Herinneringen van de Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië Jhr. Mr. B.C. de Jonge aan de muiterij op de Zeven Provinciën.



De verantwoordelijke autoriteiten tijdens de muiterij op Hr Ms. De Zeven Provinciën. Links : Jhr. Mr. B.C. de Jonge, Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië. Midden: Jhr. Mr. C.J.M. Ruijs de Beerenbrouck, Minister-president. Rechts: Dr.Mr. L.N. Deckers, Minister van Defensie
Ten tijde van de muiterij van de Zeven Provinciën was Jhr. Mr. B.C. de Jonge de Gouverneur-generaal van Nederlansch Indië.. Zijn nagelaten brieven heeft Dr S.L. van der Wal brieven gebundeld en met vele verklarende voetnoten voorzien.. Het is in 1968 - 10 jaar na de dood van Jhr de Jonge - uitgegeven door het Historisch Genootschap. Vijfde serie nr 1. Van deze uitgave is onder dezelfde titel een handelseditie verschenen bij Wolters-Noordhoff n.v Groningen. Het hoofdstuk dat gaat over zijn herinneringen aan de Zeven Provinciën heb ik hieronder (zonder de voetnoten van Dr van der Wal) integraal afgedrukt.
'Zeven Provinciën'
En toen kwam Zondag, 5 Febr., het
ontstellende bericht, dat den vorigen avond muiterij was uitgebroken op de
'Zeven Provinciën', liggende op de reede van Olehleh, terwijl de commandant met
I5 officieren en ongeveer 100 onderofficieren en manschappen aan wal waren. Naar
verluidde hadden de inlandsche schepelingen om ongeveer 10 uur 's avonds zich
van wapenen meester gemaakt, de aan boord gebleven officieren overmand, daarna
het anker gelicht en om 2 uur 's nachts de reede van Olehleh verlaten in
Westelijke richting. De commandant en een gedeelte van de officieren en
bemanning hadden zich terstond ingescheept op de 'Aldebaran', een schip van de
Gouvernementsmarine, teneinde het muitende schip te volgen en zoo mogelijk dit
weer in bezit te nemen. Die dag van Zondag, 5 Febr., was vol spanning, een
zenuwachtige dag vol telefoons en telegrammen. Waar ging het schip heen? Zouden
wij de schande moeten beleven van een aandoen van Penang of Singapore? Wat er
gebeurd was, was al erg genoeg: een dolle hond was los gebroken en maakte de
zeeën onveilig. Alle autoriteiten en scheepvaartmaatschappijen moesten aanstonds
gewaarschuwd worden. Gelukkig bleek al spoedig, dat het schip om de Noordpunt
van Sumatra heen voer en langs de Westkust verder koerste. Dat gaf even tijd om
zich te beraden. Maandagmorgen had ik tot dit doel een onderhoud met den
Vlootvoogd. Deze wilde het schip attaqueeren vóór Padang met vliegtuigen. Toen
hij weg was, dacht ik de zaak nog eens door en vond zijn plan niet doeltreffend.
Ik liet toen dadelijk een auto voorkomen en ging zelf naar het Dept. van Marine.
Ik twijfelde aan de mogelijkheid van een doeltreffenden aanval, dus alleen
attaqueeren in geval van noodzaak, te weten, als het schip Padang zou willen
aandoen, wat allerminst gewenscht werd geacht. Mijn twijfel werd in zoover
bewaarheid, dat van de 3 uitgezonden vliegtuigen slechts 1 Padang bereikte. En
dit behoefde gelukkig niet op te treden, omdat het schip Padang voorbij voer. In
dat geval, had ik met Osten (Commandant Zeemacht) afgesproken, zouden wij
het laten varen tot Straat Soenda, waar het per se zou worden opgevangen. In
dien tusschentijd konden wij onze strijdkrachten daar geconcentreerd hebben om
er een eind aan te maken. Vergeten mocht niet worden, dat de 'Zeven Provinciën'
28 cm geschut aan boord had, terwijl de 'Java' niet meer dan 15 cm geschut
voerde. Wij moesten bovendien werken met vliegtuigen, die slechts 6 uren in de
lucht konden blijven (men kan het zich tegenwoordig bijkans niet voorstellen !),
zoodat de aanval moest plaats hebben niet te ver van de basis Telokbetong.
Bovendien verkreeg ik het voordeel, dat er gedurende enkele dagen kans bleef
bestaan, dat men tot bezinning zou komen en de officieren weer meester van het
schip zouden worden. Zo gauw als ik het hierover met Marine eens was geworden,
seinde ik naar Holland: zoo doe ik het. Ik gevoelde de absolute noodzakelijkheid
de zaak geheel in eigen hand te houden en niet afhankelijk te worden van
instructies, gegeven of gesuggereerd door hen, die voor een groot deel
verantwoordelijk waren voor het feit, dat Indië met een roode vloot zat
opgescheept en die toen zeer gemakkelijk hun gloeiende verontwaardiging en
ontembare vaderlandsliefde konden uiten, terwijl wij in Indië het vuiltje hadden
op te knappen. Ik heb nimmer betreurd, dat ik mijn wil om de 'Zeven Provinciën'
pas in Straat Soenda aan te pakken heb doorgezet. Maar de dagen, die aldus
verloop en moesten, waren wel vol spanning en zenuwsloopend. Om het schip zelf
waren wij niet zoo erg ongerust. Het zond den 6en Febr. 'aan de wereldpers' (!)
het volgende communiqué uit in het Engelsch en het Hollandsch: 'De Zeven
Provinciën is in handen der bemanning. 'Wij zijn van plan naar Soerabaja te
varen en hebben geen geweld in den zin. Wij zullen een dag vóór Soerabaja
officieel het commando overgeven aan den commandant. Ons doel is te protesteeren
tegen de onrechtvaardige salarisvermindering en het in hechtenis nemen van
menschen, die er tegen protesteerden. Er zijn geen gewonden aan boord, alles is
wel.' Maar wat wel reden tot groote spanning gaf, was de vraag hoe de andere
gezagsapparaten zich zouden houden, of de infectie zou doorwerken, welke
maatregelen in verband met de mogelijkheid daarvan nog genomen moesten worden en
hoe de reactie in het algemeen zou zijn, niet alleen in Indië, maar ook
in het Moederland en het buitenland. De buitenlandsche pers, die zich algemeen
met het geval bemoeide, was weinig vriendelijk. De Irish Independent van 10
Febr. gaf de volgende juiste omschrijving: 'The seizure of a Dutch
battleship by mutineers has been the cause of much illconcealed merriment on the
part of other nations. It is not difficult to see the humorous side of the
affair, for the theft of a battleship is something entirely new in the modern
world. To Holland, however, it is a very serious business; she has been made an
object of ridicule before the world and her prestige has suffered accordingly'.
Na de bom werd de toon behoorlijker: de Engelsche vloot werd in 1931 niet op
gelijke wijze tot gehoorzaamheid gebracht. In Nederland en Indië maakte de
muiterij zeer diepen indruk. We kregen natuurlijk aanstonds een
interpellatie in de Tweede Kamer, waarbij de houding van socialisten en
communisten ergerlijk was al spanden de uitlatingen van Ir. Cramer in een
protestvergadering van de S.D.A.P. te Amsterdam de kroon! Hiertegenover stonden
gelukkig tal van bewijzen van diepe verontwaardiging en groote loyaliteit, maar
ik was toch blij, dat ik mijn standpunt bepaald had toen ik hoorde, dat ook
Colijn van leer getrokken had en het schip aanstonds getorpedeerd wenschte te
zien. In Indië waren het zeer zenuwachtige dagen, die toen volgden. Iedereen wond
zich op over dat muiterschip, dat maar rustig en ongemoeid verder ging; het was
wel moeilijk kalm te blijven en pal te blijven staan. Van alle kanten kwamen
loyaliteitstelegrammen binnen en betoogingen werden op verschillende plaatsen
gehouden. Het was zooals Zentgraaff opmerkte in de Java-Bode van 11 Febr.: 'Wij
gelooven niet, dat wij in een lange journalistieke loopbaan in Indië ooit een
gebeurtenis meemaakten, welke zóó diep in hart en hoofd van het gansche publiek
sloeg als deze'.Op 7 Febr. was het de beurt van Batavia. Een groote
loyaliteitsbetooging werd georganiseerd op het Waterlooplein, waar in den avond
verschillende sprekers het woord voerden. En vandaar ging het naar het paleis.
Het was een opgewonden, joelende duizendkoppige menigte, die daar het voorerf
van het paleis opstroomde. Het plan van de politie om haar op het grasveld te
houden mislukte volkomen; pas aan den voet van de groote trap kon zij tot staan
worden gebracht. Een comité werkte zich los en kwam op de voorgalerij, waar wij
verzameld waren. Een zekere heer Hoekstra hield een korte toespraak, waarna ik
van het bordes tot de menigte gesproken heb. Het was een merkwaardig oogenblik.
Geprepareerd had ik niets; ik wist niet vooruit wat er gebeuren zou. Maar er
waren toen twee dingen in mijn bewustzijn: laat ze begrijpen, dat het uitstel
van executie opzettelijk is en tracht de groeiende stemming tegen den Inlander
te kalmeeren. Vooral voor dit laatste was ik werkelijk beducht; men schreef toen
nog de geheele muiterij aan de inlandsche schepelingen toe en wist nog niet, dat
ook Europeanen daaraan een werkzaam aandeel hadden genomen. Bij de verschillende
uitingen van loyaliteit viel al meer en meer een anti-inlandsche stemming waar
te nemen. Het mankeerde er nog maar aan, dat zulk een opgewonden menigte in dit
opzicht zich aan daden zou te buiten gaan! Ik sprak ongeveer als volgt na
bedankt te hebben voor de betooging: 'Wat gebeurd is, is ernstig, zeer ernstig.
Maar wij gelooven er op te mogen vertrouwen, dat deze misdadige en roekelooze
onderneming tot mislukking gedoemd is en tot niets zal leiden. Alle maatregelen
zijn getroffen en zullen ten uitvoer worden gebracht op het oogenblik, dat de Regeering juist voorkomt. Wat gebeurd is, is treurig, zeer treurig. Maar wij
mogen niet vergeten wat er aan vooraf gegaan is. Veertig Hollandsche jongens
moesten door maréchaussées naar Malang gebracht worden. Hollandsche jongens, die
het goede voorbeeld hadden moeten geven, maar het tegendeel gedaan hebben! En
daarom is het noodig, dat wij de hand in eigen boezem steken. Eén voordeel
hebben gebeurtenissen als deze nochtans: zij openen de oogen en roepen het
verantwoordelijkheidsbesef wakker, dat rust in ieder, die behoort tot de natie,
welke groot is geworden onder de leuze: Ik zal handhaven. Dat zit in ons bloed
en dat kunnen wij niet verloochenen. Wel zijn er onder U, die zeggen: 'De
Regeering is onze vijand', 'maar dat is niet het geval. Zij is er om te
handhaven. Ook gij wilt handhaven, zonder onderscheid van ras of stand, wat hier
in 300 jaren is tot stand gebracht; handhaven de samenleving, die hier is
opgebouwd en waarin gij Uw brood verdient. In tijden van voorspoed, maar bovenal
in tijden van tegenspoed wilt gij handhaven. Juist dan gevoelt gij de reactie en
zegt de man, die zijn inkomsten ziet verminderen, 'ik zal handhaven' en dat zegt
ook de man, wiens salaris is teruggebracht, en zelfs de man, die werkloos is
geworden, roept: 'denk je, dat je mij klein krijgt? Neen, ik zal handhaven'.'In
U allen is dat gevoel wakker geworden en daarom zijt gij hier. Laat ons dat
gevoel bezegelen door met mij uit te roepen: Leve de Koningin.' Deze woorden
schijnen wel indruk gemaakt te hebben. Zeker is het, dat bij het uitspreken
daarvan die duizenden opgewonden menschen muisstil waren; zij, die op den weg
stonden, konden mij over het voorplein heen woord voor woord verstaan. Ritman
schreef in het Bat. Nieuwsblad van 8 Febr.: 'Hoog boven de beteekenis van de
bijeenkomst op het Waterlooplein zien wij de demonstratie voor het Paleis en het
in de geschiedenis van Indië tot gisteren onbekende feit, dat de
vertegenwoordiger van de Koningin het woord rechtstreeks richtte tot 'de
burgerij', op het voorplein van zijn paleis verzameld, en dat deed in een woord,
dat in eenvoudige rechtuitheid van hart tot hart ging.' Op 8 Febr. had ik een
vergadering van den Raad van N.I. belegd ter bespreking van den toestand. Ik
deelde mede hetgeen met den Vlootvoogd was overeengekomen, nl. dat het schip bij
Straat Soenda zou worden aangepakt. Daarna vroeg ik aan Legercommandant 244 en
Procureur-Generaal of deze gevaar zagen voor sympathiebetuigingen te land. Voor
leger en politie werd ingestaan, maar niettemin drong ik op uiterste
waakzaamheid aan. De Proc. Gen., Mr. Verheyen, kondigde daarop aan een voorstel
om alle politieke actie te verbieden aan de gezagsapparaten: politie, leger en
vloot. Daarover ontspon zich een langdurige discussie, waaraan twijfel ten
grondslag lag of een zóó drastische maatregel reeds noodig geacht moest worden. Intusschen naderde het schip Straat Soenda, waar de maritieme strijdkrachten
toen geconcentreerd waren. Om 9 uur 's morgens van den 10 den Febr. had de
ontmoeting plaats! De vliegtuigen gaven een sommatiesein af, luidende: 'Geeft U
onvoorwaardelijk over of geweld zal worden gebruikt; stoppen en witte vlag
hijschen', waarop werd geantwoord: 'De bemanning heeft absoluut geen
communistische neiging en geen geweld in zin doch protesteeren tegen
salariskortingen en de gevangenneming van de protesteerende marinemenschen; ons
niet hinderen; alles wel aan boord.' Om 9.15 werd de bom geworpen, die het schip
trof. Tot bij zessen heeft het dien dag geduurd, voordat ik bericht heb kunnen
krijgen wat de gevolgen waren. Bekend was, dat het schip zich dadelijk had
overgegeven; ook, dat er slachtoffers waren, maar niet hoeveel en wie. Tenslotte
bleek de bom wondergoed te zijn neergekomen; vooraan te midden van de muiters,
van wie 23 werden gedood, 3 Europeanen en 20 Inlanders. De consternatie was
allerwege ontzettend, maar toch, men gevoelde ook de opluchting. De gevolgen
waren wel heel erg; de klap was wel zeer hard aangekomen. De vraag rees dan ook
dadelijk of de bom wel een waarschuwingsbom was geweest, zoo als volgens de
instructie geworpen had moeten worden vóór den boeg van het schip om dan pas met
de tweede bom het schip te raken. Men kan van meening zijn, dat na de sommatie
van geen waarschuwingsbom meer sprake kon zijn, of dat de bom, hoe ook bedoeld,
haar werk in ieder geval doeltreffend had gedaan, maar een feit was, dat
opdracht was gegeven tot het plaatsen eerst van een waarschuwingsbom vóór het
schip en daarna pas van een treffer op het schip. Was aan die opdracht voldaan?
Het was een punt van belang, vooral voor Holland, waar te verwachten was, dat de
Reg. heel wat over het geval te hooren zou krijgen. In de vergadering van den
Raad van N I. op 15 Febr. werd de geheele situatie nog eens overzien en ook
speciaal dit punt besproken. Op mijn kort gestelde vraag of we nu met een raak-,
dan wel met een misschot te doen hadden, beweerde de Vlootvoogd, dat het een
misschot geweest was; de order was: zoo dicht mogelijk vóór den boeg, omdat het
laten vallen van een bom op grooten afstand natuurlijk geen indruk zou hebben
gemaakt. Van een hoogte van 1200 meter kan men de plaats van neerkomen niet
volstrekt nauwkeurig bepalen, zoodat in dit geval de bom op het schip in plaats
van vlak daarvóór is terecht gekomen. In de Notulen van die vergadering staat,
dat het mij verheugde zulks te hooren; dat ik dus constateeren kon, dat de
gegeven instructie in overeenstemming was geweest met hetgeen tusschen
Vlootvoogd en mij was afgesproken. Achteraf is echter gebleken, dat het een
raakschot en geen misschot is geweest. Hierdoor is de Regeering in een
onaangename positie gekomen. Men heeft, ook in Nederland, steeds het werpen van
de bom zonder omwegen verdedigd, maar heeft altijd volgehouden, dat de bedoeling
was geweest een waarschuwingsbom vooraf te doen gaan. De Marine heeft de Regeering steeds in dien waan gelaten. Maar toen dit standpunt bestrijding vond,
die niet tot zwijgen was te brengen, heeft eerst de volgende Vlootvoogd, Van
Dulm, de waarheid aan het licht weten te brengen. En deze was anders dan de
Regeering meende. Hiermede kom ik aan twee punten, die ik de Marine zeer kwalijk
genomen heb: I e. een uitdrukkelijk gegeven instructie bleek zelfs in een
militaire organisatie als de Marine niet te zijn doorgedrongen tot hem, die op
een gegeven oogenblik de instructie moest uitvoeren, en 2e.. de Marine
heeft geruimen tijd de Regeering in een waan gelaten, waarmede men wist, dat de
werkelijkheid niet overeenstemde. Wat het eerste punt betreft, zat de zaak zoo,
dat ter opvanging en bestrijding van het muitende schip onze vliegtuigen werden
geconcentreerd te Telokbetong. Den avond vóór den aanval deelde de commandant (Carel
van Asbeck) aan zijn mannen mede wat de bedoeling was, dus: eerste bom vóór het
schip als waarschuwing en dat overigens bij den aanval de staat van oorlog moest
geacht worden te zijn ingegaan. Het ongeluk wilde, dat bij die bespreking één
van de piloten ontbrak. Ik acht het een fout van den commandant, ook al is hij
overigens mijn hooggeachte neef, dat hij niet gezorgd heeft ook dien man op de
hoogte te stellen. Zooals het nu geloopen is, hoorde deze man van zijn kameraden
wat er gedaan moest worden. En laat nu het ongeluk willen, dat den volgenden dag
4 of 5 van de 9 vliegtuigen uitvielen en juist die niet behoorlijk geïnstrueerde
man voor de taak kwam te staan om de eerste bom te werpen! En was het wonder,
dat die man toen bij zichzelf ging overleggen: staat van oorlog en
waarschuwingsbom, dat gaat toch niet samen!? En kan men hem kwalijk nemen, dat
hij tot de conclusie kwam het schip werkelijk te moeten raken, daartoe vóór het
schip, dat in beweging was, mikte, zoodoende het schip trof en aldus een pracht
roos schoot? Immers neen, maar onvergeeflijk was, dat, hoe dan ook, een van
hooger hand gegeven instructie bij de Marine niet tot uitvoering was
gekomen en dat daarna de ware gang van zaken voor de Reg. verdoezeld is, doordat
men haar in den waan heeft gelaten, dat een waarschuwingsbom was geworpen op
grond van het feit, dat vóór het schip was gemikt, hetgeen op zichzelf juist
was, terwijl de bedoeling en ook het resultaat een voltreffer was geweest. De
Regeering heeft dan ook later moeten erkennen een verkeerde voorstelling van
zaken te hebben gegeven, wat nooit aangenaam is, maar vooral pijnlijk was in een
zaak als deze.
Nog een ander hoogst onaangenaam gevolg heeft deze zaak gehad. Hoewel geheel ten
onrechte schijnt de officier-vlieger Coppers, die de bom had geworpen, daarvan
nadeel ondervonden te hebben. Hij kreeg het idee, dat men hem daarop aanzag en
hem deswege 'zocht'; dit schijnt zich tot een complex ontwikkeld te hebben en
zoo werd hij inderdaad ongeschikt voor bevordering, weshalve hij vóórtijdig met
pensioen is gegaan. Vlak voor zijn vertrek liet hij zich interviewen, waarbij
ook de geschiedenis met de bom ter sprake kwam. Op grond hiervan werd hij in
Febr. 1936 door de Marine-autoriteit van het vertrekkende schip gehaald om zich
terzake disciplinair te verantwoorden Het geval Coppers was wel een heel
onverkwikkelijk en onverdiend fin de carrière voor dezen man. Onverdiend, want
het kan niet ontkend worden, dat de bom zuiverend heeft gewerkt en nuttig effect
heeft gehad. Er bleef nog wel weerstand en verzet in de samenleving, maar
gebroken was de algemeenheid daarvan; de beklemmende sfeer van onwil was
verbeterd en het was of men weer ruimer kon ademhalen. De vergadering van den
Volksraad op 20 Febr. was ten deze typisch. De Vlootvoogd gaf daarin een
uiteenzetting van het gebeurde en toen zijn stemmen gehoord, zooals ik nog niet
had medegemaakt. Men durfde zich weer loyaal te noemen en het was aardig daarbij
te hooren hoe de Inlandsche leden hun waardeering uitspraken voor het woord van
den Landvoogd bij gelegenheid van de loyaliteitsdemonstratie, die de schuld niet
alleen had gezocht bij de inlandsche schepelingen, maar ook had gewaagd van het
steken van de hand in eigen boezem. Er bleef nog verzet en weerstand in de
samenleving. Voor mij althans was de roe nog niet van de billen. Juist in dien
tijd kwam er nog al critiek los. In Holland was men daarmee zelfs kwistig. In
het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer nopens de Indische begrooting werd
mij gebrek aan tact tegenover particulieren en ambtenaren verweten en werd ik
gekenschetst als een vreemdeling in de Indische politieke zaken. De Nieuwe Rotterdamsche Courant van 18 Januari voegde daaraan nog allerlei beschouwingen
toe: ik maakte den indruk van passiviteit en vermoeidheid in de politieke sfeer;
het had den schijn of ik mij alleen maar chef gevoelde van een
bezuinigingsapparaat en niet besefte dat 60 millioen Aziaten de opperste leiding
van mij verwachtten; ik miste psychologisch inzicht, gaf mij geen rekenschap van
den nieuwen geest en mijn houding tegenover den Volksraad deugde dan ook niet.
In de Indische pers werd dergelijke critiek wel opgevangen in den geest van: 'Je
blijft met jouw pooten van mijn landvoogd af', maar toch werden ook daar mij
verwijten gemaakt, in het bijzonder naar aanleiding van het standje aan Van Mook
en Wiranata Koesoema in verband met het verwerpen van de onderwijsbegrooting en
wegens mijn veranderde houding in de wildescholen-quaestie .Aan critiek bleef
het dus niet ontbreken. Toch bleven nog verdere maatregelen tot handhaving van
het gezag noodig. Er was nog geen tijd aangebroken van politieke rust. Groote
waakzaamheid bleef geboden en van dezen tijd af ben ik de gezagshandhaving meer
stelselmatig gaan toepassen. Maar daarover later meer. Hier worde volstaan met
de vermelding van de toepassing van den persbreidel op de West-Java Courant,
orgaan van het Verbond van Vereenigingen van Overheidsdienaren (V.V.O.) 2een
stookblad van het ergste soort, bij Gouvernementsbesluit van 14 Febr. I933 no. I
Z. Het was een goed ding, dat wij toen de versterking van de oliehavens ter hand
konden nemen. Dat gaf wat afleiding aan leger en vloot. Tot deze versterking was
besloten in verband met het meer op den voorgrond treden van het Chineesch-
Japansche conflict als gevolg van de uitspraak van den Volkenbond, welke, naar
men toen reeds verwachtte, Japan zou doen uittreden Ik schreef den
Minister in verband hiermede op 7 Maart : 'De Japansche Gezant te Uwent heeft
anders wel zeer geruststellende verklaringen afgelegd. Ik zou er haast toe
komen onze maatregelen zooveel mogelijk te bespoedigen'. Ik was blij, dat dit
werk tot uitvoering kwam. Balikpapan en Tarakan lagen voor iederen aanval open
en nu was ik toenmaals niet beducht voor oorlog met Japan - Hirota leek mij een
goed willend man -, maar wel voor een daad van agressie door een of anderen
brutalen commandant, die, zelfs al had hij tegen de instructies van de Japansche
Regeering gehandeld, toch waarschijnlijk niet gedésavoueerd zou worden. Zoo'n
daad van agressie was ten opzichte van de oliehavens wel heel gemakkelijk en
daardoor veel te aantrekkelijk. Dat was nu gelukkig uit.