Het geslacht de Booij 1570- 1901
Inleiding
Mijn oom Chré de Booij heeft in de jaren na de Tweede Wereldoorlog onderzoek gedaan naar de voorouders van de familie de Booij. Hij is daar financieel door zijn broer James Marnix de Booij in staat gesteld (Beide broers zijn de kinderen van Chrik de Booij de oudste broer van mijn grootvader Hendrik de Booij)
Chré de Booij en zijn oudere broer James Marnix de Booij
Chré had veel tijd tot zijn beschikking als Benedictijnse priester
en monnik van de St Paulus Abdij te Oosterhout. Chré beschrijft in november 1946
de reden waarom hij katholiek is geworden:
"Mijn vader was lidmaat van de
Nederduits hervormde Kerk, mijn moeder - een engelse - was anglikaans, zodat
reeds in mijn jeugd een dualisme ontstond in mijn geloofsleven, daar ik nu eens
met de een, dan weer met de ander ter kerke ging. Voeg hierbij het feit, dat
de anglikaanse dienst met haar psalmodie uitgevoerd in een stemmig kerkje met
gebrandschilderde ramen, veel aantrekkelijker was dan de lange preek lang,
uitgehaalde koraalzang met de beide gebeden, in een kil kerklokaal, zoals de
hervormden die kennen, en gij zult begrijpen, dat hier reeds in kiem aanwezig
aanwezig kan zijn een neiging tot "katholiseren". Inderdaad, deze werd
versterkt, toen ik op de H.B.S. een katholieken medescholier bereid vond tot het
geven van onderricht in zijn geloof. Hierbij trof vooral het hameren op het "unam,
sanctam, catholicam" van het Credo, en, niettegenstaande mijn bevestiging tot
lidmaat der Nederduits hervormde kerk, bleef de deze apologetische cursus
dermate doorwerken, dat, zelfs nadat ik mij zich later nog liet opnemen in de
anglicaanse Kerk, uiteindelijk mijn hart slechts zijn vrede kon en mocht vinden
door een nieuwe grondiger onderrichting in de katholieke geloofsleer. Deze
onderrichting kreeg ik van de benedictijnen van Oosterhout, die door hun
liturgisch koorgebed met zijn schone gregoriaanse melodieën het verstandelijk
element dat zo voornaam is in de katholieke leer, paren het aesthetische en
culturele om aldus lichaam en ziel tezamen, te doen opgaan in lofprijzing van
den Hemelvader. Die instructie leidde mij vanzelf tot opneming in de katholieke
Kerk en zelfs enige jaren later, tot toetreding tot de orde der benedictijnen.
Hierin ben ik nu meer dan twintig jaar en, ontdek, jaarlijks, rijkere schatten
in de liturgie der Moederkerk:" Beati qui habitant in domo tua, Domine….quia
melior est dies una in atris super milia". Ps. 83".
Hij heeft jarenlang uitputtend
onderzoek gedaan naar de stamvader van het geslacht de Booij. Hij heeft daarvoor
vele doopboeken en ander schriftelijk materiaal geraadpleegd. Dit alles heeft
geresulteerd in een genealogisch overzicht van de familie de Booij. In de jaargang 54 van
het Nederland's Patriciaat (uitgave voor Genealogie en Heraldiek, s-Gravenhage)
is mede door zijn toedoen de geslachtlijst van de familie de Booij opgenomen. Tot ongenoegen van de samensteller Chré de
Booij is een
bepaalde tak van het geslacht de Booij in deze jaargang 54 niet opgenomen. De
redactie onder
voorzitterschap van de heer F. de Josseling de Jong vond deze tak niet aanzienlijk
genoeg. Deze tak van het geslacht de Booij beantwoordt niet aan voorwaarden waar
een familie moet voldoen om opgenomen te worden in het Nederland's
Patriciaat (Het "blauwe boekje"genoemd). In de eerste jaargang van
1910 van de serie Nederland's Patriciaat
staat onder meer het volgende:
" Van meer dan honderd adellijke families in Nederland toch, bestaan takken welke niet tot den adel van het Koninkrijk behooren, terwijl vele aanzienlijke*) geslachten van den adel zijn vermaagschapt, òf wel door hun stand in de eerste kringen verkeeren.(...) Achtereenvolgens worden opgenomen die aanzienlijke familiën in Nederland, welke geen deel uitmaken van den Nederlandschen adel, en personen, die door het bekleeden van hooge ambten, of door bijzondere persoonlijke verdiensten als hoofd eener familie kunnen worden gerekend - een en ander met de in leven zijden afstammelingen en de bewijsbare voorouders, zoodat ook niet-adelijke takken van geslachten in Nederland's Adelsboek vermeld, er een plaats in zullen vinden".
In een brief van 13 september 1964 sprak Chré De Booij aan zijn nicht (mijn
tante) Engelien de Booij zijn ongenoegen uit als volgt:
" In
Jaargang 1954 van het Nederland's Patriciaat zijn mijn gegevens verwerkt en
aangevuld door de Heer (ik meen:F.) de Josseling de Jong van het Centraal Bureau
voor Genealogie. Deze nam echter niet op de afstammelingen van: Arent de Booij, herbergier-bakker te Poortugaal (land van Putten), oudste zoon
(1663-1703) van onze koster-schoolmeester-voorouder te Geffen : Geerlich. En dat
is jammer in zover er talrijke nakomelingen van bestaan in de beide Hollanden "
Link: Genealogie familie
de Booij (Overgenomen van het 40e JAARGANG 1954 NEDERLAND'S PATRICIAAT
Uitgave van het Centraal Bureau voor Genealogie Nassaualaan 18, 's-Gravenhage)
Waarom mijn tak dan wel aanzienlijk wordt geacht laat zich raden? Waarschijnlijk omdat mijn grootvader getrouwd is met een telg uit het geslacht van de familie Boissevain, een familie die als een van de eerste families werd opgenomen in de eerste jaargang (1910) van het Nederland's Patriciaat jaargang 1910. Ook zal een rol gespeeld zal de functies die een aantal familieleden in onze Nederlandse samenleving hebben ingenomen, alsmede hun echtelijke verbintenissen met leden van geslachten, die zowel in rode boekje (Adelsboek) en in het blauwe boekje (Patriciaat) zijn opgenomen. Om dit met een aantal voorbeelden te illustreren. De zonen alsmede kleinzonen van mijn overgrootvader de notaris Chrétien de Booij. Zijn twee zonen Chrik en Theo de Booij beide hebben zij het tot vice-admiraal gebracht. Theo was getrouwd met Jonkvrouw de Geer. James Marnix de Booij (zoon van Chrik) eerst directeur van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij in Indië, vervolgens minister van Scheepvaart, Waterstaat en later van Oorlog in het kabinet Gerbrandy tijdens de Tweede Wereld oorlog in Londen en daarna Ambassadeur. Mijn grootvader Hendrik de Booij heeft vele functies vervuld: Reddingmaatschappij, Algemeen Handelsblad en Concertgebouw etc.). Zijn twee zonen resp Hendrik Thomas was directeur van de Reddingmaatschappij en zijn jongste zoon Alfred de Booij werd vice-admiraal. De broer van mijn overgrootvader Pierre de Booij was kolonel der artillerie. Zijn zoon Ir Jan de Booij was hoofdingenieur 1e klas bij de Waterstaat in N.O. Indië getrouwd met een telg uit het geslacht van van Lennep en een andere zoon Alexandre Jean de Booij luitenant-kolonel der artillerie. Misschien heeft ook een rol gespeeld dat mijn overgrootvader getrouwd was met een telg uit het invloedrijke geslacht de Mol van Otterloo wiens voorouders terugreiken naar de tijd van de V.O.C. met de families Dedel, Hovy, Boreel, Huydecoper. Witsen, Trip, Crommelin, Backer, van Vollenhoven etc
Ik ben het geheel eens met mijn oom Chré de Booij, dat het jammer genoemd mag worden dat niet alle afstammelingen van onze stamvader Aerndtt Aertssen in de jaargang van het Nederland's Patriaciaat zijn opgenomen. Maar de redactie vond de eerzame nuttige beroepen, die zij bekleden te min voor het Patriciaat. Ik noem er een paar: herbergier-bakker, molenaar, broodbakker, timmerman, koekbakker-kruidenier, koopman, commissionair, officier van gezondheid.
In dit verband zou ik nader onder de aandacht willen brengen het proces van elitevorming door de eeuwen heen.. Wonderlijk genoeg heeft de Nederlandse elite - nu samengevat in het Rode (Adelsboekje) en het Blauwe boekje (Patriciaat) - zich steeds kunnen handhaven.

Links: Nederlands Adelsboek (Het rode Boekje); Rechts: Nederlands Patriciaat ( Het blauwe boekje)
Dit heeft zij voornamelijk te danken door tijdig de bakens de verzetten als het tij keert. Onder het begrip adel en patriciaat zijn echter vele gradaties aan te brengen. Ik zal een poging ondernemen om de historische ontwikkeling van de Nederlandse elite weer te geven sinds de Middeleeuwen. Het adelsboekje zijn zowel de oude als de jonge adel onder een noemer gebracht. Het is van belang om een duidelijk onderscheid te maken tussen de jonge en oude adel. Hetzelfde kan gezegd worden van het blauwe boekje. Het rode boekje is alfabetisch gerangschikt, terwijl het blauwe boekje - begonnen in 1910 - per jaargang bepaalde families zijn opgenomen. Zo is de familie van mijn grootmoeder aan vader's kant de Boissevain's al in het eerste boekje, terwijl de familie de Booij pas in jaargang 1954 werd opgenomen. Dit geeft dus een vorm van anciënniteit aan. Deze rangorde wordt in de patriciaat kringen dikwijls op bepaalde momenten naar voren gebracht! De families die in beide boekjes zijn opgenomen vertegenwoordigen op een enkele uitzondering na de Nederlandse elite. wil ik een analyse maken van de historische ontwikkeling van de Nederlandse elite. Het is daarbij verbazend om te kunnen constateren, dat ondanks alle woelingen, revoluties, geloofstwisten, oorlogen de elite zich heeft kunnen handhaven. Uiteraard door steeds fris bloed op te nemen en de normen en waarden geleidelijk - bij het de het veranderen van de tijdgeest - aan te passen. Het principe daarbij is: "Onderlinge twisten om de koek te verdelen, maar zodra er iemand anders komt om een stukje koek, dan krijgt hij geen kruimeltje , tenzij hij eerst bewezen heeft ook zelf koek te hebben". Of het op een andere manier te zeggen. Het 'blauwe' bloed heeft steeds behoefte aan het nieuwe 'gele' geld, verzameld door de selfmade man, Als deze samen komen kan de groene plant (blauw + geel) weer doorgroeien. Ik heb in deze link heb ik een poging ondernomen hoe de elitevorming zich door de eeuwen heeft plaats gevonden handhaven. Elitevorming door de eeuwen heen
*) In deze link citeer ik uit de manifesten van franse filosoof Jean-Paul Sartre waaruit men kan lezen hoe hij denkt over de 'aanzienlijke' mensen van de heersende klasse
In de bovengenoemde brief van 13 september 1964 van Chré De Booij aan zijn nicht (mijn
tante) Engelien de Booij eindigt met de volgende zin
" Enfin , nu heb ik jou met mijn (genealogen) mantel
geïnvesteerd, want Tom (red
mijn vader) niet bij machte en Tom jr zal ook wel anders georiënteerd
zijn".
Tegen de verwachting in heb ik het estafette stokje overgenomen van mijn oom Cré de Booij en heb contact gekregen met de nazaten van deze oudste zoon van
Geerlich de Booij (1636-1669): Arent de Booij. Zij waren echter niet helemaal
zeker of zij inderdaad afstammen van deze Arent de Booij. Zijn achterkleinkind Jan de Booij ( 1796-1834) had een
dienstmeid Jacoba Simonsdr Rams, die in 1795 tijdens haar barensweeën Jan
de Booij als vader heeft aangewezen en heeft dat later ook volgehouden. Jan de
Booij ontkende dit. Na een langdurig proces waarin de diaconie van De Lier
Jaapje bijstaat, kreeg Jan zijn gelijk, hij hoeft niet bij te dragen aan de
opvoeding van de zoon van Jaapje, Jan de Booij. De zoon van Jaapje mag niet
langer de naam van zijn vermoedelijke vader dragen, maar daar is geen gevolg aan
gegeven. De diaconie heeft Jaapje en haar zoon Jan ook financieel bijgestaan.
De 'vermeende' nazaten van Jan de Booij hebben mij gevraagd, als nazaat van
Henricus de Booij (de jongere broer van Arent), mee te doen aan een DNA test.
Begin 2008 heb ik DNA materiaal van mij afgestaan. Mijn DNA is vergeleken 2
'vermeende' nazaten van de tak van Arent. Uit dit vergelijkend DNA onderzoek is vast komen
te staan, dat we geen familie van elkaar zijn. Een 'vermeende' nazaat van Jan de
Booij bericht mij in een e-mail van 10 november 2008 het volgende: " Dat
betekent dat we afstammen van een onwettige zoon van Jaapje Rams, vader
onbekend, geboren 19 september 1795 te De Lier. En heten we ten onrechte De
Booij". De tak van Arent de Booij is dus uitgestorven in 1834 bij het
overlijden van Jan de Booij.
Maar er valt nog meer interessants te vertellen over het uitsterven van bepaalde
takken van de familie de Booij De zoon van Geerlich Arent de Booij
Henricus de Booij*), ( jongste broer van Arent) had een zoon Jacobus. Een
tak van deze Jacobus de Booij (1698- 1739), waar ik een nazaat van ben,
zal zeer waarschijnlijk ook
uitsterven. Zijn achterkleinzoon Christiaan de Booij had twee zoons:Pierre Hubert
Alexander de Booij ( 1818-1897) Chrétien Jean Gerard de Booij (18220-1901).De
laatste zoon is mijn overgrootvader. Mijn beide zoons Jan Maarten de Booij
(1955-) en Willem Maurits ( 1961-) hebben geen nazaten, laat staan
mannelijke., waardoor deze tak van de familie de Booij zal uitstreven. De oudste
zoon van Christiaan de Booij Pierre Hubert
Alexander de Booij zijn nog mannelijke afstammelingen, waarvan ik laatst iemand
heb ontmoet Maarten Alexander de Booij (1957-). Hij is een achterkleinzoon van
Pierre Hubert Alexander
Geerlich Arents de Booij had behalve Hendicus nog een zoon: Geerling de
Booij ( 1702-1747). Hiervan zijn nog vele mannelijke levende nazaten. Deze tak
is eveneens opgenomen in het 'blauwe boekje'.
*) Henricus de Booij was getrouwd Willemina van Riemsdijk. Haar vader was Hendrick Remnits van Riemsdijk. Laat dat nu een voorouder zijn van mijn vrouw Adrienne Strumphler. (In een tabel wordt onze gezamenlijke afstamming weer gegeven: De Booij-van Riemsdijk)
Uit het fraaie in leer gebonden boekwerk van mijn oom Chré de Booij heb ik een groot gedeelte van de tekst, alsmede de door hem vervaardigde figuren en foto's afgedrukt. Van dit boek zijn slechts drie exemplaren vervaardigd.

Het wapen van de familie de Booij (1769) en de afbeelding van het familie wapen in dagboek Hendrik de Booij *)
In groen een zespuntige gouden ster waarop een kraai met gouden snavel en poten. Helmteken : de ster. Dekkleden: goud en groen. In 1769 door Christiaan gevoerde familiewapen. De lakafdruk op zijn brief dd. 11 februari 1769 in de Brieven aan de vroedschap van Utrecht in het gemeente archief aldaar vertoont een gewone vogel met zeer korte bek en korte staart en zonder poten rustend op de bovenste punt van een zespuntige ster. In het dagboek van Hendrik de Booij staat een afbeelding van het familiewapen echter met ster niet met zes maar met vijf punten. Zie afbeelding rechts. Later na 1954 heeft iemand ( waarschijnlijk Hendrik of Tom sr) heeft er onder geschreven: dat het geen vijf maar een zespuntige ster moet zijn. (Wie dit wapen heeft geschilderd staat er niet bij).
De kraai is in de symboliek niet van de raaf te onderscheiden. Oorspronkelijk had de kraai witte veren zegt men. Apollo liet zijn minnares Koronis bewaken door een sneeuwwitte kraai. Deze kon echter niet beletten dat zij reeds zwanger van God, zich inliet met een Arcadische prins. Apollo vervloekte de in gebreke bewaakster en maakte haar veren zwart en doodde de ontrouwe minnares met zijn pijlen. Ze werd gecremeerd, maar uit het vuur haalde Apollo het nog ongeboren kind, de genezende god Asklepios (Aesculapius). In de Babylonische kalender had het een negatieve betekenis waar hij de dertiende (schrikkelmaand) beheerst. God plaatste het sterrenbeeld raaf (Corvus) tussen de sterren Hydra dat hem belette uit de schaal Crater (of Beker) te drinken. In China zag men de driepotige raaf als een zonnedier. In de dieptepsychologie houdt de raaf houdt zich op bij de duistere zijde van de psyche maar kan ook een positieve werking hebben als de mens erin slaagt bewust en doelbewust met hem om te gaan.
*) Het is niet duidelijk waarom mijn grootvader Hendrik de Booij een vijfster i.p.v, een zesster in zijn dagboek weergeeft. In het Patriciaat boekje staat toch duidelijk een zesster in het wapen afgebeeld.

De rode lakzegel met het wapen van de familie de Booij op de enveloppe van de brief van 11 februari 1769 van Christiaan de Booij aan de vroedschap van Utrecht om zijn benoeming tot rector van het Hieronymiaans Gymnasium af te slaan.
Enige gegevens over het geslacht Arents de Booij gedurende de laatste vier eeuwen samengesteld door Chré der Booij.


Titelbladen van het familieboek de Booij, schrijver Chré de Booij. De Latijnse spreuk 'quasi tipi apis argumentosa deservit' betekent:' Ik diende U als een bezige bij'
Inleiding
In de bange jaren van de Tweede Wereldoorlog werden de fundamenten gelegd voor dit familieboek. In de Meimaand van 1944 ontving ik het bezoek van Engelien ( red. zuster van mijn vader) en haar man, Frans Polak, die hem vertelden over het enthousiasme waarmee Oom Hendrik (Han) een familie-ringboek aan het opstellen was, en mij aanrieden het hem eens te laten opsturen. Bij dit gesprek kwam uit, hoe weinig wij van onze herkomst wisten; aangezien ik door de omstandigheden zowel als mijn leeftijd, in het stadium verkeerde -dat men zich zijn genealogie gaat aantrekken, volgde ik de gegeven raad op; nu ik tegen de herfst van het jaar 1951 mijn inmiddels gedane bevindingen aan het samenstellen ben, weet ik niet of ik door zo te handelen, al of niet nuttig werk verricht, maar basta! aan de lezers om, na het gebodene te hebben doorgelezen, hun vonnis te vellen.
Het ringboek dat ik overtikte en, met photo's en toevoegsels vermeerderd, aan mijn broer (red. James Marnix de Booij) gaf bij zijn terugkomst in 1945 in Nederland, begint: "Wij zijn waarschijnlijk uit Frankrijk gekomen. Jacobus de Booy, mede dokter te Amsterdam geb., overl. 1746, was gehuwd met Sara de Spillenaar, overleden 1772 's Bosch. Mijn betbetovergrootvader." Daarna volgen korte gegevens over zijn nakomelingen en de aanverwante geslachten Faure en de Mol van Otterloo, en brieven van de moeder van Oom Hendrik en van zijn broer Chrétien. Veel portretten zijn aan de tekst toegevoegd, zodat het geheel een belangrijke bijdrage tot de reconstructie der familiephysionomie mag worden genoemd, al blijft onze herkomst duister.
In een van Oom Hendrik's steeds welkome bezoeken aan de abdijwees ik hem op dit feit. Hij gaf mij toen de uitstekende raad nicht Willy de Booij - Scheltus inzage der familiebescheiden te vragen. Ik fietste naar haar huis in de Baronielaan, waar de tijdelijke bewoner, oud-kolonel Palairet Hooglandt mij zeer heus ontving en vertelde dat zij in Johannesburg bij haar oudsten zoon was. Echter haalde hij het door mij gewenste uit een latafel te voorschijn. Het waren vooral de in dit boek opgenomen portretten en geslachtregisters die voor ons van belang zijn; verder was er van allerlei correspondentie, waaruit ik leerde dat in l892 de beide broers, oud-kolonel Pierre en oud-notaris Chrétien de Booij, met den zoon van den eerstgenoemde, den 1sten luitenant bij de veld-artillerie Alexandre de Booij, zich moeite hadden gegeven wat meer te weten te komen over ons geslacht, doch op een verkeerd spoor waren geraakt door den vermeenden voorvader te zien in den Indischman Jacobus du Boys als doctor medicinae te Leiden gepromoveerd 17 Juli 1673 volgens de naamlijst der doctoren te Amsterdam (jaargang 1883-1884 van het Algemeen Neder1andsch Familieblad, no.
14, blz. 5). Deze zou van den Bosschen rector de vader of grootvader moeten zijn geweest.De oud-kolonel schrijft in deze zin 21 Mei1892 aan candidaat-notaris Pieter de Booij te Amsterdam, tantezegger van de hem bekende Maria Anna de Booij, die naar dezen neef had verwezen, toen haar werd gevraagd aan te tonen de gepresumeerde verwantschap tussen haar en ons geslacht. Deze kwam eerst onlangs vast te staan bij het vinden dat de bierbrouwer en schepen van Dinther, Geerling de Booij hun stamvader. en een jongere broer van den voornoemden Jakobus - te Rosmalen was gedoopt in plaats van te Geffen. Inmiddels had de oud-notaris bij hun nicht Henriette Elisabeth de Booij, weduwe van den luitenant ter zee G.J.W. Hooghwinkel, het schilderijtje bezichtigd van het wapen van Geerling's zoon Johannus, omgeven door de wapens Duytz, van Halder en Schilders. Na haar dood kwam het te Lisse - ik meen bij de familie Sobels - waar het in de brand van het woonhuis verloren ging. Gelukkig had Pieter de Booij er een copie van laten maken; wij hebben trouwens, opgeborgen in het oud-archief der gemeente Utrecht, het familiewapen door rector Christiaan gevoerd, toen hij in 1769 met de vroedschap van die stad correspondeerde. Het onderzoek werd niet voortgezet: de beide broers waren er te oud voor geworden. Chrétien schreef 20 Mei 1892 aan Pierre: "... veel geld heb ik er niet voor over, ook niet veel tijd, ook is 't beter dat een jonge krachtige kandidaat notaris het werk ter hand neemt dan een oude afgeleefde notaris non-activiteit". Maar ook Pieter de Booij is niet geslaagd, al schreef hij 25 Juli 1892 aan den oud-kolonel volkomen juist: "Misschien waren Jacobus die in 1725 een zoon kreeg, en Geerling die in 1733 een stamhouder rijk werd, broeders en zou daar het verband tusschen onze takken gevonden moeten worden".
De geslachtregisters en oude brieven kreeg Alexandre van Mevrouw Goetzee, dochter Jacob de Booij; hij zal haar hebben teruggegeven wat zijn oom Chrétien in een brief van 12 Juli 1892 noemt "stukken die ons niet aangaan, maar het geslacht Janson (waartoe nl. de vrouw van Jan Jacob behoorde) en de maçonnieke graad van oom J.J. de B."
Terwijl ik met dit alles juist begon kreeg ik kennis door de Heren A.C. baron van Heerdt en B.H. Boissevain, van de ouders en de grootouders van Jakobus de Booij, waardoor het eerste licht op onze afkomst viel. In te Amsterdam praktiserend geneesheer, de vader van rector Christiaan geweest: zijn grootvader leefde te Geffen als schoolmeester, zijn vader was aldaar drost-secretaris en zelf was hij secretaris van het aangrenzend Nuland. Beide deze plaatsen liggen in de Meierij van den Bosch op een tweetal uren van die stad verwijderd. Slaat men van Beresteyn's Genealogisch Repertorium op onze geslachtsnaam, dan vindt men als enige verwijzing: De Nederlandsche Leeuw 1903, blz. 146, waar men de opgave krijgt, ontleend aan de kerkregisters van Geffen-Nuand, der nakomelingen van den koster-schoolmeester.
Krachtig gesteund door mijn broer begint van dit ogenblik af mijn dilettantisch onderzoek, waarvan de resultaten hier worden meegedeeld. Daardoor kwam vast te staan dat hoe sprekend Protestants ons geslacht ook mag wezen, het in ieder geval niet afstamt van Hugenoten uit de tijd van de herroeping van het edict van Nantes, en dat men er zelfs van 1626 tot 1636 bij den spoormaker Aernt Aerntsen niets Frans aan bespeuren kan. Enige voorzichtigheid in het uitspreken van een geheel negatief oordeel is hier geboden wegens de relaties van de zusters Lijsbeth en Geertruijt van Geffen's koster Geer1ich Arents de Booij met oorspronkelijk Zuid-Nederlandse geslachten: Timmers uit Turnhout, Salmé uit Mechelen, en Soete de Lake van Villers. Is Nijmegen's gaande stadbode Aerndtt Aerntssen die in 1586 zijn te Kleef wonende moeder opzoekt, inderdaad onze stamvader geweest, dan zal door hem wel de lust tot reizen en trekken in zo velen onzer aanwezig, zijn overgeplant en is het geslacht reeds lang cosmopoliet! Moge het een jonger familielid met de benodigde feu sacré gegeven zijn over dit alles meer en volledige gegevens te verschaffen.
I. De Stadsbode Aerndtt Aerntssen ( omstreeks 1570- 1609)
De geschiedenis van mijn voorouders begint te Nijmegen tijdens de
Tachtigjarige oorlog (1568 - 1648). Deze stad had aanvankelijk de partij der
staatsen*), maar het nieuwe regime
wekte de tegenstand op van de overgrote meerderheid der inwoners, zodat 8 Maart
1585 regering werd verzet en men opnieuw Philips II erkende.
*) Staatsen is de benaming voor de legertroepen van
de
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
tijdens de
Tachtigjarige Oorlog. Deze stonden onder bevel
van de
stadhouder gekozen.

Links: Prins Maurits ( 1567-1625), Prins van Oranje. Rechts: Philips II (1556-1598 ) Koning van Spanje
Nu sloeg Maurits het beleg om Nijmegen en dwong het tot de overgave 20
Oktober 1591, waarna hij er meedogenloos de politieke en kerkelijke reformatie
doordreef. Wij kunnen er dus zeker van zijn dat de kort na de reductie*) nl. 16 Maart 1592
aangestelde gaande of lopende stad bode Aerndt Aertzen, goed protestant en
staatsgezind moet zijn geweest om op dit voor Nijmegen kritiek tijdstip
zijn benoeming te krijgen. Hij zal er geen onbekende zijn geweest, want ik neem
aan dat hij identiek is met den gelijknamigen bode dien men reeds van 1582 af in
de stadsregisters vermeld vindt als dienst doende naar allerlei militairen.
*)
reductie betekent het terugbrengen naar de Republiek
Aerndt Aerntssen werd omstreeks 1570 in Kleef geboren - men noemt hem in 1582 en in 1586 "jonghen" - heet hij
naar believen der registrerende klerken Aerndtt Aerntssen, Aerndt Aertzen, Arndt
Arndtssen, Arno1dus Arnoldi en een keer, in het jaar 1606, Arndt ' die bode
gesworen bode deser statt'.*) In 1586 moet hij met een exploot naar Kleef ten
huize van den met Ermgardt Kreienvenger getrouwden hopman Bernt Pas, en
profiteert van die gelegenheid zijn aldaar wonende moeder op te zoeken. 26
Augustus 1597 trouwt hij in de Ned. Herv. Kerk - waartoe de eerste 250 jaren al
onze de Booij's behoren - met Neeltgen Martins.van Niewegen.
*)Uit het onderzoek
van Mevrouw Smulders-de Jong blijkt dat zijn vader Arent geboren is in
1538 in Kleef, Rijnland, Prussia. Hij trouwde met Mevrouw Arent, die in 1542
geboren is in Kleef).

Huwelijk Aerndt met Neeltgen van Niewegen .Opgetekend in het gereformeerde huwelijksregister van Nijmegen.
De doop hunner kinderen blijft onbekend daar de doopregisters eerst van April 1608 af voorhanden zijn; in Mei van dat jaar wordt Aerndt aangesteld tot poortwachter aan de Molenpoort en ontvangt in Mei 1609 van stadswege ter gemoetkoming voor zijn huishuur 20 gl. Volgens de kerkenrekeningen wordt hij in de zomer overluid (red. overleden) en reeds 18 October van dat jaar 1609 hertrouwt zijn weduwe met den Nijmegenaar Geurt Jacobs, dien zij vier kinderen schenkt, het laatste in 1617. In het volgend hoofdstuk zal blijken dat zeer waarschijnlijk, de Bossche spoormaker Aernt Aerntsen, een zoon van dezen stadbode is geweest. Typerend voor het tijdsgewricht is de verklaring bij de aflegging van de tot zijn ambtsaanvaarding gevorderde-eed, dat hij de stad niet zal aanspreken voor het rantsoen - losgeld - indien hij mocht komen te vallen in handen van den vijand.

Gezicht op Nijmegen omstreeks 1575

Plattegrond Nijmegen omstreeks 1575.
*)Het recht om brieven te vervoeren (postrecht) is vanouds een recht van de vorst. De vorst maakt zelf geen gebruik van dit recht, maar verleent steden het privilege boden te benoemen. Het stadsbestuur stelt een 'stadsbode' aan. De stadsbode heeft een officiële status. Om de status kenbaar te maken, draagt hij een schildvormig insigne met een afbeelding van het stadswapen. Dit kenteken wordt 'bodebus' genoemd. Een bode loopt tussen steden. Het platteland wordt niet bediend. Men moest als gaande bode een ijzersterk gestel hebben, vastberadenheid en moed. De bereisde wegen waren heel slecht, er waren vele bedelaars en ander gespuis militair zowel vriend als vijand en in de winter wolven.
Geregeld ontving Aerndt voor zijn kleding vier ellen Kempis of Kempens - vermoedelijk in de Kempen vervaardigd laken -of het geld nodig tot het aanschaffen daarvan; hij was verplicht op de hoogtijden en wanneer iemand met de wijn werd vereerd, deze kleding te dragen die bestond uit een rok of tabbaard in de stadskleuren: half rood, half zwart, waarbij de kovel als hoofddeksel kwam, die echter uit de mode geraakt zijnde in l600 werd vervangen door een mantel. Tot het bewaren van zijn brieven en andere papieren kreeg hij een bus die de stad op 1 gl. 16 st. kwam en waarvoor Aerndt, toen hij hem in l600 moest vernieuwen, 6 gl. ontving. Aan het ambt was geen vast salaris verbonden: de boden kregen volgens een vastgesteld tarief bij hun terugkomst de reis vergoed en op de griffie tekende men de reizen aan op een kerfstok; onderweg konden zij diensten verrichten voor de burgers, die slechts volgens het stadstarief mochten worden berekend. Wat nu aangaat het jaar dat Aerndt aan de Molenpoort poortwachter is geweest, ontving hij 50 gl aan salaris, 20 gl tegemoetkoming in de huishuur een een daler (1 1/2 gl) maandelijks vanwege het poort schrijversambt.

Molenpoort Nijmegen
Wij kunnen ons moeilijk het vitaal belang indenken van de poorten der omwalde steden. Bij de oudste vestingen was de poort doorgaans in een sterke vierkante toren aangebracht, en zo nauw dat er slechts een wagen tegelijk door kon. Gewoonlijk was zij aan de stads- en aan de buitenzijde voorzien van dubbele deuren, bedekt met ijzeren platen, beslagen met spijkers met grote massieve koppen. Daar de poorten bij de middeleeuwse belegeringen, toen het geschut nog geen doordringende kracht genoeg bezat om bressen te schieten, de meest bedreigde punten waren, waardoor de belegeraars trachtten naar binnen te dringen, was men er op bedacht die zoveel mogelijk te versterken. Niet alleen werden er flankerende muurtorens aangebracht, maar men zon er ook op de verdedigingsmiddelen der poort zelve te vermeerderen met voorpoorten, staketten, valhekken, slagbomen, schorten en schermen, hameijen, schotpoorten, haspels en wat niet al. Tot meerdere veiligheid werden eeuw in de 16e eeuw in tijden van gevaar de poorten "toegebolwerkt" , met zware balken dichtgemaakt, toegemetseld, of wel de gehele ruimte tussen de twee poorten werd met aarde opgevuld. Natuurlijk waren zij dan zolang dit duurde buiten gebruik gesteld. Nijmegen was toen nog een waar akkerstadje, waar glacis en buitenwerken onbekend waren, en "de heide", hier en daar afgewisseld met bouwland, tot aan de stadsgracht reikte. Hoe dat sluiten der poorten de landbouwende gemeente uiterst lastig en hinderlijk was somtijds bleef er slechts één poort aan de land- en één aan de waterzijde open - behoeft geen betoog, en het sluiten der Waalpoorten ontriefde handel en scheepvaart. Werd tengevolge der aanhoudende verzoeken van de "naburen" - de raadsignaten uit de Tachtigjarige oorlog vermelden die gestadig - een of andere poort dan enkele malen geopend, dan geschiedde dit op hun kosten. Op elke poort stond een klokje dat 's avonds geluid werd vóór men de poort sloot, waarna de sleutels bij den eersten burgemeester werden gebracht en 's morgens weer bij hem gehaald. Tot voorzorg tegen verraad plachten de burgemeesters enige malen in het jaar de sloten te verhangen, d.w.z. de sloten der verschillende poorten om te ruilen: de formaliteit werd verricht door beide burgemeesters, gevolgd door enige gerechtsdienaars en na afloop ging men zich op kosten der stad verkwikken in de een of andere taveerne, waar een goed vat wijn aangestoken was.
Behalve de verschillende poorthoeders en poortsluiters was er ook een wacht aan elke poort die door de burgers betrokken werd en in 1585 werd voor hen tot tijdverdrijf een beugelbaan*) gemaakt met acht ballen en de nodige "lepels" of slagers. Men gebruikte ook wachthonden. De vertrekken boven de poorten werden verhuurd of tot andere doeleinden gebruikt, bijvoorbeeld als gevangenis; een der kelders-onder de Wiemelpoort werd in 1531 tot "geckhuis" ingericht. Aan de poorten als behorende tot de drukste punten der stad, werden publicatiën aangeslagenen overtreders der wet aan de kaak gesteld. De kwartieren der gevierendeelde verraders werden op de poorten gehangen en men sloeg er ook valse munten tegen. Boeven en vagebonden werden eerst op de Markt gegeseld en daarna aan de poort waarbij zij de stad als bannelingen verlieten. Werd een wolf in het schependom gevangen en had de stad daarvoor de 12 gl. premie betaald, dan werd het dode dier aan een der vensters van de Wiemelpoort in een ijzeren halsband opgehangen. En de keurmeester der varkens, die een varken had goedgekeurd dat later bleek garstig te zijn, moest niet alleen den koper schadeloos stellen, maar bovendien met een tafeltje aan de Wiemelpoort gaan zitten en er het ongezonde vlees in het klein uitveilen.
*)De beugelsport beoefent men op een lemen baan
van ongeveer 10 bij 5 meter. Aan het einde van de baan is een beugel geplaatst,
een ring van ijzer. De bollen moeten door de spelers door de beugels worden
gerold. Er wordt gespeeld met 4 bollen van zo'n 18 cm doorsnee en een gewicht
van ca. 4 kg.
Iedere speler speelt met een houten palet (schop of sleger) waarmee de bollen in
één rechte lijn worden voortbewogen. Het spel wordt gespeeld met 2 of 4 spelers,
maar altijd met 4 bollen. Beugelen was in vroegere eeuwen één van de
belangrijkste volksvermaken in de Nederlanden, naast bijvoorbeeld kolven en
klootschieten. Het spel schijnt tot aan het einde van de negentiende eeuw te
zijn gespeeld door welgestelden. Voor de Tweede Wereldoorlog werd het heel
populair in Limburg en Brabant.
In de stadsrekenboeken en de gerechtelijke protocollen van Nijmegen kan men 's mans levensloop nagaan. Men kan er uit vaststellen dat het Aerndt niet aan afwisseling heeft ontbroken: de vele reizen met de witte havikshandschoenen naar Luik, de avontuurlijke tochten dwars door de vijandelijke troepen heen, waartoe hij soms 's nachts de poort wordt uitgelaten, het brengen van een half everzwijn naar den Haag, van 2 ossen naar zijne Excellentie, het opbrengen van een Fransoos ,van een schaapherder, het afficheren in naburige steden van veilingen en verpachtingen, etc. Men vergoedt hem in 1594 7 gl. 10 st. voor onkosten gemaakt bij het brengen van een "wild varken" - everzwijn - waarvan men de kop en de helft van het resterende verzond', terwijl men het overige wel zelf zal hebben genuttigd; het raadsignaat vermeldt op 27 maart dat kapitein Reyn van Berck de stadsregering daarmee heeft vereerd en het besluit der heren het in die tijden zeer geliefd wild te zenden aan den te den Haag in het belang van Nijmegen verblijvenden burgemeester Beyer, om het naar gelegenheid en discretie volgens zijn goeddunken wederom te verschenken. Nog ontvangt hij in dit jaar op 6 November 2 gl. 5 st. voor een reis naar Arnhem en de huur van een paard om de reis te bespoedigen. In 1595 betaalt men hem 9 gl. voor het kopen van zijn vier ellen Kempis, in 1599 10 gl. en eveneens in 1601 en 1605, in 1607 10 gl. 8 st. Aanhoudend worden hem door 'de griffie 'vergoed: meegebrachte pennenmessen scharen, zilverzand, versneden zowel als onversneden pennen, liassen enz. In 1599 krijgt hij 27! st. vanwege een tijdens een Arnhemse reis meegevoerden Fransoos; 18 Juni 1600 zijn het 4 gl. 10 st. voor het brengen van de blijde tijding van de slag in Vlaanderen; hij krijgt voor zijn dienst in het convoyeren der "servijspenningen" - geld, benut voor militaire doeleinden - naar 's Grevenweert - het eilandje waarop in l586 de Schenkenschans was gebouwd - 5 gl. uitbetaald 13 Februari 1600. 30 Januari ontvangt hij 3 gl. 10 st. voor het overbrengen van 2 ossen aan Zijne Excellentie: dit was een deel der verering aan hooggeplaatste personen die volgens onderlinge afspraak der Gelderse steden bestond uit twee vette ossen, drie tonlasten wijn (meer dan 56 onzer ankers) en gewoonlijk een aantal zakken haver; 10 September betaalt men hem 6 gl. voor het bericht van de goede tijding over de stad Grave. Nu krijgt hij ook verscheiden malen de opdracht tot het "billetten affigieren" dat is in naburige steden en dorpen aankondigingen over verkoop of verpachting van land, de veerdienst, het gemaal, de doorvaart, de waag, aanbesteding van de nieuwe haven enz. aanslaan. 12.November 1607 betaalt men hem 3 gl. 15 st. voor een reis met de onkosten gemaakt bij het halen van Jan Willemszn Scheper . (schaapherder)
Hier eindigt het hoofdstuk over deze man die waarschijnlijk als stamvader ons geslacht zijn naam heeft gegeven.
II. De spoormaker Aernt Aerntsen (omstr. 1598-1636).
2 Mei 1626 trouwden in een Ned. Herv. kerk te Nijmegen de aldaar geboren jongeman Arent Arenss en Anneken Kreijvangers, jongedochter van Latum, wonende te Nijmegen. Daarbij waren getuigen de rentmeester Leydeckers met zijn vrouw - vermoedelijk Dirick Leijedeker, 30 Juli 1605 te Nijmegen gehuwd met Neesken van Scherpenhuijsen, beiden jongelieden van Nijmegen - en de moeder van den bruidegom Neuleken Mathijs. Was nu deze moeder de weduwe van den stadbode uit het eerste hoofdstuk, die nagenoeg dezelfde naam draagt? Het is des te waarschijnlijker, omdat de kinderen uit dit huwelijk zich noemen met de persoonsnaam gevolgd door de genitief Arents de Booij - de benaming slaat dan op het ambt van den grootvader, daar in de volksmond booi gold en nog geldt voor bode. De beide eerste kinderen van dit echtpaar, Lijsbeth en Geertruijt, worden in 1627 en 1628 te Heusden gedoopt; daar het register bij de tweede doop de ouders noemt Aernout Aernoutsen en Anneken en Coeijenvangers, lijkt het niet onmogelijk dat de vader identiek is geweest met de ruiter Aernout Aernoutsen onder de compagnie van den graaf van Cuilenburch die 4 Februari 1626 een attestatie doet voor den Heusdensen notaris Jan van Heemskerk. Heusden was de vesting van waaruit men den Bosch bestookte, dat zich in 1629 even ongaarne aan Frederik Hendrik moest overgeven, als Nijmegen een kleine 40 jaren te voren aan Maurits. Arent moet er spoedig met zijn vrouw naar toe zijn gekomen, want zijn drie volgende kinderen worden er in de Sint Jan gedoopt in de jaren 1631 (Arent), 1633 (Aeltijen) en 1636 (Geerlich Arents deBooij). 5 Juli 1635 doet hij de eed gevorderd voor de opname onder de poorters.

Frederik Hendrik (1584-1647) Prins van Oranje, Graaf van Nassau
Nu hij poorter *) van den Bosch was, kon hij daar ook de volgende dag, 6 Juli 1635, in het smedenambacht worden opgenomen als buitenmeester en spoormaker, en had tot collega's alle plaat-, esch-, mes-, lemmet-, geweer-, speermakers, hoef-, grofsmeden, sloot-, harnas-, instrument-, sijs-, spijker-, sigt-,· scheer-, pannen-, zwaardmakers en ketelbuters. *)Ambacht spoormaker: vervaardiger van sporen voor rijlaarzen). Hij kocht in dat jaar op 10 December van den mesmaker Michiel enigen zoon van Andries NoeIen, diens huis in de Stoofstraat.

Koopakte van het huis in de Stoofstraat te ’s-Hertogenbosch gekocht in 1635 door de spoormaker Aernt Aertsen
*) Burger- of poorterboeken kwamen alleen voor in de steden.
Hier in werden ingeschreven de van elders komende inwoners.
Zij diende hier toe de eed op de bepalingen omtrent het burgerschap af te
leggen.
Het burgerrecht gaf bepaalde rechten, doch schiep tevens verplichtingen.
Bovendien kostte het geld om burger te worden. voor een geringe ambachtsman kwam
dit al gauw op een half maandsalaris. Daardoor is het begrijpelijk, dat niet iedereen trachtte het burgerrecht te
verkrijgen. Anderzijds was het burgerschap erfelijk in manlijke lijn. Ook was men om een bepaald ambacht of beroep - b.v. Goud- of Zilversmeden,
Bierbrouwen, Broodbakken, Metselen - uit te mogen oefenen verplicht om het
burgerschap te verwerven.
III. De koster-schoolmeester Geerlich (Gerlickts) Arents de Booij (1636-1699)
Geerlich Arents wordt op 16 Juli 1636 in s-Hertogenbosch geboren. In het ondertrouwboek der Grote Kerk van de Bosch staat: dat op zaterdag 9 Juli 1661 ondertrouwen Geerlingh Arents, jonge man van Den Bosch, soldaat onder Kapitein Bassum en Maeijken Cornelis Cruijff, geboren Wijk bij Duurstede, begraven Geffen 10 december 1706, dochter van Cornelis Janz. En N.N. Beide wonen Achter het Wild Varken. In het lidmaten boek van de Nederlandse Hervormde Kerk van den Bosch komt Maeijken Cornelis Cruyff voor met attestatie van Tiel. Hun dochter Hendrien wordt gedoopt 26 augustus 1661 in de Gereformeerde Grote Kerk van 's-Hertogenbosch.

Een kwitantie van Geerlich Arents de Booij, kosterschoolmeester te Geffen 24 juni 1667
4 Maart 1662 wordt Geerlich op het rekest van Ds Gerardus Tielius door de
Raad van state aangesteld tot koster-schoolmeester te Geffen in de Meierij van
den Bosch en doet 7 Maart de beide daartoe vereiste eden. Onze voorvader is nu
staatsambtenaar en werktuig om de politieke en kerkelijke reformatie in het
Generaliteitsland*) te helpen invoeren.
*) Generaliteitslanden waren gebieden die in de tijd van de
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onder
direct bestuur van de
Staten-Generaal vielen. In tegenstelling tot de
zeven
gewesten –
Groningen,
Friesland,
Overijssel,
Gelderland,
Utrecht,
Holland en
Zeeland – hadden zij geen stem in het
landsbestuur. Het waren voornamelijk
Rooms-katholieke gebieden die in een later
stadium van de
Tachtigjarige Oorlog op
Spanje veroverd waren. Ze fungeerden als "bezette
gebieden" — als buffer tussen de Republiek en de
Spaanse respectievelijk
Oostenrijkse Nederlanden,
Over zijn taak als koster-schoolmeester kan het volgende gezegd worden. De lesuren - zowel 's zomers als 's winters van 8 tot 11 en van 1 tot 4 uur moeten beginnen met het morgen- en eindigen met het avondgebed; de kinderen hebben de de Woensdag – en Zaterdagmiddag vrij "ende twee Weecken in ’t geheel Jaer tot speel-dagen ende Vacantien …. Ende meer niet, immer nimmer op Paepsche Feest-dagen". De schoolmeesters moeten dan de kinderen leren lezen, en Onze Vader opzeggen, de twaalf geloofsartikelen, de tien geboden, het morgen en avond gebed, het gebed voor en na het eten. Zij moeten zich inspannen de kinderen als :zij redelijk kunnen lezen, te leren schrijven en hun om de veertien dagen of de maand - al naar gelang de opkomst - een een stichtelijk dictee geven en hen door een prijs maandelijks opwekken tot naarstigheid. Op Woensdag en Zaterdag zijn zij gehouden de beste scholieren te oefenen in het psalmen en de catechismus, om daardoor in de kerkgoed mee te kunnen zingen en vaardiger te antwoorden in de particuliere catechismus, zij moeten hen op school laten lezen "een Evangelist oft Epistel". Van de te gebruiken leerboeken zal de classis hun een lijst overhandigen, want zij mogen geen gebruik maken van "lichtveerdige, superstitieuse, ende de Gereformeerde' Religie nadeelige of contrarierende Boeken, waerdoor de Jonckheyt soude mogen werden ghecorrumpeert, dan alleenelijek goede ende profytelijcke Boeeken, met waerheyt ende eerbaerheyt overeen komende". De lijfkastijding der kinderen mag niet te zacht noch te wreed wezen, maar moet met het oog op verbetering, naar hun aard, teerheid en humeuren worden gemodereerd, waarbij slechts roede en plak mogen worden aangewend; men moet er op toezien dat de R.K. kinderen niet in de school mee brengen Roomse boeken, rozenkransen, crucifixen enz. of de Gereformeerde kinderen lastig vallen over hun geloof of "eenige Paperyen inplanten". Evenmin mogen de schoolkinderen komen te verlopen; vloeken, zweren; lasteren; ontuchtig spreken, stelen, liegen, dobbelen, kaartspelen, elkaar slaan, bijnamen geven, elkaar de fouten van ouders en verwanten verwijten. "Daer combinatien zijn, sullen vooral de schoolmeesters ende kosters gehouden zijn hare Predicanten Indië Plaetsen te vergeselschappen, ende oock het hare tot stichtinge der Gemeente by te brengen".Geerlich moest dus onder het gehoor van Ds Tielius wezen tijdens zijn diensten zowel te Nuland als te Geffen. De jongens en meisjes moeten apart van elkaar zitten. en men zal ofwel jongens ofwel meisjes als kostleerlingen mogen hebben, maar niet beide, tenzij de meisjes onder de 9 de jongens onder de 12 jaar."
Zij krijgen een dochter Alletta vermeld in de stukken uit het schepenprotocol van Geffen. Hun oudste zoon Arndt werd gedoopt in Geffen 1663 , later herbergier-bakker in Poortugaal (land van Putten).Hij trouwt met Neeltje Struik en krijgen als kinderen: Johannes geboren 3 febr. 1692, Arent geboren 15 maart 1693. Aert geboren 29 augustus 1694. Maddeleentje 2 febr. 1698. Geerligte 22 apr. 1703 . Arndt sterft in 16 november 1703. (Hij heeft nog nakomelingen, maar deze tak sterft uit met Jan de Booij die kinderloos sterft in 1834). De andere kinderen van Geerlich waren resp. gedoopt 18 mei 1665 Aaltjen, 29 mei 1667 Cornelis, Jakob gestorven Geffen 3 januari 1697 en 1 maart 1671 Hendricus.
Geerlich sterft in Geffen 4 september 1699 en zijn vrouw Maeijken wordt begraven 10 december 1706.
IV. De secretaris-drossaard Henricus de Booij (1671-1740)
1 Maart 1671 wordt te Geffen gedoopt Henricus de Booij, die daar zijn loopbaan moet zijn begonnen als broodbakker - zijn oudere broer Arent was te Poortugaal herbergier-bakker - want als dusdanig weigert hij 7 September 1695 voor schepenen de eed af te leggen "dat hij het middel vant gemael direct nogh indirectelijek sal froudeeren nogh door den sijnen doen frouderen oock de Ordonnantie vant voors gemael in allen deelen ponctelijck te sullen onderhouden". Dit belet niet dat hij de laatste jaren der l7de eeuw tevens geweest is pachter van de dranken te Geffen, en over het gemaal en de verzwegen personen van de dorpen Berlicum,Middelrode, Heeswijk en Dinther. Er is opgetekend dat men - evenals bij zijn vader - bij hem spijkers haalt; waar althans het eerste huis dat Geer1ich bewoonde, een smidse rijk is, vermoedelijk dat -beiden de spijkers zelf vervaardigden, temeer daar Geerlich's vader spoormaker was en in een smedenbuurt woonde, waar Geerlich zijn 12 eerste levensjaren doorbracht.
18 Januari 1698 trouwt te Geffen na de 3 proclamaties Henricus de Booij met Willemina, de te Ravenstein geboren dochter van den Geffensen vorster Hendrick Reymidts van Riemsdijck uit diens derde huwelijk met Hester Jans Pelters. (De vader van Hendrick Reymidts is Rombout Aertsz van Riemsdijck. Hij wordt beschouwd als de stamvader van de familie van Riemsdijk die in Nederlandse Adelsboek is opgenomen. De schoonmoeder Sophie van Riemsdijk behoort tot deze familie. Dit betekent dat mijn vrouw en ik dezelfde voorouders hebben).
In 1701 wordt Henricus voor het eerst vermeld onder de schepenen van Geffen, in 1702 als procureur. Zijn vrouw komt als Willemina de Booij voor op de lijst der tappers en in 1714 wordt zijn alsdan 16 jarige zoon Jakobus koopbrouwer en jeneverstoker genoemd, in 1716 wordt gesproken over de brouwerij van zijn 14 jarigen zoon Geerling wanneer Henricus in 1743 zijn. huis te Nuland verhuurt aan den Geffenaar Peter Guerds de Haas, is een der voorwaarden dat deze geen bier mag tappen als van den heer verhuurder.
Ziek te bed liggend verklaart hij 12 Juni 1737 yoor schepenen van Geffen zijn vrouw tot universeel erfgenaam - toch overleed zij voo hem, 1 Mei 1740, en werd de 7de in de kerk te Geffen begraven - en legateert aan Geffen's huisarman een halve mergen in de Nulandse gemeenhoeve , en benoemt 5 December zijn zoon Jakobus tot geautoriseerd drossaard; na diens overlijden in 1739 wordt George Hendrik met de functie belast gedurende zijn indispositie, maar hijzelf is eerst 11 Mei 1743 in de kerk te Geffen begraven, waarvan hij evenals Geerlich verscheiden keren kerkmeester is geweest en waar hij in 1695, zijn vrouw in 1697, werden aangenomen tot ledematen. Ook de weduwe van Geerlich staat genoteerd in de kerkrekeningen: "gelt -aan de huisarmen-Jaerelijcks een pont paijement betaelt wordende met seeven stuijvers komt in de drie Jaren de somme van eena gl eene,struijt een stuck tuelant groot een 100pensaeten vier roijen ter plaetsen opden Engh"•
Feitelijk is hij reeds in 1705 begonnen het drossaardsambt·uit te oefenen, wat hem 24 Augustus 1706 een acte van insinuatie der schepenen op de hals haalde, waarin dezen zich beklaagden dat hij wederrechtelijk handelde tegen de oude gebruiken en privilegien, en bovendien in zijn persoon verenigde de incompatibele ambten van secretaris en drossaard*). Hij ging ongestoord door. Henricus wordt 29 Januari 1711 aangesteld tot drossaard, dijkgraaf en secretaris der heerlijkheid Geffen, alsmede tot stadhouder en griffier van het leenhof van Geffen te Nuland.
Als slot voor dit hoofdstuk haal ik aan uit H.N. Ouwerling's "Geschied&nis der dorpen en heerlijkheden Deurne, Liessel en Vlierden" (Helmond,1933) wat deze over het bestuur vermeldt, daar dit in het algemeen evenzeer geldt voor Geffen en Nuland, dus voor Henricus, zijn zoons en schoonvader.
"De aanzienlijkste ambten in de heerlijkheid waren die van drost en drossaard, terwijl daarnaast de schepenen genoemd kunnen worden. De naam drossaard of drost hier het eerst in gebruik in 1651, vóór dat jaar spreekt men van schout of' scholtis- afgekort tot sts staat het achter de handtekening van Henricus de Booij. De functie van drost of schout was hoofdzakelijk een rechterlijk ambt en wel tweeledig. Bij de schout behoorden eigenlijk de civiele, bij de drost de criminele zaken thuis. Maar gewoonlijk werden die werkzaamheden door een persoon verricht. Deze was dan in het rechterlijke de Officier van Justitie, in het burgerlijke had zijn ambt nogal veel overeenkomst met het tegenwoordige ambt van burgemeester. Hij was de vertegenwoordiger van den heer en de gevreesde man in het dorp; zijn ambt was er een van aanzien en gewicht en werd in den regel door de heren die- het te begeven hadden, niet voor en paar .vriendelijke woorden weggeschonken; de dignitaris moest er meestal jaarlijks recognitie voor betalen. Hoe groot het inkomen van den drost was is niet bekend. 't Is trouwens ook niet na te gaan want het bestond niet alleen uit een vast traktement,. maar ook -en vooral- uit emolumenten. Die laatste klommen vaak tot aanzienlijke bedragen. Zij bestonden uit vacatiegelden, boeten, vereringen, recognities, opbrengsten uit nevenbetrekkingen, enz".

Handtekening van Henricus de Booij in de armenrekeningen op het stadhuis van Geffen
De kinderen van Henricus worden ingeschreven in het doopregister van de Gereformeerde kerk van Geffen-Nuland, behalve Geerligs die in Rosmalen wordt ingeschreven Henricus krijgt een zoon Jacobus, die 21 september wordt gedoopt in Geffen. Zijn vrouw sterft 1 mei 1740. Henricus wordt 11 mei 1743 begraven in Geffen. Hij was in leven: bakker, tapper, brouwer, procureur, secretaris en drossaard.
V. De secretaris Jakobus de Booij (1698-1739)

Jakobus de Booij (1698-1739)
Jakobus de Booij werd 21 September 1698 gedoopt te Geffen en bezocht in zijn
jeugd met zijn neef Dirk de Booij de Franse school te Schijndel. Reeds 1 October
1714 wordt hij in de Geffense registers koopbrouwer*)en jeneverstoker
genoemd en hij is tevens geweest procureur, collecteur van verschillende
belastingen voor Geffen, Nistelrode, Heeswijk, Berchem en Oss, en provisioneel
drossaard van Geffen tijdens de indispositie van
zijn vader. 8 November 1722
doet hij de eed als substituut-secretaris van Nuland.
*)Naast het thuis brouwen
kwam ook het zogenaamde koopbrouwen door ambachtslieden in gebruik. Met de
koopbrouwer was ook de commerciële brouwerij geboren.
Daarop volgt zijn aanstelling tot secretaris 26 Augustus 1725. Inmiddels was hij te Ophemert 12 September 1723 getrouwd met Sara Spillenaar. Zij krijgen 3 kinderen waaronder een zoon Christiaan

Handtekening van Jakobus de Booij, secretaris van Nuland. Schepenprotocol van Nuland over 1736-1743
Een tijdlang heeft bij Jakobus ingewoond zijn tante Johanna van Riemsdijk, weduwe van Johan van Laar, maar hij is jong overleden en 28 September 1739 begraven in het midden van het koor der kerk van Nuland, zijn weduwe verkocht de goederen te Nuland en ging in 1743 met haar kinderen in Den Bosch wonen. Haar zoon tekende op: 10 October 1772 is des avonds om half uuren, na een uitterende ziekte, op een ongemeen zalige wijs, in den Heere ontslapen Juffrouw Sara Spillenaar wed. van wylen den Heer Jakobus de Booij oud ruim 68 Jaaren en is den 17 in St Janskerk begraven. Het begraafregister geeft aan : October 1772: een uur groot geluyd f 13, kerkregt f 9, de rouwkoets f 6, koets voor de kerk f 6, hooge baar f 2,10 Totaal f 36, 10.
VI. De rector Christiaan de Booij (1724-1786)
Christiaan de Booij werd te Nuland gedoopt 29 October 1724, waarbij peter en meter waren zijn moederlijke oom en grootmoeder Johan Spillenaar en Maria van Aansorg. Hij staat vermeld in het Album Studiosorum der Leidse Universiteit op 5 September 1740 als Bossenaar oud 19 jaar, die de godgeleerdheid studeert onder rector Johannes Wesseling. Lang heeft hij zich daar niet mee bezig gehouden, want wij vinden hem 12 April 1742 aangesteld tot praeceptor aan de latijnse Scholen binnen den Bosch, waar hij alle rangen doorloopt en na de dood van rector Jungius in 1764 rector wordt. In 1763 Christiaan krijgt verzoek voor rector in Gorkum maar wijst dat af. Als tegenprestatie werd hij tot tweede rector benoemd
Nader bijzonderheden over Christiaan de Booij. Ontleend aan een publicatie door Jhr Mr A.F.O. van Sasse van Ysselt getiteld. "De voorname huizen en gebouwen Rector de Booy 1764-1786:
"De Booy had voor zijn rectoraat alle klassen onder zich. Christiaan de Booy is eenig onder rectoren. Hij alleen heeft de leidende functie bereikt na alle klassen van de Bossche school onder zich gehad te hebben. In 1742 had hij de eerste klas gekregen, in 22 jaar had hij dus 4 klassen doorlopen , nog 22 jaar zou hij de school in haar geheel besturen. Zeer eigenaardig is het met zijn promotie geloopen. Nauwelijks aan de school verbonden, werd hij tweede praeceptor, de volgende opklimmingen resp. in 1754 en 1759 werden geen van beide volledig betaald. Ongetwijfeld was de Booy iemand die de school en de leerlingen kende. De moeite die de stad heeft gedaan om hem hier te houden is zeer goed te begrijpen. Rector worden kreeg de Booy eindelijk het hem toekomend tractement. De magistraat had ook reeds vroeger getoond hoezeer hij het werken van de Booy op prijs stelde. Toen in 1768 Scholarchen verslag uitbrachten over het verschot, dat de rector had gedaan voor boeken die hij om als prijzen uitgedeeld te worden uit Holland had laten komen, betuigde ze tevens hun groote tevredenheid over de Latijnsche school. Den goede gang van zaken schreven ze vooral toe aan de Booy. Die niet alleen een goede verstandhouding onder de leraren wist te onderhouden, maar tevens zonder eenige verplichting aan de meest gevorderde leerlingen les aan huis gaf. Evenmin als toen hij conrector was, ging hij het volgend jaar in op een beroep naar elders nl. Naar Utrecht. Dit in erkentelijkheid voor het bedanken werd hem toen ook het Grieksch aan de Illustre school voor een gedeelte toevertrouwd. De vroedschap deelde echter niet de meening van de Scholarchen dat de meerdere moeite onmiddellijk moest worden gewaardeerd worden door een hoger salaris. Het voorstel om augmentatie van minerval niet meer aan de stad ten goede te doen komen maar aan de Booy vond bij de vroede vaderen geen genade. (Een interessant detail over het stoken van de klaslokalen: Voorloopig zou onder de schoorstenen op haarden gestookt worden waarvoor veel turf nodig was. Toen nu het volgend jaar tot allerlei bezuinigingsmaatregelen werd overgegaan bracht de vroedschap tevens het custos geld weer op 2 stuivers omdat de turfvuren opnieuw waren ingevoerd en de custis over de doofkolen de beschikking kreeg. Rector de Booij volgde de Beunje na twee jaar in het graf. Het behoeft geen nader betoog dat onder het bestuur van de Booij veel van beteekenis tot stand was gekomen.
Christiaan heeft verscheidene jaren de functies van Blokmeester en Regent van het gesticht "Reinier van Arkel bekleed, en werd in 1784 gekozen tot President der vergadering van de Regenten; hij nodigde toen in navolging van de Presidenten de Heren Regenten in de Regentenkamer op een glas wijn

Ondertekening van Christiaan de Booij
Intussen hadden hij en zijn tijdgenoten gedaan zich wat meer voor zuiver te
interesseren, aangezien hij de
laatste tien of meer levensjaren in toenemende mate aan
podagra*) leed.
*)Podagra (jicht) treedt op als de
productie van urinezuur te hoog is of als de uitscheiding van urinezuur
uit het lichaam verminderd is. Vroeger was jicht vooral een ziekte van adellijke
en welgestelde mensen - zij konden zich veroorloven om veel vlees te eten en
veel wijn te drinken.
Christiaan trouwt 5 augustus 1749 in Amsterdam met Helena Wastijn van der Hagen, geboren Amsterdam 22 october 1727, dochter van apotheker Jacobus en Helena Dekeling . (De kinderen zijn allemaal gedoopt in de Grote Kerk van 's-Hertogenbosch).

Christiaan de Booij, en zijn vrouw Helena Wastijn van der Hagen
Ze krijgen een dochter Sara Amelia, geboren 's-Hertogenbosch 22 mei 1750; een zoon Jan Jacob geboren 's-Hertogenbosch 16 mei 1752; een dochter Helena Jacoba, geboren 's-Hertogenbosch 12 juli 1754; een dochter Willemina, geboren 's-Hertogenbosch 12 maart 1756; een zoon Hendricus, geboren 's-Hertogenbosch 14 mei 1757; een zoon Jacobus, geboren -sHertogenbosch 27 december 1766.
Christiaan sterft in -s-Hertogenbosch 9 februari 1786, op 16 februari begraven in de St Jans kerk.
Grafschrift:
Hier rust de Booy, die, hadt GODS vrijmacht zulke gegeven
Tot nut der Schoolen, nog veel tyds had kunnen leeven
Hy is niet meer tot nut… Laat God, die 't leeven gaf,
Dan met het Lyk ook 's Mans bekwaamheid gaan naar het graf?
Oh neen! wel 't lijk; niet zijn beproefde kundigheden:
Die knaagt geen worm, maar 't lijf is slechts overleden.
Zijn vrouw Helena Wastijn sterft 29 Augustus 1806 in 's-Hertogenbosch.
VII De rector Henricus de Booij (1757-1823)
Henricus wordt geboren zaterdag 14 mei 1757 's-Hertogenbosch even na elf uur 's morgens. Henricus begint zijn studie op de Latijnse school waar zijn vader rector was. Henricus krijgt eerste prijs van de Latijnse school op 21 februari 1774. Henricus doet zijn belijdenis in januari en wordt 2 oktober 1775 ingeschreven aan de Universiteit van Groningen als student in de philologie. Hij promoveert in Groningen 30 april 1778 in de rechten.
Uit het archief van de Senaat der Groningsche Universiteit, inv. no. 1220
Informatie bij mij ondergeschreven secretaris der academie van Stad en Landen,
ter praesentie van den Heere Rector Magnificus, genoomen binnen Groningen den
28. October 1776 op de kaamer van Heer studiosus de Booij.
"Hendrik*) de Booij, student aan deeze Universiteit, verklaart, dat op
Woensdagavond, den 23. deezer, 's avonds ongeveer ten agt uuren, bij hem
gekoomen is de student Tilgenkamp; dat de zelve bij hem tot elf uuren gebleeven
zijnde, verzogt had hem Tilgenkamp naar huis te willen brengen; dat zij beiden,
langs de Heerenstraat gekoomen op de Vischmarkt omtrent schuins over
Pelserstraat, van de groote Markt hebben gezien vier menschen, in het wit
gekleed, met bloote sabels agter hen aankoomen; dat hij de Booij daarop met
Tilgenkamp de vlugt neemende en gekoomen in een straat hem echter bij naame
onbekend, gestruikeld en gevallen is, en dus door die vier hen vervolgenden
ingehaald, van welken eene, reets voorbij geloopen zijnde, dog teruggekeerd, op
hem de Booij verscheiden maaIen, en bijzonder op het hoofd, heeft gehouwen,
waardoor hem een wonde aan het hoofd, en wegens zijn4 ligging eene aan den arm
is toegebragt, verklaarende dit alles met zodaanig geweld geschied te zijn, dat
de sabel van den aggresseur, naar alle apparentie op de steenen raakende, aan
stukken is gesprongen; dat hij wijders niet kan declareeren, of de andere drie
ook gehouwen of geslaagen hebben, nog ook, ~e die vier geweest zijn, zo omdat
Tilgenkamp er niet praesens was, als omdat die vier geen woord gesprooken
hebben. Dat vervolgens naa het slaan drie zich aanstonds geabsenteerd hebben,
dog eenen, divers van den geenen, die geslaagen had, hem de Booij, zonder een
woord te spreeken, den neusdoek om het hoofd heeft gebonden, en aanstonds
verdweenen was, zonder dat declarant heeft kunnen merken wie het was; dat hij
vervolgens naar huis alleen gaande, in zulk eene confusie en onsteltenisse zich
bevond, dat thans nog onmoogelijk zich weet te binnen ten brengen, welken weg
hij genoomen heeft. Alldus heeft de student Hendrik de Booij verklaart,
persisterende naa pralectie.Actum ut supra. H.J.Arntzenius (Het incident
vond plaats op 23 october 1776 drie dagen na volle maan)".
*) Hier wordt Henricus Hendrik genoemd
Henricus trouwt in de Oude kerk van Amsterdam 25 december 1781 met Anna van den Noort, geboren Amsterdam 21 november 1762, dochter van koopman Jacobus en Anna Eksabeen KauIing. Zij krijgen een dochter Helena Christina, geboren Amsterdam 19 . februari 1784; een dochter Anna Jacoba 22 januari 1786; een zoon Christiaan in Amsterdam 11 juli 1789; een dochter Henrietta Amsterdam 9 september 1791;een zoon Nicolaan Amsterdam 14 mei:1794; een zoon Jan Jacob Amsterdam 8 april 1796.

Henricus de Booij (1753-1823)
Zoals het mooie miniatuur laat zien, droeg hij zijn haar à la Brutus, want hij was patriot*), wat ook uitkomt zijn familie-aantekeningen. Een brief van Henricus aan zijn zoon Jan Jacob, die de militaire loopbaan laat zien hoeveel de invloed is van ouders op de keuze van een goede en. In 1829 trouwde hij met Arnoldina Diederika Wilhelmina Janson, dochter van de ritmeester Johan Christiaan en Margeretha Wijnande Buijs.
*)"Patriotten" is de benaming voor de aanhangers van een democratische hervormingsbeweging in de Nederlanden (met name in Holland en Utrecht) in de tweede helft van de achttiende eeuw. Allen die in de Republiek partij kozen tegen de stadhouder, tegen Engeland en voor Frankrijk noemden zich patriotten. Na het begin van de Vierde Engelse Oorlog (1780) groeide de kritiek op het gezagssysteem van de Republiek. Stadhouder Willem V had via benoemingsrechten grote invloed op zowel de lokale als de landelijke politiek. De desastreus verlopen oorlog met Engeland was aanleiding voor verregaande kritiek op dit patronagestelsel van Willem V. De stadhouder was niet alleen schuldig aan de verloren oorlog, maar ook aan de algehele economische achteruitgang van de Republiek in de achttiende eeuw. De patriotten eisten daarom medezeggenschap in stedelijk en provinciaal bestuur om de macht van Willem V en de oligarchische regentenaristocratie breken. Aan het succes van de patriottenbeweging kwam in september 1787 een einde met de inval van de Pruisische troepen in de Republiek. Het Oranjeregime werd met behulp van buitenlandse interventie hersteld. De patriotse geest was daarmee echter niet terug in de fles. Met name in leesgenootschappen leefde zij voort. Daar werden anti-orangistische ideeën uitgewisseld en plannen gemaakt voor burgerbewapening om opnieuw actie te ondernemen.
Uit het archief van Henricus aan zijn zoon Jan Jacob van 23 maart 1823 (een maand voor zijn dood).
" Lieve Jan! ter beantwoording van die laatste periode
van uwen brief. Neem, bid ik alle myne aanmerkingen ten beste, en begryp
dat 't uit ware Vaderliefde t' uwaarts voorkomt- Gy schrijft dus dat Gij eene
Juffrouw in de Comoedie eenige ryzen ontmoet hebt, dat Gy ook met de zelve in
gezelschap geweest, dat gy liefde voor Haar hebt opgevat, doch ik zoude wel
billyk vragen is de Comoedie, en gezelschap wel eigenlyk de plaats, waar men
iemand doorgronden kan? aldaar is immers alles even mooij, en kan men weinig
over iemand oordeelen. Gy hebt u dan reeds aan haar gedeclareerd - Hebt gy wel
beseft, dat Gy met aan Haar uwe liefde te verklaren in staat zyt Haar gelukkig
te maken en met Haar gelukkig te leven, dat doch moet op den voorgrond van de
liefde staan, en de basis zyn. Daar gy nu weet dat gy
niets buiten uw tractement hebt waar van gy nauwlyks
alleen kunt bestaan, hebt Gy nu wel in feite zekere geinformeerd, of zy eenig vermogen heeft, waar van gy dus te zamen ordentlyk
volgens uwen rang leve n kunt want om getroud zynde altyd te moeten rekenen,
en dus met een huishoude in 't midden van de maand maar eenige weinige
stuivers over te hebben, is een bitter vooruitzigt, en wat zoude er van worden
wanneer gy kinderen kreeg, gy zoud de zelven geene behoorlyke opvoeding kunnen
geven, en gy zoud altyd onder uwe kameraden onder moeten doen - doch ik wil
hopen dat gy eerst daar over bedaard zult gedagt hebben en de informatien,
gunstig ten dien einde zullen zyn, en gy die maar uit echte canalen en niet by
gerugt zult ontvangen hebben. Verder of Gy geinformeerd hebt van welke familie zy is, en van welke Godsdienst? Na dat Gy u dus aan Haar gedeclareerd
hebt, zoo heeft Zy na 10 dagen uwe declaratie gunstig aangenomen. Dit komt my
wonderlyk voor. Heeft zy in dien korten tyd gelegenheid genoeg gehad naar te u
te informeren,dan heeft zy ook zeker vernomen dat Gy niets buiten uw
tractement in de wereld hebt, dat gy geene vooruitzigt van schielyke promotie
heeft, en hoe kan zy dus uwe liefde begunstigen? is 't een meisje van geld,
dan zoude zy reeds lang pretendenten gehad hebben, en u, die zy eenen blauwen
Maandag heeft leeren kennen zoo schielyk . niet begunstigen, dat komt my ten
minsten zoo voor, doch gy zult zeggen de liefde is blind. Zy zal u dus
schryven wanneer 't tyd is om by hare, ouders acces te ,verzoeken, voorwaar Gy
hebt 't in dien korten tyd reeds ver gebragt zoo vertrouwelyk met Haar te
kunnen omgaan. Het zal my nu benieuwen of die gelegenheid reeds daar is, en wat
't resultaat is. Gy schryft ons den naam van Haar, maar daar van hebben wy
alleen kunnen lezen Daatje maar de van dewyl,die onder de afgescheurde
ouwel was konden wy niet lezen, dus verzoeken wy die nader te mogen weten, ook
of zy nog broeders en zusters heeft dan of zy alleen is. Ten tyde dat ik over
uwe moeder wilde verkeeren, vroeg ik eerst mijne ouders om raad - dat heeft
ook uwe zuster Suyck en uwe overledene broeder Christiaan gedaan. Myn vader
verzogt in persoon acces by de ouders van uwe moeder. De vader Van Suyck deed
dit in geschrift ik ook by neef Faure - doch 't schynt dat dit in 't militaire
vak geen styl is, over welk laatste ik my verheug want ik zoude als vader,
zonder die zwarigheden opgelost te zien niet gaarne acces voor u vragen. Zie
daar beste lieve Jan alle zwarigheden die my in deze uwe minnenhandel zwaar op
't hart liggen, opgegeven, bedenk dezelve nogmaals eens in allen ernst, en
neem alles ten goede op. Bedanke u intusschen voor de communicatie, die wy
voor notificatie aannemen. Uwe moeder en zuster laten u hartlyk welminnend
groeten terwyl ik altyd blyve
Uwe liefhebbende en heilzoekende vader. H. de Booij
NB. Schryf mij eens of de dochters van officieren by 't trouwen van 't
decreet van den koning uitgesloten zyn. P.S. Wy verwagten met Sype Stein 't
overschot van 't geld nadat gy er uwe wensch van afgenomen hebt vaarwel beste
lieve jongen."
Deze brief was geadresseerd: "WelEdelgestr.Heer! Den Heer J.J.de Booij. Lieut.
by de 9e afdeeling infanterie, ten huizen van den Heer Sork Mr Kleermaker in
de Herderinnenstraat Te 'sHage Franco.".
Dr Henricus de Booij sterft in Zwammerdam 21 April 1823 en zijn vrouw Anna van den Noort in Amsterdam op 29 December 1824.
VIII. De commies Christiaan de Booij (1789-1822)
"Anno 1789 Den 11 July des Zaturdag na de middag ten half 4 Uur is ons geboore een Zoon, die vrydags den 16 in.de Westerkerk door Dom Absolon Verburg gedoopt is met name Christiaan zynde benoemt naar Grootvader van Vaders zyde". Er bestaat van hem een schilderij waarop hij is afgebeeld op jeugdige leeftijd, de vrijheidshoed op het hoofd, een brede dito-sjerp om het middel en zijn hobbelpaard op de achtergrond, alsook een miniatuur van hem als jonge man.

Christiaan aangekleed als een patriot
Hij moet voor de studie bestemd geweest zijn, en hield 10 September in de Engelse kerk van Den Haag, waar steeds de promoties plaats vonden, als eerste in de klas van zijn vader, den rector der latijnse school, zijn prijsrede De Fortis Animi Praestantia. Napoleon legde ook op hem zijn drukkende hand en hij werd commissaire de l'inscription maritime; volgens de aantekeningen der Waalse Gemeente vertrok hij 2 Juli 1811 naar Emden, maar kwam 23 Januari 1816 naar den Haag terug. Zijn schoonvader kon toen aantekenen: "1816 den 18 Juny dinsdag voor de middag ben ik met Christiaan de Booy na 't StadsHuys geweest om hem met myn Dochter Johanna Maria te laten aantekenen in ondertrouw, waarvan d' afkondiging der Geboden in de Fransche & Hollandsche kerken zijn Geschied. den 4 July zyn des voormiddag (extraordinair op) donderdag de Beyde Jongelieden Christiaan de Booy oud 27 Jaaren en Johanna oud 29 op 't Stadshuys tsaam Verbonden.

Christiaan de Booij op jonge leeftijd
Dit huwelijk had korte duur want 16 juni 1821 tekende Pieter Hubert Faure aan:"Christ Memoriloos ter Consulte - enige onleesbare woorden - met Vrouwen 2 kinderen en Myd gekomen opden 5 July wederom allen over de Veere vertrokken. 22 Sept Christ verergerd. 20 Nov kortademig geworden 7 dec erg benauwd 14 Goddank beter dec 28 heel benauwd 31 dec beter En Vervolgens God dank in 1822 January 23 's-avonds half een Uur Woensd. Christ obit oud 33 Jaar in de Groote Kerk den 26 begraven". De weduwe plaatste in de krant deze kennisgeving: "Mijn geliefden Echtgenoot, C. de Booy, in leven-2de Commies bij het Departement van Oorlog, overleed heden ochtend, na een langdurig lijden, ten gevolgen van zenuw-beroerten, in den ouderdom van 33 jaren, mij nalatende vier kinderen welke hun verlies nog niet kunnen beseffen. Overtuigd van de deelneming mijner Vrienden, verzoek ik mijne droefheid door geen brieven van rouwbeklag te vermeerderen. J. M. Faure, Wed. C. de Booy, 's Gravenhage, den 23 Januarij 1822.
31 Maart ging zij met haar kinderen bij haar vader wonen, die echter reeds 4 October kwam te overlijden. Vanuit Haarlem, waar zij met haar beide ongetrouwde zusters woonde en 20 maart 1862 stierf, schreef zij 24 Juli 1823 aan Jan Jacob de Booij:
"Beste broeder Jan, Met genoegen ontving ik U brief, en dogt dat het was wanneer of gy ten onzent zoude koome. Zie hier de bewyzen welke gy verlangde, en die moeder dan zullen helpen, 't is regt Jammer er nu zoo veel omslag voor zoo iets moet zyn. Intusschen wensch ik nu hartelyk gy het in order zult krygen, meld my of gy nu met een by ons komt, of dat gy weder na den Haag vertrekt, ik moet deze bekorten, wyl haast heb, weest dus van de huysgenoote myne zusters hartelyk gegroet, zoo als ik moeder Crisje lientje en U mede ben doende en als altoos verblyf U liefhebbende zuster Jeane U adres waar gy in den haag woond kan ik niet weer vinden is't niet rijn op 't Zuk Anne Marie Henriette Huberte oud vyf jaar, Pierre Hubert Jean Alexandre oud drie jaar, Chretien Jean Gerard oud een en een half jaar Adolph Jean Charles oud drie maanden Christiaan overleeden den 23 January. Voogdesse over haare kinderen Jeane Marie Faure wed. van Christiaan de Booy. De naam der toeziende voogd Henricus Lambertus Schollevanger. Deze familieraad is gehoude op den 8 february 1822 in den Haag".


Johanna Maria de Booij-Faure, echtgenote van Christiaan de Booij (1787-1862)
Enkele gegevens over de vrouw van Christiaan de Booij, die op jonge leeftijd voor haar vier kinderen moest zorgen. Zij werd geboren op 22 februari 1786 in Amsterdam. Haar vader Pieter Hubert Faure tekent het volgende op over haar geboorte en jeugd:
"Verlost Mr de Br. mijn vrouw van een dikke vette meyd, wel kind door Gods
bijzonder goedheid op de 25 ste october bewaard is bij het afvallen van haar
oudste zusters schoot in onze keuken doch bij vervolg door 't strycklen een val
deed waardoor 't linkeroog een zwaare stoot kreeg. 1789 18 sept. zwaar de
mazelen. De 21 juni 1797 viel zij van de kinderkamer trappen en een buyl op haar
agterhoofd zonder verder letzel door Gods bescherming. 14 december 1790 brandde
zich Joh.M, aan 't strijkijzer.9 nov 1796 werd Johanna Maria door de
kinderziekte aangetast. 26 april 1811 is Johanna Maria by 't agterwaarts afkomen
van de 2e verdieping van alle trappen tot de zaaldeur ter aller
schrikkelijkste ontsteltenissen afgevallen, zonder enig letzel aan arm, benen,
lichaam of ysselijke pijnen te ondervinden of de dood. Door Gods almachtige
bewarende voorzienigheid behoed. Waar voor onze Majesteit eeuwig dank zy".
Zij kwam uit een geslacht van Hugenoten van Oranje. Haar voorouders vluchtten
naar Holland na de opheffing van het edict van Nantes. De vier kinderen droegen
allen franse namen. In het dagboek van mijn grootvader Hendrik de Booij lezen
we:"Mijn grootmoeder sprak ietwat afkeurend over die Spoorwegen. "Dat is geen
reizen meer" schreef zij "Je gaat in een wagen zitten en wordt met de snelheid
van de bliksem naar de plaats getrokken waarheen te wenst te gaan en waar je
kunt uitstappen"
Johanna Maria sterft in Haarlem 20 maart 1862
Voor meer informatie over haar familie zie link Familie
Faure
Einde uittreksel uit het boek van mijn oom Cré de Booij : Het
geslacht de Booij
Voor jongere nazaten van de stamvader van de familie de Booij, zie index pagina,
te beginnen met hoofdstuk 2.Nazaten van Christiaan de Booij (1786-1822)