James Marnix de Booy (1885-1969).

James Marnix de Booy wordt geboren op 24 juli 1885 in Kralingen. Hij is de oudste zoon van  Chrétien Jean Gérard de Booy (oudste broer van Hendrik de Booy) en de Ierse Mary  Jane Hobson.  

Geboorte akte James Marnix de Booy, 24 juli 1885, Kralingen. Ouders Chrétien Jean Gérard de Booy en Mary Jane Hobson ( Volgens deze akte wordt de Booy met 2 puntjes op de ij  geschreven, maar mijn familie heeft de Booy steeds met een Griekse Y geschreven. In de tekst heb ik dit zo gelaten)

 

James Marnix de Booy heeft begin vijftiger jaren zijn memoires in het Engels geschreven. De reden daarvan is, dat zijn twee dochters met respectievelijk een Amerikaan en een Nieuw Zeelander zijn getrouwd.  De opening zin is als volgt: " As these memories are principally for the amusement of my grand childern, I have written them in English"

James Marnix (Jim genoemd) de Booy met zijn kleinkind Marnix (zoon van zijn dochter Mary Dorothy Wells-de Booy)

Uit deze memories zal ik de belangrijkste perioden uit zijn leven weergeven
Zijn ouders wonen in Kralingen, toen James Marnix (Jim genoemd) op 24 juli 1985 wordt geboren. Uit de geboorte akte blijkt, dat zijn vader niet bij zijn geboorte aanwezig was. Hij krijgt de naam van James Marnix om de volgende redenen: James naar de grootvader van zijn moeders kant en Marnix naar het fregat van de Marine "Marnix" waar zijn vader voor zijn huwelijk op diende. (Zie elders op mijn website de brieven van zijn vader Chrétien Jean Gérard de Booy). Zijn ouders verhuizen naar Hellevoetsluis en daarna naar de Groote Houtstraat in Haarlem tegenover het huis van zijn grootvader de Booy (Zie voor nadere details over dit huis waar ook mijn grootvaders zijn jeugd doorbracht: herinneringen Hendrik de Booy 1967-1964). Over deze grootvader( mijn overgrootvader) zegt  hij enkele interessante bijzonderheden:
"My grandfather, who was a widower, lived in this house with his three unmarried daughters.(Jeanne Marie, Adrienne Johanna, Engelina Petronella). He wore side-whiskers and was rather bad-tempered, had been very devoted to my grandmother (Adrienne de Booy-de Mol van Otterloo) and had become very much of a recluse after her death. He spent his last years in a wheel-chair and had a valet to take him around. My grandfather was a very severe man and Theo (zijn jongere broer) and I were very much afraid of his displeasure. We often stayed with my grandfather as schoolboys and we very much objected on these occasions to the rather strict discipline, to which we were subjected, although we used to enjoy playing around in the big house with all its memories of my father and his brothers as for instanee three bullet holes in a door from the garden leading into a back street, which were the result of my Uncle Theo (jongere broer van zijn vader) having tried out a revolver. Life in my grandfather's household was conducted in a very simple but regular manner. Every morning at breakfast the servants came into the breakfast room, while my grandfather read a lesson from the Bible. The servants worked very hard in those days and everything was kept spotlessly clean and polished. They used a green bucket with brass hooks and handles to wash the windows with and the brass hoops and handles were kept polished. Another thing I remember is that my grandfather's clothes were not brushed by the valet, but beaten with a kind of dog-whip to make them dustfree".

Na Haarlem gaan zijn ouders naar Den Helder, met daar tussen door in Vlissingen. In 1896 gaat zijn vader naar Indië. Kort daar voor wordt zijn allerjongste broer Chré geboren.  Omdat het zeeklimaat van den Helder volgens de doktoren niet gezond is voor hem, verhuist zijn moeder naar Nijmegen. Jim gaat daar  naar de lagere school, en vervolgens naar het Nijmeegse Instituut Wegenrif een instelling, die speciaal opleidde voor het Koninklijk Instituut voor de Marine te Willemsoord. In 1904 wordt hij benoemd tot adelborst 1e klasse en twee jaar later tot luitenant-ter-zee tweede klasse. Hij heeft vele reizen gemaakt met verschillende marine schepen: Evertsen, Nautilus, de Ruyter, Koningin Wilhelmina. In Indië wordt hij overgeplaatst op 2 juli  naar het oorlogsschip "Koningin-Regentes". Met dat schip gaat hij naar Bali waar hij de landing op Bali meemaakt en de verovering in de september dagen van 1906. Zijn ooggetuige verslag zal ik later weergeven. In september van dit jaar is het 100 jaar geleden, dat deze invasie heeft plaats gevonden en hebben de media hier veel aandacht aan besteed. Aangezien dit verslag van mijn oom Jim nog nooit is gepubliceerd en zal ik deze memories in dit kader in zijn geheel weergeven.

Na het avontuur van Bali wordt hij overgeplaatst naar de torpedoboot "Edi", waarmee hij het oostelijk deel van Indië bezoekt. Daarna komt hij op het schip "Borneo" terecht,  waar hij anderhalf jaar op dient. In 1909 gaat hij terug naar Nederland.  Vanuit Holland gaat hij met de "Friesland"  naar de Canarische eilanden. Hij wil graag bij de onderzeedienst komen. Hij komt op de "Koningin Emma", een depotschip voor torpedoboten en onderzeeboten. In 1910 komt hij dan toch bij de onderzeedienst. In het begin van de eerste wereldoorlog wordt hij gestationeerd in Vlissingen. Op een dag in november 1914 wordt hij bij de familie Martin voorgesteld aan een Amerikaanse vrouw Erminie Thompson. Hij wordt op slag verliefd op haar en op 11 december 1915 zijn ze in Rotterdam getrouwd.

 

Erminie Thompson op 13 jarige leeftijd en op latere leeftijd

Volgens de huwelijksadvertentie hij getrouwd zou zijn geweest met E.L. Wilson. In de huwelijks aankondiging van de ouders van James Marnix C.J.G. de Booy en Mevrouw de Booy (May Hobson) en de moeder Mrs John Meredith Thompson van zijn aanstaande vrouw blijkt dat zijn vrouw, geboren Thompson eerder getrouwd  is geweest met de heer Wilson (In de jaargang van het Ned Patriaciaat wordt heer geen melding van gemaakt).

Ze gaan in Vlissingen wonen. In 1916 besluit de Marine staf om Jim de Booy naar de Verenigde Staten te sturen om te proberen, daar bepaalde batterijen  en periscopen aan te schaffen.  Door de oorlog waren de leveranties uit Duitsland gestopt. Inmiddels wordt hij bevorderd tot Luitenant ter Zee eerste Klasse.

Luitenant ter Zee 1e klasse James Marnix de Booy

Zijn verblijf is van korte duur en moet hij hals over kop naar Nederland terugkeren. De VS had  de relatie met Duitsland verbroken, omdat de Duisters een algehele onderzeeboot oorlog waren begonnen. 17 december 1917 wordt hun dochter Elizabeth Henriette geboren.

  

Elizabeth Henriette de Booy, geboren 17 december 1917. Hier op latere leeftijd met haar zoontje Robbie. Zij is getrouwd met een Amerikaan uit San Francisco Milton Coburne

Na de oorlog gaat hij in 1919 samen met Pot, elektrisch-ingenieur van de Marine, weer terug  naar de VS om nogmaals te trachten de materialen voor de onderzeeboten aan te schaffen. Dit keer met een beter resultaat dan de eerste keer. Op de terugreis landt hij in Liverpool en per trein naar Londen, waar hij zich meldt bij minister de Marees van Swinderen. De volgende dag gaat hij met de trein naar Gravesend om met de boot naar Vlissingen te varen.

James Marnix de Booy als jong zeeofficier (eerste rij geheel links) aan boord van een mariene schip met commandant Kapitein ter zee Reinders

Op het station in Londen wordt hij door kapitein Dunlop, de Nederlandse Marine attaché in Londen, voorgesteld aan Colijn (directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij), die verder met hem naar Nederland zal reizen. Hij vertelt aan Jim en zijn reisgenoot Pot over het prachtige werk, dat hij verricht bij de B.P.M. Jim is verbaasd, dat een zo belangrijke man als Colijn dit hem allemaal vertelt.  Hij zegt dat hij al verscheidene Marine en Leger officieren in dienst had genomen. Dit bracht Jim op het vage idee, dat hij ook misschien de Marine zou willen verlaten. Immers door de Grote Oorlog (zoals vroeger de eerste wereld oorlog werd genoemd)  had met het gevoel, dat de14 punten van president Wilson ( een liberaal program voor wereldvrede) voor altijd vrede zou zijn. Alle naties gaan over tot ontwapening. Hij ziet dus dat er voor hem geen goede vooruitzichten bij de Marine meer zijn. Hij vraagt aan Colijn of hij misschien nog meer Marine officieren in dienst wil nemen.  Colijn bevestigt dit en vraagt hem, als hij interesse heeft, op zijn kantoor  in Den Haag te willen komen. Zo gaat Jim naar het kantoor van de B.P.M om Colijn op te zoeken. In zijn memoires staat het volgende  over dit bezoek wat wel aardig is om te citeren, aangezien het een belangrijke invloed heeft gehad op zijn verdere levensloop:

"I went to The Hague as soon as possible and called the B.P.M. office and asked to see Colijn. The "bode" I saw was Bouman, a dour watchdog, who asked me, if had an appointment. When I said, that I did not have one, he told me that Colijn would not be able to see until after some date about two months ahead. This seemed so silly to me, that I suspected Bouman of throwing his weight about, so I gave him my card an told him to show it to Mr. Colijn, when he was free for a moment, that he was expecting me and that I would return at 4 o'clock to find out what the result was Then I came back at 4 o'clock, Colijn immediately received me and took me on. On April lst, 1919, I resigned from the Navy, which  in one way made me feel very badly indeed, as I had been very happy in the Service, but I knew I was doing  the right thing, as after events proved. The Navy went through a depression end I did very well in Royal Dutch. When I became a Director myself, Bouman was my "bode" and I often wondered, if he ever realised how near he had come to keeping me from attaining that position"

Hij wordt employé op het laboratorium te Amsterdam. Dankzij de bemiddeling van zijn tante Hilda (mijn grootmoeder) krijgt hij met zijn  gezin de beschikking over een tuinhuisje "Klein Duimpje " op het landgoed van Mary van Eeghen in Naarden ( oudere zuster van zijn tante Hilda). Zijn dochter Elizabeth werd gedoopt in het Vrij Katholieke kerk in Naarden (In 1925 werd ik in dezelfde kerk gedoopt). Jim  wordt in augustus 1991 uitgestuurd naar Indië,  waar hij gedurende twee jaar terreinchef wordt van het olieveld Perlak. In 1921 gaat hij naar de Kampong Minjak een oud olieveld in Zuid Sumatra. Na drie maanden wordt hij naar Roemenië  gestuurd en wordt adjunct-boorinspecteur van het olieveld Moreni. Hij wordt daar erg ziek van een reumatische koorts aandoening. Hij ligt daarmee 6 maanden in het ziekenhuis. Daarna volgt zijn verblijf op het olieveld Ploësti. November 1922 wordt hij door het hoofdkantoor gevraagd om in Venezuela een  hydrografisch onderzoek te verrichten met het doel om een plek uit te zoeken  voor de kust van Venezuela om een olie raffinaderij te installeren. Zijn vrouw gaat terug naar Utrecht en  onze dochter Mary Dorothy wordt 8 april 1923 geboren.

Links: Jeugd foto van Mary Dorothy de Booy. Rechts: Mary in 1947.

Mary Dorothy de Booy trouwt op  14 augustus 1943 in London met Edward Preston Wells (wing commander R.A.F). Als getuigen Helma van Limburg Stirum (de tweede van rechts) en neef Otto de Booy ( geheel rechts). Otto is de zoon Theo de Booy, die een broer is van Chrik de Booy, de grootvader van Mary.

Juni 1923 keert hij terug met het rapport over zijn studie in Venezuela. Tot januari 1924 werkt hij op het hoofdkantoor en vertrekt opnieuw naar Venezuela om in dienst te komen bij de Caribbbean Petroleum Company (CPC, groep B.P.M.). In 1926 wordt hij waarnemend directeur van de CPC en in 1928 zelfs  algemeen directeur. Na acht jaar Venezuela, waar hij olieconcessies regelde, gaat hij in augustus 1932 terug naar Nederland. Hij wordt daar algemeen procuratiehouder, eerst van de B.P.M en 1 januari 1937 directeur van de Koninklijk Nederlandse Petroleum Maatschappij

 

James Marnix de Booy in zijn kantoor van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij

14 mei 1940 lukte het hem om met zijn familie naar Engeland te ontkomen. Hij heeft toen het archief van de "'Koninklijke" in veiligheid kunnen brengen. Hij krijgt daarvoor de beschikking over een door de Marine gevorderde logger. Het huis dat hij in Den Haag achterlaat wordt door de Duitser Schwiebel, eerste assistent van Seiss-Inquart, in beslag genomen. Seiss-Inquart zelf heeft hier ook enkele nachten doorgebracht en er werd speciaal  voor hem een douche in hun badkamer geplaatst. Deze douche heeft gelekt waardoor het zijdedamasten behang  in de eetkamer werd geruïneerd. Al het linnengoed  en hun kleren zijn door Schwiebel meegenomen. De vrouw van Schwiebel, haar vrienden hebben de kleren van zijn vrouw Erminie gedragen. Over zijn vlucht naar Engeland  schrijft hij in zijn memoires een spannend verhaal, dat ik hier integraal weergeef.

"On May 14th things looked hopeless and de Kok and I decided to send the B.P.M. files over to England. It had been previously arranged to send them over by ship from Rotterdam or the Hoek of Holland, but the Waterway was blocked by mines and the road from The Hague to the Hoek of Holland was not considered very safe, so we decided to ship them out by fishing boat from Scheveningen. I sent a man to Scheveningen to try and arrange this. He had an official requisition order for a lugger, but found this lugger's engine out of order and the crews unwilling to sail. He reported all this by telephone and, when talking things over with de Kok, he came to the conclusion that I could not expect to do any useful work after the Germans came in and that I could be useful in London, and that therefore I had better try to go to London also. I agreed entirely with him and called up Erminie at the house and told her of the plan and asked her to get ready immediately, but to do so without letting our German servants know what we were doing, so to take only her jewellery.
I  then proceeded to obtain permission from the Naval Staff to proceed with the lugger and was advised to go to the office of the Head Inspector of Shipping, where I was received by Lt. Mante, who told me the Scheveningen fishermen refused to sail - that they might be obliged to sail, they could be conscripted in the military service, but that with such a crew I would certainly have trouble and, therefore he considered it advisable to conscript me into the military service and arm me with his revolver. After the necessary formalities had been gone through, I went with him to his house, where he collected his revolver, which he presented to me with the request to return it whenever I could, and I then went home to collect the family. During all this procedure there had been practically constant air alarms and only with the help of my military papers was it possible to proceed along the roads, as all sentries had orders to oblige people to take cover. While on my way to the Head Inspector of Shipping, I saw Freule van Tets sheltering in a portico and gave her a lift; she appeared quite unconcerned and we talked about the lovely weather and the nasty war. As I had expected difficulties in obtaining crew for the lugger, I had also told Udema to get together one or two mates and one or two engineers of our fleet and send them to Scheveningen, to report at the harbour office. When my family and I arrived at the harbour office, it must have been about 3 o'clock- the air alarms were still going on - and except for the trucks with the files which had arrived and were all under shelter, nothing had gone right. The crew of the lugger, which had been requisitioned, had refused to sail, had apparently put the engine of the lugger out of order, and the little Harbour Master, Hubenet, who turned out to be a former navel officer whom I had known slightly, seemed to be very doubtful whether everything would go right. So there was nothing else to do but to take the matter in hand myself. I told them to requisition another lugger on which we would put a military  guard until we sailed, and I then proceeded to try to find Schippers and Udema. By 5 o'clock I had collected, with the assistance of Udema, two officers, who had been to the naval Staff and received a chart and a route to the Downs, and one Chief Engineer. The Chief Engineer was very much averse to sailing, which one can well imagine, as he had to leave his wife behind and did not even have the opportunity of seeing her before going away. I gave Udema f 500 in the Chief Engineers presence and told him, that they would be delivered to his wife, and he then decided to go down to the engine room and make an attempt to start the engine. I had collected a motor mechanic of the B.P.M. who had, three years before, served some time on a motor lighter, and sent him down also to the engine room; we also managed to catch a motor man of one of the fishing smacks, who was willing to start the engine, but would not proceed with the ship. After about 20 minutes, when no sound whatsoever was forthcoming from the engine room, I sent Schippers down to the engine room with f 100 and told him to tell the motor man that, if he started up the engine within 2 minutes, the f 100 were his. This worked like magic in the motor room, because the engine suddenly began to go off. Meanwhile we had discovered that the lugger was without a compass, had no stores and no water and also that it was short of lubricating oil. With the assistance of Udema and the Harbour Master these necessities were collected and by half-past six it really began to look as if we could proceed. During all this I was constantly being accosted by Jewish refugees, who had managed to pass the sentries and begged to come along to England, but I was not allowed to take anybody along except the people of whom I had been advised. At 6.30 the party that was going consisted of: van der Schrieck of the Foreign Office, Professor Veraart, Newspaper man Kesteel Lacomblé and van der Water. The Chief Officer, who was to have gone with us, by this time decided that he would have none of it, so I told him to go home. I then received a telephone message that Admiral Heeris was sending two midshipmen to go with us and from some other source I got notice to take along 3 Army Captains and these five people promptly appeared on the scene. At about a quarter-to-seven a large party of motor cars dashed up carrying one Naval Officer end same 30 midshipmen, petty officers and ratings. They were the communication telegraphists and signalmen of the Naval Staff and Admiral Heeris had told them, that I was in Scheveningen with the lugger and to ask me to take them along, which of course I did. They were one short - Lt. Commander Mouton, who, however, also appeared on the scene within 5 or 10 minutes and we were then complete. On account of the tide, it was becoming absolutely necessary that we should leave and, unluckily, through all this fuss and bother, it had not been possible to get all the files on board - so I had to decide to leave some of them behind. The Harbour Master had ordered a military tug for us at 7 o'clock sharp and, it shows the discipline which existed up to the very last, this tug appeared exactly at 7 o'clock to tow us out. The same calm discipline had been apparent among the military guard in Scheveningen and the posts, which we had passed coming out to Scheveningen. At 7.20 we were out of the harbour and steered west by north, which course we kept for 60 miles. It was a beautiful calm evening and with very little wind and a first quarter moon. After leaving Scheveningen, when dusk was falling we noticed that the coastal lights at Scheveningen and the Hook of Holland had been lit, which was evidently to assist shipping, which was trying to get away. We saw terrible fires apparently at Delft, Rotterdam and perhaps the Hook of Holland, and it seemed to us after a while as if there were big fires at Scheveningen also. One or two planes passed overhead, on which occasion everybody was sent below, except those necessary for navigation. At about 9.30 we suddenly heard heavy machine gun fire and saw tracer bullets quite close by - one of the lookouts reported that a seaplane had landed near us. On closer inspection we were very happy to find that, what had been taken for a seaplane, was indeed a small merchantman and it was this small merchantman that had been machine-gunned. Our lugger apparently was either not noticed or not considered worth while - probably the latter, as with the clear sky and first quarter moon we must have been observed. When 60 miles away from Scheveningen, we changed course to South West by West, which course should have brought us to West Hinder Buoy. Our lugger had been recently painted and tarred and the decks were still so slippery, that one could hardly get about. The accommodation consisted of one hole behind the bridge and a hole before the foremast - all hands were distributed over these and slept more or less huddled together for warmth. The atmosphere in the accomodation was not improved by one of the Army Captains, who got very sick and was given the bowl of the compass as a basin. I suggested he should go elsewhere, but the rest of the Army said, that that could not be expected of him, as he was already nearly dead. At intervals all night the lookout called out alarms, that German planes were coming. It got light about a quarter-to-four in the morning and we were still proceeding on our South Westerly course, then we sighted several planes - three of which at about 10 o'clock we recognised as British, they circled close overhead and we hoped they might send somebody to meet us, but that did not materialise. About 12 o'clock we sighted a ship steering a westerly course and we decided that this ship must be following the channel through the minefields, so we followed in her wake, as attempts to find out position by means of an improvised deep-sea lead had completely failed. Finally, however, the ship ahead stopped, then turned back and came as near as possible alongside us, we then discovered her to be an Ymuiden trawler, who, on being questioned, was just as much at a loss about her position as we were. We then decided to steer South West again and were very pleased indeed when about 2 o'clock we sighted the South FalIs Buoy. From there we steered for the northern entrance  to the Downs, where we found a Control vessel and saw the Nautilus, 2 mine-layers, 4 torpedo boats and several auxiliary vessels of the Dutch fleet. The Control boat told us to follow the Dutch men-of-war to Deal, where, on arrival, another Control boat came along and we convinced the officer on board of this Control vessel, that, not having proper anchor gear on board, the only thing for us to do was to go into port. Luckily, the tide served and at about 5.45 we made fast in Ramsgate Harbour. (Voor zijn verzetswerkzaamheden als Engelandvaarder kreeg hij na de oorlog de Medal of Freedom)

                  

                Jim en Erminie de Booy-Thompson met hun kleinkind

Jim betrekt direct na aankomst in Engeland zijn kantoor in Teddington. Hij wordt vice-president van de Nederlandse Scheepvaart en Handels Commissie. Zijn werk bestaat uit het bezoeken van vele tankers. Hij maakt ook nog een reis op een tanker mee in 1943 van Liverpool naar Baltimore. Per vliegtuig gaat hij naar Curaçao en Maracaibo. Juni 1943 vertrekken zijn vrouw Erminie en dochter Liesbette naar Amerika, alwaar Liesbette trouwt met Milton Coburne. Jim maakt ook nog een rondreis in de Middellandse zee  waar hij vele tankers bezoekt. Van al deze reizen maakt hij een zeer uitgebreid dagboek en heeft deze in zijn memoires opgenomen. Toen hij terugkwam in Londen vraagt de Minister-President P.S. Gerbrandy hem of hij Minister van Scheepvaart wil worden in de plaats van Kerstens. Hij gaat nog te rade bij van Kleffens of hij dit wel moet doen. Zijn antwoord is duidelijk in oorlogstijd is er niets anders dan dat je dat moet doen. Hij zegt zijn baan op bij  de Koninklijke en wordt Minister.

  

Kabinet Gerbandy III. Achterste rij v.l.n.r.: Van Kleffens, Beel, Tromp, De Quay, Huysmans, De Booy, Gispen, onbekend. voorste rij v.l.n.r.: gen. Kruls (Militair Gezag), Schmutzer, Gerbrandy, Bolkestein en Wijffels.     

Een van de meest memorabele momenten tijdens deze periode is het bezoeken van schepen, die mee gaan doen aan de Invasie van D day.  Jim wordt in 1944 Minister van Marine. In begin 1945 krijgt hij in het derde kabinet Gerbrandy,  niet alleen de portefeuille van Scheepvaart, maar ook die van Marine en Oorlog. Na de oorlog wordt hij in het kabinet Schermerhorn-Drees opnieuw Minister van Marine en ad interim van Scheepvaart.. Voor zijn verrichtte diensten als Minister van Scheepvaart, ontvangt hij de Gouden De Ruyter medaille.. Hij stelt zijn ministerschap op 1 juni 1946 ter beschikking en neemt zitting als Nederlandse vertegenwoordiger in de 'U.N. Special Committee on the Balkans'.  Deze functie houdt hij tot augustus 1948 . Hij wordt vervolgens  hoofd van de Nederlandse Militaire missie bij de Geallieerde Bestuursraad in Berlijn. Hij accepteert deze baan alleen op de conditie, dat hij een hoge Marine titel moet krijgen om op voet van gelijkheid met de hoogste geallieerde militaire autoriteiten zich te kunnen presenteren. Hij wordt benoemd tot Vice-admiraal van de Koninklijke Nederlandse Marine. Hij en zijn familie blijven in Berlijn tot 1950. In 1951 wordt hij Nederlands  ambassadeur in de Bondsrepubliek. In november 1952 gaat Jim de Booy met pensioen.  Zijn memoires eindigen met de volgende zin: "I was given the "Grootofficier in de Orde van de Oranje Nassau".

Nadere bijzonderheden over James Marnix de Booy, die niet in zijn memoires voorkomen, wil ik hieronder nog even vermelden alsmede zijn levens loop na zijn pensioen. Deze gegevens zijn ontleend uit het Biografisch Woordenboek van Nederland:  F. Wielinga: " Booij, James Marnix de (1885-1969)".

Over zijn Londense periode tijdens de Tweede Wereldoorlog::
"Te Londen aangekomen nam De Booy al snel een vooraanstaande plaats in onder de Nederlandse ballingen. Hij was behulpzaam bij het zoeken naar ruimte en inventaris voor het Nederlandse overheidsapparaat en was in juli 1940 een van de oprichters van het Prins Bernhard Fonds ter financiële ondersteuning van de Nederlandse strijdkrachten. Ook behoorde hij tot de zes hoge topfunctionarissen uit het bedrijfsleven die in 1941 de Nederlandse regering in een schrijven aarzelend en weinig inspirerend optreden verweten. Zij stelden de oprichting voor van een overlegorgaan tussen kabinet en vertegenwoordigers van de Nederlandse gemeenschap in Londen hetgeen in 1942 leidde tot de instelling van de Buitengewone Raad van Advies, waarin De Booy als een van de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zitting kreeg" .

Periode als Minister in Londen en Nederland:
"Deze portefeuilles brachten met zich mee, dat De Booy ook na de bevrijding veelvuldig in de hoogste geallieerde kringen verkeerde, onder meer met betrekking tot de voedselvoorziening van bevrijd Nederland en de bevrijding van Indië. Meer een man van de daad dan van het woord profileerde hij zich niet sterk in de ministerraad, maar hij schuwde het conflict niet, en zijn deskundigheid was onomstreden. Dat De Booy als krachtige persoonlijkheid zonder onderscheid des persoons handelde, was al eens gebleken toen hij als minister in Londen prins Bernhard tot de orde had geroepen, nadat deze zich kritisch over het gedrag van het Nederlandse officierscorps in mei 1940 had uitgelaten. Bij voorkeur verwierf De Booy zijn kennis door eigen waarneming ter plaatse, waartoe hij geregeld, zowel in Groot-Brittannië als later in Nederland, oorlogsschepen en marine inrichtingen aan de wal bezocht".

Familiefoto van James Marnix  en Erminie de Booy-Tompson. Opgenomen in Elswouthoek. Vlnr: Marnix (kleinzoon), James Marnix , dochter Elisabeth met haar drie jongens, er achter schoonzoon Edward Wells,, Erminie, haar dochter Mary, Milton Coburne echtgenoot van Elisabeth, kleindochter June, haar moeder Mary Wells-de Booy

Zijn periode als ambassadeur en na zijn pensioen:
"De Angelsaksisch georiënteerde De Booy, met veel ervaring in geallieerde kring, had weinig affiniteit met Duitsland en bleef een uiterst wantrouwend waarnemer van de naoorlogse ontwikkelingen aldaar. Na zijn pensionering op 1 december 1952 verhuisde De Booy naar Groot-Brittannië, waar hij in toenemende mate met zijn gezondheid kampte. De laatste negen jaar van zijn leven woonde De Booy, die inmiddels permanente verpleging behoefde, met zijn vrouw in Lausanne".

James Marnix  de Booy latere leeftijd

Einde artikel citaten artikel Wielinga.

PS. Over deze Duitse periode heb ik uit eerste hand van iemand vernomen, dat Koningin Wilhelmina het niet erg op had, op zijn zachts gezegd, met Jim de Booy. Tijdens zijn periode als Ambassadeur in Duitsland kwam hij dikwijls in conflict met hooggeplaatste personen, die na de Tweede Wereldoorlog meer toenadering met Duitsland wilde. Iets waar hij zich tegen verzette. .

Supplement: De verovering van Bali 14-21 september 1906

In september 2006 hebben de media veel aandacht besteed aan de verovering van Bali in 1906. Dit vanwege het feit, dat  het precies 100 jaar geleden was, dat de Nederlandse Indische troepen Bali in de septemberdagen van 1906 hebben veroverd.
Het radioprogramma OVT van de VPRO van zondagochtend heeft er twee uitzendingen aan gewijd en wel op 17 en 24 september 2006 
Het Spoor terug: Puputan- het einde van Bali : Een reconstructie van een militaire expeditie, die uitloopt op een bloedbad. Op 20 september 1906 staat het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) met kanonnen en repeteergeweren tegenover duizenden Balinezen mannen, vrouwen en kinderen gewapend met kris en speer. Een ongelooflijk bloedbad is het gevolg. Was het moord of collectieve zelfmoord? Samenstelling: Erik Willems en Gerard Leenders.

De AVRO geeft in haar TV uitzending Eén Vandaag van 23 september 2006 de volgende samenvatting: Nederlandse oorlogsmisdaden Bali.
Puputan is een onbekend begrip in Nederland. Maar in Indonesië weet iedereen dat we het dan hebben over de massaslachting op Bali. Deze week precies 100 jaar geleden. Schrijver Ewald Vanvugt vond in de archieven nieuwe foto's waarop deze inktzwarte bladzijde van onze geschiedenis is vastgelegd.

(In 2006 is de derde druk verschenen van het boek, dat  Ewald Vanvugt  in 1978 in een documentaire reisroman  heeft geschreven over de gebeurtenissen van de verovering van Bali in 1906).

Om het een en ander in een historisch perspectief te plaatsen, heb ik gemeend om een aantal citaten weer te geven van 2 ooggetuige verslagen (van de kunstenaar Nieuwenkamp en die van mijn oom James Marnix de Booy) alsmede een korte samenvatting te geven van de geschiedenis van Bali en de verovering in 1906. Het is van belang om daarmee rekening te houden met de verandering van de tijdgeest in die 100 jaren. Het is van belang om te zien, hoe men er vroeger over dacht. De genoemde programma's hebben daar volgens mij te weinig rekenschap van gegeven. Het ligt allerminst in mijn bedoeling om daarmee de verovering van Bali te rechtvaardigen. Het veroordelen van de verovering van  Bali als een Nederlandse  oorlogsmisdaad roept tegelijkertijd de gedachte op of wij op dit moment met onze zgn. 'vredesmissies' wel helemaal vrij van smetten zijn. Het is net zoals in Uruzgan toch een legitieme oorlog gesteund door onze volksvertegenwoordiging. Het doorgronden van de tijdgeest en haar verandering door de tijden  geeft mijn inziens een betere reconstructie van de gebeurtenissen in 1906.

Samenvatting van de geschiedenis van het eiland Bali

Bali was een geheel onafhankelijk eiland, tot halverwege de 19e eeuw. De Balinese vorstendommen trokken zich niets aan van het Nederlandse koloniale bestuur op Java en voerden dus ook hun eigen buitenlands beleid. En dit laatste begon de Nederlanders te irriteren, vooral toen bijv. een Balinese vorst het had gewaagd te spuwen op een Nederlands wapenschild. Ook was Batavia bang dat de Britten vanuit Singapore te veel invloed zouden krijgen. In 1846 werd de eerste militaire expeditie uitgezonden met als resultaat dat slechts enkele Balinese vorsten het Nederlandse oppergezag wilden erkennen. Nadat de militairen zich hadden teruggetrokken, bleek er niets veranderd. Bali bleef zich onafhankelijk opstellen t.o.v. het Nederlandse gezag. Vele half gelukte expedities volgden. Men was er daarom uiteindelijk tevreden mee dat de Balinese vorsten formeel het Nederlandse oppergezag over Bali erkenden. De Balinese vorsten stelden wel als eis dat er op het eiland geen koloniale troepen gelegerd zouden worden. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw ontstonden er op Bali verschillende onderlinge oorlogen. Het vorstendom Gianyar werd meerdere keren van alle kanten aangevallen. Ten einde raad vroeg de vorst van Gianyar, Dewa Gde Raka, in 1899 de Nederlanders om hulp. Dat was natuurlijk geen probleem, in ruil moest hij wel het, nu directe, Nederlandse oppergezag erkennen, vergelijkbaar met de situatie op bijvoorbeeld Java. De invloed van de Nederlanders nam ook door de bekende verdeel en heers politiek steeds meer toe. Van Heutsz was vast van plan om op de een of nadere manier geheel Bali onder rechtstreeks Nederlands bestuur te brengen. Het was wachten op het gebruikelijke incident en gelukkig hoefde niet lang gewacht Aanvankelijk werd getracht vanuit Batavia de weduwenverbranding op Bali te verbieden, maar hier werd vanuit Bali niet eens op gereageerd...Terwijl men zich in Batavia beraadde, werd bekend dat op de kust van Bali een schip was gestrand. De gehele bemanning was vermoord en de vracht geroofd. Meteen werd, in 1906, vanuit Batavia een speciale gezant gestuurd met een eis tot schadevergoeding. In tegenstelling tot Atjeh hadden de vorsten van Bali zich, vanuit Singapore, nauwelijks laten voorzien van Westerse wapens. Ze hadden er gewoon geen belangstelling voor en vertrouwden op hun eigen wapens, speren. De speciale gezant kreeg dan ook als antwoord " Wij zullen u terug betalen met de punt van onze lansen" , zo overtuigd waren de Balinesen van hun eigen kracht en moed. Bewonderenswaardig, maar helaas natuurlijk niet meer geheel bij de tijd. Troepen o.l.v. Generaal-Majoor Rost van Tonningen werden overgebracht vanuit Java. Zo begon de verovering van Bali op 14 september 1906. (Overgenomen van internet)

 

Links: Generaal- Majoor Rost van Tonningen (1852-1927).Zijn vrouw was Menauda van den Bosch, achterkleindochter van Johannes van den Bosch, de gouverneur-generaal van Indië in 1830. Rechts: De bevelhebber  Generaal Majoor Rost van Tonningen  met zijn staf voor de Poeri  van de vorst van Badung Gusti Gde Ngurah Den Pasar na de bezetting van de Poeri

Het ooggetuige verslag van de Nederlandse kunstenaar Wijnand Nieuwenkamp opgeschreven in zijn boek:  Zwerftochten op Bali over de verovering van Bali in 1906.

In het jaar 1906 maakte ik de expeditie naar Zuid Bali mede, welke expeditie eindigde met de verovering van Badoeng, gevolgd door de in bezit name van Tabanan. Over de aanleiding tot ons gewapende optreden tegen beide rijken zal ik hier kort wezen, men weet dat er een verschil liep over de te betalen schadevergoeding voor het plunderen van een Chineesch Vaartuigje onder Hollandsche vlag, de Sri Koemala, dat in mei 1904 was gestrand. De eigenaar van het scheepje, Kwee Tik Tjiang van Bandjarmasin, beweerde veel rijksdaalders aan boord te hebben gehad, wat de vorst, Goesti Gedé Ngoerah Denpasar, voor een vertelseltje hield, waarom hij de gevraagde vergoeding (3000 rijksdaalders) veel te hoog vond. Na veel vergeefsche onderhandelingen volgde (7 Jan.1905) een blokkade door 2 gouvernementsstomers en 1 flottieljevaartuig, en op deze blokkade, die, zooals aan den vorst was" medegedeeld, voor diens rekening plaats had, volgde, toen de vorst bleef weigeren schadevergoeding plus blokkade" te betalen, de expeditie. Ook tegen Tabanan zou geageerd worden, omdat dit rijkje geweigerd had tijdens de blokkade Badoeng van de landzijde af te sluiten. En zoo verscheen er in September 1906 een vloot van zes oorlogsbodems, twee gouvernementsstoomers, de oude "Bromo", een afgedankte oorlogsbodem, die in een reusachtig drijvend magazijn was herschapen, en vijf schepen. van de "Pakketvaart", met een groot aantal troepen aan boord, voor het anders zoo stille Sanoer. Den dag vóór de landing (deze had plaats 14 Sept.1906) had ik mij in gezelschap van den kapitein van den staf Schutstal van Woudenberg in een prauwtje naar de vloot begeven. We kwamen van Këtëwel, een kustplaatsje in Gianjar vlak bij de grens van Badoeng. Hier had bovengenoemde kapitein eenigen tijd vertoefd om een bivak in gereedheid te brengen voor een afdeeling troepen, die het ons trouw gebleven Gianjar tegen een mogelijken inval der Badoengers zou moeten beveiligen. Ik was daar met een gouvernementsstoomer van Pabéan-Boelèlèng gekomen en had hem eenige dagen gezelschap gehouden. Reeds den dag te voren zouden we naar de vloot zijn vertrokken en zou de "Fazant" ons hebben afgehaald. We waren dien dag al vroeg aan 't strand geweest met pak en zak, doch het woei zeer hard en er stond zoo'n geweldige branding dat de "Fazant'" geen verbinding met den wal kon krijgen. Den heelen dag bleven we wachten, tegen den avond wond de stoomer zijn anker weer op om spoedig daarop uit het gezicht te verdwijnen. Ons bleef niet anders over dan weer naar ons bamboe-huisje te Këtëwel terug te keeren, het kookgerei en de veldbedden te ontpakken en ons nogmaals voor een nacht in te richten. Telkens werd ik dien nacht wakker en lag dan te luisteren naar het doffe gedreun van de branding, die maar niet minder werd (...) De volgende dag had de landing plaats . Heel in de vroegte aan boord van de oorlogsbodems en andere vaartuigen. Alles ging zoo geregeld in zijn werk, dat reeds om 7 uur het eerste bataljon (pl.m.1200 man) aan wal stapte. Een paar Balische visscherlui deden alles kalm aan te zien, alleen een kampong hond, die zich te goed gedaan aan een door de golven heen en weer gezeuld dood varken, nam luid jankend de vlucht. Van den vijand geen spoor. Spoedig volgde nu het tweede en het derde gedeelte van de legermacht (in 't geheel een 4000 man), paarden, bagage, enz. Gelijk met het eerste gedeelte had ik Badoeng betreden; dadelijk liep ik naar Pabéan-Sanoer (op een 500 meter afstand) en ik vond nog gelegenheid dit af te beelden vóór de troepen er in trokken. Merkwaardig waren de op het strand liggende vaartuigjes met een olifantskop aan den voorsteven. De eerste nacht aan wal ging rustig voorbij, doch nauwelijks was de dag weer aan gebroken of de Baliërs deden een vergeefschen aanval op het bivak; de arme kerels verkeerden nog in den waan dat zij met hun lansen en hun moed vermochten tegen onze moderne geweren. Hun plan was geweest het in de nacht te probeeren, doch de vele zoeklichten van de oorlogsbodems die strand en den heelen omtrek den gansschen nacht door zoo hel hadden verlicht, hadden hen totaal in de war gebracht en als verlamd. De volgende dagen dreunde onophoudelijk het geschut van de oorlogschepen. Veilig als bij moeder thuis en als gold het een schietoefening, hadden den door de Jantjes de kanonnen geladen en afgeschoten op den onzichtbaren vijand en het onzichtbare Denpassar. Elk schot deed mij pijn als ik dacht dat die groote granaten misschien midden op een erf terecht zouden vallen of in een woning en uiteenspattend, jammer en ellende zouden verspreiden. Doch het doel was gelukkig ver, de ligging niet juist bekend en dat niet alle granaten zouden springen,  zooals mij later ook gebleken is. Met Sanoer onderwierpen zich alle omliggende dessa's. Vijf dagen na de landing trokken de troepen door Tangtoe naar Kësiman, waar maar heel weinig tegenstaand werd ontmoet in de in overhaasting ontruimde poeri brachten zij den nacht door. Den volgenden dag werd Sëmëta en de hoofdplaats bezet. Wezenlijk gevochten is daarbij niet. De vorst van Badoeng was verlaten door het volk, dat het nut van oorlogvoeren tegen de compagnie niet inzag en nog slechts omringd door zijn hovelingen, zijn vrouwen en kinderen, en bloedverwanten met enkele getrouwen. Deze allen hadden besloten te sterven, liever dan zich te onderwerpen. Toen de troepen de hoofdplaats binnen trokken, verliet de vorst met de zijne de poeri. Hij werd door een hoveling op de schouders gedragen, allen waren in het wit gekleed (in hun doodskleed) en met kostbare krissen en korte lansen gewapend; zoo liepen ze kalm hun dood tegemoet. Maar de vorst wilde niet, dat onze soldaten hem en de zijnen gratis zouden afmaken, waarom hij groote  sommen gelds aan de vrouwen had laten uitdeelen, die het den onzen onder 't schieten toewierpen. Aldus betaalde deze kranige vorst zijn eigen executie met gulle hand. Nog een tweede stoet kwam uit de poeri, aangevoerd door een jongen van twaalf jaar, een broertje van den radja, en ook deze stoet liet zich, tot den laatsten man toe, neerschieten. Nog denzelfden dag werd ook Pamëtjoetan, vlak bij Denpass betrokken, en weer herhaalde zich dezelfde treurige geschiedenis en verlieten groepen Baliërs de poeri, die midden in de plaats lag, op de soldaten toe om den dood te zoeken. Toen de troepen op het plein vóór het paleis waren gekomen, vonden zij daar ruim honderd dooden op en door elkaar gelegen.

Perang Poepoetan Pamecutan

De poeri (paleis) van Denpassar na de verovering op 20 september 1906

Hier had de oude radja van Pamëtjoetan zich met de zijnen onderling gekrist. Hoeveel Baliërs dien dag den dood boven schande verkozen valt moeilijk uit te maken. Volgens de officiële berichten, naar Den Haag geseind, waren het er 450, maar volgens de Baliërs waren het er 7 atak, dat is 7 maal 2000. Den volgenden morgen meldde zich bij de wacht (het leger was in de poeri van Denpassar ondergebracht) een poenggawa of districtshoofd met beleefd verzoek om doodgeschoten te worden. Tot zijn spijt had hij den vorigen dag den poepoetan (zoo heet zoo’n vrijwillige slachting in het groot) niet mede kunnen maken! Aan zijn verzoek werd natuurlijk niet voldaan, waarop de man zich kriste. Evenmin als de vorsten en hun getrouwen in onze handen wilden vallen, wilden ze ons hunne bezittingen gunnen; en zoo werd, toen de troepen de plaats binnen trokken, de brand gestoken in vele paleizen en woningen en ontstond er een ruinenstad van meer dan een kilometer in het vierkant. De dessa Pamëtjoetan ging voor het grootste deel in vlammen op;  Alleen een steenen toren met klokken op het marktplein was nog onbeschadigd te midden der ruines. Het was een treurige aanblik de zwart geblakerde muurbrokken, met daartusschen een chaos van verbrand hout, gebroken beelden, ingezakte godenverblijven, potscherven, enz. Hierbij is al het fraai beeldhouwwerk en snijwerk verloren gegaan!

Einde ooggetuigenverslag van Wijnand Nieuwenkamp

Uit het boek De Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915 van W.J. Cohen Stuart geschreven in 1937, enkele passages die betrekking hebben op de verovering van Bali in 14--29 september 1906

Pagina 258-259:  Ter deelneming aan de krijgsverrichtingen te land werden van H.M. Schepen "de Ruyter", "Zeeland" en "Koningin Wilhelmina", elk 100 man samengevoegd tot eene landingdivisie, waaraan toegevoegd 10 kanons van 7,5 cm A. en 12 van 3,7 op landing-affuit en 14 mortieren van 7,5 cm A., alles met munitie en bedieningsmanschappen, het geheel onder bevel van den Kapitein-Luitenant ter zee W. Houwing. Ten 5u30 van den l4en werd een aanvang gemaakt met de landing onder dekking van gewapende sloepen op het steile strand van Pabean Sanoer; ten 7u was het eerste échelon aan wal, zoomede eene seinbrigade onder een luitenant ter zee, die onmiddellijk voor seingemeenschap met de schepen zorgde. Niettegenstaande er eene hooge Oceaan-deining stond, was ten 8u30m des avonds het debarkement geheel afgeloopen, hetgeen den bevelhebber der expeditie eene tevredenheidsbetuiging over de verrichtingen der Zeemacht ontlokte. Tegenstand werd niet ondervonden; Sanoer en Pabean Sanoer werden door de troepen bezet; in de berekende richting en op den evenzoo bepaalden afstand (6000 m) van de poeri van Den Pasar vuurde het vlaggeschip 10 schoten met de kanons van 15 en 7,5 cm af, waarop weldra de onderwerping van twee kampongs bericht werd; aan de "Serdang" werd nu opgedragen, de beschieting van hetzelfde doel om de twee uren met 10 schoten uit het geschut van 10,5 cm A. voor te zetten. Verlichting der terreinen nabij het bivak door de zoeklichten der schepen heeft, naar uit berichten kan worden opgemaakt, vermoedelijk het doen van nachtelijke aanvallen voorkomen; de maatregel werd dan ook tot den 24en dagelijks genomen. Met patronen van 7,5 cm, en gewone granaten van 17 cm A. en 10,5 cm A., werd den 15en een geregeld vuur op Den Pasar gericht en den 16en had eene verkenning plaats waaraan twee compagniën der landingdivisie, met 4 kanonnen van 3,7 cm op landingsaffuit deelnamen, terwijl een luitenant ter zee tot het verrichten der plaatsbepaling den staf vergezelde; dienzelfden dag voegde het Gouv. stroomschip "Reiger" zich bij de scheepsmacht. Een algemeen bombardement, waaraan alleen de "Flores" niet deelnam, werd den 18en tegen Den Pasar gericht van 7 uur des morgens tot zonsondergang, waarbij van de nieuwe plaatsbepaling werd gebruik gemaakt. De "Flores" vertrok naar de Westkust ter controle van den in- en uitvoer; de "Koetei" maakte met den Resident aan boord een tocht naar het eiland Serangan ten onderzoek naar onrustbarende berichten, die ongegrond bleken. Hevige deining had op den 17en de communicatie ter reede Sanoer tot het hoognoodzakelijke beperkt, doch den 18en kon de lossing van de "Bromo" weer doorgaan; den 19en rukten de troepen op, waarbij het bombardement werd voortgezet; ditmaal nam ook het kanon van 21 cm A. met 8 granaten daaraan deel. Aan den opmarsch nam alleen de landingdivisie van de "Koningin Wilhelmina" deel; de beide andere bleven ter bezetting der strand bivaks achter. Het voornemen van den bevelhebber der expeditie was, den 19en Kesiman te nemen en den volgenden dag tegen Den Pasar op te rukken; daarom werd in den morgen van den 20en van 7 tot 8 uur een intensief vuur van de schepen op de poeri van Den Pasar afgegeven. Deze plaats en Pametjoetan werden dien dag door de troepen in bezit genomen met geringe verliezen, tot welk succes het goed gerichte artillerie-vuur, naar het oordeel van den bevelhebber, veel had bijgedragen. Na het bombardement van dien ochtend vertrok de "Koningin-Regentes" via Makasser naar Soerabaia en verstoomde de "Mataram" naar Benoa; de Regeerings-Commissaris nam zijn intrek aan den wal. Den 24en verstoomde de "Mataram" naar Serangan, waarop de landingdivisie, die versterkt was met twee sectiën van de "Hertog Hendrik", het eiland afpatrouilleerde; dien avond keerde het schip ter reede Sanoer terug; tevens was de "de Ruyter", na hare landingdivisie ingescheept te hebben, naar Benoa gestevend en had daar den troep aan wal gezet, die over Djimbaran en Kedoenganan naar Toeban marcheerde en langs denzelfden weg teruggekeerd, des avonds haren post aan wal weder innam. Voor de actie tegen Tabanan vertrokken het vlaggeschip en de "Zeeland" den 25en naar de Westkust, waar men ter hoogte der kampong Jeh-Gangga wenschte te ankeren; om deze plaats te kunnen vinden, werd de "Koetei" uitgezonden, om te Serangan of Koeta te trachten, loodsen te krijgen. De beschieting op den 26en met een tiental schoten van 15 en 12 cm, hoewel richting en afstand van het doel slechts verondersteld konden worden, had zooveel uitwerking, dat de vorst van Tabanan den 27en met zijne familie zich onvoorwaardelijk aan de eischen van het gouvernement onderwierp; de schepen verstoomden daarop weder naar de reede Sanoer. Den 29en vertrok aan boord van de "Zeeland", begeleid door den Resident; een viertal familieleden van den vorst van Tabanan - hij zelf en de kroonprins hadden zelfmoord gepleegd - naar Soerabaia.

Einde citaten uit het boek van Cohen Stuart over de verrichtingen van de Nederlandsche Zeemacht bij de verovering van Bali in1906

In zijn memoires heeft Luitenant ter Zee 2e klasse James Marnix de Booy verslag gedaan over zijn deelname aan de verovering van Bali in 1906 (door mij vertaald uit het Engels)

Nadat ik aan boord van H.M "Regentes" kwam werden we gezonden naar Lombok, waar onze vloot voor anker lag bij Ampenan. Ampenan was een training centrum,waar het Oost Indische eskader werd verzameld. We werden bezig gehouden met vloot oefeningen en ook met het oefenen van landingen voor de expeditie naar  Bali, die binnenkort zou plaats hebben. Bali is een eiland dat direct ten westen van Lombok ligt, dat onder ons gezag stond.  Bali was toen nog steeds onafhankelijk en onder de heerschappij van een aantal Radja's. Er waren moeilijkheden met deze Radja's, want ze hadden schepen die waren gestrand, beroofd en verder dat ze de weduwen verbranden bij de crematie van radja's. Zo werd een ultimatum gestuurd naar de Radja van Badoeng. Nadat het ultimatum was gestuurd,  werden er acht oorlogschepen naar Bali en transport schepen gestuurd. Deze transport schepen vervoerden drie bataljons infanterie en een cavalerie troep en enkel houwitsers, en zij en oorlogsschepen  gingen voor anker op 13 september 1906 bij Sanoer aan de zuid kust van Bali. Het ultimatum werd in de wind geslagen en op 14 september landen de troepen bij het aanbreken van de dag.
Ik nam het marine seindetachement aan land en ik was de "beach-master" voor het lossen van de troepen en materiaal. De troepen waren geladen in sloepen van de oorlogsschepen en van de transportschepen. Paarden en kanonnen werden vervoerd op vlotten. Gedurende de dag was er altijd een zware branding op het strand en ongelukken met de sloepen kwamen dikwijls voor. Op de eerste dag was het heel rustig, maar in de middag kwamen door de branding  de boten vol water te staan en ik had grote moeite om ze weer vlot te trekken. Ik werd kletsnat en had een zware zonnebrand. Bij zonsondergang zijn we gestopt  met de operatie, ik was totaal uitgeput.  Mijn mannen vonden een klein inlands hutje onder een grote boom en daar sliepen we op een bamboe bed, waar ik met mijn mannen de nacht doorbracht. Over het geheel genomen was de ontscheping een succes en ons grootste probleem was om de paarden van de cavalerie aan land te krijgen.

Ontscheping van het materieel, waaronder paarden, van de troepentransportschepen bij Sanur. 14 september 1906

Het was opvallend hoe goed de mariniers de taak van de soldaten met het handelen van de paarden overnamen. De soldaten waren over het algemeen gesproken een blok aan het been op het moment, dat ze aan boord of op een vlot kwamen. Direct na de landing ging het leger op verkenningstocht  op het eiland en de oorlogschepen begonnen met houwitsers een bombardement op Denpassar, dat 5 kilometer inlands van Sanoer ligt en de zetel was van de Radja van Badoeng, onze belangrijkste vijand. Het bombardement (alhoewel niet erg efficiënt voor het maken van slachtoffers en materiële schade) had een belangrijk effect op het moreel van  de bevolking en de gewone man legde de wapens neer . De aristocratie en haar directe gevolg van de  Radja, wilde niet van overgave weten en er werd dan ook een grootscheepse aanval ondernomen tegen Denpassar. Ze kwamen en bleven maar komen en ondanks ons herhaald verzoek om hun wapens neer  te leggen, bleven ze komen en er  zat niets anders op dan om hen neer te schieten en zo werden achthonderd van hen gedood, terwijl, van onze zijde slechts twee of drie mannen  werden gedood en een paar gewond. Het was een gruwelijk karwei, dat ik gelukkig niet heb gezien en de avond van onze "overwinning" was er voor de troepen geen overwinningsgevoel.  Nadat Denpassar was gevallen werd alle weerstand in Badoeng gestaakt en na een kort bombardement van Tabanan, een ander klein staatje, bracht de overgave van de Radja en zijn zoon, die beide de nacht na de overgave zelfmoord pleegden. Na mijn eerste nacht op een bank in het hutje, ging ik naar de medische dienst en woonde in een verlaten Chinees huis. Wat tot gevolg had, dat ik een prachtige tijd heb gehad. In de eerste week had ik niet veel te doen en kon beschikken over een goede pony, die tot de legerkapitein behoorde. Het laden en lossen van de boten  werd gedaan door ingehuurde Balinese koelies en gedeeltelijk door gevangenen. De meeste van de gevangenen waren atjehers, die tegen ons in Atjeh hadden gevochten  Deze laatste waren hele goede werkkrachten en ik was zeer op ze gesteld. Als tolk om met de Balinese te onderhandelen, had ik een lagere Radja en zijn zoon  genaamd Goetsi Agoeng Madé Ré en Goestit Agoe Madé Gnoera respectievelijk. Ze waren heel aardig en nodigde ons uit in hun "paleis". Het "paleis" was gebouwd van bamboe en atap, maar er waren enkele dansmeisjes die een voorstelling gaven en ze gaven ons een heel goede rijsttafel. Vier andere Marine officieren en mij zelf waren van de partij, we reden daar zonder escorte en ongewapend binnen een week na de overname van Denpassar, wat laat zien welk perfect vertrouwen we hadden in de Balinezen, nadat ze zich hadden overgegeven. Na een maand na de inname van Denpasser werden alle troepen weer ingescheept. Ik had weer het commando op het strand en we kregen met een dag hard werken alles aan boord van de transportschepen. Ik ging terug naar de "Ruyter" de volgende  dag,  nadat ik was overgeplaatst naar dit schip van de "Regentes". Ik ging aan boord met een zak vol met rijksdaalders, geloof ik was een extra toelage van twee rijksdaalders voor elke dag actieve dienst. Kort nadat ik aan boord van de  "de Ruyter" was en op weg naar Soerabaia, werd ik ziek. De scheepsdokter zei dat ik longontsteking had, maar toen ik eindelijk in het militaire hospitaal in Soerabaia kwam, bleek dat ik tyfus had, waaraan ik bijna dood ging. Mijn neef Jan in Batavia, die hoorde dat ik erg ziek was, telegrafeerde om uit te vinden of als hij zou komen om me te bezoeken misschien te laat zou zijn. Hem werd verteld dat ik bewusteloos was  en dat hij waarschijnlijk te laat zou komen. Maar  ik herstelde  en werd gezonden naar Tosari een  bergressort op 6000 voet hoogte voor mijn herstel waar ik twee maanden bleef.(...) De  commandant van de vlootmacht op Bali, van den Bosch, was een grote vriend van mijn ouders en kwam enkele keren mij in het hospitaal bezoeken. Het was door hem,  dat ik werd benoemd om mee te gaan met de expeditie, die mij de tyfus gaf, maar ook de Orde van Oranje Nassau. Ik was, geloof ik,  de jongste officier ooit, die deze onderscheiding kreeg. Later in Holland, toen ik deze onderscheiding droeg in mijn knoopsgat van mijn burger kleding, zoals in Holland gebruikelijk was, zei een jongen in de tram tegen zijn moeder : " Kijk, daar is een jongen die het strikje draagt van de Oranje Nassau. Dat is toch niet toegestaan, is het Moeder?". Ik was toen vier en en twintig jaar en blijkbaar zag ik er nog jonger uit.

Einde citaten uit de memoires van James Marnix de Booy over zijn deelname aan de verovering van Bali

Gebruikte Literatuur

Biografisch Woordenboek van Nederland:  F. Wielinga: " Booij, James Marnix de (1885-1969)".
Cohen Stuart., W.J. (1937) De Nederlandsche Zeemacht van 1889-1915 in twee delen. 's Gravenhage -Algemeene Landdrukkerij
Nieuwenkamp, W.O.J. (1906-1909) Bali en Lombok ( 3 delen 'Aan boord van de Zwerver' 1908-1909).
Vanvugt, Ewald (2006) De verovering van Bali. Documentaire reisroman. Derde druk, Uitgeverij In de Knipscheer.. ISBN 90 6265 578 5

In het nationaal archief in Den Haag is zijn archief opgenomen onder de collectie 229 J.M. de Booy, 1944-1950.Archiefbloknummer: C26201
Samenvatting van de inhoud van het archief:
Na een tijd als beroepsofficier bij de marine werkzaam te zijn geweest maakte J.M. de Booy (1885-1969) na de Eerste Wereldoorlog de overstap naar het bedrijfsleven en werkte voor de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM). In 1937 werd hij directeur van de 'Koninklijke'. In mei 1940 week De Booy uit naar Londen, waar hij al snel een vooraanstaande positie innam in de Nederlandse gemeenschap. Hij was bestuurslid van de Netherlands Shipping and Trading Comité, een van de oprichters van het Prins Bernhard Fonds en lid van de Buitengewone Raad van Advies voor de Nederlandse regering. Op 31 mei 1944 werd De Booy minister van Scheepvaart en Visserij. In het derde kabinet Gerbrandy (februari-juni 1945) was De Booy zowel minister van Scheepvaart en Visserij als minister van Marine en in het kabinet Schermerhorn-Drees (juni 1945-juli 1946) was De Booy opnieuw minister van Marine en van Scheepvaart en Handel. December 1948 werd De Booy hoofd van de Nederlandse Militaire Missie (NMM) in Berlijn. Van april 1951 tot zijn pensionering in december 1952 was De Booy de eerste Nederlandse ambassadeur in Bonn bij de Bondsrepubliek Duitsland (BRD). Het archief bevat materiaal over de contacten van J.M. de Booy met het Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (SHAEF) van Eisenhower, november 1944-januari 1945; brieven en memo's in zijn hoedanigheid van minister van Scheepvaart en Marine en dagboeken uit de periode 1948-1950 als hoofd van de Nederlandse Militaire Missie.