Hoofdstuk 9 van het boek "Machteloos?"Ooggetuigen van de Jodenvervolging geschreven door Anna Timmerman. Uitgave Athenaeum-Polak&Van Gennep. Amsterdam 2007. ISBN 978 90 253 53391?NUR 686.

Tom de Booij (links) met zijn vader, 1942

Ons soort mensen

Tom de Booij  heeft zo'n gezicht waar het jongetje nooit uit verdwenen is. Zijn ogen twinkelen als hij vertelt over zijn avontuurlijke leven. Associatief stapt hij met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de vorige eeuw.  'Maar nu nog even over de oorlog,' hoor ik mezelf steeds opnieuw zeggen Tom de Booij is iemand die niets zomaar aanneemt, altijd is hij op zoek naar andere verklaringen dan de gangbare. In zijn meningen is hij zijn tijd telkens ver vooruit geweest. Als geoloog nam hij stelling tegen Shell tijdens de Biafra-oorlog, in Amerika liep hij mee in protestmarsen van de Civil Rights Movement en tegen de oorlog in Vietnam, in Amsterdam was hij betrokken bij de Maagdenhuisbezetting. Hij is nu 82 en voelt zich iets rustiger, hij wil de wereld niet meer veranderen, maar vooral analyseren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog studeerde Tom de Booij in Amsterdam In 1943 moesten alle studenten een loyaliteitsverklaring ondertekenen, De Booij weigerde en dook onder. Na zijn arrestatie werd hij gevangen gezet in Kamp Amersfoort.

'Die energie die ik heb, dat is iets genetisch, dat hebben alle De Booijs. Die nieuwsgierigheid heb ik ook al van kinds af aan, dat is terug te vinden in mijn horoscoop. Als kleine jongen al stelde ik iedereen vragen, vragen die andere kinderen niet stelden. Dan wilde ik bijvoorbeeld weten wat nou het verschil is tussen een boom en een kristal, wat nou leven is en wat niet, essentiële vragen. Toch was ik geen eenzame boekenwurm. Eén kant van mijn persoonlijkheid is het onderzoeken en het alles willen opschrijven in dagboeken, maar daarnaast was ik ook altijd heel sociaal. Een beetje een Pietje Bell, ondernemend en ondeugend, ik haalde graag kattenkwaad uit samen met mijn vriendjes. Mijn ouders hebben me vreselijk verwend. Toen ik één jaar oud was zijn we naar Indië vertrokken, waar we tot 1930 hebben gewoond. Daar kreeg ik een zusje dat na zes dagen stierf. Ik was het troostkind en werd overladen met liefde. Dat heeft me een sterke basis gegeven en een enorm zelfvertrouwen, maar het was ook een liefde waar ik me later uit heb moeten los vechten.
In het huwelijk van mijn ouders kwamen een militaire traditie en een brede intellectuele interesse samen. Mijn vader was een marineman en mijn moeders vader was ook een militair. Ze verkeerden in de betere kringen, mijn familie behoorde tot het patriciaat en staat vermeld in het blauwe boekje. In vergelijking met hun kennissenkring waren mijn ouders niet rijk, maar in vergelijking met de rest van Nederland natuurlijk wel. Geld was iets, dat had je, daar sprak je niet over. Mijn vader heeft nooit gewerkt uit economische noodzaak, hij koos de carrière die hij leuk vond. In 1930 keerde ons gezin terug naar Nederland, waar mijn vader directeur werd van de Reddingsmaatschappij. Samen met mijn twee zusjes groeide ik op in Aerdenhout in de kringen van de protestantse elite. Dat gaf een vrij beperkt wereldbeeld, in Kamp Amersfoort kwam ik pas voor het eerst in aanraking met mensen uit andere sociale klassen. Omdat ik zo nieuwsgierig was, las ik al jong de krant. Ik herinner me de beelden van de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn. Het zal wel door mijn genen komen dat ik altijd een enorm zwak heb gehad voor uniformen en militaire discipline. Het is natuurlijk helemaal niet correct om dat te zeggen, maar ik vond het prachtig. Als je Hitler hoorde spreken ... dat had iets magnetiserends.
Nadat Chamberlain zijn beroemde verdrag had gesloten met de Duitsers, maakten mijn ouders zich geen enkele zorgen over de toekomst. Zij vertrouwden erop dat Nederland net als in de Eerste Wereldoorlog neutraal zou blijven. De elites van Nederland en Duitsland waren door het zakenleven nauw met elkaar verbonden. In deze kringen heersten eerder respect en bewondering voor de omwentelingen in Duitsland, dan vrees. Mijn beeld van Duitsland is veranderd nadat ik in 1938
de boeken Van het westelijk front geen nieuws en Mein Kampj las. Voor mij was het duidelijk dat Nederland gevaar liep. Het verbaasde me dat de mensen om mij heen dat niet zagen. In mijn plakboek uit die tijd heb ik een hockeykrantje bewaard, dat ik speciaal gekocht heb vanwege de voorpagina. Daarop stond een foto van het Duitse elftal dat de Hitlergroet bracht. Dat de Nederlandse hockeybond juist deze foto op de kaft van hun blaadje afdrukte was voor mij een voorteken. Het gaf het gevoel weer in ons milieu, ze dachten: Duitsland, dat gaat de goede kant op.
Na mei 1940
leek juist de elite de nieuwe situatie snel te accepteren. Duitsers werden gezien als mensen met wie je zaken kon doen en met wie best viel te praten. De eerste maanden veranderde er ook niet veel, zeker niet aan de top van de samenleving. We tennisten, hockeyden, dansten en feestten. De Joden zullen zich wel meer bewust zijn geweest van het gevaar van de bezetting, maar Joden vormden geen onderdeel van de kring van mijn ouders. Ze hadden wel wat Joodse kennissen en zakenrelaties, maar ze hoorden er nooit echt bij. Joden waren niet onmisbaar of essentieel, ze waren niet zoals wij.
Na mijn eindexamen aan de HBS ging ik studeren. Ik kwam uit een familie met een militaire traditie, maar omdat het oorlog was, was dat natuurlijk geen optie. Bovendien had ik zelf al afstand genomen van het militarisme. Door vakanties in de bergen had ik een passie ontwikkeld voor alpinisme en voor geologie. Zo vertrok ik in september 1942
naar Amsterdam om te studeren aan het geologisch instituut van de universiteit.
In de hoofdstad was de Jodenvervolging opeens heel dichtbij. In Aerdenhout zag je niet overal mensen lopen met een ster op, hier wel. Ik vind het vreselijk om te zeggen, maar het lot van de Joden raakte mij niet. In retrospectief zie ik die houding als een overlevingstechniek van mijn sociale klasse. Niemand in mijn omgeving sprak over de Jodenvervolging, het werd gewoonweg verneind. Door de ogen te sluiten bestond het niet, en hoefden we dus ook niet te reageren. Zolang we de realiteit ontkenden, kon ons leven onverstoord doorgaan. Alleen door dat verneinen was het mogelijk zonder schuldgevoel te blijven tennissen, studeren en feesten.
Op een dag hing er een bordje naast de deur van het geologisch instituut waar iets op stond van "voor Joden verboden". Joodse studenten moesten stoppen met hun studie, maar ik had geen Joodse vrienden, dus ik betrok het niet op mijn leven. Dat gaat heel ver, dat proces van ontkenning. Het instituut was vlak bij de Hollandse Schouwburg, de plaats waar Joden bijeengebracht werden voordat ze naar het station vervoerd werden. Had ik opgekeken van mijn microscoop, dan had ik bij wijze van spreken de J oden kunnen zien aankomen en vertrekken. Ik liep dagelijks langs dat gebouw als ik een broodje ging kopen om te lunchen. Wat dat betreft is er niks veranderd. Nu zien we allemaal op het journaal dat er vreselijke dingen gebeuren in Darfur en in Congo. We weten het, maar we doen er niets aan. We betrekken de ellende niet op onszelf en gaan door met ons eigen leven. Het is een menselijke overlevingsstrategie.
Voor mij begon de oorlog pas in februari 1943
, toen de meeste Joden al waren weggevoerd. Alle studenten ontvingen een brief met de opdracht een loyaliteitsverklaring te tekenen. Let wel, dat verzoek werd niet gestuurd en ondertekend door een Duitse functionaris, maar door mijn eigen universiteit! Alle studenten moesten een formulier ondertekenen waarin ze zich loyaal verklaarden aan de bezetter. Voor mij was dat het moment dat ik niet langer kon ontkennen dat er iets mis was. Ik kon dat formulier niet naar eer en geweten ondertekenen. Dat klinkt misschien gek, ik zag Joden opgepakt worden en ik ging gewoon door met mijn leven, maar zo' n verklaring ondertekenen dat kon ik niet. Achteraf vind ik dat zelf ook bevreemdend. Op 6  februari stapte ik op het Muiderpoortstation in Amsterdam op een trein naar Apeldoorn om onder te duiken bij een boer in Wiesel. Mijn vader had dat voor mij geregeld. Met een aantal andere studenten die ook niet getekend hadden, werkte ik daar als boerenknecht. Het was een onderduikplek, maar het was daar niet echt veilig. Ik woonde weliswaar niet op mijn eigen adres in Amsterdam, maar ook niet werkelijk in het verborgene. Omdat we wel inzagen dat het mis zou kunnen gaan, heb ik samen met die studenten een ondergrondse schuilplaats gebouwd in de bossen van het Kroondomein niet ver van Wiesel. Na een paar maanden, op 6  mei, ontvingen onze ouders brieven waarin stond dat we ons moesten melden bij de autoriteiten wegens het niet tekenen van de loyaliteitsverklaring. Met drie andere studenten heb ik afscheid genomen van de boer en gezegd dat ik me zou gaan melden. We fietsten een stukje richting Apeldoorn om geen argwaan te wekken en reden toen naar onze schuilplaats in de bossen. De hele zomer hebben we doorgebracht in het natuurgebied. Bijna vijf maanden hebben we daar gewoond, tot onze arrestatie. Uit verveling zijn we een nog veel groter en mooier hol gaan maken. Ik las veel, luisterde naar muziek die we draaiden op een opwindgrammofoon en ik hield een dagboek bij, zo kwam ik de tijd wel door. Voor voedsel werd gezorgd door een boer die verderop woonde, mijnheer Dobbelman. Dat werd bij een schaapskooi klaargezet en daar haalden wij het dan op.
Later kwam er een Joods jongetje bij ons wonen, Bullie, een jochie van een jaar of twaalf. Dat is weer zo typisch, ik weet eigenlijk niets over die jongen. Ik weet niet wat er met zijn familie was gebeurd of waar hij vandaan kwam, zelfs zijn volledige naam ken ik niet. Bullies plaats in onze kleine gemeenschap was die van butler of slaaf. Dat was zijn rol. Bullie verzorgde het ontbijt en bracht ons iets te drinken als we dat wilden. Dat deed hij perfect. Nu klinkt dat verschrikkelijk, maar ik vertel eerlijk hoe het gegaan is. Het geeft wel een beeld van die tijd en hoe wij elitaire studenten aankeken tegen de vervolgde Joden. In plaats van voor Bullie te zorgen en ons over hem te ontfermen, lieten wij ons door hem bedienen. Nooit heb ik me toen afgevraagd hoe die jongen van twaalf zich voelde, of hij bang was, waar zijn familie was. Dat soort vragen kwam niet in mij op! Verderop in de bossen zaten nog meer Joden ondergedoken, ook in ondergrondse schuilplaatsen. Een enkele keer zagen we er wel eens een lopen, maar er was verder geen contact. Na vijf maanden zijn we verraden. Het dienstmeisje van boer Dobbelman, die ons eten naar de schaapskooi bracht, had iets verteld aan een vriendin die even verderop werkte en dat dienstmeisje had een vrijer die bij de NSB
zat. Zo is het waarschijnlijk uitgekomen. Toen mijn vader mij kwam bezoeken, is hij door rechercheurs gevolgd. Ik zag mijn vader lopen en stond blij op om hem te begroeten, toen er opeens agenten tevoorschijn sprongen. In een reflex ben ik direct heel hard gaan gillen om zo de andere onderduikers te waarschuwen. De studenten en Bullie konden ontkomen, maar later zijn zij ook verraden, door datzelfde meisje. Het heeft mij altijd dwarsgezeten dat ik gearresteerd en ondervraagd ben door Nederlandse agenten en dat ik werd vastgehouden op een Nederlands politiebureau en in een Nederlandse gevangenis, er kwam geen Duitser aan te pas.
Twee nachten ben ik verhoord. Ik was natuurlijk niet van plan ook maar iets los te laten over de andere onderduikers in de bossen, maar de tweede nacht bleek dat de politie in onze schuilplaats mijn dagboek had gevonden. Al van kinds af aan hield ik een dagboek bij, net als mijn vader en grootvader. Misschien hangt het samen met onze tomeloze energie. Het schrijven hielp mij om orde te scheppen in mijn hoofd en te analyseren wat ik meemaakte.
In mijn dagboek had ik ook geschreven over de andere onderduikplaatsen waar Joden verborgen zaten. "Is dat waar?" vroeg die rechercheur. Wat kon ik toen nog zeggen? Ik had het zelf opgeschreven. Ontzettend stom natuurlijk. Achteraf is het makkelijk om in te zien hoe naïef ik ben geweest, door mij n aantekeningen is iedereen verraden. Toen ik was teruggebracht naar mijn cel, kon ik de agenten met speurhonden zien vertrekken. Ik stond daar en wist: nu worden die mensen gepakt en dat heb ik op mijn geweten. Dat is iets, daar moet je dan mee leven, een stommiteit met ongelofelijke gevolgen.'

De Booij valt even stil. Hij lijkt te zoeken naar een aanknopingspunt om zijn verhaal te vervolgen.

'Op 29
september 1943 werd ik overgebracht van de gevangenis naar concentratiekamp Amersfoort . (red. Dit is niet geheel juist. 25 september 1943ben ik van het politiebureau Apeldoorn naar de gevangenis in Arnhem gebracht en op 2 december 1943 van Arnhem naar kamp Amersfoort). Ik had nog nooit gehoord van Kamp Amersfoort en ik had geen idee wat me te wachten stond. De aankomst was heftig, ik moest direct alles wat ik bezat inleveren en mijn hoofd werd geschoren. Geen kleding meer, geen haar meer, ik moest een uniform aan en in plaats van Tom de Booij was ik voortaan Häftling 3720. Ten slotte kreeg ik een deken, een bord, een lepel en een stel klompen en daar moest ik me mee zien te redden. Dat verlies van mijn identiteit was een schok, maar ik bleef er niet te lang bij stilstaan. Ik was jong en gezond, ik twijfelde er geen moment aan dat ik het zou redden. Bovendien vertrouwde ik erop dat mijn vader achter de schermen alles deed om me vrij te krijgen. Iedere ochtend begon de dag om zes uur met geschreeuw:
"Los, los, los!" klonk het uit de kelen van de SS'ers. Ik sliep in een barak met een man of honderd, die moesten dan allemaal maken dat ze opstonden. Als je niet vlug genoeg was, gingen de bewakers rammen. Ik was negentien en snel genoeg om slaag te ontlopen. Oudere gevangenen waren vaak de klos, de zwaksten kregen de meeste klappen. Als het geregend had, dan vonden de bewakers het leuk ons in de ochtend op te wachten bij de ingang van de barak, waar zich een grote plas water had gevormd. De lol was om ons zo hard te slaan dat we in de modderplas vielen. Meestal lukte het me om buiten schot te blijven door langs te rennen wanneer de bewakers bezig waren een andere gevangene af te tuigen. Vervolgens moesten we op appel staan. Ik was gevangene
3720, dat moest je dan zeggen. Het nummer was belangrijk voor je positie in het kamp. Zag je iemand met een laag nummer, dan keek je tegen hem op, want dat was een oudgediende. Ik keek neer op nummers die na mij kwamen, want dat waren groentjes. Zo ontstond er meteen een hiërarchie in het kamp tussen de gevangenen onderling. Tijdens het appel werden we in de gaten gehouden door Kotälla, een zeer fanatieke bewaker. Een echte Duitser, beleefd en correct, tot hij ging slaan. Dat vond ik altijd zo griezelig aan die Duitsers, die combinatie van netheid en sadisme. Het keurige uiterlijk van die mannen was zo in tegenspraak met hun gruwelijke daden. Op appel moesten we tellen en commando's uitvoeren: "Eins zwei drei!" en dan "Mütze auf!". "Häftlinge still steken!", "Mütze ab!", "Korrigieren!". Eerst moest je de muts afdoen en dan weer opzetten. En als je muts dan scheef stond, dan moest je dat "korrigieren". Als je iets niet goed deed, was dat een aanleiding tot mishandeling. Kotälla's specialiteit was trappen. Als je niet snel genoeg was, dan schopte hij precies in je kruis, zo recht in je ballen. Het klinkt gek, maar er was iets koddigs aan Kotälla. De manier waarop hij driftig heen en weer liep en trapte, ik kon hem niet haten. Misschien omdat hij niet laf was, zoals andere bewakers. Ik heb nooit gezien dat hij al ging slaan voordat je iets fout had gedaan. In boeken heb ik later wel gelezen dat hij verschrikkelijke dingen gedaan heeft, dus ik wil hem zeker niet vrijpleiten, maar zelf ben ik nooit door Kotälla tussen de benen geschopt. Aan de SS'er Brahm had ik een veel grotere hekel dan aan Kotälla. Brahm was altijd dronken en sloeg er graag op los. Maar ook bij hem had ik mijn manier gevonden om de klappen te ontwijken. In het kamp droegen alle gevangenen klompen en als je ging douchen, mocht je die klompen niet meenemen. Kwam je de douche uit, dan waren je eigen klompen weg en dan nam je een paar van een ander. Wie als laatste de douche uit kwam, had geen
de bewakers bezig waren een andere gevangene af te tuigen. Vervolgens moesten we op appel staan. Ik was gevangene 3720
, dat moest je dan zeggen. Het nummer was belangrijk voor je positie in het kamp. Zag je iemand met een laag nummer, dan keek je tegen hem op, want dat was een oudgediende. Ik keek neer op nummers die na mij kwamen, want dat waren groentjes. Zo ontstond er meteen een hiërarchie in het kamp tussen de gevangenen onderling.
Tijdens het appel werden we in de gaten gehouden door Kotälla, een zeer fanatieke bewaker. Een echte Duitser, beleefd en correct, tot hij ging slaan. Dat vond ik altijd zo griezelig aan die Duitsers, die combinatie van netheid en sadisme. Het keurige uiterlijk van die mannen was zo in tegenspraak met hun gruwelijke daden.
Op appel moesten we tellen en commando's uitvoeren: "Eins zwei drei!" en dan "Mütze au/!". "Häftlinge still stehen!", "Mütze ab!", "Korrigieren!". Eerst moest je de muts afdoen en dan weer opzetten. En als je muts dan scheef stond, dan moest je dat "korrigieren". Als je iets niet goed deed, was dat een aanleiding tot mishandeling. Kotälla's specialiteit was trappen. Als je niet snel genoeg was, dan schopte hij precies in je kruis, zo recht in je ballen. Het klinkt gek, maar er was iets koddigs aan Kotälla. De manier waarop hij driftig heen en weer liep en trapte, ik kon hem niet haten. Misschien omdat hij niet laf was, zoals andere bewakers. Ik heb nooit gezien dat hij al ging slaan voordat je iets fout had gedaan. In boeken heb ik later wel gelezen dat hij verschrikkelijke dingen gedaan heeft, dus ik wil hem zeker niet vrijpleiten, maar zelf ben ik nooit door Kotälla tussen de benen geschopt. Aan de ss'er Brahm had ik een veel grotere hekel dan aan Kotälla. Brahm was altijd dronken en sloeg er graag op los. Maar ook bij hem had ik mijn manier gevonden om de klappen te ontwijken. In het kamp droegen alle gevangenen klompen en als je ging douchen, mocht je die klompen niet meenemen. Kwam je de douche uit, dan waren je eigen klompen weg en dan nam je een paar van een ander. Wie als laatste de douche uit kwam, had geen klompen meer. Het is mij ook overkomen en toen moest ik naar de Bekleidungszimmer om Brahm om nieuwe klompen te vragen. Van medegevangenen had ik gehoord dat Brahm je al begon te slaan nog voor je een voet over de drempel had gezet. Als je dan vroeg: "Herr Oberscharführer, darf ich ein Paar Holzschuhe bekommen?" dan kreeg je nog meer klappen en werd je weggejaagd. Ik besloot het daarom anders aan te pakken. Ik vroeg niet om klompen, maar eiste ze. Ik kwam binnen en riep op luide militaristische toon: "Oberscharführer! En Paar Holzschuhe!" Wat denk je? Niks aan de hand, ik werd prima behandeld en ik kreeg direct een paar klompen! Mijn opvoeding kwam me in Amersfoort goed van pas. Als zoon van een hoge militair wist ik hoe ik met die Duitsers om moest gaan.
Terugkijkend denk ik dat mijn gemoedstoestand anders was dan die van de meeste gevangenen. Ik was overmoedig en had een groot vertrouwen in de goede afloop. Misschien was het ook wel de arrogantie van de elite. Mijn vader was bezig om mij via zijn contacten vrij te krijgen, en dat wist ik. Door mijn afkomst en mijn opvoeding heb ik me op een bepaalde manier onkwetsbaar gevoeld. Daarbij kwam natuurlijk dat ik een gezonde jonge kerel was en ik was ook nog eens avontuurlijk. Het klinkt misschien raar, maar ik vond het wel spannend.
Ons soort mensen heeft het ook in de ergste omstandigheden minder zwaar dan een arbeider in dezelfde situatie. De hiërarchie van de samenleving buiten het kamp werd ook binnen het kamp hooggehouden. De elite hielp elkaar aan de goede baantjes. Studenten en politieke gevangenen voelden zich beter dan bijvoorbeeld de zwarthandelaren. De Duitsers creëerden een systeem van verdeel-en-heers door het aanstellen van kampoudsten. Zij verdeelden het werk en moesten ons straffen als we iets fout hadden gedaan. De Duitsers hadden wel de leiding, maar de ordebewaking was in handen van gevangenen zelf. Als nieuwkomer moest ik eerst door een periode van ontgroening, maar daarna kreeg ik een baantje in de radio barak. Dat betekende dat ik vrijgesteld was van zware lichamelijke arbeid.
In Amersfoort kwam ik voor het eerst van mijn leven in aanraking met mensen van buiten mijn eigen kring zoals communisten, zigeuners of
zwarthandelaren. Van iedere ontmoeting leerde ik iets. In een brief aan mijn ouders schreef ik dat Kamp Amersfoort een leerschool was. Daarmee wil ik de narigheid niet bagatelliseren, maar voor mij had het kamp ook een andere kant.
De koude en de honger waren verschrikkelijk. zelf kon ik de meeste ontberingen wel aan, maar ik zag ook vreselijke dingen die met anderen gebeurden. Een kameraad van me is voor mijn ogen neergeschoten. Dat gaat je niet in de koude kleren zitten. We liepen langs de omheining van het kamp toen hij een peuk zag liggen, hij bukte zich om de sigaret op te rapen en ... bang! Dood! Als je te dicht bij het prikkeldraad kwam, dan was het einde oefening. Als ik die peuk eerder had zien liggen, dan was ik er zelf aan gegaan.
Soms zag ik hoe mensen met stokken werden afgeranseld en naakt over het plantsoen gejaagd werden. Ik had een vriend, een Jodenman, die moesten ze altijd hebben. Hij werd gedwongen om over de hanenbalken van de barakken te lopen. De bewakers sloegen hem op de voeten en hoopten dat hij zou vallen. De zwakkeren, die kregen er flink van langs. Het leven was zwaar, maar ik wil het niet vergelijken met de kampen in Duitsland en Polen. Toen ik na de oorlog hoorde wat daar allemaal gebeurd was dacht ik meteen: zo vreselijk was Amersfoort nou ook weer niet.
Op 9
 maar t 1944 werd ik op transport gesteld naar Duitsland om tewerkgesteld te worden in een fabriek. Vlak voor de grens, in Venlo, maakte de trein een laatste stop in Nederland. Mijn vader stond me daar op te wachten met een bevriende zakenrelatie, de heer Bruin. Dat was een collaborateur die een bedrijf had in Duitsland. Mijn vader liep op een van de Duitse militairen af die het transport begeleidde en zei hem op gebiedende toon: "Ik kom voor Häftling 3720. Hij zal tewerkgesteld worden bij het bedrijf van de heer Bruin in Duitsland." Het gaat er natuurlijk om hoe je zoiets zegt. Door de autoriteit die mijn vader uitstraalde, overdonderde hij die bewaker. Häftling 3720 werd uit de trein gehaald. Om geen argwaan te wekken, nam Bruin mij mee naar een boerderij even over de grens, waar ik een tijdje werkte als boerenknecht. Op het bedrijf was ook een Russin tewerkgesteld, die net zo'n hekel aan de Duitsers had als ik. Om de productie te saboteren haalden we gepote aardappelen uit de grond en trapten we in de buik van een zwanger varken. Het stelde misschien niet veel voor, maar voor ons was dat een vorm van verzet.
Later regelde Bruin een valse verlofpas voor me. Ik ben op een fiets gestapt en naar Venlo gereden. Bij de grens werd ik tegengehouden door twee SD
' ers. Foute boel, ik wist: als ze mijn papieren goed bekijken, dan ben ik de sigaar. Ik stapte van mij n fiets en een van de SD' ers vroeg: "Was gehen Sie machen?" Tja, wat moest ik zeggen. Maar strak van de adrenaline werkt je brein heel snel, ik weet niet hoe ik erop kwam, maar ik antwoordde: "Ich gehe nach meiner Braut, meine Braut hat tausend Wochen." "Tausend Wochen?" riepen ze verbaasd en verrukt uit. Dat vonden die mannen prachtig, dat is net iets voor die sentimentele Duitsers. Duizend weken is ongeveer zeventien jaar. Ze vonden het maar wat romantisch dat ik op die manier uitdrukte dat ik op weg was naar de verjaardag van mijn bruidje. In plaats van mijn papieren te controleren wensten ze me een goede reis. Ik stapte op mijn fiets en reed de grens over. Voor mij is het onbegrijpelijk dat die Duitsers zo wreed waren, en tegelijkertijd zo'n hang hadden naar romantiek.
De rest van de oorlog zat ik bij mijn ouders in Aerdenhout. Omdat de Duitsers dachten dat ik tewerkgesteld was in Duitsland, kwam niemand me zoeken. De hongerwinter in Aerdenhout was zwaar, maar het was minder érg dan elders. Natuurlijk hebben wij ook suikerbieten en bloembollen moeten eten, maar mijn ouders waren welgesteld en konden altijd wel iets ritselen. Stilzitten is niets voor mij en via mijn vader heb ik contact gelegd met verzetsstrijders en geprobeerd mij nog een beetje nuttig te maken. Het liefst had ik bij de knokploegen gewild zodat ik echt ingezet zou worden om Duitsers af te schieten, maar daar heeft mijn vader een stokje voor gestoken. Die heeft zijn contacten gewaarschuwd dat mij niets mocht overkomen en dat ik zeker niet zou mogen deelnemen aan gewelddadige acties of sabotage.
Na de bevrijding ben ik teruggegaan naar Amsterdam om mijn studie geologie af te maken. In 1953
ontmoette ik mijn echtgenote tijdens een bergvakantie. Niet lang daarna kregen we twee zonen en een dochter en werd ik aangesteld als wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep geologie. Tijdens de Biafra-oorlogen kreeg ik grote moeite met mijn werk, in mijn ogen was Shell verantwoordelijk voor wat daar gebeurde. Als docent geologie gaf ik les aan de toekomstige werknemers van dat bedrijf. Dat vrat aan me en zo kwam ik op het idee om een nieuw vak te doceren: geopolitiek, een combinatie van geologie en politiek. Ik wilde laten zien dat de ongelijke verdeling van delfstoffen op deze aarde politieke, sociale en economische consequenties heeft. Nu klinkt dat misschien niet echt verrassend, maar destijds was het/een revolutie. Toen mijn plannen verworpen werden heb ik een kamer bezet in het Maagdenhuis. ( red. 28 april 1969 heb ik mijn kamer 85a in het Geologisch Instituut daarna met mijn studenten kamer 49 Katholieke Tilburgse Hogeschool  van 4 -7 mei 1969 en vervolgens  kamer 310 van het Maagdenhuis van 16-21 mei ).
Dat was eind april 1969
vlak voor de grote Maagdenhuisbezetting, daar heb ik me vervolgens bij aangesloten. Dat viel niet goed bij de vakgroep, mijn collega's eisten, dat ik loyaal zou zijn, of ontslag zou krijgen. Daar zag ik een overeenkomst met 1943, dus het werd ontslag. Toen ik niet meer werkte, kon ik mij helemaal toeleggen op actievoeren en het publiceren van mijn ideeën.
Het leven in Kamp Amersfoort heeft mij zeker gevormd, net als mijn jeugd als elitaire jongen. Ik heb me lang verzet tegen de normen en waarden van mijn milieu. Mijn hele leven heb ik actie gevoerd tegen het onrecht in de wereld, of dat nou ver weg was in Afrika, of dichtbij op een woonwagenkamp. Voor mijn gezin is dat moeilijk geweest. Ik verbaas me er nog dagelijks over dat mijn vrouw altijd bij me is gebleven. Maar het is een niet te stuiten drang, ik kan niet stilzitten en niets doen.'

De Joodse man die over de hanenbalken moest lopen in Kamp Amersfoort heeft de oorlog overleefd. Tom de Booij heeft hem nog wel eens gezien op een bijeenkomst voor oud-gevangenen van het kamp. Over Bullie heb ik geen informatie kunnen vinden. Bruin is niet de werkelijke naam van de zakenrelatie van de vader van Tom de Booij.