Maud Boshart's verhaal over zijn deelname aan de muiterij op de Zeven Provinciën

Maurits (Maud) Boshart (1905-1964)
Van het relaas dat Maud Boshart, na zijn vrijlating uit de
Leeuwardense gevangenis in 1937, heeft geschreven heb ik uitsluitend die
fragmenten gekozen, die die gaan over zijn gevangenis tijd en vooral op de manier waarop hij werd
behandeld en hij net als Barbertje moest hangen. Er bestaan vele versies over
zijn rol tijdens de muiterij. Het witboek van de regering (1934), het boek van Mollema
(1934),
het proefschrift van Blom in drie achtereen volgende drukken(1975, 1983, 2005) en het artikel van Elly Touwen-Bouwsma
(2003). Vast staat in ieder geval, dat het initiatief voor de muiterij
is genomen door leden van de Inlandse bemanning. Misschien is de rol van Boshart waarschijnlijk iets belangrijker
geweest dan
Boshart zelf schetst. Hij heeft wel gesympathiseerd met de muiterij, maar heeft
steeds geprobeerd te bemiddelen tussen de officieren en de muiters om daarmee
een bloedbad te voorkomen. Dat dit niet gebeurd is moet voor een groot deel aan
hem worden toegeschreven. Dat hij echter als een van de aanstichters moet worden
gezien is volgens mij ten enenmale onjuist. De muiterij moet gezien worden in
het licht van het groeiend opkomend nationalisme in Nederlands Indië. De
Nederlandse overheid heeft er alles aan gedaan om dit voor de buitenwereld
geheim te houden. Dit moge onder meer blijken dat Boshart de zwijgplicht kreeg
opgelegd. Men wilde nu eenmaal dat Boshart de belangrijkste hoofdschuldige
was en moest blijven. De laatste zin van de inleiding door H.J.A. Hofland geeft
goed weer zijn motief om in 1978 het verhaal van Boshart aan de vergetelheid te
ontrukken:
"Het is treurig dat Bosharts manuscript niet meteen na voltooiing een uitgever
heeft gevonden. Het is jammer dat ook nog na de oorlog het zolang niet
mogelijk was, het op een behoorlijke manier te publiceren. Want eigenlijk wordt
Boshart met deze uitgave - hoe gelukkig die op zichzelf ook is - te laat recht
gedaan.".
Op internet is een artikel over de muiterij van Boshart te vinden dat
hij schreef in het familieblad "De Uilenspiegel" van 3 februari 1963.
Antiquarisch is de uitgave van H.J.A. Hofland. Maud Boshart en de muiterij op
de Zeven Provinciën. Contact Tijdsdocumenten ISBN 906019 5728 te bestellen
Nu 28 jaar later, met de mogelijkheid van het internet, wil ik ook op mijn manier recht doen aan deze Maud Boshart door gedeelten uit zijn verhaal af te drukken.
Hoofdstuk 4 Onrust

Het eiland Onrust voor de kust van Batavia
(...) Morgens in de vroegte werden we vanaf de Orion in een sloep geladen [allen zwaar geboeid] en door een motorsloep gebracht naar de wal.(...)...Aan de kade gekomen moesten we ons tussen twee rijen van inlandse soldaten opstellen, allen met in de ene hand de getrokken klewang, in de andere de geladen karabijn. Gedurende ruim een jaar zouden we niet anders dan op deze wijze begeleid worden. Alvorens af te marcheren werden ons een aantal dingen voorgelezen, die wanneer je er aanleg voor bezat, 'n mens de haren ten berge hadden doen rijzen. De barakken bestonden uit een manshoog opgetrokken muurtje, bedekt met gegalvaniseerde platen. Tussen het muurtje en het 'dak' bevond zich een ruimte van ongeveer een halve meter, geheel afgezet met doorééngewoeld prikkeldraad. Wanneer men - zo luidde het bevel - door deze ruimte kijkt, wordt men onmiddellijk neergeschoten. Bij lawaai maken in de barak of luid spreken of lachen wordt zonder waarschuwen een handgranaat geworpen. 's Morgens bestaat gelegenheid de kapitein te spreken te vragen; dit gebeurt alleen door een door jullie aan te wijzen oudste. Te dien einde roept die man 'wachtcommandant' waarop de deur van de barak zal worden geopend. Met in de hoogte gestoken handen loopt dan de barakscommandant vier passen naar voren terwijl de rest zich zover mogelijk in de barak terugtrekt. Er werd nogmaals uitdrukkelijk gezegd dat er absoluut niet zou worden gewaarschuwd, en dat de schildwachten zonder mankeren een ieder neer zouden leggen die zich niet aan de orders hield. (...)

Muiters worden binnengebracht in het gevangenkamp op het eiland Onrust
En om de twee uur werd de schildwacht maar afgelost en om de twee uur kreeg ik maar iri het Maleis te horen 'Als hij de muur aanraakt, schieten. Als hij tegen je probeert te praten, schieten. Als hij de tralies aanraakt, schieten. Als hij over de witte streep komt, schieten'. En zo ging dat maar door. Des nachts kon men geen oog dicht doen van het gestamp van de met ijzer beslagen schoenen van de soldaten; maar ook dat wende op de duur! Wat me echter in die dagen het meest griefde was, dat men absoluut geen gelegenheid kreeg te baden. In Indië is het een gebiedende eis om tenminste eens per dag een bad te nemen, doet men dit niet dan is een spoedige huidinfectie hiervan het gevolg. Zo kregen we dus de eerste vijf dagen van onze gevangenschap geen bad. Ook niet een beetje water om het gezicht 's morgens te wassen. 0 hooggeroemde Hollandse zindelijkheid; was het op de 'Muiters' niet van toepassing? (...)
Er was weinig, zo in 't geheel geen sprake van een onpartijdig onbevooroordeeld onderzoek. Inlanders, die om een of andere reden geen verklaring wilden ondertekenen, werden door middel van hongerkuren aan deze ondertekening herinnerd. Zelf heb ik gezien hoe een inlandse olieman drie maal 24 uur de noodzakelijke spijze onthouden werd. Met een van hen deelde ik mijn ochtendbrood op gevaar af om neergeschoten te worden, wanneer het bemerkt was geworden. Geboeid, met de handen op de rug, zonder enige bedekking of ligging in een betonnen cel, met een vinnig opkomende natte moesson, lagen die mensen daar. Een andere Hollandse 'Third degree' was, een met krijt op de vloer getrokken vierkant, daarin een mens, handen achter de rug geboeid, van des morgens vroeg tot 's avonds laat, en daarbij noch zitten, noch liggen, noch op enigerlei andere wijze steun zoeken. Een buitengewoon wrede marteling! Voor het eventueel steunen door het slachtoffer waakte met argusogen een met klewang en karabijn gewapende inlandse soldaat. Deze behandeling ondergingen die mensen vóór het wachtlokaal. Dat dergelijke dingen niet in de buitenwereld bekend werden, droeg men de uiterste zorg voor. Persoonlijk heb ik gezien dat op een vissersprauw werd geschoten, die volgens de kapitein van het detachement Koloniale troepen te dicht bij het eiland kwam. Het zogenaamde 'luchten' geschiedde aanvankelijk tweemaal per dag gedurende een uur. Een mitrailleur was opgetuigd en voortdurend bevond zich daar een soldaat bij op post; om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn, zat reeds een band met scherpe patronen in het wapen. Vier schildwachten volgden voortdurend de bewegingen van de gevangenen, daarbij hun karabijn in de aanslag houdend. Dat zoiets op den duur buitengewoon enerverend werkte zal een ieder duidelijk zijn! (...)

Verhoor van de gevangen muiters op Onrust
Onwillekeurig vraagt de lezer zich misschien af, met wat voor doel toch de vervolging klaarblijkelijk tegen mij persoonlijk ingesteld werd. Dit zat als volgt in elkaar. Het mocht en kon in Indië niet van algemene bekendheid worden dat de muiterij van de Zeven Provinciën uitsluitend inlands initiatief en uitvoering was geweest. Het superioriteitsgevoel dat daarvan voor de gehele inlandse bevolking het gevolg zou zijn geworden bracht consequenties met zich, waarvan de gevolgen niet te overzien waren:om echt met redelijke kans van slagen de Europeanen als de moreel schuldigen meer speciaal als de 'corpi intellectuali' te kunnen beschuldigen was het noodzakelijk mij als de man voor het gebeurde verantwoordelijk te stellen. Ik ben er nu nog van overtuigd dat, wanneer men de officieren geen beklaagden had gemaakt, zij zich ook niet achter ons hadden trachten te dekken. Toen ook zij echter verantwoording af moesten leggen kon niemand van hen zeggen dat het voor hen vast stond dat de Europeanen niet anders dan door de omstandigheden gedwongen aan deze zaak hadden deelgenomen. (...)
Na enige weken in de oude Portugese kazerne doorgebracht te
hebben werd ik naar een andere hoek van het eiland getransporteerd waar men in
allerijl een barak voor eenzame opsluiting cellen had ingericht. Stel u voor een
vijftien tal cellen uniform van een afmeting van twee passen breed en drie lang.
De wanden waren van steen, vloer van beton en de voorkant was tralies met een
zeer klein deurtje erin. Een krib en een 'noodzakelijk iets' vormden het
ameublement. Ik stel me voor dat het hele geval op de toeschouwer onwillekeurig
de indruk van een apenkooi moest maken. Dag en nacht liep een schildwacht voor
deze cellen op en neer, aanvankelijk zelfs twee. Luchten kregen we daar niet.
'Lucht kwam genoeg door de tralies' werd gezegd. De eerste maanden liepen de
schildwachten met geweer in de aanslag. Toen echter weer eens een generaal van
zijn belangstelling in de gang van zaken blijk gaf en aan mij informeerde of ik:
'Wat te vràgen of te zâggen had' verzocht en kreeg ik als gunst dat de geweren
van de schildwachten dan in het vervolg niet gedurende de gehele dag op ons
zouden gericht blijven. Het baden was ook een buitengewoon hartverheffende
vertoning. Daar men natuurlijk 'geen enkel risico' mocht lopen kwamen er extra
soldaten om bij dit baden aanwezig te zijn. Het celletje werd dan opengemaakt,
de aspirant bader naar een kraan geleid waaruit een miserabel straaltje water
z'n uiterste best deed de naam van badgelegenheid te verdienen, en daar kon men
zich dan een weinig verfrissen. Dit alles echter onder voortdurend gerichte
karabijnen en getrokken klewangs. Later toen ik een ogenblikje per dag mocht
heen en weer wandelen, had ik eens het genoegen - toevallig kwam de volgende
wachtploeg op - om op de bovenomschreven manier te baden, omringd door acht -
niet minder dan acht - soldaten, twee korporaals en een sergeant. Ik begon toen
waarlijk zelf te geloven dat ik min of meer gevaarlijk was! Echter bezat ik een
gezegend gevoel voor humor dat mij beschermd heeft om gek te worden.
In deze cellen heb ik ongeveer acht maanden doorgebracht, zonder enige
bezigheid. Herhaalde malen heb ik zulks verzocht, doch dat werd nimmer
toegestaan. Spreken, zingen, fluiten, ja zelfs fluisteren was op straffe van de
kogel verboden. M'n enige afleiding was een familie ratten, die hun domicilie
hadden gekozen in een tegenover mijn cel staande waringin.
Na het voorlopig onderzoek volgde het vooronderzoek, geleid door de chef van de
politieke inlichtingen dienst te Batavia. Verhoren van zes, soms zeven uur en
dat dagen achtereen met het absolute gevoel voor een verloren zaak te strijden,
maakten je fysiek en psychisch kapot. Het ergste echter in de gehele gang van
zaken was, dat er verschillende groepen gevormd waren.
Hoofdstuk 5 Naar Madoera
Na ongeveer negen maanden in deze hel doorgebracht te hebben
werden de meeste van onze mensen met onbekende bestemming weggevoerd. Alleen
Kawilaran en ik zal zijnde de gevaarlijkste werden per motorboot baar Batavia
gebracht ((Boshart bedoelt met de hel het eiland Onrust). Na twee dagen
kwamen we op Madoera.(..) Met een motorsloep werden we naar de wal
gebracht en aanstonds kreeg ik een aardedonkere cel op dit eiland aangewezen.
Evenals Onrust was Soekolili - zo heette een in de nabijheid van onze
verblijfplaats gelegen kampong - een quarantainestation. Het bestond uit een
zwaar met prikkeldraad afgezet stuk land, omgeven door een kilometers lange muur
en naast elkaar een vijftien tal barakken. Elke barak was weer omgeven met
prikkeldraad en was voorzien van een klein stukje gras, waar men vrij op mocht
rondlopen. Op de vier hoeken stond een verhoogd schildwachthuisje zomede twee
van deze posten in de lengte van het terrein.(...)
Zo naderde de dag dat we ons voor de deelname aan de muiterij zouden moeten
verantwoorden. Reeds voor dag en dauw werden we gewaarschuwd dat we naar
Soerabaja moesten vertrekken en er was niemand van ons die niet naar het
ogenblik verlangde om eindelijk eens uit te kunnen spreken wat we al zo lang op
het hart hadden. Helaas zou er van uitspreken al bitter weinig komen! Op
dezelfde manier als enige weken geleden daarvoor de inlanders waren overgebracht
werden ook wij aan de vijf meter lange kettingen gesloten en per autobus naar
een sleepboot vervoerd die de Straat van Madoera overstak. We moesten allen - we
waren met zes man - plat op dek gaan zitten en aan elke zijde van ons werd een
met pistool en knuppel gewapende marinier gezet. Bovendien waren er nog een
aantal met geweren gewapenden. We zagen er uit of we zo juist een kolenbootje
gelost hadden, maar daar trokken onze bewakers zich al bitter weinig van aan.
Ook waren de kettingen waar we aan vast zaten rood van de roest, zodat onze
witte uniformen er al heel spoedig ontoonbaar uitzagen. In Soerabaja aangekomen
werden we per vrachtauto onder zwaar geleide naar de marinekazerne 'Goebeng'
gebracht en aldaar in het provoosthuis opgesloten. Een aardigheid van de
dienstdoende luitenant van de mariniers was, om enige malen per nacht inspectie
te maken. Men moest dan zijn bed uit, zich geheel aankleden en dan een poosje
blootstaan aan de grijnzende spotlach van bovengenoemd heer waarna men weer naar
bed kon gaan. De volgende dag werden we voor de krijgsraad geleid, welke zitting
had genomen in de ... gymnastiekloods! 0, ironie van het lot, de reuzenzwaaien
en lendetrekken waren er dan ook niet van de lucht! Publiek werd er niet
toegelaten, tenzij een officier. Voor de deuren bevonden zich met pistool en
klewang gewapende mariniers en op elke hoek van het terrein waren mitrailleurs
opgetuigd. Bovendien bevindt zich het gehele geval weer binnen de hekken van de
kazerne, waar zich ook aan alle zijden schildwachten bevinden. (...)Het verloop
van deze krijgsraadberechting? We waren bij het binnentreden van de zaal al
reeds veroordeeld, alleen moest het nog even uitgesproken worden. Het hielp niet
of we ons al op de omstandigheden beriepen, het hielp niet of we al zeiden dat,
wanneer de officieren het voorbeeld gegeven hadden, wij zeer zeker hadden
gevolgd. Niets hielp! Enige getuigen mochten we nog laten komen, maar de zaak
waar het nu eigenlijk om ging werd weinig of geen werk van gemaakt. Wij waren en
bleven de muiters! Vooral ik moest het ontgelden. Het was 'het gif van Boshart'
voor en na, de anti-gezagsman, de organisatieman enz. Volgens de officieren was
ik nu eens voor, dan weer tegen de zaak geweest en als er nog eens wat in mijn
voordeel te verhalen was, 'Kon men zich dat niet meer herinneren'. Het liep
gewoon in de gaten, dat blijkbaar een zeer groot gedeelte van de heren aan
geheugenverlies leed! Toen begon het toch te kras te worden en verzocht ik
alsnog te mogen horen die officieren, die mij zo geprezen hadden - toen ze nog
geen beklaagden waren - na het vallen van de bom. Of het juist was dat men mij
een hand gegeven had en mij een flinke kerel had genoemd? Zie, dat kon men zich
nooit meer herinneren! Toen een van deze getuigen even door een lid van de
krijgsraad op weg geholpen werd 'of hij misschien bedoeld had een flinke muiter'
greep hij met beide handen naar dit ezelsbruggetje! 'Sigaren gegeven? Kon wel
zijn. Stinkstokken wilden ze eerst over boord gooien, maar was niet onmogelijk
dat hij ze later aan de muiters gegeven had! De man waar ik mijn eigen leven
voor op het spel zette toen ik tussen hem en de geweren van de inlanders in ging
staan, draaide zich naar mij om, toen ik hem deze vraag stelde en voegde me
smalend toe 'Nou Boshart, je behoeft niet te poseren' hetgeen zichtbaar de
goedkeuring van het hoge college verwierf. Getuige De Wilde ontkende zo
hardnekkig - wederom onder ede - dat hij ooit tegen mij gezegd had dat we de
machines konden blijven draaien, dat ik besloot hem voor het Hoog Militair
Gerechtshof nogmaals aan de tand te voelen. Hij ontkende zelfs ooit met mij
tijdens de muiterij gesproken te hebben! En de enige getuige, bovendien de enige
getuige waarvan we overtuigd waren dat hij de waarheid zou spreken ... zat -
ongeneeslijk krankzinnig - in het gekkenhuis te Lawang. Wel werd een niet
beëdigde verklaring van hem voorgelezen die echter in alle opzichten zo
tegenstrijdig was dat ik er het mijne van dacht!
Onze verdediger deed zijn best; riep uit 'Dat hij met zulke mensen een fort zou willen bestormen' maar waar het nu eigenlijk om ging roerde hij angstvallig niet aan! Enfin, hoe het zij, er werd niets, maar dan ook in het geheel niets van ons aangenomen en de advocaatfiscaal eiste in totaal een gevangenisstraf van vijfenvijftig jaar voor zes jonge mensen. Ik ging met het leeuwenaandeel strijken ad 14 jaren. Doch dit staat als een paal boven water en zelfs onze ergste vijanden konden dat niet ontkennen, dat er geen spier van ons gezicht vertrok. Dat wij hen door onze houding het plezier van ons te zien krimpen ontnamen, want allen voelden we zuiver en klaar aan dat daar geen gerechtigheid meer geschiedde; dat daar een comedie werd opgevoerd zo schrijnend belachelijk, dat een inwendige stem ons troostte 'trek je er maar niets van aan jongen, toch zal het recht zegevieren! '
Het was 6 december 1933 dat we met deze Sint Niklaasverrassing op Madoera terugkeerden. We zouden tien dagen later vernemen wat men verder besloten had met ons te doen.(...)
Op 14 december werden we gehaald om de uitslag van de zeekrijgsraad te vernemen. Hetzelfde toneel met vrijwel dezelfde spelers! Na rijp beraad had men dan besloten om allen - met uitzondering van twee mensen, die door bemiddeling van de vlootpredikant al reeds op Onrust in vrijheid waren gesteld - het recht te ontnemen om ooit weer bij de gewapende macht te mogen dienen. Verder werden de beklaagden veroordeeld respectievelijk tot zestien, twaalf, tien, acht, zes en vier jaren gevangenisstraf.(...)
De overwegingen van de krijgsraad luidden ongeveer dat het gebleken was dat de beklaagden zich aan muiterij aan boord van een oorlogsschip hadden schuldig gemaakt, en dat tijdens die muiterij geen onmiddellijke hulp te verkrijgen was [verzwarend feit!]. Dat speciaal Boshart in deze muiterij een dominerende rol gespeeld had, voorgevende ten bate van het algemeen belang te hebben gehandeld, doch dat daarvan de krijgsraad niets gebleken was. Dat weliswaar de voorbereiding tot de zaak door de inlanders was geschied, maar dat de beklaagden - en weer speciaal Boshart - door hun voortdurende ageren tegen het gezag moreel verantwoordelijk voor de muiterij moestep worden geacht! Ook had ik de heer De V. v. S. (A.N. baron de Vos van Steenwijk) opzettelijk met een pistool bedreigd en van een poging tot gezagsherstel door mij was de krijgsraad niets gebleken. (...)
Hoofdstuk 6 Naar Batavia: Struiswijk,eis en uitspraak van het Hoog Militair Gerechtshof
Nadat de gehele zaak een viertal dagen in beslag genomen had, sprak de advocaat-generaal zijn eisen als volgt uit. De zwaarst gestrafte kreeg twaalf jaar, dan volgde iemand van negen, nogmaals negen, zes, nog iemand van zes, twee van anderhalf jaar en één van één jaar. De uitspraak werd bepaald op 2 maart 1934. In optocht werden we weer gevangeniswaarts geleid en het klinkt misschien cynisch, maar op den duur gaat zo een hele geschiedenis een mens al bitter weinig aan. De voortdurende wetenschap 'dat Barbertje toch moet hangen', mist op den duur zijn uitwerking niet. Bovendien is dat maar gelukkig ook, want anders zou men waanzinnig geworden zijn van het tevergeefs in opstand komen. (Het toneelstuk over Barbertje geschreven als inkleding van Max Havelaar door Multatuli (alias Douwes Dekker) staat onder deze link : Barbertje moet hangen)
Blijkbaar had men van het Hoog Militair Gerechtshof ook wel ingezien dat er toch wel het een en ander aan mankeerde want toen we op 2 maart de uitslag van onze zaak moesten gaan halen, waren ook de eisen van de advocaat-generaal belangrijk verminderd. Hier volgt een deel van de overweging tot veroordeling voor zover het mijzelf betreft: 'Dat naar 's Hofs oordeel beklaagde niet heeft afgeweten van het plan tot muiterij, althans niet tot zeer kort vóór het uitspreken van het misdrijf; dat hij nimmer de bedoeling gehad heeft tegen de officieren daadwerkelijk met geweld van wapenen op te treden; terwijl hij min of meer verrast door de gebeurtenissen is overvallen en meegesleept en het college hierin aanleiding vindt ten aanzien van deze beklaagde de hoofdstraf enigermate te verlichten.' 'Wat ten aanzien van beklaagde Boshart als een zeer strafverzwarende omstandigheid moet worden aangemerkt, dat hij door het voortdurend zaaien van ontevredenheid, het opwekken van onwettige actie en het aansporen van inlandse en Europese schepelingen in belangrijke mate verantwoordelijk moet worden geacht voor 'de sfeer waarin een en ander kon plaats vinden', zodat oplegging van een zware vrijheidsstraf noodzakelijk is, doch anderzijds het hof rekening houdt met de omstandigheid dat de actie 's van de Marine Bonden - hoera! - een ongunstige invloed hebben uitgeoefend. Dat voorts het college bij de bepaling van de aan deze beklaagde op te leggen hoofdstraf enigermate in aanmerking wil nemen dat beklaagde Boshart reeds op 5 februari kennelijk de ernst van zijn misdrijf heeft ingezien, krachtige pogingen heeft aangewend om de inlandse leiders van de muiterij de commandant aan boord te doen nemen en een einde aan het misdadig bedrijf te maken, en voorts, dat hij krachtdadig is opgetreden tegen het bezigen van geweld tegen de officieren en loyale schepelingen hetgeen in het bijzonder in het getuigenverhoor in hoger beroep is komen vast te staan.' Maar toch kreeg ik tien jaar. Toch werden de mooiste jaren van mijn leven afgenomen. Toch had ik - onwettige actie - gewild. Toch was ik de leider van de muiterij; ik, niemand anders, was verantwoordelijk 'voor de sfeer waarin een en ander kon plaats vinden', Van de order om de wacht in de machinekamer te lopen werd gezegd 'dat de beklaagden moesten weten dat geen officier bevoegd is om toestemming te geven tot het plegen van een misdrijf'.
We waren voor de krijgsraad vrijgesproken van het verzwarende feit 'dat de korporaals onder de beklaagden hadden gehandeld in deelneming van militairen van mindere rang' doch voor het Hoog Militair Gerechtshof werden we ook hiervoor nog veroordeeld. En toch gingen we allen met onze straffen naar beneden, ik zelfs zes jaar. Wonderlijk; we snapten er toen helemaal niets meer van. Ik herhaal, als we voor onze zaak cassatie hadden kunnen verkrijgen had er nog veel meer aan het licht gekomen! Nu was er dan een einde aan deze hele droevige geschiedenis. Nederland kon weer rustig ademhalen en aan het recht was voldaan! Het is echter eigenaardig, maar tot op heden kan ik nog maar niet het gevoel krijgen dat ons werkelijk recht geschiedde.
Hoofdstuk 7 Naar Bandoeng

Soeka Miskin gevangenis in Bandoeng
In de loop van die week kregen we de mededeling dat we zouden
worden gezonden naar de strafgevangenis 'Soeka Miskin' te Bandoeng in afwachting
van opzending naar Bandoeng (...) Na ongeveer drie maanden in Bandoeng te hebben
doorgebracht werd ons op zekere dag medegedeeld dat we ons gereed moesten houden
om naar Holland opgezonden te worden. In begin juli had dat dan ook werkelijk
plaats. (...)
In de Indische bladen verscheen een mededeling dat 'de leider Boshart' streng
zou worden geïsoleerd, zulks zeker met het oog hierop, dat men anders geen
passagiers kreeg voor de Christiaan Huygens.
Hoofdstuk 8 Naar Holland
De directeur zowel als de
adjunct-directeur namen persoonlijk afscheid van ons en gaven onomwonden te
kennen dat het dan wél mogelijk was dat we muiters en als zodanig
staatsgevaarlijk konden zijn doch dat zij voor zich aan ons verblijf te Soeka
Miskin niet anders dan de meest prettige herinneringen zouden blijven behouden.
Zoiets geeft 'de burger moed' nietwaar? De avond voor ons vertrek werden we naar
het huis van bewaring te Bandoeng overgebracht om de volgende morgen in alle
vroegte per trein naar de aanlegsteiger te Tandjoeng Priok te worden vervoerd.
Een enorme mensenmassa was op de been om toch maar een glimp van die
verschrikkelijke kerels op te kunnen vangen. Deze film ging echter niet door
daar we in een goederenloods gereden werden en direct daarvandaan aan boord
gebracht. Een groot aantal mariniers, allen natuurlijk zwaar gewapend, onder
aanvoering van een kapitein namen ons in ontvangst en daar ging het spul. (...)
Aanstonds werden we in de hutten van de vierde klasse gesloten, die speciaal
voor dit doel als cellen waren ingericht. Wonder boven wonder werd ik niet
geïsoleerd van mijn makkers, doch samen met een vriend van mij in een
tweepersoonshut gezet. Ons rookgerei, geld en alles wat maar enigszins waarde
had, werd ons afgenomen en een ijselijke ceel bevelen werd ons in persoon door
de kapitein aanvoerder van het stel, voorgelezen. Schieten, geweld voor dit en
geweld bij dat voerden de boventoon bij 's mans betoog. Onnodig te zeggen dat we
voor dergelijke dingen zo langzamerhand immuun geworden waren. We kregen
gelegenheid om handdoek, zeep en dergelijke uit onze koffers te halen, doch op
ons verzoek om dan even van de boeien bevrijd te mogen worden werd afwijzend
beschikt. Nu waren we met één boei aan elkaar geklonken - linkerpols van de één
aan rechterpols van de ander - dus men kan nagaan wat een vreselijk gemartel het
was om op die manier uit een volle koffer met kleren het benodigde te zoeken.
Bij al deze bedrijven werden we ijverig door een achttal mariniers onder
aanvoering van een sergeant en een luitenant, op de vingers gekeken.
Scheergereedschap was ten strengste verboden en officieus werd ons medegedeeld
dat we één dag voor aankomst te Holland gelegenheid zouden krijgen om onze
respectabele baarden te mogen krabben. (...) Het luchten ging eveneens twee aan
twee geboeid en geschiedde voor op het schip achter stalen laadmatten. Blijkbaar
vreesde men dat een van de jongens over boord zou springen. Een officier, een
sergeant, twee korporaals en een tiental mariniers vormden de bewaking. Een van
deze officieren had de misselijke gewoonte om in ons bijzijn altijd met zijn
pistool te lopen geuren. De man had er twee om zijn buik hangen. Eén
dienstrevolver en één particulier wapen. De kinderachtigste dingen werden
aangewend om ons het leven te verbitteren. Zo mochten we tegen niemand van de
bemanning groeten en toen één van ons onwillekeurig 'Goedemorgen' terug
beantwoordde op dezelfde groet van een der matrozen aan boord werd
ogenblikkelijk een dag luchten van ons ingehouden(...) We wisten ook niet waar
we naar toe zouden gaan en allerlei veronderstellingen deden de ronde. Toen een
of andere snuggerling opmerkte 'dat we vast en zeker naar Leeuwarden gestuurd
werden' werd hij sterk gehoond. Wat! De gevangenis te Leeuwarden? Zou men niet
schromen om ons en onze familieleden ook dát nog aan te doen? Nee, dat geloofden
we geen van allen. Maar ondertussen passeerden we toch maar
achtereenvolgens Hoek van Holland, Scheveningen, IJmuiden en op het laatst Den
Helder. We zetten koers naar Harlingen en we begrepen dat men inderdaad de
ongelooflijke schofterigheid zou hebben om ons op één lijn te stellen met
Wijkstra's *) en dergelijken! Des nachts om twaalf uur meerden we in de haven van
Harlingen. 's Middags hadden we een beetje eten gehad en verder zaten we van des
nachts één uur tot de volgende nacht twaalf aan elkaar geboeid in een
benauwd voorondertje van een loodskotter met ruwe zee. Dat deed werkelijk de
deur dicht!
*) IJe Wijkstra. In januari 1929 schoot hij in het Groningse Doezum, gemeente
Grootegast vier politiemannen dood. Hij werd veroordeeld tot levenslange
gevangenisstraf.
Hoofdstuk 9 Leeuwarden
Door een vijftiental marechaussees, vervaarlijk met hun wapens
rinkelend, werden we overgenomen. We werden man voor man geboeid, na eerst
geïnformeerd te hebben wie Boshart was. Ik kreeg de machtigste van al deze
machtige gestalten als begeleider aangewezen. Onnodig te zeggen dat het afscheid
van onze vorige bewakers geen tranen kostte. In een geblindeerde autobus zou de
reis van Harlingen naar Leeuwarden gemaakt worden en eerlijk gezegd verlangden
we allen sterk naar het ogenblik dat de deur van de cel achter ons dicht zou
slaan en we dan eindelijk eens rust zouden krijgen. In elk plaatsje waar we
midden in de nacht passeerden, was nog een belangrijke politiemacht op de been
en voorafgegaan door een particuliere auto met nog een of andere autoriteit
arriveerden we eindelijk voor de Nederlandse 'Sing-Sing'. Een middeleeuwse poort
werd met steunend geknars ontsloten en na een soort plein overgestoken te zijn
kwamen we voor een tweede poort. Dit onmogelijk zware ding ging eveneens op haar
hengsels draaien en we kregen bevel om uit te stappen. Door de directeur, zijn
rechterhand de adjunct-directeur, de huismeester en nog een aantal mindere
goden, werden we in ontvangst genomen.(...)
Echter brak toch op een gegeven moment het grote ogenblik aan.
Er werd ons medegedeeld dat de Hare majesteit de koningin behaagd had bij
gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard aan de mensen
van de Zeven Provinciën een zeer groot gedeelte van hun straf kwijt te schelden.(...) We kregen allen zowel vermindering dat we op twee
derde van onze oorspronkelijk straf kwamen te staan zodat men ons het resterende derde
gedeelte met voorwaardelijke invrijheidstelling kon sturen. Er was dus geen
sprake van dat we amnestie kregen. Nog twee jaar en vier maanden zouden we
onder regeringstoezicht komen te staan
Van het departement van justitie kwam een ambtenares om over de
op te leggen voorwaarden te spreken. Deze waren nu wel te dragen maar toch
schuilde er wel iets aparts in. De eerste luidde 'Stipte gehoorzaamheid aan de
toezichthoudster', de tweede was: 'De woonplaats niet metterwoon verlaten zonder
haar voorkennis' en de derde en voornaamste, 'De voorwaardelijk in vrijheid
gestelde zal geen werk aanvaarden zonder met de ambtenares daarover gesproken te
hebben'. Dit natuurlijk met het oog op aanvaarden van een betrekking van een
niet door de regering gewenste zijde. Ook werd ons verboden over de zaak, en
meer speciaal de berechting van de zaak van de Zeven Provinciën met anderen dan
familieleden te spreken. Wanneer de pers zich wederom op die zaak wierp, zouden
tegen ons maatregelen genomen worden. Ik voelde dat direct als een gevaar en
tevens als een onbillijkheid aan en weigerde dan ook om daarop mijn woord te
geven. Het kon immers zijn dat we door de omstandigheden gedwongen de zaak
openbaren zouden en dan waren wij het kind van de rekening.
Om dat te ontgaan verzocht ik een speciale voorwaarde in
mijn paspoort op te doen nemen 'dat het houder dezes verboden was om over de
zaak van de Zeven Provinciën te spreken'. Aanvankelijk zou dat doorgaan, maar
later kwam van departementszijde af dat hierom begrijpelijke reden! - niet
werd ingegaan! Het werd ons daarop niet officieel verboden, doch het
meergenoemde 'maatregelen nemen' bleef van kracht. Enfin we hadden verbazend
weinig keus en overigens waren we veel te blij om de vrijheid in te gaan. Dagen van ontzettende zenuwspanning
volgden. Zou het vandaag afkomen, zou het voor zondag nog gebeuren, dat waren de
martelende vragen van de dag. Eerlijk gezegd hebben mijn overigens drie jaren
gevangenisstraf niet zolang geduurd als die paar weken voor onze
invrijheidstelling. We hadden op de dag dat het voor de radio bekend gemaakt
werd, al een groot aantal brieven en telegrammen gekregen maar des te groter was
de teleurstelling. Toch kwam dan ten langen leste de
dag. (...) Wij hadden in deze gevangenis twee jaar
en vijf maanden doorgebracht! !
Hoofdstuk 10 Vrij
Toen het ogenblik aanbrak dat we uit
elkaar moesten, her en derwaarts door Nederland verspreid, hadden we een brok
in de keel. Van vele van deze jongens hielden we
meer als broeders, en het valt dan hard om te moeten scheiden. Nooit kan men
elkaar beter leren kennen en ... waarderen dan juist in gevangenschap.(...)
Eerst in de vrijheid leek onze straf pas te beginnen. De ene
werkgever wilde geen agitator in dienst hebben, terwijl de andere weer tegen
de ondergane gevangenisstraf opzag. Zeker, de dame die over ons het toezicht
uit moest oefenen deed haar uiterste best om voor ons een passende betrekking
te vinden, maar mede met het oog op de tijdsomstandigheden, wilde het haar, op
een enkele uitzondering na, maar slecht gelukken. Kreeg er dan al eens een van
ons bezigheid, dan was het loon altijd een heel eind beneden het normale en
werd het nog ten strengste verboden om ooit over het feit te reppen dat men op
de Zeven Provinciën gevaren had. Een van ons wilde als matroos gaan varen,
doch wanneer hij dan in Indië zou komen was het hem niet geoorloofd daar aan
de wal te komen! Voor een rijks- of gemeentebetrekking kwamen we nimmer meer
in aanmerking en tot overmaat van ramp kregen we ook nog te horen, dat al onze
pensioenjaren weg waren en er zelfs geen sprake was van uitgesteld pensioen.
Nimmer hebben we premievrij pensioen gehad dus is al het gestorte geld voor
niets geweest. In de loop der jaren was dit tot een aardig bedrag opgelopen,
doch men denkt er niet aan om ook maar een gedeelte van dit geld aan ons te
restitueren. Voor sommigen van ons liep dat in de vijftien, zestien jaren!
Men kan natuurlijk wel opmerken dat er moed gehouden dient te
worden, men het hoofd zeker niet behoort te laten zakken, maar er is aan alles
een grens en velen van ons - waaronder ook ik - hebben in onze moeilijkste
ogenblikken in gevangenisschap nog niet zo'n moedeloos gevoel gehad als juist in
onze 'vrijheid'. De gekste dingen werden je verteld ten aanzien van de lui van
de Zeven Provinciën en het is mede daarom dat ik hierover het een en ander heb
te boek gesteld. Moge het gedienstig zijn om velen de ogen te openen; moge het
er toe medewerken om een helderder kijk te leren krijgen op sommige 'politieke
processen', maar vooral en dit het meest: Moge het er toe bijdragen om anders te
leren oordelen over de indertijd als 'halsmisdadiger ' afgeschilderde 'Jongens
van de Zeven Provinciën'.
WIERINGEN, oktober 1937.
P.S.
Samenvatting van data die ik heb kunnen opmaken uit het verslag van Boshart,
waarin weinig specifieke data worden weergegeven:
4 -10 februari 1933. Muiterij Zeven Provinciën. Arrestatie Boshart. Wordt met
het schip Orion vervoerd naar het eiland Onrust bij Batavia
Februari 1933 - oktober 1933. Eiland Onrust. Verblijf 9 maanden.
October 1933- februari 1934. Gevangenis op het eiland Madoera. Verblijf 3
maanden.
Februari -maart 1934. Huis van Bewaring Struiswijk bij Batavia voor berechting
Militaire Gerechtshof
Maart 1934 -juni 1935. Strafgevangenis 'Soeka Miskin' in Bandoeng. Verblijf 3
maanden.
Juni 1934. Met stoomschip Christiaan Huygens van Tandjoeng Priok naar Vlissingen
Juni/juli 1934 - herfst 1936. Strafgevangenis Leeuwarden. Verblijf twee jaar en
vijf maanden.