A.F. Gooszen (1824-1955)
G. Jungslager

Vice-admiraal Antonie Frederik Gooszen (1869-1955)
Inleiding
De in 1824 geboren Antoine*) Frederik
Gooszen huwde met Johanna Wilhelmina Jacoba baronesse van Reede van Oudtshoorn.
Voor hem was dit zijn derde huwelijk, voor haar het tweede. Uit dit huwelijk **)
werd op 24 mei 1869 te Amsterdam geboren de latere marineofficier Antoine
Frederik Gooszen. Deze marineofficier (promotie 1885) huwde met Henriette
Elisabeth Peereboom Voller uit welk huwelijk drie dochters werden geboren die
later allen met marineofficieren trouwden: Maria Johanna met Jan Willem Gerrit
Van Hengel (promotie 1909), Ottelina Hendrika met Hendrik Thomas de Booy
(promotie 1917) en Antoinette Frederika met Jan Paul Hendrik Perks (promotie
1919). Antoine Frederik zelf was een volle neef van de marineofficier Anton
Willem Turk (promotie 1910). In het geslacht Gooszen speelde de Koninklijke
Marine dus een belangrijke rol, niet alleen vanwege de familiebanden maar zeer
zeker ook vanwege de carrière van Antoine Frederik.
Van zijn politieke voorkeur is weinig bekend. Waarschijnlijk hing Antoine Frederik de liberale gedachten aan, onder andere gezien het feit dat hij weliswaar anoniem maar te oordelen naar de woordkeus toch duidelijk herkenbaar in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) publiceerde. De NRC stond in die tijd politiek tussen de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) en de Vrijheidsbond. De VDB was een intellectuele maar politiek vrij machteloze groepering die wel de ambtenaren- en professorenpartij werd genoemd; de Vrijheidsbond verbond de conservatieve burgers in Nederland.
*) De voornaam Antoine moet zijn Antonie
**) Antonie Frederik Gooszen werd geboren uit het tweede huwelijk van zijn vader
Antonie Frederik Gooszen
met Ottolina Hendrika Rahé, geboren Amsterdam 23 april 1835, overleden 9
december 1873.
Marineofficier
Op 2 augustus 1890 werd de 21-jarige
Antoine Frederik Gooszen benoemd tot officier in de rang van adelborst der
eerste klasse. Als vice-admiraal verliet hij op 1 februari 1928 op 59-jarige
leeftijd 's rijkszeedienst. Gedurende deze, ruim zeven en dertig-jarige,
loopbaan heeft Gooszen vele belangrijke functies vervuld, waarbij hij met zijn
ideeën invloed heeft uitgeoefend op het marinebeleid en zijn sporen heeft
nagelaten.
Het eerste deel van zijn marineloopbaan speelde zich onopvallend af aan boord
van schepen en walplaatsingen, waarbij, zoals destijds gebruikelijk, één en
ander plaatsvond in het voormalige Nederlands-Indië maar ook in Nederland. Tot
en met zijn bevordering tot kapitein-luitenant-ter-zee, 1 juli 1914, kan men
spreken van een normaal verlopen loopbaan. Dat hij gedurende die periode de
aandacht van de marineleiding had getrokken bleek eerst duidelijk op 1 februari
1918, toen Gooszen, 49 jaar oud, werd bevorderd tot kapitein-ter-zee. In die
rang en de daarop volgende werd hij belast met de vervulling van
verantwoordelijke, belangrijke en invloedrijke functies. De eerste daarvan was
die van Commandant Marine te Soerabaja, welke functie hij overigens slechts
negen maanden bekleedde: van 7 november 1918 tot 28 augustus 1919. Zowel gezien
de inhoud van deze functie als ook de periode waarin Gooszen haar heeft vervuld
doen veronderstellen dat hij weinig van doen heeft gehad met de uitoefening van
het neutraliteitsbeleid, om te zwijgen over invloed bij de vaststelling ervan.
Eén en ander had te maken met maatregelen, neergelegd in het toen geldende
'Oorlogsmemorandum' , zoals hoe te handelen ten aanzien van schepen welke onder
belligerente vlag in de wateren der archipel verbleven.
Toch kan het niet anders dan dat de net voorbije periode van voortdurende
spanning, gedurende welke de toenmalige Commandant Zeemacht in Nederlands-Indië
(CZMNI) vice-admiraal F. Pinke vrijwel alle touwtjes in handen had, van grote
invloed op Gooszen is geweest. Hij had als het ware een eerste-rang plaats op
het schouwspel van de samenwerking tussen de lokale politiek en de inzet van de
marine.

Vice-admiraal F. Pinke
(1860-1917), Commandant Zeemacht van Nederlandsch Indie 1912-1916
De functie van Chef Marinestaf
Na terugkeer in patria was voor hem een boeiende functie gereserveerd waarin
hij met dat samenspel zelf te maken kreeg: Gooszen werd benoemd tot Chef
Marinestaf (CMS) te 's-Gravenhage. Hoewel deze functie gedurende de tijd dat
Gooszen haar vervulde, van 2 februari 1920 tot 1 augustus 1923, sedert de
instelling ervan weliswaar in aanzien en gewicht gestegen was, had zij toen nog
lang niet haar volle betekenis bereikt. Oorspronkelijk hield deze functie weinig
meer in dan de coördinatie van het beleid ten aanzien van de
oorlogsvoorbereidingen van de ministeries van Oorlog en Marine. Gebleken was
namelijk dat bij de wisseling van bewindslieden, veelal vakministers, ook de
inzichten over defensievraagstukken veranderden. Teneinde de hieruit
voortvloeiende problematiek het hoofd te bieden, werd in 1883 een ministeriële
commissie ingesteld met als taak voorstellen te doen om te komen tot een betere
samenwerking en continuïteit tussen beide ministeries. Haar opdracht omvatte uit
te gaan van de bestaande organisatie en sterkte van zee- en landmacht, de
opstelling van schepen en troepen bij verschillende oorlogstoestanden en, in
geval van handhaving der neutraliteit, bij het leggen van de nodige
versperringen en afsluitingen van de zeehavens en vaarwaters. In haar
eindrapport kwam de commissie tot de conclusie dat de samenwerking der beide
ministeries meer moest omvatten dan alleen het ontwerpen van maatregelen voor
tijden van oorlog en oorlogsvoorbereidingen. Voortdurende samenwerking in tijd
van vrede en het veelvuldig houden van oefeningen zouden leiden tot een meer
doelmatige wederzijdse ondersteuning van beide krijgsmachtdelen. In navolging
van de reeds lang bestaande generale staf zou daarom voor de zeemacht een
marinestaf in het leven geroepen moeten worden. Tot haar taak zou behoren de
coördinatie en zonodig wijziging van plannen, opgemaakt door de directeuren en
commandanten in de marinedirecties, wanneer deze niet pasten in het ruimere
defensieplan. Bovendien zou de marinestaf een stem moeten krijgen in de aanschaf
van nieuw materieel en de te houden grote oefeningen. De marinestaf zou echter
op geen enkele wijze mogen ingrijpen in de functies van de genoemde directeuren
en commandanten en hen evenmin van hun verantwoordelijkheden ontheffen. Werd dit
advies reeds in 1883 gegeven, het zou nog tot 1886 duren eer kapitein-ter zee G.
Kruys op 16 april 'voor speciale diensten' bij het ministerie van marine werd
'gedetacheerd'. De termen 'marinestaf' en mutatis mutandis die van 'chef
marinestaf', in de wandelgangen reeds in zwang, kwamen eerst op 1 september 1891
officieel in gebruik.
De bezigheden van de CMS zijn samen te vatten onder drie hoofdonderwerpen: oorlogsvoorbereiding, samenwerking met de landmacht en het verkrijgen van informatie. Dit laatste hield onder meer in het op de hoogte blijven van ontwikkelingen bij buitenlandse marines op het gebied van tactiek, technologie en personele en materiële sterkten. Ondanks de onderkenning van het belang van de functie van CMS, verliep de ontwikkeling van de marinestaf traag. In 1918 rapporteerde de toenmalige CMS, kapitein-ter-zee W.J.G. Umbgrove aan de minister over het functioneren van de marinestaf. Hij stelde, dat deze volstrekt onvoldoende was bezet om alle toegewezen taken - verbetering der kustverdediging in Nederland, ontwerp van een vlootwet en een marinebasis in Indië, het treffen van mobilisatieregelingen en ondersteuning van de marineluchtvaartdienst - op deugdelijke wijze uit te voeren. Ook en vooral was de marinestaf in zijn ogen geen gezaghebbend orgaan. Vruchteloze discussies over bijvoorbeeld een klein materieel- dan wel een zware artillerievloot kon de marinestaf niet verhinderen omdat de staf niet over een goed inlichtingenbureau beschikte. 'De marinestaf had niet veel te zeggen'. Door de mobilisatie in 1914 was daarin wel verbetering gekomen maar Umbgrove pleitte ervoor de marinestaf niet naast maar boven de afdelingen personeel, materieel en scheepsbouw te plaatsen, evenals boven de inspecteurs torpedodienst, artillerie en mariniers. Toen Gooszen op 2 februari 1920 als CMS aantrad was van die bovenschikking nog niets gekomen. Hij moest opboksen tegen de hoofden van genoemde afdelingen en de inspecteurs van genoemde diensten.
Gooszen wordt Chef Marinestaf
Welke situatie trof Gooszen aan toen hij
CMS werd? Wat betreft de taak van de zeemacht in zijn algemeenheid, daarin was
sedert de Vestingwet van 1874 geen verandering gekomen. Het algemene
Leitmotiv in militaire zin was en bleef het strategisch defensief. Ten
aanzien van het moederland kwam dit voor de zeemacht neer op kustverdediging aan
de Noordzee en het leggen van versperringen op de grote rivieren, daar waar deze
het land binnenkomen. De enige wijzigingen daarin betroffen de aanpassing der
materiële middelen aan de technologische ontwikkelingen.
Anders lag het met het beleid in Nederlands-Indië. De politiek onderkende daar
twee vijanden, een buitenlandse en een inlandse. Ter beteugeling van deze
laatste was het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) geëquipeerd en
beperkte de taak der zeemacht zich tot het ondersteunen van het leger daar waar
het mogelijk en wenselijk was. Ten aanzien van de buitenlandse vijand was voor
de zeemacht een coup-de-main scenario ontwikkeld. Hierbij gingen de
gedachten uit naar een buitenlandse vijand waarvan het optreden in eerste
instantie niet verder zou gaan dan het - al dan niet tijdelijk - bezetten van
één of enkele kustplaatsen in de buitengewesten. Sedert de commissie Kromhout
(1892) was aan de zeemacht in Nederlands-Indië evenwel een belangrijke rol
toevertrouwd. De verdediging tegen een buitenlandse vijand moest zich richten op
de verdediging van Java. Voor de zeemacht lag daarbij het zwaartepunt in het
voorkomen van landingen aldaar. Die strijd moest, aldus deze commissie, gevoerd
worden op zee nabij en voor de kust van het hoofdeiland. Als meest
waarschijnlijke landingsplaatsen werden beschouwd: Batavia, Soerabaja, Semarang
en - in mindere mate - Cheribon. In het kort: sedert de commissie Kromhout was
het primaire operatieterrein voor de vloot bepaald in de Javazee voor de
noordkust van Java. Het KNIL had daarbij als taak de handhaving van orde en rust
op dit eiland terwijl bovendien Batavia als bestuurszetel en Soerabaja als
vlootbasis verdedigd moesten worden.
Deze visie is terug te vinden in de Defensiegrondslagen van 1892. Het
zwaartepunt van de verdediging lag op west-Java: Batavia en de belangrijkste
handelshaven Tandjong Priok. Werd de druk daar te groot dan moest het KNIL zich
terugtrekken naar de hoogvlakte van de Preanger. Daarnaast behoorde de
vlootbasis Soerabaja te worden verdedigd. Volgens enkele Koninklijk besluiten
van 1896 en 1897 was vastgesteld dat de zeemacht in Nederlands-Indië zou bestaan
uit zes krachtige oorlogsschepen, 'geschikt om met klem' de Nederlandse rechten
en belangen te beschermen en het soevereine gezag in de archipel, ook tegenover
inlandse volkeren, te handhaven.
Artillerie schepen versus een
klein-materieel vloot
Waren dit de prealabele uitgangspunten voor
Gooszen als CMS, hij werd ook geconfronteerd met een aantal actuele zaken. Zo
was de vloot in materieel opzicht ernstig verouderd en vrijwel opgevaren.
Vervanging van de belangrijkste eenheden was een dringende noodzaak. Dit
probleem was eerder onderkend en de 'Cornmissie-1912' had een plan ontwikkeld
dat het tot een ontwerp-wet bracht. Hieraan waren langdurige discussies over en
studies van ontwikkelingen op strategisch en taktisch terrein bij buitenlandse
marines vooraf gegaan. In zijn algemeenheid kan men zeggen dat sinds de zeeslag
bij de monding van de rivier de Yalu, gedurende de Japans-Chinese oorlog van
1894-1895, het pleit ten gunste van snelvarende, licht gepantserde en met
middelbaar snelvuurgeschut bewapende kruisers was beslist, ten koste van het
trage pantserschip. Met de komst van het 'Dreadnought' -type slagschip en de
slagkruiser en de daarmee min of meer parallel lopende technische ontwikkeling
van de torpedo, omstreeks 1905, was echter een nieuwe discussie ontbrand. In de
Koninklijke Marine leidde deze tot twee stromingen, die zich elk oriënteerden op
een eigen wapen. Aan de ene zijde stonden de voorstanders van een vloot rondom
een kern van zware artillerieschepen, aan de andere kant die van een vloot
bestaande uit kleinere, snelvarende torpedoboten. Deze eersten meenden bovendien
dat zo'n torpedovloot tot een eigen Indische marine zou leiden en daarom een
symbool vormde van een vermeend streven naar een lossere band tussen Indië en
Nederland. Per saldo eindigde deze discussie ten gunste van de zware
artillerie-vloot. De hiervoor genoemde' Commissie 1912' presenteerde in 1913 een
plan, dat in het voorjaar van 1914 leidde tot de indiening van een
ontwerp-vlootwet in de Tweede Kamer, waarvan artikel 1 luidde:
(1) De Koninklijke Marine van den Staat
der Nederlanden zal bestaan uit:
9 pantserschepen, t.w. 2 divisies van 4 schepen elk, benevens een
reserveschip, alle bewapend met een zware batterij van tenminste 8 kanonnen met
een kaliber van ten minste 34 cm; .
(2) Van de in het eerste lid bedoelde pantserschepen zullen te allen tijde ten
minste vijf der meest moderne eenheden, t.w. één divisie met een reserveschip,
in Nederlandsch Indië aanwezig zijn.
De Memorie van Toelichting bij dit ontwerp
van wet vermeldde onder andere, dat het eerder ontwikkelde verdedigingsplan van
de kolonie, gericht op de verdediging van alleen Java, op een onjuiste grondslag
berustte. Bij de verdediging van de Oost-Indische bezittingen behoorde men zich
ten doel te stellen: (1) aan elke schending der neutraliteit in de gehele
archipel het hoofd te bieden en (2) een vijand niet alleen de verovering van
Java maar ook de inbezitneming der buiten bezittingen te beletten.
Nieuw in deze opvatting was niet alleen dat de verdediging het gehele gebied
diende te omvatten, maar ook dat de regering van mening was dat de verdediging
van Nederlands Indië in hoofdzaak aan de zeemacht zou moeten worden
toevertrouwd. Het KNIL had als principiële taak de vlootbasis en
vlootsteunpunten te beschermen en niet om de strijd op Java te rekken. Het
uitbreken van de oorlog 1914-1918 noodzaakte de regering echter het eerder
ingediende ontwerp terug te nemen, waarmee de discussie zware artillerieschepen
versus snelle torpedoboten weer oplaaide. In 1915 verscheen in het
Marineblad, van de hand van de gepensioneerde zeeofficier N. MacLeod, een
pleidooi voor een vloot rondom een kern van zware artillerie schepen. Hierop
voortbouwende schreef luitenant-ter-zee der eerste klasse H. Ferwerda - hij zou
het later tot CZMNI brengen - in 1920, dat het eskader in Indië zou moeten
bestaan uit vier slagkruisers, geëncadreerd door enkele verkenningskruisers,
torpedobootjagers en onderzeeboten. Ter ondersteuning van dit eskader behoorde
nog een vier1al taakgroepen, elk samengesteld uit een kruiser, twee
torpedobootjagers en vier onderzeeboten. Een andere stroming werd vertolkt door
luitenant-ter-zee der tweede klasse P. Post Uiterweer, die zich sterk maakte
voor de onderzeeboot en het vliegtuig als de belangrijkste wapenen voor de
verdediging van Nederlands-Indië.
Het einde van de oorlog 1914-1918, welke aan Nederland voorbij was gegaan, wekte bij een aantal politieke leiders de verwachting dat, zou het ooit weer tot zo'n oorlog komen, Nederland wederom gespaard zou blijven. Deze gedachte impliceerde een vermindering van elke defensie inspanning, in elk geval ten aanzien van het moederland. Zelfs de Vrijzinnig-Democratische Bond aanvaardde in 1924 de gedachte van een nationale ontwapening. Voor de sociaal-democraten (SD) was het anti-militarisme nog breder gefundeerd. Als exponent hiervan gold de motie-Hugenholtz, die pleitte voor de opheffing van de zeemacht. Deze opvatting is ongetwijfeld mede ingegeven doordat de SD tot op dat moment nog geen regeringsverantwoordelijkheid hadden gedragen. Deze ontwikkelingen, bovenop de teruggenomen ontwerp-vlootwet, welke als uitgangspunt had de zelfstandige verdediging van Nederlands-Indië, leidden de afbraak van het militaire apparaat in.
Een politiek/maritiem drama
Nu had zich na het einde van de wereldoorlog nòg een politiek/maritiem drama
voorgedaan. Tijdens de moeizame formatie van het eerste kabinet-Ruys de
Beerenbrouck, in 1918, was het vinden van een bewindsman voor marine bijna
onoverkomelijk gebleken. Tenslotte, als derde keus, bleek vice-admiraal W.
Naudin ten Cate (liberale sympathieën) bereid deze post te bezetten. Voor de
marine waren toen twee verkenningskruisers in aanbouwen was de bouw van een
derde in het vooruitzicht gesteld. Deze bestedingen waren mede oorzaak van nogal
wat discussie over de noodzaak van deze nieuwbouw: zo sprak men van 'een
bedroevend zoodje' en 'een onbruikbare hoop roest'. Naudin ten Cate kwam
tenslotte tot de conclusie, dat het enige wat erop zat, was af te bouwen wat op
stapel stond zonder aan een derde kruiser te denken. Deze beslissing verminderde
het rumoer rondom de kruisers nauwelijks. Toen bovendien de motie-Hugenholtz ter
tafel kwam, vond de bewindsman het welletjes en nam ontslag. Na enige moeite
werd tot veler verrassing de jonge anti-revolutionair mr H. Bijleveld, bereid
gevonden als burger-minister de portefeuille van Marine te beheren. Van hem werd
een nieuwaanbouwbeleid gevraagd, waaraan hij voldeed: de bouw van de twee
kruisers zou worden gestaakt. Dit was evenwel een beslissing, die in slechte
aarde viel bij de marineleiding. De twee kruisers - het hadden er eigenlijk drie
of vier moeten zijn - vormden de kern van de marineorganisatie zonder welke de
zeemacht zou terugvallen tot een quantité négligéable. Het was de
departementale top van marine bekend dat Bijleveld, nadat hij een
conceptcontract had ondertekend voor de levering van pantserplaten voor de beide
kruisers, enige malen van mening was veranderd ten aanzien van hun afbouwen. Het
gevolg hiervan was dat de marineleiding hem als een onbetrouwbare leidsman zag
en besloot hem ten val te brengen. Dat geschiedde doordat een ter departement
werkzame zeeofficier in de Nieuwe Rotterdamsche Courant dit gedraai van
Bijleveld onthulde en aan de kaak stelde. De toenmalige CMS, Umbgrove, weigerde
deze officier te laten vallen met als resultaat dat Bijleveld het veld moest
ruimen. Uit deze gang van zaken heeft Gooszen ongetwijfeld geleerd hoe de
politieke kaarten ten aanzien van de zeemacht lagen in de Tweede Kamer.

Links: Jhr Mr Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck Voorzitter van de ministerraad, van 9 september 1918 tot 3 augustus 1925. Midden: W. Naudin ten Cate ,minister van Marine, van 16 september 1918 tot 20 februari 1919. Rechts Mr H. Bijleveld, minister van Marine, van 17 april 1919 tot 5 januari 1920
Commissie-Gooszen
De minister van Koloniën, S. de Graaf, zorgde voor een
tegenwicht tegen de afbraak van de zeemacht door de gouverneur-generaal te
Batavia, J.P graaf van Limburg Stirum, in maart 1920 als zijn visie te berichten
dat het Verre Oosten 'onafwendbaar' met een volgende oorlog rekening moest
houden. De regering besliste hierop dat versterking van de Indische defensie
noodzakelijk was, de principes van de Volkenbond ten spijt. Voor de zeemacht was
dit, gezien tegen de nog in dienst zijnde maar opgevaren eenheden, een positief
vooruitzicht. Maar deze beslissing deed echter wel de discussie over een zware
artillerie-vloot versus een klein materieel-vloot weer oplaaien. Dit hele complexe krachtenveld trof Gooszen in februari 1920
aan. Vrijwel direct nadat hij tot CMS was benoemd werd generaal W.F. Pop
minister van Marine ad interim. Deze samenloop bood Gooszen de kans de
nieuwe bewindsman een nota aan te bieden over de staat waarin de zeemacht zich
bevond, zulks in verhouding tot de opgedragen taken. In deze nota, eerder onder
leiding van de directeur van de Hoogere Marine Krijgsschool door vier cursisten
ontwikkeld, zette Gooszen zijn ideeën uiteen waarbij hij de twee
operatieterreinen van de zeemacht, Nederland en Nederlands-Indië, separaat
behandelde. Wat zijn opvattingen inzake de vlootsamenstelling vóór het uitbreken
van de wereldoorlog ook geweest waren, thans toonde hij zich een fervent
voorstander voor een klein materieel-vloot waarbij het accent lag op het
onderwaterwapen. Hij bepleitte in het bijzonder het optreden van onderzeeboten
in divisieverband. Voor de kustverdediging van het moederland, was hij
voorstander voor de inzet van onderzeeboten tezamen met het gebruik van mijnen.
Dit geheel moest worden gesteund door de artillerie van enkele oudere
pantserschepen. Ten aanzien van de verdediging van Indië voerde hij aan dat een
zelfstandige verdediging van dat rijksdeel uitgesloten was. Dit, van realisme
getuigende standpunt, was, gezien vanuit de visie van een klein materieel-vloot,
zeer wel te verdedigen. Wat de door minister De Graaf in het vooruitzicht
gestelde 'onafwendbare' oorlog rondom de Indische archipel betrof, stelde Gooszen dat Nederland zich altijd verzekerd kon weten van een bondgenoot. Daarom
kon het doel van de zeemacht in Indië beperkt worden tot het de vijand beletten
met een geringe scheepsmacht de heerschappij in de wateren van de
archipel te verkrijgen. Gooszen liet (wijselijk?) na het begrip een geringe
scheepsmacht nader te definiëren. Wel stelde hij, dat zonder kruisers het
bouwen van een 'klein materieel'-vloot van jagers en onderzeeboten zinloos was.
Op deze wijze wilde de CMS de verdere afbouw van de twee kruisers veiligstellen.
Voor beide operatieterreinen, Nederland zowel als Indië, meende Gooszen voorts
dat een adequate vliegdienst een vereiste was. Ten slotte wilde Gooszen, dat het
nastreven van een vlootplan in een vlootwet werd vastgelegd. De minister volgde in principe de nota van Gooszen, zij het
dat hij zich beperkte tot het doen opstellen van een deugdelijk vlootplan. Voor
het vastleggen van één en ander in een vlootwet voelde Pop niets. Daarmee zou
men vooruit werken tot in een verre toekomst zonder de zekerheid te hebben dat
de eisen, gesteld aan de vloot, gelijk zouden blijven. Zo werd bij ministeriële
beschikking van 29 mei 1920 een commissie ingesteld met de opdracht: 'voor de
eerstvolgende jaren een plan opmaken van het materieel, dat nog voor aanbouw in
aanmerking zal moeten komen om, met hetgeen reeds voorhanden en in aanbouw is,
te geraken tot de vorming van een logisch samenstel der vloot.' Deze commissie is bekend geworden als de Interdepartementale
Commissie, omdat de elf leden die er zitting in hadden, afkomstig waren van de
departementen van Marine, Oorlog, Koloniën en Financiën. Omdat Gooszen zelf de
functie van voorzitter vervulde, sprak men ook wel van de 'commissie-Gooszen'.
Hij heeft ongetwijfeld een stem gehad in de keuze van de overige drie
marineleden, maar het was zeker niet zo dat hij de commissie in haar geheel naar zijn hand kon zetten. Zo was het
departement van Financiën vertegenwoordigd door de thesaurier-generaal mr L.J.A.
Trip. Deze zelfde mr Trip was eerder aangezocht voor de post van minister van
Financiën in het eerste kabinet van Ruys de Beerenbrouck, maar was toen alleen
bereid die portefeuille te aanvaarden als de militaire departementen minstens
honderd miljoen gulden zouden bezuinigen. De overige drie marineleden waren
kapitein-ter-zee B. Schreuders (promotie 1886), een hoofdofficier die vertrouwd
was met de personele aangelegenheden van de zeemacht; kapitein-luitenant-ter-zee
G. J.W. Putman Cramer (promotie 1891), die in 1913 een boek had gepubliceerd over
maritieme strategie en zeetaktiek en - gelijk te verwachten -luitenant-ter zee
eerste klasse A. van Hengel (promotie 1897), die sedert 1 januari 1918 tot
directeur van de Hoogere Marine Krijgsschool was benoemd.

Links: S. de Graaf, minister van Koloniën, van 13 november 1919 tot 4 augustus 1925. Tweede van links, J.P. graaf van Limburg Stirum, Gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië, van 21 maart 1916 tot maart 1921. Tweede van rechts: Minister van Marine , W.F. Pop van 31 maart 1920 tot 28 juli 1921. Rechts: Mr L.J.A.Trip, Thesaurier-generaal ministerie van Financiën, van 16 februari 1916 tot 1923
Een ogenblik leek het erop of de plannen van Pop doorkruist zouden worden, toen bekend werd dat de president van de Verenigde Staten van Amerika, Warren G. Harding, de mogendheden met belangen in de westelijke Stille Oceaan - waaronder Nederland uitnodigde om deel te nemen aan een conference on the limitation of armament. Zeker ten aanzien van Indië wilde Nederland zijn zeemacht juist niet verminderen maar vernieuwen en uitbreiden. De regering hield de rug recht en overwoog de uitnodiging tot bijwoning van de te Washington te houden conferentie af te wijzen, maar zover is het niet gekomen. Het doel van Amerikaanse zijde, Japan ertoe brengen af te zien van zijn expansionistische politiek op het Aziatische vasteland en het verdeelde China meer bewegingsvrijheid te bieden en zijn plaats als zelfstandige mogendheid tussen anderen in te nemen, zal hierop van invloed zijn geweest. Er is overigens een opvallende coïncidentie tussen het tijdstip waarop de commissie-Gooszen haar rapport publiceerde en dat waarop de Washington Conferentie werd beëindigd. Het eerste verscheen in januari 1921, terwijl de conferentie op 6 februari van hetzelfde jaar teneinde liep. Waar deze conferentie onder andere een forse wapenbeperking op zee voorstond, bepleitten Gooszen c.s. een niet onaanzienlijke uitbreiding van de Nederlandse zeemacht.
Naast de opdracht, zoals hiervoor genoemd, waren in het instellingsbesluit van de commissie-Gooszen nog enkele relevante randvoorwaarden aangegeven, waarbinnen zij de vrijheid had van advies te dienen. Deze hielden in, dat zij rekening moest houden met de tijdsomstandigheden, de noodzaak de uitgaven tot het hoog nodige te beperken zonder, wat Indië betrof, 'de urgentie der totstandkoming eener belangrijke versterking der maritieme weermacht uit het oog te verliezen', alsmede met een verdeling der kosten over de Staats- en de Indische begrotingen. Daarom behoorden ook voorstellen met betrekking tot de personeelsvoorziening tot de opdracht. Waren deze randvoorwaarden tamelijk beperkend, voor de commissie was nog enige vrijheid te lezen in de Memorie van Antwoord op het Voorlopig Verslag van de Eerste Kamer op de Staatsbegroting Marine voor 1920. Daarin stemde de regering onomwonden in met hetgeen de leden van de Kamercommissie in dat Verslag hadden gesteld te weten dat onder de vigerende omstandigheden ontwapening prematuur zou zijn. De handhaving van de soevereiniteit in en buiten Europa werd onontbeerlijk geacht. Tenslotte stelde de regering zich op het standpunt dat de zeemacht, zowel in de wateren nabij het moederland als in de koloniën, uit klein materieel moest bestaan. Het bouwen, op de hoogte van de tijd houden en bemannen van zware vlooteenheden zou de krachten van het land verre te boven gaan. De discussie in de marine over een vloot met als kern zware artillerie schepen of een klein materieel-vloot werd daarmee beslecht. Ten aanzien van de tijdsomstandigheden, gerelateerd aan de noodzaak om te komen tot een belangrijke versterking van de zeemacht voor de verdediging van Indië, diende één der geheime bijlagen bij het rapport van de 'Commissie 1912' tot richtsnoer. Deze ging in op de politiek/strategische situatie in zuidoost Azië en beklemtoonde vooral de expansionistische politiek van Japan. Was dit toen iets dat in een geheime bijlage belandde, de commissie-Gooszen maakte er geen geheim van dat de meest gevaarlijke dreiging voor Indië bestond uit een rechtstreekse aanval op Java komende uit het noorden of het noordoosten. De vijand zou zich tijdens zijn opmars dan ook enige dagen in de wateren van de Indische archipel bevinden.
Plan-Gooszen
Beschouwt men het rapport van de commissie-Gooszen in zijn
algemeenheid dan vallen enkele principiële zaken op waarvoor men de marineleden
verantwoordelijk kan stellen. Allereerst de taakstellingen voor de zeemacht. Als
algemene leidraad diende het strategisch defensief: niet de vijand opzoeken maar
zijn nadering afwachten en bemoeilijken en een eventuele aanval weerstaan. In de
Nederlandse wateren bestond deze taak in hoofdzaak uit de verdediging aan de
zeezijde, als hulp aan het leger. In Indië daarentegen vormde het afslaan van
een rechtstreekse aanval op Java het doel. In beide gevallen werd het
zwaartepunt gelegd bij onderwaterwapens: de onderzeeboot en de zeemijn. De
grondgedachte van het te volgen beleid berustte op de afschrikwekkende werking
van deze wapens. Vooraf gelegde mijnen en buitengaats opererende onderzeeboten
zouden een vijand voor ernstige problemen stellen. Waar de kust van het
moederland relatief kort was, werd een verkenningselement voor de vloot
nauwelijks noodzakelijk geacht. Vliegtuigen zouden als verkenners en als
aanvalswapens optreden. Voor het realiseren van de doelstelling in de
lndische wateren werd eveneens in overwegende mate gesteund op het
onderwaterwapen, het zou hier zelfs de hoofdmacht vormen. Echter, de omvang van
de archipel noodzaakte hier tot het instellen van een groot verkenningsapparaat.
Eerst nadat de opmars van de vijandelijke hoofdmacht zou zijn verkend, kon de
hoofdmacht worden ingezet. Het systeem van verkenningen was gebaseerd op de
samenwerking tussen bovenwaterschepen, onderzeeboten en vliegtuigen. Uitgaande
van de veronderstelling dat de vijand vanuit het noorden of het noordoosten zou
komen en een rechtstreekse aanval op Java zou willen beproeven, werden drie
verkenningsgebieden vastgesteld. Elk daarvan lag op voldoende afstand van (west)
Java, om niet alleen uit te maken of men te doen had met een afleidingsmanoeuvre
van de vijand, maar ook of de vijand zich verplaatste door relatief smalle
vaarwateren in de archipel. Daardoor kon dan de hoofdmacht tijdig worden
geconcentreerd en een gunstige aanvalspositie innemen. In deze opzet was de voorliefde van Gooszen voor het optreden
van onderzeeboten in divisieverband herkenbaar. Deze zouden in dergelijke
vaarwaters worden geposteerd in linies waarbij de vijand door de
bovenwaterschepen over die linies werden gelokt. In beide gevallen, in de
wateren van de archipel zowel als voor de kust van het moederland, vervulde
steeds de transportvloot, aan boord waarvan de vijandelijke expeditionaire macht
was ingescheept, het voornaamste doelwit.
Tijdens de discussies te Washington zijn de plannen van de Interdepartementale Commissie nog ter sprake gekomen. Engeland stelde bij de besprekingen inzake de wapenbeperking op zee voor het onderzeebootwapen in zijn geheel te verbieden, terwijl Amerika een proportionele reductie van auxilary craft - waaronder onderzeeboten voorstelde. Nederland, geen partij in deze besprekingen, kon niet anders doen dan in de wandelgangen bezwaar aantekenen tegen deze opvattingen. Het was voor een niet gering deel te danken aan Putman Cramer, die toen deel uitmaakte van de Nederlandse vertegenwoordiging te Washington, dat deze opvattingen uiteindelijk van tafel verdwenen. Nog twee zaken verdienen vermelding. Gooszen c.s. bepleitten de bouwen inrichting van een nieuwe hoofdvlootbasis te Tandjong Priok. De bestaande basis Soerabaja kon gehandhaafd blijven, maar dan als steunpunt en niet langer als hoofdbasis. Bovendien, wilde men de plannen van de commissie-Gooszen goed kunnen uitvoeren, dan was een vlootsteunpunt in de Riouw-archipel, onder de rook van de in aanbouw zijnde Britse vlootbasis Singapore, evenals een steunpunt te Makassar vereist. Deze twee onderwerpen, waaraan Gooszen persoonlijk veel waarde hechtte en waaraan hij wilde vasthouden, hebben hem later voor ernstige gewetensproblemen gesteld. Het geheel van deze adviezen - schepen, vliegtuigen en bases - werd door de commissie-Gooszen gekwalificeerd als de minimumvloot. Teneinde zeker te stellen dat deze er zou komen, stelde Gooszen voor dit vlootplan op één of andere wijze in een vlootwet vast te leggen. Hoewel hij zich beriep op het feit dat ook andere landen hun krijgsmachtsterkte in wetten hadden vastgelegd, is het zeer wel denkbaar dat de CMS zich niet wilde laten ringeloren door de politiek. Nog voor zijn aantreden als CMS had hij ervaring in deze opgedaan.
De rol van het onderzeebootwapen
Hoezeer in Nederlandse marinekringen de onderzeeboot ook
aandacht genoot, het was Gooszen die met zijn commissieleden er in belangrijke
mate toe heeft bijgedragen, dat dit wapen een vaste plaats kreeg in het latere
marinebeleid. Hoewel hij zelf geen ervaring had met dit wapen bleef de
onderzeeboot in divisieverband zijn troetelkind. Een belangrijk aspect in deze
ontwikkeling was ongetwijfeld dat Gooszen de onderzeeboot, zowel voor de
kustverdediging van het moederland, als ter verdediging van de
zuidoost Aziatische bezittingen van Nederland, steeds in een defensieve - en dus
politiek aanvaardbare - rol plaatste. Dat de inzet van onderzeeboten, toen de
Koninklijke Marine eenmaal geroepen werd haar taak te vervullen, ook op andere
wijzen plaatsvond, doet hieraan niets af.
Nadat de commissie-Gooszen haar rapport bij minister Pop had
aangeboden, volgde voor de CMS een stevige teleurstelling. Zo gemakkelijk als
Pop destijds de nota van hem had overgenomen, zo afwijzend stond hij tegenover
deze adviezen. Hij was zeer zeker bereid extra gelden voor de krijgsmacht aan te
vragen: Nederlands lidmaatschap van de Volkenbond zag hij niet als een
belemmering. Naar zijn mening was aan het onderzeebootwapen echter een veel te
grote rol toegekend. In totaal telde het vlootplan-Gooszen niet minder dan 58
(!) onderzeeboten. De politiek kwam Gooszen te hulp.
In verband met de verwerping van zijn voorstellen betreffende de dienstplicht
trad Pop af. Een politieke crisis werd evenwel voorkomen, in een gereconstrueerd
kabinet werd de oud-leger officier J.J.C. van Dijk minister van Marine ad
interim. Hij zag wel wat in het plan Gooszen. Het was toen voor de marinestaf
niet moeilijk om in korte tijd een ontwerp vlootwet-1922 op te stellen. Dit
ontwerp ging, als gevolg van de financiële situatie van 's lands schatkist, uit
van de realisering van de helft der genoemde aantallen: te verwerven in een
tijdsbestek van zes jaar: het 'halve minimum'. De bewindsman nam dit ontwerp
over en zond het voor advies naar de Raad van State, de Raad van Defensie en de
gouverneur-generaal mr D. Fock. Niet iedereen ontving deze voorstellen even
enthousiast. De Legercommandant in Indië meende een wijziging in het
defensiebeleid ten aanzien van de kolonie te bespeuren en ook de Raad van State
liet weten dat het beter was vast te houden aan de voorstellen van de 'Commissie
1912'.

Links: J.J.C van Dijk, minister van Marine ad interim, van 28 juli 1921 tot 18 september 1922. Rechts Mr Dr D Fock, Gouverneur-generaal van Nederlandsch- Indië, van 24 maart 1921 tot 6 september 1926
Indische defensiecommissie
In april 1922 ving de behandeling van het ontwerp
vlootwet-1922 in de Tweede Kamer aan. Omdat de Kamer de aanwezigheid van de
minister van Buitenlandse Zaken bij die behandeling wenste - onder andere omdat
een steunpunt in de Riouw-archipel onder de rook van Singapore als een pistool
op de borst van Engeland werd gezien - en deze wegens bezigheden niet aanwezig
kon zijn, werd de verdere behandeling uitgesteld. Voor de CMS vormde dit een
nieuwe ernstige teleurstelling.
Landvoogd Fock reageerde intussen positief op het
wetsontwerp. Hij stelde in april 1921 een Indische defensiecommissie in, die hem
moest adviseren over de voorstellen van het plan-Gooszen. Deze commissie, waarin
Gooszen overigens ook zelf zitting had, kon zich verenigen met de gedane
voorstellen, zij het dat deze inderdaad het minimum behelsden. De Volksraad was
voorts van mening dat ook het KNIL moest worden gemoderniseerd zodat zijn
mobiliteit kon worden verbeterd en de geoefendheid op een hoger plan gebracht.
Fock was voorstander van een adequate vloot in de Indische wateren, maar meende
dat de besteding van gelden voor de bouw van een nieuwe vlootbasis te Tandjong
Priok en andere steunpunten in een tijd van bezuinigingen niet aan de orde was.
Dit was tegen het zere been van Umbgrove, toen CZMNI te Batavia. Hij
rapporteerde aan de Landvoogd dat het niet inzien van de noodzaak van
behoorlijke bases voor de vloot gekwalificeerd moest worden als gevaarlijk en
onverantwoord dilletantisme. Dit ging Fock te ver en Umbgrove werd voortijdig
als CZMNI afgelost door Gooszen. Die aflossing kon evenwel niet onmiddellijk
plaatsvinden en zo werd Gooszen - op 1 februari 1922 bevorderd tot
schout-bij-nacht - eerst op 21 oktober 1923 CZMNI, een functie welke hij tot
18 oktober 1927 zou vervullen.
De problemen rondom het plan-Gooszen waren daarmee nog niet
ten einde. Eenmaal in functie als CZMNI in Indië bleef hij voorstander van een
vlootbasis te Tandjong Priok, alsmede van steunpunten in de Riouw-archipel en te
Makassar, alle financiële bezwaren ten spijt. Hij vocht echter tegen een
politieke en militaire overmacht. Admiraal Pinke, die CZMNI was geweest
gedurende de wereldoorlog, was een voorstander van Soerabaja als vlootbasis. Als
belangrijkste argument gold dat deze plaats centraal lag in de archipel. Ook de
toen functionerende CMS, kapitein-ter-zee K.F. Sluijs, pleitte voor het behoud
van de bestaande basis. Fock was de mening toegedaan, dat de feitelijke omvang
der vloot geen reden gaf de bestaande basis uit te breiden, laat staan te
verplaatsen. Zo moest Gooszen wel bijdraaien. Hij legde zich bij de keuze van
Soerabaja neer en zag (voorlopig) af van steunpunten in de Riouw-archipel en te
Makassar. Nog was de wind niet geluwd. Eenmaal voorstander van Soerabaja als
vlootbasis, vond Gooszen de Legercommandant, generaal K.F.E. Gerth van Wijk, op
zijn weg. Waar het de taak van het KNIL was de vlootbasis te verdedigen, vond de
Legercommandant het niet verantwoord een basis te verdedigen die geen echte
vlootbasis was vanwege de beperkte toegangsmogelijkheden tot de haven. Maar
Gooszen hield voet bij stuk en wees Gerth van Wijk op de verantwoordelijkheid
van het Opperbestuur, die deze keuze had gemaakt.
Vlootwetcommissie minister van Financiën, van 28 juli 1921 tot
11 augustus 1923
In juli 1922 trad het tweede kabinet Ruys de Beerenbrouck aan
waarin de oud-marine-officier E.P. Westerveld (promotie 1889) de post van Marine
beheerde. Het kabinet wilde de kwestie van de vlootwet-1922 wederom in de Kamer
aan de orde stellen, maar stuitte daarbij op ernstige bezwaren van de minister
van Financiën, D.J. de Geer. Om hieraan tegemoet te komen werd in november 1922
de Vlootwetcommissie ingesteld, welke de twijfelachtige eer had één der meest
controversiële opdrachten uit de parlementaire geschiedenis van Nederland te
krijgen. Gooszen kreeg ook in deze commissie een plaats.
Hoewel zij zich feitelijk met de financiële aspecten van de
vlootwet diende te bemoeien, werden tijdens haar vergaderingen ook strategische
en militaire onderwerpen behandeld. Gooszen was, zoals te verwachten, nog steeds
een warm voorstander van het alsnog uitvoeren van het naar hem genoemde plan.
Zou dat worden verworpen of gewijzigd, dan was de laatste kans op een
deugdelijke zeemacht verdwenen. Volgens hem was het voor de zeemacht 'to be
or not to be '. Hoewel onder de acht leden van de Vlootwet-commissie geen
overeenstemming heerste, werd toch eind maart 1923 het eindrapport door allen
ondertekend. Eigenlijk was de enige duidelijkheid dat de commissie geen redenen
had kunnen vinden de behandeling van de vlootwet uit te stellen. De Geer
aanvaardde de consequenties en trad af. Hij werd opgevolgd door H. Colijn.

Links: E.P. Westerveld, minister van Marine van 18 september 1922 tot 4 augustus 1925. Midden: Jhr Mr D.J. de Geer, minister van Financiën, van 28 juli 1921 tot 11 augustus 1923. Rechts: H. Colijn, minister van Financiën, van 11 augustus 1923 tot 8 maart 1926
Verwerping van de vlootwet-1924
In september van dat jaar zonden de ministers van Marine,
Koloniën en Financiën een brief aan de Tweede Kamer, welke een nota van formele
wijzigingen op het ontwerp vlootwet-1922 inhield, maar het plan-Gooszen
onaangetast liet. Fock zowel als de Raad van Nederlandsch-Indië voerden ernstige
bezwaren aan, meest van financiële aard, maar de regering hield voet bij stuk. In oktober ving de openbare behandeling van de vlootwet-1924 aan. Op een
vraag vanuit de Kamer of door het aannemen van deze vlootwet, de Kamer zich ook
gebonden moest achten aan een volgende, antwoordde Westerveld dat nu alleen de
vlootwet-1924 aan de orde was. Wat later kwam, zou ook later worden bezien. Met
dit antwoord spoelde de grond onder het plan-Gooszen weg: met 50 tegen 49
stemmen werd de vlootwet-1924 verworpen.
Deze uitkomst betekende het einde van het plan-Gooszen.
Westerveld ontwierp nog wel een vlootwet-1925, uitgaande van het halve minimum
maar met weglating van de voorgestelde nieuwe basis en steunpunten. Hoewel dit
ontwerp nimmer werd ingediend, had het bestaan ervan voor Gooszen nog een
staartje. Westerveld had zijn vloot opgebouwd rondom een neutraliteits-scenario.
Daarin was voor de steunpunten in de Riouw-archipel en bij Makassar niet langer
plaats. Bleef de vraag: Priok of Soerabaja als vlootbasis. Gegeven de problemen
rondom de vlootbasis ten tijde van Umbgrove als CZMNI te Batavia, leidde deze
vraag tot een verzoek van het kabinet aan de Landvoogd of hij op de loyale en
volle medewerking van de vlootvoogd wel kon rekenen als dit ontwerp van wet zou
worden ingediend. Gooszen voelde zich hierdoor persoonlijk zeer gegriefd. Hij
had immers altijd getoond bereid te zijn regeringsbesluiten uit te voeren. Het
ontwerp vlootwet-1925 is nimmer ingediend. Boog Westerveld hier voor zijn
ouderejaars collega?
Wel of geen splitsing?
Tot zover lijkt het erop alsof het laatste gedeelte van het
actieve marinebestaan van Antoine Frederik Gooszen voor een belangrijk gedeelte
werd beheerst door het naar hem genoemde plan van een minimumvloot. Nog vóór
zijn diensttijd als CZMNI ten einde was, rees echter een ander probleem.
Tijdens eerdere perioden had de regering zich steeds met succes verzet tegen de
splitsing van de zeemacht in één deel voor de dienst in Europa en een ander deel
voor de uitsluitende dienst in de zuidoost-Aziatische kolonie. In de Memorie van
Toelichting op de begroting voor 1926 stond evenwel onverbloemd, dat het
vigerende systeem van één 'staatsmarine' niet langer kon worden gehandhaafd. Een
splitsing in een Nederlandse en een Nederlands-Indische zeemacht werd
noodzakelijk gevonden. Al in april 1924 was een commissie ingesteld met de
opdracht een daartoe strekkend plan uit te werken. Deze splitsingscommissie ging
niet uit van dezelfde strategische grondslag als Gooszen, en richtte zich op
handhaving van de neutraliteit in de Indische wateren. De conclusies van de leden van deze,
eveneens interdepartementale, commissie waren niet eensgezind. Niet alleen rees
de vraag of bij een splitsing de werving van de noodzakelijke aantallen inheemse
schepelingen wel voldoende zou zijn gegarandeerd, maar ook of zij wel konden
worden opgeleid tot bruikbare onderofficieren. Van een splitsing is het niet
gekomen, wel - mede als gevolg van de conclusies van deze commissie - tot een
samenvoegen van de twee militaire departementen tot één ministerie van Defensie.

J.M.J.H. Lambooy, minister van Defensie, van 1 september 1928 tot 10 augustus 1929 (na samenvoeging departementen van Oorlog en Marine)
Met pensioen
Deze fusie werd geëffectueerd nadat Gooszen per 1 februari 1928 de actieve
dienst had verlaten. De eerste minister van Defensie, J.M.J.H.. Lambooy, hield in
februari 1928 een rede in de Eerste Kamer, welke Gooszen voldoende aanleiding
gaf voor een polemiek in het Marineblad. Hij voelde zich door Lambooy
persoonlijk aangesproken op een achttal punten. In de eerste plaats verweet de
minister van Defensie Gooszen dat hij, met het plan-Gooszen, de splitsing van de
zeemacht had aangemoedigd. Immers Gooszen had bewust een grotere sterkte van de
zeemacht dan noodzakelijk was bepleit, hetgeen - volgens Lambooy - wel moest
leiden tot een splitsing. Daarnaast zou Gooszen in zijn maritiem testament -
zijn eindrapport als CZMNI - hebben gepleit voor het halve minimum in Indië
plus een kopie van die vloot in Nederland. Ten derde zou Gooszen voorstander
zijn geweest van het in stand houden van een luchtwapen, zowel voor de zeemacht
als voor het leger. Als vierde punt zou Gooszen zich verzet hebben tegen een
minister van Marine ad interim, die minder aandacht aan de vloot zou
besteden. Daarna verweet Lambooy de marine dat er onvoldoende belangstelling
bestond voor organisatorische vraagstukken. De consequentie hiervan, het
volgende verwijt aan Gooszen, was dat het nut van een éénhoofdige leiding niet
werd begrepen. Dan zou de zeemacht in Indië een al te gemakkelijke opvatting
hebben over de mobilisatie problematiek en ten slotte deugde volgens Lambooy de
verhouding tussen de CZMNI en de gouverneur-generaal niet. Onnodig te zeggen dat
volgens Gooszen de minister van Defensie niets begreep van zijn functie, zijn
verantwoordelijkheden en de organisatie waaraan hij leiding moest geven. Het
venijn van deze polemiek zat in de staart: Gooszen stelde ervan overtuigd te
zijn dat de minister verplicht was te controleren dat er niet gehandeld werd in
strijd met zijn inzichten ten aanzien van dat deel der staats marine dat
zich in Indië bevond en dat de CZMNI de gelegenheid moest hebben de vloot aldaar
gereed te maken voor de oorlogstaak onder het opperbevel van de
gouverneur-generaal. Tot slot voegde Gooszen aan dit stuk in het Marineblad
nog toe een verslag van zijn interview met Aneta, het persagentschap in
Nederlands-Indië. Hij eindigde dit met de opmerking dat als er in de loop des
tijds fouten waren gemaakt, deze te wijten waren aan de verantwoordelijke
personen en niet aan de bestaande regeling.
Dit geschrijf van Gooszen betekende geenszins het einde van zijn belangstelling voor het krijgsmachtdeel dat hij zoveel jaren met enthousiasme had gediend. In 1934 vroeg de Koninklijke vereniging 'Onze Vloot' hem een voordracht te houden naar aanleiding van de toestanden bij de marine (als gevolg van de bezuinigingen), de gebeurtenissen in Indië (de muiterij aan boord van Hr Ms 'De Zeven Provinciën' en het rapport van de (bezuinigings-)commissie Idenburg. Nog altijd strijdlustig verwierp hij het beleid van de regering inzake de voortdurende kortingen op het salaris van de marinemannen. Het met kracht onderdrukken van een opkomend verzet door officieren prees hij daarentegen als het hoog houden van de naam van 'het corps'. De muiterij op het pantserschip 'De Zeven Provinciën' en de daarop volgende affaire met 'de bom' was iets waarvoor men de marineleiding dank moest zeggen. Deze affaire had niet alleen de muiters aan boord maar de gehele natie en de regering wakker geschud. De volksvertegenwoordiging had volgens Gooszen een funeste invloed op het gedrag van de 'bonden' waartegen geen minister opgewassen bleek. De voorstellen van de bezuinigingscommissie-Idenburg om het Europese beroepspersoneel te vervangen door een militie, was wel het overwegen waard maar dit diende toch met de grootst mogelijke waarborgen te geschieden. Het vraagstuk der inheemse schepelingen riep bij Gooszen, jaren nadat hijzelf de actieve dienst had verlaten, nog steeds vele vragen op met betrekking tot hun betrouwbaarheid en de mogelijkheid hen op te leiden.
Het optreden van de officieren, rechtstreeks betrokken bij de muiterij, werd door Gooszen ernstig veroordeeld. Als algemene waarschuwing sprak hij vooral tot de jongere officieren een 'Weest op Uw hoede' uit. Ook de opleiding aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Den Helder riep zijn gram op. Het gesol met de opleidingen, eerst een 4-jarige dan weer een 3-jarige, terwijl de opleidingsstof zich alleen maar uitbreidde; keurde hij af. Hij signaleerde dat de marine hier een totaal verkeerde richting was ingeslagen. Leest men de tekst van deze voordracht nog eens door, dan ontkomt men niet aan de indruk dat hier iemand aan het woord was die de marine een zeer warm hart toedroeg. Ondanks dat hijzelf de actieve dienst reeds had verlaten schroomde hij niet de vinger te leggen op vele open wonden om de verantwoordelijke bewindslieden te wijzen op hun gebreken. Kortom iemand die het beste met de marine voor had.
Toen het vanaf 1936 duidelijk werd dat in centraal Europa een ontwikkeling op gang kwam die een rechtstreeks bedreiging kon vormen voor het voortbestaan van de westerse democratie, groeide in de Koninklijke Marine de gedachte aan een versterking van de vloot. Deze leidde uiteindelijk tot het zogeheten 'slagkruiserplan' van 1939. Opnieuw nam de toenmalige minister van Marine een nota van de CMS over betreffende de Versterking van de Vloot in Indië'. Merkwaardigerwijze nam de CZMNI, H. Ferwerda - die in 1920 in het Marineblad nog gepleit had voor een vloot rond een kern van zware artillerie schepen - nu afstand tot dit plan. Hij schreef in een Memorie welke aan 28 autoriteiten, deels binnen de marine, werd toegezonden, dat de vloot meer gebaat was met kruisers. Gooszen, nog steeds betrokken bij de marine, nam eveneens afstand van dit slagkruiserplan. Hij stoorde zich vooral aan het laatdunkende gepraat over onderzeeboten. Hoewel hij zich kon vinden in een vloot zoals door Ferwerda gepropageerd, meende hij toch dat het opvoeren van het aantal lichte kruisers, torpedobootjagers en onderzeeboten het meest ideaal was. Het bloed bleef kruipen waar het niet gaan kon.

Vice-admiraal H. Ferwerda ( (1885-1942). Commandant Zeemacht Nederlandsch Indië 1936-1939
Conclusie
Antoine Frederik Gooszen heeft in de Koninklijke Marine,
tijdens zowel als na zijn actieve diensttijd, zijn stempel gedrukt op
vele beleidszaken en zijn sporen nagelaten. Hij was bovenal een gedreven
marine-officier, iemand die het beste van het beste wilde en zich daarvoor ook
inzette en sterk maakte. Hij stak zijn mening niet onder stoelen of banken.
Gezien de moeilijke tijden die de zeemacht in de jaren tussen 1920 en 1936
doormaakte is het verantwoord te zeggen dat hij, tezamen met enkele anderen, de
zeemacht op koers heeft gehouden.
Naast deze voortdurende belangstelling voor alles
wat de zeemacht raakte, is Gooszen, na zijn actieve
marineloopbaan, nog regeringscommissaris geweest bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, een functie welke hij tot 1952 heeft vervuld. Bovendien
heeft hij gedurende vele jaren het voorzitterschap
bekleed van de vereniging 'Onze Vloot'. In 1955, 85 jaar oud, kwam het einde. Gooszen overleed te
Oegstgeest op 26 april 1955. De teraardebestelling vond plaats drie dagen later
op de begraafplaats 'Rhijnhof' nabij de Haagsche Schouw.
Bronnen
De familiebetrekkingen van Gooszen als marineofficier met andere marineofficieren zijn ontleend aan Het Gedenkboek Honderdvijfentwintigjarig bestaan der Adelborstenopleiding te Willemsoord. 1854-1979, samengesteld door M.J.C. Klaassen ('s-Gravenhage 1979). Gooszen is onder nummer 935 in dit Gedenkboek opgenomen. Op deze betrekkingen zijn enkele correcties aangebracht door de Koninklijke Nederlandse Vereniging 'Onze Vloot', welke correcties zijn verkregen uit het archief- en de jaargangen van het verenigingsblad Zeewezen. Ook de necrologie is afkomstig van deze redactie, Onze Vloot (1955), 146.
Het belang van Gooszen en zijn invloed op het toenmalige marinebeleid blijkt o.a. uit Ph.M. Bosscher, De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog, het eerste deel (Franeker 1984), 443-448 en vloeit voort uit zijn voorzitterschap van de Interdepartementale Commissie, alsmede zijn lidmaatschap van de Defensie Commissie en de Vlootwet Commissie.
Ook G. Teitler heeft in meerdere publikaties het belang van Gooszen en zijn invloed op het marinebeleid belicht, zie o.a. 'Fock, Umbgrove, Gooszen, 1923-1926. Een zuinige Landvoogd tussen Militaire Deskundigheid en Ambtelijke Trouw', Mars et Historia, 15 (1981) 5, 161-168: De Strijd om de Slagkruisers (Dieren 1984), 38 en Anatomie van de Indische Defensie (Leiden 1988), 355-362.
De positie van Gooszen en de invloed van zijn opvattingen, geplaatst tegen een meer politieke achtergrond zijn te vinden in H. J.G. Beunders, Weg met de Vlootwet (Bergen 1984), in het bijzonder in hoofdstuk 5, De Marinepolitiek na 1918, maar ook elders in deze publikatie.
Over de problematiek, waarvoor Nederland zich geplaatst zag tijdens de Washington conferentie heeft N.M. Bootsma uitvoerig gerapporteerd in 'Nederland op de conferentie van Washington, 1921-1922', Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 1993 (l), 101-126.
In een studie over Een Halve Eeuw Koninklijke Marine, Schets van het maritiem-strategisch denken in Nederland en de daaruit voortvloeiende vloot plannen en organisatievormen der Koninklijke Marine gedurende de eerste helft van de 20e eeuw (Den Helder 1972) 85-95, besteedt G. Jungslager aandacht aan Gooszen. In hoofdstuk 4: 'De Commissie Gooszen 1920: Naar een Minimumvloot' van zijn proefschrift Recht zo die gaat, De maritiem-strategische doelstellingen terzake van de verdediging van Nederlands-Indië in de jaren negentig (Leiden 1990) vormt Gooszen de centrale figuur.
Hoewel zelf geen onderzeedienstman, wordt Gooszen veelvuldig genoemd in het gedenkboek De Nederlandse Onderzeedienst, 1906-1969. Tenslotte was hij een voorvechter van deze dienst.
Terwijl Gooszen in de eerder genoemde commissies een niet weg te cijferen rol vervulde, heeft hij ook ten aanzien van andere aangelegenheden zijn stem laten horen. In dit verband moet zijn standpunt genoemd worden terzake van de vraag wel of geen splitsing van de Koninklijke Marine in een Nederlands en een afzonderlijk Indisch deel, zoals blijkt uit het rapport van de commissie, ingesteld bij beschikking van de ministers van Marine, Koloniën en Financiën van 30 april 1934, de zogenaamde' splitsingscommissie " en zijn visie met betrekking tot de instelling van een departement van Defensie, opgenomen in het Marineblad (1928), 431-462.
De belangrijkste bijdrage van Gooszen in een discussie over het marinebeleid,
geuit na zijn pensionering, treft men tenslotte aan in het tijdschrift Onze
Vloot (1934), 5-55.
Einde artikel G. Jungslager: A.F. Gooszen
PS. De foto's van de betrokken personen heb ik van het internet gehaald en er tussen geplakt om de tekst iets levendiger en persoonlijker te maken, behalve de foto van Vice-admiraal A.F. Gooszen die bij het artikel van Jungslager is geplaatst.