Levensloop van Alfred de Booy (1901-1997).

1901 29 mei wordt Alfred de Booy geboren te Buitenzorg . Zijn ouders zijn Hendrik de Booy en Hilda Gerarda Boissevain

Geboorteadvertentie van Alfred de Booy ( In de burgerlijke stand zijn de leden van de familie de Booij allen ingeschreven met aan het eind van hun naam een lange ij, maar  vrijwel iedereen van onze familie gebruikt de schrijfwijze met een Griekse y aan het eind. Om verwarring te voorkomen hou ik me maar vast aan de foutieve schrijfwijze. Waarschijnlijk komt het door hun vele contacten als zeeofficieren met Engels sprekende mensen en  was een schrijfwijze met een grieke Y  meer voor de hand liggend)

Hier volgen een aantal jeugdfoto's: van Alfred (Alfie genoemd)

Links: 1902 genomen in  Buitenzorg, Indië. Midden: 1907 in Amsterdam. Rechts: 1909 op weg naar de Nieuwe Schoolvereniging van Cornelis Vrij in Amsterdam

1905  12 maart wordt Olga Emily de Booy, het zusje van Alfred, geboren

                                       Olga Emily de Booy

1909 Uit het dagboek van zijn vader Hendrik (Han) de Booy : "3 dec. Voor tafel grote vechtpartij tussen Tom (2 jaar oudere broer) en Alfi.  Laatstgenoemde wordt er op school van beschuldigd dat hij Piet Muntendam zou verteld hebben dat St. Nicolaas niet bestaat. Hij ontkent het echter ten stelligste. Vandaar ontevreden stemming en vechtpartij, waarbij hij Tom de lampetkan naar het hoofd heeft gegooid. De verhouding tussen Tom en Alfi is niet zoals ik die zou wensen, d.w.z. Tom is niet vertrouwelijk genoeg met Alfi, heeft niet genoeg invloed op hem. Alfi is soms raadselachtig, maar een ventje waar heel veel bij zit".

1910 . Uit het dagboek van zijn vader Hendrik de Booy blijkt dat de stuurmanskunst van de jonge Alfred te wensen overlaat wanneer ze met hun boot gaan varen op de Zuiderzee: "Alfred stuurde de Mavourneen tegen een sluiswand , een stuk steen viel bij ons op dek".

    De zeilboot "Mavourneen                                Alfred als stuurman van de  "Mavourneen"

28 febr. Dagboek Vader: " Diepenbrock (componist) gesproken die er zeer verbaasd over is dat wij Alfred viool willen laten leren. Waarom? vraagt hij dan, echt op z'n Diepenbrocks.
6 maart Ontmoeten Lorentz, den man die het eerst het Sneeuwgebergte van Nieuw Guinea heeft bestegen. Een gezellige aardige kerel. Hij had zeeofficier kunnen geweest zijn, zou ik vroeger gezegd hebben. Tom en Alfred waren als Atjehers opgetuigd en zeiden ieder een vers op. Lorentz bleef bij ons "

Alfred (rechts) op fietstocht met zijn vader en zijn broer Tom

Later in zijn leven kijkt Alfred terug op zijn jeugd en schrijft het volgende:"Mijn jeugd heeft gestaan in het gelukkig voorrecht van te mogen opgroeien in een harmonische omgeving, de school van den heer Vrij, de padvinderij, de zeiltochten met Vader en Tom in de Mavourneen". Het is opmerkelijk dat de ouders van Alfred kennelijk hebben gekozen voor een progressieve opvoeding)

1913  Uit dagboek van zijn vader:"Woensdag 12 febr. 's Avonds eten bij ons de heer en mevr. Jonckheer, de heer en mevr. Guépin en Alfred (broer van zijn moeder) en Mies. Wij hadden oesters met bier en allerlei lekkere dingen die ik mij niet meer kan herinneren en het was bijzonder gezellig zoals ik ook wel gedacht had. Jonckheer was zeer genoegelijk en gaf met Alfred erg op de Marine af. Ze raden mij af Tom en Alfie bij de Marine te laten gaan".

1914 De familie de Booy brengt hun zomer vakantie door in Zuid Frankrijk in het bergdorpje Les Contamines. Door het uitbreken van de Grote Oorlog (Later de  Eerste Wereldoorlog genoemd) moeten ze overhaast naar Nederland terugkeren. Het lukt hun na veel moeite om via Marseille  met de boot naar Nederland terug te keren.

      

Tekening gemaakt van Alfred  door zijn vader 28 juli in  Les Contamines

1915. De  vader van Alfred wordt voogd op het eiland Texel.

 

De familie  op weg naar Texel, vlnr. Alfred, Olga zijn zusje, zijn vader en moeder  

                 

              Alfred , Hemelsvaartdag 1915

1916  Uit het dagboek van zijn broer Tom: " 26 dec. Thuis gekomen was Alfred erg ziek (Longontsteking). Ik schrok verschrikkelijk, moest aan Zus Ophorst ( de zuster van zijn vriendin Jo Ophorst, die net was gestorven) denken. Erg down over Alfred. .Ik lag in mijn hangmat gewoon te huilen bij 't idee Alfred te moeten missen".
Uit het dagboek van zijn vader:"November. Alfred heeft de wekker die hij gekregen heeft uit elkander genomen en kan daarmede nu boeken ophijsen, niet er op zien hoe laat het is".

1917  21 maart. Uit dagboek van zijn vader: "Vanavond was Hart {de kleermaker] er om pakken te passen voor de jongens en veel plezier gehad in Alfred die altijd vindt dat alles past".

1918  Dagboek van zijn vader: " 26 mei. Alfred steeds vossende op zijn examen, wat zullen wij dien jongen missen en ik denk dat hij ook het ouderlijk huis zal missen. Ik denk wel eens met onrust aan de desillusie die de Marine aan Tom en Alfred moet geven. Maar ze kunnen er bijtijds uitgaan misschien. Intussen is Tom heel gelukkig op zijn kanonneerboot en ook tevreden op het Instituut.
19 aug:  Tom en Alfred kwamen 24 aug. eindelijk thuis. Alfred had Spaanse griep gehad".

                           

Familiereünie zomer 1918: vlnr, Hendrik zijn vader, Alfred, zijn grootvader (van Moeders kant) Charles Boissevain.

Memoires van Alfred de Booy 1918-1986

Hierna volgen zijn herinneringen, die hij heeft opgeschreven in de periode tussen 1975 en 1986. Het begint als hij zich aanmeldt in den Helder voor de Marine . Hier en daar zal zijn tekst worden afgewisseld met passages uit het dagboek van zijn vader Hendrik de Booij.
In de zomer van 1918, nauwelijks 17 jaren oud, keurde een commissie van aanneming mij goed als toekomstig adelborst. Kennelijk wilden de drie leden zich niet laten beïnvloeden door de kleedij van de sollicitanten aan, wij werden één voor één binnen geschoven in de commissiekamer, nadat onze kleren in een ander vertrek waren gebleven. De voorzitter vroeg mij dadelijk:  gevoel je voor het militair worden, waarop mijn antwoord ontkennend luidde. Volgende vraag: ' waarom wil je dan in de Marine komen'. Mijn antwoord, waarin ik het accent op ontdekkingsreizen en expedities legde, was blijkbaar voldoende. Trouwens, het antwoord op de eerste vraag had de lachlust der heren opgewekt. Ongetwijfeld hadden zij mijn vader gekend,die na twintig jaar was afgekeurd of mijn ooms die het beiden tot vlagofficier zouden brengen.Omstreeks die tijd leverde ik mijn belijdenis in bij de doopsgezinde dominee in Amsterdam, een hoog geacht persoon. Mijn ouders hadden mogelijk gezocht naar een dominee van een andere richting dan de hunne.  Mijn vader kwam uit en gereformeerd gezin, mijn moeder stamde af van de Hugenoten en bezocht. bij voorkeur de Waalse kerk. De dominee verklaarde dat mijn belijdenis strijdig was met de beginselen van de doopsgezinde kerk, zodat ik niet kon worden aangenomen. Ik was aan de eene kant opgelucht, omdat ik nu niet uit den Helder naar Amsterdam behoefde te reizen, aan de andere kant verbaasd en geërgerd , omdat
de dominee aan zijn besluit toevoegde:heeft je vader je geholpen?  Later hoorde ik,· dat de dominee, een verwoed pacifist was, vermoedelijk zelfs eenzijdig ontwapenaar, hetgeen in mijn ogen reeds toen was en nog is, een klaplopen op de inspanning van anderen .
Mijn vader is in loop der jaren vrijgekomen van de dogma's van zijn kerk, mogelijk heeft  mijn
moeder daaraan bewust of onbewust een bijdrage geleverd. Kort voor zijn heengaan zei mijn vader tegen mij: alles is een groot mysterie: dank zij hem heb ik het Nieuwe Testament als een boek van grote wijsheid leren waarderen, dat een schone boodschap bevat, die voor velen een steun is in dit leven.
Wij leefden in het najaar van 1918 in een wereld,van revolutie en verdwijnende koninkrijken, maar ook van nieuwe stromingen. Het optieken voor ontwapening was populair, hetgeen na een periode van waanzinnig bloedvergieten begrijpelijk is, doch werd zo lang voortgezet, dat velen de tweede wereldoorlog niet zag komen. De raadgevingen, van derden, van leraren op school, weerhielden mij niet het voorbeeld van mijn broer  te volgen,
voortgedreven door een drang naar avontuur.

---------------------------------------
Uit het dagboek zijn vader: 6 september 1918
. " Met Alfred naar Nieuwediep, 2e kl. In de trein andere baren. Te Nieuwediep koffiegedronken bij de heer en mevr. de Raadt, waar ook de commandant van Texel, Van Braam Houckgeest, en daarna naar het Instituut. Er waren niet genoeg uniformen klaar, dus stond Alfred in zijn burgerpakje aangetreden. Na tafel zitten praten met de familie Molenburgh, aardige mensen, en toen kwamen enige van het oudste jaar en gingen baren. Alfred gaf herige antwoorden, werd daarom door Tom gewaarschuwd.
18 october. Ik was 12 oct. te Nieuwediep voor roeiwedstrijd en om Tom en Alfred te zien. Vond Alfred nog niet erg kalm. Met de jongens gegeten. Met verschillende zeeofficieren gesproken over de lamme toestand bij de Marine. Iedereen er over eens dat het een lamme boel is, waaraan ik heden morgen nog eens word herinnerd toen ik een matroos zag bij het Centraal Station".

      

                    De adelborsten Alfred en Tom de Booy

14 nov. 1918 " Belangrijke brieven van Tom en Alfred die mededelen, dat de Commandant hun had medegedeeld dat op de bemanning van de vloot niet te bouwen viel. Sluitstukken van kanonnen en veel ander wapentuig is nu naar het Instituut gebracht en de jonkers staan op post met geladen geweer. Ik kreeg een droefgeestige indruk van Nieuwediep. Het geringe aantal schepen, het uiterlijk van de matrozen, hun slechte vormen (op de Holland zaten stokers op de verschansing met de benen buiten boord en liep een allersmerigste schildwacht op het voorschip), dat alles stemt niet vrolijk. De adelborsten maken een gunstige indruk. Het is merkwaardig te zien dat het Instituut niet de minste invloed heeft gehad op de manieren, het optreden enz. van Alfred, terwijl wij verleden jaar getroffen waren door de verstijvende, verstarrende invloed op Tom.
21 dec. Vandaag zijn de jongens gekomen. Alfred ziet er wat beter uit dan toen hij ons verliet, maar veel puisten. Ze vertellen dat 99% van de adelborsten op het Instituut er wel uit zou willen als ze maar wisten wat te beginnen. Tom en Alfred denken er nog niet aan er uit te gaan. Ze willen eerst zien hoe de zaken lopen.
1919 De familie de Booy trekt weer naar hun geliefde bergen, ditmaal naar het  Zwitserse Berner Oberland.
Uit dagboek Vader: " Alfred zegt altijd: als jij (je weet de jongens spreken mij met jij en jou aan) - als jij het kunt kan ik het toch ook. Ik voor mij twijfel daaraan, geloof zelfs dat ik van de drie nog het grootste uithoudingsvermogen heb".

          

Alfred op de Alpetli gletscher in het Berner Oberland

2 april 1920. Alfred is met griep met verlof gekomen en ligt te bed. Hij heeft enige dagen op het Instituut rondgelopen met griep en heeft dit niet laten merken wegens angst voor het Hospitaal".

Weer gaat de familie  in de zomer naar Les Contamines, het bergdorpje in Zuid Frankrijk, dat zij in 1914 zo overhaast moesten verlaten vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Rijtuig staat klaar om de familie de Booy naar het station te brengen om met de trein  naar Les Contamines te gaan , vlnr: Alfred, zijn moeder Hilda , Engelien (al in het rijtuig zittend) en zuster Olga, jongetje naam onbekend

25 dec 1920: " Tom en Alfi thuis. Alfred speelt alleraardigst viool, zeer gevoelig en flink uit de maat. Hij zegt echter dat hij daarin vrij is".

---------------------------------------

De opleiding op het instituut duurde drie jaar .Waarschijnlijk is het gemiddelde peil der leerkrachten hoger dan in mijn dagen, ook zal wel minder herhaling van het geleerde op de H.B.S. geschieden. Ik weet niet of evenals vroeger soms wel erg diep op de theorie wordt ingegaan, persoonlijk ben ik voorstander van een accent op het gebruik. De Vloot heeft aanvoerders.nodig en geen beoefenaars van de Wetenschap. De laatsten kunnen worden gevonden door tijdens hun loopbaan de speciaal begaafden een opleiding op de bestaande universiteiten te doen geven.

Alfred als adelborst

De plaatsing aan boord van Hr.Ms. de Zeven Provinciën, deed vermoeden dat de langdurige mobilisatie ongunstig voor de materiele toestand van de schepen was geweest. In November 1921 zagen wij in de buitenhaven van den Helder, toen een Noordwester storm een loodsboot bijna op de Zuidwal deed stranden. Dringend werd onze hulp gevraagd ,konden wij met ons zoeklicht in de richting van de loodsboot schijnen, dan zou de aanwezige sleepboot misschien een tros kunnen aanrijken. Een Sperry zoeklicht was juist voor beproeving aan boord opgesteld, maar de chef van de electrische installatie was evenals het meerendeel der monteurs met verlof afwezig. Ik wist echter hoe het zoeklicht aangezet moest worden, zodat wij kort tijdje in de richting van de loodsboot schenen, daarop veranderde het licht in alle kleuren van de regenboog om dan van zelf te doven. Zelfs de kobalten houders van de koolspitsen waren in vlammen opgegaan. Het had ons de nodige vaardigheid ontbroken om de regeling , die automatisch diende te geschieden, met de hand over te nemen. De loodsboot werd echter binnengebracht en misschien hoorden wij daarom niets meer over de zaak. Zimmerman, mijn chef, was iewat verbaasd , toen hij 's nachts aan boord komende, een  briefje door mij ondertekend vond, met het bericht dat het Sperry zoeklicht was beproefd en ondeugdelijk bevonden.

                  Pantserdekschip Hr.Ms. De Zeven Provinciën

Inmiddels was een nieuw probleem ontstaan. Het schip was tijdens de proeftochten tussen de banken varende , bijna op de Haaksgrond gestrand omdat het roer plotseling weigerde . Merkwaardig omdat op een grote particuliere werf te Amsterdam alles was nagezien. In de haven liggende kon geen oorzaak worden vastgesteld en de reis naar Ned Indië begon op tijd. Maar ter hoogte van Wight bleef het roer stokstijf staan. De noodstuur inrichting werd dus opgetuigd. Van de keulenaar, een stuurrad op de stuurinrichting werd dus opgetuigd . Van de keulenaar, een stuurrad op de campagne, liepen stangen via de ventilatiekoker naar de stuurkamer. Oponthoud ontstond, doordat Weemhoff, luitenant ter zee ( uitvinder van een bomrichttoestel voor vliegtuigen  en een uitmuntend violist) zijn motorfiets in deze schacht had verstopt en toegedekt met een wit laken,zodat het niet de aandacht van de eerste officier had getrokken. Hoewel het roer nu weer bewogen kon worden ,was de communicatie met de brug gebrekkig en het bij de keulenaar opgestelde magnetische kompas traag, waardoor de koerslijn dus danig kronkelde,dat wij Indië niet of met veel oponthoud zouden bereiken. Wij zochten dus een noodhaven,waar een reparatie van de stuurinrichting kon plaats hebben. Portsmouth lag voor de hand en twee sleepboten brachten ons binnen. Onze meerplaats tussen twee slagschepen maakte de 'Smile of Europe' bijna onvindbaar. De engineer in charge onthulde, dat de fabrikant een bedrijf bezat in Blaydon on Tyne,een eind weg. Mijn brieven geven enige details. "Zo langzamerhand komen wij in aanraking met Engelse zeeofficieren, die over het algemeen wel geschikt zijn, doch zeer belust op cocktails. De (Ned.) werf heeft op de meest schandelijke manier het schip geleverd, zekeringen verkeerd geplaatst ,uit een munitielift kwam bij het aanzetten de poetslap van een werviaan te voorschijn. Las gisteren in Brandt, de navolgende woorden van de Ruyter:waar de Zeven Provinciën verschijnt , maken de Engelsen ruim baan ....... nog steeds is dit het geval, want hier in de haven waren ze doodsbenauwd voor onze kapotte stukmachine en·onze·ramsteven...... ik moest·gisteren als  tolk  optreden in een:zaak tussen een Hollandse marinier en een Engels matroos ..... werd ontvangen door commodore MacClintock ,die een buitengewone,.sympatieke indruk maakte en toen hij weg moest, om de klachtzaak voor te bereiden, mij een boek in de hand gaf :Secret Intelligence of  the Admiralty ...open haard, luie stoel enz. Ik las over de proefnemingen met bommen op slagschepen, tevens een lijst aangetroffen met veranderingen bij diverse Marines .Zolas ik dat onze K2 in dienst: is gesteld en dat in de Tweede Kamer geklaagd werd over te hoge begrotingen".

Nadat, een nieuw wormwiel aan de stuurmachine was bevestigd zodat het roer weer goed functioneerde, vertrokken wij naar Napels. Deining ontstond toen een venijnig telegram uit den Haag de commandant verweet geen telegram van aankomst te hebben gezonden. Luitenant ter zee Zimmerman kreeg de schuld, maar kon zich niet meer herinneren aan wie hij het telegram ter verzending had gegeven. Wij waren al in de Rode Zee bezig ons in het wit te steken. Toen wij klaar waren haalden één van mijn collega's een papier uit de binnenzak van zijn blauwe jas, zijn gezicht vertoonde enige verbazing, toen opende hij:de patrijspoort en wierp het vod in zee. In Napels moest ik de Italiaanse admiraal de aankomst van Hr.Ms. de Zeven Provinciën berichten. Ik stak mij dus in ceremonieel tenue, lange jas, epauletten, sabel en.zette mijn ietwat kaal geworden steek op het hoofd. Bij de commandant, vragende om orders .Deze zei :heeft U die oude steek speciaal met het oog op piket diensten opgezet? Jawel overste, omdat hij van mijn vader is. Ik kon daarop vertrekken. Buiten het hoofdkwartier van de admiraal rolde een knoop van mijn lange jas op straat, die ik nog net kon pakken .Op dat moment passeerde onze marinier-facteur ,die met een lucifer de knoop aanhechtte. Wilt U mij helpen, ze willen mij de post niet geven. Ik ging dus met hem mee het postkantoor binnen. Volgens zijn zeggen had onze facteur nog nergens zo vlug de post gekregen. Inmiddels had zich aan boord een merkwaardige figuur gemeld, een wasbaas  zonder prijslijst, die verklaarde:"mais vous avez  faire avec un gentil homme". Ons vertrek duurde lang en was niet opwekkend. Ten anker gekomen in de haven,hebben wij gewacht op onze stoker Swiebel,die na een woorden wisseling met een Italiaan een einde maakte aan onenigheid door de man zodanig met een mes te bewerken dat hij overleed. Het gelukte de commandant hem om via de consul los te krijgen en hij  zou dan door de zeekrijgsraad te Soerabaja .Later hoorde ik ,dat een stoker juist uit de gevangenis ontslagen zijnde, zich des avonds op de tramrails had neergelegd en daarop was overreden. Wij bereikten Aden zonder ongevallen. Wij jongeren hadden nu voor het eerst door het Suez kanaal varende, de woestijn met kamelengezien. Er waren echter vijandelijkheden tussen stammen uitgebroken,:waarbij ook Engelse troepen betrokken waren.Ik schreef hierover:"....luitenant ter zee Zimmerman had gehoord van de plaats Lahedzj, een sultanaat. Naar de consul om te vragen, hoe wij daar zouden komen. De consul stom verbaasd, het gouvernement zou nooit toestemming geven. Hij zelf kon alleen toestemming vragen, als commandant Spengler hem een brief schreef. Het zou een ondiplomatieke daad zijn , daar alles door troepen bezet waren wegens relletjes tussen stammen onderling. Nu moesten wij beslist naar Lahedzj  gaan, zeiden wij, en gingen per auto de woestijn in over een zanderige weg naar Sheikh Othman, een woestijndorp van  8000.inwoners, bar interessant, toen in Sheikh Othman gardens, door een Engelse gouverneur heel aardig aangelegd, palmen, spinazie en andijvie. Alles groeit hier en ook staan er kooien met apen en herten. Buiten Sheikh Othman kan men niet gaan, had de consul gezegd. Wij·polsten onze Arabische chauffeur of hij ons naar Lahedzj kon brengen,14 mijlen weg. Hij zou het proberen. In volle vaart snorden wij de woestijn in, een grote zandvlakte met een kwasie weg, aan de kim blauwachtige bergen. Hier en daar palmen. We  zagen ons al in Lahedzj, toen na schieten en fluiten, Brits-Indische soldaten verschenen, die onze auto aanhielden. De chauffeur begon ongelooflijk te kankeren, maar het gaf niets en we reden terug naar Sheikh Othman. Daar drongen we het Brits-Indische kamelen en paardenkamp binnen en werden overal rondgeleid. Spraken met verschillende Brits-Indische onderofficieren ,die het volkomen eens waren met de pogingen van India om zich van Engeland te onttrekken .Sommige hadden in de oorlog aan het Westfront mede gemaakt".

Negen jaar later bezocht ik Lahedzj. Wij werden door de bevolking vriendelijk ontvangen. Een hadji die in Batavia had gewoond, sprak met ons in het Maleis. Hij dacht dat we van de Satenge-Compenie waren, letterlijk Halve Compenie, of wel Gouvernementsmarine. Tijdens de oversteek naar Ceylon- gaat het in al mijn brieven voornamelijk over de astronomische waarnemingen en de compensatie der kompassen. Na Colombo voeren wij rechtstreeks naar Tandjong Priok. Ook nu had ik kritiek op de leiding aan boord doch paste wel op zulks al te openbaar te doen blijken. Ik vermoed, dat mijn kritiek  veel te scherp was.":Je mag hier verbazend weinig zelfstandig doen, met de commandant liggen we allemaal overhoop en de eerste officier ,hoewel niet ongeschikt,  is toch niet geheel en al voor zijn taak berekend. Het zou mij te ver voeren alle onaangenaamheden op te noemen."

Op 4 Februari 1922 liep Hr.Ms. de Zeven Provinciën de haven van het Marine Etablissement te Soerabaja binnen en meerde in het z.g; bassin, Mijn eerste indruk van mijn geboorteland:" Ik vond het aan de wal NIETS, en hoop maar dat wij zullen gaan varen." Weldra werd ik overgeplaatst naar de Marinekazerne Oedjong, naast de Marinewerf gelegen, aangezien enige van mijn jaargenoten waren aangekomen per mailboot en dus nog geen vaartijd hadden behaald. Er was niets voor ons te doen, behalve elke drie of vier dagen een ronde in het donker door het moerasgebieded beoosten de haven,waar de munitie lag opgeslagen. Langs wachttorens waar dan zou blijken of de schildwachten al of niet sliepen. Overdag konden wij in de bibliotheek Zweedse boeken lezen,door een onbekende die wel Zweeds zal hebben gekend,  achtergelaten. Na een maand of zo,werden wij bij de commandant geroepen, wiens onwelvoeglijke bijnaam ik hier niet zal noemen, en kregen een standje, omdat wij niets uitvoerden. Zo verbaasd waren .wij, dat niemand van ons vroeg wat wij dan wel hadden moeten doen. Gelukkig kwam er spoedig een nieuwe commandant van Hoogenhuyze, die mij op de werf staande hield en vroeg wat ik deed. Helemaal niets overste, de onderofficieren-torpedist varen met de torpedoboten.Nu kwam er verbetering. Wij moesten alleen varen tot en met straat Madura, met een bemanning van circa tien koppen en een kanon van 3.7 cm  Des s 'nachts op de rede en ook overdag in Straat Madura smokkelaars aanhouden. Een enkele maal voeren rechercheurs of politieagenten met ons mede. Na een paar weken scheepte een adjudant torpedist zich voor een vaartochtje. Ik wilde hem laten zien, dat ik hem kon overtreffen. Een grote Madurese zeilprauw streek de zeilen en wachtte  gelaten onze komst af.Ik naderde met vrij veel vaart, onder een scherpe hoek , die dan door het achteruitslaan van onze enkele schroef zou verdwijnen, en wij dan langzij van het vaartuig zouden liggen. Maar op het sein van de telegraaf:Volle kracht achteruit gebeurde niets. lk wist niet, of vergat het feit, dat de torpedoboot geen stoom omzetbeweging voor de schaar van de hoofdmachine had, die andere boten van hetzelfde type wel hadden. De neus van mijn scheepje boorde zich dus in de balken van de prauw. Ik sprong over in de prauw en zag tot mijn schrik dat deze met stenen geladen was. Het gelukte door hozen en verplaatsen van enige stenen het lek te stoppen, door het scheepje een beetje slagzij te geven.Ik gaf de djoeragan een brief met de verklaring dat ik verantwoordelijk was voor de schade en verzocht de eigenaar zich rechtstreeks tot mij te wenden. Daarenboven drukte ik hem f 25 in handen, alles wat ik bij mij had. Daarop sleepten wij het vaartuig tot onder de wal van Madura en liepen in de marinehaven binnen. Ik heb verder nooit meer iets over deze zaak gehoord en vermoed, dat de schipper het geld in zijn zak heeft gestoken dat de eigenaar zijn schade van de verzekering vergoed kreeg. Bij aankomst meldde ik mij bij de eerste officier van de Kazerne. Nog iets bijzonders gepasseerd? Alleen een beetje geschavield langs een prauw, heb de schipper een fooi gegeven. 'Ja ,dat kennen wij lichte averij ,goed dat je er voor uitkomt, wij hebben een kleine scheepskas voor dergelijke zaken, zeg maar hoeveel het was..Dat nu deed ik liever niet, f 25 was in die dagen een heel bedrag voor een schipper. Ik stel het op prijs, Overste, het bedrag zelf te dragen. "Prachtig,uitstekend, accoord." Hiermede was de zaak afgedaan,en mijn persoon in de ogen van de eerste officier beter dan ik verdiende.

Kort hierop werd ik lid van een commissie tot onderzoek van het verloren gaan van commaliewant van de onderofficieren. Een collega van de administratie kwam even langs met een dik rapport over·borden en kopjes. Teken hier maar zei hij. Dat deed ik zonder iets te lezen .Een tijdje later vond  de eerste officier ergens het commaliewant van de onderofficieren en liet mij komen. Ik bekende volledig gefaald te hebben. Onthoud dit goed, zei de eerste officier, teken nooit iets dat je niet hebt doorgelezen. Laat  dit een goede les .zijn. Maar niet elke schadervaring liep zonder sissers af. Op een zondagmorgen had ik wacht inde kazerne. Zelden gebeurde er iets de moeite van vermelden waard. Daar stond eensklaps een oudere luitenant ter zee voor mij. Ik moet per trein naar Batavia, de commandant Zeemacht heeft mij  ontboden in verband met het onbehoorlijk gedrag voor de commissie van onderzoek na een schadevaring. Hij gaat mij voordragen voor ontslag uit de zeedienst. Daarin heeft hij gelijk, maar ik neem hem buitengewoon kwalijk dat hij mij op Zondag laat reizen " Wat is er dan gebeurd"?. De commissie beweert dat ik de torpedoboot een paar meter korter heb gemaakt door de kade te rammen. Ik heb een stopwatch medegenomen en wilde mijn gelijk aantonen. Ik demonstreerde: nu ben ik 50 meter van de kade, volle kracht achteruit, na tien secunden machine stop, het schip ligt gestopt. Wij zijn nu 2 Meter van de kade en liggen stil. Wat was de reactie? De voorzitter vroeg "hoe verklaart U dan de schade" Ik heb geantwoord "dat ik hier ben gekomen om dat van hem te vernemen".

De bijzondere omstandigheden waaronder in Ned. -Indië gewerkt werd, gaf ook soms de gelegenheid aan degenen, waarin iets bijzonders zat, zulks te tonen. Kapitein Luitenant ter zee Dalhuysen,commandant van een opnemer werd opgedragen  om tijdens de vloot manoeuvres Straat Soenda te passeren. Opgemerkt door een torpedojager, seinde hij in het Engels:ik ben een kabellegger, blijf drie mijlen uit mijn buurt. Zo glipte hij de straat door. Een van mijn jaargenoten diende onder hem bij de hydrografische opname van enige baaien in Bantram (West Java).We steken eerst de alang-alang van de eerste baai in brand, gaan daarna de tweede baai in kaart brengen. Als wij klaar zijn komen wij terug en dan grazen er bantengs,die houden van de jonge alang-alang. Mogelijk was in die tijd de jacht op bantengs nog niet verboden. Toen mijn collega Veerman aan de eerste baai bezig was hoeken te meten zag hij een banteng met. hoge snelheid naderen. Hij kon zich nog omhoog werken in een boom, doch heeft daar lang· moeten zitten.

Op 30 Juni 1922 schreef ik: "Hedenmiddag gaan we weer naar Ampeman (Lombok) met de Hydra. Wij varen dan aardappelen en personeel over naar Hr.Ms. de Zeven Provinciën. Eerst naar de Sapoedi-eilanden om postduiven op te laten. De vorige maal bleven wij twee dagen op Lombok liggen en maakte ik met vier van mijn jaargenoten,dienende op het vlaggeschip een tocht in een willekeurige richting door kampongs heen, trokken een kali over van een meter diep. Veel kampongs staan ·leeg omdat men niet gewend is Europeanen te zien. Toen wij twee uur, het binnenland in waren, waarschuwde een Lombokker ons dat wij voor donker in Ampenan terug moesten zijn, omdat anders  dapat banjak soesah ( wij zouden in veel moeilijkheden komen)..Lombok is een prachtig eiland, vrolijker getint dan Java. Mijn zwarte schoenen zijn naar de maan"..

Ïk gaf mij op als liefhebber voor de onderzeedienst en werd in november 1922 geplaatst aan boord van de Hr Ms K IV. Daar had een explosie de accu batterij vernield*)..Er was inmiddels een nieuwe batterij ingezet,  zodat wij ons geen zorgen behoefden te maken. Voor degenen die het ongeval hadden overleefd ,bestonden die zorgen wel. De explosie vond plaats op het moment dat de ventilatie werd bijgezet en een vonk het knalgas deed·ontploffen. In de oude batterij zaten verontreinigingen in de platen en we hoopten dat de nieuwe platen beter zouden zijn. Er werd dus overvloedig geventileerd, ook onderwater,waardoor een zure lucht in de boot bleef hangen. Ik sliep boven op het rubberkleed van de batterij onder de tafel van de officieren .Soms was het na het opladen zo warm,dat wij naar het dek vluchtten, als wij voor anker lagen, maar dan verdreef de Westmoesson ons weer naar beneden, in een benauwde door vocht verzadigde warme verblijfplaats. Op 7 Januari l923 gaf ik enige bijzonderheden over de proeven: Na opladen van de batterij werd deze een uur lang geventileerd, daarna alle cellen afgesloten en om het uur uit twee cellen het ontwikkelde gas gezogen naar een glazen bol ,waar wij het door een vonk lieten ontploffen. Dan maten wij het percentage knalgas.... de resultaten waren eigenaardig, in hoeverre mag ik niet zeggen. 

Links:  Alfred bij de onderzeedienst in Soerabaja.  Rechts: K IV in droogdok in Soerabaja

*)Tijdens het verblijf in de haven van Colombo vond er op 9 november 1921 een explosie plaats in de voorste batterijopslag van de K IV. Bij deze explosie kwamen een kok en een kwartiermeester om het leven, een andere kwartiermeester raakte bij deze explosie zwaargewond. Op 23 december 1921 arriveerde de K IV in Tandjong Priok. Vanuit hier patrouilleerde het schip tot 1936 de wateren van Nederlands-Indië

 De onderzeeboot K IV

Wel weet ik dat men nog lang niet alles van accumulatoren afweet. Het rubberkleed, dat anders de cellen afdekt, lag nu open geslagen en wij liepen over de cellen heen. Maar je moet natuurlijk niet overeen positieve en negatieve leiding tegelijk staan. Een paar koelies deden dit, waarop ze niet meer naar beneden durven komen gelukkig, want nu kunnen ze ook niets stelen. Jullie hebben zeker gehoord over de Menadoneesche dienstweigering. Hun houding is niet te rechtvaardigen, maar er zijn wel zeer verzachtende omstandigheden .Van mijn boot waren er twee, dat 100%..Het waren zeer geschikte en goed werkende jongens,maar hun trots en koppigheid overwon toch de werklust."
De
Menadoeesche en naar ik meen ook.de Amboneesche dienstweigering was naar  mijn gevoelens van het gebrek aan inzicht van de administratieve autoriteiten te Batavia, die de commandant zeemacht onvoldoende hadden voorgelicht over de consequentie verbonden aan. het invoeren van rijst als.hoofdvoeding voor inheemse niet-Javaanse schepelingen. Gelijkschakeling met de Javanen krenkte hen, wellicht uit misplaatste trots. De Marineleiding had de heeren van administratie beter in de gaten moeten houden. Gelukkig kwamen de meeste schepelingen er met een lichte straf af, doch het versterkte mijn overtuiging dat de centrale leiding een veer had gelaten.

De eerste reis hield in een bezoek aan Ambon,enige indrukken schreef naar huis.
".. voor de bemanning is dit een ellendige plaats, logies aan  de wal is er niet, wij kunnen nog in een hotel, zij zitten nu al 10 dagen in die gloeiende boot Luitenant ter zee Hetterschij ging laatst mede met lanceren op de Zeven Provinciën, en schoot een torpedo tegen het schip aan, kop geheel ingedrukt. De torpedo liep te hoog. Jammer dat het geen oorlogstorpedo, zeiden ze bij ons"

Alfred en  zijn broer  Tom..

Vrijwel alles wat in de bundel brieven staat,die mijn vader zorgvuldig bewaarde, kan ik mij nauwelijks herinneren. Kennelijk schreef ik niet over een klein probleem, dat ik zelf moest oplossen. Ik was toen net meerderjarig en wachtofficier op de onderzeeboot, liggende ter rede van Ambon. De enige officier aan boord. Een van onze diesels was in reparatie. Wij lagen vrij dicht onder de wal, omdat het verder weg zeer diep wordt. Het was donker. Het vlaggeschip onder bevel van de Kapitein ter zee H.J. Hartkamp nader kennelijk een ankerplaats zoekende. Zijn toplamp knipperde: Ga onmiddellijk weg en zoek een andere ankerplaats, of woorden van die strekking. Ik liet de electromotoren inschakelen en het anker lichten en dit een eindje verder vallen.Ik verzuimde,wellicht opzettelijk (om hem niet te doen schrikken) mijn commandant in te lichten. Kort daarop kwam een zware bui opzetten, met harde stormachtige wind en regenvlagen. Schuilende achter de commando toren kon ik zien, dat ons vlaggeschip verdreef. Toen het opklaarde, kwam Hetterschij langszij en raadde mij de commandant een bericht te zenden, dat alles wel aan boord was. De volgende ochtend kwam de commandant aan, dat ik had moeten blijven liggen en dat hij nu naar de eskader commandant, ging om zijn beklag te doen. Daar trok hij aan het kortste eind en op de receptie in de sociëteit maakte de eskadercommandant mij een compliment over het zo vlug onder stoom gaan. Mijn antwoord was misschien niet erg tactvol:'Wij zijn bij de onderzeedienst altijd vlug met onze electromotoren".
Later werd Hartkamp mijn commandant op het artillerieinstructieschip Gelderland. Veel mensen  waren bang voor hem, met zijn martiale houding en grijze snor met omhoog draaiende punten. Maar ik kon een potje bij hem breken en bewonderde werkkracht, kundigheid en eerlijkheid. Bij de onderzeedienst werd flink geoefend. Bezuiden Celebes liggen de eilanden Boeton en Moens gescheiden door straat Boeton. Ongeveer halverwege deze straat ligt het dorpje Raha en daar lag het vlaggeschip ten anker,toen wij
de opdracht kregen het schip te torpederen, ondanks de bescherming van twee torpedojagers. Bij donker de Straat Boeton binnenvarende, moesten wij spoedig duiken van wegen de patrouillerende jagers,die telkens als wij even boven kwamen ons inhaalden .Pas later ontdekten wij een kleine lekkage van een brandstoftank, zodat men ons kon ruiken. Bij dag worden vuurde de commandant twee torpedo 's af, waarvan één in de dekbuis bleef hangen .We waren allen uitgeput ,vijf matrozen nauwelijks bij bewustzijn ,de temperatuur en de vochtigheidsgraad was zeer hoog door defect van de koelmachine. Tijdens het opstomen naar Makassar zwaar weer,de commandant sloeg bijna van de brug, torenluik dicht en genavigeerd door de periscoop.

Terug in S
oerabaja brak een spoorwegstaking uit.*) Ik schreef op 3
Mei:
" 'De staking z
al ietwat raar aandoen, aangezien je Indië van een twintig jaar geleden kent. De regering was echter op alles voorbereid. Om de staking niet in de suiker campagne te doen vallen, werd deze nu door de arrestatie van Semaoen uitgelokt .Alles was prachtig georganiseerd , om de 500 meter staat langes de spoorbaan een schildwacht en 's-nachts wordt alles af gepatrouillleerd. Vijftig stokers van de Marine rijden op de lokaaltreinen, de landingsdivisie bewaakt Perak (koopvaardijhaven van Soerabaja), rangeerterreinen, gedeeltelijk het station Goebeng en Sidotopo. Ondanks dit feit komen de treinen geregeld aan. Alleen met een paar uur vertraging, goederenvervoer is beperkt. Alle stakers zijn ontslagen, op elk station hangen lijsten met hun namen. Enkele malen werd ontdekt, dat de rails waren losgeschroefd en stenen tussen de wissels geplaatst,maar er is nog geen trein ggederailleerd."

------------------------------------------------------------------
Tussenvoegsel
*) Op internet vond ik de volgende informatie betreffende de spoorwegstaking:De spoorwegstaking in 1923 bracht (red. GG Dirk Fock) hem ertoe, in het Wetboek van Strafrecht voor Nederlandsch-Indië het beruchte artikel 161-bis op te nemen, waarin opruien tot staking strafbaar werd gesteld.
Bij Indisch Besluit van 17 oktober 1922 werd Wolterbeek Muller benoemd tot procureur-generaal bij het Hooggerechtshof en advocaat-fiscaal voor de Land- en Zeemacht, welke functies hij tot 5 juni 1926 zou bekleden. Als procureur-generaal bestreed hij nationalistische en communistische activiteiten die gericht waren op ordeverstoring en gezagsondermijning. In 1922 en 1923 drong hij met succes aan op de internering van de voorzitter van de Communistische Vereeniging tevens voorzitter van de zeer belangrijke vakvereniging voor Spoor-en Tramwegpersoneel, Semaoen, en bewerkte hij in 1925 naar aanleiding van enkele in Semarang uitgebroken stakingen de internering van een drietal andere vooraanstaande communisten, Darsono, Aliarcham en Mardjohan.
In zijn streven extremistische agitatie op vergaderingen te beteugelen steunde hij na het uitbreken van de spoorwegstaking in mei 1923 verzoeken van enkele residenten om het vergaderrecht in hun gewest conform artikel 8a van het Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1919, nr. 562 te beperken. Voorts wist hij te bewerkstelligen dat dit artikel, behoudens alle vergaderingen binnen een bepaald gebied, ook op vergaderingen van een of meer met name genoemde verenigingen in Nederlands-Indië, kon worden toegepast (ibidem, 1925, nr. 582). In 1924 bepleitte hij een zodanige wijziging van artikel 6 (ibidem, 1919, nr. 27) dat bestuursambtenaren die volgens de vigerende bepalingen de politie persoonlijk moesten assisteren als deze openbare vergaderingen wilde bijwonen waartoe de toegang haar ontzegd was, konden volstaan met het verstrekken van een schriftelijke machtiging. Ook deze wijziging werd in 1925 van kracht (ibidem, nr. 67), evenals een, wederom in 1924 voorgestelde, aanvulling van enkele artikelen in het Wetboek van Strafrecht waardoor het 'haatzaaien' tegen het wettig gezag ook elders dan in openbare vergaderingen strafbaar werd (Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1925, nr.582).
-------------------------------------------------------------------------------

De onderhoudsperiode was aangebroken. Op 5 juni 1923 schreef ik: "Een ongelooflijk beroerd werkje is, dat ik,als jongste belast ben met alle tanks en mij in de raarste bochten moet wringen,of die en die tank geschraapt, geborsteld of gecementeerd moet worden".
Men ziet op die leeftijd niet steeds in,
dat het nuttig is ook het onaangename werk te ondergaan, opdat men later de werkcondities van anderen kan appreciëren. Ik herinner mij gewend te hebben, dat ik aan bakboord in de hoofdtank zou nederdalen en onder de binnenhuid van de boot zou doorkruipen  en aan stuurboord weer bovenkomen .Bij de kiel liggend in een ongekend hoge temperatuur, kon ik voor nog achteruit en betreurde de vele rijsttafels, die mij niet slanker hadden gemaakt. In de buurt van de koelies maakten deze een oorverdovend lawaai, zodat het niet opviel dat  iets verder op hetzelfde schip de koelies het gemakkelijker namen met hun bikhamers. De marinemensen,waartoe ik ook behoorde, bestelden te veel koelies, terwijl beter toezicht wellicht zuiniger. zou zijn geweest. Stond men bij de poort bij het uitgaan van de werf, dan zag men drommen koelies, opgewacht door arabieren geldschieters, goede rente van het loon van de werkers genietende. De reparatietijd verschafte een goede gelegenheid tot het bezoeken van de bergstreken in Java. Zo mochten wij zwemmen in het bad van de gestoorden in de desbetreffende instelling te Lawang. Een patiënt van deze inrichting zwom met rollende ogen mijn kant uit, roepende: ik ben koning van een groot rijk,wilt U mijn minister van Marine worden?" Ik dook snel, zwom een eind weg en verliet het zwembad zo vlug mogelijk.

Begin Februari 1923 moest ik invallen als waarnemend oudste officier op de K 5, onder luitenant ter zee C.H. Brouwer, die tijdens de mobilisatie een drijvende mijn voor de haven van den Helder had gedemonteerd, waarvoor hij de medaille voor Moed,Voortvarendheid en Vernuft had gekregen.

 

Onderzeeboot  Hr.Ms. K V onder commando van luitenant-ter-zee C.H. Brouwer

Binnen een week boekten we twee aanvaringen. Eerst met de K 6, die onder water. Een snelheidsproef op dezelfde mijl (bij Kambing) als wij bovenwater deed.  Onbegrijpelijk dat de divisiecommandant dit zo geregeld had. De schade viel erg mee, maar beide boten moesten dokken, dus voeren wij naar Soerabaja. Onderweg ramde ons een zonder lichten varende Madurese prauw, die met zijn ra een harde klap op het hekwerk van de brug gaf. De bootsman kon nog maar net deze klap bukkend ontwijken, hij stond aan het roer en zijn sloffen gleden buitenboord. Hij hield niet op met mopperen over het verlies van zijn sloffen en toonde geen dankbaarheid over missen van de klap van de ra. Een onzer matrozen, waarvan men dacht dat hij Madurees kon spreken,moest in het donker de schipper een standje geven over het zonder licht varen, niemand van ons kon hem controleren. De eerste onderzeeboot gestationeerd in Ned.Indië  was de K I, die harder liep dan de latere boten en ik meen maar één schroef bezat. Hij had lang stil gelegen. De inspecteur van de Onderzeedienst wilde met deze boot duiken en een torpedo verschieten.  Ik werd aan hem toegevoegd. Ga maar naar de kompasboei en maak een foutenlijstje, zo luidde zijn order aan mij. Bij kompas boei gekomen, bleken de magneten van het kompas volslagen dood, maar de electrische werkplaats hielp mij uit de moeilijkheden en ik begon met de compensatie,maar nu miste ik erg een eenvoudig handboekje, die daartoe een richtlijn gaf. Ik moest nu op de herinnering van het in theorie geleerde op het Instituut dichtvaren. Gelukkig had ik het lijstje gereed voordat de inspecteur kapitein-luitenant ter zee A. Vos embarkeerde. Later doken wij en moesten onmiddellijk de tanks blazen,  wegens lekkage van een luik, dat door het zetten van een nieuw rubberrand:( meen ik ) werd verholpen. Nu kwam het afvuren van een torpedo. Ik had daarbij de leiding in het boegcompartiment; waar de torpedo rustig wachtende in een buis lag. Ik kende de afvuurdruk niet en vroeg de torpedomaker hoeveel deze moest bedragen. Wist dit evenmin. Na het vuren wilde de torpedo zich niet meer laten zien.Ik suggereerde dat wellicht de afvuurdruk te hoog was geweest en dus de geheime kamer van de torpedo ingedrukt ,doch had beter mijn mond voorlopig dicht kunnen houden. Na circa tien minuten sprong de torpedo vlak bij uit het water en bleef drijven..Later bleek dat de fabrikant van de torpedo het gaatje in de stopklep te nauw had gemaakt, de torpedo had met geringe snelheid gelopen,  ook onvoldoende lucht aan de diepterelaer gegeven,waardoor de· torpedo een dieptegier had gemaakt en de opblaasinstallatie in werking was gekomen. Toen overste Vos vice-admiraal en chef materieel was, adviseerde hij Wilton mij de positie van direktie-secretaris aan te bieden, met vooruitzicht tot direkteur. Dat was 1938, ik zag de oorlog toen al komen en vond niet dat ik mijn post als marine attaché in Londen kon opgeven. Ik loop nu vooruit op de draad van dit verhaal, want wij zijn pas in 1924 en dan ben ik geplaatst op het artillerieinstructieschip Gelderland.

Hr Ms Pantserdekschip Gelderland

Als ik me meld, passeer ik de aftredende commandant Lt Auke van der Sluis, die veel heil zag in het vuren der kanons in de middenstand der slingering. Nog belangrijker was, dat hij een instrument, de resultaatvinder, had geconstrueerd,waarbij de bewegingsfactoren, eigen vaart ,koers, vijands vaart en koers,  als het ware werden gekoppeld, zodat de wijziging. in de onderlinge afstand niet meer bepaald werd door het verschil in de genieten afstanden. Totdat de radar zo nauwkeurig werd, dat weer tot het oude systeem kon worden overgegaan en de gemeten afstand weer als basis kon worden aanvaard.

In de winter van 1925 brak plotseling een periode aan, die de verveling va
n op de werf liggen, met alleen theoretische lessen over artillerie, deed vergeten. Dijkbreuk had het land van Maas en Waal onder water gezet, het rivierwater stroomde langs boerenhoeven en over de akkers. Op 1 Januari 1925 vertrokken wij met tien vletten en het nodige personeel naar Nijmegen, waar wij de vletten overlaadden in
een andere trein.  

Een moeder die haar zieke kind over de wegzakkende spoordijk bij Wychen in veiligheid brengt

Wij probeerden zo bij Wychen te komen ,om ons bij luitenant ter zee Harmsen te melden, commandant van het detachement van Hr.Ms Gelderland. Iedere dag trokken onze vletten er op uit. Wij brachten voedsel of medicamenten en soms ook op verzoek van de moeders zuurtjes voor de kinderen naar de half onder water staande dorpen. Burgemeester van Rijckevorssel was blij met onze steun, zijn kelder stond onder water, zodat hij ons geen jenever kon aanbieden, maar hij bezat een repeteergeweer. Toen berichten kwamen dat in de omgeving van Wychen uit lege huizen geroofd werd, nam hij plaats in onze vlet en toen wij een eenzame roeier zagen die niet wilde stoppen,gaf hij een roffel af en had meteen zijn gehele munitievoorraad verbruikt. Toch een succes, want verdere berichten over berovingen bleven uit. Toen de vorst intrad, moesten we over het nog onbetrouwbare ijs naar de dorpen . We  namen daartoe ladders, legden zakken meel daarop en trokken als poolreizigers het land in. Ik herinner me de wijde watervlakte met onbekende obstakels, een hek net boven water, een boer op een klein verlaten eilandje met een varken, dat hij nog even moest slachten om daarna door ons vervoerd  te worden, het klooster van Alverna met de nonnetjes met witte kapjes, die naar de matrozen woven, die stug door moesten roeien tegen de stroom in .De pastoor had van de kansel de meisjes geraden niet met de matrozen aan te pappen. Dat was goed bedoeld, maar had niet veel zin, tegen donker kwamen we meest pas binnen en dan was iedere matroos  bek af.

Ik had nu lang op het artillerieinstructieschip gediend naar mijn smaak en verlangde naar iets geheel anders. Ik vroeg overplaatsing naar een schip dat onze politie taak uitoefende voor de zeevisserij. Zo kwam ik op Hr Ms Loodsboot nr.6. Bij mijn afscheid zei de kapitein ter zee Hartkamp: ik zal je wel krijgen, ik zal wel zorgen dat je officier van artillerie wordt op een van de nieuwe torpedojagers met de moderne vuurleiding. De loodsboot was overigens een vrij rank scheepje. Dokter van Dam was zo zeeziek geweest dat hij van geen nut was en kwam nu met een nieuwe uitvinding (uitvinder mij onbekend).Hij had zijn hoofd in een toestel bevestigd ,volgens het principe der cardanusringen ,waardoor de kompassen horizontaal bleven .Maar zijn hoofd moest daardoor zulke vreemde bewegingen maken bij enige zeegang, dat hij als gevolg van de proefneming in het hospitaal moest worden opgenomen. Nu kregen wij een jonge dokter, die zijn opleiding op rijkskosten had gekregen, maar die toen hij als gevolg van de overeenkomst zijn dienstplicht moest vervullen, niet wenste op te komen en werd gearresteerd. Op het wachtschip te den Helder ondergebracht tot zijn berechting voor de Zeekrijgsraad,was er z.g. gaatjesavond, een diner met wijn en muziek. Men bracht het een en ander naar zijn hut en na afloop was hij zo enthousiast ,dat hij verklaarde gaarne zijn dienst bij de Marine te vervullen. Zo kwam hij bij ons, lag normaal gesproken op zijn kooi om niet zeeziek te worden, maar als de jol gestreken werd om de dokter naar een logger te brengen, kwam hij aanrennen en vervulde zijn opdracht op voortreffelijke wijze. Hij was avontuurlijk van aard ,hetgeen hem verleidde tot onverstandige handelingen. Het laatst heb ik hem gezien ,vele jaren later op het spoorwegstation in Haarlem, met een vliegerkap op zijn hoofd. Hij had de wacht in het ziekenhuis in den Helder en was geroepen naar het vliegkamp de Kooy voor behandeling van een zieke. Daar had een piloot hem overgehaald een half uurtje met hem te vliegen. Dat werd een noodlanding ergens in Zuid Holland. Vandaar het vreemde hoofddeksel dat hij droeg. Bij het verlaten van het Schulpengat kreeg onze kleine loodsboot het te kwaad toen een harde Noordwester woei. In plaats van Westelijk gingen wij Oost uit en zouden stranden als wij niet het Schulpengat hadden kunnen bereiken. Wij stookten briketten ,gemerkt O.N.,naar de naam van de mijn,Oranje Nassau. De stokers noemden deze briketten N.O.,Neerlands Ondergang. Ondanks gering machinevermogen was nr zes een goed zeeschip en wij hebben er nuttig werk mee verricht,veel zieken geholpen,reparatie van visserscheepjes en eenmaal een procesverbaal opgemaakt bij een ruzie tussen Engelse en Nederlandse vissers,wier netten in elkaar waren verstrengeld. Dat voorkwam vechtpartijen, want de visser die een stuk van zijn net had verloren, had nu een bewijs voor de verzekering. De haringscholen verplaatsten zich en het schip ging uit dienst. Voor mij als artilleriespecialist volgden bezoeken aan de Nederlandse fabriek voor vuurleiding toestellen met daarop een verblijf in Vlissingen,bij de afbouw van een nieuwe torpedojager bij de Kon.Maatschappij de Schelde. Wij hielden een voorlopige proef tocht op de Schelde,met als commandant Overste Ferwerda , die hield van met grote vaart door nauwe vaarwater te varen. Tijdens een donkere nacht liepen wij met vrij veel vaart de Sardijngeul binnen en ik waarschuwde hem dat de lichtenlijn niet goed zichtbaar was en dat wij hard liepen. Hij vond het onnodig daarop in te gaan,zodat ik zeide geen verantwoording meer te kunnen dragen voor de navigatie en hij nam het over. Even later passeerde ons een ton van de bank,die wij aan stuurboord moesten houden, aan bakboord. Daarop minderde Ferwerda snel vaart en zocht het goede vaarwater op. Sinds die tijd had hij wel meer vertrouwen in mij gekregen. Ik verschilde van mening met hem over de munitie aanvoer. De hijschkorven met patronen van 12 cm. werden door een schacht gehesen,wat bij stilliggend schip ongevaarlijk was,maar bij enige zeegang zou de hijschkorf zeker tegen de zijkant bonken en vroeg of laat een patroon naar beneden vallen, met de kans dat de slagdop ergens tegen zou stoten en de patroon exploderen. Ik wist wel een oplossing, heel eenvoudig twee geleide stangen waarlangs de hijschkorf zou glijden. De ingenieur van de werf was bereid die aan te brengen,maar Ferwerda moest zulks goedvinden. Geen sprake van,  ik mocht het onderwerp niet meer aanroeren. Toevallig werd ik naar Rotterdam op de volgende jager geplaatst en daar liet ik zonder meer verbetering monteren. Dat was de werf van Burgerhout,thans P.Smit. Toen wij in Soerabaja aankwamen,kwam Ferwerda aan boord,hij was divisiecommandant van de jagers,en gaf last de munitieaanvoer te demonstreren. Hij had een stopwatch in de hand en noteerde de tijden. Alles verliep vlot. Hij zei niets, knikte en verdween, maar de verbetering werd op alle jagers aangebracht. Mijn bewondering voor Ferwerda had een klein schokje gehad, maar ik bleef hem waarderen als een flink officier.

Vice-admiraal H. Ferwerda ( (1885-1942). Commandant Zeemacht Nederlandsch Indië 1936-1939

Nu ben ik iets vooruit gelopen want alvorens naar Ned.Indië te reizen, maakten wij met Hr.Ms. Kortenaer nog reizen naar Curacao en Suriname. Tijdens de eerste reis naar Curacao hielden wij een schietoefening op een tanker van de Shell met de bedoeling dat het schip daarna zou zinken. Wij hadden het aantal dwarsschoten geteld en dat  waren er veel, zodat het schip waarschijnlijk niet spoedig zou zinken,als wij alleen met onze niet explosieve granaten schoten.

Torpedobootjager Hr.Ms. Kortenaer waarmee de Booy verschillende reizen maakte

Vandaar een telegram in code met verzoek een paar springgranaten toe te staan als een soort genadeschot. In den Haag was het bureau Artillerie het daarmede eens,we kregen een telegram van de minister van Defensie dat er springgranaten mochten worden verschoten. Hoeveel? Dat wist onze commandant niet, die zelf het telegram had ontcijferd. Niet meer dan twee,was zijn conclusie. Een Venezolaanse sleepboot sleepte de tankboot en wij vuurden bij zeer zwaar slingerend schip tiental salvos af. De tanker bleef nu met enige slagzij liggen .Hoewel minstens de helft der salvo' s een treffer had opgeleverd, hadden natuurlijk lang niet alle treffers voor een lek gezorgd. Mensen met springmiddelen aan boord  zenden  vonden wij te riskant. Daarom vuurden wij op ongeveer 500 meter  twee springranaten af die doel troffen en even later verdween het schip in de diepte en de Ir. van der Stok, directeur van de Shell liet de champagne schenken .Wij waren allemaal tevreden over het resultaat en waren blij met de nieuwe vuurleiding. De volgenden dag werd de commandant verrast met een.telegram van de minister van Defensie waarin gevraagd werd ,waarom tegen de uitdrukkelijke order , met springgranaten was geschoten. Het bleek dat de commandant het telegram verkeerd had ontcijferd, wel begrijpelijk omdat  'niet  toegestaan' en 'toegestaan' een  regel onder elkaar stonden.  Dat is toen in de volgende druk gewijzigd in  het codeboek. Bij zijn eerste bezoek aan de minister van defensie Lambooy maakte de commandant zijn excuses. Maar zijne Excellentie wilde niet van excuses horen. De Marine moet toch kunnen schieten! Waarschijnlijk had het bureau Artillerie van de Marine het telegram doen verzenden. Een lesje voor de Marineleiding ,noch wel van een minister ,die vroeger majoor van de Landmacht was. Wij brachten ook een bezoek aan Suriname  en bezochten met de Gouverneur Nicokerie, een gebied waar de rijstoogst door hoge vloeden was bedorven. De bevolking ,voornamelijk Hîndoes,wilden nu geen belasting betalen. .Nog even langs de Bovenwindse eilanden en toen terug in Holland. Daar kregen wij zomerverlof en samen met mijn jaargenoot Post Uiterveer wilden wij een wandeltocht in de bergen maken .Het leek een aardig idee de pas over te trekken in de Alpen waar Hannibal met zijn olifanten was geweest. Maar waar lag die pas?
Een bezoek aan
de Koninklijke Bibliothee
k wees uit dat er wel 50 of meer schrijvers over Hannibal bestonden,en dat totaal geen zekerheid was ,welke pas hij met zijn olifanten was over getrokken. We hadden niet veel tijd, besloten een vertaling van Livius mee te nemen. Bijgevolg moesten wij verschillende passen aan ons oppervlakkige oordeel onderwerpen en zo waren we net weer op Italiaans gebied, toen we de vlakte van de Po konden zien,namen een paar foto's,hadden wel bordjes met Vietato Militari gezien,hetgeen volgens ons 'Welkom militairen betekende'. We gingen zitten en zagen twee mannen naar ons toe komen rennen. In mijn aantekenschrift.vond ik op:Dinsdag l4 Juni 1928: "Twee Alpini Milizia Italiani komen aangerend,ze heten Baardmans en Praatmans,arrestatie van de twee leden Hannibal en Company. Kiektoestel verstopt en niet gevonden, film aan directeur Post Uiterweer gegeven. Militaire zone, streng verboden. Bordjes staan volgens ons,verkeerd opgesteld. Afscheid van de Alpine Baardmans biedt sigaretten aan." Post Uiterweer was zo handig geweest over de Olympiade in Nederland te spreken. We verzwegen dat we officier waren. Wij leefden toen nog in de zeer verbreide mening in 'Nederland',dat Europese landen elkaar nooit meer zouden bevechten. Inmiddels volgden we wel diverse publicaties over de tocht van Hannibal. Lang was 'Alps and Elephants'van Sir Gavin de Beer,Londen,1955 het beste,maar de publicatie van Sir Dennis Proctor,Hannibals March in History,Oxford,1971 lijkt wel het laatste woord. Rest nog de vraag, waarom waagde Hannibal de tocht over land en trachtte hij niet uit de schepen en zeevaarders van zijn volk,de Phoeniciers,opnieuw een oorlogsvloot te scheppen,opgewassen tegen de Romeinen. Deze hadden door constructie van een landingsbrug successen bij de entergevechten behaald. De Romeinen hebben grondig alle bronnen over de Phoeniciers vernietigd. Denkbaar is ,dat Hannibal geen kans heeft gezien zijn handelsvolk, die hun schepen broodnodig had voor de commercie, tot deze opoffering te bewegen, terwijl hij over land optrekkende, zijn leger kon voeden uit de voorraden van onderworpen volken. Aangezien hij de zeeheerschappij niet bezat, kon Rome rekenen op de steun van een aantal bondgenoten en ook een leger naar Tunesië overvoeren.

We lagen rustig in de buitenhaven van den Helder, toen we plotseling naar Curacao vertrokken.Duizenden deden ons uitgeleide,want het bericht dat de rebellen van Venezuela de gouverneur van Curaçao hadden gegijzeld en overgevoerd, naar Venezuela was nu bekend geworden. Onze commandant gesteund door onze astronomische bestekken en de machinekamer,die het schip zuinig deed varen,bracht het schip in een goede week over. Wij liepen o.a. St Thomas aan waar een Amerikaans flottieljevaartuig lag, dat naar Curacao zou zijn gedirigeerd, ware het niet dat onze komst zulks overbodig maakte. Onze telegrammen aan de gouverneur van Curacao die inmiddels was teruggekeerd, werden niet beantwoord. We wisten dus niet in wiens handen het eiland was. Merende aan de kade zagen we kapitein Schlimmer van het KNIL staan die we in Suriname hadden ontmoet. Wij riepen hem toe: 'Hoe staat het hier?'.Hij riep terug: :  "Verschrikkelijk,al het bier is op". De Venezolanen, meest arbeiders van de Shell,waren verdwenen en de autoriteiten gaven elkaar de schuld. De geenszins lafhartige troepencommandant Borren werd nu het Zwarte Schaap....kreeg gevangenisstraf. In onze ogen droegen het Ministerie van Koloniën en het Ned. leger samen de schuld. Alvorens een detachement, Marine of Leger ergens te stationeren moet bekend zijn welke taak dient te worden vervuld; de nodige sterkte is van de taakomschrijving afhankelijk. Hier moest het leger vele taken verrichten en mogelijk is geen eens vermeld,dat paraatheid tegen een overval vereist was. Een drietal onderofficieren ,de wacht hebbende in het Waterfort hebben zich dapper verdedigd,doch werden door de Venezolaanse rebellen neergeslagen.
( Op het Internet is nog enige informatie over de overval te lezen, zie link Overval Curaçao 1929)

Terug in Nederland vertrokken we naar Indië en kregen in de golf van Biscaye zulk zwaar weer,dat de jol verbrijzelde en we een nieuwe jol in Gibraltar kochten, dat was in Januari 1930. In Indië werden wij ingedeeld bij de divisie torpedojagers onder Ferwerda. (Red. Deze man heeft een rol gespeeld bij de moeilijkheden die mijn grootvader A.F. Gooszen heeft ondervonden bij het tot stand komen van de Vlootwet, zie  hiervoor A.F. Gooszen elders op mijn website)..Er werd zwaar geoefend,het machinekamer personeel leed onder de hoge temperatuur en vochtigheidsgraad.

Op 2
Mei
1930 schreef ik naar huis: " Je moet wel physiek Al zijn om de doorlopende voorstelling van het eskader in actie te kunnen bijwonen. Bij gelegenheid van een bezoek van suikermensen vergeleken wij onze werktijden met die van de Suiker. In de zwaarste campagnetijd en we wilden onmiddellijk oversteken. Ik ben verplicht met potlood te schrijven ,omdat ik in het hospitaal lig met gemengde bacillaire dysenterie. Het gaat nu veel beter en ik denk over 14 dagen er wel uit te zijn." Ik ging eerder weg dan ik toen dacht. De dokter zei : het gaat goed, een particulier zou al naar zij werk gaan ! Ik antwoordde dat ik minstens hetzelfde als een particulier kon presteren .Hij haalde bakzeil, zei daar was geen sprake van vertrek,want alle organen hadden een douw gehad. Ik kon nog niet lopen en moest nog meerdere dagen liggen. Ik liet daarop een taxi komen,nam afscheid van mijn sympathieke Javaanse verpleger, een jonge man, die naar Holland wilde om zijn vak verder te leren. Ik vertrok met stille trom, stapte circa 100 kilometer in de bergen uit in het thans verbrandde hotel Nongkogjadja. Hier ging ik op bed liggen en kreeg zware hartkloppingen. De volgende dag maakte ik een wandeling en de volgende dagen een tocht te paard naar Ramboet Moja, een waterval. Gewandeld met een Duitser, vom Hofe ,die als jongen van 19 jaar naar het front was gezonden ,de oorlog had hem veel geleerd en beter ideeën bijgebracht,het was niet waar zoals Remarque beweert,dat er een generatie door gebroken was. Hijzelf was door de misère heen en vond het niet erg om alles te vertellen. Het boek van Remarque vond hij overigens wel goed.... was 6 maanden in de voorste linies geweest en tot zijn grote verbazing nooit iets gehad. Hoopt dat de politieke toestand van Duitsland zo zal blijven. De keizer in alle opzichten een fiasco.

23 Augustus 1930." Matroos Oentoen of hij naar de direkteur van de Neutrale school te Bongaran mag gaan. Deze had hem medegedeeld,dat zijn broertje al 20 dagen niet naar school gekomen was. Oentoeng had zijn broertje geld voor de school gegeven en was bang dat het geld naar de haaien zou zijn. Oentoeng is penningmeester van de Inlandse Bond der. matrozen te Soerabaja. Hij moet in de gaten gehouden worden. Overigens vallen de Inlanders wel mee.Zij zijn voor diverse functies ongeschikt, daarom moet het contingent laag worden gehouden. Daarentegen buitengewoon goed voor het schijvenwerk. lk heb hier order gegeven altijd vier Inlandse matrozen op de bamboeschijf,geen Europeanen erbij. Zij zijn dan halve wilden klauteren als geiten in de bamboestijlen, het mes tussen de tanden. Fantastisch in het felle zoeklicht,soms plonsen ze er af, dan met korte felle slagen naar andere delen van het vlet"..

Omstreeks dezelfde tijd: " Van Olm van Hr.Ms. Piet Hein,moest een drankje hebben, de dokter zei tegen de ziekenverpleger:geef maar de max. dosis,dan is alles meteen goed. Er mocht max 0.015 -0.2 gram belladonna in. De verpleger gaf toen 0.2 gram er was echter een drukfout in het boek,het had 0.02 gram moeten zijn. Resultaat:belladonna vergiftiging, van Olm moest een braakmiddel nemen.Gistermiddag kwam een konstabel van de Piet Hein buiten adem waarschuwen, dat de temperatuur in de munitiebergplaats 52 graden C. bedroeg. Wij allemaal er op af .Inderdaad was het zo, ieder moment konden wij in de lucht vliegen. Er was abusievelijk stoom in de munitiebergplaats geblazen,vlug alle munitie van boord, de patronen waren gloeiend".

Ik herinner mij nog de patronen in de bergplaats gevoeld te hebben en toen iemand gezonden naar de Chinees om blokken ijs. De geregelde controle bleek dus wel zin te hebben, later hoorde ik dat de munitie niet was afgekeurd, kennelijk zagen wij de zaak te donker in. Wij ankerden op 14 September bij Boeleleng op de Noordkust van Bali. Ik hoorde dat Post Uiterweer met een paar officieren tijdens een wandeling een oude Balinees waren tegen gekomen, die hen klapper moeda te drinken had gegeven. Omdat de man een oogontsteking had,hebben ze hem naar de dokter van de Piet Hein gezonden. Hij zou daar langszij komen met een prauw vol klappers.

20 Sept.'30."Ik diende bij de commandant een verzoek in om twee springgranaten te mogen afschieten op een schijf, gesleept door een vliegtuig ten einde een eenvoudig systeem te beproeven, dat een vliegtuig bij een aanval zou hinderen. Neen,eerst de divisiecommandant vragen. Deze zegt:eerst de eskadercommandant vragen .Deze vindt het te gevaarlijk. Het is moeilijk in vredestijd iets te vragen, dat risico schijnt op te leveren, in dit geval behoefde echt geen risico te worden gelopen ,als men speciale veiligheidsofficieren zou inschakelen. Mijn ondergeschikte Luit.t/z W.J.Kruys (later vice-adm.)wilde dat ik persoonlijk mijn systeem bij de commandant zeemacht zou bepleiten. Wij bleven niet lang genoeg in Tandjong Priok daarvoor,maar zou toch niet buiten mijn superieuren naar de commandant zeemacht kunnen stappen,gaf het dus op. In het in 1982 verschenen boek Van Geoffrey Brooke:Alarm Starboard' (Cambridge),staat hoe hij dit systeem eigenmachtig (het was wel oorlog) met een veel zwaardere batterij dan waarover ik beschikte met succes heeft toegepast. Wij bezochten Tjilatjap met de strafgevangenis,waar duizenden des nachts zijn opgesloten en overdag op de plantage werken, rubber tappen enz. Als er een man ontsnapt, gaat een vlag omhoog,aangevende tot welke bevolkingsgroep de vluchteling behoort. Dan gaan vrijwillig gevangenen van een andere bevolkingsgroep hem achterna en zodoende worden de ontsnapten meestal gepakt. De direkteur,die dit systeem invoerde (dat ruikt naar apartheid), was vroeger stuurman der koopvaardij. Hij woont vlak bij de gevangenis en zijn vrouw heeft gevangene als bediende.Zijn vrouw merkte dat een paar zilveren lepels waren verdwenen ,toen kreeg zij koppensnellers uit Borneo,die hadden een Engelse missionaris geheel volgens hun adat een kopje kleiner gemaakt .Op de duur kon zij de blikken van de koppensnellers niet verdragen als zij aan het vleessnijden was en nu heeft zij weer dieven. Ik ontdekte een paar scheuren in de mast, gaf deze in keuring, gisteren,lichtte de bok van de werf de voormast en zijn ook bij de Evertsen scheuren in de mast aangetroffen".
3 Februari 1931 "Gingen naar de lezing van Huizinga over Cola di Rienzi. De voorzitter van de Kunstkring bedankte als volgt..... dat er zo een grote opkomst is geweest Professor, kan ik niet anders verklaren dan door de vlotte en onderhoudende wijze waarop U de voordracht hield. Huizinga keek ietwat verbaasd ".
1 Maart 1931 " De toestand in Indië is merkwaardig rustig. De economische crisis schijnt het volk nog weinig te treffen ,al spreken de regenten op de conferentie ten Paleize zich somber uit. De P.N.I. affaire heeft het extreem nationalisme verschrikt,maar ongetwijfeld is het nationalisme groeiende ,speciaal het m.i, ongezonde nationalisme, dat voorop stelt los van het Westen." Ik schreef niet aan mijn vader,dat ik de rapporten van de Suikerbond las, waarin redevoeringen van Sukarno staan en daarvoor zelfs wel begrip kon opbrengen. De commentator van de Bond schreef:over 25 jaar zal het begrip Merdeka (Vrijheid) voor de Inlander even duidelijk zijn als thans het begrip Perskot ( Voorschot).
25 April
1931 "... van de week in een Fokker bommenwerper de oefening meegemaakt in de straat Madura, waarbij bommen op de oude jager Jakhals werden gegooid. Een machtig gezicht in een escadrille van 3 vliegtuigen op de aanvalsrun te gaan. Een nietige jager ver beneden ,langzaam voortgesleept door een klein sleepbootje. En dan de rijen bommen ,die uit drie vliegtuigen naar beneden glijden. Je kan ze ,terwijl je over de rand van het vliegtuig kijkt,zo aardig volgen. Dan passeren we rakelings een escadrille Dornier vliegtuigen,die uit een witte wolk te voorschijn komen. "
10 Mei
1931 " .... Het maakt een vreemde indruk op een Oosterse bevolking ,als het hoogste gezag naar Indië gestuurd wordt ,vergezeld van een aantal onvriendelijke commentaren van de Pers. Leider van de vergadering om te protesteren tegen de arrestatie van P.N.I. leiders,Thamrin, merkte m.i. niet ten onrechte op ,dat het vreemd aandeed,dat de Europese Pers ongestoord de G.G. mocht attaqueren, terwijl een Inlander opgepakt werd. "

Hierop volgde de detachering bij het KNIL in de bergen bij Bandung, schietoefening met berggeschut. Keurige regeling, een gehele vallei was hiertoe gereserveerd, de toegangspaden afgezet. Drie kanons,veel generaals, langdurige besprekingen voor en nadat een schot was afgegeven. Dispuut tussen een generaal der artillerie en kolonel Dormaar , schrijver van de interssante brochure: de Kunst van gehoorzaam te zijn. Vlak voor de oefeningen springen over hindernissen door generaal Gey van Pittius te paard. ln de eetzaal een groot vat bier. Tot slot lunch,Van Foreest merkte in zijn speech op,hoe bij het leger de artillerie statisch was en bij de Marine dynamisch. Hij eindigde door te herinneren aan het vlaggesein van admiraal Warrender op het Engelse vlaggeschip gehesen bij vertrek van Kiel; 1 Juli l914:Friends in past,friends for ever.

1 Juni l93l " Hr Ms. Sumatra is weer vlot na op een onbekend rif te zijn gelopen,diepe deuken tot wel 40 meter achter de voorsteven doch geen scheuren.16 Juni. Samen met collega Slot de Weliran (3200 meter) beklommen. Overnacht in Lali Djiwo (zoekende ziel) .Troffen er  Dr Hartman,Zwitser, beklimmer van de Grépon en de Aiguille du Dru,was nu bij de Vulcanologische dienst .Tien van de twaalf maanden van huis; zwervende met een mantri en een Makassarse bediende ,met wat koelies door de Javase en Sumatraanse wildernis. Hij mist alleen het skilopen. Carel van Asbeck,commandant van de Soemba,heeft mijn collega van de Poll in een zeilsloep gestuurd van Panaroekan naar Kambing,ongeveer 50 zeemijl. Tegenwind,stilte en stroom,41 uur in de sloep gezeten,geblakerd en dorst. Van Asbeck maakte een goede beurt door de Sumatra los te trekken ,werd bijna door de kruiser geramd, moest zijn anker laten slippen .Van Reede seinde in verband met het anker:hoe gaat het? Antwoord van Carel van Asbeck: de champagne smaakt goed. Waarop van Reede zei:alle mensen, ik moet natuurlijk ook champagne schenken ,hetgeen geschiedde."
31 Aug.'31 " Posthuma,commandant van de Pelikaan,sprak ter
gelegenheid van de verjaardag van hare Majesteit,de bemanning deels in het Hoog Maleis toe. Toen wij langs de Simpangclub reden, zaten nog een stelletje feestvierders in maskeradepakken na te fuiven. Het boek van de Kat Angelino is onleesbaar."
14 September '31 " Wij krijgen hier hevige salaris verminderingen,geen wonder, op deze wijze voortgaande raken wij failliet".
21 Oktober
'31 "Gedurende een drietal weken vervul ik hier de functie van waarnemend chef staf. Wij gaan hier bezuinigen en het zal mij benieuwen hoe onze Vlootvoogd met zijn 20 millioen kan rondkomen."
10 November '31 "Mede gegaan in een Dornier vliegboot naar gevechtschietoefeningen. Moest wegens benzinegebrek naar de achterzitplaats kruipen,daar kan je,als je niet uitkijkt de hand in de schroef steken, hetgeen vorige maand is aangetoond door een reserveofficier waarnemer,die thans enige vingers mist." "Wij gaan hier bezuinigen,de radiodienst geeft het goede voorbeeld,door met
een klein zendertje met behulp van een 130 meter hoge traliemast, de verbinding met Batavia te onderhouden. Dit bespaart f 1200 per jaar.
22 Sept.3
2 "Een Dornier vliegtuig kwam vanmorgen aangevlogen uit Ampenan met een Inlander, die een kronkel in zijn darm heeft en geopereerd moet worden."
12 Oct.'32
" Je zult uit de telegrammen wel gelezen hebben,dat de Krakatau tijdens inspectie in het Oostervaarwater van Soerabaja gebalkt is. Wij hadden net geluncht en zouden inspectie over het schip maken. Op de brug gekomen helde het schip plotseling sterk naar stuurboord over en kapseisde in
3 minuten. De radioman gaf op last van de commandant op het laatst nog s.o.s. af, dat door diverse marineschepen opgepikt werd. Misschien is een golf,door de zuiging van het schip ontstaan,naar binnen gekomen in het mijnenruim en daar het schip meer weinig stabiliteit heeft,kan dit de druppel geweest zijn,die de beker deed overlopen. Wij enterden het scheve dek op,klommen over de reling op de nu vlakke bakboordszijde van het schip. Uit de machinekamer klonk geroep. We lieten trossen afvieren om de mensen boven te halen, een bel luidde steeds, de schel uit de spen ( pantry) meen ik. De seiner was te water geraakt en zwom naar de mast. Hij werd teruggeroepen. Hij wandelde over de nu horizontale mast weer binnenboord en zeide: op deze manier ben ik nog nooit aan boord gekomen. Op de nu dek geworden scheepshuid, zaten groepjes Inlanders stil te kijken, een jonge Inlandse matroos, ziende dat wij niet bij de zwemvesten op de brug konden kernen door de scheve stand van het rugdek tijdens het omslaan,zei tegen mij: ik zal wel even een zwemvest voor U halen en kwam daar inderdaad na het omslaan mee aanzetten. Van Reede zei;'ik heb geen geluk', denkende aan het rif waarop hij met de Sumatra gelopen was. In de hut van de commandant, die voor driekwart onder water stond, haalde ik de verlaatrol en diverse bescheiden, onder andere een geheim oorlogsmemorandum,die ik naar boven doorgaf,gelukkig de verlaatrol, zodat het appel kon worden gehouden. Niemand vermist(meer) kon ik niet bergen,ammoniagassen maakten het onmogelijk ter plaatse te blijven. De dokter verbond de gewonden dank zij de verbandkistjes uit de sloepen. Strijken van de sloepen zou onmogelijk geweest zijn. Wij namen de gewonden mede op de Dornier,die wij lopende over de schroefas bereikten. Binnen 45 minuten waren 6 vliegtuigen ter plaatse. Kolonel van Reede *) heeft een gescheurde rib,niet ernstig. Nu zal het bergen nog niet meevallen,want de Krakatau zinkt natuurlijk in de klei of modder weg. De masten worden afgebrand en diverse zware gewichten verwijderd, (tijdens ons verblijf aan boord,viel met een plons de afstandmeter in zee,waarvan de opstelling niet op deze stand berekend was. Iedereen was tijdens het ongeval zeer kalm,al dachten de meesten,voor 90% komen wij hier niet levend af,zo was van enige opwinding niets te bespeuren .....het schip voer rustig kalm weg geen vuiltje aan de lucht maar in drie minuten weg. Het deed mij denken aan de verhalen uit de eerste wereldoorlog (Achibald Hurd, The Merchant Navy) maar met dit verschil dat wij boften met het ondiepe water, gelukkig. dat de ketels niet sprongen.Ik zag een golf water de schoorsteen in lopen,waar ik dicht bij stond en dacht er het mijne van...verder zal alles wel in de couranten staan".

*) Johannes van Reede (1883-1952), chef-staf Soerabaja, die toevallig ter inspectie op het schip was, met Alfred de Booy als adjudant. Daar hij ter plaatse de hoogste in rang was werd hij geacht de verantwoordelijkheid te dragen, met nadelige gevolgen voor zijn marineloopbaan.

Hr. Ms. Krakatau 

Er stond in de 'Waarheid',dat we de bemanning aan hun lot overlieten, hetgeen wat de gewonden betreft niet waar was,er was geen plaats in het vliegtuig voor meer,we moesten de hulpactie in gang zetten .Er waren bovendien verschillende mijnenvegers aanwezig, die de bemanning overnamen. De oorzaken van de ramp was het hoge snelheid over ondiep water varen, terwijl de mijnen luiken achter open stonden, omdat volgens programma buitengaats in straat Madura een paar mijnen zouden worden gelanceerd. De commandant had natuurlijk moeten zorgen,dat deze luiken dicht bleven totdat wij op diep water kwamen.Een Hoog Militair Gerechtshof (een Marine raad bestond nog niet) blameerde echter ook de inspecterende officier van Reede,want de commandant had een goede verdediger in de persoon van de oud chef Marinestaf,vice-admiraal Mr Jager. Volgens mij een ernstige fout van het HMG, waarin ook weinig marinemensen zaten. Een inspecteur kan onmogelijk alle details van een schip kennen en een inspectie dient juist om te bewijzen dat de commandant die wel kent. Deze had kunnen weten, dat het schip bij hoge vaart op ondiep water een golf achter zich kreeg, want hij was op een rivier in Borneo daardoor bijna in moeilijkheden geraakt.

Ik moest na terugkeer in Nederland voor de commissie van onderzoek verschijnen,waar vice-admiraal van den Bosch me vroeg wat precies de officier van wacht geantwoord had,toen de machinekamer opbelde. Waarom weet U niet wat gezegd is,de onderofficieren kunnen alle vragen beantwoorden, dat moet een officier ook kunnen ,aldus de admiraal. Nu kan ik wel in de buurt gestaan op de brug,maar had niet naar het gesprek geluisterd daarenboven had ik nimmer kunnen horen wat de chef machinekamer zei. Ik was dus ietwat giftig geworden en antwoordde: 'Als ik vijf minuten voor twaalf geweten had dat het schip om twaalf uur zou omslaan had ik zeker naar het gesprek geluisterd' De admiraal liep rood aan, maar Jonkheer Calkoen naast hem schoot in de lach en ik mocht vertrekken.

30 Nov.'32...."De bevolking is merkwaardig rustig,weinig geld schijnt voor de internationale propaganda funest te zijn. Toch vinden geregeld vergaderingen plaats van de Partai Nasional Indonesia,die druk bezet zijn".
14 De
cember '32 "....De kolen zijn op Sabang 16 en op Soerabaja 25 gulden per ton, zodat het goedkoop uitkomt dat men op Sabang vollaadt"
26 Dec '32 "......Er ging een gerucht,dat het water aan boord Hr.Ms. Java zo slecht was, en 't een dode koelie in het ruim gevonden.  Wel waren 'coli' bacterien in het water gevonden.... Aneta seint de meest krankzinnige dingen, waar maatschappijen achter zaten, omdat wij alles zelf konden doen, de Marine het stilzwijgen bewaarde en alleen toen de berging klaar was de Pers inviteerde".
5 Januari 1
933,... "We zitten hier in Soerabaja weer in de moeilijkheden. Vanmorgen telefoon uit Batavia dat de korting voor de Marine, zij het minder dan oorspronkelijk verwacht, doorgaat en dat dit per Koninklijk besluit is vastgelegd. Ongelukkiger tijdstip is niet denkbaar. Wij krijgen juist weer drie vrije dagen (Mohammedaanse feestdagen) en de Vloot is weer binnen. lk ben benieuwd of men elkaar in deze drie dagen weer op zal winden. In ieder geval is dit de juiste methode,om als men een algemeene dienstweigering persé wil hebben,deze uit te lokken. lk geloof niet, dat het zo'n vaart zal lopen, maar we hadden gedacht dat de invoering van een korting beter voorbereid zou zijn.  Scalongne kan de zaak wel aan, het is jammer dat hij niet in Batavia zit om de leiding van het departement op zich te nemen.De Marine zal nog eens failliet gaan,omdat men verzuimt, net als bij de Landmacht geschiedt, enige jaren van te voren de geschikte leider voor hogere functie uit te kiezen....".  Inderdaad kwam het tot algemene dienstweigering van het Europese Marine personeel te Soerabaja, zij het dat velen het met tegenzin uit solidariteit of omdat ze door brieven van hun familieleden beinvloed waren. De brief,die ik hierover aan mijn vader schreef laat ik hieronder volgen.
Februari '33
".... Je zult wel benieuwd zijn naar de Marine-nieuwtjes uit S/baja. Hieronder een kort exposé.Tot 31
December was het personeel in spanning gehouden of de korting van l7% ook voor het marinepersoneel zou doorgaan. Op het laatste ogenblik kwam een telegram , waarin aangekondigd werd, dat de 10 percent korting voorlopig gehandhaafd en dat een nadere regeling zou volgen. Dat telegram,de letterlijke tekst van het door de commandant zeemacht aan ons geseind werd door de eskadercommandant en de marinecommandant op de schepen aangeplakt,om geen misverstand kon ontstaan. De bonden werden bij CMR (marinecommandant Soerabaja) geroepen ,teneinde een aangekondigde vergadering van Inlanders en Europese schepelingen te verbieden. Bij dit onderhoud vroeg men de GMR nadere inlichtingen (toelichtingen) aangaande het radiogram. Men vreesde ,dat als de vloot uit was,de korting zou afkomen. CMR zeide niet te weten wanneer de korting zou worden verhoogd, maar dat het niet geloofde dat de marineleiding zich tot minderwaandige trucjes zou verleiden. De bonden wilden het nu doen voorkomen,alsof CMR beloofd had, dat voor de nieuwe regeling eerst overleg met het marinepersoneel zou worden gepleegd en dat men pas in Juli of zo een nieuwe regeling zou kunnen verwachten. Op de audiëntie bij CZM op 28 Januari heeft de bond van minder marinepersoneel echter erkend, dat ze van CMR geen bepaald tijdstip hadden vernomen en dat het tijdstip uit de courant hadden gehaald. Men lanceert nu geruchten in de Pers, alsof CMR aan CZM bij deze audiëntie zou hebben verklaard zich vergist te hebben .De waarheid,is,dat de hondsbestuurders op de vergaderingen het verhitte gemoed van Janmaat peilend,vreesden voor algemene dienstweigering "

Op 1 Januari 1933 en nu hoopten door te zeggen, dat men voor enige maanden safe was,het gevaar af te wenden. Men heeft niet voldoende overwicht op de vergadering als de belhamels aan het woord komen. Het telegram van 25 Januari,dat de korting bij K.B. van 21 Januari '33 zou doorgevoerd worden(zij het voor de meeste een 14% korting) werd met verontwaardiging ontvangen. Helaas waren op 27,48 en 29 allen zondagen(Poeasa) en de gehele vloot,behalve de Zeven Provinciën binnen. Dus drie dagen van vergaderen. Na de eerste vergadering (besloten zitting in de Concordia societeit) van Bonds korporaals tezamen met de bond van minder marinepersoneel (600 man aanwezig) liep men na afloop weliswaar ordelijk maar toch zonder verklaarbare reden op het warmste uur van de dag langs Gemblongan naar Pasar Besar. Wij kregen telefoonbericht,stuurden een marinepatrouille op verzoek van de Politie. Natuurlijk was het een demonstratie, al zegt de Bond: het was geen optocht. Inderdaad geen opschriften,geen liederen aangeheven. Bij 'Onderling Belang' door Politie optocht tegen gehouden,de Sergeant Mariniers en vijf man waren voldoende om de optocht van 150 man te ontbinden. Een matroos in arrest, die opstookte om door te blijven gaan. Daar 's- midadgs CZM per vliegtuig aangekomen,Bonden op audiëntie bij CZM in huis Eskadercommandant. Ik hield de notulen bij. Na afloop vergaderverbod bekend gemaakt,gegrond op art.17 reglement van de Krijgstucht. Zaterdag 28 Januari s-morgens kwasi toevallig begon zich een soort optocht te vormen bij de Rode Brug. Door Politie en marinepatrouilles het personeel zoveeel mogelijk naar noord teruggestuurd. Des middags verbod bekend gemaakt om met meer dan 5 man, tezamen in het openbaar te zijn. Des avonds ongeveer 4 marinepatrouilles onder officieren aan de Oedjoeng,Perak en de Bovenstad. Verschillende zich formerende groepen uiteen gejaagd, Marinepersoneel ordelijk,doch demonstratief gezind. Zondagavond liep men in. groepjes van vijf man voor het huis van de eskadercommandant. Alles geconsigneerd.Des avonds officiersposten uitgezet aan boord bij belangrijke punten. Alarmerende berichten waren aanleiding om ten 0130 twee compagnien uit Malang aan te trekken. Deze zijn,toen telefoon bericht kwam van Hr.Ms. Java,dat de Europese korporaals en manschappen niet op baksgewijs kwamen,naar de Oedjoeng gedirigeerd en zijn buiten het werfterrein aan de Dokweg blijven staan (Menadonese compagnie) .Het bleek om 0636 dat,zoals wij reeds vermoédden, alle Europeanen elkaar hadden beloofd à la Anglaise te staken(zoals bij de Mutiny te Invergordon). Zeer ordelijk, zeer militair,doch zeer onmilitair omdat staking niet geoorloofd is. Resultaat ten ongeveer 0745 :alles aan het werk,45 arrestanten,waaronder enkele sympatiserende Inlanders. Deze in bussen geladen onder geleid van de Landmacht naar Malang. Natuurlijk zijn dit lang niet alleen belhamels. Er zijn zeer behoorlijke lui bij,die zich verplicht voelden hun solidariteit met hun kameraden te bewijzen. Het gehele eskader liep op tijd uit en komt circa 10 Februari weer binnen. Op de Zeven Provinciën  absoluut niets gebeurd.(het is alsof ik een voorgevoel had dat daar iets zou gebeuren). Ik vroeg direkt na aankomst van de commandant zeemacht aan diens adjudant Luitenant t/z J.J. Wichers: Is het wel verstandig de Zeven helemaal alleen zover weg te zenden? Antwoord: dat is juist prachtig! Evenmin iets gebeurd op de Prins van Oranje, evenmin op de Marinekazerne Goebeng. Verder bij de meeste inrichtingen na de eerste vermaning allen aan het werk. Bij de Java duurde het 't langst en gaf men bedenktijd ,gevolgd door een tweede maal baksgewijs,waaraan alles gevolg gaf. De korting op de Inlandse salarissen is nog, denzelfden morgen bekend gemaakt. Wij wachten af of deze nog wat doen. Naar verluidt is het vertrouwen van het marinepersoneel in elkaars solidariteit geschokt en vindt men dat door de commandant en officieren met veel tact is opgetreden. De belhamels zullen nu wel bekend worden. Het kan een goede opruiming worden. Jammer van de gedupeerden....

Terugkomend op de dienstweigering van het Europese personeel: de torpedojager van Kap.Luit.t.z Doorman (de latere schout bij nacht Karel Doorman) voer op  tijd uit, vóór de andere schepen.

Schout bij nacht Karel Doorman

Hij had een officier een geladen pistool gegeven en gezegd: als ik vuur zeg schiet je. Hij sommeerde een kwartiermeester naar de bak te gaan en beval de officier te richten en zei: ik tel tot drie en dan laat ik schieten. De kwartiermeester zag dat het er ernst was en ging. Toen volgde de rest vanzelf. Ik vroeg Doorman of hij niet wist dat de commandant zeemacht had bepaald dat geen geweld mocht worden toegepast, " Zeker, maar ik dacht WAT ZOU MIJN OOM ROBERT GEDAAN HEBBEN is voor mij het belangrijkste (Zijn oom was generaal in het Ned. leger). Mijn chef de marinecommandant was evenmin vreesachtig uitgevallen. Hij had een klewang in zijn auto, en zei: "als iemand zijn hoofd hier naar binnen  steekt, sla ik het er"af". Later met hem in zijn auto rijdende droeg hij zijn monocle. Ziende dat ik er naar keek,vertelde hij hoe prettig een monocle was als één oog minder goed was dan het andere. Er zijn notabene mensen die zeggen denken dat ik uit ijdelheid ,een monocle draag.Tot die mensen had ik ook behoord.Over de gebeurtenissen die nu op ons af kwamen bezit ik geen schriftelijke bewijzen. Ik had het te druk om te schrijven. De chefstaf was ziek.

Op 5 Februari vergezelde ik de marinecommandant s- avonds naar de Cercle Artistique.Daar werd ik aan de telefoon geroepen en vernam dat aan boord van Hr.Ms. de Zeven Provinciën muiterij was uitgebroken. Ik fluisterde kolonel Scalongne toe, dat wij onopvallend moesten vertrekken. Buiten  kon ik hem vertellen ,dat op de Zeven Provinciën muiterij was uitgebroken en dat het schip ter rede van Oleheh nabij Sabang was overmeesterd en onderweg naar Batavia. Kort daarop kwam het telegram "Scombro' (makreel) voor ons geen vis,doch de plicht de envelop met strategische voorzorgsmaatregelen te openen. lk herinnerde mij hoe de vorige chef staf tegen zijn opvolger zei,op deze envelop wijzende het ergste dat je overkomen kan,is dat je deze envelop moet openen. Het was dus zover,men dacht werkelijk dat de Japanners oorlogshandelingen zouden gaan plegen. Nu was ik de enige stafofficier,doch kon nog hulp krijgen van de jeugdige Luitenant ter zee J.F. van Dulm (later commandeur en ridder M.W.O.).

Luitenant ter zee J.F. van Dulm

Wij moesten nu batterijen doen opstellen bij Tarakan en Balik Papan,de kweekschool voor Zeevaart te Makassar sluiten. Lichters huren voor het vervoer van zeemijnen naar de oliehavens. De dienst de Zoutregio, die geschikte lichters bezat, sleepte juist enige lichters van Batavia naar Soerabaja. Toen ik het hoofd van de Dienst opbelde bleek hij juist  te zijn overleden. Ik requireerde dus de lichters, dat lukte en mijn belangstelling voor dirigerend optreden nam toe. Daarop volgdë een telefoontje van de commandant zeemacht te Batavia, die mij opdroeg een rapport samen te stellen ,na onderzoek, over de moeilijkheden met het Indonesisch personeel, waarvan sommigen de muiters op de Zeven hadden gesteund. Toen de facteur toevallig even later langs kwam lopen met een grote postzak,wenkte ik hem binnen en liet hem de zak leeg storten en nadere censuur door van Dulm geschieden.Het resultaat was brieven in Javaans,Soendanees.Bataks spijkerschrift etc.Ik liet een stempel maken met 'geopend door Marine-censuur' ,dat op de weer gesloten enveloppe kwam, die daarop werd doorgezonden. Natuurlijk kwamen na enige tijd klachten uit Batavia,maar toen hadden wij al een inzicht in de situatie ,dank zij het onverwacht instellen van de maatregel. Wij gingen nog een paar dagen door onder het motto alleen verdachte gevallen te censureren. Het bleek mij dat een Inheems stoker op de Assaham correspondentie onderhield met een toekomstig zelfbestuurder in Malaya. (naar ik meen van onschuldige aard), dat een Chinees in zijn toko Communistische lectuur verkocht(de Politie gaven wij zijn adres,ik meen dat de toko gesloten en de Chinees gearresteerd werd) .Er waren onder het Inheemse personeel nogal wat kinderlijke misschien onschuldige clubjes als de  Banteng, enz. Maar enkele  Inheemse ouders waarschuwden hun kinderen vooral niet tegen het Ned. gouvernement te ageren zoals één schreef:zij hebben ons altijd tegen de vreemde Oosterlingen beschermd.Ik gaf order, gesteund door de luitenant t.z  J.F.van Dulm,tot veel kastjes inspecties,liet enkele verdachte personen arresteren, doch kon ten slotte slechts rapporteren, dat ik geen rechtstreekse band met China of Rusland kon aanwijzen wel uitingen van  extreem nationalisme had aangetroffen, die waarschijnlijk indirekt door stroming in Rusland of China waren aangewakkerd. Professor L. de Jong heeft in een zijner delen over Nederland in de Wereldoorlog verklaard, dat een Russisch of Chinees agent gedurende enige tijd in Soerabaja is geweest, dat is natuurlijk niet onmogeljjk,maar onze gegevens geven geen aanleiding tot de veronderstelling, dat een wijd vertakt complot geleid door een buitenlandse organisatie bestond. Belangrijke assistentie gaven twee Javanen,leerlingen van de bestuursschool in Bandoeng,compleet met hoofddoek, zeer intelligent en loyaal. Waarschijnlijk kwamen zij uit feudale kringen, die zich evenzeer als het Nederlandse gezag, bedreigd gevoelden door een eventuele revolutie. Zij vertaalden ijverig de onleesbare schrifturen en waren van onschatbare waarde. Hadden wij maar eerder ingezien, dat de Koloniale periode in de gehele wereld ten einde liep en onze bakens verzet, in eerste instantie tot een autonoom bestuur door inheemse intellectuelen,waar de gouverneur generaal van Limburg Stirum trachtte de Indische samenleving rijp voor te maken,al zou het niet gemakkelijk zijn geweest. onze particuliere ondernemers en het Nederlandse volk daarvoor te vinden.

-----------------------------------------------------------------------------------

Tussenvoegsel:
In 1934 is er een rapport door de Algemeene Landsdrukkerij uitgebracht onder de titel : Ongeregeldheden bij de Koninklijke Marine in Nederlandsch-Indië in den aanvang van 1933.  Vele publicaties zijn daarna gevolgd:1934  J. C. Mollema Rondom de muiterij op de "De Zeven Provinciën". In 1975 heeft de tegenwoordige directeur van het Nederland Instituut voor Oorlogsdocumentatie Dr  J.C.H. Blom er zelfs een proefschrift aan gewijd  met als titel De Muiterij op de Zeven Provinciën. Reacties en de gevolgen in Nederland.  Een van de muiters Maud Boshart heeft een verhaal over de muiterij opgeschreven nadat hij was vrijgelaten in 1937 . Hij vindt echter geen uitgever voor zijn verhaal. Pas in 1978 heeft H.J.A. Hofland  zijn verhaal, voorzien met een inleiding, uitgegeven  bij Bert Bakker Amsterdam.  Zie link Maud Boshart

In een bundel Met alle geweld. Botsingen en tegenstellingen in burgerlijk Nederland is een artikel opgenomen van Elly Touwen-Bouwsma: Muiters of vrijheidstrijders - Indonesische reacties op de muiterij op de Zeven Provinciën Uitgever Balans. In september 2005 komt er een derde druk uit van het proefschrift van Dr  J.C.H. Blom waarin hij bepaalde kritische geluiden op zijn  proefschrift in 1975 probeert te weerleggen. Kortom de muiterij op de Zeven Provinciën heeft veel stof doen opwaaien . De onlusten in West Java en Sumatra  in 1926/27 vormen eigenlijk het begin van het opkomend nationalisme en vindt haar logisch vervolg in de Muiterij van 1933. Het verband tussen deze twee vormen van protest tegen het Nederlandsch gezag is mijn inziens in al deze publicatie onvoldoende belicht. Het doel om aan de Muiterij een apart hoofdstuk te wijden is om dit verband nader toe te lichten. Uiteindelijk heeft het via de politionele acties in de 1947-1949 geleid tot de soevereiniteit overdracht in 27 december 1949. Over deze muiterij en haar gevolgen heb ik een apart hoofdstuk gewijd.  Zie link  Muiterij 1933
Einde tussenvoegsel;

-----------------------------------------------------------------------------------

Vice-admiraal J.F. Osten, commandant van de Nederlandse zeemacht in Nederlands Indië

Ik mocht nu naar Nederland terugkeren, doch moest mij afmelden bij de commandant der Zeemacht, die met belangstelling ons rapport over de stromingen onder het Inheemse personeel had gelezen. Aan boord van de Marnix was ook Russel Pascha, Engelsman,hoofd van de cocaïne bestrijding in Egypte,die bij van Limburg Stirum in Berlijn ging logeren. Het had volgens hem geen zin met een kameel verdovende middelen binnen te  smokkelen. Men moest een schip met piano's sturen, en enige met verboden waren vullen,maar in de eerste plaats moest de douane worden omgekocht. Hjj had door een vliegtuig luchtfotos laten maken van de Egyptische velden, waardoor de plaatsen gevonden werden, waar de papavers groeiden die de opium leverden. In Nederland werd mij op het ministerie de post van chef de cabinet van de minister van Defensie aangeboden. Ik wilde liever varen en bedankte voor de baan. Zo werd ik eerste officier bij mijn vroegere chef van Reede. Ik moest iedere ochtend dwars door Amsterdam rijden op de fiets en kon dan de revolutionaire en pacifistische leuzen lezen, waarmee de muren en straten volgekalkt waren. Op het terrein achter de Marinekazerne op Kattenburg werd gevoetbald.De z.g. koning van Kattenburg,communist,vroeg toestemming om door zijn club enige uren per week het voetbalveld te mogen gebruiken,wat ik toestond. het veld moest eerst nodig bemest worden. Ik wist dat een neef in kunstmest handelde en bestelde een hoeveelheid van deze stof .Toen belde hij mij en vroeg waar het terrein lag waar ik over gesproken had. Daarop zei hij dat de hoeveelheid die ik besteld had genoeg was voor de oppervlakte van Amsterdam,hij zou echter wel iemand zenden met een paar zakken ,dat was voldoende.

Toen moest ik onverwacht naar Hoek van Holland reizen voor de inspectie van een flottieljevaartuig uit de West,dat zou geïnspecteerd worden door de vice-admiraal uit den Helder en zijn chef staf Overste Jolles, waarbij de batterij van l5 cm ook zou moeten schieten. Ik liet tijdens het schieten de schakelaar van het electrische net uittrekken,waarop de vuurleider geen kans zag nog een schot te lossen, terwijl hij zeer eenvoudig per telefoon de kanons had kunnen laten vuren met z.g. persoonlijk richten en vuren. Dat speet mij voor betrokkene, die ik als jongste jaar op het instituut had gekend als een intelligent en serieus persoon,maar kennelijk had men in West Indië weinig aan schietoefeningen gedaan. Kort daarop werd ik als adjunct chef van de staf in den Helder geplaatst. Ruzie met mijn hospita bracht tijdelijk enige afleiding, maar ik verlangde terug naar het vrolijke leventje in Soerabaja. Met Pasen mocht ik de stelling niet uit en zocht mijn heil in de Marineclub. Het was kil weer, 'ik was de enige bezoeker' en liet de haard opstoken. Weldra kwam de admiraal binnen,ik stond op en hij knikte mij toe. Hierop vroeg hij aan de kastelein:waarom is de haard hier aan, als er niemand is. Ik kreeg toen het gevoel,dat ik hier weg moest zien te komen,maar wist niet hoe.
Weldra kwam Karel Doorm
an en overste Jolles aflossen,die tijdens de oorlog als commandant van de Stelling den Helder de capitulatie medemaakte en zulke op uitstekende wijze heeft gedaan. De politie waarschuwde mij dat een onbekende een of andere streek zou uithalen. Het was al na acht uur s'avonds en het leek mij verstandig om overste Doorman te waarschuwen. Hij luisterde aandachtig en zei: wij gaan de oude heer wakker maken. Even later stonden wij voor het paleis .De admiraal vond het geval ernstig. Wij kregen de opdracht de walinrichtingen te alarmeren. Nadat wij ieder een paar inrichtingen alarmeerden, kwamen wij weer terug voor het paleis en hoorden toen dat admiraal had willen controleren of wij zijn opdracht hadden uitgevoerd,hij had zich in civiel gestoken en was door een schildwacht aangehouden. Doorman vroeg mij of ik voor de Krijgsschool voelde, daar leer je paardrijden Ik werd op de lijst gesteld,mijn voornaamste motief was dat ik onder deze admiraal weg wilde. Ik was onder meer belast met de grafiek van het brandstofverbruik der wal inrichtingen, dat moest iedere maand minder worden onverschillig of het vroor of dooide. Een jeugdig officier zei, dag hij geen
verf kon krijgen voor de longroom der officieren een redelijk aanzien te geven. Hoeveel verf heb je nodig? Hij zei 25 KG. Maak een aanvraag voor 50 KG. Daar mede ging ik naar de admiraal. Ik heb een buitengewone aanvraag van een torpedoboot voor 50 KG verf. Ik zou adviseren om de helft toe te staan. Zo gebeurde ,de betrokken officier had zich verbonden zijn mond te houden. Doorman ging geregeld naar het vliegkamp de Kooy ,dan vloog hij een uurtje. Het is triest te weten dat hij onkundig bleef waar de vijandelijke transportvloot zich bevond. Hij wist dat het een hopeloze strijd zou worden. De latere schout bij nacht van de Technische Dienst de Vries vertelde mij, dat vlak voor zijn vertrek de eskader commandant tegen hem zei:jij zal straks gedroogde visjes eten in een Japans kamp en ik heb dan mijn buik vol zeewater. Hij moet geweten hebben dat de regering wilde dat de vloot vocht, ook als de uitslag negatief zou zijn en zal hebben gedacht; MIJN OOM ROBERT ZOU OOK GEVOCHTEN HEBBEN.

In het najaar van l934 begon mijn tweejarige cursus aan de Hogere Marine Krijgsschool in den Haag, waar ik niet alleen heb leren paardrijden, doch ook begrip dat het aanpakken van een probleem niet ieders werk is. Mogelijk was ik niet één van de harde werkers,want een mijner collega's zei tegen admiraal Furstner naar aanleiding van de ingediende opstellen, de Booy voert niets uit, waarop de direkteur riposteerde: "als hij goed werk levert is dat ook niet nodig!''    

Admiraal Furstner

Het meest genoot ik van van de strategische kaartoefeningen. Zo werd ik aangewezen als commandant zeemacht in Ned.Indë terwijl mijn collega Jhr. H.A. van Foreest Japans admiraal moest spelen en een eskader kreeg ter verovering van onze Kolonie. Op hulp van bondgenoten mocht niet worden gerekend, dat was wel in overeenstemming met de werkelijkheid zeven jaar later. Ik besloot een groep jagers naar de Palau eilanden te dirigeren,in de veronderstelling dat daar tankers of andere voorraadschepen lagen. Dat klopte en de 'Japanse admiraal'  moest zijn aanval veertien dagen uitstellen.

Na afloop van de krijgsschool volgde plaatsing bij de marinestaf in den Haag,afdeling artillerie,waarbij dan af en toe een bezoek aan Londen mocht worden gebracht uit hoofde van mijn functie als marineattaché aldaar. Minister Colijn had vanwege de toenemende spanningen op internationaal gebied (Spaanse burgeroorlog),nodig geoordeeld contacten te leggen met Berlijn,Parijs en Londen. Gezien een motie van de Tweede Kamer genomen na het z.g Washington agreement, dat oorlogsgevaar niet waarschijnlijk was en bijgevolg het winnen van inlichtingen over bewapening geldverspilling  kregen de aangestelde officieren de standplaats den Haag  Het leek mij verstandig contact te zoeken met vice admiraal K.F. Sluys, die in 1922 zijn post als marine attaché had moeten opgeven. Hij raadde mij aan de betrekking niet te aanvaarden,er was geen sprake van, dat ik enige belangrijke inlichting ooit van de Britse admiraliteit zou ontvangen. Gelukkig legde ik dit advies terzijde,al was het wel juist. Bij het opruimen van het stoffige archief van marineattaché in de kelder van de Ned. legatie vond ik een briefje ,luidende:

Seek not to know what may not be revealed,
Joys
only flow where fate is most concealed
Too busy man
would find his sorrows more
If future fortune he could know before (John Dryden,1631-1700
)

-------------------------------------------------------------------------------
Tussenvoegsel

Brief van Kapitein ter Zee K.F. Sluys uit Londen 1 maart 1922 aan de minister van Buitenlandse Zaken Jhr A. C. G. de Gra
eff  's Gravenhage,

Ik heb de eer Uwer Excellentie te berichten, dat ik uit gesprekken met officieren van de Admiralty behield, dat men aldaar ons nieuwe vlootplan niet sympathiek gezind is. Ik moet hier aanstonds aan toevoegen dat ik de hoogste autoriteiten van dit College slechts zelden of nooit te spreken krijg, zoodat mijn indruk berust op de meningen geuit door wat men kan noemen tweede rangs  autoriteiten. Ik geloof echter dat deze zich niet aldus zouden uiten, indien ze niet wisten dat de hogere autoriteiten er mede instemmen. Kleine landen, zegt men, doen verstandiger hun veiligheid te waarborgen door "agreements" met hun sterkere broeders dan door groote vloten. Mijn tegenwerping,dit gegeven de omvang van ons koloniaal Rijk in het Oosten, deszelfs geografische ligging, de politieke en strategische verhoudingen aan den Pacifieken Oceaan en het feit dat onze vloot sterkte thans vrijwel tot nul is gedaald, het vlootplan toch uiterst bescheiden is, wordt niet onomwonden toegegeven. De mentaliteit van den Britschen zeeman begrijpt niet een vlootindeling en organisatie, waarin een onderdeel en wel verreweg het voornaamste uitsluitend bestemd is voor de verdediging ener kolonie. Ze neemt de organisatie van haar eigen vloot, waarin in het moeder.........behoudens enkele nauwelijks in aanmerking komende financiële of locaal-materieel bijdragen der Dominions als standaard voor hun  beschouwingen en beoordeelingen van vreemde vlootorganisaties. In deze gedachtengang beschouwt ze de ontworpen vloot in verhouding tot ons kleine moederland, en vindt haar bedenkelijk groot. Ook ziet men in deze vlootuitbreiding onmiddellijk nu de Washington-Conferentie een voorbeeld dat indien het aanstekelijk mocht werken op andere kleine naties niet zonder gevaar is voor de Britsche superioriteit. Een vraag, welke mij werd gedaan was tegen wie de vlootuitbreiding gericht is. De geografische gesteldheid aan de Pacific brengt mede, naar men vermeent, dat zoolang  geen zekerheid bestaat t.a.v van de houding welke Nederland in een Pacifiek conflict zal innemen, het Britsche Rijk in de eerste plaats door de vlootuitbreiding wordt bedreigd en er voor beducht moet zijn. Hoewel vooral met het oog op de inderdaad zeer bescheiden afmetingen van onze vlootuitbreiding de hier weergegeven beschouwingen en bedenkingen mij overdreven en bovendien zeer zelfzuchtig en daarom onredelijk voorkomen, heb ik toch gemeend ze ter kennis van Uwe Excellentie te moeten brengen. Ze weerleggen het door de oppositie in de Kamer steeds weer te berde gebrachte argument dat al het geld aan maritieme defensie-middelen besteed, weggegooid geld is omdat die middelen toch geen gewicht in de schaal leggen. Onafhankelijk van het voorgaande  hoorde ik van onderzeebootofficieren van de "Admiralty" de meening uiten, dat de inlander ten eenenmale ongeschikt is om een element te vormen in de bemanning van onderzeebooten. Wij hebben echter op dit gebied·onze eigen ervaring en bovendien kent de Brit den inlander van den Archipel niet. Zijne meening in deze heeft dus voor ons niet veel waarde.

Einde van de brief van K.F. Sluys

Uit 'Voor U persoonlijk' Brieven van minister van buitenlandse zaken jhr A.D.G. de Graeff aan gezant J.P. graaf van Limburg Stirum (1933-1937). Uitgegeven door W.J.M.Klaassen Ned. Hist. Genootschap /Verloren.  's- Gravenhage ; Hilversum1986

pagina 128 Uit de
brief van Den Haag 5 april 1936:
"Naar aanleiding van uw brief van 25 maart gaf ik instructies ter voorkoming van hetgeen is voorgevallen met de decoratie aan den marine-attaché Rivagen: Zooals ge weet, krijgt gij nu ook een militairen attaché (kapitein Sas van de Generale Staf). Er is er al een te Brussel (Van Voorst Evekink) en men zoekt: een marine-attaché voor Londen. Wij hebben - het is een gedachte Snouck, die bij Colijn in goede aarde viel - het Fransche voorbeeld gevolgd: van stafofficieren, die normaal hier op het stafbureau blijven, te accrediteeren als militaire of marine-attaché's, die dan als er aanleiding voor is, naar het. buitenland gaan. Dat kost alleen wat reis- en verblijfkosten en de begrooting:wetgever blijft er buiten. In ieder geval is het beter dan in het geheel geen attachés. Japan is ook geholpen met een marine-attaché, die zoogenaamd de taal komt bestudeeren"

Einde toevoegsel

-------------------------------------------------------------------------------.

Kort daarop maakte ik de ronde langs de verschillende sealords van de Admiralty. Admiraal Chatfield vroeg of ik nog een speciale boodschap had over te brengen,hetgeen ik moest ontkennen. De chef marinestaf had mij twee namen van Engelse zeeofficieren opgegeven,een was in Austral en de ander overleden. Vice-admiraal Sir Reginald Henderson,chef materieel,had tijdens de eerste wereldoorlog bij Lloyd George het convooisysteem bepleit buiten medeweten van Jellicoe. Do not give up jour air control, zei hij nadrukkelijk,omdat de Admiralty dit wel had gedaan en pas toen de verliezen van de koopvaardij in deze wereldoorlog te hoog opliepen, de operationele verantwoordelijkheid voor zee en lucht operaties zou terug krijgen. Toen ik vertelde over onze waterlinie zei hij: you cannot not flood your country in the air. Hij bouwde vliegkampschepen met gepantserde vliegdekken,waardoor de Engelse vliegkampschepen na kamikaze treffers bleven doorvechten terwijl de Amerikaans schepen uitvielen. Henderson had geen papieren op zijn bureau liggen en deed het voorkomen dat alles door de mensen onder hem werd geregeld,maar hij overleed in 1939 overwerkt.Vice-admiraal Sir Percy Noble had waardering voor onze Marine,want toen een van onze schepen voor Scheveningen tijdens kroningsfeesten van de ankers geslagen hoog en droog zat,paradeerde de bemanning en had drie hoezee's gegeven.Als waarnemend militair attaché bezocht ik generaal Sir John Dill, die mij  hartelijk welkom heette. Op 10 Mei 1940 vroeg hij,waarom vraagt U  nu pas hulp? Dr Colijn liet mij roepen .Hij begon over Engelse hotels te praten, daarna hoe klein een schip uit de lucht gezien was. Als een lucifers doosje.zei hij (De Duitsers:hadden hun duikaanvallen nog niet uitgevoerd ). Ik kreeg een brief mede voor Sir Samuel Hoare,minister van Marine, waarin Colijn advies vroeg ten aanzien van de meest gunstige verdeling in Ned.Indië tussen land en zeevliegtuigen. Het leek mij een vraag die Engeland mede verantwoorderlijk zou maken voor een fiasco en het verwonderde me dus niet,dat Sir Samuel een paar maal met zijn ogen knipperde en toen zei: yes yes,I shall have to consult my advisors. Ik weet niet hoe en wat voor antwoord Colijn op deze vraag heeft gekregen.. Wel geloof ik dat door het gouvernement,mogelijk op aandrang van de Indische legerautoriteiten,aan de buitenkant van de archipel vliegvelden werden aangelegd,vooruitlopende op het bezit van een sterke macht aan bombardementsvliegtuigen. Deze vliegvelden zijn naar mijn indruk door de Japanners tegen ons gebruikt. Wel gaf Colijn me nogmaals een brief mede, ditmaal aan Lord Swinton,de minister voor Luchtvaart, daarin werd gevraagd of wij vliegboten konden aanschaffen voor Indië, waarop ik van deze minister een gunstig antwoord kon terugbrengen. Mijn dubbele functie bracht mede, dat gekozen moest worden tussen mijn aanwezigheid in Londen en die in den Helder als stafofficier bij een oefening. Ik had juist de invitatie van de Admiralty aangenomen voor de jaarlijkse lunch die aan de marine attaché's werd aangeboden. De sous chef staf in den Haag had mij in dezelfde periode in den Helder ingedeeld. Ik was van mening dat ik zeker het eerste jaar niet voor deze lunch kon bedanken. Vice-admiraal de Graaf stelde mij gerust,ik kon gaan naar Londen wanneer dat gewenst was. In de gang gaf de sous chef van der Kun mij een hand,hij respecteerde de beslissing van zijn chef ten volle.Ondertussen zette ik mijn pogingen om inlichtingen van de Admiralty te verkrijgen voort. Over niet geheime onderwerpen als kleding kreeg ik uitgebreide informatie, ook over een gasmasker voor de bevolking dat maar vijf shilling per stuk zou kosten enz,maar daar hield het mee op. Het was interessant om scholen en opleidingscentra als Chatham,Devonport of Portsmouth te bezoeken,maar de geheime opleidingen als anti-submarineschool, boom defence school,signal.  etc. bleven voor mij gesloten. Ik besloot daarop een nota te schrijven, waarin ik een overzicht gaf van de vele gevallen in onze Marinegeschiedenis, dat wij met de Royal Navy hadden samengewerkt (waarbij ik de periode van de Anglo-Dutch wars niet aanroerde).Zo kreeg ik de handleiding voor de cursus handelsbescherming,die door ons gebruikt (althans geconsulteerd), bij de uitgave van een soortgelijk boek voor onze koopvaardij. De Board of the Admiralty besloot voorts,dat niet zonder haar toestemming een negatief antwoord op  verzoeken van mijn zijde mocht worden gegeven. In de praktijk kwam het neer, dat het weinig zin had verzoeken schriftelijk in te dienen,omdat behandeling door de Board een lange tijd vergde en verwachtbaar was dat steeds wel een afdeling met bezwaren zou komen. Alles wat ik mondeling kreeg was dus meegenomen. Mogelijk heeft een gunstige invloed gehad,dat admiraal Furstner tegen de Britse Marine attaché in den Haag had opgemerkt:Uw admiraliteit denkt blijkbaar dat wij de Chinese Marine zijn. Bij het overhandigen van het boek over de koopvaardij cursussen zei de Director of Naval Intelligenee tegen mij: wat wilt U nog meer, bent U nu tevreden? Ik antwoordde schout bij Nacht Troup,een typische Schot :ik ben verheugd, doch lang niet content Wat wilt ge nog meer,zeg maar..'Ik wil gegevens over onderzeebootbestrijding en havenverdediging! Troup noteerde wat ik vroeg. Daar zal ik voor zorgen,doch eerst moet ik anderen raadplegen: Gegevens kreeg ik pas toen wij geallieerd waren. Ik had niet anders verwacht. Toen Troup vlagofficier in Schotland was,ging hij mede naar de New Club,dat was in 1943.Hij wandelde ieder morgen en zou mij de Club wijzen. Af en toe passeerden Engelse matrozen, soms slordig gekleed, openstaande jas,of müts achter op het hoofd,daar wees hij met zijn stokje op, rustig doorlopende. Ik keek eens om en zag hoe op circa 40 meter achter ons een kleine Marinepatrouille,die hield de overtreders aan. Als ik op mijn bureau terug kom, zei Troup,ligt daar een briefje met de namen der schuldigen. Binnen een week moet ik bericht hebben van de commandant hoe hij de zaak heeft afgedaan.

Zo verliepen de jaren 1936 en 1937. Het was een voorrecht onder een figuur,als Jonkheer de Marees van Swinderen te mogen dienen ,een type die in de huidige maatschappij niet gemakkelijk zal worden geproduceerd. We mochten hem niet voor 11 uur s-morgens lastig vallen. Een vooraanstand Nederlander kwam reeds om tien uur bij de Legatie en was verontwaardigd dat van Swinderen pas om 11 uur verscheen. " Ik wacht hier al geruime tijd Excellentie" " Zo dan kunt U mij vertellen, hoe ziet Londen er uit voor elf uur"

Jonkheer de Marees van Swinderen

Maar als hij werkelijk nodig was belde hij Chamberlain,Eden of een ander hoge Piet en werd dan omiddellijk ontvangen. Het Non Interventie comi was vastgelopen, doch van Swinderen bracht de zaak met een meesterlijke speech weer op gang. Twee aan mij bekende vlagofficieren waren gevraagd in de Non-interventie organisatie te komen werken. Ik moest komen en Van Swinderen riep: hier is onze admiraal (ik bezat toen de nederige rang van Luitenant ter zee I ste k1asse). Hij wilde een paar dagen rust genieten en ging dan in Schotland zalm vissen. Voor rapportage liet hij dan enige getekende vellen op zijn bureau achter. De raad (Teixeira de Mattos) moest dan de hele dag op zijn buro zitten, want Van Swinderen wilde hem altijd kunnen toespreken. Van Swinderen beging echter de fout eenmaal over een recente diplomatieke kwestie rechtstreeks aan de secretaris generaal van Buitenlandse Zaken te schrijven. Deze vond nu op zijn buro twee brieven van dezelfde datum, beide door van Swinderen getekend, met een tegenstrijdige mening.Het commentaar van de ijlings uit Schotland teruggekeerde gezant tot zijn raad Teixeira de Mattos was: "Hoe kon je zoiets doms schrijven". Van Swinderen was een Groniger bijzonder zuinig op bepaalde dingen. Op zijn receptie loodste Teixeira mij naar de tweede etage, daar werd de dure champagne geschonken. Eens stond onze gezant te wachten bij de bushalte tegenover de Legatie ,tot één van ons naar hem toeliep en vertelde dat er een busstaking was. Maar in de zomer huurde hij een duur landhuis. Teixeira en ik logeerden een weekend in Danny Park in Sussex. In de salon was een verschuifbaar paneel aangebracht,waar achter zich een plaat met inscriptie bevond, waarop stond dat het Imperial-Cabinet hier vergaderde,toen bericht kwam,op 13 October 1918,dat het Duitse leger aanbood te capituleren. Maar nu speelden Teixeira en ik bij afwezigheid van onze gastheer(hij was gaan kijken naar een Damesclub van croquetspeelsters) op een hobbelig grasveldje met de croquetstokken die wij in de hall hadden aangetroffen. Helaas braken wij daarbij een stok en een bal, een onaangename tijding die Teixeira aan zijn chef overbracht. Spoedig was deze weer in goed humeur en kon hij vertellen wat de first sealord hem had verteld en ook een anecdote uit de periode van de z.g. tachtigers. Professor Simons en Quack (schrijver van 'de Socialisten')over de Tachtigers. Quack vond dat groen-groen en geel-geel een goede indruk van de kleur gaven. Ja,zei Simons,kwak-kwak,is duidelijk een eend.

---------------------------------------------------------------------

Uit het dagboek van zijn neef Tom de Booij zomer 1937;  Door Grootvader uitgenodigd om naar Zwitserland te komen Met de trein van Amsterdam naar Basel alleen gereisd. Heel spannend. In het Hauptbahnhof is vooral de wachtkamer zeer indrukwekkend. Heel hoog plafond met prachtige wandschilderingen. Mijn grootvader wachtte mij op. We zijn door gereisd naar Göschenen en toen door naar Andermatt. Daar zien we militair machtvertoon van het Zwitserse leger, wat een beetje lachwekkend overkomt. Vandaar naar Fiesch in het Rhône dal. Langs de Rhône gletsjer.In een heel rustiek hotel geslapen. Ons gezelschap werd uitgebreid door mijn oom Alfred, tante Engelien en haar vriendin Sara Hulshoff. Mijn  grootvader gaat niet meer mee en wacht ons op bij Goppenstein waar hij ons weer gezelschap zal houden .Hij is toch maar 70 jaar en laat deze tocht over aan de jeugd. Van Fiesch gewandeld langs prachtige Marjelen See (die al helemaal verdwenen door de terugtrekking van de gletsjer ) vandaar langs de imposante Aletschgletsjer.

Rustpauze op de Aletschgletjer Links: vlnr. Oom Alfred, Saar Hulshoff, Engelien

 We slapen in de Concordia hut en gaan vandaar met gids naar de Lötschen Lücke en dalen dan af langs door schilderachtige Lötschenthal naar het station Goppenstein. Daar voegt Grootvader zich bij ons en lopen via de Lötschen pas naar Kandersteg waar onze prachtige bergtocht eindigt.

-------------------------------------------------------------------------------

In 1938 trad de politieke zijde van mijn functie meer naar voren. De alles beheersende vraag was: wat gaat Duitsland doen en hoe zal Engeland reageren. Een enkele maal ook wat doet Japan. Het betrekken van de politieke hemel bracht geen verandering in onze zelfstandigheids politiek. Een fraai woord, uitgevonden door minister van Karnebeek. In de praktijk volgden wij een correcte doch uiterst angstvallige neutraliteitspolitiek. Men durfde zelfs geen militaire attaché in Londen te benoemen uit angst voor een Duitse reactie, terwijl niet geprotesteerd werd tegen concentraties van Duitse divisies bij onze Oostgrens. De opperbevelhebber Reynders achtte zelfs een Duitse invasie uitgesloten en zag geen enkele bedreiging in deze 20 divisies. Dat kwam naar voren tijdens een bezoek aan hem samen met vice-admiraal Furstner. Ondergetekende bracht bij minister van Kleffens naar voren dat Engeland gaarne bij ons sleepboten zou willen kopen of doen bouwen. De minister wilde Duitsland echter geen excuus geven. Engeland had geen divisies bij onze grens. Met andere woorden struisvogelpolitiek.

Minister van Kleffens

Op 25 Augustus 1938 werd ik van mijn verlof teruggeroepen vanwege de spanning rond Tsjecho-Slovakije. Blijkbaar zag Hitler van een gewapende inval af, toen Engeland de vlootmobilisatie gelastte. Dien middag kreeg ik Siemens Duitse marine attaché op bezoek. Hij was thans overtuigd dat Engeland bereid was te vechten ,doch begreep niet hoe zulks mogelijk zou zijn. De bankiers hadden geen geld en Amerika zou niet willen lenen. Hjj vroeg of ik voor zijn huisraad wilde zorgen als dat nodig mocht zijn. Nadat de crisis voorbij was sprak ik hem weer. Hij meende te weten dat enige passages uit de redevoering van Chamberlain waren geschrapt.Het was hem niet duidelijk hoe het verdrag tussen Frankrijk en Engeland was geregeld. Met name als Frankrijk Duitsland binnenviel, waarom zou Engeland dan Frankrijk helpen. Ik wees hem op het feit dat Engeland zich zou keren tegen het land ,dat Europa met geweld zou domineren. Als Duitsland Tsjecho Slovakije binnenviel zou het zich tot zodanig land stempelen. Ik bleek hem niet overtuigd te hebben,want hij kwam weer met het verhaal:Engeland had geen geld. Mijn argument,dat Duitsland ook geen geld had en toch zou vechten, bracht het debat,dat vriendschappelijk in een kring ronddraaide,tot een einde. Merkwaardig was zijn grote bewondering voor de Engelse arbeider. Deze verdroeg alles in opgewektheid, wasniet haatdragend,kortom een en al tegenstelling tot de gedepraveerde upper-ten klasse!

---------------------------------------------------------------------------------

Uit het dagboek van zijn neef Tom de Booij. Eind 1938-begin 1939 Door mijn Oom Alfred word ik uitgenodigd om samen met zijn zuster Engelien naar St Bernardino te gaan voor een 10 daagse ski vakantie. We vertrekken 28 december 1938 met de slaaptrein uit Den Haag. Voor het eerst in een 'Speisewagen" gegeten. Vol met drukke Italiaans sprekende mensen. Oom Alfred blijft heel koel toen bij het aansteken van een sigaret zijn lucifersdoosje in de brand stak. Iedereen is ontzet, maar oom Alfred doet alsof  er niets aan de hand was en blaast  het heel kalm uit. We logeren in hotel Victoria . Het is een hele belevenis. Ik had nog nooit geskied en ging in een klas.  Ik herinner dat ik 'Schuss' naar beneden ging en me niet kon stoppen en in een grote sneeuwhoop tot stilstand kwam. Halverwege tijdens de vakantie geeft oom Alfred aan vele bedienden een rijke fooi. Zo staan ze bij ons vertrek allemaal in het gelid en hoopt op meer, maar ze krijgen niets. Oom Alfred zegt tegen mij, dat ze toch al de fooi hadden gekregen. Hij wordt in ieder geval tijdens het tweede deel van de vakantie steeds op zijn wenken bediend. Zo zit hij vol met kleine grapjes. 9 Januari is  de boeiende reis weer voorbij en moet ik weer in het gareel van het ouderlijk huis.

Tom na een ski wedstrijd                                                          Oom Alfred

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Half Augustus werd ik weer naar Londen gedirigeerd. Verontrustende berichten waren uit Berlijn gekomen, dank zij onze militaire attaché kolonel Sas. Op 1 September vroeg meldde de adjudant van de minister van Defensie dat de Duitsers Polen waren binnen gevallen,vliegvelden zijn gebombardeerd. Op het War Office wist men van niets en vroeg ons nadere bijzonderheden.:Telefonisch namen Siemens en ik afscheid van elkaar, waarbij hij mij wenste dat Nederland niet in het conflict zou worden betrokken. Ik luisterde naar de rede van Chamberlain, die de oorlogsverklaring aan Duitsland voorlas,gezeten in de  Senior United Services Club. Bij het spelen van"' God Save the King" stonden älle bezoekers op. Een lid was wel opgestaan,maar had zich kennelijk moed ingedronken en viel met een slag op de grond.Daar bleef hij rustig liggen. De muziek zweeg. Toen riep een Engelsman "That is not the way to win the war. Commander Bradford, die later zou sneuvelen bij de torpedering van H.M.S. Barham,zei: "this will be an all in wrestling show in the end".

Nederland neutraal
Voor de tweede maal fungeerde Nederland als buffer tussen Duitsland en Engeland.Des nachts vloog de R.A.F. over ons vlakke land en liet duizenden pamfletten in Duitsland neer. Hoewel het Foreign Office aanvankelijk ontkende dat ons luchtruim werd geschonden, wisten zij geen goed antwoord, hoe een ongeopende bundel pamfletten in Groningen (of Friesland) was gekomen. Voorlopig waren onze problemen voornamelijk van economische aard. We wilden de Engelse blokkade maatregelen verzachten, waartoe gedelegeerden uit Nederland overkwamen, waaronder de bekende Dr Hirschfeld. Hij was van de toestand in Duitsland goed op de hoogte en kende Dr Dien of Diehn,die lang in de tropen had vertoefd en dikwijls door Hitler werd geraadpleegd.
In 1938 had Diehn gezegd tegen de leider:Laat Engeland in de wereldconferentie de voorzittersplaats innemen,wij zullen met onze werkkracht en organisatievermogen precies bereiken wat wij willen, tegen Engeland moest men niet met wapens vechten. Hitler werd daarover boos en riep: Sie überschatzen England. Tegen anderen zei Hitler:'der Mann widerspricht mich immer'-

Op 10 october 1939 meldde ik onze minister van Defensie (waarschijnlijk had ik dit op het Waroffice gehoord) dat het aantal divisies tussen Kleef en Aken aanzienlijk was toegenomen en dat in Engelse legerkringen niet aan een frontale aanval op de Maginot linie werd geloofd, doch wel in een flank beweging via Brabant.De Minister van Defensie liet mij weten, dat naar zij gevoelen Brabant geen geschikt terrein voor tanks was! De Duitse luchtmacht attaché in den Haag,generaal Wenniger,had mij gevraagd bij overkomst naar Nederland aan hem te denken. Door een misverstand van de Duitse Marineattaché,die mij in de Duitse legatie vergezelde,traden wij plotseling het buro binnen waar Wenniger in een stoel zat, gebogen over wat ik meende een Bosatlas was, terwijl een van zijn officieren hem een bepaalde plaats aanwees. Hij schrok en sloeg de atlas met een klap dicht, zodat mij duidelijk was dat hij iets in zijn schild voerde. Ik meldde dit geval aan de Marineinlichtingen dienst.

Minister van defensie A.Q.H. Dijkshoorn

Op 4 october 1939 liet schout bij nacht Godfrey, director of Naval Intelligence,mij roepen. Als wij zouden vragen om stafbesprekingen, zou van Britse zijde daartegen geen bezwaar worden gemaakt. Captain Cooke,de sous-chef,liet doorschemeren, dat evacuatie  van oorlogs en handels schepen,  benevens de vernietiging van olievoorraden punten van bespreking zouden zijn. Ik meldde dit schriftelijk aan de Marine staf, hetgeen in het standaardwerk van Prof. de Jong is opgenomen,met een onjuistheid, dat Churchill mij dit verzoek had gedaan. Ik heb echter Winston Churchill nimmer ontmoet, wel eens vlak bij hem gestaan op de receptie van Ribbentrop in Londen,waarbij de ogen van Churchill levendig en snel zoekend in het rond keken. Ongetwijfeld is deze poging met instemming van Churchill ondernomen.Gaf hij een aanwijzing of opdracht tot informatie, dan werd een z.g. red docket gemaakt, dat hoge prioriteit bezat en diverse afdelingen snel passeerde,omdat een officier met dit docket in de hand rond ging. Zo liet bij een van mijn bezoeken aan de Admiralty, een officier mij een red docket lezen, waarbij Churchill aanbeval dat alle Duitse schepen in Nederlandse havens vertoevende,moesten worden vastgehouden,want er waren kort geleden Duitse schepen langs de kust varende uit Nederland naar Duitsland gevaren. Mijn reactie was: wij waren neutraal,dus dan zouden wij ook  de Harwich- Hoek van Holland verbinding moeten afbreken. Intussen kreeg de Koninklijke Marine behoefte aan een oefenterrein,waarvan de plaats en omvang nabij de Haaksgronden aan de Admiralty werd medegedeeld. Enige tijd daarna kruiste Hr.Ms.Sumatra daar rond. Een Engels vliegtuig meldde een Duits kruiser en een bombardementgroep steeg in Engeland op voor de aanval. Daarbij was een der piloten een bezoeker aan boord van de kruiser geweest,naar ik meen in Gibraltar. Hij kon nog net op tijd verhinderen dat de Sumatra werd aangevallen. Het nut van een cocktailparty is hiermede dus wel aangetoond. Het invasie gevaar van Duitse zijde nam toe. Velen in Nederland maakten zich hierover zorgen en (als de berichten hierover juist waren)dat zij bereid zouden zijn in vrije tijd te willen oefenen ,zoals in Engeland. In mijn schrijven van 2 october 1939 beval ik de Minister van Defensie een Territoriaal Leger aan, daarbij vertellende over de bezoeken die ik aan de oefenscholen van dit leger bracht. Ik kreeg geen reactie op deze brief. Wel kwamen van Engelse particuliere zijde welgemeende raadgevingen bij de legatie binnen met voorstellen ter verhoging van de gevechtskracht van ons leger, bijv. door waterkanons,of door prikkeldraad in geinundeerd gebied onder stroom te zetten. De ongerustheid nam toe. Op de legatie vonden wij dat met de Belgen beter contact op Defensie gebied moest komen. Hr.Ms. gezant vroeg mij zulks mondeling met de heer van Kleffens op  te nemen. Diens reactie was echter duidelijk negatief. Als er oorlog kwam:débrouillez -vous! Wij waren gentlemen en tegen gangsters bleven wij netjes. Vice-admiraal Furstner stond echter met de voeten op de grond, toen ik hem wees op de kwetsbare en telefoon en telegraafverbinding met Engeland. Ik mocht geen kleine staf bezitten uit angst voor de Duitsers en straks zouden de orders van de admiraal mij misschien niet bereiken. Hij stond me toe na overleg met Houtmuller en niemand anders golflengten en roepletters voor ons radiostation te Scheveningen te vermelden. Neutraliteit verbood het proberen van deze verbindings met daadwerkelijk seinen. Lunchende met captain Glover director van de Signal division,kwamen wij overeen dat wij zouden luisteren naar de Admiralty met een ander Engels station,terwijl de Admiralty zou luisteren naar onze verbinding met den Helder. De duty officer in de Admiralty kreeg mijn telefoonnummer.In een later stadium ontvingen wij een verzegelde envelop,naar ik later las door de staf van de opperbevelhebber van Land en Zeemacht (zonder daarin de chef Marinestaf te kennen) was opgemaakt en verzonden. Ook alleen ik mij te herinneren dat de marine attaché,zolang geen vertegenwoordiger van de opperbevelhebber was aangekomen ,als plaatsvervangend opperbevelhebber zou fungeren. Ik zou dit stuk bij drie ministeries moeten aanbieden, dus mocht ik aannemen dat het in viervoud in de envelop zou liggen. Teixeira de Mattos,raad van de Legatie was van mening dat wij zekerheid moesten hebben en voor ik iets kon zeggen had hij de envelop geopend .Ik ben hem daarvoor dankbaar geweest De tekst lag daar in enkelvoud en hier en daar in matig Engels.Overigens was het een uitvoerig verhaal,een verlanglijst voor St Nicolaas noemden wij het, omdat vele maanden zouden gemoeid zijn met het verzamelen en versturen van het gevraagde materieel.

Omstreeks 11 November nam de spanning toe. Ik polste enkele van mijn vrienden en schreef op 15 november 1939 aan de chef van de Marinestaf,waarbij ik een weinig opwekkend beeld gaf van de door mij vermoedde situatie bij een Duitse inval, over veel hulp van Engelse troepen of vliegtuigen moest men zich geen illusies maken. De toestand op zee werd ook minder vrolijk. De neutrale koopvaardij stond aan aanvallen bloot. Op 18 November reed in het nachtelijk duister een trein met circa 200 overlevenden van het op een mijn gelopen schip Simon Bolivar, Liverpool  Street station binnen. Bijna de gehele nacht waren wij in touw voor deze zwaar getroffen passagiers van de Simon Bolivär,varende onder de Nederlandse vlag. De volgende ochtend reed ik naar Harwich per trein toevallig in dezelfde coupé een reporter van de Telegraaf. Hoe had deze ramp kunnen worden voorkomen vroeg hij. Ik vertelde hem dat als het een verankerde mijn zou zijn geweest,paravanes de ankerkabel van de mijn kon hebben doorgesneden de mijn was opgedreven en in principe onschadelijk geweest. Ik zeide hem dat er ook andere menen,zonder ankerkabel,bestonden,die op een andere manier werden bestreden.De reders hadden tot nu toe weinig paravans besteld. De Telegraaf meldde de volgende ochtend met veel ophef,dat de marineattaché in Londen de reders beschuldigde van nalatigheid. De reders eisten publicatie van de rectificatie die wij de journalist van de Telegraaf hadden gegeven. Maar de Telegraaf bleef verder zwijgen tot de reders publicatie eisten en zo niet vlug, dan zouden geen advertenties meer in de Telegraaf geplaatst worden. Direct kwam de journalist bij ons aanlopen om de in ongerede geraakte rectificatie opnieuw te ontvangen. Schout bij nacht Heeres belde mij op om te vertellen, dat de reders nu veel orders voor  paravans hadden geplaatst, voor mij was het ook een les om op mijn woorden te passen,hoewel in het onderhavige geval mij niet veel verweten kon worden. Heeres was een figuur, die door zijn kordate optreden op ons jongeren indruk maakte. Hij was tijdens de eerste wereldoorlog stafofficier bij de stellingcommandant in Zeeland, vice-admiraal van Hecking Colenbrander. Op een avond forceerde een stoker van een mijnenlegger de brandkast en verdween met een verzegelde envelop, waarin gegevens over de mijnenvelden in de Schelde.  Er  was geen snelle communicatie met Rotterdam,waar men vermoedde dat de stoker de geheime gegevens zou verkopen. Heeres requireerde een locomotief, liet opstoken en reed daarmede naar de havenstad. Daar stond de commissaris van Politie klaar,samen gingen zij een bekende zeemanskroeg in Rotterdam, arresteerden de man, die in het bezit van de envelop was, waarvan de zegels nog niet verbroken waren. Nu behoefden de versperringen niet gelicht te worden,wat bij de toenmalige Sauter Harlè mijnen een riskante zaak was. Ik vond in het archief van de commandant der Marine te den Helder een brief, ik meen van de direktie der Spoorwegen,bevattende een klacht over het de luitenant ter zee F.J. Heeres, wegens zijn nachtelijke tocht naar Rotterdam.

Zo gingen wij het jaar 1940 in. Half januari weer verontrustende berichten. Hoofdingenieur Ringers van Waterstaat kwam in Londen en vertelde hoe sterk de Waterllinie was en hoe men chemicalien bezat, die het ijs niet beletten te bevriezen, doch het bij belasting deden breken. Op 28 Januari kwam Professor Michels specialist in materialen. Hij vroeg aan het War Office 100 kernbuizen voor het 7.6 cm luchtdoelgeschut,want de door Tsjechoslovakije geleverde kanons leken na 38 schoten niet in orde. Het materiaal was poreus en niet tegen hoge druk bestand. Maar Engeland had nu alles zelf nodig.De leverantie van onze Rolls Royce motoren voor onze in aanbouw zijnde motortorpedoboten stagneerde. Noodkreten uit Holland vanwege tekort aan rubberbanden voor de artilleriewagens. De export van deze banden bleef verboden,niettemin slaagde W. Grootenhuis, inkoopagent van de regering met veel overredingskracht het Ministery of Suply te bewegen tot een vergunning van 300 banden per week. Een deel zou tijdens de invasie van de Duitsers in de Schinkel zijn geworpen. De Maartse buien trokken langs ons heen. De koopvaardij kreeg klappen,schepen verdwenen op raadselacntige wijze. Gedacht werd aan mijnen,gelegd door Duitsers tussen Duins en Hoek van Holland. Begin April hoorde onze gezant van Lord Halifax, dat de Britse gezant aan minister Kleffens had gevraagd om precisering van de militaire hulp die wij in geval van invasie verwachten. Van Kleffens zou geheel in stijl hebben geantwoord, dat dit geen onderwerp van discussie kon zijn. Van Hamel de bekende professor, kwam naar Londen en meende stellig te weten dat wel degelijk stafbesprekingen met de geallieerden zouden hebben plaats gevonden. Wij moesten hem teleur stellen. Van Hamel had kort te voren Rauschning opgezocht en hem gevraagd ,of hij wel eens met Hitler over ons land had gesproken. Zeker zei Rauschning,de hrer heeft mij gezegd, als het oorlog met Engeland wordt, moet ik dit gebied ook hebben. Daarbij had hij met de hand over de kaart gestreken ,waar Nederland en België lagen.

Op 13 April was Holland in rep en roer. De kustwacht bij Huisduinen meende dat een convooi aan de kim langs trok. De schepen werden als verdacht gekwalificeerd. De opperbevelhebber gelastte voorzorgsmaatregelen. De Duitsers schrokken hiervan en hun troepen namen eveneens voorzorgen, die een defensief karakter droegen. Zij zonden een tiental onderzeeboten naar de Hollandse kust. De verwarring was groot ,doch een goede oefening voor onze troepen. Een Nederlandse onderzeeboot die op de driemijls grens dieselde ,werd door een Frans vliegtuig bestookt. De opwinding in Nederland was begrijpelijk ,want de invasie van Noorwegen en Denemarken was in volle gang. Onze regering was van de voorgenomen actie in Scandinavië op de hoogte, dank zij de inlichtingen van kolonel Sas in Berlijn.

Op 25 April stapte ik voor het laatst op het vliegveld te Shoreham in een KLM toestel, een verblijf van 24 uur in Nederland volgde. Schiphol was bezaaid met obstakels, geplaatst na de landing der Duitsers op het vliegveld bij Oslo. Onze voorzorgsmaatregelen bleken echter bij de bruggen ten enenmale onvoldoende. Rijdend door het polderland, genietende van het voorjaarszonnetje,kon men zich het land niet in oorlog voorstellen. Opvallend was het grote aantal troepen tussen Haarlem en den Haag. Zij zagen er goed uit en het vertrouwen in ons leger groeide bij het zien van hun activiteit. De bespreking van de Marinestaf duurde tot laat in de nacht. Wij wisten nu dat de regering het slagkruiserplan aanvaardde, doch de Indische legertop had een brochure aan de kamerleden toegezonden, waarbij dit plan werd aangevallen .De Japanners zullen dankbaar zijn geweest aan de rand van onze archipel vliegvelden te vinden, die niet voldoende waren verdedigd.

----------------------------------------------------
Uit het dagboek van zijn vader 25 april.1940 's Namiddags met Hilda naar Schiphol om Alfred te zien vertrekken naar Londen. Even met hem gepraat. Hij zag er best uit. Ik had een lijstje van vragen opgesteld: 
1. Zijn de Duitse berichten over aanvallen op landende troepenschepen e.d. overdreven? antw. Ja!
2. Zal een aanval gedaan worden op voorbereidingen te Memel? "Neen".
3. Hoe groot is de geallieerde troepenmacht? 40 à 50 mille. Is die vatbaar voor uitbreiding? Ja!
4. Waarom kunnen de Engelsen niet beletten dat te Dronthem schepen binnenkomen? Batterijen.
5. Wordt Churchill moe? Neen!
Daar zagen we de grote oranje vogel vertrekken en verdwijnen in de lucht. Een paar uur later zal hij in Engeland dalen".
----------------------------------------------------

Op
6 Mei 1940 vroeg de schout bij nacht Phillips,sous chef van de Marinestaf of ik op zijn buro op de Admiralty wilde komen. Had ik bezwaar tegen een discussie over een hypothetisch geval? Vertrouwende op zijn discretie en in de wetenschap dat de kans op een eerstdaagse invasie groot was,stemde ik toe. Phillips wees op een kaart van de Noordzee. Zou het mogelijk zijn ,dat de Duitsers met een transportvloot onopgemerkt troepen op Walcheren zouden landen? Ik stelde hem gerust,wij waren ook aan de kust paraat, verrassing was niet wel denkbaar. Blijkbaar lichtte Philips de vice-admiraal der onderzeeboten in, die mij wilde spreken. Een of twee dagen later verscheen een auto, die mij naar een flatgebouw in Noord Londen voerde. Dat was het hoofdkwartier van de onderzeedienst. Vice admiraal Horton maakte zich ongerust dat Hollandse en Engelse onderzeeboten dwars van Terschelling elkaar zouden bestrijden. Konden wij onze boten niet terugtrekken ,althans Zuidelijker posteren. Ik antwoordde dat de Marine staf daarvoor niets zou gevoelen en dat ik een dergelijk voorstel ook niet wilde overbrengen. Horton ijsbeerde met gefronste wenkbrauwen door de kamer, tot ik hem een eenvoudige oplossing bood. Engelse en Nederlandse onderzeeboten zouden door hun eigen chefs kunnen worden bevolen,in het gebied dwars van Terschelling niet op onderzeeboten te lanceren "You are right, we are after bigger' game: aldus Horton.Terwijl ik bij Horton was, dacht ik aan net codetelegram, dat ik juist had ontvangen doch waarover ik niets mocht loslaten:  'Volgens militair attaché Berlijn aanval vastgesteld 8 Mei, echter uitstel mogelijk in verband weersgesteldheid, doch nagenoeg zeker deze week, Gezant Berlijn bevestigt dit bericht en meldt gereed maken ultimatum voor den Haag en Brussel. Kort daarop volgde een telegram betreffende de bevrijding uit de marechaussee kazerne te Vlodrop van een Duitser door 7 personen, waaronder één gekleed als kapitein van de Nederlandse politie, onder bedreiging met een pistool. De codemachine gaf op 9 Mei het volgende sein:'Volgens ontvangen bericht is aan de andere zijde aarzeling, als gevolg van onze getroffen maatregelen. Toestand iets minder gevaarlijk.Ik bezocht het War Office, doch mocht over de gegevens die ik thans bezat vanzelfsprekend niets zeggen,kreeg daar ook geen nieuws. Op de terugweg bezocht ik de leeszaal in de United Services Club en las in het dagboek van viscount Esher,de grondlegger van het committee van Imperial Defense,gedateerd 9 September 1904;'It is vital for Germany to absorb Holland,Kiel is insufficient for a power that desires Naval Supremacy and Colonial Empire. That Germany is always contemplating absorption of Holland in its empire is certain. So there must come a day when France and England will have to fight against Germany,in order to neutralise the day may not be far off'. Terug in mijn flat ln Dorset House,telefoneerde de adjudant van de minister , gebruik makende van zijn persoonlijke code .Zijn woorden waren wel duidelijk ,de volgende ochtend zou de invasie geschieden .Ik bracht de gezant op de hoogte,zo goed als zulks mogelijk was. Hij speelde bridge ten huize van Lady Kelmsly.Luitenant ter zee Krediet in Weymouth en Leverland luitenant van het Nederlandse leger, direkteur van de Philipsfabriek in Engeland, hadden beloofd bij het eerste bericht van invasie naar mij toe te komen om in mijn staf werkzaam te zijn. Verwachtende, dat een drukke week zou aanbreken, ging ik slapen,vertrouwende dat de duty signals officer mij zou wekken als het telegram om hulp zou worden ontvangen.

De eerste oorlogsdagen in Londen.
Inderdaad rinkelde de telefoon, het was toen hoogstens half vijf in de ochtend, het sterk Engelse acce
nt was duidelijk evenals de inhoud van het telegram: " Vraag hulp,oorlogstoestand ingetreden van Kleffens." In de legatie zorgde Teixeira er voor dat ik de bewuste drie enveloppen voor de ministerie niet vergat en stapte in een taxi die mij bij de Admiralty afzette.het was of de rode verkeerslichten... ineens langer gloeiden dan gewoonlijk. Wat lag Portman Square ver van Whitehall! Vice-admiraal Phillips liep nog rond in badjas en begon , namens de Lordships van de Admiralty zijn leedwezen te betuigen, dat wij in de oorlog waren medegesleept. Daarop nam hij de envelop in ontvangst en ontbood captain Hermon Hodge,die toonde wat door de Admiralty was voorbereid ,namelijk de vernielingsploegen voor de Nederlandse havens. In het Air Ministry ,waar verscheidene luchtmaarschalken mij vriendelijk ontvingen,Peirse en Sholto Douglas,doch geen enkele toezegging voor steun konden geven. De tekeningen of schetsen van geheime vliegvelden interesseerden hen maar matig,jachtvliegtuigen zou men daarvoor aan de verdediging van Londen moeten onttrekken,hetgeen men niet deed,gelukkig maar.

Naar het War office ,waar de ontvangst minder hartelijk was ,dan bij de Admiralty. Generaal Percival,later bevelhebber van het leger te Singapore bij de capitulatie aldaar, verzocht mij te wachten tot de komst van generaal Sir John Dill, deze was in een slechte bui,hij verweet mij dat wij geen overleg te voren hadden gepleegd,nu had generaal Gamelin al zijn troepen. lk wees hem op het gevaar dat de parachutisten Hare Majesteit zouden gevangen nemen,dan zouden de Duitsers uit naam van de Koningin onze koopvaardij in verwarring brengen en wij zouden daardoor veel van de 4 millioen ton scheepsruimte verliezen. Dit maakte althans enige indruk en hij zou de Guards sturen, die met verlof waren. Zo verschenen in Hoek van Holland Engelse soldaten,naar men zegt met tennisrackets en golfsticks ,die niet ver het binnenland in trokken om bijtijds te embarkeren.Weinig opgewekt kwam ik op  de legatie terug,waar een stafburo inmiddels in werking was en de enigmamachine telegrammen ontcijferde. Behalve Krediet en Leverland,waren nu ook aanwezig Willem Grotenhuis en Philipse van het consulaat. Wij hadden dag en nacht bezetting nodig. De lijst van in en uitgaande telegrammen ,die zo goed mogelijk werd bijgehouden,geeft een beeld van de problemen die ontstonden. Zij laten zien wat de Royal Navy nog deed, het goudconvooi,magnetische vegers,motortorpedoboten in de Zuiderzee etc. Onze radioverbinding en chiffreermachine behandelde ook de telegrammen van de Britse marineattaché in den Haag,nadat deze zijn codes had verbrand, denkende dat de Duitsers al dichtbij waren. Wat onze activiteit betreft,valt op hoe weinig onze bevoorrading op Engeland was gericht geweest. Een noodkreet om 12,6 mm machinegeweerpatronen,wees uit dat die niet meer in Engeland werden gemaakt. De vraag om 7.5 cm geschutmunitie voor de Vickers kanons liet zien dat wij de Engelse waarschuwing voldoende reserve munitie aan te schaffen,in de wind hadden geslagen. Een millioen patronen van 20 mm kon niet geleverd worden. Holland vroeg 50.000 ampullen serum aan, terwijl nu pillen werden gebruikt. Kapitein Leverland regelde de verzending en zij stonden daarvoor klaar toen ons leger capituleerde.

De stafofficieren die mij waren toegezegd kwamen pas veel later, wel bracht minister van Kleffens mij de code voor de enigma,die hij van de luitenant ter zee M.J.Vos had gekregen, toen deze het vliegtuig aan het strand van Scheveningen in ruil voor Mevrouw van Kleffens moest verlaten. Pas later in de week verbood de regering het medenemen van echtgenoten naar het buitenland,zodat wij van Kleffens in dit opzicht niets kunnen verwijten. De vertegenwoordiger van de opperbevelhebber van Land en Zeemacht (Generaal van Oorschot) was opgehouden in het fort van Hoek van Holland. Dit verplichtte mij de vergadering van de Allied Military Committee bij te wonen ,want tot deze functie was ik in het z.g. verlanglijstje van St-Nicolaas aangesteld, de samensteller van dit document heeft kennelijk met de mogelijkheid rekening gehouden dat de vertegenwoordiger van de opperbevelhebber te laat zou komen. De notulen van deze vergadering berusten nu,vrijwel compleet,bij de afdeling Maritieme Historie van de Marinestaf in den Haag.

Jhr van Vredenburg kwam in de legatie. Hij zou Prins Bernhard vergezellen en naar Zeeland gaan. Hij vond dat hij een uniform moest dragen. Kapitein (reserve) Leverland (directeur Mitcham works in Engeland)  werd door hem gezegd dat hij zijn uniform moest uitrekken en hem Vredenburg geven Uitgesloten, zei Leverland, ik kan mijn laarzen niet uitrekken, ik heb geen laarzentrekker bij mij. Onze verzoeken om steun stuitten af op de begrijpelijke afkeer van de R. A.F. om te landen op vliegvelden die onder bereik van de sterke Duitse luchtmacht stonden, terwijl men generaal Gamelin gesteund had met vliegtuigen en de luchtverdediging van Engeland niet verder mocht verzwakken. Toch probeerde onze gezant nog een oude relatie in te schakelen.Hij nam mij mede naar de minister voor Luchtvaart Sir Samuel Hoare,die als jongen gelogeerd had op Clingendael in Wassenaar,het buiten van de familie van Brienen. "Daar lopen nu Duitse parachutisten rond" zei Jonkheer Michiels van Verduynen en Sir Samuel was daar zodanig van onder de indruk, dat hij een l2 tal Blenheim vliegtuigen beschikbaar stelde. Het Air Ministry belde me op of ik per omgaande wilde telefoneren waar het Nederlandse leger wilde dat zij deze avond zouden bombarderen. lk kreeg snel verbinding met Generaal Van Voorst tot Voorst ,die direkt antwoordde:'Waalhaven'.Daar waren Duitse toestellen geland of parachutisten aanwezig.lk gaf dit door aan het Air Ministry.Later hoorde ik dat alle Blenheims waren neergeschoten, doch van wie ik dit hoorde weet ik niet meer. Na het bezoek aan Sir Samuel liepen we door naar het War Cabinet,maar wij kwamen niet verder dan de voordeur,waar generaal Ismay ons vriendelijk en beslist op de gevaarlijke situatie door de overval op de Moerdijkbrug wees,nu was alle hulp ten enenmale uitgesloten.

Inmiddels had zich bij onze legatie een mr O'Higgins gemeld,die beweerde koerier van de Admiralty te zijn die secret documents kwam halen. Een toevallig aanwezige Engelse officier vertrouwde zijn paspoort niet zodat Grotenhuis van mijn staf hem in de wachtkamer opsloot. Telefonisch overleg met de Admiralty onthulde, dat Higgins bij de Belgische legatie had moeten zijn. Op 14 Mei liet admiraal Phillips weten, dat hij een kamer voor ons in de Admiralty had en mij gaarne daarin wilde zien als lid van zijn operations division. Vermoedelijk dacht Phillips toen nog aan convooien naar en van Holland en was het hopeloze van de situatie nog niet tot hem doorgedrongen. Hoe het zij,wij mochten deze goede gelegenheid tot samenwerking met de Royal Navy niet laten voorbij gaan en op dezelfde dag dat vice - admiraal Furstner te Dover aan land stapte, trokken wij in de kamers van de Franse admiraal die naar zijn vaderland was teruggekeerd. De overtocht van vice-admiraal Furstner geschiedde per vissersboot, omdat de Engelse torpedojager was opgedragen naar een reddingboot uit te kijken. De visser koerste naar Duinkerken, terwijl de Franse generaal Mittelhauser (naar boze tongen beweren) zeeziek in het vooronder lag.De kustbatterijen waren gereed het vuur te openen,als niet de kepi van de generaal op een riem omhoog was gestoken. Het verhaal zou mooier geweest zijn ,als ik kon verklaren, dat Furstner de kepi had opgezet en zodoende een Nederlandse admiraal de Franse batterijen tot zwijgen had gebracht. Bij aankomst in Engeland ontving admiraal Furstner een brief van mij,waarvan ik de inhoud vergeten was en die ik tot mijn verrassing kon lezen in het standaardwerk 'de Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog deel I p.401/403, van Dr Ph.Bosscher,Franeker,1984.In de laatste zin verklaar ik het kabinet in Londen tot een nuisance,zodat admiraal Furstner op vragen geen antwoord behoeft te verwachten en hen dus voor voldongen feiten moet stellen.Ik erken nu dat in dit kabinet ook zeer goede krachten zaten. Er waren enige defaitisten, en ook sommigen die onze Kolonien buiten de oorlog wilden houden en met onze vijanden wilden praten. In ieder geval ontbrak een parlement zodat Koningin Wilhelmina, gesteund door Gerbrandy en anderen een krachtig beleid kon voeren.

Alle schepen die overkwamen werden zo spoedig mogelijk ingezet onder de operationele leiding van de Admiralty ,terwijl ons hoofdkwartier in Londen moest zorgen voor de krijgstuchtelijke en logistieke zaken. Tijdens de afwezigheid van Furstner was ik met commodore Sir Gilbert Stephenson tot een afspraak gekomen over de principes van de samenwerking,waarbij in gebieden onder de Nederlandse. souvereiniteit de Engelse schepen onder ons bevel en in die onder de Engelse soevereiniteit de Nederlandse schepen onder Engels operationeel commando zouden komen. Het duurde een jaar of wat voordat deze principes in een agreement tussen de regeringen werden vastgelegd. Maar nu kwam er bijna een spaak in het wiel. Captain Harcourt had ik een lijst met verlangens doen toekomen. In de gangen van de Admiralty kwam ik hem tegen toen hij volgens zijn zeggen op  weg was naar een vergadering waarin mijn lijst zou worden behandeld. Er waren berichten binnengekomen over pro Duitse elementen bij ons personeel,kon er wel sprake zijn van samenwerking? Ik stelde hem gerust,een of twee zaken waren voorgekomen en afgehandeld,hij kon op ons rekenen. Spoed had nu een beslissing over het gebruik van de overgekomen Marinevliegdienst. Zij werden ingedeeld bij het R.A.F. Coastal command, waar op den duur die ouderwetse toestellen door betere werden vervangen. Verschillende technische verbeteringen werden door ons naar Engeland overgebracht. Het apparaat van Von Weiler betreffende radar, de gestabiliseerde vuurleiding van Hazemeyer. Niet het minste de snuiver,die pas werd ingevoerd toen de Duitsers deze in hun boten installeerden. Het bezwaar van de Admiralty tegen de snuiver was hun afkeer van nieuwe openingen in de drukhuid. De samenwerking van het Nederlandse en Engelse personeel verliep goed.Vooral de jongeren leerden de taal vlot spreken. Op het hoogste niveau haperde het wel eens. Onze gezant Michiels van Verduynen was er bij dat onze  overgekomen ministerpresident tegen Churchill:Good bye,waarop dese uitriep:I hope you are staying here. Een rake vraag,want via Lissabon keerde de juist gekomene onverwachts naar Nederland terug.

Een belangrijke factor van de oorlogvoering is de morele. Het moreel van onze mensen bleek geenszins gebroken. Er klonken voornamelijk stemmen die vroegen om bespoediging van reparatie of van het vlug aanbrengen van de kabels, die het schip tegen magnetische mijnen zou beveiligen. 'You are not digging,but sitting for victory' voegde één onzer jeugdige officieren de sigaretjes rokende Engelse arbeiders aan boord van Hr.Ms.Heemskerck toe. De leus 'dig for victory' sloeg op het verhogen van de productie van groenten door de burgerij. Ook bij onze koopvaardijj werd gevaren en de verliezen daar waren niet gering. Bij de Royal Navy groeide de waardering voor de prestaties van onze schepen,al zal de admiraal in Chatham misschien een vraagteken gezet hebben ten aanzien van de kennis onzer commandanten van de eigen zeegeschiedenis Hr. Ms. Jan van Brakel beschadigde de netversperring van de Thames en kreeg van deze admiraal een sein: 'What, again' ,waarop hij zijn superieur te spreken vroeg en van zijn chef een lesje in zijn Nationale geschiedenis kreeg.

Het invasie gevaar werd steeds groter,begin September vonden op ons buro: ... Invasion imminent'. Wij vonden onze ligging tegenover het War Office, uitermate geschikt om papachutisten landende op het dak daarvan,neer te schieten. Vlug haalden onze adelborsten vijf Männlicher geweren met munitie uit ons hoofdkwartier in North Row. In de lunchpauze vond ik deze geweren en constateerde dat zij ongeladen waren. Ik las in de aangrenzende kamer een paar telegrammen door (Wij fungeerden immers als chiffreerburo} de vercijferde telegrammen werden door de Admiralty verzonden. Ik kwam direct weer terug in de kamer,nam een geweer op om daarmee even te richten. Ik vond een goed doel in het hoofd van een commander in de grondverdieping aan de andere zijde van de uitgang gelegen, die bezig was een brief te lezen. Hij heeft nooit geweten dat het misschien de laatste brief zou zijn geweest, want ik richtte op hem,wilde juist drukpunt nemen,maar op dat ogenblik doemde voor mij het beeld van de sergeant der mariniers op, door ons Billy Ritchy genoemd en als hij in de buurt kwam, floten wij een wijsje dat ik mij herinner en dat op deze naam betrekking had. Ik hoorde zijn stem,Jonker,behandel een ongeladen geweer alsof het geladen is. Ik liet mijn vinger van de trekker los, opende de grendel en tot mijn verbazing en verontwaardiging, rolde een scherpe patroon uit de kamer. Even later stapte uit de zitkamer mijn plaatsvervanger binnen, die gehoopt had iets zeer nuttigs te hebben gedaan. Leve de Mariniers.

Ik meen dat het volgende geschiedde, toen de bombardementen in hevigheid toenamen. Wij kregen in de namiddag bericht,dat een zware raid werd verwacht en dat deze nacht iedereen in de schuilkelders moest zitten. Daar hoorden we toen een zware klap, gevolgd door een wolk kolenstof omdat een bom geexplodeerd was in  kolenhoop geraakt Even later konden wij weer in de kelder terecht, maar niet lang, want een brancard met het stoffelijk overschot van vice-admiraal Tower werd door de shelter neer gezet. Hij was onderweg naar de Admiralty door scherven gewond en overleden. Wij moesten nu plaats maken, want de vlagofficier moest in de shelter worden ondergebracht. Een Engelsman naast mij zei: zijn wij geen gekke mensen,de levenden moeten aan gevaar bloot staan,de doden worden beschermd.

--------------------------------------------------------------------

Tussenvoegsel:
Zijn vader tekent op 25 november 1945 in zijn dagboek aan dat Alfred hem een brief ter lezing geeft die hij in 1941 schreef voor het geval hij bij de een of andere gelegenheid om het leven zou komen. Vader schrijft de brief over in zijn dagboek. Het is mogelijk dat Alfred de brief heeft bewaard en in zijn schriftelijke nalatenschap is aangetroffen, maar ik vermoed dat dat niet het geval is. Hier volgt een copie, overgenomen uit Vaders dagboek nr. 129 van het familiearchief, lopend van 15-25 november 1945.
Admiralty, 30 maart 1941.
Lieve Moeder en Vader, Vandaag heb ik de wacht en zit rustig te wachten tot er weer een telegram naar Indië moet worden verzonden of een of andere engelsche autoriteit iets over onze Marine wil weten. De samenwerking laat niets te wenschen over en ik kan mij niet voorstellen dat wij in eenig ander land zoo correct en vriendelijk in een groote organisatie als de admiraliteit zouden zijn opgenomen. Dikwijls als ik door de gang loop waarop de kamers der Sealords uitkomen moet ik denken aan het boek van Winston Churchill, "The World Crisis" en wilde ik wel dat ik Tom hier een dag mee kon nemen op mijn dagelijksche wandeling door het gebouw. Daar staat het standbeeld van Lord Mountbatten, prins van Battenberg, die tengevolge van publieke agitatie over zijn duitsche afstamming als first Sealord moest aftreden; de eenige duitscher voor wien een standbeeld in de Admiralty werd neergezet. De kamer waar de board of Admiralty vergadert en waar een ivoren knop op de betimmering de lengte van adm. Nelson registreerde, hoe klein in afmetingen was deze groote admiraal. Hare Majesteit de Koningin was zoo goed mij vorige week de orde van officier Oranje Nassau op de borst te spelden voor uitstekende diensten als marine attaché en liaison officier bij de admiraliteit nadat Nederland daadwerkelijk in den oorlog was betrokken. Op haar vraag of ik het druk had heb ik neen geantwoord en dit is ook waar, alles gaat op rolletjes, ik heb uitstekende officieren, Krediet, Vos, Clay en van Meerkerk, die als ik weg ben, zelf beslissingen nemen. Ik zou niet kunnen werken met menschen die niet zelf kunnen beslissen en eenig risico durven nemen. Tot voor kort had ik ook een officier Berger, die hier 's avonds de wacht deed, laat in den avond werd hij bij admiraal Phillips, vice chief naval staff, ontboden, die hem mededeelde dat een vijandelijk oorlogsschip, de "Scheer", in den Indischen Oceaan was verkend en mogelijk op weg naar Ned. Indië was. Berger nam toen de juiste stappen en de Commandant der Zeemacht ontving kort daarop een telegram, dezelfde mededeeling bevattend. Helaas is Berger kort daarop door een duitsche bom getroffen en omgekomen. Het is een lot dat ons dagelijks kan treffen en min of meer de aanleiding tot het tikken van dezen brief, want men wil toch niet gaarne weggaan uit den wereld zonder een enkel woord van afscheid. Wij allen weten dat wij eenmaal geroepen worden, een vertrek met gezegelde orders, nl. onbekende bestemming. Ik vind het niet zoo belangrijk mij te verdiepen in de vraag of wij in een of anderen vorm zullen voortleven, ik ben er van overtuigd dat de schepper van het heelal ons niet zal verlaten, onze geest is nu eenmaal niet zoodanig geconstrueerd dat wij dergelijke dingen kunnen weten of begrijpen, wij kunnen slechts afwachten en het beste hopen. Ik herinner mij erg goed dat mijn dissertatie voor de doopsgezinde gemeente door dominee Kuyper werd verworpen. Ik had toen opgeschreven wat ik werkelijk dacht. Ik geloof niet dat mijn godsdienstige overtuiging veel is veranderd, nimmer zal ik er veel voor voelen tot een bepaalde gemeente te behooren om principieele redenen, doch ik kan mij zeer goed indenken dat om persoonlijke redenen, traditie, sympathieke dominees etc., men lid van een bepaald kerkgenootschap wordt. Wij leven thans in Londen nog een min of meer luxe bestaan en het is moeilijk zich in te denken hoe het mogelijk is een leven onder duitsche bezetting te verdragen, al treden de duitsche troepen nog zoo beleefd op. Uit Moeders brieven aan tante Olga kregen wij echter een heel goed beeld van wat men denkt en voelt in Amsterdam. Wij praten ook dikwijls over de vraag wat er na den oorlog moet gebeuren en komen dan als regel tot de conclusie dat wij een alliantie van mogendheden moeten tot stand brengen die belet dat Duitschland voor een derde keer de wapens opneemt. Zoodanige doelstelling klinkt wel zeer weinig opbouwend en men zou er nog eenige fraaie zinnen aan kunnen vastknopen, waarin gesproken wordt over verbetering economische betrekkingen etc. De wereld wijzigt zich steeds en het zal niet eenvoudig zijn het krachtige duitsche ras er onder te houden. Toch zal het voorloopig noodig zijn hard te zijn, totdat een nieuwe generatie in Duitschland is opgevoed, naar ik hoop volgens de montessoriaansche richtlijnen. Het is daarom van belang alles wat onnodig krenkend is weg te laten en geen wraak te nemen die geen zin heeft. Ontwapening is naar mijn gevoel het allerlaatste wat wij moeten doen en als de Amsterdamsche intellectueele kringen (prof. Kranenburg) weer te veel over politiemacht praten met het doel de weermacht te ondermijnen dan zullen wij niet moeten terugdeinzen voor krasse maatregelen. Graag had ik nog eens met Vader gewandeld, de brug over van de Stadionkade, dan naar de boschjes en volkstuintjes, dan op de hooge ringdijk, graag zijn meening gehoord over dit alles en nog veel meer, waarschijnlijk heeft hij in deze jaren weer de kern der dingen gevoeld en alles in de ware proporties gezien. Wat verlang ik soms om bij Moeder aan de theetafel te zitten met alle verhalen over alles en nog wat, niet alleen wat er gebeurd is in de wereld die wij zien, maar ook wat zich heeft afgespeeld in het innerlijke leven van hen die wij kennen, zoo weinigen in de wereld zijn als Moeder en Vader en ik hoop alleen maar dat ik hen niet te dikwijls heb teleurgesteld. Frans en Engelien, die met zoo veel moed in een kritieken tijd hun leven begonnen zijn, wat heb ik dikwijls genoten van die rustige uurtjes op zondagen met Engelien aan de piano, dan Aerdenhout met die twee gezellige huizen van Olga en Ot, wat mis ik hun kinderen, Tom, Elsbeth, Maria, Willem, Hilda en Puck - John zou ik wel eens rustig over zijn belevingen op den invasiemorgen willen spreken, Tom natuurlijk over alles en nog wat betr. de Marine. Misschien maar gelukkig dat alle gezinnen vereenigd waren, als het vriendelijke aanbod der Bibby's was aanvaard zouden de kinderen van Tom hier nu in Engeland zijn en dat heeft toch ook zijn bezwaren. Hoe graag zou ik weer eens naar Hattem gaan met alle herinneringen. Het is of men nog niet voldoende genoten heeft toen men dat alles doorleefde, zoo graag zou ik tante Hessie nog eens zien. Er is natuurlijk nog veel meer, te veel om op te noemen. Mijn jeugd heeft gestaan in het gelukkig voorrecht van te mogen opgroeien in een harmonische omgeving, de school van den heer Vrij, de padvinderij, de zeiltochten met Vader en Tom in de Mavourneen, de vacanties in de "Sparren" en op Drafna, hoeveel gelegenheid was er niet om te genieten van de natuur, van de bijna romantische omgeving van Drafna met de larixlanen en de denneheuvels, die we toentijds Majuba en Spionkop doopten, het uitzicht op de groote weide, met het kleine "Freddy"heuveltje in het midden. Hoe waren wij altijd weer verrukt het bruine Drafnahuis te zien vanaf de tramhalte, zoals het daar in de hoogte lag, wij wisten dat wij daar altijd welkom waren en dat wij ons daar altijd mochten terugtrekken in de rustige en veilige library, waar een schat van boeken ons gelegenheid gaf te kiezen, waar wij boeken lazen ver boven ons bevattingsvermogen, die ons wakker maakten voor deze literatuur, die deden verlangen naar meer, zooals jongens, verhalen hoorend van verre landen, deze landen ook werkelijk willen bezoeken. Den Helder was een wonderlijke overgang van een zorgelooze jeugd naar den rijperen leeftijd, een zoo strenge discipline en een onderstreping van de belangrijkheid van details, ceremonieel is misschien onvermijdelijk, over het geheel ben ik niet enthousiast over die heldersche opleiding, waar het initiatief zoo sterk werd onderdrukt. Gelukkig was de Bronckhorststraat, Drafna of Hattem steeds klaar ons welkom te heeten. Eerste torn Indië, eerste kennismaking met een land van onvergelijkelijke schoonheid, hoe genoot ik van het alleen varen op de oude torpedoboot Draak of Krokodil en smokkelaars te vangen, daarna allerlei avonturen bij den onderzeedienst - terug in Holland en op de "Gelderland" die onlangs - voor zoover wij weten - door engelsche vliegtuigen in den grond werd geboord. Ik verlangde veel naar buitenlandsche reizen, daarvan kwam nimmer iets, welk een opluchting op loodsboot 6 ter zee visscherij controle uit te voeren, vervolgens afbouw torpedojagers en twee interessante reizen naar de West, de tweede reis ter verjaging van Urbina uit Curaçao, doch Urbina bleek reeds uit eigen verkiezing het eiland te hebben verlaten. Tweede torn Indië met als hoogtepunt of laagtepunt de gebeurtenissen van de muiterij der Zeven Provinciën, terug naar Holland en alsmaar walplaatsingen tegen wil en dank, zoo werd ik via de Krijgsschool Marine attaché, na voor de betrekking van adjudant Minister te hebben bedankt na aankomst in Holland. Ik heb geen spijt de Marineloopbaan te hebben verkozen, al is het mogelijk dat als de oorlog in 1939 niet was uitgebroken ik de betrekking van hoofdambtenaar in algemeenen dienst bij een der grootste Nederlandsche scheepsbouwmaatschappijen tegen een traktement van 12000 gulden p.j. zou hebben aangenomen, ik gevoel namelijk veel voor een vaste werkkring en bij de Marine is men daarvan nimmer zeker, wordt men soms ineens in een baan gezet waar niets te doen valt, er valt op dit punt in de Nederlandsche Marine nog veel te verbeteren. Ik herinner mij ineens dat ik nog een zeker aantal stoffelijke bezittingen heb vergaard, ik heb een en ander hier op een apart vel getikt, het spreekt vanzelf dat het meer als een algemeene handleiding is bedoeld, ten aanzien van mijn stoffelijk overschot zou ik willen voorstellen: "laat liggen wat leit", d.w.z. geen onnoodige onkosten en drukte, als ik op engelschen bodem lig is mij dat goed, want in dit land heb ik veel lief en leed gehad. In deze wereldworsteling vallen slachtoffers, dat is nu eenmaal onvermijdelijk daarenboven had ik als beroep een vak dat risico bracht en ik vind het een logische consekwentie van deze keus, dat men het leven op een gegeven oogenblik er bij inschiet onder soms weinig heroieke omstandigheden. Hoezeer het mij dus spijt het vaderland niet zelf te mogen wederzien leg ik mij neer bij de beslissing van Hem die het Heelal regeert. Ni regret du passé, ni peur de l'avenir. (lijfspreuk van de familie Boissevain) w.g. Alfred
Hierbij was nog een testament waarbij hij mij vermaakt zijn grond op Terschelling en zijn effectenbezit, aan Engelien zijn grond bij Hulshorst, aan Tom zijn boeken.

Einde tussenvoegsel

--------------------------------------------------------------------------------------------

De verdere bombardementen zal ik overslaan,behalve het laatste wat ik op dat gebied in Londen moest beleven. Het moet kort voor mijn vertrek naar zee zijn geweest,voorjaar 1943.Een klein Duits vliegtuig maakte een verkenningstocht naar Londen en liet daar twee kleine bommen vallen. Een daarvan moet mijn slaapkamerraam dicht gepasseerd hebben, voordat het op de binnenplaats door het dak van het restaurant gleed,vlak langs de bar vloog om in de kelder te exploderen. Ik sprak de barkeeper die een hoofdwonde had opgelopen. Ik vroeg: zeker een scherf van de bom. Nee was het antwoord,ik slaap onder de bar,dan wordt mijn whisky niet gestolen. Door de explosie schrok ik wakker en stootte met mijn hoofd tegen de onderkant van de bar.

Ik heb admiraal Furstner altijd gewaardeerd als degeen die het nodig achtte de zeeofficieren in de hogere rangen,het zelfstandig denken te leren en hun gedachten goed te formuleren. Hij was de eerste direkteur van de Hogere Marine Krijgsschool. Hij had zelf de Franse Hogere Marine Krijgsschool gevolgd. Hij had soms moeite het scheepsvolk te begrijpen en hen op eenvoudige wijze toe te spreken. Bij aankomst te Londen bedankte hij mij voor het afslaan van het aanbod van Wilton-Fijenoord, maar in de Admiralty zag ik hem zelden en ik vreesde dat hij mij op die post zou laten,al had hij de toezegging van een commando mij  gegeven zodra wij personeel genoeg hadden. Ik moest hem aan zijn woorden op niet mis te verstane wijze herinneren, zodat schout bij nacht Termijten, die bij het onderhoud aanwezig was,na afloop tegen mij zeide:ik wist niet dat je zo onmilitair kon zijn. Nu, ik evenmin schout bij nacht was mijn antwoord. Zo doorliep ik eerst een radarcursus, daarna de tactical anti-submarine course in  Liverpool. Daarna het toezicht bij de afbouw van een fregat bij Renfrew, vlak bij Glasgow. Ook nog een cursus in het magnetisch mijnen vegen. Bij de proeftocht kwam Professor Gerbrandy aanboord,het convooi voor Sicilie liep net de Clyde uit,oorlogschepen,troepenschepen,landingsvaartuigen voor tanks enz. enz. Ik kende Professor Gerbrandy nog van de dagen volgende op Pearl Harbor, toen Singapore viel, de Pacific War Council moest vergaderen en iemand naar de vergadering moest. Furstner had mij ter beschikking van Gerbrandy gesteld, het gevolg was dat de gezant mij ontbood en zei dat ik kolonel was en in tenu de vergadering moest aanzitten .Ik wist hem te overreden dat lieutenant of commander bij de Marine ook goed was. Zo werd ik acting commander. Gieves zorgde voor de nodige strepen. Instructie kreeg ik van niemand. Op 17 februari 1942 daalde ik in de lift af ,vlak bij het Foreign Office,van het ondergrondse centrum waar wij de kamer waar Churchill wel eens overnachtte. Spoedig kwamen wij in een vrij duistere zaal waar de vergadering van het Pacific War Council begon met een mededeling over de deplorabele toestand in het Verre Oosten. Had iemand nog iets te zeggen of te vragen?

Professor Gerbrandy

Ik meende goed te doen door aan te dringen op een actieve houding der Russen die naar mijn gevoelens de Japanners met onderzeeboten in een moeilijke positie konden brengen. Het antwoord luidde dat Eden reeds met Stalin had gesproken in die geest,doch dat de Russen hun Siberische troepen aan het Westfront nodig hadden. Zij zouden Japan niet aanvallen.
Het zou nog tot voorjaar 1943 duren v
oordat ik de Admiralty kon  vaarwel zeggen, want het fregat was pas in april te water gelopen. Op 14 Juni 1943 in dienst gesteld als de tweede Johan Maurits van Nassau, vertrokken wij naar Totermory,om daar geoefend te worden in de bestrijding van onderzeeboten, onder de orders van Sir Gilbert Stephenson,die mij vroeg of ik behandeld wilde worden als de Engelse schepen. Natuurlijk wilden wij dat en nu was het uitkijken geblazen .Zo moesten wij een zogenaamde gewonde man uit het kraaiennest in een brancard afvieren. Onze mannen waren voor zulke dingen te lijmen en wilden niet schaften voor zij dit  hadden gepresteerd. Commodore Stephans vond wel een verschil tussen ons en de Engelsen.Als er iets onverwachts gebeurd rennen wij direkt en denken daarna pas. Jullie denken eerst en komen dan in beweging. Maar wij kwamen met een goede beoordeling uit deze opleiding, terwijl soms commandanten tijdens de onze opleiding werden afgelost. Bij ons vertrek voeren wij langs het schip van de Commodore, veel vlaggelijnen vol bezet,want het sein was in het  Nederlands gespeld; wij zijn nu in beweging en denken. Natuurlijk probeerde de chef seiner van de commodore de Hollandse tekst, rechtstreeks van onze Engelse chef seiner te krijgen, maar daar hadden wij een stokje voor gestoken.Later hoorde ik dat Stephanson in de Admiralty het sein had laten zien en de vertaling gekregen.

De indienststelling van Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau, 14 juni 1943. Links (met gleufhoed) minister-president P.S. Gerbrandy, rechts er naast de commandant, kapitein-luitenant-ter-zee A. de Booy. Rechts van hem schout-bij-nacht P.J. Feteris, Chef Materieel van het Ministerie van Marine

Kanonneerboot Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau

Zo maakten wij in de 37ste,convooien bechermende,reizen naar West Afrika. Er is een Ierse commander groepscommandant, terwijl een Canadees  fregat geregeld dieptebommen wierp. Er waren echter geen Duitse onderzeeboten,want admiraal Donitz had hen laten terugroepen wegens de hoge verliezen,door uitrusting met accoustische torpedo's hoopte hjj de resultaten te verbeteren. Intusssen moest onze groep een linie uitleggen om de Harana een Spaanse koopvaarder,geladen met platina,waar een agent metde code voor de Duitse onderzeeboten aan boord was,aan te houden. Het lukte ons ,dankzij een goedwerkende radar en een werkzame uitkijk in het kraaiennest. Wij gaven het schip dat uit Argentinië kwam, over aan een gewapende Britse  kruiser. Op deze patrouille passeerden wij HMS Ness,met verzegelde orders op weg naar de Kaap Verdische eilanden. Hij moest daar enige Italianen afhalen, die dienst hadden gedaan bij het afvoeren van Italiaanse krijgsgevangenen uit Somaliland en Eritrea. Later sprak ik de commandant van de Ness. Hij kwam onverwachts laat in de nacht bij de Kaap Verdische eilanden. De Portugese gouverneur zei: Ik heb geen bezwaar dat U deze eilanden komt bezetten, maar wel dat U niet van te voren waarschuwt. Hij was teleurgesteld dat het bezoek alleen een paar Italianen gold.

Op 14 November werd ik senior officer van de 37ste groep, die de convooien in de Middellandse zee zou begeleiden. Wij moesten allereerst Hr.Ms. Maidstone, een moederschip voor onderzeeboten veilig van Gibraltar naar Algiers brengen. Op een der volgende reizen werden wij over twee convooien de baas, het is dan 2 Juni en het totaal 120 schepen, met een bescherming van negen escorteurs,waaronder Hr.Ms. Friso. De totale oppervlakte van het convooi is zo groot,dat wij blij mogen zijn dat er maar een vijftal Duitse onderzeeboten in de Middellandse zee zijn.. Begin December *), wanneer het in Nederland Dolle Dinsdag is, worden wij teruggeroepen en meren in de Shadwell Docks te Londen.
*) Red. De dolle dinsdag was in september

Antwerpen
Antwerpen was onbeschadigd in handen van de geallieerden gevallen,het werd de voornaamste toevoerhaven voor de legers van Eisenhouwer.Mijn taak als liaison officier bij het Engelse havencommando van captain Cowley-Thomas was de Nederlandse bijdrage aan de bevrijding te bevorderen. Na de eerste wereldoorlog hebben de Fransen de Belgen opgestookt, waardoor een poging is ondernomen  de Zuidelijke Scheldeoever bij Belgie te voegen. Wij waren toen neutraal geweest en dat was geen punt in ons voordeel .Hoe het zij, ditmaal hebben wij niets gemerkt van enige actie van Belgische zijde. Het was verstandig om hier te verschijnen en onze komst in Antwerpen had enige zin, omdat langs de oever van de Schelde een mijnen uitkijk dienst moest worden georganiseerd,terwijl ook de Nederlandse loodsdienst opnieuw moest gaan functioneren. Een reserveofficier (Bogert) van de Marine werd mij toegevoegd.Hij had vroeger bij het Loodswezen gediend. Later kwam luitenant t.z.Dogger de staf versterken. Van hem is het lezenswaardige boek 'De Vierkante Maan',dat het begin van het Nederlandse verzet behandelt en ook zijn werk in mijn staf beschrijft. Voor de schout bij nacht L.A.C.M. Doorman die uit een Duits gevangenkamp was ontsnapt, requireerde ik een villa in Zeeuws Vlaanderen vanwege zijn functie als Commandant in Zeeland. In het begin viel niet veel voor hem te doen. Het was heel wat rustiger bij hem,dan bij ons in Antwerpen waar de V 1 en V 2 bommen dagelijks neerkwamen. Ik deponeerde bij hem een magnetische mijn die ik des nachts ophaalde van een vliegveld bij Eindhoven, met de bedoeling dat de mijn tzt in een museum moet terecht komen. Ik introduceerde een R.A.F. officier bij de burgemeester van Bergen op Zoom. Er moesten kleine lichtboeien in de Oosterschelde worden gelegd,om zodoende Duitse vliegtuigen die Antwerpen zouden willen bombarderen te misleiden. De Duitsers hadden blijkbaar geen vliegtuigen meer over voor Antwerpen, waar zij met hun vliegende bommen wel veel huizen hebben geraakt, doch nimmer het ontladen van oorlogsmaterieel konden stopzetten. In April werd ik overgeplaatst naar een legergroep van de Engelsen in Tilburg,samen met kapitein MacGruder van de U.S, Marines en een Royal Naval Lieutenant Commander. Onze baas admiraal Dickens in Brussel,voor wie wij in Tilburg een huis requireerden en in de bibliotheek van dat huis enige boekdelen van zijn familielid,de bekende Charles Dickens vonden, die wij op de tafel voor  hem klaar legden. Ik moet hem onze inlichtingen over de opmars der geallieerden per despatchrider toezenden, omdat hij daaruit kan opmaken welke havens het eerst vrij komen. Dan regelt Dickens de aankomst van de Engelse Marine eenheden, die deze havens veilig maken voor de aankomst van de schepen, die voedsel voor de burgerbevolking brengen enz. Dus ga ik met MacGruder naar het hoofkwartier van het Canadese leger en ik zie hoe goed Canadesen en Amerikanen met elkaar overweg kunnen. Spoedig daarna marcheren de Duitsers af, hun kleding is pover,discipline goed. Zij lopen naar den Helder,steken dan per landingsvaartuig over naar Harlingen en lopen verder naar de heimat. Dickens zend ons een telegram ,is dankbaar voor de verstrekte informatie.
In Hilversum
zetten de Canadezen hun  tenten op. Dan komt een telegram: zend ons een kaart van de  mijnenversperringen in het Dortse Kil
. Naar de villa van de Duitse Marine .Beleefd ontvangen door een Fregatten kapitän. Zal sofort de zaak regelen. ln een hoek zit een Duitser voorover gebogen; staart somker naar de op de grond liggende portretten van Hitler en de vroeger belangrijke Nazi-leiders. Nog een paar minuten en daar ligt de kaart met de gegevens .Niet iedere verslagen vijand zou zo gauw zulke gegevens vinden.

De bevrijding, naar de marinestaf in den Haag
Kort na de capitulatie van de Duitse strijdkrachten reed ik naar Amsterdam het viel me op hoe langzaam de mensen liepen. De Engelse artsen vonden na hun eerste bezoek dat de verhalen over hongersnood overdreven waren. Maar hun standpunt veranderde,toen zij
de huizen waren binnen gegaan en constateerden, dat veel mensen van honger omkwamen.
In den Haag hadden onze verkenners al de Duitse ambassade bezet en we begonnen daar met het opzetten van de Marinestaf, hoewel het gebouw aan de korte Vijverberg,toen de staf aangroeide, minder geschikt bleek. Luitenant ter zee Velderman was de eerste die mij kwam helpen.Principieel is iets nieuws opzetten eenvoudig, maar in winkels was niets te krijgen en papier, potlood , inkt en pen waren plotseling belangrijk geworden. Anderen hadden de Witte Brug, een duur hotel voor de Marine beschikbaar gesteld,maar dat veranderde spoedig toen de minister van Marine,de oud zeeofficier J.M. de Booy uit Londen neerstreek en ons allemaal onverwijld in een kleine kroeg in het Bezuidenhout deponeerde. Van je familie moet je het maar hebben, maar hij had groot gelijk.

-----------------------------------------------------------------------

Uit dagboek van zijn vader 11 mei 1945. Om 11 uur als ik aan de tafel zit, brieven sorterende, hoor ik een bekende stem achter mij. Het is Alfred, weinig veranderd, een beetje dikker geworden in het gezicht. En dan komt Hilda binnen en omhelst hem en huilt een beetje. Hij blijft bij ons middageten en we eten de bekende bruine bonen soep met aardappelen en van dat lekkere militaire wittebrood erbij en daarna spelen we samen het dubbelconcert van Bach en we merken dat Alfred zijn mooie streek nog bezit.
10 juni. 's Morgens komt Alfred en gaan we met hem en Engelien per auto naar John en Olga. Hij vertelde o.a. over de neiging van onze Koningin om erg democratisch te doen, die zich reeds voor de oorlog wel eens uitte. Zo kregen we een verhaal van een picnic in de duinen, de Koningin plof nederzittende, stijve, bejaarde generaals met kramp in de benen, hofdignitarissen, stokstijf staande lakeien met schalen sandwiches en uitdrukkingsloze gezichten en onze brave Koningin die zich had voorgesteld op echt burgerlijke wijze een gezellig picnicje in de duinen te hebben. Alfred gaat dinsdag naar Engeland, laat zijn auto te Antwerpen, meldt zich in Engeland bij onze marine en als ze hem de Kinsbergen willen geven, dan vindt hij het best (om ermee tegen de Japs te vechten). En dus nemen we nu misschien voor lange tijd afscheid van hem".

--------------------------------------------------------------------.

Links: Alfred de Booy, kapitein-luitenant ter zee weer in Nederland terug na de Tweede Wereld oorlog. Rechts: Alfred samen met zijn twe neven Willem van Marle (links) en Tom de Booij (rechts) in hun 'uniformen' van de Binnenlandse Strijdkrachten;

Uit het onlangs verschenen boek 'Tussen Vloot en Politiek' blijkt,dat ik(zie p.149) aan de Marineleiding een nota schreef( tussen najaar 1945 en 31 Januari 1946) waarin ik het ontworpen vlootplan op practische gronden verwierp, omdat ik de ontwikkeling van Indië minder gunstig inzag. De ontwerper van het plan heeft in mijn nota aan de onderste regelt toegevoegd,dat een vlootplan in een bondgenootschappelijke oorlog moet voorzien in een bruikbare vloot. Ik voorzag een langdurige pacificatie van de archipel. Vond ook geen financiele basis voor het bewuste plan. Omtrent l8 augustus had ik onze minister van Marine het telegram laten lezen waarbij Soekarno de onafhankelijkheid proclameerde. De schaarse berichten uit Indië waren onheilspellend. Geen wonder dat mijn standpunt somberder was dan dat van de vloot planners. Nederland was in 1946 niet bereid en ook niet goed in staat Kolonien zonder meer prijs te geven. Dat ik en velen met mij toch nog enige hoop hadden,wijt ik aan het ontbreken van enigerlei informatie van de toestand op Java. In hoeverre de Nederlandse regering in Londen en later in den Haag door haar vertegenwoordigers in Australië voldoende is voorgelicht,met name ten aanzien van de Japanse propaganda op de bevolking,zal misschien nog wel eens door historici worden onderzocht.

Begin Februari 1946 vertrok ik naar Londen als aangewezen commandant van ons eerste Vliegdekschip Karel Doorman.

-----------------------------------------------------------------

Uit het dagboek van zijn vader 6 juli 1946. Als ik thuiskom is Alfred er, ziet er patent uit, rustig, gelukkig in zijn werk. Frans en Engelien komen eten. Frans mager. We eten gebakken tong met gebakken aardappelen en sla, drinken een fles wijn. Alfred schenkt mij een kistje beste sigaren. Hij doet aardige verhalen uit het scheepsleven.
7 juli. Alfred zet zijn verhalen voort, heel interessant, een prettige dag.
11 juli. 10.05 met de trein met Hilda en Engelien naar Schiedam waar we worden afgehaald door auto met matroos-chauffeur, die ons naar werf Wilton-Feyenoord brengt waar de "Karel Doorman" ligt. Alfred wijst ons het schip en we blijven bij hem koffiedrinken. Een keurige matroos-hofmeester geeft ons lekkere vis met gebakken aardappelen en sla en verrukkelijke vruchten: perziken en druiven. Ik heb een sterke indruk gekregen van de grote verantwoordelijkheid die op de schouders van onzen zoon rust. Het is een heel groot ingewikkeld bedrijf.
5 augustus Maandag gingen Olga en de kinderen naar Schiedam om de Karel Doorman te zien en daar te lunchen met de auto die Alfred haalde, een mooie auto van de Marine-pool, bestuurd door een burgerchauffeur in Marinedienst. Deze had een zwager meegenomen, die er weder uitmoest omdat er anders niet genoeg plaats was. Wat ik vroeger ook al eens had opgemerkt, toen Jim - minister van Marine - ons in z'n auto bezocht te Amsterdam en z'n adjudant een jonge dame permissie had gegeven mee terug te rijden naar Den Haag, zag ik nu weer. De chauffeur van de Karel Doorman vindt het heel natuurlijk of gewoon dat hij zijn zwager meeneemt. Deze zat op de plaats naast de chauffeur, liet slechts zijn rug zien, terwijl de chauffeur uitlegde dat er nu geen plaats was voor allen. Alfred zei natuurlijk dat die man niet meekon, stond wel toe dat hij naar station Bussum werd gebracht, wat de uiterste grens van meegaandheid was waarop hij kon gaan. "Hogerhand" werkt zoiets ook in de hand als een kameraadschappelijke omgang wordt gewenst met de ondergeschikten. Er zijn echter grenzen. De goede manieren moeten ook blijven bestaan en in ere worden gehouden. We zullen Alfred nu niet meer zien. Hij vertrekt volgens het plan 8 augustus van Rotterdam en 1 september van Portsmouth naar Indië, waar Soekarno en Shahrir wel zullen denken "wat doen ze nou weer" als ze het gevaarte van de Karel Doorman zien verschijnen. Alfred heeft in Holland ongeveer de rol moeten spelen van directeur van een publieke vermakelijkheid. Hij kreeg zeer vele bezoekers, wien allen het schip moest getoond worden, soms 100 tegelijk, zoals cavallerie officieren. ook journalisten in groten getale en vele anderen.

-----------------------------------------------------------------

De reis die wij maakten naar het huidige Indonesie is indertijd (Juni en Juli) in het Marineblad van 1972 gepubliceerd. Ik laat het hieronder volgen.

HERINNERINGEN AAN DE REIS VAN Hr.Ms. "KAREL DOORMAN"
NAAR NED. OOST-INDIE  - 1946 - 1947 

Door A. de Booy (oud-commandant) Bron: MARINEBLAD 1972   George J. Visser (IMH)  

Indienststelling en Voorbereiding tot de Reis
Eind Januari 1946 bevond ik mij in de marinestaf, die toen nog gevestigd was in de Lange Vijverberg waar thans de Duitse ambassade weer gezeteld is. Ik hoorde voor het eerst over onze recente nieuwe aanwinst spreken toen de sous-chef van de marinestaf zijn hoofd om de deur van mijn kamer stak en mij toeriep: "Je bent aangewezen als commandant van het vliegdekschip, ga zo vlug mogelijk naar Engeland".

Kapitein ter zee Alfred de Booy commandant van het vliegkampschip Hr. Ms. Karel Doorman

Enige dagen later arriveerden de kapitein-luitenant ter zee vlieger Jhr. P. J. Elias en ondergetekende aldaar voor het volgen van enige cursussen op vliegvelden en andere walinrichtingen van de Royal Navy. Elias bezat ervaring in het opereren met aan boord van schepen gebaseerde vliegtuigen. In zijn boek "Dan liever de lucht in" vertelt hij spannende avonturen a/b van de tankers Micoma en Gadila van de Kon. Shell groep, die als z.g. Merchant aircraft carriers, varende onder de Nederlandse vlag, dienst deden bij de convooien op de Noord Atlantische oceaan. Zelf kon ik slechts spreken over een korte detachering in 1935 bij de Marine vliegkampen de Kooy en de Mok (Texel). Tijdens een vlucht als mitrailleurschutter in een vrij oud toestel had ik de piloot overgehaald een looping te maken, hetwelk hij, gezien de conditie van het toestel, slechts buiten zicht van het vliegveld durfde te doen. De looping gelukte voortreffelijk, doch verschafte mij niet de ervaring waarover een commandant van een vliegdekschip dient te beschikken. Evenmin was zulks het geval met een navigatievlucht over Friesland en Drenthe, waarbij ik als waarnemer spoedig de weg kwijt was. Ik verbaasde mij enigszins over de brandlucht en was dankbaar dat de piloot een goede noodlanding op het vliegveld in Eelde maakte.
Weinig ervaring deed ik op tijdens proefnemingen met een nieuw type landingslichten, waarbij de leerlingen van de Hoge Marine krijgsschool als ballast werden gebruikt en de piloot in het stikdonker probeerde op de nauwe geul van het vliegkamp de Mok te landen. Maar misschien heeft de detachering toch bij gedragen tot enig inzicht in de mentaliteit van de vliegeniers van de Marine Luchtvaart Dienst die zich in de oorlog zo dapper van hun taak hebben gekweten. Elias en ondergetekende kregen de grootst mogelijke medewerking van de Fleet Air Arm,  het ontbrak niet aan goede raadgevingen. Kapitein ter Zee Caspar John, commandant van een licht vliegdekschip wees mij op de noodzaak te beschikken over een perfect geoefende vliegtuig directieploeg, opdat vliegtuigen feilloos naar het schip terug konden worden gedirigeerd voordat hun brandstof op was. Dit nam niet weg dat tijdens één der eerste oefeningen met vliegtuigen na onze indienststelling, de piloten steeds verder van het schip weg vlogen, tot gelukkig de vliegtuig directie officier bespeurde dat een kompasroos 180 graden verkeerd was afgesteld of werd afgelezen. Als onderdeel van de Royal Navy was ook de Fleet Air Arm in snel tempo aan het demobiliseren en op één der vliegvelden zwaaiden dagelijks wel een honderd schepelingen af. De commandant nam echter de moeite hen man voor man te ontvangen en te bedanken voor wat zij voor de Marine in de oorlog hadden gedaan.

Het werd maart voordat wij onze bestemming, H. M. S. "Nairana" (Zeearend de taal gesproken door de Maori's) bereikten. Tijdens de oorlog werd zij in plaats van fruit-carrier voor de Port Line als escorte vliegdekschip afgebouwd. Het schip bewees goede diensten bij de Moermansk convooien.
Het bezat geen stoomcatapult, liep minder snel dan de tweede Karel Doorman, was ongeveer 160 meter lang, stak volgeladen 9 meter, de waterverplaatsing bedroeg circa 17000 ton (Washington). De totale bemanning, inclusief het personeel van de Marine Vlieg Dienst, bedroeg ruim 900 man. Onder in het schip lag veel ballast, terwijl verscheidene ruimen gevuld waren met vaten, die het schip bij het ontvangen van een torpedotreffer, voor zinken moesten behoeden. De open brug verheugde zich in het bezit van een kleine kaartenbak en een spreekbuis naar de roerganger die bij de telegrafen enige dekken lager stond. Gelukkig toonde een wijzer de roeruitslag, zodat men tenminste niet van alles verstoken was. Duidelijk konden wij zien dat de Admiralty het schip had ingericht voor het bevaren van de ruime zee en terecht het navigeren in kustwateren of tussen de riffen van de Indonesische archipel niet had willen voorzien. Voor de Koninklijke Marine zou dit het eerste schip worden met een derde dimensie, al werden op kruisers of torpedojagers wel kleine watervliegtuigen medegevoerd. Onze eerste taak was in de scheepsorganisatie deze dimensie te verwerken. De nog aanwezige orderboeken van H. M. S. Nairana gaven wel enig houvast, maar een goede vondst was een memorandum achtergelaten in een hutlade, dat wij na de overname vonden, top-secret geclassificeerd en getiteld: "Why the Americans have better results than we with their carriers". Zodoende leerden wij hoe een verschil in opvatting tussen deze beide naties zich in een organisatie openbaarde. Bij de U. S. Navy ging men niet uit van een soepelwerkend teamwork, die een scherpe omlijning der verantwoordelijkheden van het hoofd vliegdienst, de squadron commandant, de vliegdekofficier, de 1e officier, het hoofd van de machinekamer etc. minder noodzakelijk maken. Men zorgde juist voor een scherpe afbakening en hoopte dan dat zulks de onderlinge samenwerking zou bevorderen. Tegen de tijd dat het schip onder de Nederlandse vlag in dienst werd gesteld, hadden wij een ontwerp organisatie gereed waarbij als zeer belangrijk onderdeel de brandbestrijding een plaats had gevonden. Dag en nacht liep een patrouille van twee mannen door het schip die herhaaldelijk hebben moeten optreden. Speciaal de open electrische kachels waren een voortdurende bedreiging voor onze veiligheid. Een algemeen rookverbod werd niet éénmaal op de luidsprekers afgeroepen, maar bij tussenpozen herhaald en ingeluid door de bekende tonen van de Big Ben.

Op 18 maart 1946 seinde ik aan mijn directe chef in Londen:"Approximately forty British key petty officers and ratings will remain in Nairana until end of March (all volunteers). Delay therefore unnecessary whilst original date has advantage of giving Dutch personnel benefit of British experience whilst being in charge. Intend to take over wednesday 20th March, provided Admiralty approves." In Nederland heerste nl. een ernstig personeelstekort. Schepen moesten worden uitgezonden naar het toenmalige Ned-Indië. Ik meen dat wij slechts over een dertigtal Nederlanders beschikten en begrijpelijker wijze wilde de hogere marineleiding de indienststelling opschorten, doch het plan gebruik te maken van een 40 tal Britten, in casu grotendeels Schotten, viel in goede aarde. Eén klemmende reden voor onverwijlde overname van het schip kon ik bezwaarlijk per telegram uiteen zetten. De reservevoorraad electronische onderdelen voor de radar verminderde op onverklaarbare wijze. Wij verdachten o.a. iemand die binnenkort zou afzwaaien, maar die telkens zijn vertrek uitstelde. Het was zaak hem weg te krijgen. Onderhands werd hem verteld dat een van roodvonk verdacht geval in de ziekenboeg was opgenomen. Zodra het bacteriologisch onderzoek het vermoeden zou bevestigen, zou het schip in quarantaine gaan en niemand het schip mogen verlaten. Betrokkene rende zonder verder dralen naar de valreep, sprong in de gereedliggende sloep en liet zich aan een steiger afzetten. Wij zagen hem niet meer terug.

Vliegkampschip Hr. Ms. Karel Doorman waarover de Booy het commando voert op zijn reis naar Indonesië

Op 20 maart 1946 stelden wij het schip in dienst, de driekleur werd gehesen. Nu was het zaak het personeel wegwijs te maken en de nodige voorraden te laden. Onze chef machinekamer vermoedde dat één der schroeven ernstig was beschadigd, dat zou volgens een onzer Schotse stokers in de Clyde zijn geschied. Wij moesten dus dokken hetgeen in de Marinebasis te Rosyth kon geschieden. Op 23 april verlieten wij Gareloch en ankerden temidden van vele andere schepen ter rede van Greenock. Wij moesten daarbij de, tengevolge van de sterke stroom, strak staande ankerkettingen van deze schepen ontwijken, hetgeen mij wel deed realiseren dat er een groot verschil was tussen het manoeuvreren met mijn vorige commando, een fregat, en het tienmaal zo grote vliegdekschip waar ik vanaf de brug het voorschip niet kon zien, terwijl de brug geheel aan stuurboordzijde was gebouwd. Ik had dus steeds begrip voor de moeilijkheden van loodsen, die dit type niet kenden en bovendien soms vele jaren tengevolge van de oorlog in kampen dan wel aan de wal hadden gezeten. De lange stopweg en de grote diepgang niet alleen, maar ook het langzaam op gang komen deed mij denken aan een verhuiswagen in vergelijking met een kleine Ford. De route naar Rosyth liep door de Pentland Firth, maar voordat wij zover waren begonnen de moeilijkheden door een hevige storm. Het schip slingerde hevig en de in de hangar gedeponeerde voorraadkisten werden levendig. Victor Hugo heeft eens een schip beschreven waarbij een kanon op rolpaarden los geraakte, vele mensen verpletterde en tenslotte een gat in de scheepshuid boorde, waardoor het schip in de golven verdween. Het liep bij ons wel beter af, doch enige opvarenden moesten met ontwrichte of gebroken ledematen in de ziekenboeg worden opgenomen. Nadát een nieuw schroefblad was aangebracht kwamen wij in de Firth of Forth ten anker bovenstrooms van de Poolse kruiser Pitatko, terwijl verder benedenstrooms de hoge brug zichtbaar was, beide oevers van de Firth verbindende. Er stond een sterke eb, wij moesten dus draaien en onmiddellijk na het passeren van de Pool stuurboord uitdraaien teneinde een droogte gemarkeerd door een boei te ontwijken en dan vlug weer op de oude koers komen zodat de brug in het midden kon worden genomen, alwaar de hoogte voldoende zou zijn voor het doorlaten van onze hoge radarantenne. Wij stoomden na het ankerlichten een eindweegs de rivier op met het goede voornemen met de schroeven tegen elkaar werkend snel het schip met de neus naar zee te krijgen. Ik had helaas  de stroomsterkte onderschat en de eigen draaisnelheid overschat, waardoor goede kans bestond dat wij bovenop de ankerketting van de Pool zouden geraken en uiteindelijk tesamen wel ergens stranden. Gelukkig brachten beide Doxford motoren volle kracht vooruit werkend het schip met hard stuurboord roer nog net vrij van de Pool die wij vrij dicht met hoge vaart passeerden. De bemanning aldaar stond voor ons in de houding, vermoedelijk niet uit dankbaarheid voor de schrik en ontsteltenis die wij hadden veroorzaakt, maar wel omdat de voorschriften zo luidden. Ik meen dat ook wij front over stuurboord maakten, doch mijn aandacht was meer in het bijzonder op de navigatie gericht. Zonder geluk vaart niemand wel en tegen mijn verwachting gleed zelfs de radarantenne onder de brug door. Mij is eens verteld dat een Schot een penny uit het raampje gooit als hij per trein de brug passeert, dat brengt geluk. Ik had zeker wel alle pennies in het, water willen werpen die ik bezat, als dat mij had kunnen helpen. Nu moesten wij vlug de inmiddels gegroeide bemanning vertrouwd met het schip maken want binnenkort zouden landingsproeven met de vliegtuigen (Firefly) beginnen.  Daartoe diende de z.g "lekbrandweer" zoals wij de organisatie ter bestrijding  van lekken en  branden toen noemden, feilloos  te werken. De eerste officier, kapitein luitenant ter zee  L.J. Goslings  oefende daarop het algemeen toezicht uit in overleg met de chef machinekamer en het hoofd vliegdienst.  Hij wist zijn dagelijkse orders dusdanig te redigeren dat zij door de bemanning ook werkelijk werden gelezen. 

Als voorbeeld haal ik hier aan zijn order  voor donderdag 25 april: ............ "alleen de patrouilles van de lekbrandweer  kunnen voor rondes door de B.B.'s whalegang lopen. De patrouilles moeten hun rondes met het minst mogelijke leven maken.  In de afgelopen nacht leek het vaak een heel regiment cavalerie.  Ze moesten inzien dat het beslist onnodig is hen, die op dat moment geen wacht hebben, wakker te houden, al moet ik erkennen dat het wel heel belangrijk is midden in de nacht te horen: dit is de hut van de 1e officier, zou die met dit slingeren nog kunnen slapen. Voor hen die mochten betwijfelen, mijn nachtrust was perfect.  Zeezieken! ! ! Laat, je niet ontmoedigen. Het gaat wel weer over en het vlugste als je door blijft werken.  Als je met Neptunes keuvelt, leun dan niet op het hekwerk. Als  je overboord duikelt, is de kans gered te worden heel gering." Hoewel de landingen door de piloten goed werden verricht, was het percentage vliegtuigen hoog dat door de landingsgestellen zakte.  Een vliegtuig gleed zelfs tot aan de rand van het dek en hing half buitenboord met lekkende benzinetanks vlak boven de uitlaat van de dieselmotoren.  Goede raad was duur, experts van de Fairey -Company, die de vliegtuigen had geleverd, werden aan boord ontboden. Wij  lagen in de baai van Penzance (Cornwall) ten anker.  Er stond  stond een stormaclitige wind en veel zeegang in de baai. Geen vissersvaartuig waagde zich naar buiten en onze motorsloep strijken zou niet verantwoord zijn. Nu boden twee ervaren zeilers (Luitenant ter zee J. Bussemaker en onze chirurg, Dr. J. B. Hillen) zich aan om zeilend met de whaleboten de experts van de wal te halen. Helicopters bezaten wij nog niet en er stond niet veel anders op dan het risico te nemen.  Beide sloepen liepen het haventje binnen en namen tot verbazing van de toegestroomde bevolking de Britten aan boord, die omhangen met zwemvesten onderin de sloep werden gelegd en opgewekt, hoewel zij drijfnat waren, op het vliegdek verschenen.  Spoedig was het raadsel opgelost, onze Fireflies bezaten smallere banden dan de firefiles die tot dusver op éscortcarriers waren geland.  De Admiralty gebruikte  dit type vliegtuig alleen nog maar op grotere vliegdekschepen, waar de landingsbaan langer was en de landing bijgevolg lichter kon worden uitgevoerd. 
Wij staakten dus verdere vliegproeven en ik begaf mij naar Londen voor een bespreking op de Admiralty. 

Wij lagen toen in de baai van Milford Haven (Zuid Wales), weinig beschut en op slechte ankergrond. 
Ik vertouwde het schip aan de 1e officier met een gerust hart toe, deze wist dat de veiligste plaats voor een vliegdekschip bij storm de volle zee is. Als ik mij goed herinner hadden wij kort tevoren onze overigens zeer bekwame deklandingsofficier (beter bekend als de "batsman", die in iedere hand een soort pingpong racket houdend vanaf het schip de piloten aanwijzingen voor de landing geeft) wegens een gemaakte beoordelingsfout in een andere functie te werk gesteld.  Van de brug volgden wij de manoeuvres van het landende vliegtuig. dat vrij hoog boven het dek dicht voor de z.g. barrier was.  Een uit staaldraden geconstrueerd hek, dat moest beletten dat de vliegtuigen na hun  landing in zee rolden, dan wel  de achter de barrier opgestelde vliegtuigen zouden beschadigen.  Plotseling  gaf nu onze batsman het stopsein, dwz het stoppen der motoren,  hetgeen het vliegtuig in de barrier zou hebben doen terecht komen, ware het niet dat de piloot, instede van de toevoer van benzine af te sluiten, vol gas gaf en over de barrier heenvloog en een aanloop voor een geslaagde landing nam. Gelukkig waren het hoofd vliegdienst en ondergetekende het geheel eens en schoot ons weinig anders over dan voorlopig met een andere batsman in zee te gaan.   De Admiralty was zo welwillend tijdelijk een batsman van de Fleet Air Arm af   te staan
.

Z.K.H. de Prins der Nederlanden in gesprek met Luitenant Admiraal C.E.L.Helfrich augustus 1947

Terugkomend  in Milford Haven vond ik de baai leeg en wachtte enige tijd op de kade, in vol vertrouwen dat de 1e officier het schip wel weer thuis zou brengen.  Kort daarop kwam de neus van ex H. M. S. Nairana om de hoek van de landtong glijden en weldra deelde de 1e officier mij mede dat hij wegens krabbend anker en opkomend stormweer het anker had gelicht en voor de kust had gekruist.

Inmiddels was in het  toenmalige Ned.-Indië een dringende behoefte aan vliegtuigen ontstaan, die niet alleen steun aan grondtroepen zouden kunnen geven, doch ook verkenningen konden verrichten.  Ons squadron Fireflies zou dus goed te pas komen, mits de nodige reservedelen met munitie tegelijk met de vliegtuigen aldaar zouden arriveren.  Luchtmacht is minder mobiel dan gemeenlijk wordt verondersteld en in hoge mate afhankelijk van zeetransport.  Geen wonder dat wij opdracht ontvingen   15 Fireflies, volledig uitgerust en bewapend, met circa 1000  ton reservedelen en 1000 ton munitie naar Java te vervoeren.  Allereerst was een   jaarlijks onderhoud bij de Werf- en Dok Maatschappij "Wilton Fijenoord" onvermijdelijk. Bij het opvaren van de Waterweg zagen wij twee wrakken, waartussen het schip juist kon doorglijden. Een uitvarend koopvaardijschip kwam ons tegemoet en scheen  op hetzelfde moment van de nauwe doorvaart gebruik te willen maken. Onze zeeloods stelde ons gerust:  wij hadden het tij mede en de tegenligger zou op ons moeten wachten.  Geen sprake van,  het voer rustig verder.  De jeugdige loods van laatstgenoemd schip was blijkbaar een andere mening toegedaan.  Wij gleden zo dicht langs elkaar dat hadden wij wat langere armen gehad, wij elkander de hand hadden kunnen drukken. Onze loods barstte van verontwaardiging, voornamelijk omdat zijn jeugdige collega vrolijk met zijn pet naar ons wuifde. Bij  het invaren van Wilton-Fijenoord's haven, met assistentie van een aantal kleine sleepboten van de werf, zagen wij tot onze schrik dat er onvoldoende plaats was om, zonder een langs de kade liggende koopvaarder opzij te duwen, in het drijvende dok te glippen.  Wij richtten enige schade aan de degaussing kabels van dit schip aan, waardoor dit pas 24 uur later kon vertrekken, doch kwamen goed en wel in het dok terecht.  Mijn hoofd vliegdienst telefoneerde met het Marinevliegveld, Valkenburg, waarop enige luchtfoto's werden gemaakt waardoor onze onschuld kon   worden  bewezen en naar ik hoop de Marine de schade niet heeft behoeven te betalen.
Terug in Engeland brachten lichters de containers met reservedelen en voorraden, terwijl ook de munitie werd geladen.  In het King George the Vth dok te Glasgow reden de 15  fireflies vanaf een nabijgelegen vliegveld aan boord.  In de hangaar werden zij met spandraden vastgesjord.  De benzinetanks moesten gevuld blijven teneinde corrosie van de tanks gedurende de overtocht te vermijden.

Eind, augustus 1946 waren wij gereed voor vertrek, toen plotseling een jeugdig officier van de Technische Dienst naar Nederland werd ontboden.  Hij moest voor de krijgsraad terecht staan wegens het kort na de bevrijding eigenmachtig doen exploderen van een bom,  in de omgeving van Hilversum, die daar voor en  circa. f 20.000 schade zou hebben aangericht.  Ongetwijfeld had hij uiting willen geven aan zijn vreugde over het vertrek der bezetters, zijn verdediger zal wel het accent hebben gelegd op het gevaar dat leken de bom zouden hebben aangeraakt en daarmede in de lucht konden zijn gevlogen. Nu was zijn grootste zorg dat hij de reis naar Indië zou missen.   Wij beloofden naar hem uit te zien nabij de Z.W.-punt van Engeland, indien hij daar op eigen risico naar toe wilde komen.  Op de afgesproken plaats in de baai van Pezance zagen wij op 30 augustus een eenzame figuur, die door onze sloep werd afgehaald en zo werd de ondeugd beloond. Slechts één lid van de bemanning liet liet afweten.  Hij liet een beleefde brief achter, zeggende spiritist te zijn.  Een waarzegster had hem voorspeld dat het schip in Indië op een mijn zou lopen en in de  lucht zou vliegen. 

De Reis
Het was een lange ruk van Glasgow naar Simonsstad in Zuid-Amerika. De commandant wordt dan voor het probleem gesteld: hoe houdt men de mensen in een goede lichamelijke en geestelijke conditie. De deksbemanning had zijn handen wel vol aan het onderhoud van schip en bewapening, de machinekamertechnici mochten niet klagen over gebrek aan werk, maar er kon niet gevlogen worden. Wat moesten de oflïcieren-vlieger en officieren-waarnemer al die tijd doen. Al spoedig bereikten mij berichten dat zij een meer dan wenselijke belangstelling ontplooiden voor de alcoholische dranken. Wij organiseerden dus een strategische kaartoefening waarbij de piloten in twee partijen werden ingedeeld. Weldra waren zij op papier in de Griekse archipel elkaar verwoed aan het verkennen en bombarderen. Voor velen van hen was het een openbaring dat er nog zoiets als een „art of war" bestaat. Sport werd druk op het vliegdek beoefend, met name hockey en dektennis. Gezien de toestand in het toenmalige Ned.-Indië moest met het gebruik van vuurwapenen rekening worden gehouden. Onze timmerlieden maakten een grote vierkante geweerschietschijf die op de achterlift werd gezet. De geweerschutters stelden zich ter hoogte van de brug op. Het schieten geschiedde ploegsgewijs, officieren, onderofficieren, matrozen, stokers etc. Ik had voorheen onze oefeningen in het geweerschieten altijd weinig reëel gevonden: in werkelijkheid wordt er toch teruggeschoten en men moet leren goed te richten en het geweer snel te hanteren ondanks de spanning waaronder men is blootgesteld. Door het tijdselement in te voeren hoopte ik dat de schutters althans enigermate onder spanning zouden worden gezet. Iedere schutter kreeg 2 houders met elk 5 patronen en elke ploeg mocht, naar ik meen binnen 20 sec., zoveel van deze patronen verschieten als men kon. Dat deze oefening zin had bleek alleen reeds door het feit dat één der schutters een houder met patronen achterste voren wilde vastmaken. De groep officieren behaalde het hoogste aantal punten. Gelukkig dat tijdens de schietoefening het achterschip was afgesloten, later bleek dat enige ricochet-schoten door de, overigens lege, parachutebergplaats waren gevlogen.

Op deze route, ergens in de Zuid-Atlantische oceaan, speelde zich een droevig voorval af. Het schip lag rustig op zijn koers, het weer was fraai, wel stonden er witte kopjes op de golven. Een matroos stond op een mitrailleur bordes en was bezig het dekkleed af te nemen. Dit schoot onverwachts los en hij viel achterover ongeveer acht meter naar beneden in zee. De officier van de wacht greep direct goed in, gooide een boei en draaide het schip rond. Ik rende zo snel mogelijk naar de brug, zag de drenkeling nog een ogenblik recht vooruit, een moment later was hij voorgoed verdwenen. Wij visten de boei op. Bleven geruime tijd op deze plaats drijven en vervolgden daarop onze koers. De eerste officier wist de neerslachtige stemming te doorbreken door het organiseren van sport op het vliegdek.

Wij hadden veel oorlogsvrijwilligers aan boord, waarvan slechts weinigen ooit de evenaar hadden gepasseerd, zodat het overschrijden daarvan moest worden gevierd. Na een telegramwisseling met de mij onbekende Neptunus, die zijn bezoek aankondigde, ontving ik een programma dat o.a. de navolgende zinsnede bevatte: „Ten 1400 nautische volkslied, onder de tonen waarvan klimt Neptunus met zijn gevolg aan boord en wordt overgefloten door de schipper en adelborsten; de commandant heet Neptunus welkom en biedt een borrel aan." Neptunus reikte mij een 16-puntige koperen ster uit (kennelijk in de machinekamer vervaardigd) met de inscriptie: Grootkruis in de Orde van de Drijvende Balie. De reis verliep verder zonder incidenten, wij waren blij de eerste albatrossen te zien. Een kleine vogel streek op het schip neer en kondigde de nabijheid van land aan.

Neptunus reikt de commandant een grootkruis op

20 September 1946 liepen wij het nauwe bassin van de toen nog Britse Marinebasis Simonstown binnen. De onvermoeibare Karakorum klimmer Dr. Ph. C. Visser, ambassadeur van Nederland, ontving het schip op een bijzonder sympathieke wijze. Vele schepelingen werden door Kaapse families thuis genodigd en op autoritten medegenomen. De Nederlandse Vereniging in Zuid-Amerika onthaalde de bemanning in een grote schouwburg, waarbij een toepasselijk toneelstuk door amateurs werd opgevoerd. In mijn dankrede was ik onvoorzichtig genoeg te beloven, als wij Kaapstad op de terugweg zouden bezoeken, ook een voorstelling te doen geven.

Nu hadden wij de oversteek Simonsstad-Tandjong Priok voor de boeg. Verscheidene dagen na ons vertrek kreeg een zware deining uit het zuiden, kennelijk van de „Roaring Forties" afkomstig, ons te pakken. Het schip slingerde hevig, doch uit hoofde van de stabiliteit bestond geen enkel gevaar. Het hoofd vliegdienst vroeg mij met een somber gezicht eens in de hangar te komen kijken. Daar steeg aan het einde van iedere slingering uit de gemartelde vliegtuigen een dof gekreun naar boven. Dan zakten de landings gestellen aan één zijde naar beneden en stonden de spandraden aan de andere zijde snaarstijf. Braken deze draden van één vliegtuig, dan zou het losgeraakte vliegtuig ook de andere wel in beweging zetten, de benzine zou wel uit de beschadigde vleugels stromen en ongetwijfeld zou wel spoedig een vonkje een explosie tot stand brengen, aldus een eind aan ons kortstondig bestaan makend. „Kunnen wij niet gaan bijliggen?" Het hoofd vliegdienst, die deze vraag opperde, kon mij echter niet garanderen dat de deining spoedig zou afnemen. Wij sjorden dus de fireflies met beschikbare staaldraden en met touwwerk nog steviger vast dan de Admiralty voorschriften luidden Een dag of wat later hield het slingeren op. Met onze 15 knopen kwamen wij gaande weg in de buurt van de Cocos of Keeling eilanden waar tijdens de eerste wereldoorlog de kruiser Emden na een vuurgevecht met de Australische kruiser Sydney op een rif werd gezet. Wij liepen dank zij onze radar des nachts tussen de eilanden van deze groep door, de koers was nu op Straat Soenda afgezet. Daar kwam in de Welkomstbaai de torpedobootjager Hr. Ms. van Galen met de commandant Zeemacht, vice-admiraal A. S. Pinke in onze buurt, waarvan laatstgenoemde zijn vlag deed hijsen op het vliegdekschip. Hij woonde het afvliegen van de fireflies op onze brug staande bij en vertrok daarna voor ons uit naar Tandjong Priok. Wij moesten allereerst ruim 100 zeemijlen zuidwaarts varen van de ingang van Straat Soenda, om genoeg wind te vinden voor het opstijgen der vliegtuigen, want deze waren volledig uitgerust en hadden de wind hard nodig om van het dek los te komen. Het afvliegen verliep vlot ondanks het feit dat de piloten in bijna twee maanden niet hadden kunnen oefenen. Bij één vliegtuig ontstond kortsluiting en brand in het radiotoestel, dat in zee werd geworpen. Bij een ander toestel kon de piloot de wielen niet omhoog krijgen en vroeg een beslissing, landen of doorvliegen. Landen zou ernstig gevaar voor de nog aan dek staande vliegtuigen en zeker voor het vliegtuig zelf kunnen opleveren. Kon het vliegtuig de afstand naar het enige vliegveld, waar onder de huidige omstandigheden Nederlandse vliegtuigen met zekerheid konden neerstrijken en dat niet verder dan 150 zeemijlen verwijderd was (Kemajoran te Batavia), ondanks de extra luchtweerstand van het landingsgestel halen? „Doorvliegen" adviseerde Elias, en zo geschiedde. Snel waren de fireflies uit het gezicht, de vliegtuigdirektie-officier meldde dat zij de goede richting bleven vliegen, kort daarop verdwenen zij van het radarscherm. Alle vliegtuigen arriveerden goed en wel op Kemajoran, waarbij van één toestel het landingsgestel bezweek.

Een Firefly komt naar boven in de lift

Afvliegen van en Firefly bezuiden Java

Wij liepen de haven van Tandjong Priok binnen en merkten spoedig dat deze tijdens de Japanse bezetting belangrijk was aangeslibd. De meermanoeuvre verliep daardoor minder vlot, omdat het schip met de motoren tegen elkaar inwerkende, precies andersom draaide dan mocht worden verwacht. De zuiging onder het schip was te sterk, gaven wij minder vermogen dan ging het beter. De miniatuur sleepbootjes konden niet veel uitrichten. Voor velen van ons, die Java van vroeger kenden, was het triest te zien hoezeer het land door de bezetting van de Japanners en de daarop volgende verwarring had geleden. In de te mijner beschikking gestelde auto zaten nog de kogelgaten die daarop niet lang geleden waren afgevuurd. Het was nu zaak de voorraden en munitie van het squadron naar Soerabaja te brengen, de route zou via Semarang lopen. Te middernacht werd ik gepord door de officier van de wacht die verklaarde dat wij ons temidden van de Karimoen Djawa eilanden bevonden. De radar vertoonde inderdaad rondom een aantal eilanden. Het leek mij hoogst onwaarschijnlijk dat onze kompassen zo onbetrouwbaar zouden zijn, maar wij hadden tijd over. Voor alle zekerheid besloot ik te ankeren en daglicht af te wachten. Toen bleek alles loos alarm, de radar had kuren vertoond, die bij de na de oorlog gefabriceerde toestellen niet meer zo spoedig voorkomen. Met enige officieren begaf ik mij te Semarang naar de frontlinie, waar ons spoedig duidelijk werd hoeveel zelfbeheersing van onze veelal jeugdige soldaten vooral des nachts werd gevergd, als zij eenzaam op hun post lagen. Eén van onze officieren had dicht bij de frontlinie gewoond en voor de bezetting door de Japanners een kist met eigendommen bij een bevriende Javaan achtergelaten. Hij kreeg de ongeopende kist weer terug en constateerde bij het uitpakken, dat hij boven zijn eigendommen als een soort talisman het "Reglement voor de Krijgstucht" had gelegd.

Vice-Admuraal A.S. Pinke en Dr. H.J. van Mook, Luitenant Gouverneur-Generaal. in gesprek met de commandant  .

Vervolgens zetten wij koers op de ingang van het Westervaarwater van Soerabaja, tussen Madoera en Java. De marinestaf te Batavia had zich voorgesteld, dat wij dit vaarwater zouden binnenlopen, meren in de haven van Perak (koopvaardijhaven te Soerabaja) en de voorraden ontschepen, die dan vandaar naar het marinevliegkamp Morokrembangan zouden worden vervoerd.
Dat zou dan met vrachtauto's dan wel met lichters via de geul van Morokrembangan kunnen geschieden. Als jeugdig officier, nauwelijks 21 jaar oud, was ik eens toegevoegd geweest aan een Luitenant ter zee le klasse voor het in kaart brengen van deze geul. In de felle zon loodden wij de hele dag. lk was in een vlet met 2 koelies bezig aan de landzijde van een laag bruggetje toen tegen de avond mijn chef in de motorsloep naderde van de zeezijde, die ons terug zou slepen. De sleeptros liep onder de brug door maar de vlet bleef onder de balken van de brug steken en kon noch voor noch achteruit tengevolge van het snel stijgende waterpeil. Wij lagen plat in de vlet en goede raad was duur. Ten einde raad schroefde ik de stop uit de vlet waarop het koude water de vlet deed zakken en de koelies een luid geschreeuw aanhieven, denkende dat hun laatste uur had geslagen. De vlet schoot los, gelukkig kon ik de stop weer vastschroeven. De lodingen bleken overigens vrij waardeloos omdat: ik verzuimd had de juiste tijden. te noteren. Mijn chef had mijn intelligentie overschat en ik de zijne. Misschien aangemoedigd door dit experiment vroeg ik toen overplaatsing van mijn Marinekazerne naar de dienst der Hydrographie, hetgeen niet werd toegestaan omdat daar Oostenrijkse zeeofficieren waren aangenomen en geen behoefte bestond aan onervaren figuren. Het vollopen der vlet bracht mij op het idee dat ik wellicht geschikt zou zijn voor de onderzeedienst, waarheen ik gelukkig spoedig werd gedirigeerd en zeer leerzame en boeiende ervaringen opdeed. Afkeer van de geul van Morokrembangan was echter niet de reden dat ik niets voor het plan van de marinestaf gevoelde. In het Wester vaar water lag dwars over de vaargeul het wrak van Hr. Ms. „de Zeven Provinciën" terwijl zich in de buurt een aantal niet geëxplodeerde magnetische mijnen lagen, geworpen door Amerikaanse of Engelse vliegtuigen. Ik ankerde dus in volle zee, ongeveer op de plaats waar het m.s. „Oranje" ook had gelegen en besloot in de motorsloep poolshoogte van de situatie te nemen. Daar lag ons in 1909 gebouwde pantserschip, met zware slagzij en flink verroest, waarin ik (uit Nederland vertrokken) in 1922 ter rede van Soerabaja arriveerde en dat te midden van vele koopvaardijschepen ankerde, want de haven van Perak was nog niet gemaakt. Het schip werd door sommige officieren soms de „Smile of Europe", door de Nederlandsche schepelingen „de Vette Hap" en door de Javaanse matrozen „Kapal Toetoep Permissie" (letterlijk: schip waar men geen verlof krijgt) genoemd. Ik had nu wel genoeg gezien en voer in de sloep door naar Soerabaja, langs de door extremisten bezette batterijen bij Grissee (waar nog wel enkele Japanners zullen hebben gezeten) die ons te onbelangrijk voor een beschieting vonden (naar ik vermoed), voor een bezoek aan de maritiem commandant van Soerabaja, kapitein ter zee C. J. van Wannig. Met diens bekende voortvarendheid stelde deze twee door Japanse krijgsgevangenen bemande landingsvaartuigen ter beschikking. Kort daarop kwamen deze buitengaats langszij en namen ijverig de munitie en voorraden in ontvangst. Zelden hadden wij mensen zo snel en goed zien werken, met een enorm fysiek uithoudingsvermogen, hoewel onze oorlogsvrijwilligers nauwelijks voor hen onderdeden. Wij hadden een drieploegen dienst ingesteld, dus zeewacht, waarbij dag en nacht een ploeg aan het ontladen was, een ploeg kon slapen en de derde ploeg kon zich dan verpozen. In de praktijk kwam dit laatste neer op het vangen van haaien, die na de vangst met de vliegtuiglift naar het vliegdek werden getransporteerd alwaar korte metten met hen werd gemaakt. Zo ging de tijd snel voorbij, onze mensen bleven gezond, wat bij een verblijf in Soerabaja zeker niet het geval zou zijn geweest, en het aantal haaien in de Javazee werd iets kleiner. 

Wij lagen zo één of twee weken voor de ingang van het Westervaarwater en de schipper van een grote Inheemse prauw of kustvaartuig zag ons blijkbaar voor een wachtschip aan. Des nachts kwam hij met een sloepje aan boord en vroeg een papier met mijn handtekening opdat hij door mocht varen naar Soerabaja, welke vergunning hem gaarne werd verleend. De „Kompenie" had dus nog wel enig gezag op zee. Trouwens, vele vissersscheepjes hesen de rood-wit-blauwe vlag in top als zij het vliegdekschip zagen passeren. Wij ontvingen telegrafisch de waardering van vice-admiraal A.S. Pinke voor het snel ontladen van de onderdelen en munitie van het vliegtuigsquadron en daarop de opdracht tot het houden van een kruistocht door de Molukken, waarbij onderweg 400 ton djatihout van de houtontginning op Moena (bezuiden Celebes) zou worden geladen. Daardoor zou de Marine spoedig over hout kunnen beschikken benodigd voor het afbouwen van de nieuwe loodsboten in Nederland.

Op het Marinevliegkamp te Morokrembangan konden wij de hand leggen op 2 Japanse vliegtuigen, die op het vliegdek werden vastgesjord. Wij hoopten dat daardoor de functie van het schip duidelijk zou blijken. Geregeld zagen wij in de cockpit onze mannen zitten en het was wel zeker dat er op souvenirs werd gejaagd. Het vertonen van deze vliegtuigjes had in zoverre succes dat in Makassar de militaire commandant een ijlbode zond met verzoek de vliegtuigen onverwijld te doen opstijgen voor het opsporen van een lijnvliegtuig dat vermist was, doch dat gelukkig enige uren later te Makassar landde. Onderweg naar Makassar scheelde het weinig of de hiervoren genoemde spiritist had gelijk gekregen. Onze officier der artillerie stond toevallig zelf in één van de munitiebergplaatsen toen hij achter zich een sissend geluid hoorde en een doos met aanvuurladingen zag opbollen, terwijl daaruit rook opsteeg. De doos of kistje stond dicht bij de raketten, die bestemd waren om zo nodig de vliegtuigen meer snelheid te geven bij het opstijgen. Bij het horen van het signaal brand alarm snelde ik naar de munitiebergplaats, waar de zaak al onder controle was. Niettemin bevredigde mij het gebeurde niet, vooral toen bleek dat vele raketten, geproduceerd tijdens de oorlog in Engeland, tegen het einde van hun levensduur liepen. Wij wierpen ze dus buiten boord, het water was diep genoeg. Teneinde geen moeilijkheden met de rekenkamer te krijgen zond ik een sein aan de minister van Marine, vermeldende dat ik voornemens was mij van de raketten te ontdoen, met de nodige bijzonderheden over het incident. De aankomst te Makassar op 13 november verliep weinig vlot. Tengevolge van de aanslibbing konden wij het schip niet langs de door de havenmeester aangewezen kade krijgen. Daar stond een nicht van mij met een grote bos bloemen, die beschenen door de felle zon, steeds verder het hoofd bogen. Wij meerden toen iets verder aan een steiger.

Op 18 november 1946 bezocht de resident met de vorsten van Boni en Gowa het schip, terwijl zich in het gezelschap ook een aantal zelfbestuurders bevonden. Voorop liep de vaandeldrager met de pajong van de vorst van Gowa. Iedere middag was het schip stampvol van Indonesische bezoekers, die zich waardig gedroegen. Er was geen sprake van diefstal. Niettemin was Zuid-Celebes nog niet geheel veilig, verteld werd dat zojuist twee Nederlanders op 3 kilometer van de stad waren vermoord. Wij brachten een bezoek aan Malino, het vacantieoord in de bergen, waar onze bemanning in ploegen heen werd gezonden. Later hoorden wij dat na ons vertrek extremisten een aanval op het kamp hadden gedaan, die werd afgeslagen. Kort daarop liepen wij Straat Boeton binnen, een nauwe straat met veel stroom, die het eiland Boeton scheidt van het eiland Moena. Wij ankerden voor de kampong Ralia (Moerra). In 1923 had ik als jongste officier a/b Hr. Ms. „onderzeeboot K IV" een nachtelijke oefening in deze straat bijgewoond, waarbij onze commandant Hr. Ms. „de Zeven Provinciën" moest torpederen, die voor Raha ten anker lag. Wij voeren onder het cordon bewakende torpedobootjagers door. Tengevolge van een lekkende olietank rook één dezer jagers ons en konden wij nauwelijks meer dan enige minuten bovenkomen ter vaststelling van onze positie. Wij konden toen enige witte plekken op de kalkrotsen zien, die wij hadden genoteerd tijdens onze doorvaart overdag voordat de oefening begonnen was. Bij dag worden waren wij vlak bij het pantserschip. De atmosfeer in de boot was bijna ondragelijk, de koelmachine was uitgevallen, de temperatuur hoog opgelopen. de vochtigheidstoestand bijna 100. Bijna negen uur aan een stuk onder water was voor die dagen veel. Twee torpedo's werden afgevuurd, waarvan één in de dekbuis bleef hangen door een defect van deze buis. Nu kwamen wij boven, op het vlaggeschip was alarm geslagen, waar men ons waarschijnlijk niet meer verwacht had. De commandant moest zich nu in het wit kleden om naar de eskadercommandant te varen. Volkomen uitgeput gingen wij op het dek liggen. Helaas konden wij toen niet aan de wal gaan in Raha, nu namen wij contact op met de plaatselijke bestuursambtenaar en het houtkapbedrijf. Weldra gleden de vlotten met de djati houtblokken langszij die door onze. laadboom gehesen, naar de lift op het vliegdek geleid en vandaar naar de hangar werden gereden. Gelukkig bevond zich onder onze officieren een oud stuurman van de K.P.M., die met het stuwen van de houtlading werd belast. Hij liet de balken langscheeps leggen, zodat hun gewicht door de dekbalken werd gedragen en zorgde voor een hoeveelheid hout, geschikt voor het zeevast stuwen van de lading. De houtvester van de onderneming stelde zijn vrachtauto ter beschikking zodat bijna iedere dag liefhebbers in het binnenland konden jagen. De bevolking had veel last van wilde varkens, die men tevergeefs met vergif had proberen uit te roeien. 5 wilde buffels, 12 herten en 30 varkens vulden weldra onze vriesruimen. Ongelukken bleven gelukkig achterwege, al verdwaalde één schepeling, die een nacht in de rimboe moest doorbrengen. Wij stelden het schip open voor de bevolking van Raha en omstreken, ongeveer duizend Boeginezen, drieduizend Moenezen en een aantal Javanen en Makassaren. Vergezeld door hun gezin keken zij hun ogen uit op het vreemde schip, beschaafd en rustig zoals men van Indonesiërs kan verwachten. Het personeel van het houtkapbedrijf had een avondje georganiseerd met een toneelgezelschap dat zich de „Dolly Jokers" noemde, waarbij een drietal Javaanse vrouwen optraden, die vroeger bij de z.g. „Komedie Stamboel" verbonden waren geweest. Een klein Javaans jongetje zong in het Maleis, begeleid door een band, spelend op zelfgemaakte muziekinstrumenten. Daarop volgde een toneelstuk dat twee uur duurde, met vele grapjes op Amerikanen, Engelsen, Indonesiers en vermoedelijk ook wel op de Hollanders, terwijl een satire op de politieke toestand niet ontbrak. Mijn dankwoord moest natuurlijk in het Hoogmaleis zijn. Had ik indertijd maar opgelet bij de lessen daarin gegeven door Amaroellah Gelar Soetan Mangkoeto Bin Mangkoeto Caijo in het Kon. Instituut voor de Marine, doch dat hadden noch ik noch mijn kameraden ooit gedaan en het enige wat ik mij van deze lessen herinner is de naam van onze leraar. De bestuursambtenaar corrigeerde vlug mijn speech, die naar ik hoop wel begrepen werd. Wij bezochten de Sultan van Boeton aan de overzijde, zagen daar vele kanons van de V.O.C. liggen en ontvingen hem bij ons aan boord op de lunch.

De woning van de sultan van Boeton

 Tenslotte staat mij voor de geest dat wij nog bij stikdonkere nacht reden in een jeep tussen de paalwoningen, bij. het licht van de spotlights en koplampen schietend op varkens die zich onder de huizen bevonden. Dat zijn zo van die dingen die men in Nederland niet kan doen. Nadat het anker was gelicht zetten wij koers op de noordelijke uitgang van de Straat. In de kleine kaartenbak lag bij gebrek aan ruimte de detailkaart van de ankerplaats gevouwen. Ik zag een verdachte verkleuring recht vooruit, die wij toen gemakkelijk konden ontwijken. Het bleek een klip te zijn, die juist op de vouw lag. Een ongeluk zit soms in een klein hoekje en zonder geluk vaart niemand wel. De marineraad zou mij niet hebben vrijgesproken indien wij waren gestrand.

Wij voeren naar Ambon, waar gelukkig weinig wind stond. Sleepboten waren niet aanwezig doch de meermanoeuvre was niet moeilijk. De stad was nog zwaar gehavend door de luchtbombardementen, doch de missigit stond overeind. Op de muur tegenover het schip projecteerden wij films, waar de bevolking naar kon kijken. Wij ankerden nog voor de kampongs Asiloeloe en Hito-Larna en werden met feestbetoon door de inwoners ontvangen.

Vertrek van Asiloeloe

Nu was Banda aan de beurt. Wij ankerden onder het eiland Neira van de Banda groep waar volgens de kaart voldoende water zou moeten staan.
Wij konden echter dichtbij riffen zien en gezien de vulkanische aard van dit gebied moesten wij met een wijziging van de bodemgesteldheid sinds de laatste opname ernstig rekening houden. Ik besloot daarom onverwijld het anker te lichten en verder uit de kust dieper water te zoeken.
Bij het verlaten van de oude ankerplaats tikte de stuurboordschroef even aan tegen een steen. De volgende dag stelde onze chef machinekamer, kapitein-luitenant ter zee van de technische dienst B.W. Vinke een onderzoek in, waaruit bleek dat slechts één blad licht was gehavend, de schroefas vertoonde geen enkele trilling. De op ons van ongeveer 700 meter hoogte neerziende top van de Goenoeng Api lokte uit tot een beklimming, die ik met een aantal officieren ondernam. De gids was niet zozeer nodig om de weg te vinden als wel om ons te verzekeren dat de „djamboes" die wij vanwege de hevige dorst onderweg plukten, niet vergiftig waren. Achter en beneden ons kwamen een aantal jeugdige monteurs en matrozen opzetten, die ons inhaalden en net na ons op de top van de op dit moment niet werkende vulkaan stonden. Eén der oorlogsvrijwilligers gaf wel duidelijk blijk een „baroe" te zijn toen hij vroeg of er misschien een café in de buurt was waar hij water kon drinken. Hij kreeg een slok uit de enige veldfles die wij bezaten. Na zonsondergang projecteerde onze camera films op doeken, die buitenboord aan de mitrailleur- bordessen of de bakspier hingen. Langzaam de stroom doorpeddelend in hun kano's, keken vele Bandanezen naar de bewegende figuren en beelden op het doek. Soms gleed een kano dicht langs de valreep en dan werd een kakatoe ingeruild tegen zakdoeken of ander textiel en ik zag dat een klein Bandanees jongetje zijn eigen kakatoe, die op zijn schouder zat, niet wilde verkopen. Zo werd het schip 17 kakatoes rijker, die in een aparte bergplaats naar Nederland werden vervoerd. Eenmaal ontsnapte een kakatoe toen het schip reeds in de Indische oceaan voer, en ging in de mast zitten. De eigenaar, één der schepelingen, moest de kakatoe tot vermaak van zijn kameraden vangen. Geen gemakkelijke zaak.        

Na Banda liepen wij op 11 December Tandjong Priok binnen, waar een deel van onze bemanning door thuisvaarders werden vervangen. Voorts kregen wij enige krijgsraadarrestanten mede, die in volle zee, naar ik vermoed tot hun genoegen, uit de cel werden gehaald en in de vrije lucht mede hielpen aan het roestvrij maken van het vliegdek. Ook begingen wij de fout een herdershond, toebehorend aan een Marinefamilie, te overvoeren. Het uitvaren van de haven liet ik aan een jeugdig Luitenant ter zee over, die wegens een wrak ietwat dicht langs de Oostelijke pier kwam, doch oordeelde ingrijpen mijnerzijds voorbarig. Nauwelijks was het voorschip buiten de haven of het werd krachtig naar bakboord geduwd, zodat de stuurboordschroef dreigde in aanraking met de stenen pier te komen. Kennelijk was er tijdens de bezetting een bankje gevormd buiten de haven. Door volle kracht achteruitslaan met de stuurboordsmachine kwam het schip nog bijtijds weer op koers. Het personeel van de machinekamer kende nog steeds het snel manoeuvreren met de Doxford motoren.
Met weemoed zag ik de blauwe vulkanen van Java gaandeweg vervagen.
Een Engelse schrijver M. Tomlinson beschreef de aanblik van Java eens als volgt:
„There was Java. Under some mountains so distant and of so delicate a colour that they were only a deeper stain of the sky, were spread the flat buildings of Tandjong Priok".

Tijdens de oversteek naar Kaapstad overleed een matroos in de ziekenboeg, die met het gebruikelijk ceremonieel in zee werd begraven.

Begrafenisplechtigheid in volle zee

De inmiddels dol geworden herdershond had verscheidene opvarenden waaronder de eerste officier in de benen gebeten (gelukkig .kon hij zijn tanden niet door mijn dikke Canadese waterlaarzen krijgen) en moest worden afgemaakt. Wij hadden goede hoop bijtijds Kaapstad te bereiken opdat de slachtoffers er konden worden ingeënt. Wij hadden telegrafisch de afmetingen van de ambassadeur gekregen van het platform in de toneelzaal waar de inmiddels aan boord opgerichte toneelclub de beloofde opvoering zou geven.
Oudejaarsavond 1946 bevond het schip zich ergens midden in de Indische oceaan.
In één der vele bergplaatsen lag nog een grote voorraad vuurwerk achtergelaten door de Britten. Het afsteken van de vele vuurpijlen zou het nieuwe jaar inluiden en op het vliegdek feestelijk worden begroet. Nadat de radar de omgeving had afgetast en geen schepen in de buurt waren geconstateerd, werden zij opgelaten. De eerste officier, die nimmer enige populariteit nastreefde en de tucht met harde en duidelijke woorden handhaafde, werd door de vrolijke schepelingen op de schouder op het vliegdek rondgedragen.

De eerste officier wordt rondgedragen

Het binnenlopen van de haven van Kaapstad op 8 januari 1947 stelde mij even voor een probleem. Er stond een harde tot stormachtige wind dwars op de havens. Weliswaar is de ingang van de haven niet nauw, doch er is weinig uitloop en na het binnenlopen zou ik hard bakboord uit moeten draaien. Aangezien het havenhoofd aan onze stuurboordszijde meteen overging in een kade, bestond het gevaar dat het achterschip, door het onder de invloed van de wind verlijerende schip, tegen deze kade zou worden geduwd. Hoelang zou deze harde wind blijven doorstaan, vroeg ik de loods. Dat kan wel één of twee weken duren antwoordde deze.  Ik besloot toen het risico te aanvaarden. Als verwachtbaar was de loods niet vertrouwd met het manoeuvreren met een vliegdekschip. Ik moest dus ingrijpen in diens in het Engels gegeven orders, doch de loods merkte dit niet omdat hij geen Nederlands verstond. Later sneed deze in de longroom op dat dank zij hem het schip toch goed en wel was binnengekomen. Ik liet hem maar in deze waan.
Spoedig na onze binnenkomst ontstonden enige moeilijkheden over het karkas van de arme herdershond, dat de gemeentelijke sanitaire dienst aanvankelijk niet wenste af te halen. Een mijner officieren wilde toen het stoffelijk overschot, met ballast verzwaard, langszij in de haven werpen. Mij was inmiddels bekend geworden dat na ons de Britse Koningin met haar jacht op dezelfde ligplaats zou afmeren en ik voorzag de mogelijkheid dat juist op dat moment het karkas weer aan de oppervlakte zou komen. Gelukkig kwam de auto van de gemeente toch en was ook dit probleem opgelost.

Kaapstad is voor ons Nederlanders de stad van Jan van Riebeeck, waar het oude fort, de molen en de graanschuur (thans Grote Schuur, residentie van de minister-president) herinneren aan de dagen dat de schepen van de V.O.C. hier een steunpunt vonden op hun weg naar of van Indië. Het eikenhout voor herstel van de scheepsromp werd verkregen van de eikenbomen, die iedere kolonist verplicht was op zijn landgoed te planten. Dank zij de bemiddeling van onze ambassadeur werden onze officieren ontvangen door generaal Smuts in de Grote Schuur. Laatstgenoemde beheerste dank zij zijn bijzondere persoonlijkheid de conversatie. Hij roemde Europa, dat zoveel aan de wereld gegeven had op velerlei gebied. Wat hebt gij goede mannen, die moeten hier blijven, vond hij. Hoe gaat het in uw Indië, vroeg de generaal. Ik antwoordde, dat wij daar op weg waren naar nieuwe verhoudingen.
Ja, de dagen van het Herrenvolk zijn voorbij, meende de generaal, die een sterk voorstander bleek van een unie tussen Nederland en de vroegere kolonie. Onze tandarts zag kans te vragen:
„wat denkt U van het negervraagstuk?" Generaal Smuts maakte hierop met zijn vinger een groot vraagteken in de lucht en had in ieder geval de lachers op zijn hand. Typisch voor de verhouding met de Zuid-Afrikaanse Marine was, dat onze radarmonteurs de radar herstelden van een Zuid-Afrikaans oorlogsschip terwijl toch dichtbij in Simonsstad een Britse Marinebasis was gevestigd.

Generaal Smuts in gesprek met commandant

Ter hoogte van Senegal kreeg een opvarende appendecitis, waartoe wij voor Dakar ankerden. Dank zij de medewerking der Franse Marine werd de patiënt naar de wal vervoerd, geopereerd en spoedig daarop per vliegtuig naar Nederland getransporteerd, zodat hij de eerste was die in het vaderland voet aan de wal zette. In Casablanca meerden wij achter de hoge havenpier, naar mijn gevoelen een veilige plaats.
Voor alle zekerheid werden de door het slagschip Richelieu achtergelaten kettingen aan het schip bevestigd. Vice-admiraal Barjot begroette mij hartelijk en vroeg wat ik liet liefst zou doen gedurende de weinige dagen dat wij daar zouden blijven. Nu had ik 5 maanden aan boord gezeten en antwoordde: „wintersporten in het Atlasgebergte". Luitenant ter zee de Castelbajac zal U met een auto daarheen vergezellen, aldus admiraal Barjot. Wij bereikten het gebergte, doch bij het zien van de eerste sneeuw stopte de auto. De Senegalese chauffeur was dusdanig geschrokken dat hij niet verder durfde te rijden en dank zij de Franse officier, die het stuur overnam, kwamen wij bij een wintersport-hotel. De sneeuw bleek niet dik te liggen, gelukkig braken wij geen armen of benen. Terug aan boord hoorde ik van de eerste officier dat hij een gehele nacht op de brug had gestaan, beide ankers had laten vallen, de ankerkettingen van de Richelieu waren tengevolge van een hevige deining als glas geknapt. Alle communicatie met het hevig stampende schip was géruime tijd verbroken geweest.

Medio februari 1947 waren wij onderweg naar Amsterdam. Hoewel wij de grote sluis hadden willen binnen schieten in IJmuiden, kwamen wij in een iets kleinere sluis terecht die maar juist ruim genoeg was. Het was inmiddels 18 februari 1947, de sneeuw lag op de kade, waarop de sinaasappels uit Marokko rolden, die de bemanning uit de patrijspoorten de belangstellende toeschouwers toewierpen.

Aankomst in IJmuiden

Het Noordzeekanaal was met een ijslaag bedekt die het schip gemakkelijk openbrak, waarop een hondje stond, dat bij de nadering van de mastodont hevig blafte om dan even verder het schip op te wachten en weer te protesteren totdat het dier er genoeg van kreeg. In Amsterdam moest ik enige malen scherp op de kade toestomen om zo het dikke ijs weg te breken. Weldra was deze vrij en kwam de verbinding met de wal tot stand  Burgemeester d'Ailly bezocht met enige wethouders of raadsleden het schip en vroeg mij te zeggen in welke functie ik zijn medewerkers aan boord zou kunnen gebruiken. Eén van hen leek mij een opgewekte persoonlijkheid en ik oordeelde hem geschikt voor kok. Dit wekte de lachlust op, betrokkene was lid van de communistische partij.

Aan deze reis bewaar ik met een gevoel van dankbaarheid de herinnering aan de plichtsbetrachting en kundigheid van officieren, onderofficieren en vele schepelingen, vooral ook aan de energie en opgewektheid van het jeugdige personeel, dat nimmer een buitenlandse reis had gemaakt.

Einde
(Geschreven door A. de Booy (oud commandant) KTZ, later VADM. MARINEBLAD 1972. maart 2000 George J. Visser (IMH) 
Overgenomen van het internet: M. Merkelbach HERINNERINGEN AAN DE REIS VAN Hr.Ms. "KAREL DOORMAN" (1) NAAR NED. OOST-INDIE - 1946 - 1947 in vijf delen. Door A. de Booy (oud-commandant) ...
www.veteranen-online.nl/indonesie/index.htm .(Met correctie's en foto' s toegevoegd uit het oorspronkelijke artikel)

Vervolg  memoires Alfred de Booy
(
Na zijn terugkomst van zijn reis met de Karel Doorman naar Ned.Oost Indië, februari 1947  met passages uit het dagboek van zijn vader)

Nu volgde onderhoud van het schip,uitladen van het djatihout voor de afbouw van de loodsboten .Gereedmaken voor een reisje naar IJsland en de Noorse fjorden in groepsverband met twee andere schepen. Twee kleine vliegtuigen werden medegenomen om de vliegtuigdirektieploeg geoefend te houden. Een kink in de kabel, geen deviezen voor de reis. Geen bezwaar wij zouden wel de nodige victualie en brandstof in Nederland kopen en inladen. Weldra lagen wij in een baai ter oostkust van IJsland. Het enige dat aan de afgelopen oorlog deed denken, was een eenzame mijn, die bij vloed de baai in gleed om dan bij eb te verdwijnen. Het dorpje waar we een dag waren leek uitgestorven,  de mannen waren hout aan het halen en de rest van de inwoners lieten zich niet zien. In de Noorse fjorden was meer vertier. De Nederlandse ambassadeur nodigde ons in Balholmen, waar hij een voetbalwedstrijd met dansfeest na organiseerde.Het was niet duidelijk hoe wij daar konden ankeren. Naar de wal,terwijl het schip in de buurt op en neer hield. De hotelier wees ons een fotografie, waarbij de Duitse slagvloot van voor de eerste wereldoorlog in een nauwe baai vlak achter het hotel ten anker lag. Dank zij onze sonar liepen wij de baai binnen en vonden prachtige en veilige ligging achter het hotel.

Terug in Nederland,zomerverlof, waarbij mijn plannen wijzigen om het vrijgezelleven vaarwel te zeggen,zouden worden gerealiseerd. Helaas deed zich een dodelijk ongeluk voor bij het strijken van de communicatiesloep, waarbij een jonge matroos buiten boord viel. De datum van het aantekenen werd verschoven, maar nu dreigden moeilijkheden van andere aard. Volgens de ambtenaar van de burgerlijke stand was ondergetekende de week te voren met een ander getrouwd en zou dus bigamie plegen.Betrokkene had wel dezelfde naam,maar, was niet bij mij of mijn familie bekend.

Kapitein ter zee Alfred de Booy treedt in het huwelijk met Sophia Alexandrovna Gravin de Benkendorff (Weduwe van Watze Ruitinga)

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uit het dagboek van zijn vader : "18 februari .1947 Alfred kwam [terug van wintersport in Casablanca na zijn verblijf in Indië]. Wij luisterden naar zijn verhalen over de Kaap, Casablanca, Indië, Linggadjati enz. Over straffen aan boord van de Doorman: Zeer gering, geheel ander soort volk dan vroeger in de Marine. Aantal minder dan één straf per man gedurende het gehele verloop van de reis. In Indië soms 3000 Inlanders aan boord gehad zonder dat iets vermist werd. Alfreds mening over de mariniers die in Amerika zijn getraind in vergelijking met de anderen ongunstig, maar hij erkent dat zij misschien goede vechters zijn. De Doorman had te IJmuiden bij de sluis nog maar 1 decimeter water onder de kiel. Wat Linggadjati betreft is Alfreds mening dat wij moeten trachten te aanvaarden wat mogelijk is, niet het onmogelijke najagen. Een man als Pinke zou er liefst op inslaan, wat dit betreft is Spoor verstandiger. Alfred weet nog niets van zijn naaste toekomst, zal binnenkort wel eens naar het Departement gaan. Hij hecht geen waarde aan het bereiken van de hoogst verkrijgbare rang in de Marine, zou er gaarne uitgaan. Dienen in de Marine is moeilijk. Men krijgt zelden gelegenheid iets af te maken.
24 februari. 's Middags maakte Alfred muziek met Engelien en we waren verbaasd over zijn goede streek en zijn muzikale voordracht. Het stemt wel eens droevig dat zijn gaven, ik denk nu niet bepaald aan de muziek, in de Marine niet tot volle ontplooiing zijn kunnen komen. Zodra men bij de Marine iets denkt te hebben bereikt wordt men overgeplaatst, dikwijls naar een werk dat onbelangrijk is. Een vaste werkkring is wat men hem zou toewensen en die had hij kunnen krijgen zo de oorlog niet was uitgebroken bij de werf waar hij nu gaat repareren. Hij is nu inmiddels 46 jaar geworden.
27 maart
. Linggadjati is getekend en nu het eenmaal hiertoe is gekomen moeten wij allen trachten er iets van te maken en Gerbrandy opsluiten als hij oppositie blijft voeren.
27 juli.
En nu komt Alfred mij mededelen op zondag 27 juli 1947 om 9 uur 's morgens dat hij weldra gaat trouwen met Sonia Ruitinga, geboren De Benckendorff, die we al geruime tijd kennen als een allerliefst mens. Ze heeft twee kinderen (Pieter en Sonia) van Watze Ruitinga die in 1945 overleed en woont bijna naast ons op onze kade, no. 34. Hilda en ik zijn zeer ingenomen met hun besluit en in september zullen ze dus trouwen.
4  september. Gisteren trouwden Alfred en Sonia op het stadhuis te Amsterdam. Hij is 46, zij 34. Wij waren een klein gezelschap omdat zij dit zo wenste.
Couturier zorgde voor het dejeuner en Willem Bootz [echtgenoot van de Katja, zuster van Sonia] stelde 10 flessen champagne en 1 fles jenever beschikbaar, bood die aan omdat hij gevoelde dat dit dejeuner eigenlijk door hem had moeten zijn gegeven. Tom had het menu op rijm gezet. Willem Bootz is een aardige gevoelige man en die Russen bevallen me best, zowel Katja als haar moeder en de kinderen van Katja, de meisjes althans vind ik erg aardig en typisch Russisch. Jan [Bootz] is een gewone Hollandse slungel. Mischa zwijgt [broer van Sonia)
19 december. Gisteren kwamen Alfred en Sonia thuis uit Engeland. Alfred had zich te Hoek van Holland op bevel van de douane moeten ontkleden en toen Sonia op het vernemen van het bevel lachte, ook Sonia. De man die hem moest inspecteren zeer getroffen dat men den commandant van de Karel Doorman zich had doen ontkleden. Ze vroegen langs hun neus weg "U heeft zeker in Engeland geld bij een bank" Als je op die vraag "ja" antwoordt ben je verkocht.
27 december. [n.a.v. het zien van een film van het vliegdekschip Karel Doorman]. De film was interessant, vooral wat de oefeningen in opstijgen en landen van vliegtuigen op het vliegdek betreft, maar ik kreeg de indruk dat ik voor dergelijk riskant werk niet de nodige geschiktheid zou hebben. Men moet rekenen op een zeker percentage ongelukken en dankbaar zijn als het verlies van mensenlevens niet te groot wordt. Op de film zagen we ook enige ongevallen gebeuren, welke altijd plaats hebben als het vliegtuig niet precies zo neerkomt als het moet neerkomen. Er behoeft maar een kleinigheid aan te mankeren, dan is het mis. Het vliegtuig zwaait dan naar links of rechts. misschien over boord, of zwaar beschadigd. De ongevallen die zij zagen hadden slechts geringe beschadiging ten gevolge. Heden de gehele dag de brieven van Alfred over het tijdvak l909-l940 gelezen en gerangschikt.
29 december. De vertrekdag van Alfred is gewijzigd van 9 in 16 januari".

------------------------------------------------------------------------------------------------------

Op 21 November 1947 droeg ik het commando over aan mijn opvolger en bewaar nu een barometer, namens de onderofficieren, korporaals en manschappen geschonken,benevens een door Neptunus uitgereikte vijftienpuntige koperen ster ,met inscriptie: Grootkruis in de Order van de Drijvende Balie. Nu,na bijna 40 jaar zijn van de meer dan 1000 man,die aan boord gediend hebben op deze reis, velen niet meer in leven,'t meerendeel de Marine verlaten,in al die jaren heb ik slechts twee schepelingen ontmoet, behalve de hofmeester van Ek,die ik daarna nog vele malen in zijn functie heb kunnen waarderen.
In Batavia had vice-admiraal Pinke mij gevraagd of ik zijn chef staf wilde worden, dan zou iemand anders het schip wel naar huis varen.  Ik bedankte, als reden gaf ik op dat ik gehecht was aan schip en bemanning  en deze reis in ieder geval wilde beeindigen. Maar Pinke had blijkbaar mijn naam in den Haag naar voren geschoven. Daar, zoals de staatssecretaris Moorman zeide,wilde men iemand als chef staf,die de doortastende Pinke kon afremmen. Ik zeide tegen Moorman,dat als het mijn beurt is om naar Indië, is daar tegen niet te protesteren, maar ik geloofde niet dat Pinke zich door mij zou laten inbinden. Ik zou alleen gaan,voor de periode van twee jaar en mijn gezin in Nederland blijven, gezien de medische toestand in Batavia en voorts telden zwaar bepaalde familieomstandigheden.

Vice-admiraal A.S.Pinke

Zo
was ik begin Januari 1948  weer terug in Batavia,waar de eerste politionele actie geen of weinig had verbeterd in de politieke verhoudingen. Achteraf gezien hadden wij beter gedaan om de collaborateur Sukarno te erkennen en zoals één mjjner collega's toen al zeide: 'wij hadden met de rood witte vlag in top moeten terugkomen' ,maar dat zou door de Nederlandse regering niet aanvaard worden en de Nederlandse, door de bezetting beroofde bevolking,verwachtte van Ned.lndië vele economische voordelen. Noch in Nederland, en ook niet in Indonesie was er eenstemmigheid over het beeindigen van de Koloniale verhoudingen. Zelfs Nedelanders, die lang in Indië hadden gewoond, konden zich niet indenken, dat het voor de ontwikkelde Indonesiers grievend moest zijn, dat zij niet de zelfde status zouden krijgen, die na de tweede wereldoorlog aan veel van de bewoners van Europese kolonien werd verleend. Wijlen professor W.Ph. Coolhaas merkte op hoe de belangstelling voor de muiterij op Hr Ms de Zeven Provinciën in 1933 bij de Indonesiers sterk afnam, toen bleek dat de aanstichters en de leiding uitgegaan was van de Europese schepelingen (Controleur B.B.Hes, Uitgevers Utrecht,l965)..Persoonlijk achtte ik een Unie beter voor beide landen dan een Republiek onder Sukarno .Ik wijdde me dus vol overtuiging aan mijn nieuwe taak,het assisteren van de commandant Zeemacht  Oosten in het effectief maken van een blokkade van Java en Sumatra, met de geringe macht van een vijftiental motorsloepen enige korvetten, een of twee jagers. Pinke had gebaseerd op de Ned.lndische wetgeving,vaarvergunningen ingevoerd. Daardoor kon ieder scheepje binnen de territoriale wateren worden aangehouden en opgebracht,als de vaarvergunning niet klopte. Er is zo goed als niets over deze periode geschreven, vermoedelijk om geschil punten met Indonesië op te rakelen. Mijn vroegere shipmate Subiakto, toen sergeant adelborst aan boord van Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau, die ik voor bevordering tot officier had voorgedragen, was inmiddels, na eervol ontslag te hebben gekregen uit de Koninkljjke Marine, in dienst getreden bij Sukarno en t.z.t tot vice-admiraal bevorderd, hij was dan hoger in rang dan ik. Ik misgunde hem dit niet en kon zijn handelwijze waarderen. Gemakkelijk zal zijn functie niet geweest zijn en onmilitair gedrag van luchtmacht officieren deed hem ontslag nemen. Sukarno maakte hem toen ambassadeur.

W.P.Coolhaas

De tweede politionele actie ondervond ook in Nederland veel kritiek ,persoonlijk geloof ik dat de toestand voor het leger onhoudbaar werd en het conflict moest wel op een of andere manier eindigen. De Indonesiers hadden door het buitenland knap te bewerken de stemming tegen ons doen omslaan, wij zouden een boycot van onze export hebben geriskeerd en dat zouNederland niet dragen.Onze blokkade had wel enig effect gehad (het kantoor te Singapore van de Republiek moest sluiten wegens gebrek aan deviezen) maar wat baat een militaire zege als de zaak politiek verloren is?

--------------------------------------------------------------------------
1948
Uit het dagboek van Vader:
: " 7 januari. Gisteren Alfred, Sonia, Olga en John en Willem [hun zoon] bij ons ten eten op Driekoningen. Sonia was gekleed met een blouse van prachtige kleuren en Alfred gaf een komisch verslag van de financiële moeilijkheden die het kleden van zijn jonge vrouw medebrachten, was tegelijk erg trots op het feit dat zij bij verschillende gelegenheden de best geklede dame was. Ook vertelde Alfred nog eens dat Tom - lang geleden, misschien wel ruim 35 jaar - op de zweminrichting een vooroverbuigend heer die hij voor zijn vader hield een harde slag op zijn achterste had toegediend, tegelijk met schrik bemerkend dat hij zich had vergist, waarop hij pijlsnel in het water verdween.
1950 
" 22 augustus. Zondag waren Alfred en Sonia hier. Alfred is een nobele kerel. Hij zag er wat beter uit, echter nog zeer mager en hij vertelde dat Pieter [zoontje van Sonia uit haar eerste huwelijk] hem nog steeds 's morgens om 6 uur komt wakker maken. Ik zou zoiets niet kunnen verdragen. Hij spreekt met mij ook over zijn toekomst. Hij zou alleen dan in de Marine willen blijven zo hij Commandant van de gehele Marine kon worden, zoals Van Holthe, maar op Van Holthe volgt een hele reeks van namen wier dragers ouder zijn dan Alfred. Pinke heeft nog geen werk. Is men eenmaal admiraal geworden, dan is het uiterst moeilijk werk te vinden". .
1951 :" 27 januari kwam Alfred, die er zeer goed uitzag en zat een paar uur te praten. Hij wordt weldra naar Nieuw Guinea gezonden om daar de Marine te inspecteren. Ook zal hij in April, bevorderd tot schout bij nacht, een oefening leiden van een smaldeel op de Noordzee. Ik ben dankbaar dat hij niet uit de Marine gegaan is, waar hij een bijzonder goede naam heeft. Hij gelooft niet dat Nederland Nieuw Guinea voorgoed tot de zelfbeschikking zal houden. Waarom hij dit denkt weet ik niet".

 ______________________________________________________

Zo werd ik van 1 Juli 1949 tot 16 maart 1951 plaatsvervangend chef van de Marinestaf in het mij bekende gebouw aan de Korte Vijverberg in den Haag, waarbij ik deel moest nemen aan de besprekingen van de Ronde Tafel conferentie met de Indonesiers,waarbij ik mijn vroegere scheepsmakker van de oorlog Bubiatko weer tegen kwam.
Van 16 April -6 Juli 1951 smaldeelcommandant waarbij ik mij als schout bij nacht aan boord van Hr.Ms. Tromp. Wij brachten een bezoek aan Kopenhagen en aan Stockholm. Gelukkig las ik bijtijds het deel eerbewijzen,dat bij passeren van de Sont naar oud gebruik het fort Elsineur moest worden gesalueerd alsvorens te passeren. Weldra werd mij de functie van chef Marinestaf tevens bevelhebber der strijdkrachten aangeboden, ik aarzelde om op dat moment de pensioenen zeer laag waren en ik inmiddels de zorg van een gezin had aanvaard en vreesde bij hogere rang geen betrekking meer te kunnen krijgen. Mijn schoonmoeder hoorde daarvan, geen sprake van weigeren, een familie die alle leden in de marine heeft opgebracht,kan en mag zulk een aanbod niet weigeren. lk hoorde later dat F.J.Kist ook al was gevraagd, doch dat deze had geweigerd,omdat hij tot dezelfde jaargang als Moorman,staatssecretariss,behorende,zeker volgens Kist ruzie met laatstgenoemde zou krijgen (hetgeen Kist mij later bevestigde).

Alfred de Booy als admiraal in Den Helder

Ik draaide bij en nam het aanbod aan. Ik geloof niet dat ik iets heb gepresteerd ,behalve het invoeren van de Gothische mutslinten,die tijdens de oorlog om begrijpelijke redenen waren vervangen in één met gewone letters gedrukt opschrift. Dat koste mij lang,omdat de administratieve dienst steeds maar door ging met niet-Gothische linten te bestellen. Als Chef Marinestaf was ik de jongste vlagofficier en had overigens ook als oudste ,niets te vertellen over de andere vlagofficieren. Moorman had een kleine doch efficiente administratieve en financiële staf en ik mocht wel verlangens kenbaar maken (bijv. 50 torpedo's aan te kopen),doch dan had ik van de wensen van mijn staf
van bijv 60 reeds tien weten te bezuinigen'.

Ik wil nog even terugkomen op een NATO oefen
ing waar ik als smaldeel commandant aan deel nam. In de Golf van Biscaye passeerde een convooi dat, door voornamelijk Engelse schepen werd beveiligd. Hr. Ms Tromp en een, voor die gelegenheid onder mijn bevel gestelde Franse kruiser zouden het convooi aanvallen. Gezien de ontwikkeling van de radar was dit een vrij hopeloze zaak ,want de strijdkrachten van het convooi waren aanzienlijk sterker dan de beide kruisers samen. Ik zag geen uitweg, doch besloot de Fransman op te dragen op een bepaald uur aan te vallen  en zou dan hopelijk een deel der strijdkrachten hebben weggelokt in de tegenovergestelde richting.Zo gezegd zo gedaan. Ik begaf mij naar het radarplot een dek lager en de commandant H.Bos van de Tromp bleef vanzelfsprekend op de brug. Het was nacht,maar daar trekt de radar zich niets van aan. Weldra zat een groot aantal jagers mij op de hielen,ik zette vrij lang door,totdat Bos mij waarschuwde dat er gevaar van aanvaring dreigde, ik zei hem toen af te houden .Enige ogenblikken kreeg ik het overigens verwachte sein: You are torpedoed.

Hr.Ms. Tromp

De volgende dag vroeg ik de Fransman hoe de aanval was afgelopen. Het antwoord bevreemde mij. Het convooi is tot zinken gebracht,er waren geen schepen ter bescherming. van de Engelsen kreeg ik geen papieren over de oefening te zien. Er was kennelijk op radiogebied enige verwarring ontstaan, hetzij in golflengte en roepnamen of beide. De slag van Trafalgar is gewroken,zei de Fransman. Ik wacht nog steeds op het lintje van de Legion d'honneur.

----------------------------------------------------------
Uit dagboek van zijn vader :"Maandag 3 december 1951. Alfred vertelde dat de overwinning door zijn smaldeel op de Engelse vloot van 36 schepen,waarbij hun gehele convooi werd vernietigd, van onze zijde enigszins verdoezeld werd. Hij heeft gezegd "We have been very lucky" en daar wordt van Engelse zijde niet verder op ingegaan".
--------------------------------------------------------

Terug naar de aangevraagde torpedo's, wij kregen er maar 40 (dit is een voorbeeld de getallen waren anders) .De financiële staf had een wijziging aangebracht en Moorman dekte deze staf .Hier had ik kunnen aftreden. Maar er was een ander gekomen voor dezelfde moeilijkheden. Moorman was goud waard voor de Marine door zijn goede relaties met diverse politieke partijen. Lieftink vertelde mij later,dat hij de plannen van de Landmacht, die ieder jaar met een nieuw plan kwam, minder waardeerde dan de Marine plannen,waar Moorman konsekwent aan vasthield.
Inmi
ddels zaten wij nog met de kwestie over Nieuw Guinea,sommige groepen in Nederland bleven daaraan hardnekkig vasthouden en wij moeten zorgen dat tevens alle infiltraties of andere schendingen van onze soevereiniteit kon worden opgetreden.

H.C.W. Moorman, staatssecretaris

Bij een inspectie van het commandement aldaar, constateerde ik dat het bevel van een torpedojager was toevertrouwd aan een officier die daarvoor de geschiktheid niet bezat ,maar ook de paraatheid van het commando op Biak liet wel te wensen over.Ik had de repatrierende torpedojager uit Korea gedirigeerd naar Biak. De veronderstelling bij de volgende oefening was, dat infiltraties  gebeurden op Biak en bij Sorong, dat radiohulp had gevraagd en waarheen per vliegtuig moest worden gezonden. Dit nu mislukte omdat een klein groep 'infiltranten' geland was uit deze torpedojager, die zich een weg gebaand hadden naar het vliegveld,door enige papoea's in te schakelen. Deze moesten als zij bewakers van het vliegveld zagen, gaan zitten, dan maakten de infiltranten een kleine omweg. Zo kwamen zij in het centrum van het vliegveld, namen daar mensen gevangen en zetten de vliegoperaties stop. Een andere groep van dezelfde torpedojager spande een kabel over hoofdweg naar het vliegveld en nam zo een bus met mariniers gevangen. In ieder geval had deze oefening zijn nut bewezen en ook noodzaak veel te oefenen. De Marine leeft tot het eind tot goede afweer tegen infiltraties kunnen bieden. Gelukkig is Nederland ten slotte voor de druk van de Veiligheidsraad gezwicht ,want speciaal de Indonesiers zouden enorme verliezen hebben geleden en dat zou niet bevorderlijk zijn geweest voor onze goede betrekkingen met het dierbare Insulinde.

----------------------------------------------------------------------
Uit het dagboek van zijn vader 1952  "Maandag 1 februari namiddag Alfred en Sonia op weg naar Utrecht, waar zij tante Vera, zuster van Sonia's moeder gaan afhalen, die uit Joegoslavië naar Holland komt. Alfred ziet er goed uit, vertelt van Washington, de Amerikanen, die hij rustige eenvoudige lieden vindt, die het ver hebben gebracht in de technieken van de Antillen, welks regeerders een taak toebedeeld wordt, die zij niet kunnen volbrengen. En boven die rommel, corruptie, rechteloosheid, waait dan de Nederlandse vlag. De gouverneur is een flinke man (R.K.) en spreekt er met Alfred over en Alfred spreekt in een ongunstige zin over Van Schaick (onzen Minister, eveneens R.K.) die een intens slappe broeder is - volgens A. Als ik A. zeg dat ik de indruk krijg dat wij de Antillen, Curaçao en Suriname binnen niet zo lange tijd zullen verliezen. Hij is het met mij eens dat wij liever onze vlag moeten neerhalen dan die te laten waaien boven een rotzooi. Ik vraag hem wat hij van onzen minister-president Drees denkt en hij antwoordt dat hij - al moet worden toegegeven dat bij hem het Vakverenigingsleven in het middelpunt van zijn belangstelling stelt - hij een man is van grote rechtschapenheid voor wien men groot ontzag en eerbied kan hebben en moet hebben".
1953 :"15 augustus. [Op weg naar Hattem] Uitgestapt bij Hulshorst voor een bezoek aan Alfreds terrein waar we Sonia aantreffen, die onherkenbaar is en er als een zigeunervrouw uitziet en verder Pieter en Sonia en twee vrienden, ook nog een juffrouw. We zijn vol bewondering voor Sonia die zich op zulk een eenvoudige wijze gedurende lange tijd, ook hard werkende, weet te handhaven en we zoenen haar in overeenstemming met de Russische gewoonte op beide wangen.
1954 :"9 januari. In verband met de tewaterlating van de "Groningen" zijn Alfred en Sonia met de twee kinderen naar Amsterdam gekomen en bergen hun bullen tijdelijk bij ons. Om 11 uur komen Frans en Engelien mij afhalen met hun wagentje. Wij gingen aan boord van het bootje, een van de scheepjes van de grachtenrondvaart en gingen onder een zachte regen van boord op de werf. Sonia werd met een boeket ontvangen. Even stonden wij op de tribune, beneden ons het lange slankgelijnde schip, toen de tewaterlating plaats had. De champagnefles barstte tegen de scheepsromp, en onmiddellijk daarop gleed het mooie schip snel te water, zoals steeds een ontroerend gezicht. Toen naar de koffiekamer, waar eerst Piet Goedkoop, zoon van wijlen Daan, en daarop Alfred het woord voerden. Uit de rede van Alfred:

"Deze nieuwste Groningen is nog niet door het Ministerie van Marine overgenomen. Hoe lastig ons ministerie ook moge zijn, het is waarschijnlijk dat dit schip zal worden overgenomen, evenals de Koetei, Sibolga [opsomming], maar er is nog een andere reden waarom ik geloof dat het een groot risico zou zijn van een marineman om dit schip na de proeftocht niet te accepteren. Zoals u weet heeft het ministerie een geweldig goed geheugen, al heeft het geen geweten. Toen de voorgangster van deze maatschappij, de werf Kromhout, onder leiding van de heer Daniel Goedkoop in 1879 een schip voor Hoorn heeft gebouwd, heeft zich de volgende historie voorgedaan volgens de archiefstukken die zich in het ministerie van Marine bevinden. Een aantal notabelen uit Hoorn had namelijk order gekregen een schip te bouwen voor de dienst van Hoorn naar Amsterdam, welke afstand volgens contract in 3½ uur gevaren zou moeten worden. Het schip kwam gereed, doch bij de eerst proeftocht bleek zij over die afstand wel 3 3/4 uur te doen. Daniel Goedkoop deed er aan wat er te doen was, en ten tweeden male ging men op proeftocht. Het werd toen 3 uur en 40 minuten. Ten slotte voer men ten derden male proef. Toen men halverwege was keek Daniel Goedkoop aan bakboord naar de groene oever van de Zuiderzee en zei:"Dat wordt 5 minuten te laat heren en meer haalt geen mens er uit." "Zo", zeiden de notabelen, "Dan accepteren wij het schip niet". "Juist", zei Goedkoop, "dus dan blijft het schip aan mij". "Zeer zeker", zeiden de notabelen. "Juist", zei wederom Daniel Goedkoop, "dus dan heb ik te zeggen wie er aan boord komt". De notabelen zwegen. "Dan allemaal als de weerlicht van boord", en aldus geschiedde. De Hoornse notabelen, met hoge hoeden, hebben zich toen enige uren lang hoogst eigenhandig in een vletje naar de groene oever van de Zuiderzee moeten roeien omdat zij het schip geweigerd hadden.
14 augustus. Alfred komt even praten, gaat koffie drinken bij koning Haakon op zijn jacht. Hij vertelt over Prinses Wilhelmina, die ergens op de Veluwe in het gewone tenue ging schilderen en toen werd aangesproken door een paar soldaten. Een hunner ging achter haar staan en vroeg: "Komt alles er wel op, juffrouw?" Prinses Wilhelmina vroeg toen wat ze deden. Ze waren van de genie, waren bezig een kabel te leggen. Wat doet U dan. O, we zitten maar wat te kijken. En hoelang duurt dat dan? We zitten hier al vier dagen. En is er dan geen toezicht? Wat zei U, toezicht, nee, ha ha ha, nee toezicht, o bedoelt U toezicht, nee dat, ha ha ha, nee dat is er niet. Prinses Wilhelmina, vroeger onze geëerbiedigde koningin, is daarop naar prins Bernhard gegaan, die de betrekking van inspecteur bekleedt over de Strijdkrachten en heeft hem het geval verteld"
----------------------------------------------------------------.

De admiraliteitsraad in 1956. De 5e van rechts A, de Booy (bevelhebber der zeestrijdkrachten)

Ik had nu bjjna het einde van mijn ambtsperiode en tevens de leeftijd bereikt waarbij vlagofficieren pleegden met pensioen te gaan,maar ik gevoelde weinig lust en kon mij ook bezwaarlijk vergunnen uit financieel oogpunt geen werkzaamheden te verrichten. Toen Professor Gerbrandy mij wilde opzoeken op mijn buro, dacht ik dat het gesprek iets met de Marine te maken had. Weldra bleek het dat hij wilde informeren of ik na mijn pensionering nog een betrekking ambieerde. Hij dacht aan gedelegeerd commissaris bij een particulier, die een scheepswerf wilde bouwen. Nu, daar stond ik niet afwijzend tegenover. Ik had nimmer met contrakten iets te maken gehad. Dan nodigde hij mij voor een lunch uit. Hij begreep, dat ik niet wilde soliciteren,het ging voorhands alleen om kennis te maken. Accoord.

---------------------------------------------------------------------

Uit het dagboek  van zijn vader  29 maart. 1956 Heden hoorden we van Tom dat Alfred werk heeft en wel dat hij lid is geworden van het hoofdbestuur van een zaak die onder directie is van een man die Verolme heet, een man die een grote hoeveelheid oude motoren heeft opgekocht en deze weder, vermoedelijk nadat ze weder bruikbaar waren gemaakt, voor 5 miljoen heeft verkocht en die zich nu, samenwerkend met anderen, heeft gericht op scheepsinstallaties te Rotterdam. Dit heeft Tom van het Handelsblad gehoord. Daar ik hierover nog niets van Alfred heb vernomen neem ik aan dat het juist is, maar laat ik een plaats voor twijfel over.
30 maart. Opgebeld door Alfred die mij vertelt over zijn nieuwe baan, zijn positie van lid der directie van een grote zaak op het gebied van de scheepsbouw, opgericht door een man van eenvoudige afkomst die aanvankelijk op klompen liep, maar die beschikt over een helder verstand en grote werklust. De naam van die man is Verolme. Alfred is zeer ingenomen met de wijze waarop zijn afscheid van de Marine heeft plaatsgehad en is dankbaar dat "ik hem in de Marine heb gezet" zo zegt hij. Hij dankt de positie natuurlijk aan zichzelf maar ook aan dr. Gerbrandy die hem erover polste en die zelf ook aan deze onderneming is verbonden. Hij concurreert nu met andere - grotere - werven, heeft thans 2000 werklieden (Goedkoop 7 á 8000) en Verolme krijgt weldra een 4de werf.
---------------------------------------------------------------------------

Tot slot van het verhaal over mijn periode in de Koninklijke Marine laat ik hier volgen de redevoering die mijn vader hield op de reüniee 1954

De oudste reünist in ons midden was de oud-luitenant ter zee der 1e. klasse H. de Booy, promotie 1883. Tijdens de voorbereidingen van de feestelijkheden had het "Uitvoerend comité" reeds het verzoek gericht aan de heer De Booy om tijdens de reunie-maaltijd een enkel woord te spreken. De heer De Booy was bereid aan dit verzoek gevolg te geven en sprak de volgende rede uit:

Waarde Vrienden Reünisten.
Ik beschouw het als een voorrecht, dat ik hedenavond op deze mij zo goed bekende plaats voor korte tijd het woord mag voeren, ook al dank ik die eer aan het blote feit van mijn ouderdom. Van mijn jaar zijn twee nog in leven. De ene, Birnie, is ouder dan ik, kunstschilder wonende te Los Angeles, Amerika; de tweede ben Ik. Kort geleden nog kreeg ik van Birnie een brief, waarin hij schreef dat het hem helaas onmogelijk was te komen; hij verzocht mij evenwel zijn hartelijke groeten aan alle reünisten over te brengen en dat doe ik bij deze dan ook gaarne. Ik zal dus heden niemand zien van mijn eigen jaar, maar zeker nog velen, die ik leerde kennen en waarderen hetzij op de vloot gedurende mijn twintigjarige diensttijd of op het Instituut, toen ik officier van politie was, dan wel in de burgermaatschappij. Mijn herinneringen aan het Instituut beginnen een en zeventig jaar geleden en ik gevoel mij enigszins als beschikking hebbende over een potscherf, uit een voorhistorisch tijdperk, waarin gegevens zijn gekrast, belangrijke en onbelangrijke, welke moeten worden onderzocht en verklaard. Na de aanmelding op het Instituut op 1 September 1883 kwamen wij in het zaaltje en in de handen van de adelborsten van het oudste jaar, het jaar van 1880, die ons met op onnodig harde wijze behandelden, zeker ook als gevolg van de bescherming; welke wij genoten van de zijde van een korps, gevormd uit sergeanten van de Mariniers, die overigens de uitvoerders waren van een stelsel van bepalingen, waarvan het niet opvolgen, zelfs na kleine overtredingen, door straffen werd gevolgd.

Op mijn potscherf vind ik weinige woorden, geen zinnen, wat noopt tot beperking. "Sport" lees ik er. Neen, aan sport werd niets gedaan voor al die jonge mensen. Toen ik, zowat  vijftien jaar geleden, officier van politie was, sprak ik er over met mijn commandant en werd voetballen ingevoerd. Ook 's Rijks Werf werkte mede. "Urania".Ja, het verblijf aan boord van ons instructieschip, een volgetuigde driemaster, schonk een nuttige en alleraangenaamste onderbreking van het zittende bestaan in het leerlokaal. Op dit ogenblik komt het sterkst bij mij naar voren, hoe ik in 1898 aan boord van Hr. Ms. "Urania" diende als eerste-officier, onder commando van Willem Cornelis, toen luitenant ter zee der 1e klasse, een man van grote wetenschap en karakter. Ik leerde daar adelborsten van het jaar 1895 en jongeren kennen en genoot met hen van dat leven in de vrije lucht. Ik herinner mij het volgende: Instede van langs de officiële weg zeilden wij op een Zaterdag van om de Zuid naar Harlingen door een geul over de droogte, een geul, die Molengat heette, omdat wij daarbij een molen van Harlingen in de Kerk moesten houden. Met een bezeild windje was dit niet moeilijk. Zo kwamen wij de haven binnenzeilen. Zonder hulp, die ook niet nodig was. Bij de ingang lagen twee Britse koopvaarders. Stoomschepen, waarvan de bemanningen even ophielden met hun werk en ons met belangstelling gadesloegen. Bij ons volgde vanzelf op tijd het bergen van onderzeilen en bramzeilen, daarop de marszeilen en het vastmaken van al die zeilen tegelijk door die rappe knapen, waarvan ik er hier enigen zie zitten. Dan nog met de vaart die over was, een mooie zwaai met de voorsteven naar buiten. Ook werd nog een vlet gestreken en een tros aan de wal gebracht. Ook de loopplank en de schildwacht, alles tegelijk en zo lagen wij na enkele ogenblikken aan de kade, stil, alsof er niets gebeurd was. Ja, schipper Jerphanion moet zijn tuig nog kant zetten en hij is er al mee bezig. In de vlet zit hij, op een plaats waar hij een goed gezicht heeft op het tuig. Hij heeft zijn fluit bij zich en geeft er zijn bevelen mee, met lange en korte halen, met roffeltjes en korte stootjes geeft hij te kennen, of de stuurboords grietjebras moet worden doorgehaald en hoe lang, dan wel het bakboords toppenend van de grootmarsera. En gereed, dan geeft hij daarvan met een kort sein kennis en ligt Hr. Ms. "Urania" op haar plaats, alsof zij er steeds heeft gelegen, alles getopt en gebrast, zoals het in de Marine past. Daar meldde de schildwacht de komst van twee burgers. Het waren de twee Britse kapiteins, nu in hun beste pak gestoken, die de Commandant kwamen zeggen, dat zij het binnenkomen van de "Urania" met grote bewondering hadden aanschouwd. Zij hadden gelijk, want al was dat binnenkomen voor ons heel gewoon, iets dat vaak gebeurde, als schouwspel was het zienswaardig en het werd op prijs gesteld dat die Britse zeelieden dit gevoelden en wilden tonen. .

Al die namen van zeilen, tuigdelen, touwen, die wij allen zo goed kenden, zijn thans uit de tijd. Ik herinner mij, dat ik na mijn eerste lange zeereis met Zr.Ms."Zilveren Kruis" ,een onderofficier van dat schip ontmoette die de Marine had verlaten en hem vroeg, hoe het hem beviel in de burgermaatschappij. "Ach", antwoordde hij, "U weet dat ook wel. In de burgermaatschappij hebben de mensen, om zo te zeggen geen conversatie." Op het Instituut van mijn tijd had men voor burgers een bijzondere naam. We noemden ze: "patters", vooral de jongelui onder de burgers, met onze familieleden, meer in het algemeen in tegenstelling tot onszelf, jonge adelborsten. Wij hadden verstrekkende idealen, vonden het zeer afkeurenswaardig dat kooplieden de waren, die ze voor een zekere som hadden gekocht, voor een hoger bedrag verkochten. "Stel je voor", zeiden wij. Wij waren jonger dan de tegenwoordige adelborsten, ook minder ontwikkeld. Wij waren romantisch. Wij hadden een grote bewondering en verering voor het vrouwelijk deel der mensheid, vooral als het de lieve jonge meisjes gold, die ons met het Assaut op 's Konings jaardag, 19 Februari, kwamen bezoeken. Hoe goed herinner ik mij, dat ik, onder de indruk van de aanblik van zulk een wezen, mij 's avonds naar het hotel Den Burg begaf en daar op dat hoge hek klom, van welke plaats ik, hoewel in zeer labiel evenwicht, kon zien, hoe de zo zeer door mij bewonderde verschijning, met haar vader, zittend aan dat kleine tafeltje, de soep met balletjes at, waardoor het thans meer dan tien jaren geleden verroeste hotel bekend was.
Door het oudste jaa
r werd ons ingeprent beleefd van vormen te zijn, vooral voor dames. dat wij deze moesten groeten, niet door salueren, maar door de pet af te nemen, daarbij het voorbeeld volgende van de galante Commandant van Zr. Ms. Wachtschip, die, meen ik, Van Heeckeren heette. We waren geen militairen, zei het oudste jaar, we waren aanstaande zee-officieren. Denkt daar wel aan. Ietwat vaag werd onze aanstaande positie beschreven, depositie der zee-officieren, vooral zeeman, maar geen militair.
Wat mij zelf betreft, herinner ik mij, dat ik door
oefening bijzondere vaardigheid kreeg in het lopen over de in lange rijen hangende gesjorde kooien, en wel in tamelijk vlug tempo. Vioolspelende ging het ook, maar wat langzamer. Ik genoot ook van het exerceren met de getrokken voorlaad-kanonnen van 16 cm. op rolpaard aan boord van de drijvende batterij de Salamander, waar men kon wanen zich te bevinden op een zeventiende-eeuws schip. Dit genoegen werd nog veel groter wanneer met die kannonnen werd schijfgeschoten, vooral als ik dan kommandeur was en, de richtlijn op het doel, de linkerarm snel liet zakken en met de rechter een harde ruk gaf aan het aftrektouw. Waarop men dan het projectiel in zijn baan door de lucht zijn weg naar het doel kon zien volgen. .
In 1883, toen ik mij hier meldde, overtrof het aantal der zeilschepen op zee belangrijk dat de stoomschepen, thans is of wordt al wat oud en ouderwets is bij onze Marine ver
vangen door wat behoort tot deze tijd. Ik vrees, dat ik met een zee-officier van deze tijd, sprekende over de huidige middelen van onze hooggeachte Marine, getuigenis zou afleggen van een groot gebrek aan conversatie, ... evenals mijn oude vriend van de "Zilveren Kruis" had geconstateerd bij de burgermaatschappij. .
Ik heb wel eens gelezen, dat een mens de gedachten va
n zijn jeugd moet eerbiedigen. Met warme gevoelens denk ik aan de kameraden en trouwe vrienden, die ik hier niet meer kan vinden, en daarmede aan mijn opleiding aan dit Instituut. Met warme gevoelens denk ik aan onze romantische aard, aan het schoons, dat onbruikbaar geworden, is verdwenen en vooral denk ik met warme gevoelens aan onze vernieuwde en levenskrachtige Marine.
Hiermede heb ik gezegd.

Na deze woorden volgden enkele ogenblikken van stilte, die opmerkelijk waren in de roezemoezige sfeer van het zaaltje, Alle aanwezigen beseften een ogenblik geconfronteerd te zijn geweest met een tijdperk van de marine, dat de meesten niet meer kenden en tijdperk met zijn eigen romantiek en bekoring.

Hieronder volgt zijn memories over de tijd dat hij bij Verolme heeft gewerkt

 Bij Cornelis Verolme

Links: Cornelis Verolme (1900-1981), scheepsbouwer en oprichter van het Verolme-concern. Midden: Pieter Sjoerds Gerbrandy (1995-1961),zijn President- commissaris tot 1961. Rechts:Alfred de Booy (1901-1997), zijn Vice-president  tot 1966

De lunch van Gerbrandy verliep goed. Cornelis Verolme maakte een kordate indruk. Typisch was zijn vraag:wat vindt U van uw chef,de heer Staf,waar op ik niet anders dan ontwijkend kon antwoorden. Iets later zei hij plotseling, wilt U mijn compagnon worden, waarop ik antwoordde,dat ik na mijn pensionering gaarne zijn bedrijf zou willen bezoeken. Op dat moment wist ik niet dat Verolme gaarne woordelijk beloften deed,soms zelfs onnodig, doch dat hij contracten precies na kwam. Tijdëns mijn bezoek aan Het Scheepsinstallatiebedrijf te IJsselmonde vroeg ik wat mijn taak zou zijn. Daarop ging hij niet diep in;doch wees op het werk dat allereerst moest geschieden wegens de grote werf aan de Botlek. Daar moet een paal voor een loods of helling geslagen worden en moest ik maar eens gaan kijken hoe wij de honderden gasten konden ontvangen. Ik zag een paar koeien grazen ,hoorde af en toe een doffe klap bij een heistelling en vond een vervallen steiger,vanwaar door het leggen van staalplaten men bij deze stelling zou kunnen komen. Ik zag ook dat een raffïnaderij (Esso) reeds bestond in de buurt en een paar opschriften van boeren die zich beklaagden dat Verolme hun land had ingepikt. Toen ik Verolme vertelde)dat ik te vergeefs naar een grote werf had gezocht,tikte hij tegen zijn voorhoofd en zei: die zit hier.

Inderdaad waren er vermoedelijk veel van zijn concurrenten die hem onderschatten,doch Wilton -Fijenoord en de Rotterdams Droogdokmaatschappij, hadden tegenstellingen moeten vergeten en samen een grote reparatie werf aan de Botlek moeten oprichten,dan hadden zij Verolme de weg versperd en aanzienlijke uitgaven aan gegraven en drijvende
dokken kunnen besparen of althans beter rendabel kunnen beleggen. Verolme had geen last van commissariseen,waarvan natuurlijk sommigen hem wel eens waardevolle adviezen konden geven, hij had veel kennissen op zijn niveau,hoorde dus veel en kon snel beslissen .Hij belegde zijn winst in het bedrijf en kreeg op zijn uitbreiding investeringsaftrek. Hij had een overdreven minachting  voor banken, die geen wilden uitlenen dat niet van hun was,vond dat een gezant in het buitenland alleen voor hem en met voor anderen moest werken,ergerde zich aan de op weinig gefundeerde leugenberichten die rondgestrooid werden.

In Mei 1956 bezat hij het Scheepsinstallatiebedrijf te IJsselmonde,de werven te Alblasserdam en Heusden en in de tien jaren die ik bij hem werkte, kwamen daarbij de Noorse werf te Sarpsborg, de de lerse werf te Cork, Verolme Electra, de machtige scheepswerf te Jacuacanda te Brazilië.Het is niet mijn bedoeling meer te vertellen over de Verolmewerven,dan over de gebeurtenissen waarbij ik zelf betrokken ben geweest en wil geenszins aanspraak maken op volledigheid,noch op nauwkeurigheid,daar ik zeer weinig schriftelijk gegevens bezit ter toetsing. Het Verolme concern behoefde zich niet tegenover aandeelhouders te verantwoorden,van daar dat veel mondeling werd afgehandeld en niet meer is te construeren.

De ombouw van een vliegdekschip voor Brazilië  
Verolme kon deelnemen aan een inschrijving voor de ombouw van een Engels vliegdekschip voor de Braziliaanse Marine. Hij wist door goede connecties in Brazilië dat President Kubitchek prijs stelde  op leverantie tijdens zijn bewind,dus drie jaar en schreef dus in met een korte levertijd en goede prijs. De andere werven schreven kennelijk in voor een andere langere levertijd,zodat Verolme het won. Voordat wij dit realiseerden,lag het vliegdekschip in de Waalhaven en pas veel later kon het varen naar het terrein aan de Botlek,maar wij bezaten geen kranen .noch personeel om aan de slag te gaan. Gelukkig was Ir J.J.Stenger ,voorheen bij de Kon.Marine in dienst geweest, bij ons gekomen. Om te beginnen werd de brugopbouw in zijn geheel aan een sloper verkocht,op het vliegdek werden rails gelegd, waarop een kraan kon rijden,zodat wij niet stil zaten. Het contract was intussen getekend,wij hadden 52 millioen gulden genoteerd als prijs,daarbij kwam later een verhoging voor extra werk,maar vooral doordat de lonen stegen ,ik geloof dat wij uiteindelijk 72 millioen gulden kregen,waarbij onze winst circa 28 millioen gulden bedroeg .

Verbouwing van het vliegtuigkampschip Minas Gerais op de werf

Verolme had mij de algemene supervisie opgedragen, ik moet hem tweemaal verzoeken op een vergadering de bedrijfsleiding van de werf aan de Botlek ernstig te gelasten voldoende prioriteit aan de Minas Gerais (zo heette dit schip nu) te geven. Natuurlijk kwamen ook andere problemen opdoemen,zoals tijdige oplevering van de remcylinders voor de katapultinstallatie. Een bezoek van Ingenieur Stenger en mij loste dit op, wij vonden in deze Britse fabriek remcylinders gemerkt Clemenceau liggen en vroegen deze voor ons te bestemmen. De Fransen zouden wel geen haast hebben. De Schotse direkteur was het met ons eens. Wij hadden alle tekeningen voor het ombouwen gemaakt, behalve nog die voor de katapultinstallatie. Wij zouden de tekeningen van de Nevisbu mogen inzien als de Marine vond dat de goede verhoudingen met de Braziliaanse Marine het belang van de Staat der Nederlanden diende. Na informatie mijnerzijds bleek dit het geval en de Brazilaanse Marine kreeg daardoor deze tekeningen, waaraan (naar ik meen) Stenger zelf had medegewerkt.Ook moest het schip dokken voor de proef tochten en N.V.Wilton was niet erg genegen zulks te doen.

De Minas Gerais verlaat de haven Rotterdam voor een proefvaart

Dan had het schip naar Engeland moeten gaan voor een dokbeurt. Gelukkig zag Wilton in dat zij zich bij de Brazilianen weinig populair zouden maken en dokte het schip daar,maar wij moesten al ons personeel eerst van boord halen. Bart Wilton zelf was een groot bewonderaar van Verolme,zoals hij mij herhaaldelijk vertelde,maar er waren natuurlijk ook anderen. Onze verhouding met de Braziliaanse missie onder vice-admiraal Araujo was uitstekend. Hij was bekend dat de admiraal een verwoed tegenstander van elke vorm van corruptie was, zijn echtgenote mocht bijvoorbeeld zijn dienstauto niet gebruiken om te winkelen. Maar Cornelis Verolme wilde royaal zijn en gaf onze administrateur opdracht aan de officier van adminstratie van de Braziliaan een kleinigheid te offreren,als hij weer  met het maandelijkse geld,en volgens contract kwam langs wandelen. Tot mijn ergernis vertelde de administrateur mij, dat hij de man (ik meen) vijfduizend gulden had geschonken. Twee maanden later kwam de officier weer terug en legde onder dankzegging de f 5000 op tafel,die hij voor zijn vacantie nodig had, omdat op dat moment de salarissen uit Brazilië niet overkwamen. Natuurlijk waren er  ook wel technische problemen,zo liep bij een beproefing in de zomer de nok die het vliegtuig voortduwt in de gleuf telkens vast, de zon kreeg nu de schuld, maar hoe dit op te lossen.De verwarming door de zon moest door een andere bron vervangen worden,die voor een evenredige uitzetting zorgde. Door bijzetten van de stoom in deze installatie zoals in werkelijkheid zou geschieden, was het probleem opgelost. Verolme kreeg weer gelijk, want op mijn mededeling over het sombere perspektief van de Minas Gerais, was zijn commentaar::'zoiets heb je dikwijls in het begin,het komt terecht'. Een zeer onverwachte complicatie ontstond, toen president Kubitchak Verolme te verstaan gaf,dat hij het schip niet wenste te ontvangen tijdens zijn bewind. Dus juist andersom als in de tijd van de inschrijving voor de ombouw. De Braziliaanse luchtmacht zat de Marine dwars over het schip en wenste daarover zeggingschap,de Marine moest zich beperken tot de drijvende hangar te verplaatsen. De Amerikanen wilden nu geen vliegtuigen leveren ,zodat de Braziliaans Marine haar marineattaché in Parijs naar ons toe stuurde om voor vliegtuigen te zorgen. Wïj hadden een geheime ontmoeting in het station te Rotterdam en als gevolg reisde ik naar Parijs. Ik sprak daar met een lid van de hoofddirectie van Dassault ,die bereid bleek de nodige mirages te leveren. Ik moest een hoog bemiddelingspercentage bedingen,niet beneden 8%.Dassault vond dat veel te veel (wij zouden dan wellicht 10 millioen gulden verdienen).Max 2% kon nog wel. Gelukkig wisten zij niet dat de leverantie voor Brazilië gold ,zij wisten niet dat het schip ook voor mirages hadden geschikt gemaakt. Ik aapte dus Verolme na, zoals hij in dergelijke gevallen handelde, en zei dat het mij speet,maar dat ik me dan tot anderen zou wenden. lk was opgestaan, net als Verolme zou hebben gedaan en won .Maar weldra hoorden wij dat de Amerikanen toch vliegtuigen zouden leveren en stonden er naast. Bij ons bleef het probleem van het schip later te laten vertrekken. Ik stond in de hangar van de Minas Gerais,om een hoge Braziliaanse decoratie te krijgen,toen Verolme uit Brazilië opbelde en waarschuwde dat wij het schip moesten ophouden. Ik stapte naar de commandant en vroeg wanneer hij dacht te vertrekken. Geen sprake van vertrek, iedere dag stond er een rij schuldeisers voor de deur. De bemanning had zoveel ingekocht,maar kon nietbetalen omdat geen geld uit Brazilie was gekomen. Wij willen niet schulden achter laten. Ik prees hem voor die houding. Heeft U de asbakken van de Porceleine Fles al uitgereikt? Ook geen sprake van, die geef ik pas in zee , anders verkopen de matrozen die in Rotterdam. Kort daarop belde Verolme tijdens een weekend op en wilde mij in het Waldorf Astoria hotel in New York de volgende dag ontmoeten. Aldus geschiedde. Een paar dagen later vloog ik met admiraal Saldanha naar Brazilie om bij de president Kubitshek zekerheid over de leverantie van vier koopvaardijschepen te krijgen.lk vermoed dat Verolme die had geeist in ruil voor een later vertrek van de Minas Gerais.Kubitchek,advocaat van beroep, belde in ons bijzijn een minister op en gaf hem de opdracht voor de vier schepen. Wat noch Saldanha of ik ons realiseerden dat in Brazilie een president die gaat aftreden eigenlijk niets meer te vertellen heeft. De betrokken minister lapte de hele zaak aan zijn laars.

-------------------------------------------------------------------------------
Uit het dagboek van zijn Vader:
"Zaterdag 15 april 1957 Om 4 uur komt Debora Land en spelen wij sonates van Händel. Het lijkt mij dat de klank soms wel goed is. Heel mooi klinkt het Andante van de 1ste sonate. Terwijl wij spelen komen Alfred en Sonia die bij Moeder in de eetkamer theedrinken. Alfred vertelt zijn moeder van zijn nieuwe werk. Verolme en hij zijn de enige directeuren van deze grootse onderneming. Verolme is een man die 16 jaren bij Stork heeft gewerkt en die toen hij daarna niet verder kon komen zijn ontslag nam. Bij een brand te Rotterdam werden zeer vele motoren beschadigd. Deze kocht Verolme voor weinig geld en herstelde en verkocht ze tenslotte voor miljoenen. Deze miljoenen besteedde hij aan het kopen van een viertal bestaande werven. Deze zijn elk op zichzelf naamloze vennootschappen, staan onder zijn directie en thans ook onder de directie van Alfred. Alfred zit thans in de directiekamer, wordt om 8 uur van huis gehaald door de auto van de zaak en gaat zitten in de stoel van Verolme, die meestal voor het een of ander op stap is ".
"Woensdag 30 januari 1958  komen Alfred en Sonia in de middag. Alfred ziet er goed uit in weerwil van de zorgen, waarin hij zonder twijfel als leider van een zeer groot bedrijf moet hebben. Verolme is nu op weg naar Brazilië waar hij hoopt een grote opdracht te halen, een van als ik goed heb onthouden 127 miljoen. Het werk aan de Botlek, waar een droogdok wordt gegraven. Een grote moeilijkheid is het steeds drooghouden van de gegraven kuil door middel van pompen. Voor zijn vertrek gaf de heer Verolme een diner van ongeveer 25 leden van de staf waarbij een van de leden een rede hield, waarbij hij wees op het risico verbonden aan het voeren van een reuzenbedrijf als dat van Verolme, waarin vele millioenen zijn belegd .
 22 februari 1958 liep de 20000 ton Tamcha te water bij Heusden, nadat men eerst getwijfeld had in verband met de stand van het water of de tewaterlating thans wel door zou gaan, met de bedoeling dezelve slechts symbolisch te doen plaats vinden en op de gelukkige vaart van het dan nog vastliggende schip te klinken op een vrij katterig feestmaal. Maar op het laatste ogenblik kwamen knappe waterstaatsingenieurs nog tot de slotsom dat het kon gaan en "Smijt 'm er in" riep Verolme en "bom" deed de fles tegen de romp met enige goede wensen uitgesproken door de vrouw van de Noorse opdrachtgever. Maar daarna kwamen vreselijke ogenblikken van volmaakte stilte zonder enige beweging van het schip. Hoe lang die stilte duurde kan niet gezegd worden, was het een minuut, misschien minder, toen enige geluiden van krassen en breken en daar gleed de reus omlaag. Maar de spanning duurde nog. Het schip was 150 meter lang, de Maas 120 meter breed. Daarop was gerekend door middel van ankers of een anker en kettingen die op tijd de steven zijwaarts zouden trekken. En dit alles werkte goed en zo kwam de reus met de neus in de stroom te liggen. Alfred deed ons dit op plastische wijze leven en we leefden mee met kloppende harten. Volgens Alfred hadden dergelijke toestanden Verolme naar een tweede man (Alfred) doen uitzien, die wat van de spanning kon wegnemen, waarin hij weken vóór zo'n tewaterlating verkeerde. Later beschikte Verolme natuurlijk over andere werven.
Op zaterdag 9 augustus 1958  Alfred is met mij naar Botlek gegaan. Wij hebben daar de werf gezien met alles wat erbij behoort, ook het nieuwe dok dat nog in wording is, maar al zover dat de nieuwe tanker er al in opbouw oprijst. Er zijn twee grote voorwerpen in bewerking: de nieuwe tanker van 30.000 ton en de restauratie van dat vliegdekschip van Brazilië. En alles moet op een vooraf bepaalde tijd gereed zijn. En voor het geheel verantwoordelijke man is Cornelis Verolme. Dien gaan we nu bezoeken. Dus per auto naar Ridderkerk en daar het mooie huis bezocht waar hij woont. Hij is ongeveer 58 jaar oud, ziet er jonger uit, heeft een jong uiterlijk en een heldere stem. En wij spreken weldra over nieuwe en oude tijd en ik vertel een en ander over mijn reis met de Zilveren Kruis.
.-------------------------------------------------------------------------------------------

Noord-Korea.
Wij hadden een visscherijmoederschip gebouwd voor de Democratische republiek van Noord Korea en daartoe geld moeten lenen. Na proeftochten in de Noordzee was het schip vertrokken naar het Verre Oosten en het was mijn opdracht met een getekende cheque van
. de koopsom terug te reizen. Gelukkig gaf Cornelis Verolme me de waarschuwing mede: ga geen nieuwe proeftochten houden. Het schip zou weldra een haven niet zo ver van Vladiwostok binnenlopen en daar zou ik het schip moeten overdragen. Telegrammen over data en naam van de haven waren in Noord Korea niet begrepen en ook niet beantwoord. De tijd drong en ik moest vergezeld van één onzer juristen,mr J.W. Vuyck,alleen voorzien van een inreis visum voor Moskou, maar zien hoe wij er kwamen. Een landing midden in de winter op het vliegveld van Sverdlovsk, waarbij wij tegen een harde noordoosteljjke wind een gebouw moesten bereiken, was voor mij voorzien van een U.S.Nevy winterjas geen enkel bezwaar,de reden voor dit oponthoud zijn wij nimmer te weten gekomen. Van daar naar Irkutsk en vervolgens gedeeltelijk over China naar Pyong Yang,de hoofdstad van de Democratische Volksrepubliek. Een aanzienlijke deputatie wacht niet ons, maar een groep Koreanen op,die in Moskou hadden onderhandeld. Wij reden die avond in een trein naar de haven waar het schip juist was aangekomen, bemand door een ploeg van Weismuller. Alras bleek dat er bij de Koreanen onderling meningsverschil bestond. Nieuwe proeftochten werden door mij afgewezen,maar de dagen verliepen zonder dat beslist werd op welke dag het schip zou worden overgedragen, zodat ik met de kapitein de mogelijkheid besprak naar een andere haven te varen. Uitgesloten,hij had niet mogen zien hoe het schip tussen de mijnen werd binnengeloodst. Gaf ik order en kregen wij schade,dan zou de verzekering niet uitbetalen.De interne ruzie was plotseling bijgelegd,het schip werd overgedragen, en wij konden vertrekken. Het was niet gelukt om visa voor Moskou te  krijgen via de Sovjet ambassadeur in Pyong Yang,maar deze verklaarde mij dat hij dit alleen een paar weken voor de vertrek datum mocht vragen,hij was overigens bereid alle medewerking te verlenen en zou order geven dat wij van Sovjet vliegtuigen mochten gebruik maken. De ploeg van Weismuller verdween bij aankomst in Moskou in een barak, wij werden in het Aeroflot hotel ondergebracht,vanwaar wijonze ambassadeur konden telefoneren en hem vroeg de passage naar Nederland van de Weismuller ploeg te bevorderen, die naar ik later hoorde, samen met een balletgroep naar Brussel werd gevlogen.

Hamburg
Onderhandeld met een Egyptisch admiraal over de bouw van een of twee tankers van circa 35000 ton. Alles leek goed te gaan, maar de rente van de lening bleek het struikelblok. Wij mochten volgens door Nederland en de concurrent Duitsland ondertekende overeenkomst niet lager gaan dan een bepaald percentage. De Duitsers sloten af voor een of twee percent lager. Een gedeelte werd door de staat Sleeswijk Holstein en een ander deel (meen ik) door de stad Hamburg gefinancierd. De Nederlandse instanties lieten weten dat wij eerder met bewijzen moesten komen,als er weer zoo iets plaats vondt. Volgens ons is dat onmogelijk. De Nederlandse regering zou goed doen een boete clausule in te lassen als een der partijen niet volgens de geest van een tractaat handelt.

Tunesië
Een Rotterdams
e rederij voerde het beheer over een paar schepen onder Tunesische vlag en vroeg ons te onderzoeken of aankoop van de vroegere Franse Marinewerf in Bizetta voor ons aantrekkelijk zou zijn met het oog op het vestigen van een reparatiewerf voor koopvaardijschepen.Een bezoek van twee dagen was lang genoeg om te zien dat deze werf lange doch  smalle dokken bezit,wel veel machinerien voor ons van weinig belang en voorts dat de ligging van ItaIiaanse reparatie werven de concurrentie zouden verzwaren.Weshale werd geadviseerd aan de heer Verolme het verzoek vriendelijk af te wijzen.Ik had nog net tijd genoeg om een museum in het oude Carthago ,althans in de omgeving waar deze stad moet hebben gelegen,te bezoeken .De Romeinen hebben wel grondig alles wat maar aan hun oude aartsvijand doet denken,vernietïgd.

Dublin en Cork.
De Verolme Cork Shipyard werd na bespreking met de Indus
trial Development Board in Dublin,snel tot ontwikkeling gebracht .Cornelis sprak een aantal Ieren, (zeker duizend) toe om hen te vertellen dat hij in Cork een goede werf zou bouwen,die veel werkkrachten: zou aantrekken. Hij noemde daarbij getallen die het publiek tot grote opwinding bracht en wij hadden de grootste moeite om de aantallen onder de vier cijfers te houden. Onze commissaris Horgan zei :take him away,for to morrow they will make him president of the Republic.De mensen riepen steeds 'God bless him' enz. John.J.Horgan is de schrijver van een boek genaamd:From Parneil to Pearce, Dublin,1,48.Horgan.vertrouwde mij toe dat hij verwonderd was dat zijn tegenstanders hem niet vermoord hadden. Hij was het oneens met de Valera en vond dat zonder geweld Ierland ook zelfstandig zou zijn geworden,misschien wat later. De Ieren zijn een emotioneel volk, die geloven dat er eens een door één autoriteit geregeerd Ierland is geweest ,maar de historische bewijzen liggen niet voor het oprapen en in hun grondwet staat nu eenmaal dat Noord Ierland hun eigendom is,maar de moordpartijen hebben het voor de Ieren in het Noorden wel weinig aantrekkelijk gemaakt om zich te laten inlijven.

--------------------------------------------------------------------
Uit het dagboek van zijn Vader Zondag 6 october 1958. Heden komt Alfred de trap opstormen. Hij gaat op Schiphol afscheid nemen van een Ierse minister die in Holland is in verband met het plan Verolme om een werf te bouwen in Ierland. Men moet voor zo iets de instemming hebben van vele Ierse vakverenigingen. Onze regering heeft dien Iersen minister een diner aangeboden, waartoe Verolme en Alfred genodigd waren. Onze regering was vertegenwoordigd door minister Struycken.
-------------------------------------------------------------------------------------------

Berlijn
Een ogenblik leek er een kans om schepen voor een Oost-Duitse rederij te bouwen, onderhandeling in West Berlijn waar zich een agent van deze rederij ophield. Ik vloog er met nog een staflid naartoe.Spoedig na aankomst werd een telegram ontvangen dat de zaak niet door kon gaan, waarschijnlijk had Big Brother de Oost Duitsers op  de vingers getikt. Wij hadden nog net tijd om de Oost sector te bezoeken,de plaats van de Hitlerbunker te zien,het monument vlakbij waar nu Sovjet soldaten de wacht lopen en verder weg een donker standbeeld, van Joseph Stalin.

Venezuela
In de kranten las ik slec
hte berichten over de politieke toestand van Venezuela, waar kansen zouden bestaan voor nieuwe orders. Zal ik de reis maar niet uitstellen? Maar Verolme was optimist, dat waait wel weer over. Bij aankomst was er een mislukte staatsgreep geweest, tanks stonden voor gebouwen ,maar een soldaat las een krant of een boekje en ik kon ongehinderd passeren. In het hoofdkwartier van de Marine,kwam de adjudant van de chef Marinestaf met een sleutel,waarmede zijn chef achter slot veilig voor overvallers zat. Ik herkende in hem de toenmalige kapitein ter zee;directeur van de Marineclub, waar ik tijdens het officiele bezoek van Hr Ms de Ruyter had gelogeerd,waarbij het de gewoonte was bij vertrek de directeur een compensatie te geven voor de veroorzaakte moeite. De thans vice-admiraal geworden chef Marinestaf luisterde belangstellend naar mijn argumenten, doch verklaarde dat op het huidige moment geen orders te vergeven waren. Na afscheid genomen te hebben ging ik langs het Esso kantoor waar een ex.USA marineman direkteur was. Wij verwachten nu iedere dag een nieuwe staatsgreep,adviseer U het eerste de beste vliegtuig naar Holland te nemen. Zo gezegd zo gedaan. Mijn concurrent en vroeger collega vice-admiraal Burghard was diezelfde dag in Caracas geland en heeft minstens een week in zijn hotel geisoleerd gezeten.

Argentinië
Het begon weer goed, een vertoning van onze film over de ombouw van de Minas Gerais voor de Marinestaf te Buenos Aires, gevolgd door een film gemaakt in Wageningen van ons model fregat bij zware zeegang:leek zoo echt,dat sommigen zullen gedacht hebben dat een werkelijk fregat was vertoond .Maar dit alles viel in het niet bij het Engelse argument die een contract aanboden tot het kopen van vlees. Wij zijn maar weer vertrokken, het schijnt dat de Engelsen ook geen contract voor de bouw van oorlogschepen hebben gekregen.

Rusland
Wij  waren naar Rusland gegaan om te horen of interesse bestond voor scheepsbouw in Nederland en ook of een machine voor het metaliseren van textiel wilde aanschaffen. Wij hadden gehoord, dat een mogelijkheid bestond tot de bouw van een verplaatsbaar platform geschikt voor het boren naar olie. Verolme wilde zulks wel bekijken, doch moest allereerst weten waar het platform geplaatst zou worden. In de Kaspische Zee. Een vliegtuig zou ons naar Baku brengen. Mijn echtgenote zou dan haar geboortestad weer zien,waar zij 46 jaar geleden uit gevlucht was. Haar vader geoloog had een maätschappij opgericht, waarin hij als direkteur eigenaar van de meeste aandelen, de olie te Baku exploiteerde. Wij zagen hoe alle boortorens verbonden waren door verlengstukken waar men per auto wel een 100 km zou kunnen rijden. Ook hoe een provisorisch  aangelegde haven gelegenheid bood:voor de schepen  tot vervoer van arbeiders te meren,ondanks de herhaaldelijk zware zeegang, vanwege de hevige en frequente stormen die in dit zeegebied voorkomen. Tenslotte vond Cornelis Verolme het risico voor het toeleveren van een olieplatform te groot,voornamelijk omdat het opstellen ter plaatse door Russisch personeel zou moeten geschieden en hij tenslotte verantwoordelijk bleef voor het goed functioneren van het geheel. De geslaagde lunch vond plaats op het centrale olieplatform. Hij is van Azerbidjaanse afkomst en als hij in zijn toespraak zegt, dat ondanks alles wat wij door onze kennisbereikt hebben moeten we bekennen,dat er een hogere macht bestaat',wenkt de KGB man dat deze woorden niet vertaald mogen worden.
De Russen zonden een paar mensen om ons systeem van metallisatie te bezien en toonden een handboek. Daarin, kan men lezen dat de Russen volgens dat systeem (mogelijk inmiddels verlaten),de metaaldeeltjes met kracht op het textiel schieten. Bij het Verolme systeem moeten ze vastkleven,geholpen door het vacuum,dat bleek echter niet afdoende als het textiel gevangen of gereinigd moest worden. Inmiddels heeft men middelen gevonden die dit euvel verhielpen en naar verluidt heeft een Twentse firma reeds een productiebedrijf in de USA opgezet. Verolme heeft zijn textielproduct te vroeg op de markt gegooid en op deze vinding vele millioenen verloren. Het idee was echter gezond en anderen profiteren van zijn overmaat aan energie.

Alfred de Booij met zijn vrouw  Sonia de Booy- de Benckendorff

Oslo
Een Noorse tandarts heeft een tanker besteld en heeft het contract getekend zonder dit aandachtig te hebben gelezen, anders zou hij hebben opgemerkt dat een clausule over extra kosten voor het rijzen van de lonen ,waarin was opgenomen. Hij had per brief of telegram laten weten bezwaren tegen zodanige clausule te hebben. Bij ons beweerde men een telegram te hebben gezonden waarbij zijn bezwaar werd weerlegd. Maar niemand kan dit telegram vinden. Cornelis Verolme houdt het op het getekende contract, terwijl ik op de hand van de tandarts ben. Inmiddels is in Noorwegen grote beroering onder de reders en men houdt een vergadering over deze zaak, waarbij. een boycot van Verolme niet uitgesloten mag worden geacht. Verolme neemt mij mede naar Oslo en wij komen in de vergadering waarbij Verolme meteen het woord neemt en zegt te willen horen van mij, dat ik van de zaak vindt. Mijn antwoord is kort maar krachtig, jammer dat de tandarts het contract niet eerst gelezen heeft,maar wij mogen zijn vertrouwen niet beschamen. Bij ons geldt customer is King,en betrokkene moet schadeloos gesteld worden. Hierop zegt Verolme dat hij het geheel eens is met de vice-president. Het kost natuurlijk wat geld, maar de goede wil in Noorwegen is nu niet verspeeld en alle reders krijgen een brief van hun vereniging, waarbij de loftrompet over Verolme klinkt

Andere projecten.
Een tij
d lang liep een zekere ondernemende Amerikaan, Detweiler bij ons de deur plat. Hij wilde een paar snelvarend passagierschepen bouwen van circa 100.000 ton,waarmede telkens een zes duizend passagiers van Amerika naar Europa werden overgevoerd. Verolme apprecieerde dat hij nimmer hoge onkosten indiende. Op ons bedrijf maakten wij ons wel enige zorgen hoe wij aan de mensen moesten komen als het plan door ging.
Verolme nam ons mede naar Lissabon ,om bij de Portugese reders tot een vorm van samenwerking te komen. Dat leverde niet veel op,achter onze rug werden  de Japanners ingelicht en het modelletje van het Detweilerschip heb ik nimmer teruggezien. Tot Detweiler ons berichtte dat zijn bankiers geld hadden gestoken in vliegtuigen en hun toezegging hadden ingetrokken. Hij beproefde elders zijn geluk en sloot met Lomumba in Afrika een monopolie contract,dat zijn waarde verloor bij de vermoording van Lomumba.
Verolme was langzamerhand een naam geworden, die in de rederwereld en in die van de scheepsbouwers werelwijd bekend werd. Israel wilde dat wij daar een werf openden,maar wij zagen daarvan wijselijk af, ook kwam een deputatie uit San Domingo die ons daar een werf wilde doen bouwen, maar na onze vraag in welke naam de meeste typhonen langs kwamen, verdwenen zij weer.

De proef tochten met de supertankers.
Bij de proef tocht van de eerste 65.000 tons tanker voor de Esso waren de enige klachten van de Esso,dat de gegevens aan onze kant beter moesten verstrekt worden,waarmede bij volgende proeftocht rekening werd gehouden. Bij de volgende tanker meest wegens zout water in een ketel,de terugtocht naar de werf worden aanvaard. Het viel mij op zo snel als sleepboten van bepaalde reders in onze buurt kwamen als er telegrammen over een defect met ons hoofdkwartier werden gewisseld. Bij het weder uitvaren had ik een aparte code georganiseerd, zeer eenvoudig te ontcijferen als men wist welk woordenboek werd gebruikt. Weer was er zout waterlekkage en aandrang werd op mij uitgeoefend weer naar Rotterdam te varen, dan wel gesleept te worden. Ik liet het anker vallen en  wist uit vroegere ervaring dat het onderzoek op zee het beste is wat men kan doen,iedereen is rustiger en het is stiller aan boord. Inderdaad kwam na een paar dagen de aap uit de mouw. Een tik was gehoord in een ketel er druppelde zout water langs een van de steunstangen naar binnen,deze waren een millimeter te kort gemaakt. Nu konden wij terugvaren en waren nog net op tijd om gereed te zijn om voor de  officiele overname proef tocht waarbij Prinses Beatrix aanwezig zou zijn.

Iets over Verolme als mens
Cornelis Verolme kan men waarderen omdat hij door een aanzienlijke gift de vastgelopen expeditie in Nieuw Guinea weer op gang heeft gezet. Het deed mij goed dat hij dit gedaan heeft naar aanleiding van mijn briefkaart hem tijdens mijn vacantie toegezonden. Natuurlijk heeft bijna iedere self made man iets in zijn optreden dat weerstanden oproept. Niettemin valt te betreuren dat in Amsterdam en Rotterdam,overigens voortreffelijke mensen,wier vaders of grootvaders zich ook door eigen kracht naar boven hadden gewerkt,zoveel onjuistheden debiteerden en verdachtmakingen rondstrooiden. Een enkele maal keerde zich dat tegen hen,want toen wij in de markt lagen voor een order van een Zuid-Afrikaanse rederij,vroeg men aan onze man daar:bouwt de Amsterdams werf goede schepen?Ja was zijn antwoord, waarop hij de order kreeg, want de Amsterdammers hadden gezegd, dat Verolme geen goede schepen bouwde.
Cornelis Verolme kon een gr
oot aantal verschillende zaken in het hoofd houden en wist precies zonder papieren te raadplegen hoe elke zaak er voor stond. Hjj las weinig boeken,maar het boek de Verloren Brigade van mevrouw Szekely Lulofs pakte hem. Hij raakte geen sigaar of sigaret meer aan,nadat hij besloten had niet meer te roken. Hij vloekte nooit. Hij is volgens eigen zeggen maar éénmaal met de Justitie in aanraking geweest,nadat hij vlak na de bevrijding zonder toestemming in een auto reed. De rechercheurs die hem kwamen arresteren kwamen op de verjaardag van zijn moeder en ,hij vroeg hun aan de lunch te blijven ,hetgeen zij deden en hij stelde hen als oude vrienden aan zijn moeder voor. De enquête commissie heeft zijn weduwe nog een brief doen toekomen,waarin zij verklaarden te hebben geconstateerd dat aan Cornelis Verolme niets kon worden verweten. Hij doet wel eens denken aan figuren zoals Isaac le Maire, de taaie en gevreesde tegenstander van de V.O.C,wat zijn prestaties betreft,maar zo bont als le Maire heeft Cornelis Verolme het nooit gemaakt.

Amateur historicus
Na mijn 65ste jaar stelden de betere pensioenen mij in staat zonder betaling werk te verrichten. in dit geval werk waarvoor ik eigenlijk niet geschikt was, omdat daarvoor een  hoge mate van geduld wordt vereist.Men moet ook zeer nauwkeurig zijn, wat niet in mijn aard ligt. Toch is het werk avontuurlijk, op andere wijze dan bij de Marine of bij Verolme, het is, avontuurlijk, dat men een spoor volgt en dan opeens een doel ontdekt,waarop de feiten, alle getoetst op hun betrouwbaarheid,naast elkaar gelegd, tot eenconclusie leiden.
Maar hoe moet men beginnen. Een gesprek met de heer Voorbeytel Cannenburg, die wilde mij wel helpen,hij was toen (oud zeeofficier) direkteur van het Amsterdamse Historische Scheepvaartmuseum. Had ik wel eens iets gepubliceerd op histories gebied? Inderdaad,ik had op de Hogere Marine Krijgsschool een studie ingeleverd over 'Nederland in de Middellandse Zee ,1604 tot 1704',hetwelk door onze leraar Warnsinck (oud-zeeofficier en later Professor) ontvangen werd tegeljjk met een studie van mijn oudere collega Jhr H.A.van Foreest, die een voortreffelijk stuk inleverde, ik meen over de slag bij Gibraltar,waarbij mijn bijdrage verbleekte. Warnsinck deed mijn stuk af met de opmerking,dat reeds eerder dan ik schreef de Hollanders de Middellandse zee waren ingevaren. Dat was waar,maar de publicatie was zo recent dat ik daarvan geen gebruik hadden kunnen maken, al had ik het bestaan van deze publicatie wel geweten. Hoe het zij,ik heb daarna in Londen als marine attaché vertoevende, het stuk in het Engels vertaald,het is opgenomen in de Mariners Mirror van October 1939.Ik heb maar tweemaal een waarderend woord over het stuk gehoord,nl.van een Chileens admiraal, en van Professor Carlyte in Oxford,die het een goed stuk vond. Cannenburg schreef een introductie aan de latere vrouw Professor Meilink (nadat hij mijn artikel gelezen had)en vond dat hij mij rustig kon aan bevelen. Mevrouw Remlink, hoofd van de Koloniale afdeling van het Rijksarchief te den Haag was
bereid mij enige stukken over een reis naar Oost-Indië te doen geven, doch ik moest eerst voldoende het Oud Hollands machtig zijn voor dat ik: stukken in de leeszaal kon opvragen, omdat de eigen mensen niet dikwijls mochten worden lastig gevallen. Zij gaf mij ter inzage een boek waaruit ik na 6 weken meende voldoende de l7de eeuwse schrift te kunnen ontcijferen. Maar nu moest de Linschoten Vereniging nog goedkeuren, dat ik een boek over een zeereis in de l7de eeuw zou schrijven ,waarbij gelukkig Professor W.Ph. Coolhaas en Vice admiraal Jhr H.A. van Foreest in de commissie van voorbereiding werden opgenomen. Professor Coolhaas gaf mij enige bronnen op en wist Dr.S Hart Gemeentearchivaris te Amsterdam (zie Geschrift en Getal,Dordrecht,1976) te bewegen de werkelijke naam van de admiraal Paulus van Caerden te ontdekken, die de reis naar Indië had geleid .Ook heeft hij mij terecht gewezen op de noodzaak tot grote nauwkeurigheid .Hij heeft mij gewaardeerd toen ik toevallig kon aan tonen, dat een zeker persoon in werkelijkheid twee personen van dezelfde naam waren, omdat niemand tegelijk in Nederland en Oost Indië aanwezig kan zijn. Wijlen Coolhaas,voor zover mij bekend n van de weinige recensenten,die niet alleen grondig maar ook geestig commentaar kon geven,heeft een uniek boek nagelaten over zijn ervaringen als controleur BB. (Dr W.P.Coolhaas,controleur B.B., H.en S,uitgave,Utrecht,I985.) Het zijn figuren als Coolhaas,sieraden van het korps Binnenlands Bestuur, die onze langdurige aanwezigheid in Oost Indië verklaren en doen begrijpen dat nog steeds in Indonesische kringen waardering voor de Hollander bestaat,voor alles wat hij voor dit land en zijn bevolking heeft gedaan. Tijdens het schrijven van het boek kwam ik tot de ontdekking,dat hoewel de historici over het algemeen de betrokken ingehuurde admiraal, die tweemaal gevangen was gemaakt door de Spanjaarden,als een eigenwijze roekeloze figuur hadden gezien,toch ergens geen voldoende begrip voor zijn capaciteiten en zijn optreden in het licht van die dagen hadden kunnen opbrengen. In die dagen moest de admiraal voorgaan in het nemen van risico,waarvan de Ruyter het voorbeeld gaf door bij de landing te Finnen in de sloep te gaan en ook Nelson vele malen blijk gaf. Toen de studie was afgerond, ontving ik van de Spaanse ambassade in den Haag afdrukken van de notulen van de oorlogsraad,die het oneens was dat de Koning van Caerden in vrijheid wilde stellen, immers de man is de voornaamste belangrijkste en bekwaamste,die de vijand bezit. Toen dit boek was ingeleverd,heb ik nog vele jaren op verzoek van Jhr. van Foreest samen met hem de tweede reis van Jacob van Neck naar OostIndië,Vietnam en China samengesteld. Het is ongetwijfeld aan de kundigheid van mijn oud collega van Foreest te danken dat Professor Boxer deze uitgave 'among the very best the Linschoten Vereniging produces' noemde. Na het overlijden van Jhr van Foreest heb ik,mede vanwege mijn leeftijd, afgezien verdere publicaties ter hand te nemen. Trouwens de gegevens over reizen in 17e eeuw zijn schaars geworden. Ik heb de laatste jaren als vrijwillig medewerker van de afdeling Maritieme Historie van de Marinestaf getracht  de microfilms van de notulen de Admiraliteitsraad van Rotterdam af te schrijven,hier en daar te annoteren en jaarlijks een deel aan de afdeling af te dragen. De notulen bevatten,voor zoverre bewaard, voornamelijk gegevens over de logistieke zaken van de vloot,zelden krijgen wij iets te horen over de strijd ter zee. Toch liggen hier gegevens verborgen die bij een studie van een bepaalde periode van ons Zeewezen van nut kunnen zijn. Daarom heb ik bij ieder deel een selectieve beknopte index gevoegd.

Einde memories over zijn tijd bij Verolme

Alfred de Booy op latere leeftijd

In het boek van Ariëtte Dekker over Verolme wordt op bepaalde plaatsen verwezen naar Alfred de Booy (Cornelis Verolme. Opkomst en ondergang van een scheepsbouwer.'Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam ISBN  90 351 3124x .Derde druk september 2006).  Zie hieronder de volgende fragmenten:

Pagina's 140-143: " Vrijwel tegelijkertijd met zijn raad van commissarissen breidde Cornelis Verolme medio jaren vijftig voor het eerst ook de dagelijkse leiding van zijn groeiende concern uit. Zijn nieuwe commissaris Gerbrandy had hem in contact gebracht met Alfred de Booy, een vice-admiraal buiten dienst van de Nederlandse marine. De 55-jarige De Booy was vóór en tijdens de oorlog marineattaché geweest in Londen en had daar de Nederlandse premier Gerbrandy leren kennen. Gerbrandy had De Booy bij Verolme aanbevolen als 'een man uit één stuk'. Cornelis Verolme kon een man als Alfred de Booy goed gebruiken. Hij was namelijk in veel opzichten de tegenhanger van hemzelf. De Booy was rustig en beheerst, een aimabele persoon die veel beter dan hijzelf in staat zou zijn gesprekken te voeren met de vertegenwoordigers van het personeel. Iemand die beter in staat was zijn emoties te beheersen en niet bij de minste of geringste tegenwerking met de vuist op tafel sloeg. Bovendien zou een man met de standing van De Booy beter liggen bij de deftige grote Nederlandse reders en last but not least kon De Booy een prachtige entree verzorgen bij de Nederlandse marine, die de meest aantrekkelijke opdrachten in Nederland te verdelen had. Alfred de Booy en Cornelis Verolme zagen elkaar voor het eerst in 1955. In een nooit gepubliceerd deel van zijn Herinneringen schreef De Booy over zijn eerste ontmoeting met de scheepsbouwer: 'De lunch met Gerbrandy verliep goed. Cornelis Verolme maakte een kordate indruk. Typisch was zijn vraag: "Wat vindt u van uw chef, de heer Staf (Staf was minister van Marine)," waarop ik niet anders dan ontwijkend kon antwoorden. Iets later zei hij plotseling: "Wilt u mijn compagnon worden?" Waarop ik antwoordde, dat ik na mijn pensionering gaarne zijn bedrijf zou willen bezoeken. Op dat moment wist ik niet dat Verolme gaarne woordelijk beloften deed, soms zelfs onnodig, doch dat hij contracten precies nakwam. De eerste werkdag van De Booy was al even verrassend. Op het kantoor in I]sselmonde vroeg De Booy Verolme wat hij van hem verwachtte. Verolme verzocht De Booy naar de Botlek te rijden om daar te kijken hoe de ontvangst van de honderden gasten geregeld kon worden voor het slaan van de eerste paal. Bij aankomst in Rozenburg zag De Booy alleen een vervallen steiger, wat grazende koeien en een paar borden van boeren die beweerden dat Verolme hun land ingepikt had. Een heimachine maakte af en toe een doffe klap. Teruggekeerd in IJsselmonde vertelde De Booy Verolme dat hij tevergeefs naar een grote werf had gezocht. Verolme had hoofdschuddend naar zijn voorhoofd gewezen en gezegd: 'Die zit hier!' Vanaf april 1956 tot de verhuizing van het hoofdkantoor naar de Botlek deelden de kleine, gedrongen Cornelis Verolme en de rijzige Alfred de Booy de grote directiekamer in het kantoor in IJsselmonde. Verolme stond zijn bureau af aan De Booy en was zelf voortaan te vinden in de leunstoel of aan de lange conferentietafel. In zijn eigen beleving duidelijk een daad van bescheidenheid.
In zijn Memoires omschrijft Verolme Alfred de Booy als een van de meest karaktervolle figuren, die ik in mijn loopbaan als groot-ondernemer heb meegemaakt, een integer, volmaakt betrouwbaar man, een gaaf karakter, een echte marineofficier. Dat laatste was ook iets dat de medewerkers van Verolme was opgevallen. De Booy, die zijn marineverleden nooit zou afschudden, had de gewoonte mechanisch de vlag te groeten zodra hij een schip betrad. Zo positief als Cornelis Verolme later in zijn Memoires spreekt over Alfred de Booy, zo ongemeen scherp kon hij toentertijd uit de hoek komen als hij het gevoel had dat iemand De Booy hoger achtte dan hemzelf. Cornelis Verolme had namelijk de merkwaardige eigenschap dat hij, ondanks de grote waardering die hij kreeg als scheepsbouwer, maar heel moeilijk de zon in het water kon zien schijnen, een karaktertrek die mogelijk zijn oorsprong vond in een diepgeworteld maar goed verhuld minderwaardigheidscomplex, en die op onverwachte momenten de kop kon opsteken. Dat uitte zich in velerlei vormen, en één daarvan was dat hij graag personen van meer maatschappelijk aanzien dan hemzelf en plein public voor schut zette. Dat deed hij bij Pieter Sjoerds Gerbrandy, over wie hij rustig tijdens een diner durfde te zeggen: 'Zo heb ik een oud-premier voor mij werken,' zich niet realiserend hoe ongepast zijn stelling was. En als iemand prijzend sprak over Alfred de Booy kon hij in diens bijzijn doodgemoedereerd zeggen: 'Ach, een admiraal, wat is nou een admiraal? Ik heb er ook één.' Wijzend naar de hoek van de kamer zei hij dan: 'Daar zit ie!' Ook werkelijke ondergeschikten - eigenlijk zag Verolme iedereen die hij betaalde als zodanig, ook zijn commissarissen - moesten het geregeld ontgelden. Tegen zijn eigen privé-secretaris Wout Vuyk zei Verolme bijvoorbeeld in het bijzijn van anderen: 'Wout, je bent een pias' - Vuyk was één van de weinige medewerkers die door Verolme met zijn voornaam werd aangesproken en dan antwoordde de slaafse Vuyk nederig: 'Ja meneer Verolme'.Het was een vorm van bittere, soms snijdende spot, die ongetwijfeld geestig bedoeld was, maar die Cornelis Verolme blijkbaar nodig had om zichzelf te positioneren ten opzichte van deze mensen. Het werd door iedereen als onprettig en verstorend ervaren, maar ook als een bijkomstigheid waar men snel aan gewend raakte en die voor lief genomen werd. Iedereen was per slot van rekening wel een keer aan de beurt. Cornelis Verolme compenseerde zo'n minder prettig karaktertrek met zijn tomeloze energie en ondernemingslust en met de ruimhartige charme die hij óók had. Daarmee wist hij ervoor te zorgen dat mensen, ondanks zijn grillige, vaak autoritaire gedrag, toch graag - heel graag zelfs in zijn omgeving verkeerden. Alfred de Booy en zijn kokette vrouw Sonia, een voormalige Russische gravin, werden goede vrienden van het kersverse echtpaar Verolme. Ook Wout en Rietje Vuyk kwamen geregeld bij de Verolmes. Ze kwamen allemaal graag bij hen thuis in Villa De Heul"

1966 Alfred  de Booy  gaat met pensioen bij het Verolme-concern.

1997  Op 3 maart overlijdt Alfred de Booy, Vice-admiraal b.d., oud-Vice-president van Verolme Verenigde Scheepswerven op 95 jarige leeftijd.  In de overlijden annonce staat: Na een leven dat gekenmerkt werd door eenvoud, eerlijkheid en humor en liefde is in zijn vertrouwde omgeving rustig ingeslagen.
Zijn  vrouw Sonia de Booy-de Benckendorff overlijdt  1 januari 1999.

Staat van Dienst
Adelborst 6 september 1918, Luitenant ter zee 3e klasse 18 augustus 1921, Luitenant ter zee 2e klasse 18 augustus 1923,Luitenant ter zee 1e klasse 21 augustus 1931, Kapitein ter zee, tijdelijk 11 februari 1942, Kapitein ter zee, definitief 16 augustus 1942, Kapitein ter zee, tijdelijk 2 maart1946, Kapitein ter zee,definitief 1 mei 1947, Commandeur, tijdelijk 1 juli 1949,Schout bij nacht, 1 maart 1951, Vice-admiraal 10 augustus 1951, Vice-admiraal, definitief 1 maart 1953. 

Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 24 april 1953 ;Officier in de Orde van Oranje-Nassau, 30 januari 1941;  Oorlogsherinneringskruis 1940-1945, met twee gespen, 12 oktober 1949;  Ereteken voor Orde en vrede, 5 maart 1951;Onderscheidingsteken voor langdurige dienst als officier, 6 december 1951 ; Officer of the Military Division of the Most Excellent Order of the British Empire december 1941; Commander in the Legion of Merit oft
the USA, 10 maart 1956 ; Commandeur
1e klas in de Danebrogorde van Denemarken, 24 juni 1952; Grootofficier in de Orde van Francisco de Miranda van Venezuela, 6 februari;  Grootofficier in de Orde van de Merito Naval van Brazilië, 22 augustus 1958.

Functies (na 1931)
Adjudant van de staf der zeemacht in de stelling van Den Helder, 13 oktober- 26 oktober 1933, Nederlands Marineattaché te Londen, 8 mei 1936- 5 maart 1943, Commandant van  Hr. Ms. Johan van Nassau ,1 juni 1943 tot 23 oktober 1944, Plaatsing in Londen als Nederlands Liaison Officier (Vesting Antwerpen), 23 oktober 1944 tot 3 april 1945, Plaatsing bij de Afdeling Staf van het Hoofdkwartier van de geallieerden in Londen, 14 juni 1945 tot 30 juni 1945, Plaatsing bij de marine stad in Den Haag, 30 juni 1945 tot 2 februari 1946, Commandant Hr.Ms. Karel Doorman, 20 maart 1946 tot 21 november 1947, Chef van de staf van de commandant van de Zeemacht in het Oosten, 27 juni 1948 tot 31 mei 1949, Plaatsvervangend Chef van de Marinestaf, 1 juli 1940 tot 1 maart 1951,  Commandant Hr.Ms. Tromp met het bevel over het smaldeel nr 5, 16 april 1951 tot 6 juli 1951, Chef van de Marinestaf en Bevelhebber van de Zeestrijdkrachten, 1 augustus 1951 tot 28 maart 1956.

Publicaties
David Pietersz. de Vries in: L.M. Akveld e.a. eds., Vier eeuwen varen. Kapil kapers, kooplieden en geleerden (Bussum 1974) 114-129.
De derde reis van de V
0. C. naar Oost-Indië onder het beleid van Admiraal P. van Caerden, uitgezeild in 1606. Werken uitgegeven door de Linschoten Vereniging, 1-2, LXX -LXXI (Den Haag 1968-1970).
De Mijnenoorlog, zoals deze met bovenwater-strijdkrachten van 1914-1918  gevoerd in: Marineblad LI (1936) 572-597.
'De politieke en strategische beteekenis van de vloottocht onder commando van admiraal Jonkheer Pieter van der Does in het jaar 1599 in: Marineblad LIII (1938) 751-762.
Met H.A. Jonkheer van Foreest, De vierde schipvaart der Nederlanders naar Indië onder Jacob Wilkens en Jacob van Neck (1599-1604). Werken uitgegeven door de Linschoten Vereniging, 1-2, LXXXII -LXXXIII (Den Haag 1980-1981)
'Enige kanttekeningen bij twee jaar Rotterdams admiraliteitsleven' , Tijdschrïft zeegeschiedenis 1 (1983) 17-31.
'Herinneringen aan de reis van Hr. Ms. Karel Doorman naar Nederlands Oost(1946-1947)', Marineblad LXXXII (1972) 357-376, 513-528.
'Holland in the Mediterranean (1607-1704)', The Mariner 's Mirror XXV (okt 1939) 392-416.

 

 

 

 

 

 

    •.. ~: '.'1. .~