Kartini

Links Raden Adjeng Kartini, (1879-1904) met haar  zuster Kardinah en halfzuster Roekmini

Raden Adjeng Kartini, of eigenlijk juister Raden Ajoe Kartini, (Jepara, 21 april 1879 - Rembang, 17 september 1904), was een Javaanse aristocrate en voorvechtster van de rechten van de vrouw. Haar vader, Raden Mas Sosroningrat was regent van Jepara. Haar moeder Ngasirah was zijn eerste vrouw, maar niet belangrijkste: in deze tijd was polygamie een normaal gebruik onder de aristocratie. Kartini ervoer uit de eerste hand daarom de conflicten en het lijden die van polygamie het gevolg kunnen zijn. Kartini werd geboren in een tijd dat vrouwen weinig of geen onderwijs ontvingen. Kartini mocht de (Nederlandse) lagere school bezoeken tot zij 12 jaar oud was. Ze leerde onder andere goed Nederlands spreken, iets wat voor Javaanse vrouwen in die tijd zeer ongebruikelijk was. Na haar 12e jaar werd zij thuis afgezonderd, een normale praktijk om jonge meisjes op hun huwelijk voor te bereiden. Het was een vorm van opsluiting: de meisjes was het niet toegestaan om alleen uit te gaan tot zij gehuwd waren en het gezag over hen werd overgedragen aan hun echtgenoten. De vader van Kartini gaf haar enige privileges in deze tijd, zoals borduurlessen en het bezoeken van speciale gebeurtenissen. Doordat Kartini Nederlands kon spreken, kon zij thuis verder leren uit Nederlandse boeken (Nederlands was destijds voor geletterde Indonesiërs de enige toegangspoort tot de Westerse cultuur) en corresponderen met Nederlandse penvriendinnen.  
De ouders van Kartini huwden haar uit aan de burgemeester van Rembang die reeds drie vrouwen had. Dit was tegen de wil van Kartini maar zij stemde uiteindelijk toe om haar ziekelijke vader te kalmeren.

 

Kartini met haar echtgenoot de burgemeester van Rembang

Haar echtgenoot bleek vrij liberaal (voor die tijd).Op 13 september 1904 beviel Kartini van een zoon, maar overleed op 17 september later op de leeftijd van 25 jaar

Graf van Kartini

In korte tijd werden de idealen van Kartini gerealiseerd. Overal begon men scholen voor meisjes op te richten en kon de emancipatie van vrouwen besproken worden. Op aandringen van Van Deventer werd in 1912 een Kartini school in Semarang opgericht. In andere plaatsen werden ook scholen voor meisjes gesticht zoals Malang, Jakarta, Madiun en Bogor met het Nederlands als voertaal, terwijl in Cirebon, Rembang, Pekalongan, Inderamayu en Surabaya het Javaans gebruikt werd als voertaal. Particuliere meisjesscholen werden gesticht zoals Kautaman Istri in de Preanger, Sisworini in Solo, Mardikenya in Surabaya en Mardiputri in Banyuwangi.
De invloed van de idealen van Kartini voor het volk bevorderde de opleiding van vrouwen. R.A. Kartini was de eerste Indonesische vrouw die een onderwijs diploma behaalde. Zij was een voorvechter voor de vrouwenemancipatie vanuit een conservatieve adat en verhoogde het prestige van de vrouw.

Op 3 augustus 1964 verklaarde Soekarno, de president van de Republiek Indonesië, Kartini tot ‘heldin van de nationale vrijheid’. Haar feestdag, Hari Kartini, is op 21 april. Ze wordt in Indonesië herdacht als een van de eerste voorvechters van de rechten van vrouwen. In Indonesië is de vrouwenemancipatie nauw verbonden met de emancipatie van de hele bevolking, en Iboe Kartini (‘Moeder Kartini’) is niet alleen heilig verklaard als verdediger van haar ‘zusters’ maar ook als patroon van alle moderne Indonesiërs

Lied voor Kartini dat gezongen wordt op Hari Kartini, 21 april.

Onze moeder Kartini, waarachtige dochter
Dochter van Indonesia, beroemd is haar naam
Onze moeder Kartini. Voorvechter van het volk
Voorvechter van haar groep, voor vrijheid
Och onze moeder Kartini, verheven dochter
Waarachtig groot is haar liefde, voor Indonesia.

Onze moeder Kartini, kundige dochter
Dochter die zich verdienstelijk maakt voor heel Indonesia
Onze moeder Kartini, zuivere dochter,
Onafhankelijke dochter, haar idealen
Och onze moeder

Onze moeder Kartini, voorvechter van de meisjes,
Voorvechter van de vrouwen, van heel Indonesia
Onze moeder Kartini, voorlichter van het verstand
Voorlichter van haar volk, vanwege haar liefde
Och onze moeder……

Deze hierna volgende brieven zijn opgenomen in het boek: Door duisternis tot licht. Gedachten over en voor het Javaansche volk van wijlen Raden Adjeng Kartini.  Bijeengegaard en uitgegeven door Mr J.H. Abendonon, 4e druk. Uitgave van de N.V. Electr. drukkerij "Luctor  et Emergo".'s-Gravenhage 1923)

18 augustus 1899 Gedeelte van een brief van Kartini aan mejuffrouw Zeehandelaar (pagina 12)
VerschrikkeIijk zijn eenvoudig de vormen bij ons Javanen. Europeanen, jaren en jaren in Indië zijnde en veel met Inlandsche grooten in aanraking komende, kunnen maar geen steek vatten van de Javaansche étiquette, als ze hiervan niet een bijzondere studie maken. Dikwijls heb ik mijne vrienden dat alles moeten uitleggen, maar als ik na een uur of wat mijn keel schor heb gepraat, dan weten ze van onze vormen evenveel als een pas geboren kind.
Om je maar een klein ideetje te geven, hoe lastig onze étiquette, zal je een paar staaltjes vertellen.
Een jonger zusje of broertje van me mag mij niet voorbijgaan, of moet dit over den grond kruipende doen. Zit een zusje op een stoel, en ik passeer haar, dan moet zij zich onmiddellijk op den grond laten neerglijden en daar met gebogen hoofd blijven zitten, tot ik ver uit haar gezicht ben. Tegen mij mogen mijne jongere broers en zusters geen jij en je zeggen, en alleen in 't hoog-javaansch mogen ze mij aanspreken; en na elken volzin die hun van de lippen komt, moeten ze voor mij een ‘sembah’ maken, dit is beide handen tegen elkaar slaan en even onder den neus brengen. Spreken mijne zusjes en broertjes met andere menschen over mij, dan moeten zij alles in 't hoog-javaansch zeggen, wat mij toebehoort, zooals bijv. mijne kleeren, mijne zitplaats, mijne handen, voeten, oogen en alles wat van mij is. Mijn eerwaardig hoofd is hun streng verboden aan te raken, en niet dan met mijne hooge permissie en na eenige malen een ‘sembah’ gemaakt te hebben, mogen zij 't doen. Staat er wat lekkers op tafel, de kleintjes mogen er niet aankomen, voordat 't mij behaagt daarvan wat te nemen.
0, je rilt bepaald, als je in zoo'n voornamen Inlandschen familiekring terecht komt. Praten tegen je meerderen doe je zoo zacht, dat alleen zij die ernaast staan 't hooren. Als eene jonge dame lacht, 0 hé, mag ze haar mond niet opendoen. (Lieve help, hoor ik je daar zeggen). ja, Stella, je zult meer vreemde dingen hooren, als je alles van ons javanen weten wilt. Loopt een meisje, dan moet zij dit bedaard doen, met kleine, nette stappen, 0 zoo langzaam als een slak; loop je een beetje vlug, dan schelden ze je uit voor een hollend paard

Brieven van Kartini aan Hilda de Booy-Boissevain in de periode 1901-1903
6 Juni 1901.
(p.115)
Lieve Hilda, Laat ik beginnen met u beiden ook namens de zusjes, recht hartelijk geluk te wenschen met de geboorte van uw tweede zoontje, van harte hopend, dat hij ook zoo'n lekker gezond kereltje mag worden als zijn oudste! broertje, waaruit mettertijd een flinke jongen zal groeien, waar gij beiden met recht trotsch op kunt zijn. Hoe houdt onze kleine vriend zich onder zijn nieuwe waardigheid van "oudste broer zijn"? Wil hij niet reeds dadelijk met Alfredje spelen? zoo heet de kleine-, niet waar? Een Meikindje ! de Genestet maakte daarop zoo'n mooi gedicht, het einde is treurig, maar voor uw Meikindje hopen wij innig, dat de zegenbeden van den dichter in de twee laatste coupletten van 't eerste gedeelte geuit, vervuld mogen worden. Ofschoon gij die regelen natuurlijk zelve reeds kent, kan ik toch niet nalaten ze hier nog eens even uit te schrijven.
De God der lente spreide U rozen voor den voet, De God der Liefde lei de
U zachtkens, trouwen goed!
Bloei in uw vaders gaarde Bloei aan uw moeders zij,
Hun schoonste bloem op aarde, Gij, knaapje van den Mei!
'k Hoor u lachen, als gij dit zijdje leest, hoe dwaas, hè maar verwonder u er maar niet over, alle oude tantes zijn . of meer sentimenteel uitgevallen, en tot die categorie behoort ondergeteekende.

Tom op de schoot van een zuster van Kartini, rechts van Tom de Booij  zijn moeder Hilda

19 Augustus 1901. (p.126)
Wat zult gij dat erg onaardig van mij gevonden hebben, dat ik zoo lang zweeg op uw lieven brief, uwe allerliefste uitnoodiging en die vriendelijke toezending van dat lieve kiekje, waar ik zoo blij mee ben. Dat zwijgen was geenszins aan onhartelijkheid te wijten, maar de door en door gezonde Kartini vond 't nu eens aardig voor de variatie zieke zus te spelen. 't Was wel zoo leuk om eens erg vertroeteld te worden, en vond ik 't zoo erg niet om eene kleine ongesteldheid een beetje te overdrijven. Als geen van de oogenparen, die mij zoo bezorgd hebben aangezien, nu maar over mijne schouders heenkijkt en dit leest. Jongen, jongen, wat zal ik er dan van langs krijgen! Die zusjes van me kunnen iemand de ooren wasschen hoor, dat verzeker ik u. Maar wat doe ik nu, kwaad vertellen van mijn beste zusjes, 't is wat moois.
Niets is onmogelijk in deze wereld! en wat wij vandaag voor eene groote onmogelijkheid uitkrijten, is morgen een voldongen feit!
Er is een gisting in de Inlandsche maatschappij, de geest om "vooruit" te komen is tot haar doorgedrongen en houdt de gemoederen in beweging. Hij stuit echter op de ingekankerde liefde der Javanen voor die overoude "adat". Er zal nog heel veel zelfstrijd en andere strijd gestreden moeten worden, voor eenige dier verouderde denkbeelden en beginselen, die niet aanpassen bij den vooruitgang, diep in den grond begraven worden, om nooit weder op te staan.

21 Maart 1902. (p.189-203)
Ge hebt gelijk. Zusje's vertrek is voor ons een groot gemis, wij waren zóó lang en zóó innig samen. Niet ten onrechte zegt men,. dat wij drieën één geworden waren, één in denken, één in voelen. Dat Zusje ons voorgoed verlaten heeft, wil nog niet bij ons in 't idee, dat ze van ons is weggegaan en niet weerom komen zal, is ons onverdraaglijk. Wij denken nog maar steeds, dat ze voor een poos gaat uit logeeren en op een dag weerom komen zal.
We missen ons Kleintje zoo erg. Doch 't beste is maar om er niet lang bij stil te staan, want dàt zal wel niet het eenige harde afscheid zijn; nog vele wachten ons stellig in de toekomst. 't Is onvermijdelijk in ieder leven, scheiden is 't wachtwoord, 't heele leven door!
,,'t Is verstandig van tijd tot tijd, Een teed'ren, sterken band,
Die 't arme harte bindt en vleit, Te schudden van de hand."
zegt de Genestet,. maar 't is gemakkelijker gezegd dan gedaan, vindt ge niet? We kregen steeds opgewekte brieven van zusje; zij maakt 't goed en heeft 't goed. En dat stemt ons zoo dankbaar! Haar geluk is ons geluk: En nu zal ik aan uw verzoek voldoen, en het een en ander vertellen van zusje's huwelijk.
Een Inlandsche bruiloft brengt een vreeselijke drukte mee. Reeds dagen, weken van te voren werden de toebereidselen voor de plechtigheid gemaakt. Wij hadden zusje's huwelijk vrij stilletjes gevierd, vanwege een sterfgeval in de familie. Een nichtje van ons en zuster van den bruidegom stierf kort vóór de bruiloft. Arm mensch, 't was nog zoo'n jong ding, en zij liet kindertjes na. Gij moet weten, dat zusje met een eigen neef is getrouwd; zijne moeder is eene zuster van Vader. Vóór dien tijd was hij al eens hier bij ons geweest, maar toen was zij nog een schoolgaand kind, en dacht niemand aan eene verbintenis. 't Gebeurt anders meer, dat kinderen verloofd en getrouwd worden, om later, wanneer beiden groot of volwassen zijn, te trouwen of over te trouwen. De kennismaking van zusje en haar man is hernieuwd geworden, toen de Gouverneur-Generaal op Semarang was. Usance is, dat jonge meisjes nooit 't huis uit mogen, tenzij om een haar wildvreemden echtgenoot te volgen. Maar, zooals ik u reeds zei, wij hebben reeds met menige traditie gebroken, wat niet anders kan met onze vrije opvoeding. En wij zijn nog steeds doende met nog meer te breken! Kort vóór haar trouwen mag een javaansch meisje in 't geheel niet 't huis uitkomen, zij moet binnenshuis of als zij een eigen kamer 'heeft, dan in hare kamer blijven. En in December waren we met zusje op Semarang, en liepen er de winkels plat, om zelf 't een en ander te koopen. Gefeliciteerd wordt 't javaansche meisje niet met haar engagement, en men spreekt er haar ook niet over; nog minder doet zij 't zelve. Zij doet juist, of zij er niets van weet. Ik zou wel in de harten mijner landgenooten hebben willen lezen, toen zij zusje doodgewoon over haar huwelijk hoorden spreken. Wij zijn dan ook "vreeselijke" wezens. Och, maar is 't bij de beschaafde niet evenzoo? Daar is men ook spoedig geneigd te veroordelen wat men niet begrijpt. Wij mogen 't onzen armen onwetenden niet kwalijk nemen, en wij doen 't ook niet. Een dag of twee vóór de huwelijksvoltrekking worden onze afgestorvenen herdacht. Daar is poëzie in die gedachte. In vreugde herdenken wij steeds 'onze dooden. Er wordt een offermaaltijd gegeven, waarbij in een gebed door priesters de zegen der afgestorvenen voor het voorgenomen huwelijk van den nazaat wordt afgesmeekt. Dit gebeurt bij de bruidsfamilie. Mijn zwager kwam met zijne familie 'op den dag vóór de huwelijksvoltrekking. De eerste gang van een Europeeschen bruidegom bij aankomst op de woonplaats zijner bruid zou zijn naar zijne aanstaande, doch bij ons geen quaestie er van. De bruidegom mag zijne bruid heelemaal niet zien, vóór de band is gesloten; zelfs zijne familie mag haar nog niet zien. Den dag voor de huwelijksvoltrekking wordt de bruid in een bloemenbad gebaad, en daarna wordt ze onder handen genomen door de toekang paès (bruids(egorns) aankleedster(er), eene vrouw, die tegen belooning zich speciaal belast met het aankleeden van bruiden). De bruid neemt plaats op een speciaal voor die gelegenheid vervaardigd kleedje, bestaande uit een matje, waarop katoentjes en zijdjes genoeg voor een kabaja, op elkaar zijn genaaid; dit wordt 't eigendom der toekang paès. Om haar heen staan allerlei gebakjes, benevens sirih, pinangnoten, pisang, een gendie water, rauwe rijst, een geroosterde kip, en .... een levende kip, en een brandend nachtpitje. Er wordt wierook gebrand en de toekang paès scheert de bruid de fijne haartjes op 't gezicht en in den nek af; de haartjes op 't voorhoofd worden gelijk geknipt, evenals het haar om de ooren; ook de wenkbrauwen worden met een scheermes gefatsoeneerd. Aan de geknipte voorhoofd-haartjes en 't haar voor de ooren en de geschoren wenkbrauwen herkent men jonggetrouwde Javaansche vrouwtjes. Tegen een uur of vier 's middags begint men aan 't toilet der bruid. Het voorhoofd wordt met zwarte zalf beschi1derd tot even. 'over de ooren, op deze wijze en het gezicht geblanket, terwijl het haar kapelvorming wordt gekapt en gevuld met bloemen. Op het kapsel worden zeven juweelen. Op spiralen stelen bevestigd, die aldoor op en neer wiebelen. Een met goud bewerkte kain, een kabajá van zilver gaze de lis en de noodige juweelensieraden, als broches, halsketting, armbanden, oorknoppen en mouwknoopen, voltooien het toilet. Javaansche jonge meisjes mogen nooit bloemen in 't haar dragen; alleen getrouwde vrouwen mogen dat. Bejaarde vrouwen ziet men dikwijls met bloemen in 't haar loopen. De avond vóór de huwelijksvoltrekking heet "widodarenni"; "widoderi" beteekent engel, hemelsch wezen. Op haar laatsten meisjesavond vergelijkt men 't in het huwelijk tredend meisje met zulk een hemelsch wezen, en wordt die avond gevierd.
Ge hebt wellicht bij Mevrouw Rooseboom de foto's van 't ]apansch houtsnijwerk gezien, en ge herinnert u zeker nog de afbeelding van een meubel, dat drie poorten voorstelt. Welnu dat voorwerp heet "kwade" (uitspraak kwadee) en is een meubel, dat bij bruiloften dienst doet.
Het fraaie houtsnijwerk, geheel verguld op een purperen fond, was in een groote zaal in het achtergedeelte van de Kaboepaten opgezet. Alle tafels, stoelen, banken waren uit dat vertrek verwijderd, en de vloer was gedekt door één groot alcatief. Aan weerszijden van de met gordijnen en bloemen versierde "kwade" stonden twee groote koperen vazen, gevuld niet jong klappergroen en bloemen. Deze vazen heeten "kembang majang" en mogen op geen bruiloft ontbreken. Zoowat tegen half acht in den vooravond, toen onze vrouwelijke gasten zich in de "kwade" zaal vereenigd hadden, waar ze in twee rijen aan weerszijden van de "kwade" op den grond zaten, kwam zusje, aan de hand geleid door onze getrouwde zuster en schoonzuster buiten, gevolgd door een vrouw, die haar sirihdoos en kwispeldoor droeg. Zusje nam voor de middelste poort plaats, tusschen hare familie en de voornaamste gasten in. De sirihdoos en kispeldoor worden naast zusje neergezet, voor den vorm slechts, want Kleintje eet geen sirih; achter haar wuifde een klein meisje haar koelte toe. Onbewegelijk als een Boeddabeeld zat zusje daar op haar gekruiste beenen voor de goudglanzende "kwade", te midden van stemmig gekleede en stemmig kijkende vrouwen de Inlandsche hoofden, die daar naar den rang van haar echtgenooten gezeten waren, aan weerszijden van de bruid. Er werd thee en gebak gepresenteerd; ieder kreeg een kopje thee, en een paar schaaltjes gebak voor zich, en de bruid en de voornaamste gasten kregen ieder een apart theeservies en een blaadje vol schaaltjes gebak. Er was als 't ware een tapijt van gebakjes gespreid voor de gasten, hier en daar onderbroken door gouden, schildpadden, zilveren en houten sirihdoozen en kwispeldoors. Het gezelschap bestond uitsluitend uit getrouwde vrouwen; wij ongetrouwden hoorden er niet bij. Gij hebt waarschijnlijk wel gehoord, dat er voor den Javaan geen grooter levensmislukking bestaat dan eene ongetrouwd gebleven vrouw, wat meteen eene schande is. Zoo lang is 't ook nog niet geleden, dat men in 't verlichte Europa er zoo over dacht, nietwaar? Wij mogen 't dus van het dommelende, onverlichte Indië niet kwalijk nemen. Als de bruidegom een moeder heeft, dan zit deze op dien feestavond ook mee aan 't feest van hare a.s. schoondochter. Onze mannelijke gasten vertoefden met vader in de pendopo, terwijl de bruidegom stil thuis bleef, waar hij logeerde. Of zusje blij was, toen tegen half tien de zitting was opgeheven, voor haar alleen. Heel deftig en bedaard schreed ze door de rijen zittende vrouwen de zaal uit, maar nauwelijks was ze uit 't gezicht, of ze holde naar onze kamer toe, om zich van al dat gedoe te ontdoen. Nu was ze weer zusje, ons lief, vroolijk Kleintje, en geen Boeddhabeeldje. Dien avond werd de Profeet herdacht. Op onze kosten werd in de moskee een groote slametan (offermaaltijd) aangericht en er werd gebeden, den zegen des hemels voor het voorgenomen huwelijk afgesmeekt. Aan dat maal zitten uitsluitend mannen. Onze vrouwelijke gasten aten bij ons thuis; evenzoo de regenten, die over waren gekomen voor zusje's bruiloft.
24 Januari, reeds vroeg in den morgen, was 't een drukte van belang in de kaboepaten, die er vroolijk uitzag met zijn groen- en vlaggentooi; ook op straat was 't druk en levendig. Vroolijk wapperde daar de driekleur uit het ritselend jong klappergroen, waarmee de weg, die naar 't huis van den bruidegom leidt, was afgezet. In de groen gemaakte pasébans - twee huisjes op de aloen-aloen voor de kaboepaten - speelde lustig de gamelan.
Bij ons in de achtergalerij stonden manden kanangas, tjempakas en melaties; vrouwenhandjes regen de bloemen aan slingers, of ontbladerden ze, om er den weg mee te bestrooien, waarover het bruidspaar zou loopen. Gamelan, bloemengeur, wierook, bedrijvige menschjes, vulden de kaboepaten, en in onze kamer werd aan 't toilet der bruid begonnen. Wederom werd 't voorhoofd zwart beschilderd, maar nu werden de teekeningen versierd met gouden figuurtjes.
Zus lag er bij gedurende de operatie. Achter de zwarte figuren werden zusje twee stukken kantwerk van zwarte was en verguld geplakt als deze teekening. In de gaatjes worden juweelen knoopjes gestoken. Bij andere bruiden wordt dat kantwerk van haar eigen haar met behulp van zwarte was gemaakt. Wij hebben zusje maar valsche stukken opgezet, omdat 't eene pijnlijke bewerking is, en dat arme kind pas van knokkelkoorts was hersteld. Achter het kantwerk kwam een gouden diadeem. Het haar werd op 't achterhoofd halvemaanvormig gekapt en gevuld met bloemen; daaromheen een sluier van melati met een franje van bloemen, die tot even aan den schouder reikte. Op 't kapsel  werden weder de zeven wiebelende juweelen bloemen gestoken; aan weerszijden daarvan , een juweelen bloem, waaraan zes bloemenslingers afhingen, achter de ooren om, over de borst tot even over het middel. Deze slingers van één vinger dikte bestonden uit witte bloemen om en om met gouden rolletjes geregen, eindigend in een gele kananga, met melaties volgestoken. Het wajangcostuum schrijft een décolletée voor, dat hals, schouders en armen geheel onbedekt laat. Al wat zichtbaar was aan zusje, behalve het gezicht, dat geblanket was, was met een geurig zalfje geel geverfd. Zusje droeg een met goud bewerkte kain, waarover eene draperie van met goud bewerkte zijde kwam, terwijl het geheel opgehouden werd door een geel zijden ceintuur met lange afhangende einden, van roode zijde, waarop puntfiguren van goud waren aangebracht. Een lange donkergroene lap, waarop heerlijk de gouden teekeningen uitkwamen, met een lichtgroen middenstuk, werd haar om het bovenlijf gebonden, armen 'en schouders geheel vrij latende. Door de gele ceintuur, die "niendologiri" heet, kreeg zusje een gouden, met juweelen versierden drie vingers breeden band om; daaraan werd een bloemenslinger met afhangende einden bevestigd, loopend van de eene heup achterom naar de andere. Ze droeg om haar hals een collier in dezen trant, dat tot bijna aan haar middel reikte. Om de polsen droeg zij armbanden en om de bovenarmen slangenarmbanden met opgeheven staart en kop, waaraan gouden kwartjes bengelden. 't Was intusschen ver over vijven 's middags geworden. In de "kwade" zaal vereenigden zich de vrouwen der Inlandsche hoofden in gala. Van de "kwade" af tot de pendopo liep een bloementapijt, daarover zou het bruidspaar gaan. Zusje werd door de zusters naar buiten geleid en nam voor de "kwade" plaats. De lichten waren alle reeds aangestoken. In de pendopo stonden de regenten in ambtscostuum; een paar Europeesche kennissen waren er ook, die zusje graag nog voor 't laatst als jong meisje wilden zien. Op de aloen-aloen, op 't erf van de kaboepaten was 't zwart van menschen; alleen de weg, die met groen en vlaggen was afgezet bleef vrij. Daar zag men in de verte een gele streep; zij naderde, en men ontwaarde een zwerm opgestoken goudgestreepte zonneschermen, waaronder hunne eigenaren, de Inlandsche ambtenaren in groot tenue liepen. 't Was de stoet, die den bruidegom voorafging; deze reed met de regenten in een open wagen gedekt door een goudglanzend zonnescherm. Van de pasébans en de Kaboepaten klonk gamelanmuziek den naderenden stoet tegemoet. De stoet bereikte de Kaboepaten, hield voor de pendopo stil; al de Inlandsche hoofden hurkten neer; de bruidegom steeg uit het rijtuig, en ging, geleid door de hem vergezellende regenten, de trappen op naar het midden van de pendopo, waar zij alle drie op een groot tapijt neerknielden, zaten en hun eerbied aan Vader en de andere regenten betuigden. De twee regenten traden knielend achteruit en even bleef de bruidegom in wajangkostuum alleen, midden in de pendopo maar dra vormden de Inlandsche hoofden een carré om hem heen, waarin weder een kleiner carré werd gevormd door priesters. Aan het hoofdeinde zaten de regenten, mede op den grond en Vader het dichtst bij den bruidegom en den hoofdpriester, die 't huwelijk voltrekken zou. Vader deelde den aanwezigen het doel der bijeenkomst mee, waarna hij den Panghoeloe (hoofdpriester) verzocht zijne dochter in den echt te willen verbinden met den bruidegom. Uit den menschenhoop midden in de pendopo steeg een mystiek gebrom op. Er werd gebeden.'t Speet mij zoo erg, dat wij er niet dicht bij konden kijken. Een onderwijzeresje, eene vriendin van ons, zusje Roekmini en ik waren de eenige vrouwen in de pendopo, die gevuld, was met mannen.
't Was al heel mooi, dat men ons daar toeliet, waar we: stonden; wij hadden maar zelf ons die vrijheid gegeven. Maar om heelemaal bij de mannen te zijn om de huwelijksvoltrekking van nabij bij te wonen, ging niet; jammer, wij hadden zoo graag de trouwformulieren gehoord en hoe alles in zijn werk toeging. Wij weten alleen maar dat onder het uitspreken van de trouwformulieren de Priester de hand van den bruidegom vasthoudt en deze hem moet nazeggen. De plechtigheid duurde op zijn hoogst een kwartier, maar ons leken de minuten uren. 't Was zoo plechtig stil in de: pendopo; slechts het mystiek gezang der priesters werd gehoord. Er kwam beweging in den menschenhoop in de pendopo; de priesters schuifelden op hunne knieën achteruit. Het huwelijk was voltrokken.
De regenten stonden op; twee van hen hieven den bruidegom op, en nu werd de tocht over het bloementapijt aanvaard, gevolgd door de overige regenten. Achter in de "kwade" -zaal hieven de zustern de bruid op, en ook zij aanvaardden de wandeling over den bloemenweg, gevolgd door Mama en al de vrouwelijke gasten. Als de bruid en de bruidegom elkaar op eenige passen na genaderd waren, lieten hunne geleiders hen los, en het bruidspaar wierp elkaar een- opgerold sirihblad gevuld met bloemen toe. Nog een paar passen traden zij elkaar tegemoet, en beiden knielden neer, en met hen het geheele gezelschap. De bruidegom zat; op hare knieën schoof de bruid zich naar hem toe, zat en maakte een sembah - de beide handen tegen elkaar geslagen en even onder den neus gebracht (dat is onze eerbiedsbetuiging) en kuste hem de rechterknie. Weer maakte de bruid een sembah. Zelf opstaande, hief de bruidegom zijne vrouw op, en hand aan hand wandelde het jonge paar over den bloemenweg naar de "kwade", gevolgd door het geheele gezelschap; de regenten keerden echter naar de pendopo terug. Bruid en bruidegom namen voor de "kwade" plaats als twee Boeddhabeelden; aan weerszijden schaarden zich de familie en de damesgasten. Achter het bruidspaar zaten twee kleine meisjes, die met waaiers hun koelte toewuifden. In de meeste gevallen is 't bij die ontmoeting de eerste keer, dat man en vrouw elkaar zien. Omstreeks halfzeven kwamen de regenten binnen, en vormden op den grond gezeten een halven kring om het bruidspaar; de andere helft werd gevormd door de vrouwelijke familieleden. Het bruidspaar bracht aan oudere familieleden den voetkus. De bruid eerst richtte zich op, en 'schoof op hare knieën naar Mama toe, maakte een sembah en kuste Mama de knie; zóó ontving zij den moederlijken zegen voor haar huwelijk. Van Mama ging zusje naar de tantes, zusters en nichtjes, allen ouder dan zij, om dezelfde ceremonie te herhalen. En daarop ging zij naar Vader, om hem de knie kussend, zijnen zegen te ontvangen; vandaar naar haren schoonvader, daarna naar ooms en neven. Als zij, na allen den voetkus gebracht te hebben, weder op hare plaats was teruggekeerd, begon de bruidegom den voetkustocht; hij volgde 't spoor zijner vrouw. Als ook hij de ceremonie volbracht had, verwijderden zich de regenten en er werd thee en gebak gepresenteerd, als den vorigen avond. Om halfacht werd 't het bruidspaar vergund, zich te verwijderen. Hand aan hand verlieten zij de zaal. Eigenlijk moesten zij dit op hunne knieën doen, maar aangezien beiden pas van eene ongesteldheid waren hersteld, mochten zij de zaal uitwandelen. Bij andere families moeten de bruidegoms bij aankomst in 't huis hunner schoonouders, vóór de ontmoeting met hunne vrouwen, de trappen opkruipen, in plaats van oploopen. Dat zijn dan hofmanieren. De bruidegom begaf zich naar de bruidskamer en zusje naar onze kamer, waar wij haar voor de receptie van Europeanen kleedden.
Het werk van één dag, dat was 't bruidstoilet van zusje, werd in 5 minuutjes te niet gedaan. Alleen 't kapsel en de versieringen op 't voorhoofd lieten we onaangeroerd. Wij, jonge meisjes, mochten haar eigenlijk niet aankleeden, maar wij deden 't toch maar. Wij vonden 't al te zot, dat wij zusje niet in haar bruidstoilet zouden mogen steken. Zusje kreeg een zijden met goud doorweven kain aan en een kabaja van ivoorkleurig satijn met zilverborduursel. Ze kreeg een andere juweelen collier om. De juweelen bloemen in 't haar, evenals het diadeem, werden haar afgenomen; zij kreeg er voor in de plaats een g,ouden kroon op, waaraan een sluier hing. Op haar hoofd werden nu andere juweelen bloemen op spiralen stelen bevestigd. Zoo ,gesluierd en gekroond, was het of de bruid van een plaatje uit duizend en een nacht was gestapt. Zusje had dan ook het kostuum aan van een sprookjes-prinses, uit een der verhalen van 1001 nacht. Het stond haar zoo goed; trouwens het wajangkostuum ook. Jammer, dat wij haar niet zoo konden laten photograferen. De bruidegom verscheen in zijn ambtskostuum. Nog eens zat 't bruidspaar voor de "kwade"; even vóór achten gingen zij gearmd naar de voorgalerij, waar voor een achtergrond van palmen, twee vergulde zetels voor hen klaarstonden. Staande ontvingen zij de gelukwenschen der Europeesche dames en heeren.
't Heette dan wel een receptie, maar de dansgrage voetjes zweefden toch maar op de tonen der muziek door de ruime pendopo; ook het bruidspaar wandelde gearmd een paar keer de pendopo rond. Usance is 't niet, dat jonge meisjes op een bruiloftsfeest verschijnen, maar 't zou al te gek zijn, als WIJ op zusje's feest wegbleven. Even vóór twaalven toastte de Resident, die ook over was gekomen, op het jonge paar, welke toespraak door Vader werd beantwoord. Na afloop hiervan namen de Europeesche gasten afscheid, maar de Resident en een paar anderen, waaronder ook eene dame, ons vriendinnetje, bleven nog, om 't Inlanrdsch gedeelte van het feest bij te wonen. Na het vertrek der Eur'opeesche gasten kwamen de Inlandsche hoofden, die zich gedurende de receptie, op zij van de pendopo opgehouden hadden, te voorschijn en vormde in 't midden der pendopo een halven kring, waarin de bruidegom eene proeve van zijn danskunst zou afleggen. De regenten, evenals alle andere Inlandsche hoofden, hadden zich intusschen in klein tenue gestoken. Daar speelde de gamelan, en een dansmeisje trad op en danste in den carré. De Patih van Japara bracht geknield den bruidegom een zilveren blad, waarop een zijden doek lag. Als de bruidegom den doek in ontvangst had genomen, verwijderde zich de brenger. Zachte gamelantonen weerklonken; 't was een prelude, een uitnoodiging aan den held van 't feest, om 't feest te openen. De bruidegom stond op, en ging in midden van de pendopo staan; hij bevestigde de zijden doek, waarmede hij dansen zou, aan zijn kris en gaf den gamelanspelers zijn lijflied op, dat onmiddellijk werd ingeluid en gespeeld.
Ik zal er mij maar niet aan wagen, den dans te beschrijven; daartoe is mijn pen veel te onbekwaam. Ik zeg alleen maar, dat 't een lust was voor de oogen om den lenigen danser en zijne sierlijke dansbewegingen op de tonen van mooie gamelanmuziek te volgen.  Achter hem aan danste het dansmeisje, dat er ook bij zong. De hen omringende Inlandsche hoofden accompagneerden de muziek, door een zang met handgeklap. Tegen 't einde van den dans, kwam de Resident met twee glazen champagne naar den danser toe. Juist als de gong inviel, waarmede 't einde van een zang wordt aangeduid zegen danser en danseres op hunne knieën neer. Met een sembah ontving de danser een glas van den Resident en onder hoerah-geroep en jubelende gamelantonen ledigden de brenger en ontvanger hunne glazen. Een bediende nam de ledige glazen in ontvangst, waarop de Resident zich verwijderde. De bruidegom stond weder op en begon opnieuw te dansen. Nu bracht Schoonpapa hem een heil dronk; dansend gingen ze elkaar tegemoet, en bij 't vallen van den gong knielde de jongere neer om den heildronk van den oudere in ontvangst te nemen. Eerst als alle aanwezige regenten hem den heildronk gebracht hadden, mocht hij den carré verlaten, en weer naast zijne vrouw zitten. Kort daarop verwijderde het bruidspaar zich; de Europeesche gasten gingen naar huis, en het feest werd door de hoofden tot vroeg in den morgen voortgezet. De heeren hadden ook nog meegetandakt, vooral onze assistent-resident deed 't keurig. Ma, ons vriendinnetje, zus Roekmini en ik woonden 't feest bij, tot onze laatste Europeesche gast was opgestapt.
Den volgenden dag bracht 't bruidspaar stilletjes thuis door. In den vooravond van dien dag zou de laatste ceremonie, die 't bruidspaar hier te verrichten had, plaats hebben. Het is, het eerste bezoek brengen van 't bruidspaaar aan de ouders van den bruidegom. Het heet in 't Javaans '"ngoendoh mantoe" , welks letterlijke vertaling luidt: schoondochter plukken. De schoondochter wordt met een bloem vergeleken, die de schoonouders voor hun zoon plukken.
Eigenlijk moest het bruidspaar zich voor deze gelegenheid weer in 't bruidskostuum steken, maar 't was veel te vermoeiend, waarom het dan ook maar nagelaten werd. De bruidegom was gewoon gekleed; zusje had weer een met goud doorweven kain aan en een zijden kabaja; het haar was kapelvormig gekapt; de met een kruis gemerkte vakjes met bloemen gevuld, en over het geheel werd een netwerk van melaties bevestigd, en wiebelden weder de  juweelen bloemen op het kapsel. In optocht reed het bruidspaar, voorafgegaan en gevolgd door Inlandsche hoofden te voet, naar 't huis waar de vader van den bruidegom logeerde.
Dagen, weken na de bruiloft, heeten de jonggetrouwden nog bruid en bruidegom; en de bruid doorgaans zoolang tot zij mama is geworden. Er zijn vrouwen, moeders, die levenslang "nganten", verkorting van "pengantèn" (bruid, ook bruidegom) heeten. De dagen na de bruiloft werden besteed met visites maken, bij Europeanen en Inlanders. Vijf dagen na de huwelijksvoltrekking was er weer een feest in de Kaboepaten; de eerste wederkeer van den passerdag, waarop 't huwelijk gesloten wordt, werd gevierd. Een week na de bruiloft vertrokken de jonggehuwden; overal gefêteerd door familieleden, bij wie zij op hunne doorreis naar hunne woning ophielden. Op Tegal werd 't huwelijk weer gevierd; daar bleven ze nog een week, voordat ze eindelijk naar hunne eigen woning in Pemalang trokken.
Ziezoo, daar hebt ge eene beschrijving van een Javaansch huwelijk in hooge kringen. Zusje's bruiloft heette een stille bruiloft en zij bracht al zoo'n gedoe mee; hoe dan een bruiloft, die feestelijk wordt gevierd?
We waren doodop na de bruiloft. Cadeaux, die Inlanders elkaar bij bruiloften geven, bestaan uit kleedingstukken, als kains, borstlappen, hoofddoeken, zijdjes voor kabaja's,of laken voor een jas, en ook wel eetwaren, als rijst, eieren, kippen, karbouwen; deze zijn dan meer bestemd voor de te geven slamatans ter gelegenheid van de bruiloft. Zoo kreeg Kardinah o a. ook een prachtige stier van een oom. Dit had eigenlijk ook bij de andere cadeaux moeten mee tentoongesteld worden!!!
O ja, nog iets; als men bij gelegenheid van een bruiloft een karbouw slacht - er worden doorgaans meer dan een voor de feestmaaltijden geslacht - dan zet men op alle mogelijke hoeken en gaten een gevlochten bamboezen bakje, gevuld met sirih, koekjes, pinangnoot, een stukje vleesch, wat geronnen bloed van den geslachten karbouw, en bloemen neer, op kruiswegen, bruggen en de putten op 't erf; het is een offer aan de geesten, die daar wonen. Worden deze brug-, weg- en putgeesten niet herdacht, dan nemen zij het den feestvierenden kwalijk, en zal er een ongeluk gebeuren. Alzoo luidt 't volkgeloof! Waar dit zijn oorsprong heeft, weet ik niet precies.
Hoe vindt'ge dat alles, Hilda? Een vriend van ons zegt terecht, het Javaansche volk is een volk van sprookjes en herinneringen.
Wie zal eens dat volk uit 't rijk van sagen en legenden naar 't leven van daadwerkelijkheid voeren? Daar moet 't toch naar toe. En door 't bijgeloof van zich af te schudden, hoeven zij daarom de poëzie niet met de voeten te treden. Doch wat praat ik toch, laat ik u liever vragen, of gij tevreden zijt met dit epistel, en of gij mij nu dat lange wachten vergeven wilt. Er is zooveel liefs in mijn volk zooveel poëzie in zijn bekoorlijk naïef geloof. 't Moge dan vreemd klinken, maar 't is niettemin een feit; gij Europeanen, hebt mij geleerd, mijn eigen land en volk lief te hebben. De Europeesche opvoeding heeft ons instede van ons van onze natie te vervreemden, ons nader er toe gebracht; zij heeft ons de oogen en 't hart geopend voor de schoonheden van ons land en volk, en ook voor hunne:nooden .... hunne wondeplekken. Wij hebben ons land en volk zoo lief! al konden wij eens iets doen, dat tot het geluk bijdraagt; wat zullen wij dan gelukkig zijn! Doch laat ik je nu niet langer vervelen, met het gekrabbel van een "dwaas" Javaansch jongmeisje, ik heb 't nu reeds genoeg gedaan.
Als naschrift: Op sommige plaatsen is 't gebruik, dat bij de ontmoeting van een bruidspaar, de bruid, als teeken van de onderdanigheid, den bruidegom de voeten afwascht, alvorens zij hem den kniekus geeft. Wanneer een weduwnaar met een jongmeisje trouwt of eene weduwe met een jongmensch, dan houdt· bij de ontmoeting, als het sirihwerpen is afgeloopen, degene die al eens getrouwd is geweest, de andere een brandend stuk hout voor; deze krijgt een waterkan in de hand, en giet haar inhoud uit op 't vuur, dat natuurlijk uitdooft, waarna het uitgebluschte brandhout wordt weggeworpen en de waterkan kapot gegooid. De bedoeling of beteekenis van deze symboliek hoef ik u wel niet uit te leggen; zij is duidelijk genoeg.
Gij hadt Zusje moeten zien, toen zij daar als Boeddhabeeld poseerde voor de "kwade"; zóó had ze gephotografeerd moeten worden, of neen, geschilderd liever, want dan kon men de kleuren zien. Hoe rustig en kalm schreed ze daar over het b1oementapijt, overal bloemen en wierookgeur verspreidend; ja waarlijk zij had veel van een Bodhisatwa! Ik kan geen gamelan hooren, bloemengeur vermengd met wierook inademen, of zij voeren mij naar 't verleden terug. De menschen raapten de bloemen, waarop zusje had geloopen, op, om ze te bewaren; zij brengen geluk aan, zegt men, en aan jongedochters een man!!!! Ik heb hier een heel mooi boek van 't Boeddhisme. 't Heet "De ziel van een volk"; heerlijk mooi!

26 Mei 1902. (p.218-221)
Uw laatsten brief, waarin ge zoo sympathiek over 't Javaansche volk schreef, heb ik vele malen herlezen. vind 't gewoon zalig, dat gij zoo vriendelijk over 't bruine ras, mijn volk, denkt. 0, kon ik u allen toch maar hier bij ons hebben; ik zou u zoo graag veel van mijn volk laten zien. Waar zou men een volk beter leeren kennen begrijpen dan in den schoot van dat volk zelf, en dat is eene echt Javaansche omgeving. Gij weet, dat gij allen ten allen tijde welkom zijt. Ik vind het innig lief van u, om mij bij u te willen hebben; doch helaas! voorloopig mag ik alleen maar uw goeden wil apprecieeren. Alleen naar Buitenzorg reizen behoort op het oogenblik nog tot de verboden vruchten. Maar wie weet of niet reeds gauw daarin eene verandering zal komen! Zooveel, wat ons vandaag nog absoluut onmogelijk toeschijnt, blijkt morgen een voldongen feit te zijn. 't Javaansche volk is een volk van herinnering en sprookjes; in droomen en sprookjes gebeuren de wonderlijkste dingen, en mijn door en door Javaansch hart houdt zich aan de illusie vast, dat evenals in 't ver, ver verleden, ook in 't heden wonderen kunnen gebeuren.
O! als ge eens wist wàt de droomen zijn der Javaansche meisjes uwer kennis! Mogelijk dat gij er u over verbazen zult, ze vreemd vinden, als ik ze u vertel; maar, naar ik hoop, niet medelijdend de schouders er voor zult ophalen. Gij weet, dat we dol, dol graag naar uw land zouden willen gaan, niet waar? maar niet waarom en waarvoor. Het meest voor de hand liggende is, om vreemde landen en toestanden te zien en om er te genieten en pret te maken. Wij voelen zóó veel voor ons volk, zijn lief en leed gaan ons zoozeer ter harte; is 't wonder, dat er in ons een groot verlangen is, om wàt te kunnen doen, dat ons volk tot heil en zegen strekt?
Wat dat nu te maken heeft met ons verlangen naar uw land? Wij zouden zoo innig graag daar kennis willen vergaderen voor ons volk. Het mooie van andere volkeren, van uw volk in de eerste plaats, te kunnen geven aan ons volk, niet om zijn eigen karakter te verdringen, te vervangen, maar om de goede eigenschappen, die het reeds heeft, te veredelen; dat staat ons voor oogen!
0' mede te kunnen arbeiden aan 't heerlijke, grootsche werk, de beschaving, veredeling van een volk, is ons een ideaal allen levensstrijd waard.
't Is zoo jammer, dat wij zoo ver van elkander afwonen, wat zou ik 't heerlijk vinden om veel met u gedachtenwisseling en wrijving te houden. In een gesprek kan men zooveel beter uitdrukken wat men denkt en wil. Onze correspondentie is mij hoe langer hoe aangenamer, wij ontmoeten elkaar op zoo menig punt.
Wat zou ik u graag mijn volk willen leeren kennen en begrijpen, zooals ik het ken en begrijp. Daar is zooveel liefs en poëtisch bij. Er moest op Java een wonderartiest opstaan, die in mooie taal zijne landgenooten van 't volk, in welks midden hij woont, vertelt evenals Fielding het gedaan heeft van het Burmaansche volk. In plaats daarvan, dat beruchte boek van Veth, dat zooveel pennen in beweging heeft gebracht en een storm van verontwaardiging heeft doen opgaan! Welk land heeft zijne gebreken niet? Indië evengoed als elk ander land op den aardbol. Arm Indië, in 't buitenland weet men al zoo bitter weinig van u, en boeken als dat van Veth, zullen zeker niet de belangstelling in u doen toenemen, wel u doen afstooten!
Augusta de Wit daarentegen schrijft zoo innig sympathiek en in welke schoone taal over Indië! Wij lezen haar stukjes in de Gids met zoo'n genot.
En wat de natuur en kunst betreft, daarover "droomt" (zijn lievelingsuitdrukking) Borel zoo heerlijk mooi; over andere onderwerpen is Borel minder goed te spreken, daarover gaat hij hand aan hand met zijn vriend Veth mee. Kent gij Borel's stukje over de gamelan? Wij vinden 't een juweeltje! Hebt gij dat mooie artikel van Martine Tonnet over de Wajang Orang aan 't Djokjasche hof, in de Gids, gelezen? Ook dàt is een juweeltje. Borel moest ook eens zoo'n srimpie dans bijwonen; wat zal hij dan verrukkelijk aan 't dichten gaan! Die dans der Solosche en Djokjasche prinsessen moet goddelijk mooi zijn! 't is de dans der dansen, zegt men. 't Is jammer, dat wij er niet naar toe kunnen gaan. Men heeft ons er dikwijls genoeg voor gevraagd, maar wij vinden 't zoo eng om in hofkostuum gekleed te gaan. Aan 't hof moet iedereen zoo gekleed gaan (als eene bruid).
Doch nu dwaal ik geheel van mijn onderwerp af. Wij houden dol veel van lezen, en 't spijt ons zoo innig, innig, dat wij geen talen kennen. Er is hier geen gelegenheid om die te leeren; 't is al heel mooi, dat wij ons in uw taal kunnen verstaanbaar maken. Hè, en wij zouden zoo dolgraag die talen willen leeren. O! we verlangen er zóó naar, al die mooie werken in 't oorspronkelijk te kunnen genieten! Hoe mooi eene vertaling ook is, 't oorspronkelijke is steeds mooier. Kent gij dat beelderige sprokenboek van Marie-Marx-Koning? Wij vinden 't zoo mooi. 't Komt mij voor, dat eene vurige bewonderaarster is van Van Eeden. De grondgedachte van ,,'t Viooltje, dat weten wilde", vind ik in "De Kleine Johannes" terug. Vindt ge ze ook niet innig fijn, en 0 zoo mooi en waar gedacht en zoo prachtig weergegeven? Met belangstelling las ik hetgeen ge mij van uw protegeetje schreef en van de armen in 't algemeen in Holland. Ja, van die bittere ellende der armen, als 't winter is, hoor ik veel. Arme, arme stumperds! Ik correspondeer met een Friezinnetje; zij vertelde mij veel van de toestanden in Holland, vooral van de armen in Friesland. Zij heeft veel in den winter op den kouden grond gezeten bij arme menschen, die in krotjes op de hei wonen. Barre winter, geen werk, geen eten, geen vuur, geen kleeren, geen warm dek en schreiende kinderen. Bitter hard is 't. Zulke ellende kennen we hier niet, doch wacht laat ik niet te hard spreken. In onze buurt wordt zoo bitter ellende geleden. Geen kou, ja, maar steenen en zand zijn tot dusver oneetbaar. Men ziet en hoort zooveel ellendigs. Waar moet 't heen? Ge hebt zeker ook gehoord van de 500 weezen, die hunne ouders aan de cholera verloren hebben. Arme stumperds; zoo jong en reeds ouderloos; doch ze zullen het nu beter hebben. Voor hen wordt nu gezorgd, terwijl bij hun eigen ouders weinig of niets om hen bekommerd werd.

17 Juni 1902. (p. 226-227)
'k Las zoo pas in de krant, dat eenige Chineesche meisjes het verzoek gedaan hadden, mede aan 't onderwijzeresexamen te mogen deelnemen! Hoera!, voor den vooruitgang! Ik was er toch zoo in mijn hum over! De Chineezen zijn heel streng, wat betreft de handhaving der oude tradities; nu zien wij maar, dat de strengste ,en oudste traditie toch verbreekbaar is! Dat geeft mij moed en hoop! Wat verlang ik die dappere Chineezinnetjes te kennen! Ik zou zoo gaarne hare gedachten, ideeën, en gevoelens willen kennen, haar "ziel"! Ik heb steeds verlangd naar een Chineesch vriendinnetje! Ik zou zoo graag het zieleIeven van zoo'n Chineezinnetje willen kennen! Veel poëzie zal er zeker in zijn! Hebt ge wel eens een Chineesche bruiloft bijgewoond? Ik eens, en zal dat zeker nooit vergeten! Ook de Chineezen gedenken in vreugde en droefheid hunne afgestorvenen. Op Semarang heeft een Chineesche millionnair een prachtigen Chineeschen tuin aangelegd. Hij ligt op een heuvel, en is 0, zoo mooi! Kunstmatige rotsen, grotten, heuveltjes, begroeid met varens, bloemen en miniatuurvruchtboompjes worden afgewisseld door parkjes en slingerpaadjes. Er staat een mooie koepel te midden van een veelhoekigen vijver, waarin goerami's en goudvisschen rondzwemmen; er naast staat een heuvel, waarin een grot is, met een badkamertje; door een wenteltrap, die door die grot loopt, komt men boven op 't heuveltje, waarop twee miniatuur-tempeltjes staan, vruchtboompjes en allerhande bloemen groeien en bloeien. 't Is een werkelijkheid geworden sprookje; alleen de kaboutermannetjes en zilverschitterende elfjes moeten nog uit de rotsspleten en holen te voorschijn komen om de sproke te volmaken.
De gedachte is één poëzie en de uitvoering kunst! Maar wáár is de kunst zonder poëzie? Al wat goed, wat hoog, wat heilig is, in één woord al wat schoon is 't leven, is poëzie! Wij hebben den Chinees gezien, die dat moois schiep. Een doodgewone, sjofele baba! Beelden van pleisterwerk, menschendraken, tijgers, staan op 't gras verspreid, die ook waren de scheppingen van dien Chinees. 't Is jammer, dat men op de poort, die toegang verleent tot dien sprookjestuin, twee beelden van Europeesche afkomst heeft geplaatst; dat verstoort de harmonie. Zijt ge ook op Batavia geweest, om de Tentoonstelling te zien? Ja zeker! En wat zegt gij nu wel van 't bruine ras? Wat zegt ge van zijne kunstuiting? O. ik ben zoo gaarne trotsch op mijn volk. Het kan toch wèl wat. Maar gij, Hollanders, moet hen leiden! En dat wilt gij, niet waar? Wij zijn met kinderen te vergelijken, en gij zijt onze beschermers. Aan u om ons te leiden, te vormen tot mannen en vrouwen! Ik geloof, dat gij géén ondankbare pupillen en leerlingen zult hebben!

14 juli 1903 Brief van Kartini aan mevrouw R.M. Abendanon-Mandri en haar echtgenoot (deze brief is niet opgenomen in: Door duisternis tot licht)
(In een 'vertrouwelijk' schrijven vertelt Kartini dat ze uitgehuwelijkt is aan de Regent van Rembang. Zo hebben haar ouders beslist. Een dag na dat besluit kwam een brief waarin haar werd toegestaan in Nederland een opleiding te volgen. Kartini gehoorzaamt haar ouders, de adat, en stemt toe met de regent te trouwen. Gemakkelijk is het niet).
Verneemt nu het droeve nieuws maar spoedig: hoe eerder, hoe beter. Wij hebben het onderspit gedolven. Wat zusje heeft doen bezwijken, heeft ook mij weerloos gemaakt. Nog steeds is des dokters raad van kracht: emoties moeten vermeden worden. Wij zelf weten dit zó goed. Ik heb gestreden, geworsteld, geleden - en, ik kan Vaders noodlot niet zijn en daarmede ramp brengen over allen, die ik liefheb. Dan liever met eigen hand de doodwond toegebracht aan het eigen hart, dan het noodlot te worden van allen, die mij dierbaar zijn. Ik hoef u niet te vertellen, wat het mij gekost heeft, om te handelen tegen mijn innigste voelen, mijn heiligste overtuiging in.
(...)

Kent nu de omvang van mijn zalig geluk, mijne vernedering, mijne schande: ik ben de verloofde van den Regent van Rembang, een weduwnaar met 6 kinderen en 3 vrouwen. Meer hoef ik U er niet van te vertellen, wel? - U kent me genoeg. Laat het U een troost zijn, dat ik om vele redenen achting heb voor den man, aan wiens zijde het lot mij schijnt te willen plaatsen.
Hij heeft geen moeder gehad, die hem leerde haar in haar geslacht te eeren. Hij weet niet, dat wat hij deed in strijd was met het hoogste gebod: Liefde! De Raden Ajoe had geen kinderen, het is niet onwaarschijnlijk, dat zij hem die vrouwen gaf, wat niet zelden gebeurt.
Mijn kroon is van mijn voorhoofd af, mijne gouden illusies van reinheid en kuischheid liggen in het zand vertreden.
Dat was mijn trots, mijn glorie, dat ik was het reine, fiere meisje, door Moedertje geliefd, als was het haar eigen kind.
(...)
Ik was hard ziek, toen de gezant van den Regent van Rembang met diens brief kwam. Toen ik onraad vermoedde, liet ik R. U dadelijk schrijven, het Regeeringsbesluit was ons eenige kans op redding.
Het kwam - en het was te laat! Dienzelfden dag ontving de Regent het antwoord mijner ouders. Den vorigen dag was ik kalm gebleven, koud en koel, onbewogen, terwijl anderen aan hevige emoties ten prooi waren. Maar toen het telegram kwam, was het gedaan met mijne zelfbeheersching - ik ontving het midden in de les - ik verliet de kinderen, les geven kon ik niet meer. Gaan wij voorbij die dagen van hevig zielelijden, van wanhoop en worstelen. Genoeg, genoeg, wij hebben den vuurdoop ontvangen. Ik heb mijne voorwaarden gesteld: ik mag door blijven studeeren, examen doen, de school openen en voorts al het werk doen, dat ik liefheb en hier verricht.
Mijne ouders vinden mijn verzoek billijk en natuurlijk.
En toen heb ik gevraagd, om nog één jaar mijn illusie van vrijheid en zelfbewustzijn te mogen leven, om toch nog naar Batavia te mogen gaan, één cursusjaar meemaken, trachten in dat eene jaar klaar te komen. Zij hebben er niets op tegen, doch de R.v.R. moet het goedkeuren. Dat was dan afgesproken, daarom hoopte ik, dat hij spoedig hier mocht komen.
Doch God heeft 't anders beschikt. Weer zijn er gezanten gekomen. Zaterdagavond, den 11den en Zondagmorgen kreeg ik een brief te lezen, die mij de haren te berge deed rijzen.
O! God, wat een vrouw toch veel verdragen moet!
Het was een huwelijksaanzoek - wel een taal, mijn God - die man beschouwde mij al half als zijn eigendom. Ik werd er toch zóó angstig en zóó bang, zóó bang, dat ik zat te rillen en te beven. Zijne familie is welbekend, ik wist, dat mijne ouders mij nooit aan hem zullen geven. Hij zou in staat zijn om ons te vervolgen, als hij hoorde, dat wij op Batavia waren, en het ons daar erg lastig maken. Als het maar daarbij bleef! Het moet mij uit het hart: in zulke zaken vertrouw ik de meesten onzer landgenooten niet. U lacht er misschien om, maar wij hebben meer gezien dat goena-goena geen sprookje is. Reeds hoorde ik, dat die man daartoe zijn toevlucht genomen heeft. En die vreemde gasten, en een bediende daarvan doorsnuffelen als het ware ons huis, om ons te vinden. Vader heeft ons in onze kamer opgesloten. Ik huiver er nog van, als ik daaraan denk. Ook Mama werd bang.
En langzamerhand schemerde het voor ons geestesoog, dat op dit oogenblik, het voor een Inl. jong meisje niet mogelijk is, om alleen te staan, in het publiek te werken. Een groot gevaar bedreigt haar van de zijde der mannen. Voor een Javaansche man is geen vrouw te leelijk, dat weten we nu.
Wij hebben nooit aan dat gevaar gedacht, eenvoudig omdat wij nooit aan vuile, vieze dingen denken. Wij dachten heelemaal niet aan het huwelijk, en meenden in alle ernst, dat anderen dat ook dachten ten opzichte van ons. Wij hebben genoeg van ons doen langsspreken, om iedereen van ons af te schrikken. Regel is, dat onze mannen niets moeten hebben van zulke onmogelijke vrouwen als wij, zooveel besproken, belasterd en beschimpt.
Wij hadden aan alle mogelijke moeilijkheden gedacht, tegenwerking, minachting, enz. maar nooit aan dat gevaar. En als de Oosterling door hartstocht is bevangen, dan deinst hij voor niets terug.

7 September 1904. Rembang. Brief van Kartini aan mevrouw R.M. Abendonon- Mandri (pagina 383-385)  
Mijn liefste Moedertje, Hoe zal ik u danken voor het schattige jurkje dat u ons kindje gaf. Het heeft voor ons des te meer waarde, omdat wij weten in welke omstandigheden u aan het geschenk voor uw kleinkindje gewerkt heeft. Van Roekmini weten we dat u het slecht maakt sedert uw terugkeer op Batavia. Te bedenken dat u zelf ongesteld zijnde, zooveel zorgen aan 't hoofd hebbende, en bovendien als altijd in eene groote drukte zittende, toch den tijd kon vinden om zulk een geduld-werkje te doen voor ons kind. Wel groot moet uwe vriendschap, diep en innig uwe liefde voor me zijn! Met vochtige oogen en een dankbaar, gelukkig hart bezag ik gisteren het jurkje, en telkens weer moet ik het zien! Daar spreekt zooveel uit! Moedertje liefste! U heeft er uw dochter zóó gelukkig mee gemaakt. Het beeldige ornament je zal ik later uw kleinkind om den hals hangen, als het niet meer op zijn jurkje kan gedragen worden. En ik zal het verder voor hem bewaren, tot hij begrijpen kan, als ik hem vertel van de lieve die God zijn moeder gezonden heeft, opdat het ornament je hem even dierbaar wordt als het nu voor zijn moeder is. Mijn man zei me .gisteren bij de ontvangst van uw cadeau: "Ga Moedertje dadelijk schrijven, vrouw, het kon anders te laat zijn!" En ik heb zijn raad gevolgd en meteen de stem van mijn hart. Ons kindje is er nog niet, maar het kan er elk oogenblik zijn. Ik voel, dat zijn komst heel nabij is! Innig dank voor uwe bemoedigende woorden, liefste! De gedachte, dat daar ver van me een ziel, die een stuk is van mijn ziel, voor me hoopt en bidt, maakt me sterk, doet me zoo oneindig goed! Menschen, die me deze laatste dagen zien, vinden mij bijzonder opgewekt. Hoe zou ik niet opgewekt zijn, waar zoo'n groot geluk me wacht? Wat tellen al die uren van: pijn, waar zulk een zoet geluk, die prijs van is? Ik verlang al zoo naar mijn kleine schat. Het is wel zoet te weten, dat zoo velen deze laatste dagen met me leven. Of ik niet weet, hoe mijn lieven thuis, uur aan uur met me meeleven, voor me hopen en bidden. Waar zoovele harten eenzelfde bede doen, daar zal de Hemel niet doof er voor blijven. Moeske, ik ben er zoo vast van overtuigd, dat uw dochter het goed zal afbrengen. Natuurlijk hoort u het dadelijk, als de groote gebeurtenis plaats heeft. Och, kon u, mijn lieve engel, maar aan de wieg van ons kindje staan! Wat zal ik zalig gelukkig zijn! Ik weet, dat u ons kindje zal liefhebben, ook al is het een grooter mormel dan zijn moedertje is! Als het maar niet mormelig in hart en geest is, dan is het goed, hè Moeske! En dat kan haast niet, tenzij kwade geesten waken bij zijn wieg. Maar daar zal uw talisman wel voor zorgen, kwade geesten van uw kleinkindje afweren. Mijn moeder is al sinds twee weken bij me en nog een oud grootmoedertje om me bij te staan in de moeilijke oogenblikken, die komen gaan. Ik word hier verzorgd, vertroeteld en bewaakt als een prinsesje. De luiermand, het bedje, alles staat in onze kamer klaar voor de komst van ons schatje. En Moeske, hoe gaat het u a.s. Grootmamaatje? Hoe maakt Mijnheer het? a! zoo innig hoop ik dat deze u beiden in den allerbesten welstand zal bereiken. Hoe gaat het met Edie? Is hij nog in Ohina? Ik las met belangstelling zijn stuk in Elseviers maandschrift. Wat schrijft die jongen goed! Broer Edie, zou hij zich mijner nog herinneren? Ik heb er nog altijd hartzeer over, dat ik hem niet in persoon heb mogen ontmoeten. En nu, nu is de kans daarop heelemaal verkeken! Als u hem schrijft, doe hem de hartelijke groeten van zusje Kartini; vertel hem van mijn mooi geluk, en dat wij beiden hem in sympathie ,gedenken. Wat riekt het vruchtje heerlijk, echt Inlandsch parfum! Ik heb het jurkje in een kistje bij andere kleertjes opgeborgen, opdat ook deze lekker zullen ruiken. Wat zal mijn schat later heerlijk rieken! Goeden nacht, liefste Moedertje, ontvang nogmaals ons beider innigsten dank. Groet Mijnheer hartelijk van ons beiden, en wees zelf ferm gekust van uw eigen dochtertje  KARTINI.

Deze brief was haar laatste. Heel kort daarop, 13 September 1904, werd haar zoontje geboren, en vier dagen later werd zij onverwacht weggeroepen van allen, die haar dierbaar waren en voor wie zij zoo gaarne nog was blijven voortleven. Met diepen smart waren de harten vervuld van zoovelen, die haar hadden lief gehad, maar .de edele gedachten en gevoelens die haar bezielden, zijn als telkens op nieuw ontluikende bloemen, die als vertroosting doen beseffen dat haar leven, hoe kort ook, rijk is aan heilzame gevolgen, al mocht zij zelve daarvan geen getuige zijn.

Postscripta

Patrick Vanden Berghe 'Mijn pen kunnen ze me niet ontnemen’ Leven en werk van Raden Ajeng Kartini (1879-1904) In Streven Cultureel Maatschappelijk Maandblad. December 2004

In de Javabode van 19 september 1904 stond tussen enkele berichten over de Russisch-Japanse oorlog een In Memoriam. ‘Zaterdag overleed te Rembang Raden Ajoe Djojo-adiningrat Kartini, echtgenote van de regent van Rembang, een der begaafde dochters van den regent van Japara, die veel van zich hebben doen spreken door hun streven den Javaan en zijne vrouwen en dochters geestelijk op te heffen. Zij had zich dit als levensdoel gesteld en hoopte in haar huwelijk, […], in staat te zijn nog meer tot stand te brengen.’Het had niet mogen zijn: Kartini, vijfentwintig jaar en net bevallen van haar eerste zoon, overleed in het kraambed. Met haar stierf een van de meest beloftevolle uitdragers van de nieuwe wind die langzaam over de kolonie Nederlands-Indië begon te waaien.

Hollandsche maniertjes leren’

Het moet een heuglijke dag geweest zijn, ergens in 1895, in het leven van Raden Ajeng Kartini, tweede dochter van de regent van Japara (Midden-Java). Na vier jaar van opsluiting krijgt het zestienjarige meisje een deel van de hard bevochten vrijheid terug. Vanaf haar twaalfde werd ze immers thuisgehouden; in het Nederlands-Indië van 1900 was een meisje van twaalf huwbaar en werd ze geacht zo onopvallend mogelijk thuis te wachten tot een echtgenoot haar kwam halen. Letterlijk dan, want huwen betekende de vertrouwde omgeving achterlaten om spoorloos te verdwijnen in het huis van een echtgenoot die vaak al enkele vrouwen bezat!
Niet dat Kartini gedurende vier jaar in een echte gevangenis zat, maar haar wereld was al die tijd beperkt tot het weliswaar ruime erf van het ouderlijke huis. Zelf schrijft ze daarover in een van haar intussen bekend geworden brieven: ‘Vier lange jaren heb ik tussen vier dikke muren doorgebracht, zonder ooit iets van de buitenwereld te zien’. Uit een latere brief leren we hoe ze dit leven à huis clos beleefde: ‘Ik herinner mij, hoe ik in stomme wanhoop mijn lichaam telkens tegen de steeds gesloten deur en koude stenen muur wierp. Welke richting ik ook nam, het eind van iedere wandeling was een stenen muur of een gesloten deur’. Eerste vaststelling: ondanks de beperkte vrijheid was Kartini’s bestaan allesbehalve eentonig. Samen met haar zussen batikte en schilderde ze, samen ook lazen ze Nederlandse boeken en tijdschriften. Tweede vaststelling: haar brieven hoeven voor Nederlandstaligen niet vertaald te worden. Kartini had immers een meer dan behoorlijke opleiding genoten. Tot haar twaalfde kreeg ze les aan een Europese lagere school, die vlak bij het huis lag. Misschien was dit ook de reden waarom ze erheen mocht gaan; zij noch haar zussen hoefden over straat! Pas later, ze is dan volwassen, zou Kartini snappen dat het mogen studeren een andere betekenis had voor haar dan voor haar vader. Kartini’s ideaal bestond erin om door leren vrij en zelfstandig een beroep te kunnen uitoefenen. Voor haar vader diende leren een ander doel: door de omgeving geacht worden. Op haar twintigste verzuchtte de regentendochter bitter: ‘Onze opvoeding was komedie – schitteren was het doel’. Kartini onderscheidde zich in nog andere zaken van haar ouders. Toen haar oudere broer het huis uit was, kwam de leiding over haar zussen en broers op haar schouders te liggen. Kartini maakte meteen komaf met de volgens haar nutteloze eerbetuigingen. ‘De zusjes en broertjes gaan met mij en onder elkaar als vrije, gelijke kameraadjes om. Onder ons geen stijfheid, ‘t is enkel vriendschap en hartelijkheid wat je ziet in onze verhouding onderling. De zusjes zeggen jij en jou tegen mij en spreken dezelfde taal als ik.’ Gedaan met het gehurk en handengevouw; het was in een van tradities verlamde maatschappij een eerste bewijs van haar opstandige geest. Haar afwijzen van geforceerde huwelijken en, meer nog, van polygamie zouden haar nog meer van haar omgeving verwijderen.

Kartini leek wel voorbestemd om uit te groeien tot een icoon van de vrouwenemancipatie. Ze werd immers geboren in een familie waarin opleiding en vorming centraal stonden. Tot de staf van haar grootvader, eveneens regent, behoorde een Nederlandse gouverneur, die de kinderen Europees getint onderwijs verstrekte. Ongezien voor die tijd was dat ook de dochters aan de lessen mochten deelnemen. Niet zonder resultaat: een van Kartini’s tantes beheerste zelfs de Franse taal! Haar vader deelde de idealen van zijn vader; hij gaf ze ook door aan zijn dochters. Maar anno 1900 was iedereen, en niet het minst een man van adellijke afkomst, meer dan nu de gevangene van zijn tijd en cultuur; een cultuur met meer plichten en rechten. Hoger onderwijs zat er aldus voor Kartini niet in. Maar dat was buiten haar wil en onverzettelijkheid gerekend. Rond 1900 leerde ze immers enkele geestesverwanten kennen, niet toevallig allemaal Nederlanders. Voor de Javanen zelf ging het wellicht nog even te vlug. De meeste inlanders waren nog de gevolgen van de veranderende politiek van het moederland aan het verteren. Enkele decennia daarvoor had een zekere Multatuli immers brandhout gemaakt van het koloniale beleid. In zijn zog veranderde het Nederlands bewind het geweer van schouder. Er werd afgestapt van het desastreuze ‘cultuurstelsel’; onder invloed van de liberale politiek werden landbouwers plots loonwerkers. De concurrentie was moordend, en dus valt het enigszins te begrijpen dat de modale Javaan wel iets anders aan zijn hoofd had dan ‘te worden opgeheven’!

Angrek
Kartini’s eerste vaste correspondent was een Nederlandse feministe van het eerste uur, Stella Zeehandelaar. De correspondentie begon hoogst toevallig. Kartini had in 1899 onder het pseudoniem Angrek (Indonesisch voor ‘orchidee’) een briefje geschreven naar het vrouwentijdschrift De Hollandsche Lelie. De redactrice van het blad was blijkbaar zo onder de indruk van het overzeese schrijven dat ze ongevraagd een oproep lanceerde aan Nederlandse dames om met Kartini ‘in correspondentie [te] treden, opdat zij wrijving en uitwisseling van gedachten zou kunnen hebben, […]’. Diegene die hiertoe bereid bleek, was Stella Zeehandelaar. Stella, wier vader vroeg gestorven was, groeide op tot een zeer zelfstandige vrouw; ze had – we schrijven 1900! – zelfs een baan. Haar eerste daad tegenover Kartini verraadt veel van haar persoonlijkheid: ze stuurde haar verre correspondente de feministische roman Hilda Van Suylenburg. Stella was aldus de eerste voorstander van de opheffersidee waarmee Kartini in contact kwam. Later kwamen er nog velen bij: Hendrik van Kol, ingenieur en later socialistisch kamerlid die in 1902 een studiereis naar Indië ondernam en ervan overtuigd werd dat er een grote ereschuld te betalen viel aan de kolonie, Piet Sijthoff, de resident van Semarang, die een groot pleitbezorger was van Europees onderwijs aan de Javanen, de twee mevrouwen Ovink (de eerste, die schilderles gaf aan Kartini en haar zussen, wekte de belangstelling van haar schoonzus, die getrouwd was met een Nederlandse ambtenaar) en het echtpaar Abendanon. Jacques H. Abendanon zou een belangrijke rol spelen in Kartini’s leven. Als directeur van het departement Onderwijs zou hij haar idealen steeds onderschrijven. Van Kartini’s brieven zijn die aan het echtpaar Abendanon het bekendst; niet verwonderlijk, want het was precies J.H. Abendanon die reeds in 1911, onder de titel Door duisternis tot licht, de brieven van Kartini uitgaf. Het moet gezegd dat de vriendschap met het echtpaar werkelijk zeer diep was. Van het vormelijk ‘Liefste mevrouw’ evolueerde de aanhef van de brieven al snel naar ‘Mijn lieve schat’ of ‘Mijn lieve zon’. Voor Kartini en haar zussen was Rosa Abendanon een wonderlijke vrouw; dat ze zich net bij haar zo goed voelden, had ongetwijfeld te maken met ‘dat warme, vurige bloed dat in Uwe en onze aderen stroomt’. Mevrouw Abendanon was immers, zoals haar man, in Zuid-Amerika geboren.
Kartini’s verzuchtingen konden niet enkel op weerklank rekenen onder haar correspondenten, haar stem klonk ook steeds luider bij diegenen met wie ze geen briefwisseling onderhield. Zo waren er de jurist en kamerlid Van Deventer, die met zijn artikel ‘Een eereschuld’ aan de basis lag van de ethische koloniale politiek, en Gonggrijp, als assistent-resident van Jepara, in 1900 de directe chef van Kartini’s vader. De eerste zou later bergen werk verzetten om de kwaliteit en de toegankelijkheid van het inlands onderwijs te verhogen. Behalve Kartini-scholen kwamen er in het tweede decennium van de twintigste eeuw op Java ook Van Deventer-scholen. Gonggrijp lag dan weer aan de basis van het zich snel verspreidende beeld van de Opheffer, de multatuliaanse ambtenaar die de Javanen de weldaden van de vooruitgang moest helpen ontdekken.
Vreemd genoeg – of misschien juist niet, wanneer deze vaststelling wordt gehouden tegen het behoudsgezinde en van traditie doordrongen Javaanse daglicht – kwam Kartini’s grootste tegenstander uit eigen rangen. Haar oom Hadiningrat deelde met Kartini dezelfde ideeën omtrent het opvoeden van de inlanders. Dit wil zeggen, tot op zekere hoogte. Voor haar vaders broer was het immers onbespreekbaar meisjes aan het onderwijs te laten deelnemen. Dat de hardste tegenwind net uit eigen familie kwam, bleef voor Kartini steeds een bron van verdriet.
In al haar vrienden zocht Kartini medestanders voor haar ideaal: het oprichten van Nederlandstalige scholen waar kinderen uit de Javaanse adel goede vorming konden krijgen. Dat ze hierbij in eerste instantie dacht aan meisjes, leek haar evident: ‘En wie kan ‘t meest bijdragen tot de verhooging van ‘t zedelijk gehalte der menschheid? – de vrouw, de moeder, omdat aan den schoot van de vrouw de mensch zijn allereerste opvoeding ontvangt, het kind daar leert voelen, denken, spreken’. Kartini schreef deze woorden in 1900, ze zou nog enkele jaren moeten wachten voor ze realiteit werden. Na pogingen om in Nederland en Batavia te kunnen studeren, richtte ze samen met haar zus Roekmini halverwege 1903 thuis een schooltje op voor de kinderen uit de buurt. Het initiatief was meteen een succes; op een foto uit die tijd zien we Kartini en haar zus omgeven door een tiental kinderen.


‘Studeeren! Studeeren! In Europa wijsheid vergaren’

Dat het zo lang had geduurd voor Kartini besliste zelf in te staan voor de opvoeding van Javaanse kinderen, had met een aantal factoren te maken. Eerst en vooral waren er de ziektes en periodes van zwakte die haar familie en zijzelf moesten doorstaan. De gezondheid van haar vader was niet te best, de man leed aan een hartkwaal en het warme en vochtige klimaat bespoedigde zijn genezing zeker niet. Daarnaast had de regentendochter eerst andere sporen uitgeprobeerd. Haar grootste droom bestond erin een opleiding te krijgen in Nederland. Gesprekken met haar Nederlandse vrienden hadden haar op dit idee gebracht. Daar, in het verre en ontwikkelde Europa, zou ze kennis maken met de nieuwste opvattingen rond opvoeding en medische zorg. Omdat een dergelijke opleiding erg duur was, stelde Van Kol voor een verzoek tot financiële steun in te dienen bij de Nederlandse overheid. Het duurde echter een tijdje voor haar vader met de plannen instemde. Uiteindelijk werd de vraag in de Tweede Kamer behandeld, het antwoord liet op zich wachten en toen het positieve antwoord Jepara bereikte, was het te laat. Niet alleen was Kartini toen net één dag uitgehuwelijkt, de zussen hadden intussen zelf al beslist om in eigen land te blijven. De angst om van hun eigen cultuur te vervreemden was in deze beslissing het belangrijkste argument. Kartini wilde niet het risico lopen dat vaders en moeders hun kroost niet langer wilden toevertrouwen aan iemand die jaren ver van huis in een vreemd land had geleefd. Maar ook de ergste roddels werden de zussen niet bespaard. Zochten ze immers niet enkel Nederlandse connecties om later rijk te kunnen trouwen? Toen het de zussen duidelijk werd dat de droom om in Nederland te verblijven moest opgegeven worden, schreef Kartini vertwijfeld: ‘Europa! Europa! Zult ge dan steeds onbereikbaar blijven voor ons!? Wij, die zoo met hart en ziel naar u verlangen? Wij kunnen, wij willen ‘t niet gelooven […]’.
Kartini had dan maar haar hoop gesteld op een opleiding in Batavia. Het leek haar zelfs zeer aantrekkelijk om in de onmiddellijke nabijheid van Rosa Abendanon, ‘onze lieve engel’, te kunnen studeren. Maar ook dit plan strandde: haar vader voelde er niet veel voor, en uiteindelijk keerden ook de Abendanons terug naar Nederland. Toen restte haar nog maar één uitweg: enkele dorpen verder lag een klooster dat meisjes gratis opleidde tot verloskundige. Het laat zich raden wat er gebeurde: de omgeving, oom Hadiningrat op kop, reageerde afwijzend. Verloskundige was toch wel te min voor regentendochters. Adieu Holland, adieu Batavia, adieu opleiding!


‘Geef Java flinke, verstandige moeders!’

‘Is het absoluut onmogelijk een volk van 27 miljoen zielen ineens op te voeden?’ Met deze vraag, die in kracht kan wedijveren met de laatste regels uit de Max Havelaar, openen Kartini’s beschouwingen over het inlandse onderwijs. Eind 1902 werd haar gevraagd haar ideeën over onderwijs aan inlandse regentendochters uit te schrijven. Het resultaat is haar bekendste pamflet, Geef den Javaan opvoeding. Dat het pamflet er kwam op expliciete vraag van het Ministerie van Koloniën, betekende voor haar een heuse overwinning. Gedurende de voorgaande jaren had ze immers nauwelijks kunnen publiceren. Haar vader vond het immers ongepast dat ze haar toevlucht nam tot de media. Nogal vervelend voor een meisje dat ervan droomde schrijfster te worden. Stonden Kartini bij het schrijven van de nota haar eigen onderwijservaringen voor ogen? Moeilijk te zeggen, maar het valt op dat het onderwijs waar ze voor pleitte opmerkelijk modern te noemen is. Zelf sprak ze van ‘aanschouwelijk onderwijs’. In een van haar brieven omschrijft ze dit onderwijs als volgt: ‘Er moet iets aanschouwelijks zijn, iets dat men zien, betasten en mooi vinden kan met ‘t bloote oog, om onze onderneming sympathiek, begeerenswaardig te maken voor onze landslieden’. Deze woorden moeten gelezen worden tegen Kartini’s eigen achtergrond. Nadat haar oudere zus Kardinah was uitgehuwelijkt, bleef haar nog enkel haar twee jaar jongere zus Roekmini, die erg onderlegd was in tekenen. Roekmini, die geen onderwijzeres wilde worden, week geen millimeter van Kartini’s zijde, en dus zocht deze laatste een manier om haar in de opleiding van de Javaanse meisjes te betrekken.
Niet enkel kennisoverdracht was voor Kartini belangrijk. In Geef den Javaan opvoeding *)schrijft ze hierover onder meer: ‘Aan de personen die onderwijs geven, de taak om de meisjes die hun worden toevertrouwd, naar hun beste weten en met ál hun vermogen te vormen tot beschaafde, ontwikkelde vrouwen, bewust van hare ZEDELIJKE ROEPING in de maatschappij, […]’. De hoofdletters schreeuwen bijna letterlijk om aandacht. De hedendaagse lezer valt op dat het pamflet nog steeds leest als een vooruitstrevend onderwijsprogramma. Centraal stonden de praktijkvorming – concreet dacht Kartini aan vakken als administratie, gezondheidsleer, verbandleer – en het onderricht in de Nederlandse taal. Dit laatste sloot aan bij de heersende tendens. In het tweede deel van de negentiende eeuw gingen steeds meer inlanders de banken van Nederlandstalige scholen, de zogenaamde Europese scholen, opzoeken. Waren deze instellingen tot in 1864 verboden terrein voor de lokale bevolking, in 1900 telden de Europese scholen net geen tweeduizend inlandse leerlingen, het grootste deel van adellijke origine.


‘Liefste mevrouw, er is onraad!’

De realisatie van haar dromen zou Kartini niet zelf meemaken. De tragedie (haar eigen woorden!) die ze had gevreesd en ook haar zus Kardinah enkele jaren eerder was overkomen, werd haar niet bespaard. Eén dag voor ze het positieve antwoord op haar rekest ontving, kreeg ze van haar vader het nieuws dat er een huwelijksaanzoek was binnengekomen. Had ze nog uit principiële redenen kunnen weigeren, de broze gezondheid van haar vader deed haar overstag gaan. Het aanzoek kwam niet van de minste; Raden Adipati Djojo Adiningrat was regent van Rembang, een grote zware man met een gezicht als een walrus. Van iemand die net geen twintig jaar ouder was dan zijzelf, leek Kartini niet veel sympathie voor haar onderwijsplannen te mogen verwachten. Niets was minder waar. Djojo Adiningrat had zijn oog precies op Kartini laten vallen omdat hij haar hoog achtte. In haar brieven aan haar vrienden omschreef Kartini haar echtgenoot als zacht, teder en vol belangstelling voor haar werk en ideeën. Snel na haar huwelijk in november 1903 gebeurde het onwaarschijnlijke: de geëmancipeerde Kartini begon liefde voor haar man te voelen. Hij stemde er zelfs mee in dat ze het onderwijs aan haar schooltje bleef verzorgen. Begin 1904 raakte Kartini zwanger, op 13 september werd haar zoon geboren. Ze zou het kraambed niet meer verlaten, vier dagen later overleed ze.

Herinneringen aan een regentendochter

Was Kartini reeds bij leven een legende, na haar dood zou haar ster des te helderder schijnen. Bijna onmiddellijk nadat bekend werd dat Kartini overleden was, schreef ene Victor Ido, pseudoniem van Hans van de Wall, het toneelstuk De Regentsdochter. Ondanks Kartini’s bekendheid, kon de auteur niemand vinden die het stuk wilde opvoeren; het werd wel uitgegeven als dagbladfeuilleton in 1905 en 1906. In dezelfde periode schreef Pieter Brooshooft het toneelstuk Arm Java, waarin zowel reële als fictieve elementen uit Kartini’s leven werden verwerkt. In 1911 publiceerde J.H. Abendanon onder de titel Door duisternis tot licht een selectie uit de brieven die Kartini aan het echtpaar had geschreven. Dat Abendanon uit het goede hout gesneden was, mag blijken uit het feit dat de opbrengsten van het boek werden besteed aan de oprichting van Kartini-scholen. Omdat J.H. Abendanon hoofdzakelijk kon putten uit zijn eigen archief, bevatten zijn eerste uitgaven vooral brieven die Kartini aan het echtpaar stuurde. Pas na de ontdekking van nieuwe brieven verscheen Kartini / Brieven aan mevrouw R.M. Abendanon-Mandri en haar echtgenoot; met andere documenten van F.G.P. Jacquet. Het strekt de Indonesiërs tot eer dat zij hun illustere landgenote niet vergeten zijn. Dat hebben ze onder meer te danken aan de biografie die de bekende Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer in de jaren zestig schreef. Intussen prijkt Kartini ook op Indonesische bankbiljetten en werd haar geboortedag, 21 april, uitgeroepen tot Kartini-dag.
Belangrijker echter is de vraag of Kartini ook echt iets heeft betekend voor het inlandse onderwijs. Door haar onophoudelijk schrijven naar en contact zoeken met invloedrijke mensen zorgde ze er zeker voor dat het onderwijs aan inlandse meisjes op de politieke agenda werd gezet. Even belangrijk is dat ze in haar eigen omgeving de adel ertoe aanzette ook dochters een schoolse opleiding te geven. Reeds enkele jaren na haar overlijden zagen zogenoemde Kartini-scholen het licht in de grote steden van Java. In 1911 stroomde het eerste inlandse meisje dat een dergelijke school had bezocht, door naar het hoger onderwijs. En het was pas nadat hij dankzij de uitgaven van haar brieven kennis had gemaakt met Kartini’s ideeën dat Van Deventer in 1913 het Kartini-fonds oprichtte. Het fonds zamelde geld in ten behoeve van die meisjesscholen op Java die ook oog hadden voor de praktische vorming van de leerlingen.
Één facet van Kartini is echter totnogtoe aan onze aandacht ontsnapt. Als tiener werd ze op een dag door haar vader meegenomen naar een klein dorp in de buurt waar heel wat houtsnijders woonden. Het betekende een schok voor haar. In brieven aan haar Nederlandse vrienden was ze zo enthousiast over de vaardigheden van de ambachtslui, dat zowat iedereen meteen allerlei bestellingen plaatste, tot een kamerscherm voor de gouverneur-generaal. Kartini’s brieven hebben dan ook niet alleen betrekking op haar onderwijsideeën, ze staan eveneens vol met gegevens omtrent leveringstermijnen, afmetingen, houtsoort en afbeeldingen. In 1898 werd het haar toevertrouwd het Javaanse geschenk voor de troonsbestijging van Koningin Wilhelmina te ontwerpen! Datzelfde jaar was er in Amsterdam een grote tentoonstelling waarop de Jeparese houtsnijkunst aan de wereld werd voorgesteld. Er wordt zelfs beweerd dat Kartini en haar vader ervoor verantwoordelijk zijn dat op traditioneel houtsnijwerk afbeeldingen van wayangpoppen te zien zijn. Tot dan waren de houtsnijders bevreesd dat de geesten van de poppen zich zouden wreken. Blijkbaar kon niemand echt ontsnappen aan het begeesterende enthousiasme waarmee Kartini nieuwe ideeën lanceerde.

*)Link naar het manifest van  Kartini: Geef den Javaan opvoeding