek was getrouwd. De sloep werd gestreken en roeide in de richting van de drenkeling. Van de grietjeszalings, d.i. hoger op in de achterste mast, werd uitgekeken en door middel van vlaggen aan de sloep de richting aangegeven. Ook wij keken uit, maar wij verloren de man uit het oog en de sloep kwam terug zonder haar doel te hebben bereikt. "Voor mij hoeven ze niet zo'n drukte te maken, jonker", zei de matroos, "ik kan geen slag zwemmen". De volgende dag of misschien iets later werden de eigendommen van den verdronken chef van de machinekamer publiek verkocht.
Vijf en veertig dagen na ons vertrek van Cadix ankerden wij ter reede van Montevideo en een week later waren wij alweer op weg naar de Straat Maghelhaen, op welk traject wij het bekende slechte weer troffen: veel harde wind, soms storm uit het Z.W., waarvoor bijgelegd moest worden. Bij die gelegenheden toonde ons zwaar slingerende schip, dat het niet jong meer was: naden gingen open, beschotwerk raakte los. Een adelborst maakt zich daarover verder geen zorgen, maar het rapport van den commandant lezende,. krijgt men de indruk, dat bij hem wel twijfel bestond aan de hechtheid van zijn schip. Bij stil weer werd gebruik gemaakt van de stoommachine, hoe onaangenaam hij het ook vond "om steeds de hulp van werktuigen te gebruiken om vooruit te komen."Zo bereikten we onder stoom op 11 januari 1888 de Maagdenkaap en vervolgens de Straat.

Zeilschip Z.M. Zilveren Kruis in het begin van de straat Maghelhaen
De Straat leent zich niet voor zeilen, vooral niet als men om de West moet, dus wij bleven voortdurend van de machine gebruik maken ook deze was soms ontoereikend van vermogen. Op 15 januari bereikten wij Punta Arenas.
Dit bestond toen uit een verzameling kleine huisjes van hout en gegolfd ijzer, zoiets als Huisduinen in mijn jeugd, maar op een lager plan. Het bleek dat in een van die huisjes een Hollander woonde, althans een Groninger, die Noordhuis heette en met een Chileense vrouw getrouwd was. Deze had de beschikking over paarden die hij aan ons verhuurde en zodra mogelijk zaten wij adelborsten allen te paard op die wel kleine, maar vurige paarden, zonder zadel, enkel een dek, zonder stijgbeugels en zelfs zonder bit. Hoe de stuurinrichting precies was ben ik vergeten. Ik meen dat een trosje om de onderkaak van het paard was gebonden, waarvan ik de beide einden in de hand had. Wij hielden een wedstrijd die ik won op mijn paard genaamd Paris.
Onze commandant had kolen nodig en na twee dagen zouden wij weer vertrekken, maar er werd geknoeid door leveranciers, waarbij die van de levensbehoeften en die van de kolen samenwerkten, misschien wel één waren. In beider belang was het dat wij zolang mogelijk bleven. Hierdoor werd ons verblijf gerekt, wij hadden dus gelegenheid iets van het land te zien, maakten - te paard natuurlijk - een tocht naar de goudwasserijen waar Dalmatiërs goud wonnen uit een beek. Ik kocht een stukje, dat ik lange tijd bezeten heb.
Op 22 januari vertrokken wij in de nacht door de nauwe straat, aan beide zijden hoge bergen en ankerden in de Fortescue baai. We vonden daar veel naambordjes van schepen. Volgende dag verder, lieten ons naambordje achter, tussen hoge bergen en rotsen met het prachtigste weder dat men zich kan denken. De oevers van de straat naderden elkaar soms zeer nabij. Wij ontmoetten Fuego's of Vuurlanders, enige mannen en vrouwen, die in kano's gezeten bij ons aan boord wilden komen. Hoe verder wij kwamen des te schoner werd het natuurtafreel. Gletschers, die tot in de straat van de bergen neerdaalden. 3 uur namiddag 30 januari passeerden wij kaap Pillar, een reusachtig indrukwekkend rotsgevaarte. Wij waren buiten de straat.

Een vuurlander
15 februari zagen wij het eiland Juan Fernandez, het eiland van Robinson Crusoë. De kalme zee geeft gelegenheid om schip en tuig op te knappen. Op 29 februari zagen wij land, enige toppen van de Cordilleros de los Andes, later het steil oprijzende eiland San Lorenzo. Op aanwijzing van den commandant stoomden wij naar de reede, waar wij het anker lieten vallen, onmiddellijk gevolgd door een saluut van 21 schoten voor het gouvernement van Peru. De reis van Straat Maghelhaen had 30 dagen geduurd. Bij aankomst hadden wij nog 28 kilo kolen in de ruimen.
Lima is hoofdstad, had 120.000 inwoners, die meest Spaans spraken. Er was helaas geen gelegenheid paard te rijden. Wel zagen wij een stierengevecht.

Lima, hoofdstad van Peru
Op 10 maart 1888 vervolgden wij de reis naar San Francisco, dat we na 40 dagen bereikten. Bij aankomst vernemende dat in sommige buurten van de stad pokken voorkwamen, en dat er een groot gebrek was aan koopvaardijmatrozen, die gemakkelijk een gage van 30 à 40 dollars 's maands konden verdienen, besloot de commandant de bemanning niet te doen passagieren, hetgeen een grote teleurstelling was. Aan de officieren en de adelborsten werd echter vergund aan wal te gaan. Er deserteerden enige van onze matrozen, die wij niet weder zagen. De commandant zond naar de politie, waar ik in zijn naam 40 dollar aanbood voor elken man dien de politie aan boord zou terugbrengen. Ik herinner mij San Francisco als een schone stad met haar indrukwekkende toegang vanuit de zee langs Cliff house met zijn zeehonden op de rotsen, de ruime baai met al die hoge masten en raas van zeilschepen, de ruime Marketstreet met trams, die hun beweging ontlenen aan een kabel die onder de straat in beweging wordt gebracht. Er waren vriendelijke mensen, die op de een of andere manier zagen dat wij uit zee kwamen en die ons begroetten. Kwam men in een bar dan kregen we een hand en een aardig praatje en dan dronken we een van die lekkere drinks. Ik herinner mij ook de grote ferries waarmee je naar Oakland kon gaan. Te Oakland woonde de consul, die De Fremery heette en die de vriendelijkheid had gehad een kamer in zijn huis ter beschikking van de officieren en adelborsten te stellen waar we konden gaan zitten en brieven schrijven.
We hadden veel gehoord van de hoge prijzen in Amerika, zodat we op een laten avond een hotel zoekende, de raad opvolgden van iemand die een goedkope gelegenheid wist. Het was juist dat die goedkoop was, want we betaalden voor een nacht 35 dollarcenten, waarvoor we in een bed lagen. Naast elk bed hing aan een kettinkje een kam. We gingen ook naar de komedie en zagen een aardige operette die Patience heette, die ons erg beviel omdat er zulke aardige wijsjes in werden gezongen en omdat de meisjes die ze zongen zo lief waren. We gingen enige malen naar die operette en gaven op de laatste avond bloemen aan al die meisjes. Het werd laat op de laatste avond, en eindelijk stonden we bij de kaai en moesten naar ons schip dat de volgende dag naar Honolulu zou zeilen. Een vriendelijke man wees ons eindelijk het huis van een man, die bereid zou zijn ons naar boord te roeien. Hij lag op een matras in slaap. Toen we hem wakker maakten zeide hij slechts: "seven and a half dollar" wat wij een erg hoge prijs vonden, maar toen wij hem dit zeiden keerde hij zich dadelijk om op zijn matras en deed of hij weder ging slapen. Toen haalden we onze zakken leeg en vonden samen met ons vieren nog juist zeven en een halve dollar en vonden het goed. Het was 3 uur 's nachts en om 8 uur zou de Zilveren Kruis naar Honolulu zeilen.
Om 9 uur van de 30ste april vertrokken wij naar de volgende haven, Honolulu, na vooraf een schoener met kolen derwaarts te hebben gezonden, met het oog op de onzekerheid of er wel kolen te Honolulu zouden zijn. In onze "nor", zo werd de voorlongroom van de adelborsten genoemd, waren we één minder, want de scheepsklerk Valkenburg was aan de wal achtergebleven. Verder misten wij de matrozen die waren gedeserteerd, daar de politie er geen had teruggebracht.
Wij deden 21 dagen over de reis naar Honolulu. Het was een van de plaatsen waaraan we met genoegen terugdachten. De Sandwicheilanden waren destijds nog een koninkrijk onder koning Kalakaua. Geldelijk was de invloed van Amerika zeer groot en het zou dan ook niet lang meer duren dat Kalakaua zou worden afgezet en de Sandwicheilanden Amerikaans werden. Men vertelde ons dat, voor de ontdekking door Cook, de Kanaka's in hun taal geen woord voor ziekte hadden. Men kon een ongeluk krijgen, bijvoorbeeld zwemmende door een haai worden aangevallen, of van een rots vallen, maar ziek zijn kwam niet voor. Toen de blanken kwamen werd dit anders.
Nauwelijks waren we ten anker gekomen of daar kwam de verschijning over de valreep van onze achtergebleven scheepsklerk Valkenburg. Hij was gekleed in een zomercostuum met een strooien hoedje, werd niet zeer vriendelijk ontvangen door den eersten officier, die hem dadelijk arrest aanzegde in de voorlongroom.
Honolulu was een lieflijk oord, waar veel gelegenheid was om paard te rijden en waar wij ook hartelijk ontvangen werden in de familiekring van blanke bewoners, zodat wij kennis maakten met hun dochters. Dat ging alles meer formeel dan tegenwoordig. Maar de adelborst heeft een gevoelig hart, dat geroerd wordt, ook al reik je elkaar slechts de hand. Zo kwam het dat ik op de laatste dag, even voor het vertrek aan boord komende en Halewijn op de bak vindende, tegen hem zeide "je begrijpt wel dat voor mij het leven nu is afgelopen", en Halewijn begreep het. We hadden afscheid genomen van de familie Atkinson. Heel veel later, in l924, ontmoette ik in Londen een Noor die in Honolulu woonde, die mij vertelde dat Maysie Atkinson getrouwd was, maar dat twee van haar zusters toen in Londen waren. Ik bleef contact houden met een van hen, die mij later, na Maysies dood, het portret stuurde dat ik aan Maysie had gegeven, het portret van een jeugdige adelborst.
We verlieten de reede en kregen een vriendelijke groet van de "Cormorant", het Engelse scheepje vlak bij ons. Nu lag de uitgestrekte Stille zuidzee voor ons. Het was vrijdag 31 mei 1888.
Eindelijk kwam op de 2de juli de heilige berg der Japanners in het zicht, zijn witte, afgeknotte kegel boven de wolken aan de kim. Het was een eentonige reis geweest. Misschien wel als gevolg van de eentonigheid waren wij in de "nor" door een plotselinge speelwoede bevangen geweest. Verschillenden onzer hadden hun hele kapitaal, dat hunner ouders, van al hun familieleden en nog meer verspeeld, waartegenover anderen weer schatrijk geworden waren. Maar na enkele dagen kwam de geest die bij ons behoorde en die alles wat wij bezaten tot gemeenschappelijk bezit maakte weer boven en werden de schuldbekentenissen waarvan er sommige over tonnen liepen, verscheurd en overboord geworpen.
Wij naderden dus Yokohama, waar de herinnering aan onze nauwe betrekkingen met Japan werd versterkt door de ontvangst aan de wal, waarbij de admiraal Enemoto Takeaki ons in de Nederlandse taal op welsprekende wijze toesprak. Toen de commandant een bezoek bracht aan de keizer, gingen twee van onze officieren en een der adelborsten mede, omdat hun namen in Japan nog bekend waren. Het waren de luitenants ter zee Fabius en Bauduin en onze Pompe van Meerdervoort.
Er lagen elf Engelse oorlogsschepen op de reede en drie Amerikaanse. Zij hadden alle nog tuig, niet zo mooi als wij, maar ze waren moderner. Mooi was het de oefeningen met het tuig en de zeilen van zo'n vloot, waarbij alles tegelijkertijd werd uitgevoerd, te aanschouwen. Later kwam een geheel nieuw Engels schip, de "Imperieuse", zonder tuig, dat toen heel vreemd stond. Aan wal stond ik met een Engels koopvaardijkapitein naar die vloot van schepen te kijken. "You are the finest of the lot" zei hij.
Al spoedig na ten anker te zijn gekomen kwamen vele japanse kooplieden aan boord, die door den zeeman kadraaiers worden genoemd. Er was ook een kleermaker bij die stoffen had meegebracht en die voor heel weinig geld costuums voor ons wilde maken en snel afleveren, de volgende dag of over twee dagen. Verscheidenen onzer lieten zich een pak aanmeten, ik deed het ook. Zo bekeken we de stad Yokohama, voornamelijk gebouwd met houten huizen, niet mooi om aan te zien. Des avonds, wanneer lichten brandden in al die lantaarns was het mooier dan overdag. We gingen naar de komedie, waar het publiek op de grond zat. Daar zaten we dan in de onmiddellijke nabijheid van Japanse families, die hun theeboel hadden meegenomen en die veel plezier hadden in onze pogingen Japans te spreken. Ik kende toen ook enige beleefdheidsformules die ik mij niet meer kan herinneren. Wij werden genodigd bij den reeds bejaarden doctor Matsimoto, die nog een mondje Hollands sprak of begreep. Hij ontving ons in zijn huis waar een feestmaal naar Japans gebruik was aangericht. Commandant, officieren en adelborsten waren uitgenodigd, die, na hun schoenen op de drempel van het huis te hebben achtergelaten, op kussens in een kring wachtten op wat zou komen. Dit verscheen weldra in de vorm van een talrijke groep wezens, die de indruk gaven van vlinders, zo kleurrijk en teer waren zij. Het waren jeugdige meisjes die ons kwamen bedienen en die alles wat nodig was medebrachten: eetstokjes en tabakspijpjes met wonderlijke kleine dopjes voor tabak, en dan vele gerechten op verlakte schaaltjes, gerechten waarvan ons de herkomst niet altijd duidelijk was.
We brachten ook een bezoek aan Tokio, de hoofdstad, waarvoor we in de trein stapten. We wandelden er door een mooi park, het Uyene park en keken op tegen hoge pagoda's en zagen hoe twee deftig geklede vrouwen met wonderlijk hoge kapsels elkaar ontmoetten, waarbij geen einde scheen te komen aan de plichtplegingen. Ook bezochten wij den groeten bronzen Dai Butsy van Kamákura

Dai Butsu van Kamákura , juli 1888, Tweede van rechts Hendrik de Booij
In Yokohama verleenden wij adelborsten op een avond hulp aan de brandweer. Er was een brand uitgebroken en als men er dan niet gauw bij is dan verbrandt een groot deel van deze met hout gebouwde huizen. De hulp bestond nu hierin, dat wij hielpen met het omver halen van huizen die op een afstand ervan, maar om de brand heen, waren gelegen. Wij namen hier ongevraagd de leiding over. Het ging op een zeer eenvoudige gemakkelijke wijze. Een lange tros werd bevestigd aan de stijl van een huis. Een groot aantal Japanners en wij gingen aan de tros staan en dan was het maar trekken en brak spoedig de stijl waardoor het huis ging overhangen. Dan nog een tweede stijl en dan viel het huis in elkaar. Het was een aardig werk al was het niet prettig voor de huiseigenaren of bewoners, maar deden we het niet dan zou de stad in vlammen opgaan. Bij aanboordkomst merkten we dat van de costuums die we hadden laten maken niet veel moois was overgebleven.
Op de 18de juli vertrokken wij naar Kobé, de havenstad van het nabije Osaka. Hier voerden we ons plan uit om ons te laten tatoueren en nog altijd herinnert de figuur van een Japans meisje op mijn rechter benedenarm aan dit feit.
Op donderdag 26 juli vertrokken we naar Nagasaki door de mooie Japanse binnenzee, die overal een meer geleek waarin vele begroeide kleine eilandjes. We stoomden door de nauwe straat van Shimonoseki en de gedachten gingen terug naar het jaar l863 toen een eskader van britse, hollandse en franse oorlogsschepen de verdedigingswerken van die straat beschoten. Op 29 juli ankerden wij in de mooie baai van Nagasaki. Wij gingen zodra mogelijk van boord en stapten aan wal op het eiland Decima, waar ook toen wij deel uitmaakten van het franse keizerrijk de hollandse vlag wapperde. Nu was dit ook het geval, maar slechts op het huis van onzen consul. Vanuit Nagasaki reisden wij in 2½ dag naar Shanghai, onder stoom, maar geholpen door twee marszeilen en de fok. We arriveerden er op 5 augustus.
Shanghai zag er niet uit als een stad in China, bestond namelijk uit grote Europese huizen. Verderop begon de Chinese stad, die ongeveer 300.000 inwoners heeft, terwijl het aantal Europeanen in hun stad 4000 bedraagt. Wij vonden uitstekende clubs, een Engelse en een Duitse.
Het meest ongewone was te Shanghai natuurlijk de Chinese stad en die bezochten we dan ook. Zij is omringd door een stenen muur en bestaat uit een doolhof van nauwe straten, waarin grote onreinheid heerst. De stank was soms wel heel erg. We hadden een gids meegenomen, die ons rondwees. Door de modder van de straat wadende of baggerende bracht die gids ons bij een grote tempel die geheel gevuld was met goden, waaronder vooral de god van de typhoon in het oog viel. Er was juist een typhoon in de buurt van Shanghai, zodat deze god bijzonder werd aangebeden en een grote tafel vol etenswaren voor hem gedekt stond. Voor die tafel lagen enige vissers te zingen en te bidden.
Daarna gingen we naar de algemene strafplaats onder een grote poort doorgaande. Aan de ingang stonden enige gestraften vastgeketend aan de muur voor 3 jaar en anderen met een groot blok om de hals. Dan kwam men op een grote binnenplaats en dan op de plaats waar recht werd gesproken. Deze laatste plaats was omheind. Er buiten stond een viertal getraliede kooien op wielen in elk waarvan een man was opgesloten voor 3 jaar tijd. Zij konden zich in die kooien bijna niet bewegen of liggen of gebukt zitten, zodat zij, naar men ons meedeelde, na hun straftijd niet meer kunnen lopen en hun leven verder kruipende moeten slijten. Wij kwamen juist op het ogenblik dat er rechtspraak zou worden gehouden, zodat de Chinese politie ons wel weg wilde hebben, maar daarmee konden wij ons niet dadelijk verenigen en we probeerden hen milder te stemmen door hen te verblijden met de (heel goedkope) paarlemoeren knopen van onze witte jassen, en dat lukte ook aanvankelijk, maar daar hoorden we plotseling een sterk geluid van koperen gongs en Chinese violen en andere muziek en daar kwam een grote stoet aan met, in een draagstoel, de rechter, misschien een mandarijn, in elk geval een hoog heer. Wij waren nog niet uit zijn omheining verwijderd toen hij binnenkwam en op zijn rechtstoel ging zitten. Hij was echter niet voor niets een Chinees en ons ziend was hij zeer beleefd toen de gids hem meedeelde dat wij van een Hollands oorlogsschip kwamen en bij monde van den gids nodigde hij ons dadelijk uit om zijn huis te willen bezoeken waar zijn vrouw ons een kop thee zou aanbieden. Zo was hij ons kwijt. Wij gingen naar het door de gids aangegeven huis, een groot huis, waar ook de gouverneur of Tao tai woonde, en werden daar op vriendelijke wijze ontvangen met lekkere thee. Na dit bezoek gingen we nog naar een zeer groot theehuis dat midden in een vijver lag aan alle kanten met smalle bruggen met de straat verbonden. We dronken daar weder goede thee in Chinees gezelschap. Zogewenst kon men zich onder het theedrinken doen scheren of de oren doen uitpeuteren, zoals wij het van verschillende Chinezen zagen gebeuren. Ten slotte volgde nog een bezoek aan het Opiumhuis, waar zowel mannen als vrouwen lagen opium te schuiven. Waarom heet dit schuiven, ik weet het niet.
Wij vertrokken op 13 augustus richting Hongkong, waar wij, vertraagd door storm, op 22 augustus arriveerden. Het binnenkomen is zeer schilderachtig. De stad is opgebouwd tegen hoge heuvels en ziet er europees uit. Men komt aan wal dadelijk in de drukke Queen's road, die vol chinese winkels is, wat de straat tot de vrolijkste van Hongkong maakt.

Hongkong
Overigens was er niet veel te Hongkong dat opvrolijkend was, zodat wij niet bedroefd waren deze plaats op maandag 27 augustus te verlaten voor Manila. Daar kwamen wij op de 31ste augustus en hesen de topvlaggen wegens de verjaardag van H.K.H. prinses Wilhelmina die de leeftijd van 8 jaar bereikte. De stad is een zeer oude stad en geheel omringd door muren, waarbuiten de nieuwere stad Binondo is ontstaan, die met Manila ongeveer 300000 inwoners telt. Alles is oud en vuil. Maar er heerste grote drukte, vooral van rijtuigen, de hele dag, vooral bij het café de la Marina. Zeden en gewoonten en de taal zijn spaans, wat dan ook dadelijk aan het eten merkbaar was, dat ruimschoots van knoflook voorzien was. Het enige amusement te Manila was des avonds de muziek op de Paseo, waar het dan druk was door de equipages van de rijke bewoners. Bezienswaardigheden waren verder tabaksfabrieken en hanengevechten, die des zondags gehouden werden. Wij waren zo gelukkig er een bij te wonen.
Dinsdag 4 september vertrokken wij met bestemming Batavia. Het zou van de gelegenheid afhangen of wij Singapore nog zouden aandoen om de kolenvoorraad aan te vullen. Door de voortdurende tegenwind werd het twijfelachtig of wij onder stoom Singapore zouden kunnen bereiken.

Inspectie op de H.M.S."Zilveren Kruis"door luitenant ter zee Schlüter, officier der tijdmeter. De mariniers hebben plunje inspectie.
Daarom besloot de commandant koers te zetten naar Saigon, de voornaamste plaats van Frans Cochin China, waar evenals te Singapore kolen te krijgen zouden zijn. 15 september kwamen wij daar ten anker. Saigon heeft een aardige nette hoofdstraat vol winkels, een mooi aangelegde dierentuin en een wandelplaats waar van tijd tot tijd muziek speelde. De hitte was zo erg dat tussen 11 uur in de voormiddag en 2 uur namiddags alles gesloten was. Het was onverstandig voor 4 uur namiddags de wal op te gaan. Wij hoorden dat met het oog op het ongezonde klimaat een plaatsing niet langer den 2 jaar duurt. De meest voorkomende ziekte is dysenterie. Wij verloren hier aan die ziekte de matroos 3de klasse Vos en de matroos 2de klasse Cras werd met dezelfde ziekte in het hospitaal te Saigon achtergelaten. Met de kolen waren wij niet gelukkig. Ze waren van zulk een slechte kwaliteit dat het niet raadzaam was ze aan boord te nemen. In plaats van kolen kregen wij briquetten van het franse gouvernement. Wij vertrokken op 19 september. Donderdag 27 september kwamen wij na onze lange reis de haven van Tandjong Priok binnen. De indruk bij aankomst was zeer treurig. Men ziet twee lage havenhoofden, aan de wal enige onaanzienlijke huizen en loodsen, enige weinige koopvaardijstomers, overigens niets dat de eentonigheid breekt, dan in de Westmoesson de hoge bergen van het binnenland, waar de zeeofficier slechts zelden kan komen en dan in zieke toestand. Het duurde niet lang of we gingen de wal op om Batavia te bekijken. Dit vonden wij een zeer mooie plaats, ook vergeleken met wat wij gezien hadden in andere tropische landen. Na tien dagen stoomden wij naar Soerabaya om schip en equipage gereed te maken voor de terugreis naar het vaderland. Op onze reis naar Soerabaya deed zich bij ons het eerste geval van cholera voor. Een onzer beste matrozen eerste klasse, genaamd Witte, de aanvoerder in allerlei vermakelijkheden, overleed aan die ziekte. We zetten hem overboord met het gebruikelijke ceremonieel. De mensen die met hem een bak hadden gevormd droegen hem, het lichaam in zeildoek genaaid, bezwaard met ijzer, onder de nederlandse vlag liggende op de plank waarop het aan de zee zou worden toevertrouwd. Daaraan vooraf gingen de tamboer en pijper, de tamboer met omfloerste trom zacht de muziek van den pijper begeleidende, en volgden de mensen van zijn kwartier. De bemanning was gekleed in zondagse tenue, de officieren in klein tenue met epauletten en sabel, de adelborsten natuurlijk zonder epauletten, want wij hadden die niet, wel een steek. De stoet ging zo driemaal langs het dek, hield ten slotte stil bij stuurboord valreep. Daar sprak onze commandant gevoelige woorden, waarop de schipper plechtig zei "één twee drie, in Godsnaam" en de plank werd schuin gehouden, zodat wat eenmaal het lichaam van den vrolijken Witte was, in zee gleed. "Fokke hals en schoot" commandeerde de officier van de wacht en "Alle hens kleden in dagelijks tenue" floot de schipper en het leven ging zijn gewone gang. Vier weken later kwamen wij te Soerabaya, waar het commando over de Zilveren Kruis overging op de kapitein ter zee Jhr. de Brauw, die het schip in vier weken klaar wenste te hebben voor de thuisreis om de Kaap, doch van deze plannen kwam niets, daar bij het proefstomen bleek dat de machine een belangrijke reparatie zou moeten ondergaan, en wat nog erger was, bij een voorlopige inspectie twijfel ontstond over de zeewaardigheid van het schip. Een voor het uitvoeren van een grondige inspectie benoemde commissie keurde het schip finaal af. Onze brave Zilveren Kruis had dus een droevig einde gevonden op de werf te Soerabaya.
D e t h u i s r e i s
Op 27 maart 1889 kwam ik te Tandjong Priok aan boord van de Van Galen om thuis te varen rond de Kaap. Op de 16de april vertrokken wij. De Van Galen verschilde slechts in enkele onderdelen van de Zilveren Kruis.

Z.M. van Galen, (naar een tekening van F.Bauduin)
De eerste vier dagen beproefden wij van tijd tot tijd door de machine te doen stoppen, welke vaart de wind ons deed lopen, doch deze dan te gering achtende werd de machine weder te werk gesteld. Dit duurde tot wij zaterdag 20 april in het gebied van de passaat waren gekomen , waarna de wind bleef doorstaan. Wij zeilden 34 dagen tot de Tafelbaai, waar wij op 19 mei ankerden. Gedurende de reis had de officier van administratie Sonnenberg, die ik een zeer oud man vond, mij verhalen gedaan van een bezoek dat hij vroeger aan de Kaap had gebracht. Met een vriend in de buurt van Kaapstad wandelende had hij, in een bos, een ontmoeting gehad met een hoogbejaard heer op wien zijn oog viel omdat hij een lange goudse pijp rookte. De oude heer nodigde hem uit tot een bezoek aan zijn huis, waar hij toen met zijn vriend hartelijk werd ontvangen. Dit was geschied in 1877 en de bejaarde Kapenaar heette Cloete. Toen zei ik tegen Peltzer, evenals ik adelborst, nu moeten we aan de Kaapstad gaan onderzoeken of die heer er nog staat. Een moeilijkheid was dat ik nog lijdende was aan malaria, die met geregelde tussenpozen belangrijke temperatuursverhogingen veroorzaakt en die mij zwakker maakte, zodat er onder de bemanning waren die dachten dat ik gedurende de reis naar Kaapstad wel over boord zou worden gezet. Maar het liep anders; de tussenpozen waarin ik geen koorts had werden groter en toen wij aan de Kaap kwamen gevoelde ik mij weder krachtig. Toen wij dan ook het Britse gouvernement met 21 schoten hadden gesalueerd en wij vergunning hadden de wal op te gaan, zei ik tegen mijn kameraden dat ik ging koffiedrinken bij de familie Cloete en met Peltzer ging ik aan land. Aan den eersten Kapenaar die er een beetje net uitzag vroeg ik waar de heer Cloete woonde. Zijn antwoord bracht ons in moeilijkheid want hij vroeg "welken heer Cloete bedoelt u, Alfen Cloete of een ander", waarop ik antwoordde dat wij Alfen Cloete bedoelden, ofschoon dit slechts een gis was. Hij zeide dat wij dan met de trein naar Wijnberg moesten gaan, daar uitstappen en een half uurtje wandelende langs een weg die hij beschreef, het huis van Alfen Cloete zouden bereiken. Hij beschreef het huis als gelijkende op de huizen aan de Keizersgracht te Amsterdam. Wij volgden zijn raad, stapten uit in Wijnberg en wandelden langs een mooie weg, genietende van de natuur. Daar zagen wij een groot huis, een ijzeren hek en een man met grijs haar die te paard keek naar het scheren van schapen. Al rookte hij geen goudse pijp, wij vroegen hem om een glas water en daarmede ontspon zich een gesprek waaruit het ons duidelijk werd dat wij met Alfen Cloete in eigen persoon spraken. Ten slotte nodigde hij ons uit tot een bezoek aan zijn vrouw en zo kwamen wij in het huis, een groot huis uit de tijd van de Verenigde Oost Indische Compagnie, zoals men aan de Kaap nog veel vindt, waar wij allerhartelijkst werden ontvangen en uitgenodigd tot het middagmaal. Zo zaten wij in de familiekring en genoten wij meer dan ik zeggen kan van alles en nog wat. Het bezoek aan de familie Cloete was voor mij onvergetelijk. Voor ons vertrek zond de familie Alfen Cloete mij van die mooie Aronskelken, een bloem die aan de Kaap veel voorkomt en op 27 mei l889 lichtten wij het anker, waarmede de lange thuisreis begon. En toen wij weer met alle zeilen bij in de zuidoostpassaat 9 mijl logden en timmerman Leeuwens mij opmerkzaam maakte op de stijfstaande schoten met de woorden "kijk eens jonker, hoe moeder de vrouw eraan trekt", toen zagen en hoorden wij dat gaarne. We gingen huistoe.
Op 23 juli 1889, dus 58 dagen na vertrek uit Kaapstad, kwamen wij ten anker op de reede van Texel. Mijn Vader vond ik aan het station in Haarlem en dat was een blij wederzien. Ik werd nu nonactief en zou in october het examen voor luitenant ter zee 2de klasse moeten afleggen, zou dus moeten studeren, wat geschiedde op de grote kamer met uitzicht op de tuin. Ik raakte langzamerhand van mijn malaria af, de aanvallen kwamen met veel langere tussenpozen. Toch ging ik in overleg met Marine naar een sanatorium te Eisenach in Thüringen, vanwaar ik terugkwam met een bloedvink die prachtig kon fluiten. Reisde ik met hem in de trein, dan liet ik hem, aangenomen dat raampjes dicht waren, uit de kooi en wipte hij van passagier naar passagier, van tijd tot tijd zijn lied of cadens doende horen. Toen ik later weer naar Indië vertrok liet ik hem in de Grote Houtstraat te Haarlem achter.
Op de monitors Matador en Panther
Het werd nu aardig tijd dat ik weder eens diensten aan de Marine ging verlenen, want ik geloof dat sedert mijn thuiskomst nu langer dan een jaar was verlopen. Ik werd geplaatst op een monitor, een van die platte brede schepen, bijna zonder vrijboord, die voorzien waren van een of twee torens waarin kanonnen van 28 cm. Mijn monitor heette Matador, de commandant Thorbecke en de eerste officier Mensert. Mensert was een man die hield van sport, vooral van paardrijden en hij bezat een mooi paard, waarmede hij soms, als wij aan de kade lagen, aan boord kwam en een wandelingetje aan dek maakte, gelukkig niet lang. Overste Thorbecke was niet vrolijk. Ook Mensert kon men niet vrolijk noemen, maar hij hield van mij omdat ik op een fiets soms lange tochten maakte. Ik was de enige die fietste, dat was toen nog lang niet algemeen. Paarden schrokken van fietsen, dus was men verplicht om bij ontmoeting van rijtuigen af te stappen. Mensert zag in mij een sportbroeder.
We gingen later met ons hele hebben en houden over op een andere monitor en dat was de Panther. Die had maar één Jumbo. We gingen naar Dordrecht en werden daar ingevroren door een hevige en snel opkomende vorst. We lagen de gehele winter ingevroren met een groot aantal binnenschepen, waarmede we goede betrekkingen onderhielden. Met de bevolking van Dordrecht ging het minder goed. Onze bemanning had iets tegen de burgers van Dordrecht, herhaaldelijk kwam het tot een handgemeen, herhaaldelijk werden van onze bemanning in boeien gesloten. De Merwede lag dicht en ik reed erop, zowel op schaatsen als te paard. Onze koning Willem III overleed. Toen we eindelijk weder door de dooi uit de Wolwevershaven werden verlost zouden wij oefeningen doen met de landmacht, de bemanning van het fort van Hoek van Holland. We stoomden langs de kust op en neer en namen het fort onder vuur, echter niet in werkelijkheid, en het fort deed hetzelfde terug. Later kwam er een belangrijker oefening. De Panther, voorstellende een vijandelijk oorlogsschip, zou in de nacht sloepen uitzenden waarvan de bemanning de opdracht zou hebben het fort zo dicht mogelijk te benaderen. De nacht voor deze oefening bestemd was bijzonder donker, aardedonker. Onze oudste officier zou in de Waterweg nabij het fort landen en ik benoorden het fort.
Ik vertrok te middernacht met mijn sloep, bemand met 10 roeiers en nog een aantal mariniers, ook Tijs, de hoornblazer, nu slechts voorzien van zijn hoorn. Ik gebruikte een tiental zakdoeken, welke mijn zusters mij geschonken hadden, om het geluid van de riemen minder hoorbaar te maken. Wij volgden de opdracht, roeiden om de noord, gooiden de sloep voor dreg en landden. Wij trokken om de Zuid door de duinen vol kuilen en oneffenheden. Eindelijk bevonden wij ons op een hoog duin, waartegen een huis was gebouwd, waarvan wij ons omlaag lieten zakken. Daar hoorden wij schoten. Wij liepen nog een eind in zuidelijke richting toen wij tot een gracht waren genaderd en tot een trap die omlaag ging. Hier stond een schildwacht die dadelijk zei dat hij voor overmacht moest zwichten, waarop ik hem na zijn wapens te hebben afgenomen, gevangen nam. Vervolgens daalden wij af in de droge fortgracht en liet ik Tijs het Wilhelmus blazen, wat op de Panther moet zijn gehoord. Aanvankelijk dacht ik niet verder te zullen komen, maar, lopende door de droge gracht, ontwaardde ik een gat in een muur, waarachter een licht brandde, dat gedoofd werd. Door dit gat bereikten wij een lokaal waar banken stonden. Na een deur te hebben geopend kwamen wij in een grote ruimte waar soldaten stonden aangetreden. Ook de commandant verscheen, aan wie ik kenbaar maakte, onder overhandiging van de wapens van de schildwacht, dat ik het fort opeiste, waarop hij zei niet te kunnen ontkennen dat ik in het fort was, maar dat hij mij verzocht in het rapport op te nemen dat mijn aanwezigheid in de droge gracht in oorlogstijd onmogelijk zou zijn geweest, daar deze dan door geschut bestreken zou zijn geweest. Ik geloof niet dat ik hierop geantwoord heb, maar ik verzocht hem toe te staan sigaren te kopen uit de kantine van zijn fort voor mijn bemanning en nadat aan dit verzoek voldaan was stelde ik mijn mannen voor een driemaal hoera uit te brengen op den fortcommandant. Daarop vertrokken wij. Het was begonnen te dagen en zo hadden we geen moeite onze sloep weder te vinden. De stemming onder mijn mannen was uitermate best. Later hoorde ik van Mensert dat overste Thorbecke zo enthousiast was geweest dat hij een telegram aan den minister had willen zenden, maar dat dit op zijn advies niet was verzonden. Ik diende mijn rapport in bij den commandant, die er mij na enige dagen over aansprak. Hij zei mij dat ik blijkbaar goed rapporten kon schrijven. Dit was het enige dat hij zeide, dat ik weinig vond, denkende aan het telegram dat hij had willen verzenden.
Voor de kust van Atjeh
In de aanvang van 1893 weder naar Indië. Niet lang na aankomst was ik een tijdje in het hospitaal te Weltevreden met een koortsaanval. Daar ontmoette ik mijn vriend Mensert, wien bij een expeditie te Tamiang een oog was uitgeschoten. Ik was in het hospitaal tegenwoordig bij een bezoek aan hem van den commandant van de zeemacht, de heer Röell, een man met een deftig, fijn uiterlijk, die Mensert trachtte te troosten door te zeggen dat ons twee ogen waren gegeven met het oog op de mogelijkheid dat wij er een zouden verliezen.
Enige tijd later bracht de Westboot van de KPM mij naar Olehleh. Daar meldde ik mij aan boord van het wachtschip de "Koning der Nederlanden". Het was een ramtorenschip met twee torens, elk gewapend met 2 kanonnen van 28 cm. Het was het grootste schip van onze marine, had een waterverplaatsing van 5400 ton. De voorste mast voerde nog raas. Het was op stapel gezet in l871, te water gelaten in l874. De scheepsmacht bestond verder in hoofdzaak uit schroefstoomschepen 4de klasse, die op plaatsen aan de westkust, noordkust en oostkust van Atjeh waren gestationeerd en die daar toezicht hielden op de uitvoering van de scheepvaartbepalingen welke voor de gehele kust van Atjeh golden. De meeste van die scheepjes waren als driemastschoenerbrik getuigd, met een weinig krachtig stoomvermogen.
Ramtorenschip de Koning der Nederlanden
Onze commandant Engelbrecht was een bijzondere figuur. Waar men zich ook bevond op de grote "Koning", als hij sprak hoorde men hem. Het begon al des morgens vroeg wanneer een doodsbleke hofmeester aan dek verscheen en de bedreiging klonk "Ik zal...in je...draaien". Ik weet niet meer wat hij wilde indraaien en waarin, maar wel leidde ik uit de uitdrukking van 's hofmeesters gezicht af dat zijn woorden een bedreiging inhielden. Wij noemden deze ochtendstemming "le reveil du lion". Als officier van de wacht was het dan beter er bijtijds voor te zorgen dat als de commandant aan dek kwam een van de geschuttorens hem verhinderde dien officier te zien, want, zag hij hem, dan herinnerde hij zich tevens dat hij een kabelgaren had zien liggen op het halfdek,en dat de bramra van de "Lombok" die ter reede lag, niet goed getopt was en onmiddellijk aan de Lombok moest worden geseind - met vlaggen natuurlijk - hierin verbetering aan te brengen. Ik heb over hem horen vertellen dat hij, bij het overnemen van het commando over een van onze kruisers, de bemanning van ongeveer 300 toesprekende, zeide dat hij van zijn voorganger gehoord had dat er onder de bemanning zeer lastige mensen waren, maar dat hij deze, zo zeide hij, en dan werd zijn stem hoorbaar over de gehele reede, binnen veertien dagen tam zou maken, zodat ze gort uit zijn hand zouden eten. Dergelijke dingen worden tegenwoordig niet meer gezegd. Engelbrecht was een flinke commandant, die een ieder die onder hem diende wakker hield. Hij hield je in de gedachten. Ik herinner mij dat ik van boord ging om te jagen. Op een afstand van het schip gekomen werd ik geroepen. "De Booy", riep hij, "denk er aan dat je lichaam niet aan jezelf hoort, het hoort aan het schip". In dit geval was het een waarschuwing om je niet teveel te vermoeien en terug te komen met koorts. Het duurde niet lang of ik bedacht een bijnaam voor onzen commandant. Ik noemde hem Radja Brul, een naam die doet denken aan twee van zijn eigenschappen, zijn werkelijk commandant zijn en zijn krachtig stemgeluid. Het duurde niet lang of iedereen noemde hem zo en ook lang na zijn dood werd hij door hen die hem kenden met die bijnaam genoemd en ook geëerd.
Er was niet veel te zien in Olehleh. Er was een straatweg, evenwijdig aan het strand, oost-west, met huizen. Er zetelde een ambtenaar van het Binnenlands Bestuur, een commandant van de troepen, er was een societeit, de leverancier van scheepsbehoeften, Alberti, er woonden chinezen die hun wajang hadden, er was een markt waar Atjehers, mannen en vrouwen, kwamen met vruchten. De officieren van zee- en landmacht en het binnenlands bestuur ontmoetten elkaar op het bitteruur in de societeit. De zeeofficieren werden dan weder afgehaald met sloepen voor het eten aan boord. Voor de bemanning onder de rang van officier was er niets. En wat er was voor de officieren was ook niet veel. Ik vergat nog te zeggen dat de officieren zwommen, maar dat we moesten oppassen niet te ver te gaan omdat er vele haaien waren, zoals we dagelijks van ons schip omlaag ziende konden vaststellen. We hadden echter aangenomen dat haaien niet binnen een zekere diepte komen en we hebben nooit gemerkt dat ze zich daaraan niet hielden. De meerderheid van de officieren scheen echter tevreden met het namiddags bitteruurtje aan de wal.
Gelukkig ontmoette ik weder Bauduin, die er veel voor gevoelde te gaan jagen, want we waren in de tijd der snippen, die in grote vluchten van verre oorden aan kwamen vliegen. We gingen dan 's morgens vroeg van boord met de sloep. Patronen maakten we zelf aan boord en dat gebeurde op de tafel in de longroom. Te Pinang had ik een geweer overgenomen van een Engelsman die te oud werd, een mooi geweer, voor 40 Straitsdollars (= 40 gulden). We namen enige jonge Atjehers aan die ons vergezelden om geweren en munitie te dragen en trokken over de sawahs en het veld, bezochten kampongs en schoten snippen. Aan boord bood Bauduin dan den commandant een aantal snippen aan, ik kon dat nog niet doen, dat zou te familiair geweest zijn.

De Booij en Bauduin na de jacht
Maar het zou niet bij jagen blijven. Van een Atjees visserman die dicht bij ons lag te vissen, kocht ik het gehele bedrijf, zijn schip, een djaloer met zeil, mast, dreg en pagaaien, ook zijn pas op de naam Mat Sai voor 40 gulden. De bedoeling was daarmee tochten te maken op de lagune, die een ver eind in de geconcentreerde stelling doordrong. Bauduin zeide dadelijk dat hij aan deze onderneming zou willen deelnemen. Toen kochten wij een tweede djaloer en gaven die twee scheepjes hoogdravende namen. De eerste heette Almacht, naar dat legendarische schip dat zulke grote afmetingen had, dat een jongmaatje, door den kapitein omhoog gezonden om de wimpel te klaren, na volbrachte taak terugkwam als een grijsaard. De tweede heette Kolossus, en beide werden ze bewaard in de goedang aan de wal, die onder het beheer stond van den konstabelsmaat Kabel. We maakten met die scheepjes vele tochten op de lagune. De Almacht nam ik bij vertrek naar Holland met de Van Speyck mede en schonk ik aan het Instituut voor de Marine.
Een verdere verbetering was het tennisveld. We keken eens rond in Olehleh en vonden een veld dat ons leek, en daar wij in die tijd nogal vrijmoedig waren droeg ik aan een bekenden chinees op dit veld tot tennisveld te maken. Zo geschiedde en het kostte 200 gulden. Daar speelden we voortaan tennis en Atjehse jongens werden ballenjongens. Van het binnenlands bestuur kregen we medewerking. De controleur droeg, hoewel wij hadden beschikt over terrein waarover hij te zeggen had, gestrafte Atjehse vrouwen op ons tennisveld schoon te houden.
Maar de belangstelling ging ook in een andere richting. In l893, het jaar waarin ik op Atjeh kwam, had de grote Moslimkenner, professor Snouck Hurgronje, zijn werk over de Atjehers uitgegeven, een schitterend boek in twee delen, waarin men alles over het Atjeh van die tijd kon leren, ook zijn taal en literatuur. De studie van dat mooie boek gaf mij kennis van de taal van het land, zodat ik er mij na verloop van tijd in kon uitdrukken en dat gaf groot gemak bij het bezoeken van kampongs en later toen ik op de kust diende bij het inspecteren van prauwen. Het was aardig met de mensen te kunnen spreken en de verbazing steeg ten top wanneer ik in een kampong vrouwen en jonge kinderen ontmoette en op de hoogte bleek te zijn van de gangbare wiegeliedjes.
Ik kreeg een plaatsing op de kust en wel op de "Batavia". Zo kwam het dat ik deelnam aan een tocht, de rivier de Tamiang op, omdat er berichten gekomen waren dat daar niet alles pluis was. We gingen met 1 stoombarkas, 3 stoomsloepen en 3 roeisloepen, die gesleept werden. Ik denk dat de bemanning van deze flottille ongeveer 100 man was. Verder op de rivier vonden we de Koerier, het stoomscheepje dat gewoonlijk diende voor onze brieven op de kust en voor levensmiddelen, kolen en andere benodigdheden. We kwamen bij een benting waarvan men had verteld dat hij bemand was, maar de benting was verlaten, was bij de grote expeditie door de landmacht genomen. Nog hoger op werd de rivier onbevaarbaar, voor onze ogen ontwaarden we plotseling, een hoek omgaande, een groot aantal Atjehers, die geen blijken van vijandelijkheid toonden, waarop wij terugkeerden. Deze tocht, 3 dagen, was een aardige afwisseling, maar ook vermoeiend. Later bleek dat ik aan een belangrijke krijgsverrichting had deelgenomen, want ik ontving een gesp waarop vermeld staat "Tamiang 1893" om te hechten aan het expeditiekruis Atjeh dat ik al had ontvangen.

Hendrik de Booij te midden van Atjehers
Ik werd overgeplaatst, kwam weder op de "Koning" onder den Radja Brul en merkte op dat de meerderheid der officieren nog steeds wat genoegens betrof tevreden was met de bittertafel in de societeit. Maar de tennisclub bloeide en het jagen begon weer en de djaloers kwamen weder in dienst.
Ik ontmoette wederom Atjehse vrienden in verschillende kampongs. Wat kon zo'n troepje Atjehse vrouwen die op weg waren naar een of andere Kandoeri er schilderachtig uitzien in hun beste kleren. Ze werden nooit door mannen vergezeld en keken recht voor zich uit of zelfs ter zijde of keerden je de rug toe. Het was maar beter niet te erg te kijken. Maar er kwam plotseling een brief dat ik was overgeplaatst naar de Benkoelen. Wij deden hetzelfde soort werk als op de Batavia, er gebeurde van tijd tot tijd een en ander, er was genoeg afwisseling, maar aan alles komt een eind, ook aan mijn tegenwoordigheid op de kust van Atjeh. Ik werd overgeplaatst in de rol van de "Gedeh" te Tandjong Priok.
In de laatste tijd van mijn verblijf op de kust had ik de neiging voelen opkomen over te gaan naar het Binnenlands Bestuur, wat met zich mee zou brengen studie en een examen en dan benoeming tot controleur. Ik legde zelfs te Batavia een tentamen af en las een hikajat voor, gedrukt in arabisch schrift, maar het was nog niet voldoende. Van Bauduin ontving ik boze brieven, waarin hij zijn afkeuring uitte over mijn plannen. Hij vermoedde dat ik erg het zogenaamde "Atjeh" had, wat een ziekte was die zich hierin uitte dat men er niet meer vandaan wilde. Er kwam niets van. Na een aangenaam verblijf in het vorstelijk pension van mevrouw Nahapiet op het Koningsplein en omgang met vrienden te Batavia, werd ik geplaatst aan boord van de Van Speyck, een van die schroefstoomschepen eerste klasse met zwaar zeiltuig. Ik kreeg er de functie van officier van de tijdmeters, waartoe ook behoorden de kompassen en de zeekaarten. Verder behoorde daartoe de dagwacht, volgens mij de aangenaamste wacht, en zo had ik dus een belangrijk werk waar niemand anders zich mede had te bemoeien. Dit alles beviel mij. Verder was de Van Speyck een prettig schip om te bewonen en zouden we op de thuisreis een groot aantal havens aandoen, Colombo, Aden, Djedda, Smyrna, Saloniki en Venetië. Te Venetië bleven wij geruime tijd, omdat het graf van een prins van Oranje, zoon van Willem V, die in l799 te Padua was overleden, en in een kerk aldaar was begraven, ledig bleek te zijn. Ik zou de barkas hebben bestuurd, waarmede de stoffelijke resten van dezen prins naar de Van Speyck zouden worden vervoerd. Zoeken leverde niets op en zo kwamen wij zonder de overblijfselen van den prins op de 23ste juni 1896 in de haven van het Nieuwediep.

H.M's fregat "Van Speyck" in Venetië 1896

Bemanning van de fregat "Van Speyck. Rechts zittend vooraan Hendrik de Booij
Ik werd daarna geplaatst aan boord van de Wassenaar, gebouwd in l845. Op zijn oude dag werd het gebruikt voor de opleiding van jongens voor de Zeemacht, waarvan er zeshonderd aan boord waren. Zulk een ouderwets houten schip, met het ruime, met zand geschuurde opperdek en hoge verschansing, kampanje, hoge masten met ondermarse- en bramra's, had, al was het ook ontdaan van zijn batterij, een bekoring, die de nieuwe schepen missen.
Des zondags gingen de jongens van de opleiding naar de kerk. Dan riep de opperschipper, na een langdurig "alle hens" op de fluit: "Kerkgangers aantreden, protestanten aan stuurboord, katholieken aan bakboord, bijgeloven in de midscheeps". Met de benaming "bijgeloven" werden de kerken bedoeld die niet hervormd of gereformeerd waren, dus doopsgezinden, remonstranten, luthersen en anderen. De fluit en de in dit werk geoefende stem van den schipper werden overal in het schip gehoord en spoedig was het opperdek vol kerkgangers, die ten slotte onder het steeds wakend oog van den opperschipper over de valreep gingen en die dan in het gelid naar de verschillende kerken werden geleid. Als de opperschipper hen zag afmarcheren zei hij "Al worden zij niet zalig, ze bennen tenminste van de vloer".
Toen ik in l896 in het vaderland terug was gekeerd had ik mijn vader en zusters in welstand aangetroffen. Mijn vader was toen 76 jaar oud. Het lopen ging niet goed, zodat een knecht moest worden aangenomen die hem daarbij behulpzaam was en ook een wagentje werd aangeschaft, dat de knecht bij tochtjes buitenshuis voortduwde. Die knecht heette Scholten.

Cbrétien de Booij, vader van Hendrik en de 'butler' Scholten
Hij had de gestalte en het uiterlijk van een Engelsen butler, daarbij grote lichaamskracht en veel plichtsgevoel, terwijl hij niet meer dan nodig was praatte. Toen ik voor mijn vertrek naar Indië afscheid nam zeide mijn vader dat hij niet geloofde dat hij ons weder zou zien. (In Buitenzorg ontvingen wij in l90l het telegram, meldende het overlijden van mijn vader).
Toen de Van Speyck in Nieuwediep kwam [in 1896], arriveerde tegelijk de "Friso", een dergelijk schip, met daar aan boord Alfred Boissevain, wiens broer Robert op ons schip was. Het was dus geen wonder dat hun vader Charles Boissevain die te Amsterdam woonde en die directeur en hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad was, met twee dochters naar Den Helder kwam om zijn zoons te verwelkomen.
In de zomer van l896 voerden de zusjes Olga en Hilda Boissevain (ruim 20 en
net 19 jaar) de huishouding in Zandvoort, waar het gezin Boissevain doorgaans de
zomer doorbracht. Hun Ierse moeder, Emily MacDonnell, was in Baltimore bij hun
oudere zuster Hessie die na haar eerste bevalling zorg nodig had. Misschien had
Hilda toen al van haar vriend Piet van Tienhoven te horen gekregen dat hij haar
haar woord teruggaf, omdat zijn ouders vonden dat hij eerst een vrouw moest
kunnen onderhouden, voor hij zich mocht engageren. De opmerkingen van Olga en de
aantekening in Hilda's agenda van een bezoek van Piet op 14 september maken het
echter waarschijnlijker dat het engagement pas in september 1896 definitief
verbroken werd. Vermoedelijk heeft hij toen Hilda "haar woord teruggegeven".
Jaren later hoorde Hilda van haar moeder dat Piet gehoopt had dat zij op hem zou
wachten, maar zelf had zij dat nooit geweten. Begin oktober was er weer contact
met "Booy", en zijn tweede huwelijksaanzoek is aanvaard.
Van Hilda Boissevain is een agenda bewaard uit het jaar 1896. De naam "Booy"
komt daarin in de maanden juli-augustus veel voor. Uit haar aantekeningen blijkt
dat ze helemaal niet besefte wat ze had aangericht.
Uit een brief van Papa de Booy aan zijn zoon Chrik, 12 juni 1897
". . . Ik was bedroefd door het overlijden van mijn eenigen broeder doch verheugd door het huwelijk van Henri met een meisje, dat niet alleen uitmunt door natuurlijke schoonheid, maar wier geheel aanzien de sympathie van een ieder trekt. Wij zijn met het huwelijk zeer ingenomen, al is het ook, dat mijn vierde zoon trouwt met een meisje sans le sou, want dat is ook bij haar het geval; de vader verklaarde niets te kunnen doen tot onderstand van het huwelijk dus bleef dat geheel aan mij overgelaten . . . "
Met Hilda Gerarda, ben ik op de 16e juni 1897 getrouwd. (Onder de genealogie van de familie Boissevain)

Huwelijk Hendrik de Booij met Hilda Boisssevain 16 juni 1897

( Redactie:Het echtpaar de Booij-Boissevain 50 jaar later )
In 1897 was ik geplaatst te Nieuwediep op het bureau van de
commandant van de Marine, maar in maart 1898 werd ik geplaatst op de
gaffelschoener "Argus", wier taak het was toezicht te houden op onze
Noordzeevissers, die toen de haringvisserij uitoefenden. De geneeskunde was
toevertrouwd aan een nog niet lang geleden gepromoveerde officier van gezondheid
2de klasse. De bemanning bestond uit ongeveer twintig matrozen onder een
bootsman en een tweetal korporaals, te weten een kwartiermeester en een
konstabel, die voor de twee kanons van 7,5 cm. had te zorgen.

H. de Booij, oudste officier aan boord van de Argus
Ik kwam te IJmuiden aan boord, had een cricketspel aangeschaft met de bedoeling met onze bemanning te cricketen als de gelegenheid het veroorloofde. De bemanning had er plezier in en zo oefenden we dan op een veld niet ver van de haven. Mijn matrozen vonden dat cricket te weinig beweging leverde voor de spelers, vooral wat de "Fielders" betrof, ze toonden een gebrek aan de nodige opmerkzaamheid, gingen wel eens op het hoofd staan.
Wij verkeerden in een tijd van overgang van de visserij met het schrobnet naar die met haringnetten. De bomschuiten, waarvan Scheveningen een aantal van ongeveer vijfhonderd bezat, hadden elk zestig netten. Het gebruik was dat de vangst op haring met Sint Jan aanving. Die bomschuiten werden van het strand af in zee gebracht en landden met hun vangst op het strand. De vissers konden door het hijsen van bepaalde vlaggen mededelen dat zij het schip van de visserijpolitie nodig hadden voor geneeskundig advies of iets anders. Ik herinner mij een verzoek om hulp van de bomschuit Sch 163, die twee vlaggen had gehesen en die ons, toen we dicht langs hem zeilden toeriep dat hij "een zware zieke had, kommandantje". Onze jonge dokter ging er met een vlet heen en kwam terug met Jacob Roeleveld die een gezwel had in de borst. De Argus had geen hospitaal, dus kwam hij in mijn hut en ik, die als oudste officier de hondewacht had, sliep onder de tafel van de officieren in de longroom zolang Roeleveld mijn hut bewoonde. De eerste nacht was een zee met witte koppen en de gedachte kwam bij mij op om te zien hoe de zieke het maakte. Daarvoor moest ik even omlaag, de roerganger werd bevolen goed uit te kijken en dadelijk te waarschuwen als hij iets zag. Een paar treedjes omlaag, het gordijntje van de hut weggeschoven en gevraagd "Hoe gaat het Roeleveld?". Hij antwoordde "'t is of ik in de Hemel ben". Roeleveld kwam van de bomschuit waar hij in hetzelfde verblijf waar de haring gebakken werd met een drietal anderen in dezelfde kooi lag, ontkleed, wat daar betekent met het petje af, zonder matras of dekens en hier lag hij in mijn hut, werkelijk ontkleed, op een matras en onder een laken en dekens. Wij hoorden later dat hij na een operatie genezen was ontslagen. De eigenaardige lucht van Roeleveld bleef nog lang mijn hut beheersen.
Een ander geval van dien aard was het volgende: De Katwijk 28 vroeg ons te komen en zo brachten wij onze dokter aan boord van deze bomschuit die aan de Haringvliet lag. Ik was meegegaan. De schipper vroeg hulp wegens ontsteking aan de handen van matrozen ontstaan bij het kaken, een veel voorkomend geval, maar hij had nog iets te vertellen. Gerrit, oudste matroos, was ziek geworden en lag te kooi. De volgende dag was hij minder goed en de daaropvolgende dag ging het nog slechter. Toen bezocht de schipper hem en zich over de kooi buigende zei hij:"Gerrit, zullen wij je morgen naar Engeland brengen?" De KW 28 lag toen dicht bij de Engelse kust. "Als 't kan, heel graag" had Gerrit met een zwakke stem geantwoord. Maar de volgende dag was Gerrit dood. Toen wees de schipper mij op de kist die aan dek stond. "Ik heb een mooi kistje voor hem laten timmeren, daar hebben wij hem "inleid" en toen hebben wij hem "ingezouten" zoals wij ook de haring doen, en als wij vol haring zijn, en huis toe gaan, zal ik hem aan de weduwe afgeven".

Zitkamer van het echtpaar De Booij-Boissevain in Nieuwe Diep (Den Helder) 1898
26 december 1898 werd onze zoon Hendrik Thomas de Booij geboren.
Op de 10e april l900 werd mijn naam ingeschreven in de rol van het departement van Marine te Batavia met de bedoeling dat ik mij zou melden bij den gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië, en op 1 mei werd ik benoemd in de mij wachtende betrekking van adjudant bij den gouverneur-generaal.
(Later is gebleken mijn grootvader de benoeming te danken had aan aanbevelingen van de familie van zijn vrouw. Het voordeel van deze betrekking bestond daarin dat de echtgenote mee zou mogen gaan naar Indië. Het verblijf zou dan wel 4 jaar duren, in tegenstelling tot de 2 jaar tropendienst voor gehuwde officieren, die hun vrouw achter moesten laten. Het verblijf van mijn grootouders duurde echter slechts ruim twee jaar, want wegens ziekte van mijn grootvader repatrieerden zij al in de herfst van l902. Voor Hilda was het verblijf in de tropen een grote belevenis, al was niet alles even plezierig, maar voor mijn grootvader was het werk, dat niets met de marine te maken had, bijzonder onaantrekkelijk).

Hendrik de Booij adjudant van de Gouverneur Generaal van Nederlandsch Indië V.r.n.l: H. de Booij, zijn vrouw Hilda,Holle, vrouw van de Gouverneur Generaal Rooseboom-Pit,, Gouverneur genreaal Roosenboom, Regent van Bandoeng,Nederburg,De Lannoy, assistent resident Maurenborcher.
Hilda aan haar zuster Olga 23 sept. l900. Buitenzorg.
. . . Over de Paleisbewoners zal ik maar niet praten. Ze beginnen mij gloeiend te vervelen. Wij zien ze ook vrij veel. Hem begin ik hoe langer hoe meer te begrijpen, en is hij af en toe wel vermakelijk, maar zij begint mij te vervelen. Je komt niet verder met haar, ze is erg matter-of-fact en je weet niet wat je aan haar hebt. Verder is het een uitstekend mensch, maar zooals Dé Holle zegt, "we geven ze het heilige kruis na als ze weggaan".Verder is het hier een vrij dooie boel en gaan we proberen wat leven in de brouwerij te brengen. Er is een muziek en tooneelvereniging en gaan we misschien komediestukjes spelen. Han zit in het bestuur. Verder zijn we lid van de tennisclub en zullen we daar trouw elken Zondag heengaan. Ik heb verleden naast een alleraardigsten Duitschen professor gezeten en hebben we heel gezellig gekletst. Hij vroeg mij of er gedanst werd na tafel. Ik zei van neen, geen kwestie van. Dat vond hij erg jammer. Toen we van tafel opstonden werd net een heerlijken wals gespeeld. Wij teutten een beetje en toen de menschen aan het weggaan waren door den uitgang deden wij even een walsje door de zaal. Ik had net het gevoel van een ondeugend schoolkind.. . . Het soort leven is hier heerlijk. Het prettigste zou zijn als het Paleis heelemaal niet bestond, behalve zoo'n diner als er een aardige meneer is om naast te zitten

Personeel in Buitenzorg 1900
Hilda aan haar familie Gang van der Wijk, 8 oct. 1900
. . . Verleden hebben we op het Paleis gegeten met den regent van Japara, de raden ajoe(d.i. zijn eerste of wel hoofdvrouw) en de drie raden adjengo, drie van zijn dochters, genaamd Cardina, Roekmini, Kartini. De regent en de drie dochters spreken uitstekend, zacht klinkend Hollandsch. Zijn zoon studeert in Leiden, woont op kamers en volgens den regent wordt hij een beetje behandeld als Oostersch Prins en is te veel aan het pret maken. Het spijt den regent dat hij hem niet dadelijk bij een familie aan huis deed, want het moet een bijzonder begaafde jongen zijn. Hij laat hem nu maar terugkomen. De drie meisjes waren verbazend aardig gekleed dien avond. Ze hadden lichtblauw zijden kabaayen aan met een zilveren galon gegarneerd en verschillende mooie gouden sieraden. Verder mooie sarongs, bloote voeten met muiltjes aan. De raden ajoe had een donkerzijden kabaja aan. Den volgenden morgen hebben Han, Tom en ik hen den Plantentuin gewezen. De meisjes waren dol op Tom en namen hem voortdurend op de sportkar op hun arm en Tom liet zich dat gewillig doen; hij is niets verlegen. Het was heerlijk die meisjes te ontmoeten. Ze lezen veel, vooral Hollandsch, en spraken over Het Jongetje enz. van Boreel, over de boeken van Johannes v. Woude, zijn geabonneerd op de Holl. Lelie enz. enz. [. . .] In Batavia zijn de meisjes van alles gaan bekijken, de opiumfabriek enz. enz. Hier zijn ze van 1-3 het Krankzinnigengesticht gaan zien. Wat ze al zoo op een dag deden is bij het ongeloofelijke af [. . .] Het was meer dan heerlijk zulke hoogst beschaafde ontwikkelde Javanen te ontmoeten. Het deed mij bepaald weldadig aan. Niet alle regentenfamilies zijn zoo verlicht natuurlijk. De regent van Demak is geloof ik degeen die zooveel schrijft, maar de regent van Japara blinkt uit doordat hij zijn kinderen een verlichte opvoeding gaf. Ze gaan nog verder reizen door Java, gaan ook naar Djokja en Solo, maar gaan niet naar het hof. Verbeeld je, als de regent daar aan het hof kwam zou hij met naakt bovenlijf en loshangend haar onder aan de trap moeten blijven zitten. Als de meisjes daar kwamen zouden ze geheel gedecolleteerd met geelgemaakte hals en dan zóó, kruipend langs den Sultan van Solo moeten defileren, als ze dan maar één vergissing maakten, vertelden ze, zouden ze erg uitgelachen worden. "U begrijpt dus dat we geen lust hebben daarheen te gaan".Toen ik in Holland was had ik niet het minste idee dat er hier zoo'n groote maatschappij was van Indischmenschen, waarvan het meerendeel nooit in Holland komt. Ik meen nu niet juist alleen de nonna's en sinjo's, maar ook gewoon Europeesch uitziende menschen. De meesten hebben helaas wel een of 2 bruine voorvaders gehad, maar dat zijn toch niet de echte halfbloeds. Jullie kunt je daarom ook niet voorstellen dat bittere gevoel tegen de Nederlandsche Regeering. Ik vind het ook een Middeleeuwsch idee dat al die landheeren, al die menschen die hier hun belangen hebben, niets niets in te brengen hebben in de manier van regeeren. Je kunt er je gewoon geen voorstelling van maken. Als het klimaat ook niet zoo'n ontzenuwenden invloed had op de menschen en hier het oud-Holl. element meer bleef leven, was er al lang een rebellie geweest van de Indo-Europeanen en ik vind dat ze groot gelijk zouden gehad hebben. Ik geloof in l857 zijn ze al begonnen over de decentralisatie, toen na eenigen tijd weer in den doofpot en ik geloof 1877 schreef N.G. van den Berg een knappe duidelijke brochure erover en daarna weer in den doofpot. Het is toch voor de menschen hier om helsch over te worden!Holle is een echte Indischman en zou geloof ik graag morgen aan den dag aan het hoofd van een rebellie zijn. Trouwens Han zegt zelf, dat als hij geen echte Hollander was, hij zeker ook bij de rebellen zou zijn.
Op 29 mei 1901 werd onze Alfred de Booij geboren. Enige dagen later werd mijn grootvader ernstig ziek - zonnesteek en malaria. Na enige tijd ging het gezin De Booy naar Tosari voor herstel, maar het mocht niet baten, zodat hij ten slotte moest repatriëren
30 september 1902 vertrok ik van Buitenzorg met de trein van 8 u.4 en Hilda kwam met de kinderen, juffr. König en de baboes Sarina en Adon. Wij hadden den vorigen avond een afscheidsdiner gehad op het Paleis en ik bracht mijn laatste vervelende avond ten paleize door. De G.G. bracht Hilda binnen en ik mevr. Rooseboom. Wij hadden de Hasselmans mogen vragen en de Staals en Suze Gruijs-Krüseman, wij hadden muziek aan tafel, de G.G. hield een speech, waarop ik antwoordde, na tafel speelden wij biljart, de G.G. en mevr. R. waren allercharmantst en ik was om half twaalf erg dankbaar dat ik het Paleis voorgoed den rug kon toedraaien. Holle moest mij den volgenden morgen uitgeleide doen en mij naar het station brengen in een prachtig rijtuig en ik moest gebruik maken van de wachtkamer van den Gouverneur-Generaal. Er was een troepje Buitenzorgers om mij uitgeleide te doen. Iedereen was erg hartelijk. Hilda ging 's avonds ook met een paleisrijtuig en ook in de wachtkamer van den G.G. en er was een groote troep menschen die aangedaan was en bloemen had medegebracht. [. .] 2 october [. . .] Tom is na het hooren van de sirene te Priok in bed gebleven omdat hij doodsbenauwd is dat de boot weer tum tum zal gaan doen. Tom wil niet meer op een stoomboot, wel op een zeilschip, een stoomboot heeft veel golfjes en ook tum tum en stoom, een zeilschip heeft niets, alleen stokjes en gaat altijd kalm zonder golfjes
20 oktober 1903 werd ik ontslagen uit de Marine omdat ik na de keuring ongeschikt was bevonden voor tropendienst. Het oordeel van de keuringsarts volgt hieronder.
Rapport van Dr. C. Winkler, Amsterdam, 25 mei 1903.
"De ondergetekende verklaart, dat de heer H. de Booij, luitenant ter zee der eerste klasse, weliswaar boven verwachting genezen is van de gevolgen der insolatie in Mei l901 doorstaan, maar acht het desniettemin voor hem in hooge mate onraadzaam om weder in de tropen dienst te doen. Het nog bestaande onvermogen om ten allen tijde snel de aandacht te concentreeren, de lichte spraakstoornis en het strakke, maskerachtige, mimieklooze gezicht, zijn genoegzaam aanwijzingen om hem een verblijf in de tropen te verbieden."
Einde herinneringen Hendrik de Booij
Nu ben ik 92 jaren oud, dankbaar voor veel, aan het einde gekomen van de taak welke ik mij voorlopig had gesteld tot en met de dood van mijn Vader. Meer dan ooit gaan mijn gedachten nu uit naar het ouderlijk huis. Kort geleden droomde ik, dat ik bij de deur stond van onze achterkamer in de gang naast het mooie fonteintje en dat ik stemmen hoorde in de achterkamer. Behoedzaam opende ik de deur en zag ik de mij zo goed bekende figuren van ouders, zusters en broeders en hoorde ik hun stemmen. Ik sloot de deur weer heel langzaam en aan het einde viel de deur met het bekende zachte plofje van zelf weer in het slot, zoals alleen een deur van behoorlijke zwaarte en goed maaksel het doet en van het geluid van dit in het slot vallen scheen het mij dat ik wakker werd.

Hendrik de Booij 25 april 1960 , 93 jaar oud
Na lang verhaal over historie van de strijd tegen de onafhankelijkheid van de Atjehers, en de vrijheidstrijd van de Papoea's geeft mijn grootvader nog de volgende gedachte mee." Zal Jan Maarten, zoon van Tom en Adrienne die overmorgen 3 jaar wordt als hij 80 is dus in 2035 dit lezen als hij zijn herinneringen gaat opschrijven voor zijn kinderen en kleinkinderen. En hoe zal de wereld er dan uitzien?
Postcriptum
Eind l909 begon mijn grootvader geregeld dagboek bij te houden. Hij zette dit voort tot juli l964. Uiteindelijk werden het ruim 110 schriften, die samen een kleine 2 meter in beslag nemen. Behalve de eigenlijke aantekeningen bevatten de dagboeken ook schetsjes van personen of landschappen, verder zijn er, vooral in de latere delen, veel krantenknipsels ingeplakt. In de jaren vijftig heeft hij zijn dagboeken nog eens doorgelezen en sommige stukken doorgestreept of er kanttekeningen bijgevoegd. Het archief is ondergebracht in het Gemeente archief van Amsterdam.
Curriculum vitae Hendrik de Booij (opgegeven aan zijn zoon Alfred na l950)
Adelborst le klasse 2 augustus 1887, luitenant ter zee 2e
klasse l mei l900, luitenant ter zee 1e klasse l november l902, pensioen 16
oktober l903, weder in dienst 10 mei l9l5, l9l5-l9l6 belast met het bevel op
Texel, weder ontslagen en gepensioneerd 1 oktober l9l9.
1904-1905 Administrateur van het Concertgebouw te Amsterdam, 1905-1938
bestuurslid .
1905 Nautisch chef van een wetenschappelijke expeditie onder leiding van Dr.
M.C.Dekhuyzen ( de expeditie beoogde physiologische onderzoekingen bij de vissen
van de Zuiderzee en de Waddenzee en faunistische studiën in verband met het
zoutgehalte te verrichten alsmede het plantaardig leven daar ter plaatse te
bestuderen)
1906. Benoemd tot lid van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en
Wetenschappen te Utrecht
1906-1946 Secretaris, penningmeester en bestuurslid van de NZHRM te Amsterdam.
1907. Voorzitter van het Amsterdamse comité ter herdenking van de geboortedag
van M.A. de Ruyter op 24 maart 1607.
1907-1921. Schoolopziener in het arrondissement Amsterdam IV.
1912-1949. Secretaris en bestuurslid van het Adderfonds te Amsterdam.
1913-1934. Secretaris en bestuurslid, daarna bestuurslid van het Zeemanshuis te
Amsterdam, tot l946.
1913-1943. Bestuurslid van de Nederlandse Bouwmaatschappij, van l9l6-l943
bestuurslid van genoemde maatschappij te Amsterdam.
1913-1950. Secretaris-penningmeester en bestuurslid van de stichting Fonds voor
de De Ruytermedaille, gevestigd te Amsterdam.
1919-1937. Plaatsvervangend lid van de Raad voor de Scheepvaart te Amsterdam
1920-1950. Commissaris van de N.V.Algemeen Handelsblad
1925-1942. Secretaris van de Oosterse Handel en Reederijen te Amsterdam.
1933-heden, Honorary Life-Governor van de "Royal National Life-boat Institution"
te Londen
onderscheidingen:(o.a.) Nederlandse Leeuw, Oranje Nassau, De Ruytermedaille ,
Witte Olifant van Siam, Danebrogorde
Mijn grootvader stierf in zijn huis aan de
Stadionkade 38II Amsterdam op 8 september 1964. Zijn zoon Hendrik Thomas
de Booij sprak 10 september 1964 op de Algemene Begraafplaats Haarlem de
volgende woorden:
Ik wil beginnen met enkele regels uit een gedicht van Henriëtte
Roland Holst -van der Schalk:
"Toen het leven begon, waart gij daar, Dood
Ge zijt altijd geweest een deel van 't leven
En altijd van elk mens de horizon -
Wij weten dat ge zijt een grote zee
omgordend dit, ons kleine groene eiland
Een wijde zee, die ieder leven ontvoert
Maar wij weten niets van dier zee geheimen
Wij weten niet waarheen zij ons ontvoert.
Wij menen en wij gissen, wij geloven en
wij ontkennen, maar we weten niets".
Namens Moeder, de kinderen en kleinkinderen, wil ik U allen hartelijk dankzeggen voor Uw komst hier. Het doet ons goed, samen met velen,die Vader gekend en gewaardeerd hebben, enkele woorden van afscheid tot hem te kunnen richten.
Vader je bent voor ons , de kinderen en kleinkinderen, een baken, een voorbeeld, een trouwe vriend geweest. Dank zij je zuiverheid, eerlijkheid, eenvoud en groot verantwoordelijkheidsgevoel. Je had een fijne geest, een warme belangstelling voor het leven in al zijn verschijningsvormen en zeker voor de mensen, die je op je levensweg ontmoette. Door deze eigenschappen heb je je een plaats veroverd in veler harten. Uit eigen ervaring weet ik hoeveel je als mens betekende voor de mannen van de Reddingmaatschappij, aan de kust. Je had vele gaven en die heb je weten te ontwikkelen. Daardoor heeft je leven een rijke inhoud gekregen. Wij zullen nog lang nagenieten van de herinneringen, die je in je eigen onnavolgbare stijl, doordrenkt met lichte ironie en zachte humor, hebt neergeschreven. Wat het voor Moeder betekent om je te moeten missen is onzegbaar. In jullie 67 jarig huwelijksleven ben je naar elkaar toegegroeid en zijn jullie een eenheid geworden. Ik denk aan Edna St Vincent Miillay's gedicht dat zij neerschreef na de dood van haar man Eugen, Oom Eugen Boissevain:
"The most I ever did for you was to outlive you
But that is much...".
Nu, ruim 97 jaar nadat je in Haarlem bent geboren, in het
notaris huis in de Grote Houtstraat, waar je zoveel herinneringen aan hebt
behouden, brengen we je terug naar je geboortestad, naar het graf van je ouders
, een broer en enkele zusters. De cirkel van je leven is gesloten; een gaaf,
mooi leven. Laat ik eindigen met enkel regels van Vondel, een dichter waar je
zoveel van hield:
"Men klaagt indien de kiele strandt
Maar niet , wanneer zij, rijk gelaân
In een behouden haven landt..."
En dan tot slot de woorden die Shakespeare Horatio laat zeggen
als deze afscheid neemt van zijn vriend Hamlet:
"Good night, sweet prince, and flights of angels sing thee to thy rest".