Kartini

Links Raden Adjeng Kartini, (1879-1904) met haar zuster Kardinah en halfzuster Roekmini
Raden Adjeng Kartini, of eigenlijk juister Raden Ajoe Kartini,
(Jepara,
21 april
1879 -
Rembang, 17 september
1904), was een
Javaanse aristocrate en voorvechtster van de
rechten van de vrouw. Haar vader,
Raden Mas Sosroningrat was regent van Jepara.
Haar moeder Ngasirah was zijn eerste vrouw, maar niet belangrijkste: in deze tijd was
polygamie een normaal gebruik onder de
aristocratie. Kartini ervoer uit de eerste hand daarom de conflicten en het
lijden die van polygamie het gevolg kunnen zijn. Kartini werd geboren in een
tijd dat vrouwen weinig of geen onderwijs ontvingen. Kartini mocht de
(Nederlandse)
lagere school bezoeken tot zij 12 jaar oud was.
Ze leerde onder andere goed
Nederlands spreken, iets wat voor Javaanse
vrouwen in die tijd zeer ongebruikelijk was. Na haar 12e jaar werd zij thuis
afgezonderd, een normale praktijk om jonge meisjes op hun huwelijk voor te
bereiden. Het was een vorm van opsluiting: de meisjes was het niet toegestaan om
alleen uit te gaan tot zij gehuwd waren en het gezag over hen werd overgedragen
aan hun echtgenoten. De vader van Kartini gaf haar enige privileges in deze
tijd, zoals
borduurlessen en het bezoeken van speciale
gebeurtenissen. Doordat Kartini Nederlands kon spreken, kon zij thuis verder
leren uit Nederlandse boeken (Nederlands was destijds voor geletterde
Indonesiërs de enige toegangspoort tot de Westerse cultuur) en corresponderen
met Nederlandse penvriendinnen.
De ouders van Kartini huwden haar uit aan de
burgemeester van Rembang die reeds drie vrouwen had. Dit was tegen de wil van
Kartini maar zij stemde uiteindelijk toe om haar ziekelijke vader te kalmeren.

Kartini met haar echtgenoot de burgemeester van Rembang
Haar echtgenoot bleek vrij liberaal (voor die tijd).Op 13 september 1904 beviel Kartini van een zoon, maar overleed op 17 september later op de leeftijd van 25 jaar

Graf van Kartini
In korte tijd werden de idealen van Kartini gerealiseerd. Overal begon men
scholen voor meisjes op te richten en kon de emancipatie van vrouwen besproken
worden. Op aandringen van Van Deventer werd in 1912 een Kartini school in
Semarang opgericht. In andere plaatsen werden ook scholen voor meisjes gesticht
zoals Malang, Jakarta, Madiun en Bogor met het Nederlands als voertaal, terwijl
in Cirebon, Rembang, Pekalongan, Inderamayu en Surabaya het Javaans gebruikt
werd als voertaal. Particuliere meisjesscholen werden gesticht zoals Kautaman
Istri in de Preanger, Sisworini in Solo, Mardikenya in
Surabaya en Mardiputri in Banyuwangi.
De invloed van de idealen van Kartini voor het volk bevorderde de opleiding van
vrouwen. R.A. Kartini was de eerste Indonesische vrouw die een onderwijs diploma
behaalde. Zij was een voorvechter voor de vrouwenemancipatie vanuit een
conservatieve adat en verhoogde het prestige van de vrouw.
Op 3 augustus 1964 verklaarde Soekarno, de president van de Republiek
Indonesië, Kartini tot ‘heldin van de nationale vrijheid’. Haar feestdag, Hari
Kartini, is op 21 april. Ze wordt in Indonesië herdacht als een van de eerste
voorvechters van de rechten van vrouwen. In Indonesië is de vrouwenemancipatie
nauw verbonden met de emancipatie van de hele bevolking, en Iboe Kartini
(‘Moeder Kartini’) is niet alleen heilig verklaard als verdediger van haar
‘zusters’ maar ook als patroon van alle moderne Indonesiërs
Lied voor Kartini dat gezongen wordt op Hari
Kartini, 21 april.
Onze moeder Kartini, waarachtige dochter
Dochter van Indonesia, beroemd is haar naam
Onze moeder Kartini. Voorvechter van het volk
Voorvechter van haar groep, voor vrijheid
Och onze moeder Kartini, verheven dochter
Waarachtig groot is haar liefde, voor Indonesia.
Onze moeder Kartini, kundige dochter
Dochter die zich verdienstelijk maakt voor heel Indonesia
Onze moeder Kartini, zuivere dochter,
Onafhankelijke dochter, haar idealen
Och onze moeder
Onze moeder Kartini, voorvechter van de meisjes,
Voorvechter van de vrouwen, van heel Indonesia
Onze moeder Kartini, voorlichter van het verstand
Voorlichter van haar volk, vanwege haar liefde
Och onze moeder……
Deze hierna volgende brieven zijn opgenomen in het boek: Door duisternis tot licht. Gedachten over en voor het Javaansche volk van wijlen Raden Adjeng Kartini. Bijeengegaard en uitgegeven door Mr J.H. Abendonon, 4e druk. Uitgave van de N.V. Electr. drukkerij "Luctor et Emergo".'s-Gravenhage 1923)
18 augustus 1899 Gedeelte van een brief van Kartini aan mejuffrouw
Zeehandelaar (pagina 12)
VerschrikkeIijk zijn eenvoudig de vormen bij ons Javanen. Europeanen, jaren
en jaren in Indië zijnde en veel met Inlandsche grooten in aanraking komende,
kunnen maar geen steek vatten van de Javaansche étiquette, als ze hiervan niet
een bijzondere studie maken. Dikwijls heb ik mijne vrienden dat alles moeten
uitleggen, maar als ik na een uur of wat mijn keel schor heb gepraat, dan weten
ze van onze vormen evenveel als een pas geboren kind.
Om je maar een klein ideetje te geven, hoe lastig onze étiquette, zal je een
paar staaltjes vertellen.
Een jonger zusje of broertje van me mag mij niet voorbijgaan, of moet dit over
den grond kruipende doen. Zit een zusje op een stoel, en ik passeer haar, dan
moet zij zich onmiddellijk op den grond laten neerglijden en daar met gebogen
hoofd blijven zitten, tot ik ver uit haar gezicht ben. Tegen mij mogen mijne
jongere broers en zusters geen jij en je zeggen, en alleen in 't hoog-javaansch
mogen ze mij aanspreken; en na elken volzin die hun van de lippen komt, moeten
ze voor mij een ‘sembah’ maken, dit is beide handen tegen elkaar slaan en even
onder den neus brengen. Spreken mijne zusjes en broertjes met andere menschen
over mij, dan moeten zij alles in 't hoog-javaansch zeggen, wat mij toebehoort,
zooals bijv. mijne kleeren, mijne zitplaats, mijne handen, voeten, oogen en
alles wat van mij is. Mijn eerwaardig hoofd is hun streng verboden aan te raken,
en niet dan met mijne hooge permissie en na eenige malen een ‘sembah’ gemaakt te
hebben, mogen zij 't doen. Staat er wat lekkers op tafel, de kleintjes mogen er
niet aankomen, voordat 't mij behaagt daarvan wat te nemen.
0, je rilt bepaald, als je in zoo'n voornamen Inlandschen familiekring terecht
komt. Praten tegen je meerderen doe je zoo zacht, dat alleen zij die ernaast
staan 't hooren. Als eene jonge dame lacht, 0 hé, mag ze haar mond niet
opendoen. (Lieve help, hoor ik je daar zeggen). ja, Stella, je zult meer vreemde
dingen hooren, als je alles van ons javanen weten wilt. Loopt een meisje, dan
moet zij dit bedaard doen, met kleine, nette stappen, 0 zoo langzaam als een
slak; loop je een beetje vlug, dan schelden ze je uit voor een hollend paard
Brieven van Kartini aan Hilda de Booy-Boissevain in de periode 1901-1903
6 Juni 1901.(p.115)
Lieve Hilda, Laat ik beginnen met u beiden ook
namens de zusjes, recht hartelijk geluk te wenschen met de geboorte van uw
tweede zoontje, van harte hopend, dat hij ook zoo'n lekker gezond kereltje mag
worden als zijn oudste! broertje, waaruit mettertijd een flinke jongen zal
groeien, waar gij beiden met recht trotsch op kunt zijn. Hoe houdt onze kleine
vriend zich onder zijn nieuwe waardigheid van "oudste broer zijn"? Wil hij niet
reeds dadelijk met Alfredje spelen? zoo heet de kleine-, niet waar? Een
Meikindje ! de Genestet maakte daarop zoo'n mooi gedicht, het einde is treurig,
maar voor uw Meikindje hopen wij innig, dat de zegenbeden van den dichter in de
twee laatste coupletten van 't eerste gedeelte geuit, vervuld mogen worden.
Ofschoon gij die regelen natuurlijk zelve reeds kent, kan ik toch niet nalaten
ze hier nog eens even uit te schrijven.
De God der lente spreide U rozen voor den voet, De God der Liefde lei de
U zachtkens, trouwen goed!
Bloei in uw vaders gaarde Bloei aan uw moeders zij,
Hun schoonste bloem op aarde, Gij, knaapje van den Mei!
'k Hoor u lachen, als gij dit zijdje leest, hoe dwaas, hè maar verwonder u er
maar niet over, alle oude tantes zijn . of meer sentimenteel uitgevallen, en tot
die categorie behoort ondergeteekende.

Tom op de schoot van een zuster van Kartini, rechts van Tom de Booij zijn moeder Hilda
19 Augustus 1901.
(p.126)
Wat zult gij dat erg onaardig van mij gevonden hebben, dat ik zoo lang zweeg
op uw lieven brief, uwe allerliefste uitnoodiging en die vriendelijke toezending
van dat lieve kiekje, waar ik zoo blij mee ben. Dat zwijgen was geenszins aan
onhartelijkheid te wijten, maar de door en door gezonde Kartini vond 't nu eens
aardig voor de variatie zieke zus te spelen. 't Was wel zoo leuk om eens erg
vertroeteld te worden, en vond ik 't zoo erg niet om eene kleine ongesteldheid
een beetje te overdrijven. Als geen van de oogenparen, die mij zoo bezorgd
hebben aangezien, nu maar over mijne schouders heenkijkt en dit leest. Jongen,
jongen, wat zal ik er dan van langs krijgen! Die zusjes van me kunnen iemand de
ooren wasschen hoor, dat verzeker ik u. Maar wat doe ik nu, kwaad vertellen van
mijn beste zusjes, 't is wat moois.
Niets is onmogelijk in deze wereld! en wat wij vandaag voor eene groote
onmogelijkheid uitkrijten, is morgen een voldongen feit!
Er is een gisting in de Inlandsche maatschappij, de geest om "vooruit" te komen
is tot haar doorgedrongen en houdt de gemoederen in beweging. Hij stuit echter
op de ingekankerde liefde der Javanen voor die overoude "adat". Er zal nog heel
veel zelfstrijd en andere strijd gestreden moeten worden, voor eenige dier
verouderde denkbeelden en beginselen, die niet aanpassen bij den vooruitgang,
diep in den grond begraven worden, om nooit weder op te staan.
21 Maart 1902. (p.189-203)
Ge hebt gelijk. Zusje's vertrek is voor ons een groot gemis, wij waren zóó lang
en zóó innig samen. Niet ten onrechte zegt men,. dat wij drieën één geworden
waren, één in denken, één in voelen. Dat Zusje ons voorgoed verlaten heeft, wil
nog niet bij ons in 't idee, dat ze van ons is weggegaan en niet weerom komen
zal, is ons onverdraaglijk. Wij denken nog maar steeds, dat ze voor een poos
gaat uit logeeren en op een dag weerom komen zal.
We missen ons Kleintje zoo erg. Doch 't beste is maar om er niet lang bij stil
te staan, want dàt zal wel niet het eenige harde afscheid zijn; nog vele wachten
ons stellig in de toekomst. 't Is onvermijdelijk in ieder leven, scheiden is 't
wachtwoord, 't heele leven door!
,,'t Is verstandig van tijd tot tijd, Een teed'ren, sterken band,
Die 't arme harte bindt en vleit, Te schudden van de hand."
zegt de Genestet,. maar 't is gemakkelijker gezegd dan gedaan,
vindt ge niet? We kregen steeds opgewekte brieven van zusje; zij maakt 't goed
en heeft 't goed. En dat stemt ons zoo dankbaar! Haar geluk is ons geluk: En nu
zal ik aan uw verzoek voldoen, en het een en ander vertellen van zusje's
huwelijk.
Een Inlandsche bruiloft brengt een vreeselijke drukte mee. Reeds dagen, weken
van te voren werden de toebereidselen voor de plechtigheid gemaakt. Wij hadden
zusje's huwelijk vrij stilletjes gevierd, vanwege een sterfgeval in de familie.
Een nichtje van ons en zuster van den bruidegom stierf kort vóór de bruiloft.
Arm mensch, 't was nog zoo'n jong ding, en zij liet kindertjes na. Gij moet
weten, dat zusje met een eigen neef is getrouwd; zijne moeder is eene zuster van
Vader. Vóór dien tijd was hij al eens hier bij ons geweest, maar toen was zij
nog een schoolgaand kind, en dacht niemand aan eene verbintenis. 't Gebeurt
anders meer, dat kinderen verloofd en getrouwd worden, om later, wanneer beiden
groot of volwassen zijn, te trouwen of over te trouwen. De kennismaking van
zusje en haar man is hernieuwd geworden, toen de Gouverneur-Generaal op Semarang
was. Usance is, dat jonge meisjes nooit 't huis uit mogen, tenzij om een haar
wildvreemden echtgenoot te volgen. Maar, zooals ik u reeds zei, wij hebben reeds
met menige traditie gebroken, wat niet anders kan met onze vrije opvoeding. En
wij zijn nog steeds doende met nog meer te breken! Kort vóór haar trouwen mag
een javaansch meisje in 't geheel niet 't huis uitkomen, zij moet binnenshuis of
als zij een eigen kamer 'heeft, dan in hare kamer blijven. En in December waren
we met zusje op Semarang, en liepen er de winkels plat, om zelf 't een en ander
te koopen. Gefeliciteerd wordt 't javaansche meisje niet met haar engagement, en
men spreekt er haar ook niet over; nog minder doet zij 't zelve. Zij doet juist,
of zij er niets van weet. Ik zou wel in de harten mijner landgenooten hebben
willen lezen, toen zij zusje doodgewoon over haar huwelijk hoorden spreken. Wij
zijn dan ook "vreeselijke" wezens. Och, maar is 't bij de beschaafde niet
evenzoo? Daar is men ook spoedig geneigd te veroordelen wat men niet begrijpt. Wij mogen 't onzen armen onwetenden niet kwalijk nemen, en wij
doen 't ook niet. Een dag of twee vóór de huwelijksvoltrekking worden onze
afgestorvenen herdacht. Daar is poëzie in die gedachte. In vreugde herdenken wij
steeds 'onze dooden. Er wordt een offermaaltijd gegeven, waarbij in een gebed
door priesters de zegen der afgestorvenen voor het voorgenomen huwelijk van den
nazaat wordt afgesmeekt. Dit gebeurt bij de bruidsfamilie. Mijn zwager kwam met
zijne familie 'op den dag vóór de huwelijksvoltrekking. De eerste gang van een
Europeeschen bruidegom bij aankomst op de woonplaats zijner bruid zou zijn naar
zijne aanstaande, doch bij ons geen quaestie er van. De bruidegom mag zijne
bruid heelemaal niet zien, vóór de band is gesloten; zelfs zijne familie mag
haar nog niet zien. Den dag voor de huwelijksvoltrekking wordt de bruid in een
bloemenbad gebaad, en daarna wordt ze onder handen genomen door de toekang paès
(bruids(egorns) aankleedster(er), eene vrouw, die tegen belooning zich speciaal
belast met het aankleeden van bruiden). De bruid neemt plaats op een speciaal
voor die gelegenheid vervaardigd kleedje, bestaande uit een matje, waarop
katoentjes en zijdjes genoeg voor een kabaja, op elkaar zijn genaaid; dit
wordt 't eigendom der toekang paès. Om haar heen staan allerlei gebakjes,
benevens sirih, pinangnoten, pisang, een gendie water, rauwe rijst, een
geroosterde kip, en .... een levende kip, en een brandend nachtpitje. Er wordt
wierook gebrand en de toekang paès scheert de bruid de fijne haartjes op 't
gezicht en in den nek af; de haartjes op 't voorhoofd worden gelijk geknipt,
evenals het haar om de ooren; ook de wenkbrauwen worden met een scheermes
gefatsoeneerd. Aan de geknipte voorhoofd-haartjes en 't haar voor de ooren en de
geschoren wenkbrauwen herkent men jonggetrouwde Javaansche vrouwtjes. Tegen een
uur of vier 's middags begint men aan 't toilet der bruid. Het voorhoofd wordt
met zwarte zalf beschi1derd tot even. 'over de ooren, op deze wijze en
het gezicht geblanket, terwijl het haar kapelvorming wordt gekapt en gevuld met
bloemen. Op het kapsel worden zeven juweelen. Op spiralen stelen bevestigd, die
aldoor op en neer wiebelen. Een met goud bewerkte kain, een kabajá van zilver
gaze de lis en de noodige juweelensieraden, als broches, halsketting, armbanden,
oorknoppen en mouwknoopen, voltooien het toilet. Javaansche jonge meisjes mogen
nooit bloemen in 't haar dragen; alleen getrouwde vrouwen mogen dat. Bejaarde
vrouwen ziet men dikwijls met bloemen in 't haar loopen. De avond vóór de
huwelijksvoltrekking heet "widodarenni"; "widoderi" beteekent engel, hemelsch
wezen. Op haar laatsten meisjesavond vergelijkt men 't in het huwelijk tredend
meisje met zulk een hemelsch wezen, en wordt die avond gevierd.
Ge hebt wellicht bij Mevrouw Rooseboom de foto's van 't ]apansch houtsnijwerk
gezien, en ge herinnert u zeker nog de afbeelding van een meubel, dat drie
poorten voorstelt. Welnu dat voorwerp heet "kwade" (uitspraak kwadee) en is een
meubel, dat bij bruiloften dienst doet.
Het fraaie houtsnijwerk, geheel verguld op een purperen fond, was in een groote
zaal in het achtergedeelte van de Kaboepaten opgezet. Alle tafels, stoelen,
banken waren uit dat vertrek verwijderd, en de vloer was gedekt door één groot
alcatief. Aan weerszijden van de met gordijnen en bloemen versierde "kwade"
stonden twee groote koperen vazen, gevuld niet jong klappergroen en bloemen.
Deze vazen heeten "kembang majang" en mogen op geen bruiloft ontbreken. Zoowat
tegen half acht in den vooravond, toen onze vrouwelijke gasten zich in de
"kwade" zaal vereenigd hadden, waar ze in twee rijen aan weerszijden van de
"kwade" op den grond zaten, kwam zusje, aan de hand geleid door onze getrouwde
zuster en schoonzuster buiten, gevolgd door een vrouw, die haar sirihdoos en
kwispeldoor droeg. Zusje nam voor de middelste poort plaats, tusschen hare
familie en de voornaamste gasten in. De sirihdoos en kispeldoor worden naast
zusje neergezet, voor den vorm slechts, want Kleintje eet geen sirih; achter
haar wuifde een klein meisje haar koelte toe. Onbewegelijk als een Boeddabeeld
zat zusje daar op haar gekruiste beenen voor de goudglanzende "kwade", te midden
van stemmig gekleede en stemmig kijkende vrouwen de Inlandsche hoofden, die
daar naar den rang van haar echtgenooten gezeten waren, aan weerszijden van de
bruid. Er werd thee en gebak gepresenteerd; ieder kreeg een kopje thee, en een
paar schaaltjes gebak voor zich, en de bruid en de voornaamste gasten kregen
ieder een apart theeservies en een blaadje vol schaaltjes gebak. Er was als 't
ware een tapijt van gebakjes gespreid voor de gasten, hier en daar onderbroken
door gouden, schildpadden, zilveren en houten sirihdoozen en kwispeldoors. Het
gezelschap bestond uitsluitend uit getrouwde vrouwen; wij ongetrouwden hoorden
er niet bij. Gij hebt waarschijnlijk wel gehoord, dat er voor den Javaan geen
grooter levensmislukking bestaat dan eene ongetrouwd gebleven vrouw, wat meteen
eene schande is. Zoo lang is 't ook nog niet geleden, dat men in 't verlichte
Europa er zoo over dacht, nietwaar? Wij mogen 't dus van het dommelende,
onverlichte Indië niet kwalijk nemen. Als de bruidegom een moeder heeft, dan zit
deze op dien feestavond ook mee aan 't feest van hare a.s. schoondochter. Onze
mannelijke gasten vertoefden met vader in de pendopo, terwijl de bruidegom stil
thuis bleef, waar hij logeerde. Of zusje blij was, toen tegen half tien de
zitting was opgeheven, voor haar alleen. Heel deftig en bedaard schreed ze door
de rijen zittende vrouwen de zaal uit, maar nauwelijks was ze uit 't gezicht, of
ze holde naar onze kamer toe, om zich van al dat gedoe te ontdoen. Nu was ze
weer zusje, ons lief, vroolijk Kleintje, en geen Boeddhabeeldje. Dien avond werd
de Profeet herdacht. Op onze kosten werd in de moskee een groote slametan
(offermaaltijd) aangericht en er werd gebeden, den zegen des hemels voor het
voorgenomen huwelijk afgesmeekt. Aan dat maal zitten uitsluitend mannen. Onze
vrouwelijke gasten aten bij ons thuis; evenzoo de regenten, die over waren
gekomen voor zusje's bruiloft.
24 Januari, reeds vroeg in den morgen, was 't een drukte van belang in de
kaboepaten, die er vroolijk uitzag met zijn groen- en vlaggentooi; ook op straat
was 't druk en levendig. Vroolijk wapperde daar de driekleur uit het ritselend
jong klappergroen, waarmee de weg, die naar 't huis van den bruidegom leidt, was
afgezet. In de groen gemaakte pasébans - twee huisjes op de aloen-aloen voor de kaboepaten - speelde lustig de gamelan.
Bij ons in de achtergalerij stonden manden kanangas, tjempakas en melaties;
vrouwenhandjes regen de bloemen aan slingers, of ontbladerden ze, om er den weg
mee te bestrooien, waarover het bruidspaar zou loopen. Gamelan,
bloemengeur, wierook, bedrijvige menschjes, vulden de kaboepaten, en in onze
kamer werd aan 't toilet der bruid begonnen. Wederom werd 't voorhoofd zwart
beschilderd, maar nu werden de teekeningen versierd met gouden figuurtjes.
Zus lag er bij gedurende de operatie. Achter de zwarte figuren werden zusje twee
stukken kantwerk van zwarte was en verguld geplakt als deze teekening. In de
gaatjes worden juweelen knoopjes gestoken. Bij andere bruiden wordt dat kantwerk
van haar eigen haar met behulp van zwarte was gemaakt. Wij hebben zusje maar
valsche stukken opgezet, omdat 't eene pijnlijke bewerking is, en dat arme kind
pas van knokkelkoorts was hersteld. Achter het kantwerk kwam een gouden
diadeem. Het haar werd op 't achterhoofd halvemaanvormig gekapt en gevuld met
bloemen; daaromheen een sluier van melati met een franje van bloemen, die tot
even aan den schouder reikte. Op 't kapsel werden weder de zeven
wiebelende juweelen bloemen gestoken; aan weerszijden daarvan , een juweelen
bloem, waaraan zes bloemenslingers afhingen, achter de ooren om, over de borst
tot even over het middel. Deze slingers van één vinger dikte bestonden uit witte
bloemen om en om met gouden rolletjes geregen, eindigend in een gele kananga,
met melaties volgestoken. Het wajangcostuum schrijft een décolletée voor, dat
hals, schouders en armen geheel onbedekt laat. Al wat zichtbaar was aan zusje,
behalve het gezicht, dat geblanket was, was met een geurig zalfje geel geverfd.
Zusje droeg een met goud bewerkte kain, waarover eene draperie van met goud
bewerkte zijde kwam, terwijl het geheel opgehouden werd door een geel zijden
ceintuur met lange afhangende einden, van roode zijde, waarop puntfiguren van
goud waren aangebracht. Een lange donkergroene lap, waarop heerlijk de gouden teekeningen uitkwamen, met een lichtgroen middenstuk, werd haar om het bovenlijf
gebonden, armen 'en schouders geheel vrij latende. Door de gele ceintuur, die "niendologiri"
heet, kreeg zusje een gouden, met juweelen versierden drie vingers breeden band
om; daaraan werd een bloemenslinger met afhangende einden bevestigd, loopend van
de eene heup achterom naar de andere. Ze droeg om haar hals een collier in dezen
trant, dat tot bijna aan haar middel reikte. Om de polsen droeg zij armbanden en
om de bovenarmen slangenarmbanden met opgeheven staart en kop, waaraan gouden
kwartjes bengelden. 't Was intusschen ver over vijven 's middags geworden. In de
"kwade" zaal vereenigden zich de vrouwen der Inlandsche hoofden in gala. Van de
"kwade" af tot de pendopo liep een bloementapijt, daarover zou het bruidspaar
gaan. Zusje werd door de zusters naar buiten geleid en nam voor de "kwade"
plaats. De lichten waren alle reeds aangestoken. In de pendopo stonden de
regenten in ambtscostuum; een paar Europeesche kennissen waren er ook, die zusje
graag nog voor 't laatst als jong meisje wilden zien. Op de aloen-aloen, op 't
erf van de kaboepaten was 't zwart van menschen; alleen de weg, die met groen en
vlaggen was afgezet bleef vrij. Daar zag men in de verte een gele streep; zij
naderde, en men ontwaarde een zwerm opgestoken goudgestreepte zonneschermen,
waaronder hunne eigenaren, de Inlandsche ambtenaren in groot tenue liepen. 't
Was de stoet, die den bruidegom voorafging; deze reed met de regenten in een
open wagen gedekt door een goudglanzend zonnescherm. Van de pasébans en de
Kaboepaten klonk gamelanmuziek den naderenden stoet tegemoet. De stoet bereikte
de Kaboepaten, hield voor de pendopo stil; al de Inlandsche hoofden hurkten
neer; de bruidegom steeg uit het rijtuig, en ging, geleid door de hem
vergezellende regenten, de trappen op naar het midden van de pendopo, waar zij
alle drie op een groot tapijt neerknielden, zaten en hun eerbied aan Vader en de
andere regenten betuigden. De twee regenten traden knielend achteruit en even
bleef de bruidegom in wajangkostuum alleen, midden in de pendopo maar dra vormden
de Inlandsche hoofden een carré om hem heen, waarin weder een kleiner carré werd
gevormd door priesters. Aan het hoofdeinde zaten de regenten, mede op den grond
en Vader het dichtst bij den bruidegom en den hoofdpriester, die 't huwelijk
voltrekken zou. Vader deelde den aanwezigen het doel der bijeenkomst mee,
waarna hij den Panghoeloe (hoofdpriester) verzocht zijne dochter in den echt te
willen verbinden met den bruidegom. Uit den menschenhoop midden in de pendopo
steeg een mystiek gebrom op. Er werd gebeden.'t Speet mij zoo erg, dat
wij er niet dicht bij konden kijken. Een onderwijzeresje, eene vriendin van ons,
zusje Roekmini en ik waren de eenige vrouwen in de pendopo, die gevuld, was met
mannen.
't Was al heel mooi, dat men ons daar toeliet, waar we: stonden; wij hadden maar
zelf ons die vrijheid gegeven. Maar om heelemaal bij de mannen te zijn om de
huwelijksvoltrekking van nabij bij te wonen, ging niet; jammer, wij hadden zoo
graag de trouwformulieren gehoord en hoe alles in zijn werk toeging. Wij weten
alleen maar dat onder het uitspreken van de trouwformulieren de Priester de hand
van den bruidegom vasthoudt en deze hem moet nazeggen. De plechtigheid duurde op
zijn hoogst een kwartier, maar ons leken de minuten uren. 't Was zoo plechtig
stil in de: pendopo; slechts het mystiek gezang der priesters werd gehoord. Er
kwam beweging in den menschenhoop in de pendopo; de priesters schuifelden op
hunne knieën achteruit. Het huwelijk was voltrokken.
De regenten stonden op; twee van hen hieven den bruidegom op, en nu werd de
tocht over het bloementapijt aanvaard, gevolgd door de overige regenten. Achter
in de "kwade" -zaal hieven de zustern de bruid op, en ook zij aanvaardden de
wandeling over den bloemenweg, gevolgd door Mama en al de vrouwelijke gasten.
Als de bruid en de bruidegom elkaar op eenige passen na genaderd waren, lieten
hunne geleiders hen los, en het bruidspaar wierp elkaar een- opgerold sirihblad
gevuld met bloemen toe. Nog een paar passen traden zij elkaar tegemoet, en
beiden knielden neer, en met hen het geheele gezelschap. De bruidegom zat; op
hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe, zat en maakte een sembah - de
beide handen tegen elkaar geslagen en even onder den neus gebracht (dat is onze
eerbiedsbetuiging) en kuste hem de rechterknie. Weer maakte de bruid een sembah.
Zelf opstaande, hief de bruidegom zijne vrouw op, en hand aan hand wandelde het
jonge paar over den bloemenweg naar de "kwade", gevolgd door het geheele
gezelschap; de regenten keerden echter naar de pendopo terug. Bruid en bruidegom
namen voor de "kwade" plaats als twee Boeddhabeelden; aan weerszijden schaarden
zich de familie en de damesgasten. Achter het bruidspaar zaten twee kleine
meisjes, die met waaiers hun koelte toewuifden. In de meeste gevallen is 't bij
die ontmoeting de eerste keer, dat man en vrouw elkaar zien. Omstreeks halfzeven
kwamen de regenten binnen, en vormden op den grond gezeten een halven kring om
het bruidspaar; de andere helft werd gevormd door de vrouwelijke familieleden.
Het bruidspaar bracht aan oudere familieleden den voetkus. De bruid eerst
richtte zich op, en 'schoof op hare knieën naar Mama toe, maakte een sembah en
kuste Mama de knie; zóó ontving zij den moederlijken zegen voor haar huwelijk.
Van Mama ging zusje naar de tantes, zusters en nichtjes, allen ouder dan zij, om
dezelfde ceremonie te herhalen. En daarop ging zij naar Vader, om hem de knie
kussend, zijnen zegen te ontvangen; vandaar naar haren schoonvader, daarna naar
ooms en neven. Als zij, na allen den voetkus gebracht te hebben, weder op hare
plaats was teruggekeerd, begon de bruidegom den voetkustocht; hij volgde 't
spoor zijner vrouw. Als ook hij de ceremonie volbracht had, verwijderden zich de
regenten en er werd thee en gebak gepresenteerd, als den vorigen avond. Om
halfacht werd 't het bruidspaar vergund, zich te verwijderen. Hand aan hand
verlieten zij de zaal. Eigenlijk moesten zij dit op hunne knieën doen, maar
aangezien beiden pas van eene ongesteldheid waren hersteld, mochten zij de zaal
uitwandelen. Bij andere families moeten de bruidegoms bij aankomst in 't huis
hunner schoonouders, vóór de ontmoeting met hunne vrouwen, de trappen opkruipen,
in plaats van oploopen. Dat zijn dan hofmanieren. De bruidegom begaf zich naar
de bruidskamer en zusje naar onze kamer, waar wij haar voor de receptie van
Europeanen kleedden.
Het werk van één dag, dat was 't bruidstoilet van zusje, werd in 5 minuutjes te
niet gedaan. Alleen 't kapsel en de versieringen op 't voorhoofd lieten we
onaangeroerd. Wij, jonge meisjes, mochten haar eigenlijk niet aankleeden, maar
wij deden 't toch maar. Wij vonden 't al te zot, dat wij zusje niet in haar
bruidstoilet zouden mogen steken. Zusje kreeg een zijden met goud doorweven kain
aan en een kabaja van ivoorkleurig satijn met zilverborduursel. Ze kreeg een
andere juweelen collier om. De juweelen bloemen in 't haar, evenals het diadeem,
werden haar afgenomen; zij kreeg er voor in de plaats een g,ouden kroon op,
waaraan een sluier hing. Op haar hoofd werden nu andere juweelen bloemen op
spiralen stelen bevestigd. Zoo ,gesluierd en gekroond, was het of de bruid van
een plaatje uit duizend en een nacht was gestapt. Zusje had dan ook het kostuum
aan van een sprookjes-prinses, uit een der verhalen van 1001 nacht. Het stond
haar zoo goed; trouwens het wajangkostuum ook. Jammer, dat wij haar niet zoo
konden laten photograferen. De bruidegom verscheen in zijn ambtskostuum. Nog
eens zat 't bruidspaar voor de "kwade"; even vóór achten gingen zij gearmd naar
de voorgalerij, waar voor een achtergrond van palmen, twee vergulde zetels voor
hen klaarstonden. Staande ontvingen zij de gelukwenschen der Europeesche dames
en heeren.
't Heette dan wel een receptie, maar de dansgrage voetjes zweefden toch maar op
de tonen der muziek door de ruime pendopo; ook het bruidspaar wandelde gearmd
een paar keer de pendopo rond. Usance is 't niet, dat jonge meisjes op een
bruiloftsfeest verschijnen, maar 't zou al te gek zijn, als WIJ
op zusje's feest wegbleven. Even vóór twaalven toastte de Resident,
die ook over was gekomen, op het jonge paar, welke toespraak door Vader werd
beantwoord. Na afloop hiervan namen de Europeesche gasten afscheid, maar de
Resident en een paar anderen, waaronder ook eene dame, ons vriendinnetje, bleven
nog, om 't Inlanrdsch gedeelte van het feest bij te wonen. Na het vertrek der
Eur'opeesche gasten kwamen de Inlandsche hoofden, die zich gedurende de
receptie, op zij van de pendopo opgehouden hadden, te voorschijn en vormde in 't
midden der pendopo een halven kring, waarin de bruidegom eene proeve van zijn
danskunst zou afleggen. De regenten, evenals alle andere Inlandsche hoofden,
hadden zich intusschen in klein tenue gestoken. Daar speelde de gamelan, en een
dansmeisje trad op en danste in den carré. De Patih van Japara bracht geknield
den bruidegom een zilveren blad, waarop een zijden doek lag. Als de bruidegom
den doek in ontvangst had genomen, verwijderde zich de brenger. Zachte
gamelantonen weerklonken; 't was een prelude, een uitnoodiging aan den held van
't feest, om 't feest te openen. De bruidegom stond op, en ging in midden van de
pendopo staan; hij bevestigde de zijden doek, waarmede hij dansen zou, aan zijn
kris en gaf den gamelanspelers zijn lijflied op, dat onmiddellijk werd ingeluid
en gespeeld.
Ik zal er mij maar niet aan wagen, den dans te beschrijven; daartoe is mijn pen
veel te onbekwaam. Ik zeg alleen maar, dat 't een lust was voor de oogen om den
lenigen danser en zijne sierlijke dansbewegingen op de tonen van mooie
gamelanmuziek te volgen. Achter hem aan danste het dansmeisje, dat er ook
bij zong. De hen omringende Inlandsche hoofden accompagneerden de muziek, door
een zang met handgeklap. Tegen 't einde van den dans, kwam de Resident met twee
glazen champagne naar den danser toe. Juist als de gong inviel, waarmede 't
einde van een zang wordt aangeduid zegen danser en danseres op hunne knieën
neer. Met een sembah ontving de danser een glas van den Resident en onder
hoerah-geroep en jubelende gamelantonen ledigden de brenger en ontvanger hunne
glazen. Een bediende nam de ledige glazen in ontvangst, waarop de Resident zich
verwijderde. De bruidegom stond weder op en begon opnieuw te dansen. Nu bracht
Schoonpapa hem een heil dronk; dansend gingen ze elkaar tegemoet, en bij 't
vallen van den gong knielde de jongere neer om den heildronk van den oudere in
ontvangst te nemen. Eerst als alle aanwezige regenten hem den heildronk gebracht hadden, mocht hij den carré verlaten, en weer naast zijne vrouw
zitten. Kort daarop verwijderde het bruidspaar zich; de Europeesche gasten
gingen naar huis, en het feest werd door de hoofden tot vroeg in den morgen
voortgezet. De heeren hadden ook nog meegetandakt, vooral onze
assistent-resident deed 't keurig. Ma, ons vriendinnetje, zus Roekmini en ik
woonden 't feest bij, tot onze laatste Europeesche gast was opgestapt.
Den volgenden dag bracht 't bruidspaar stilletjes thuis door. In den vooravond
van dien dag zou de laatste ceremonie, die 't bruidspaar hier te verrichten had,
plaats hebben. Het is, het eerste bezoek brengen van 't bruidspaaar aan de
ouders van den bruidegom. Het heet in 't Javaans '"ngoendoh mantoe" , welks
letterlijke vertaling luidt: schoondochter plukken. De schoondochter wordt met
een bloem vergeleken, die de schoonouders voor hun zoon plukken.
Eigenlijk moest het bruidspaar zich voor deze gelegenheid weer in 't
bruidskostuum steken, maar 't was veel te vermoeiend, waarom het dan ook maar
nagelaten werd. De bruidegom was gewoon gekleed; zusje had weer een met goud
doorweven kain aan en een zijden kabaja; het haar was kapelvormig gekapt; de met
een kruis gemerkte vakjes met bloemen gevuld, en over het geheel werd een
netwerk van melaties bevestigd, en wiebelden weder de juweelen bloemen op
het kapsel. In optocht reed het bruidspaar, voorafgegaan en gevolgd door
Inlandsche hoofden te voet, naar 't huis waar de vader van den bruidegom
logeerde.
Dagen, weken na de bruiloft, heeten de jonggetrouwden nog bruid en bruidegom; en
de bruid doorgaans zoolang tot zij mama is geworden. Er zijn vrouwen, moeders,
die levenslang "nganten", verkorting van "pengantèn" (bruid, ook bruidegom)
heeten. De dagen na de bruiloft werden besteed met visites maken, bij Europeanen
en Inlanders. Vijf dagen na de huwelijksvoltrekking was er weer een feest in de
Kaboepaten; de eerste wederkeer van den passerdag, waarop 't huwelijk gesloten
wordt, werd gevierd. Een week na de bruiloft vertrokken de jonggehuwden; overal
gefêteerd door familieleden, bij wie zij op hunne doorreis naar hunne woning
ophielden. Op Tegal werd 't huwelijk weer gevierd; daar bleven ze nog een week,
voordat ze eindelijk naar hunne eigen woning in Pemalang trokken.
Ziezoo, daar hebt ge eene beschrijving van een Javaansch huwelijk in hooge
kringen. Zusje's bruiloft heette een stille bruiloft en zij bracht al zoo'n
gedoe mee; hoe dan een bruiloft, die feestelijk wordt gevierd?
We waren doodop na de bruiloft. Cadeaux, die Inlanders elkaar bij bruiloften
geven, bestaan uit kleedingstukken, als kains, borstlappen, hoofddoeken, zijdjes
voor kabaja's,of laken voor een jas, en ook wel eetwaren, als rijst, eieren,
kippen, karbouwen; deze zijn dan meer bestemd voor de te geven slamatans ter
gelegenheid van de bruiloft. Zoo kreeg Kardinah o a. ook een prachtige stier van
een oom. Dit had eigenlijk ook bij de andere cadeaux moeten mee tentoongesteld
worden!!!
O ja, nog iets; als men bij gelegenheid van een bruiloft een karbouw slacht - er
worden doorgaans meer dan een voor de feestmaaltijden geslacht - dan zet men op
alle mogelijke hoeken en gaten een gevlochten bamboezen bakje, gevuld met sirih,
koekjes, pinangnoot, een stukje vleesch, wat geronnen bloed van den geslachten
karbouw, en bloemen neer, op kruiswegen, bruggen en de putten op 't erf; het is
een offer aan de geesten, die daar wonen. Worden deze brug-, weg- en putgeesten
niet herdacht, dan nemen zij het den feestvierenden kwalijk, en zal er een
ongeluk gebeuren. Alzoo luidt 't volkgeloof! Waar dit zijn oorsprong heeft, weet
ik niet precies.
Hoe vindt'ge dat alles, Hilda? Een vriend van ons zegt terecht, het Javaansche
volk is een volk van sprookjes en herinneringen.
Wie zal eens dat volk uit 't rijk van sagen en legenden naar 't leven van
daadwerkelijkheid voeren? Daar moet 't toch naar toe. En door 't bijgeloof van
zich af te schudden, hoeven zij daarom de poëzie niet met de voeten te treden.
Doch wat praat ik toch, laat ik u liever vragen, of gij tevreden zijt met dit
epistel, en of gij mij nu dat lange wachten vergeven wilt. Er is zooveel liefs
in mijn volk zooveel poëzie in zijn bekoorlijk naïef geloof. 't Moge dan vreemd
klinken, maar 't is niettemin een feit; gij Europeanen, hebt mij geleerd, mijn
eigen land en volk lief te hebben. De Europeesche opvoeding heeft ons instede
van ons van onze natie te vervreemden, ons nader er toe gebracht; zij heeft ons
de oogen en 't hart geopend voor de schoonheden van ons land en volk, en ook
voor hunne:nooden .... hunne wondeplekken. Wij hebben ons land en volk zoo
lief! al konden wij eens iets doen, dat tot het geluk bijdraagt; wat zullen wij
dan gelukkig zijn! Doch laat ik je nu niet langer vervelen, met het gekrabbel
van een "dwaas" Javaansch jongmeisje, ik heb 't nu reeds genoeg gedaan.
Als naschrift: Op sommige plaatsen is 't gebruik, dat bij de ontmoeting van een
bruidspaar, de bruid, als teeken van de onderdanigheid, den bruidegom de voeten
afwascht, alvorens zij hem den kniekus geeft. Wanneer een weduwnaar met een
jongmeisje trouwt of eene weduwe met een jongmensch, dan houdt· bij de
ontmoeting, als het sirihwerpen is afgeloopen, degene die al eens getrouwd is
geweest, de andere een brandend stuk hout voor; deze krijgt een waterkan in de
hand, en giet haar inhoud uit op 't vuur, dat natuurlijk uitdooft, waarna
het uitgebluschte brandhout wordt weggeworpen en de waterkan kapot gegooid. De
bedoeling of beteekenis van deze symboliek hoef ik u wel niet uit te leggen; zij
is duidelijk genoeg.
Gij hadt Zusje moeten zien, toen zij daar als Boeddhabeeld poseerde voor de
"kwade"; zóó had ze gephotografeerd moeten worden, of neen, geschilderd liever,
want dan kon men de kleuren zien. Hoe rustig en kalm schreed ze daar over het
b1oementapijt, overal bloemen en wierookgeur verspreidend; ja waarlijk zij had
veel van een Bodhisatwa! Ik kan geen gamelan hooren, bloemengeur vermengd met
wierook inademen, of zij voeren mij naar 't verleden terug. De menschen raapten
de bloemen, waarop zusje had geloopen, op, om ze te bewaren; zij brengen geluk
aan, zegt men, en aan jongedochters een man!!!! Ik heb hier een heel mooi boek
van 't Boeddhisme. 't Heet "De ziel van een volk"; heerlijk mooi!
26 Mei 1902. (p.218-221)
17 Juni 1902. (p. 226-227)
14 juli 1903 Brief van Kartini aan mevrouw R.M. Abendanon-Mandri en haar echtgenoot (deze brief is niet opgenomen in: Door duisternis tot licht)
7 September 1904. Rembang. Brief van Kartini aan mevrouw R.M. Abendonon-
Mandri (pagina 383-385)
Mijn liefste Moedertje, Hoe zal ik u danken voor het schattige jurkje dat u ons
kindje gaf. Het heeft voor ons des te meer waarde, omdat wij weten in welke
omstandigheden u aan het geschenk voor uw kleinkindje gewerkt heeft. Van
Roekmini weten we dat u het slecht maakt sedert uw terugkeer op Batavia. Te
bedenken dat u zelf ongesteld zijnde, zooveel zorgen aan 't hoofd hebbende, en
bovendien als altijd in eene groote drukte zittende, toch den tijd kon vinden
om zulk een geduld-werkje te doen voor ons kind. Wel groot moet uwe vriendschap,
diep en innig uwe liefde voor me zijn! Met vochtige oogen en een dankbaar,
gelukkig hart bezag ik gisteren het jurkje, en telkens weer moet ik het zien!
Daar spreekt zooveel uit! Moedertje liefste! U heeft er uw dochter zóó gelukkig
mee gemaakt. Het beeldige ornament je zal ik later uw kleinkind om den hals
hangen, als het niet meer op zijn jurkje kan gedragen worden. En ik zal het
verder voor hem bewaren, tot hij begrijpen kan, als ik hem vertel van de lieve
die God zijn moeder gezonden heeft, opdat het ornament je hem even dierbaar
wordt als het nu voor zijn moeder is. Mijn man zei me .gisteren bij de ontvangst
van uw cadeau: "Ga Moedertje dadelijk schrijven, vrouw, het kon anders te laat
zijn!" En ik heb zijn raad gevolgd en meteen de stem van mijn hart. Ons kindje
is er nog niet, maar het kan er elk oogenblik zijn. Ik voel, dat zijn komst heel
nabij is! Innig dank voor uwe bemoedigende woorden, liefste! De gedachte, dat
daar ver van me een ziel, die een stuk is van mijn ziel, voor me hoopt en bidt,
maakt me sterk, doet me zoo oneindig goed! Menschen, die me deze laatste
dagen zien, vinden mij bijzonder opgewekt. Hoe zou ik niet opgewekt zijn, waar
zoo'n groot geluk me wacht? Wat tellen al die uren van: pijn, waar zulk een zoet
geluk, die prijs van is? Ik verlang al zoo naar mijn kleine schat. Het is wel
zoet te weten, dat zoo velen deze laatste dagen met me leven. Of ik niet weet,
hoe mijn lieven thuis, uur aan uur met me meeleven, voor me hopen en bidden.
Waar zoovele harten eenzelfde bede doen, daar zal de Hemel niet doof er voor
blijven. Moeske, ik ben er zoo vast van overtuigd, dat uw dochter het goed zal
afbrengen. Natuurlijk hoort u het dadelijk, als de groote gebeurtenis plaats
heeft. Och, kon u, mijn lieve engel, maar aan de wieg van ons kindje staan! Wat
zal ik zalig gelukkig zijn! Ik weet, dat u ons kindje zal liefhebben, ook al is
het een grooter mormel dan zijn moedertje is! Als het maar niet mormelig in hart
en geest is, dan is het goed, hè Moeske! En dat kan haast niet, tenzij kwade
geesten waken bij zijn wieg. Maar daar zal uw talisman wel voor zorgen, kwade
geesten van uw kleinkindje afweren. Mijn moeder is al sinds twee weken bij me en
nog een oud grootmoedertje om me bij te staan in de moeilijke oogenblikken, die
komen gaan. Ik word hier verzorgd, vertroeteld en bewaakt als een prinsesje. De
luiermand, het bedje, alles staat in onze kamer klaar voor de komst van ons
schatje. En Moeske, hoe gaat het u a.s. Grootmamaatje? Hoe maakt Mijnheer het?
a! zoo innig hoop ik dat deze u beiden in den allerbesten welstand zal bereiken.
Hoe gaat het met Edie? Is hij nog in Ohina? Ik las met belangstelling zijn stuk
in Elseviers maandschrift. Wat schrijft die jongen goed! Broer Edie, zou hij
zich mijner nog herinneren? Ik heb er nog altijd hartzeer over, dat ik hem niet
in persoon heb mogen ontmoeten. En nu, nu is de kans daarop heelemaal verkeken!
Als u hem schrijft, doe hem de hartelijke groeten van zusje Kartini; vertel hem
van mijn mooi geluk, en dat wij beiden hem in sympathie ,gedenken. Wat riekt het
vruchtje heerlijk, echt Inlandsch parfum! Ik heb het jurkje in een kistje bij
andere kleertjes opgeborgen, opdat ook deze lekker zullen ruiken. Wat zal mijn
schat later heerlijk rieken! Goeden nacht, liefste Moedertje, ontvang nogmaals
ons beider innigsten dank. Groet Mijnheer hartelijk van ons beiden, en wees zelf
ferm gekust van uw eigen dochtertje KARTINI.
Deze brief was haar laatste. Heel kort daarop, 13 September 1904, werd haar zoontje geboren, en vier dagen later werd zij onverwacht weggeroepen van allen, die haar dierbaar waren en voor wie zij zoo gaarne nog was blijven voortleven. Met diepen smart waren de harten vervuld van zoovelen, die haar hadden lief gehad, maar .de edele gedachten en gevoelens die haar bezielden, zijn als telkens op nieuw ontluikende bloemen, die als vertroosting doen beseffen dat haar leven, hoe kort ook, rijk is aan heilzame gevolgen, al mocht zij zelve daarvan geen getuige zijn.
Postscripta
Patrick Vanden Berghe 'Mijn pen kunnen ze me niet ontnemen’ Leven en werk van Raden Ajeng Kartini (1879-1904) In Streven Cultureel Maatschappelijk Maandblad. December 2004In de Javabode van 19 september 1904 stond tussen enkele berichten over de Russisch-Japanse oorlog een In Memoriam. ‘Zaterdag overleed te Rembang Raden Ajoe Djojo-adiningrat Kartini, echtgenote van de regent van Rembang, een der begaafde dochters van den regent van Japara, die veel van zich hebben doen spreken door hun streven den Javaan en zijne vrouwen en dochters geestelijk op te heffen. Zij had zich dit als levensdoel gesteld en hoopte in haar huwelijk, […], in staat te zijn nog meer tot stand te brengen.’Het had niet mogen zijn: Kartini, vijfentwintig jaar en net bevallen van haar eerste zoon, overleed in het kraambed. Met haar stierf een van de meest beloftevolle uitdragers van de nieuwe wind die langzaam over de kolonie Nederlands-Indië begon te waaien.
*)Link naar het manifest van Kartini: Geef den Javaan opvoeding