Maud Boshart's verhaal over zijn deelname aan de muiterij op de Zeven Provinciën

  

Maurits (Maud) Boshart (1905-1964)

Van het relaas dat Maud Boshart, na zijn vrijlating uit de Leeuwardense gevangenis in 1937, heeft geschreven heb ik uitsluitend die fragmenten gekozen, die  die gaan over zijn gevangenis tijd en vooral op de manier waarop hij werd behandeld en hij net als Barbertje moest hangen. Er bestaan vele versies over zijn rol tijdens de muiterij. Het witboek van de regering (1934), het boek van Mollema (1934), het proefschrift van Blom in drie achtereen volgende drukken(1975, 1983, 2005) en het artikel van Elly Touwen-Bouwsma (2003). Vast staat in ieder geval, dat het initiatief voor de muiterij is genomen door leden van de Inlandse bemanning. Misschien is de rol van Boshart waarschijnlijk iets belangrijker geweest dan Boshart zelf schetst. Hij heeft wel gesympathiseerd met de muiterij, maar heeft steeds geprobeerd te bemiddelen tussen de officieren en de muiters om daarmee een bloedbad te voorkomen. Dat dit niet gebeurd is moet voor een groot deel aan hem worden toegeschreven. Dat hij echter als een van de aanstichters moet worden gezien is volgens mij ten enenmale onjuist. De muiterij moet gezien worden in het licht van het groeiend opkomend nationalisme in Nederlands Indië.  De Nederlandse overheid heeft er alles aan gedaan om dit voor de buitenwereld geheim te houden. Dit moge onder meer blijken dat Boshart de zwijgplicht kreeg opgelegd.  Men wilde nu eenmaal dat Boshart de belangrijkste hoofdschuldige was en moest blijven. De laatste zin van de inleiding door H.J.A. Hofland geeft goed weer zijn motief om in 1978 het verhaal van Boshart aan de vergetelheid te ontrukken:
"Het is treurig dat Bosharts manuscript niet meteen na voltooiing een uitgever heeft gevonden. Het is jammer dat ook nog na de oorlog  het zolang niet mogelijk was, het op een behoorlijke manier te publiceren. Want eigenlijk wordt Boshart met deze uitgave - hoe gelukkig die op zichzelf ook is - te laat recht gedaan.".
Op internet is  een artikel over de muiterij van Boshart  te vinden dat hij schreef in het familieblad "De Uilenspiegel" van 3 februari 1963. Antiquarisch is de uitgave van H.J.A. Hofland. Maud Boshart en de muiterij op de Zeven Provinciën. Contact Tijdsdocumenten ISBN 906019 5728 te bestellen 

Nu 28 jaar later,  met de mogelijkheid van het internet, wil ik ook op mijn manier recht doen aan deze Maud Boshart door gedeelten uit zijn verhaal af te drukken.

Hoofdstuk 4 Onrust

Het eiland Onrust voor de kust van Batavia

(...) Morgens in de vroegte werden we vanaf de Orion in een sloep geladen [allen zwaar geboeid] en door een motorsloep gebracht naar de wal.(...)...Aan de kade gekomen moesten we ons tussen twee rijen van inlandse soldaten opstellen, allen met in de ene hand de getrokken klewang, in de andere de geladen karabijn. Gedurende ruim een jaar zouden we niet anders dan op deze wijze begeleid worden. Alvorens af te marcheren werden ons een aantal dingen voorgelezen, die wanneer je er aanleg voor bezat, 'n mens de haren ten berge hadden doen rijzen. De barakken bestonden uit een manshoog opgetrokken muurtje, bedekt met gegalvaniseerde platen. Tussen het muurtje en het 'dak' bevond zich een ruimte van ongeveer een halve meter, geheel afgezet met doorééngewoeld prikkeldraad. Wanneer men - zo luidde het bevel - door deze ruimte kijkt, wordt men onmiddellijk neergeschoten. Bij lawaai maken in de barak of luid spreken of lachen wordt zonder waarschuwen een handgranaat geworpen. 's Morgens bestaat gelegenheid de kapitein te spreken te vragen; dit gebeurt alleen door een door jullie aan te wijzen oudste. Te dien einde roept die man 'wachtcommandant' waarop de deur van de barak zal worden geopend. Met in de hoogte gestoken handen loopt dan de barakscommandant vier passen naar voren terwijl de rest zich zover mogelijk in de barak terugtrekt. Er werd nogmaals uitdrukkelijk gezegd dat er absoluut niet zou worden gewaarschuwd, en dat de schildwachten zonder mankeren een ieder neer zouden leggen die zich niet aan de orders hield. (...)

           Muiters worden binnengebracht in het gevangenkamp op het eiland Onrust

En om de twee uur werd de schildwacht maar afgelost en om de twee uur kreeg ik maar iri het Maleis te horen 'Als hij de muur aanraakt, schieten. Als hij tegen je probeert te praten, schieten. Als hij de tralies aanraakt, schieten. Als hij over de witte streep komt, schieten'. En zo ging dat maar door. Des nachts kon men geen oog dicht doen van het gestamp van de met ijzer beslagen schoenen van de soldaten; maar ook dat wende op de duur! Wat me echter in die dagen het meest griefde was, dat men absoluut geen gelegenheid kreeg te baden. In Indië is het een gebiedende eis om tenminste eens per dag een bad te nemen, doet men dit niet dan is een spoedige huidinfectie hiervan het gevolg. Zo kregen we dus de eerste vijf dagen van onze gevangenschap geen bad. Ook niet een beetje water om het gezicht 's morgens te wassen. 0 hooggeroemde Hollandse zindelijkheid; was het op de 'Muiters' niet van toepassing? (...)

Er was weinig, zo in 't geheel geen sprake van een onpartijdig onbevooroordeeld onderzoek. Inlanders, die om een of andere reden geen verklaring wilden ondertekenen, werden door middel van hongerkuren aan deze ondertekening herinnerd. Zelf heb ik gezien hoe een inlandse olieman drie maal 24 uur de noodzakelijke spijze onthouden werd. Met een van hen deelde ik mijn ochtendbrood op gevaar af om neergeschoten te worden, wanneer het bemerkt was geworden. Geboeid, met de handen op de rug, zonder enige bedekking of ligging in een betonnen cel, met een vinnig opkomende natte moesson, lagen die mensen daar. Een andere Hollandse 'Third degree' was, een met krijt op de vloer getrokken vierkant, daarin een mens, handen achter de rug geboeid, van des morgens vroeg tot 's avonds laat, en daarbij noch zitten, noch liggen, noch op enigerlei andere wijze steun zoeken. Een buitengewoon wrede marteling! Voor het eventueel steunen door het slachtoffer waakte met argusogen een met klewang en karabijn gewapende inlandse soldaat. Deze behandeling ondergingen die mensen vóór het wachtlokaal. Dat dergelijke dingen niet in de buitenwereld bekend werden, droeg men de uiterste zorg voor. Persoonlijk heb ik gezien dat op een vissersprauw werd geschoten, die volgens de kapitein van het detachement Koloniale troepen te dicht bij het eiland kwam. Het zogenaamde 'luchten' geschiedde aanvankelijk tweemaal per dag gedurende een uur. Een mitrailleur was opgetuigd en voortdurend bevond zich daar een soldaat bij op post; om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn, zat reeds een band met scherpe patronen in het wapen. Vier schildwachten volgden voortdurend de bewegingen van de gevangenen, daarbij hun karabijn in de aanslag houdend. Dat zoiets op den duur buitengewoon enerverend werkte zal een ieder duidelijk zijn! (...)

    Verhoor van de gevangen muiters op Onrust

Onwillekeurig vraagt de lezer zich misschien af, met wat voor doel toch de vervolging klaarblijkelijk tegen mij persoonlijk ingesteld werd. Dit zat als volgt in elkaar. Het mocht en kon in Indië niet van algemene bekendheid worden dat de muiterij van de Zeven Provinciën uitsluitend inlands initiatief en uitvoering was geweest. Het superioriteitsgevoel dat daarvan voor de gehele inlandse bevolking het gevolg zou zijn geworden bracht consequenties met zich, waarvan de gevolgen niet te overzien waren:om echt met redelijke kans van slagen de Europeanen als de moreel schuldigen meer speciaal als de 'corpi intellectuali' te kunnen beschuldigen was het noodzakelijk mij als de man voor het gebeurde verantwoordelijk te stellen. Ik ben er nu nog van overtuigd dat, wanneer men de officieren geen beklaagden had gemaakt, zij zich ook niet achter ons hadden trachten te dekken. Toen ook zij echter verantwoording af moesten leggen kon niemand van hen zeggen dat het voor hen vast stond dat de Europeanen niet anders dan door de omstandigheden gedwongen aan deze zaak hadden deelgenomen. (...)

Na enige weken in de oude Portugese kazerne doorgebracht te hebben werd ik naar een andere hoek van het eiland getransporteerd waar men in allerijl een barak voor eenzame opsluiting cellen had ingericht. Stel u voor een vijftien tal cellen uniform van een afmeting van twee passen breed en drie lang. De wanden waren van steen, vloer van beton en de voorkant was tralies met een zeer klein deurtje erin. Een krib en een 'noodzakelijk iets' vormden het ameublement. Ik stel me voor dat het hele geval op de toeschouwer onwillekeurig de indruk van een apenkooi moest maken. Dag en nacht liep een schildwacht voor deze cellen op en neer, aanvankelijk zelfs twee. Luchten kregen we daar niet. 'Lucht kwam genoeg door de tralies' werd gezegd. De eerste maanden liepen de schildwachten met geweer in de aanslag. Toen echter weer eens een generaal van zijn belangstelling in de gang van zaken blijk gaf en aan mij informeerde of ik: 'Wat te vràgen of te zâggen had' verzocht en kreeg ik als gunst dat de geweren van de schildwachten dan in het vervolg niet gedurende de gehele dag op ons zouden gericht blijven. Het baden was ook een buitengewoon hartverheffende vertoning. Daar men natuurlijk 'geen enkel risico' mocht lopen kwamen er extra soldaten om bij dit baden aanwezig te zijn. Het celletje werd dan opengemaakt, de aspirant bader naar een kraan geleid waaruit een miserabel straaltje water z'n uiterste best deed de naam van badgelegenheid te verdienen, en daar kon men zich dan een weinig verfrissen. Dit alles echter onder voortdurend gerichte karabijnen en getrokken klewangs. Later toen ik een ogenblikje per dag mocht heen en weer wandelen, had ik eens het genoegen - toevallig kwam de volgende wachtploeg op - om op de bovenomschreven manier te baden, omringd door acht - niet minder dan acht - soldaten, twee korporaals en een sergeant. Ik begon toen waarlijk zelf te geloven dat ik min of meer gevaarlijk was! Echter bezat ik een gezegend gevoel voor humor dat mij beschermd heeft om gek te worden.
In deze cellen heb ik ongeveer acht maanden doorgebracht, zonder enige bezigheid. Herhaalde malen heb ik zulks verzocht, doch dat werd nimmer toegestaan. Spreken, zingen, fluiten, ja zelfs fluisteren was op straffe van de kogel verboden. M'n enige afleiding was een familie ratten, die hun domicilie hadden gekozen in een tegenover mijn cel staande waringin.
Na het voorlopig onderzoek volgde het vooronderzoek, geleid door de chef van de politieke inlichtingen dienst te Batavia. Verhoren van zes, soms zeven uur en dat dagen achtereen met het absolute gevoel voor een verloren zaak te strijden, maakten je fysiek en psychisch kapot. Het ergste echter in de gehele gang van zaken was, dat er verschillende groepen gevormd waren.

Hoofdstuk 5 Naar Madoera

Na ongeveer negen maanden in deze hel doorgebracht te hebben werden de meeste van onze mensen met onbekende bestemming weggevoerd. Alleen Kawilaran en ik zal zijnde de gevaarlijkste werden per motorboot baar Batavia gebracht ((Boshart bedoelt met de hel het eiland Onrust). Na twee dagen kwamen we op Madoera.(..)  Met een motorsloep werden we naar de wal gebracht en aanstonds kreeg ik een aardedonkere cel op dit eiland aangewezen. Evenals Onrust was Soekolili - zo heette een in de nabijheid van onze verblijfplaats gelegen kampong - een quarantainestation. Het bestond uit een zwaar met prikkeldraad afgezet stuk land, omgeven door een kilometers lange muur en naast elkaar een vijftien tal barakken. Elke barak was weer omgeven met prikkeldraad en was voorzien van een klein stukje gras, waar men vrij op mocht rondlopen. Op de vier hoeken stond een verhoogd schildwachthuisje zomede twee van deze posten in de lengte van het terrein.(...)
Zo naderde de dag dat we ons voor de deelname aan de muiterij zouden moeten verantwoorden. Reeds voor dag en dauw werden we gewaarschuwd dat we naar Soerabaja moesten vertrekken en er was niemand van ons die niet naar het ogenblik verlangde om eindelijk eens uit te kunnen spreken wat we al zo lang op het hart hadden. Helaas zou er van uitspreken al bitter weinig komen! Op dezelfde manier als enige weken geleden daarvoor de inlanders waren overgebracht werden ook wij aan de vijf meter lange kettingen gesloten en per autobus naar een sleepboot vervoerd die de Straat van Madoera overstak. We moesten allen - we waren met zes man - plat op dek gaan zitten en aan elke zijde van ons werd een met pistool en knuppel gewapende marinier gezet. Bovendien waren er nog een aantal met geweren gewapenden. We zagen er uit of we zo juist een kolenbootje gelost hadden, maar daar trokken onze bewakers zich al bitter weinig van aan. Ook waren de kettingen waar we aan vast zaten rood van de roest, zodat onze witte uniformen er al heel spoedig ontoonbaar uitzagen. In Soerabaja aangekomen werden we per vrachtauto onder zwaar geleide naar de marinekazerne 'Goebeng' gebracht en aldaar in het provoosthuis opgesloten. Een aardigheid van de dienstdoende luitenant van de mariniers was, om enige malen per nacht inspectie te maken. Men moest dan zijn bed uit, zich geheel aankleden en dan een poosje blootstaan aan de grijnzende spotlach van bovengenoemd heer waarna men weer naar bed kon gaan. De volgende dag werden we voor de krijgsraad geleid, welke zitting had genomen in de ... gymnastiekloods! 0, ironie van het lot, de reuzenzwaaien en lendetrekken waren er dan ook niet van de lucht! Publiek werd er niet toegelaten, tenzij een officier. Voor de deuren bevonden zich met pistool en klewang gewapende mariniers en op elke hoek van het terrein waren mitrailleurs opgetuigd. Bovendien bevindt zich het gehele geval weer binnen de hekken van de kazerne, waar zich ook aan alle zijden schildwachten bevinden. (...)Het verloop van deze krijgsraadberechting? We waren bij het binnentreden van de zaal al reeds veroordeeld, alleen moest het nog even uitgesproken worden. Het hielp niet of we ons al op de omstandigheden beriepen, het hielp niet of we al zeiden dat, wanneer de officieren het voorbeeld gegeven hadden, wij zeer zeker hadden gevolgd. Niets hielp! Enige getuigen mochten we nog laten komen, maar de zaak waar het nu eigenlijk om ging werd weinig of geen werk van gemaakt. Wij waren en bleven de muiters! Vooral ik moest het ontgelden. Het was 'het gif van Boshart' voor en na, de anti-gezagsman, de organisatieman enz. Volgens de officieren was ik nu eens voor, dan weer tegen de zaak geweest en als er nog eens wat in mijn voordeel te verhalen was, 'Kon men zich dat niet meer herinneren'. Het liep gewoon in de gaten, dat blijkbaar een zeer groot gedeelte van de heren aan geheugenverlies leed! Toen begon het toch te kras te worden en verzocht ik alsnog te mogen horen die officieren, die mij zo geprezen hadden - toen ze nog geen beklaagden waren - na het vallen van de bom. Of het juist was dat men mij een hand gegeven had en mij een flinke kerel had genoemd? Zie, dat kon men zich nooit meer herinneren! Toen een van deze getuigen even door een lid van de krijgsraad op weg geholpen werd 'of hij misschien bedoeld had een flinke muiter' greep hij met beide handen naar dit ezelsbruggetje! 'Sigaren gegeven? Kon wel zijn. Stinkstokken wilden ze eerst over boord gooien, maar was niet onmogelijk dat hij ze later aan de muiters gegeven had! De man waar ik mijn eigen leven voor op het spel zette toen ik tussen hem en de geweren van de inlanders in ging staan, draaide zich naar mij om, toen ik hem deze vraag stelde en voegde me smalend toe 'Nou Boshart, je behoeft niet te poseren' hetgeen zichtbaar de goedkeuring van het hoge college verwierf. Getuige De Wilde ontkende zo hardnekkig - wederom onder ede - dat hij ooit tegen mij gezegd had dat we de machines konden blijven draaien, dat ik besloot hem voor het Hoog Militair Gerechtshof nogmaals aan de tand te voelen. Hij ontkende zelfs ooit met mij tijdens de muiterij gesproken te hebben! En de enige getuige, bovendien de enige getuige waarvan we overtuigd waren dat hij de waarheid zou spreken ... zat - ongeneeslijk krankzinnig - in het gekkenhuis te Lawang. Wel werd een niet beëdigde verklaring van hem voorgelezen die echter in alle opzichten zo tegenstrijdig was dat ik er het mijne van dacht!

Onze verdediger deed zijn best; riep uit 'Dat hij met zulke mensen een fort zou willen bestormen' maar waar het nu eigenlijk om ging roerde hij angstvallig niet aan! Enfin, hoe het zij, er werd niets, maar dan ook in het geheel niets van ons aangenomen en de advocaatfiscaal eiste in totaal een gevangenisstraf van vijfenvijftig jaar voor zes jonge mensen. Ik ging met het leeuwenaandeel strijken ad 14 jaren. Doch dit staat als een paal boven water en zelfs onze ergste vijanden konden dat niet ontkennen, dat er geen spier van ons gezicht vertrok. Dat wij hen door onze houding het plezier van ons te zien krimpen ontnamen, want allen voelden we zuiver en klaar aan dat daar geen gerechtigheid meer geschiedde; dat daar een comedie werd opgevoerd zo schrijnend belachelijk, dat een inwendige stem ons troostte 'trek je er maar niets van aan jongen, toch zal het recht zegevieren! '

Het was 6 december 1933 dat we met deze Sint Niklaasverrassing op Madoera terugkeerden. We zouden tien dagen later vernemen wat men verder besloten had met ons te doen.(...)

Op 14 december werden we gehaald om de uitslag van de zeekrijgsraad te vernemen. Hetzelfde toneel met vrijwel dezelfde spelers! Na rijp beraad had men dan besloten om allen - met uitzondering van twee mensen, die door bemiddeling van de vlootpredikant al reeds op Onrust in vrijheid waren gesteld - het recht te ontnemen om ooit weer bij de gewapende macht te mogen dienen. Verder werden de beklaagden veroordeeld respectievelijk tot zestien, twaalf, tien, acht, zes en vier jaren gevangenisstraf.(...)

De overwegingen van de krijgsraad luidden ongeveer dat het gebleken was dat de beklaagden zich aan muiterij aan boord van een oorlogsschip hadden schuldig gemaakt, en dat tijdens die muiterij geen onmiddellijke hulp te verkrijgen was [verzwarend feit!]. Dat speciaal Boshart in deze muiterij een dominerende rol gespeeld had, voorgevende ten bate van het algemeen belang te hebben gehandeld, doch dat daarvan de krijgsraad niets gebleken was. Dat weliswaar de voorbereiding tot de zaak door de inlanders was geschied, maar dat de beklaagden - en weer speciaal Boshart - door hun voortdurende ageren tegen het gezag moreel verantwoordelijk voor de muiterij moestep worden geacht! Ook had ik de heer De V. v. S. (A.N. baron de Vos van Steenwijk)  opzettelijk met een pistool bedreigd en van een poging tot gezagsherstel door mij was de krijgsraad niets gebleken. (...)

Hoofdstuk 6 Naar Batavia: Struiswijk,eis en uitspraak van het Hoog Militair Gerechtshof

Nadat de gehele zaak een viertal dagen in beslag genomen had, sprak de advocaat-generaal zijn eisen als volgt uit. De zwaarst gestrafte kreeg twaalf jaar, dan volgde iemand van negen, nogmaals negen, zes, nog iemand van zes, twee van anderhalf jaar en één van één jaar. De uitspraak werd bepaald op 2 maart 1934. In optocht werden we weer gevangeniswaarts geleid en het klinkt misschien cynisch, maar op den duur gaat zo een hele geschiedenis een mens al bitter weinig aan. De voortdurende wetenschap 'dat Barbertje toch moet hangen', mist op den duur zijn uitwerking niet. Bovendien is dat maar gelukkig ook, want anders zou men waanzinnig geworden zijn van het tevergeefs in opstand komen. (Het toneelstuk over Barbertje geschreven als inkleding van Max Havelaar door Multatuli (alias Douwes Dekker) staat onder deze link : Barbertje moet hangen)

Blijkbaar had men van het Hoog Militair Gerechtshof ook wel ingezien dat er toch wel het een en ander aan mankeerde want toen we op 2 maart de uitslag van onze zaak moesten gaan halen, waren ook de eisen van de advocaat-generaal belangrijk verminderd. Hier volgt een deel van de overweging tot veroordeling voor zover het mijzelf betreft: 'Dat naar 's Hofs oordeel beklaagde niet heeft afgeweten van het plan tot muiterij, althans niet tot zeer kort vóór het uitspreken van het misdrijf; dat hij nimmer de bedoeling gehad heeft tegen de officieren daadwerkelijk met geweld van wapenen op te treden; terwijl hij min of meer verrast door de gebeurtenissen is overvallen en meegesleept en het college hierin aanleiding vindt ten aanzien van deze beklaagde de hoofdstraf enigermate te verlichten.' 'Wat ten aanzien van beklaagde Boshart als een zeer strafverzwarende omstandigheid moet worden aangemerkt, dat hij door het voortdurend zaaien van ontevredenheid, het opwekken van onwettige actie en het aansporen van inlandse en Europese schepelingen in belangrijke mate verantwoordelijk moet worden geacht voor 'de sfeer waarin een en ander kon plaats vinden', zodat oplegging van een zware vrijheidsstraf noodzakelijk is, doch anderzijds het hof rekening houdt met de omstandigheid dat de actie 's van de Marine Bonden - hoera! - een ongunstige invloed hebben uitgeoefend. Dat voorts het college bij de bepaling van de aan deze beklaagde op te leggen hoofdstraf enigermate in aanmerking wil nemen dat beklaagde Boshart reeds op 5 februari kennelijk de ernst van zijn misdrijf heeft ingezien, krachtige pogingen heeft aangewend om de inlandse leiders van de muiterij de commandant aan boord te doen nemen en een einde aan het misdadig bedrijf te maken, en voorts, dat hij krachtdadig is opgetreden tegen het bezigen van geweld tegen de officieren en loyale schepelingen hetgeen in het bijzonder in het getuigenverhoor in hoger beroep is komen vast te staan.' Maar toch kreeg ik tien jaar. Toch werden de mooiste jaren van mijn leven afgenomen. Toch had ik - onwettige actie - gewild. Toch was ik de leider van de muiterij; ik, niemand anders, was verantwoordelijk 'voor de sfeer waarin een en ander kon plaats vinden', Van de order om de wacht in de machinekamer te lopen werd gezegd 'dat de beklaagden moesten weten dat geen officier bevoegd is om toestemming te geven tot het plegen van een misdrijf'.

We waren voor de krijgsraad vrijgesproken van het verzwarende feit 'dat de korporaals onder de beklaagden hadden gehandeld in deelneming van militairen van mindere rang' doch voor het Hoog Militair Gerechtshof werden we ook hiervoor nog veroordeeld. En toch gingen we allen met onze straffen naar beneden, ik zelfs zes jaar. Wonderlijk; we snapten er toen helemaal niets meer van. Ik herhaal, als we voor onze zaak cassatie hadden kunnen verkrijgen had er nog veel meer aan het licht gekomen! Nu was er dan een einde aan deze hele droevige geschiedenis. Nederland kon weer rustig ademhalen en aan het recht was voldaan! Het is echter eigenaardig, maar tot op heden kan ik nog maar niet het gevoel krijgen dat ons werkelijk recht geschiedde.

Hoofdstuk 7 Naar Bandoeng

                                 Soeka Miskin gevangenis in Bandoeng

In de loop van die week kregen we de mededeling dat we zouden worden gezonden naar de strafgevangenis 'Soeka Miskin' te Bandoeng in afwachting van opzending naar Bandoeng (...) Na ongeveer drie maanden in Bandoeng te hebben doorgebracht werd ons op zekere dag medegedeeld dat we ons gereed moesten houden om naar Holland opgezonden te worden. In begin juli had dat dan ook werkelijk plaats. (...)
In de Indische bladen verscheen een mededeling dat 'de leider Boshart' streng zou worden geïsoleerd, zulks zeker met het oog hierop, dat men anders geen passagiers kreeg voor de Christiaan Huygens.

Hoofdstuk 8 Naar Holland

De directeur zowel als de adjunct-directeur namen persoonlijk afscheid van ons en gaven onomwonden te kennen dat het dan wél mogelijk was dat we muiters en als zodanig staatsgevaarlijk konden zijn doch dat zij voor zich aan ons verblijf te Soeka Miskin niet anders dan de meest prettige herinneringen zouden blijven behouden. Zoiets geeft 'de burger moed' nietwaar? De avond voor ons vertrek werden we naar het huis van bewaring te Bandoeng overgebracht om de volgende morgen in alle vroegte per trein naar de aanlegsteiger te Tandjoeng Priok te worden vervoerd. Een enorme mensenmassa was op de been om toch maar een glimp van die verschrikkelijke kerels op te kunnen vangen. Deze film ging echter niet door daar we in een goederenloods gereden werden en direct daarvandaan aan boord gebracht. Een groot aantal mariniers, allen natuurlijk zwaar gewapend, onder aanvoering van een kapitein namen ons in ontvangst en daar ging het spul. (...) Aanstonds werden we in de hutten van de vierde klasse gesloten, die speciaal voor dit doel als cellen waren ingericht. Wonder boven wonder werd ik niet geïsoleerd van mijn makkers, doch samen met een vriend van mij in een tweepersoonshut gezet. Ons rookgerei, geld en alles wat maar enigszins waarde had, werd ons afgenomen en een ijselijke ceel bevelen werd ons in persoon door de kapitein aanvoerder van het stel, voorgelezen. Schieten, geweld voor dit en geweld bij dat voerden de boventoon bij 's mans betoog. Onnodig te zeggen dat we voor dergelijke dingen zo langzamerhand immuun geworden waren. We kregen gelegenheid om handdoek, zeep en dergelijke uit onze koffers te halen, doch op ons verzoek om dan even van de boeien bevrijd te mogen worden werd afwijzend beschikt. Nu waren we met één boei aan elkaar geklonken - linkerpols van de één aan rechterpols van de ander - dus men kan nagaan wat een vreselijk gemartel het was om op die manier uit een volle koffer met kleren het benodigde te zoeken. Bij al deze bedrijven werden we ijverig door een achttal mariniers onder aanvoering van een sergeant en een luitenant, op de vingers gekeken. Scheergereedschap was ten strengste verboden en officieus werd ons medegedeeld dat we één dag voor aankomst te Holland gelegenheid zouden krijgen om onze respectabele baarden te mogen krabben. (...) Het luchten ging eveneens twee aan twee geboeid en geschiedde voor op het schip achter stalen laadmatten. Blijkbaar vreesde men dat een van de jongens over boord zou springen. Een officier, een sergeant, twee korporaals en een tiental mariniers vormden de bewaking. Een van deze officieren had de misselijke gewoonte om in ons bijzijn altijd met zijn pistool te lopen geuren. De man had er twee om zijn buik hangen. Eén dienstrevolver en één particulier wapen. De kinderachtigste dingen werden aangewend om ons het leven te verbitteren. Zo mochten we tegen niemand van de bemanning groeten en toen één van ons onwillekeurig 'Goedemorgen' terug beantwoordde op dezelfde groet van een der matrozen aan boord werd ogenblikkelijk een dag luchten van ons ingehouden(...) We wisten ook niet waar we naar toe zouden gaan en allerlei veronderstellingen deden de ronde. Toen een of andere snuggerling opmerkte 'dat we vast en zeker naar Leeuwarden gestuurd werden' werd hij sterk gehoond. Wat! De gevangenis te Leeuwarden? Zou men niet schromen om ons en onze familieleden ook dát nog aan te doen? Nee, dat geloofden we geen van allen. Maar ondertussen passeerden we toch maar achtereenvolgens Hoek van Holland, Scheveningen, IJmuiden en op het laatst Den Helder. We zetten koers naar Harlingen en we begrepen dat men inderdaad de ongelooflijke schofterigheid zou hebben om ons op één lijn te stellen met Wijkstra's *) en dergelijken! Des nachts om twaalf uur meerden we in de haven van Harlingen. 's Middags hadden we een beetje eten gehad en verder zaten we van des nachts één uur tot de volgende nacht twaalf aan elkaar geboeid in een benauwd voorondertje van een loodskotter met ruwe zee. Dat deed werkelijk de deur dicht!
*) IJe Wijkstra. In januari 1929 schoot hij in het Groningse Doezum, gemeente Grootegast vier politiemannen dood. Hij werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

Hoofdstuk 9 Leeuwarden

Door een vijftiental marechaussees, vervaarlijk met hun wapens rinkelend, werden we overgenomen. We werden man voor man geboeid, na eerst geïnformeerd te hebben wie Boshart was. Ik kreeg de machtigste van al deze machtige gestalten als begeleider aangewezen. Onnodig te zeggen dat het afscheid van onze vorige bewakers geen tranen kostte. In een geblindeerde autobus zou de reis van Harlingen naar Leeuwarden gemaakt worden en eerlijk gezegd verlangden we allen sterk naar het ogenblik dat de deur van de cel achter ons dicht zou slaan en we dan eindelijk eens rust zouden krijgen. In elk plaatsje waar we midden in de nacht passeerden, was nog een belangrijke politiemacht op de been en voorafgegaan door een particuliere auto met nog een of andere autoriteit arriveerden we eindelijk voor de Nederlandse 'Sing-Sing'. Een middeleeuwse poort werd met steunend geknars ontsloten en na een soort plein overgestoken te zijn kwamen we voor een tweede poort. Dit onmogelijk zware ding ging eveneens op haar hengsels draaien en we kregen bevel om uit te stappen. Door de directeur, zijn rechterhand de adjunct-directeur, de huismeester en nog een aantal mindere goden, werden we in ontvangst genomen.(...)

Echter brak toch op een gegeven moment het grote ogenblik aan. Er werd ons medegedeeld dat de Hare majesteit de koningin behaagd had bij  gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard aan de mensen van de Zeven Provinciën een zeer groot gedeelte van hun straf kwijt te schelden.(...) We kregen allen zowel vermindering dat we op twee derde van onze oorspronkelijk straf kwamen te staan zodat men ons het resterende derde gedeelte met voorwaardelijke invrijheidstelling kon sturen. Er was dus geen sprake van dat we amnestie kregen. Nog twee jaar en vier maanden  zouden we onder regeringstoezicht komen te staan  
Van het departement van justitie kwam een ambtenares om over de op te leggen voorwaarden te spreken. Deze waren nu wel te dragen maar toch schuilde er wel iets aparts in. De eerste luidde 'Stipte gehoorzaamheid aan de toezichthoudster', de tweede was: 'De woonplaats niet metterwoon verlaten zonder haar voorkennis' en de derde en voornaamste, 'De voorwaardelijk in vrijheid gestelde zal geen werk aanvaarden zonder met de ambtenares daarover gesproken te hebben'. Dit natuurlijk met het oog op aanvaarden van een betrekking van een niet door de regering gewenste zijde. Ook werd ons verboden over de zaak, en meer speciaal de berechting van de zaak van de Zeven Provinciën met anderen dan familieleden te spreken. Wanneer de pers zich wederom op die zaak wierp, zouden tegen ons maatregelen genomen worden. Ik voelde dat direct als een gevaar en tevens als een onbillijkheid aan en weigerde dan ook om daarop mijn woord te geven. Het kon immers zijn dat we door de omstandigheden gedwongen de zaak openbaren zouden en dan waren wij het kind van de rekening. Om dat te ontgaan verzocht ik een speciale voorwaarde in mijn paspoort op te doen nemen 'dat het houder dezes verboden was om over de zaak van de Zeven Provinciën te spreken'. Aanvankelijk zou dat doorgaan, maar later kwam van departementszijde af dat hierom begrijpelijke reden! - niet werd ingegaan! Het werd ons daarop niet officieel verboden, doch het meergenoemde 'maatregelen nemen' bleef van kracht. Enfin we hadden verbazend weinig keus en overigens waren we veel te blij om de vrijheid in te gaan. Dagen van ontzettende zenuwspanning volgden. Zou het vandaag afkomen, zou het voor zondag nog gebeuren, dat waren de martelende vragen van de dag. Eerlijk gezegd hebben mijn overigens drie jaren gevangenisstraf niet zolang geduurd als die paar weken voor onze invrijheidstelling. We hadden op de dag dat het voor de radio bekend gemaakt werd, al een groot aantal brieven en telegrammen gekregen maar des te groter was de teleurstelling. Toch kwam dan ten langen leste de dag. (...) Wij hadden in deze gevangenis twee jaar en vijf maanden doorgebracht! !

Hoofdstuk 10 Vrij

Toen het ogenblik aanbrak dat we uit elkaar moesten, her en derwaarts door Nederland verspreid, hadden we een brok in de keel. Van vele van deze jongens hielden we meer als broeders, en het valt dan hard om te moeten scheiden. Nooit kan men elkaar beter leren kennen en ... waarderen dan juist in gevangenschap.(...)
Eerst in de vrijheid leek onze straf pas te beginnen. De ene werkgever wilde geen agitator in dienst hebben, terwijl de andere weer tegen de ondergane gevangenisstraf opzag. Zeker, de dame die over ons het toezicht uit moest oefenen deed haar uiterste best om voor ons een passende betrekking te vinden, maar mede met het oog op de tijdsomstandigheden, wilde het haar, op een enkele uitzondering na, maar slecht gelukken. Kreeg er dan al eens een van ons bezigheid, dan was het loon altijd een heel eind beneden het normale en werd het nog ten strengste verboden om ooit over het feit te reppen dat men op de Zeven Provinciën gevaren had. Een van ons wilde als matroos gaan varen, doch wanneer hij dan in Indië zou komen was het hem niet geoorloofd daar aan de wal te komen! Voor een rijks- of gemeentebetrekking kwamen we nimmer meer in aanmerking en tot overmaat van ramp kregen we ook nog te horen, dat al onze pensioenjaren weg waren en er zelfs geen sprake was van uitgesteld pensioen. Nimmer hebben we premievrij pensioen gehad dus is al het gestorte geld voor niets geweest. In de loop der jaren was dit tot een aardig bedrag opgelopen, doch men denkt er niet aan om ook maar een gedeelte van dit geld aan ons te restitueren. Voor sommigen van ons liep dat in de vijftien, zestien jaren!
Men kan natuurlijk wel opmerken dat er moed gehouden dient te worden, men het hoofd zeker niet behoort te laten zakken, maar er is aan alles een grens en velen van ons - waaronder ook ik - hebben in onze moeilijkste ogenblikken in gevangenisschap nog niet zo'n moedeloos gevoel gehad als juist in onze 'vrijheid'. De gekste dingen werden je verteld ten aanzien van de lui van de Zeven Provinciën en het is mede daarom dat ik hierover het een en ander heb te boek gesteld. Moge het gedienstig zijn om velen de ogen te openen; moge het er toe medewerken om een helderder kijk te leren krijgen op sommige 'politieke processen', maar vooral en dit het meest: Moge het er toe bijdragen om anders te leren oordelen over de indertijd als 'halsmisdadiger ' afgeschilderde 'Jongens van de Zeven Provinciën'.

WIERINGEN, oktober 1937.

P.S.
Samenvatting van data die ik heb kunnen opmaken uit het verslag van Boshart, waarin weinig specifieke data worden weergegeven:

4 -10 februari 1933. Muiterij Zeven Provinciën. Arrestatie Boshart. Wordt met het schip Orion vervoerd naar het eiland Onrust bij Batavia
Februari 1933 - oktober 1933. Eiland Onrust. Verblijf 9 maanden.
October 1933- februari 1934. Gevangenis op het eiland Madoera. Verblijf 3 maanden.
Februari -maart 1934. Huis van Bewaring Struiswijk bij Batavia voor berechting Militaire Gerechtshof
Maart 1934 -juni 1935. Strafgevangenis 'Soeka Miskin' in Bandoeng. Verblijf 3 maanden.
Juni 1934.  Met stoomschip Christiaan Huygens van Tandjoeng Priok naar Vlissingen
Juni/juli 1934 - herfst 1936. Strafgevangenis Leeuwarden. Verblijf twee jaar en vijf maanden.