De muiterij op de Hr.Ms. "Zeven Provinciën" in 1933
Op zaterdag avond 4 februari 1933 breekt er muiterij uit op het Nederlandsche Oorlogsschip Hr. Ms. De Zeven Provinciën bij de noordoostpunt van Sumatra bij de rede Oleh-leh van Koeta Radja. Na een week te hebben gevaren onder bevel van de muiters wordt op 10 februari het schip ter hoogte van de straat Soenda door een bom uit een Dornier vliegtuig getroffen. Gevolg 23 doden en vele gewonden en einde van de muiterij.

Het pantsterdekschip Hr. Ms De Zeven Provinciën
Voorgeschiedenis
Dit is het kort wat er is gebeurd. Dit voorval heeft vele gevolgen gehad en heeft de gemoederen in Nederland danig beroerd en heeft zelfs mede geleid tot de val van het kabinet van Ruys de Beerebrouck. Het roer van het staatsschip werd toen overgenomen door de sterke arm van Hendrik Colijn. Maar voordat ik begin met de muiterij en de gevolgen ga ik even in op de voorgeschiedenis. Wij grijpen even terug op de eerste tekenen van het openlijk verzet van de Inlandse bevolking tegen het Nederlandse gezag in Indie; de opstanden van 1926 en 1927 in resp. West Java en Sumatra. Hierover heb ik elders op deze website uitvoerig bericht (zie A.F. Gooszen ). De opstanden werden toegeschreven aan de Partai Kommunist Indonesia (PKI). De PKI probeert vooral de massa van de Indonesische bevolking te winnen voor het streven naar onafhankelijkheid. De door deze partij in 1926 op Java en in 1927 in Sumatra ontketende opstanden worden met harde hand neergeslagen. Duizenden PKI-aanhangers verdwijnen achter de tralies. Daarop werd de PKI door de Nederlandse koloniale overheid verboden. De partij werd op die manier gedwongen ondergronds te gaan werken.
In 1927 wordt de Partai Nasional Indonesia (PNI) opgericht. Een van de
leidende figuren is de oud-student van de Economische Hogeschool in Rotterdam,
Mohammad Hatta. In de ogen van de Nederlands-Indische Regering vormt deze partij
een groot gevaar vanwege haar streven naar non-coöperatie en massa-actie. Een
aantal PNI-leiders wordt eind jaren twintig geïnterneerd. In 1933 wordt deze
actie tegen de PNI herhaald en volgt verbanning van de partijtop naar
Nieuw-Guinea. Soekarno, Hatta en Sjahrir en nog ongeveer twintig anderen werden
gearresteerd en verbannen naar enkele eilanden buiten Java. Maar de meeste
werden naar het beruchte concentratiekamp "Boven-Digul" gestuurd. In 1930 werd
Soekarno door een rechtbank voor vier jaar verbannen naar het concentratiekamp
verbannen en een jaar later werd de partij verboden.
De Nederlandse overheid trachtte dus met alle middelen het radicale Indonesische
nationalisme te stoppen. Alleen de organisaties die samen wilden werken met de
Nederlandse overheid mochten blijven bestaan. De gouvernementgeneraal en de
politie hadden veel materiaal om de tegenstanders te bestrijden. Al snel boekte
de regering succes: Er kwam weer rust in de kolonie, maar de meeste mensen
begrepen niet dat het maar kort zou duren.
Alhoewel de muiterij op zich zelf gezien geen van te voren georganiseerde
verzetsdaad was, maar een protest tegen salaris korting van het marine
personeel, kan het toch wel gezien worden als een verzetsdaad tegen de koloniale
overheersing. We zullen later zien dat de schuldvraag van muiterij zeker niet
als zodanig door de Nederlandse overheid wordt beschouwd. Het bestaan van een
Indonesisch nationalisme is door de Indische regering principieel genegeerd en
gereduceerd tot een politiële aangelegenheid. De grote meerderheid van de
inlandse bevolking bleef daardoor apathisch tegenover een bewind, dat geen
ruimte liet voor een zich ontwikkelende eigen staatkundige identiteit.
De onmiddellijke aanleiding voor de muiterij was het toepassen van de korting op de salarissen van het Europese als van het Inlandse Marine personeel. Er was een merkwaardige regeling van de betaling van de salarissen. De salarissen van het Europese marine personeel wordt in eerste instantie door Nederland voorgeschoten, later vindt restitutie van het uitgegeven bedrag door de Indische schatkist plaats. Indië betaalt dus feitelijk voor het Europese marine personeel. Doch alles staat wel direct onder de verantwoordelijk van de Nederlandse minister van Defensie. Hierbij moet men wel bedenken dat het Inlandse marine personeel de helft verdiend van het Europese personeel voor het zelfde werk.
In december 1932 wordt een salaris verlaging tot in totaal 17 % te brengen.
16 december hebben de belangrijkste personeelsbonden van het lagere marine
personeel hun bezwaren geuit tegen verdere kortingen bij de Commandant Zeemacht.
Op 19 december laat de commandant zeermacht J.P. Osten aan de
Gouverneur-generaal Jhr B.C. de Jonge weten bezwaar te hebben tegen deze salaris
verlaging. Zeker niet gedreven door ethische motieven, maar meer dat hij
ernstige ongeregeldheden zou verwachten bij de doorvoering van deze salaris
korting. Zijn ongerustheid hierover blijkt niet ongegrond, als we bezien wat er
vervolgens in Soerabaja is gebeurd. Als voorzorg wordt op 26 december het
personeel van Hr. Mrs. De Zeven Provinciën gelegen in de haven van Soerabaj
verboden om het bondslied te zingen. Het bevat volgens overheid opruiende taal
(zie voor tekst link: Bondslied). Op 29 december
wordt een protestvergadering van de Europese bonden belegd. Deze wordt
voorafgegaan door een demonstratieve tocht door Soerabaja. Zevenhonderd leden
van de bonden worden met autobussen naar de stadstuin bereden. Degelijke
demonstraties waren echter sinds mei 1931 verboden. Tijdens deze demonstratie
wordt gewezen op de succesvolle acties van tegen de salaris korting van het
Engelse marine personeel.
(De Engelse matrozen weigerden, die op manoeuvre was, uit te varen. Nadat de
schepelingen werden toegezegd dat hun grieven grondig en onpartijdig zouden
worden onderzocht, waren ze bereid de schepen naar de diverse havens thuishavens
te varen. Minister A. Chamberlain verklaarde in het Lagerhuis dat geen straffen
zouden worden opgelegd, maar dat verdere ongehoorzaamheid als insubordinatie zou
worden beschouwd en streng gestraft zou worden (v.d.Wal noot 239)).
De leden van de vergadering worden opgeroepen om over te gaan tot
dienstweigering en een telegram te sturen naar de minister van Defensie. Er
wordt ook besloten om samenwerking te zoeken met de organisatie van de Inlandse
matrozen. Op Nieuwjaarsdag zou men weer een nieuwe vergadering beleggen. 31
december wordt door de Commandant van de marine van Soerabaja D. Scalonge het
gehele marine bevolen om bij hun diverse commandanten te komen. Hier wordt hun
medegedeeld dat de salaris korting niet doorgaat. Maar er wordt wel gezegd, dat
het geen reactie is op de demonstraties van de acties van de bonden. Er wordt
zelfs bij gezegd, dat de bonden gehoord zouden worden bij toekomstige salaris
herzieningen. De interpretatie van dit bericht is door de diverse instanties
verschillend uitgelegd. Dit verschil van interpretatie heeft een grote rol
gespeeld in de verdere gang van zaken, die mede daardoor eindelijk heeft geleid
tot de muiterij van De Zeven Provinciën, vandaar dat ik hier even dieper op in
wil gaan. Velen trokken de conclusie dat er voorlopig geen verdergaande korting
zou komen. De bij deze vergadering aanwezige eskadercommandant M.H. van Dulm zou
echter gezegd hebben dat de korting voorlopig van de baan is, maar dat wil
echter niet zeggen dat de korting nooit meer zal worden toegepast. Nadat op 1
januari nog een aantal vergaderingen van de personeelsbonden werden gehouden,
keert de rust in Soerabaja terug en vertrekken de meeste schepen uit Soerabaja
op 2 januari 1933 voor een kortere of langere oefen reis. Zo ook de Hr. Ms. De
Zeven Provinciën voor een reis van 2 maanden rond het eiland Sumatra. Zo leek
het gevaar geweken voor de overheid nu een groot aantal personeelsleden uit
Soerabaja waren vertrokken.
En ja, half januari 1933 wordt toch besloten om een salaris korting met ingang
van 1 februari in te voeren, 4% voor het Europese marine personeel en 7% voor
het Inlandse personeel Deze besluiten worden voor het Europese personeel op 26
januari en voor het Inlandse personeel op 30 januari 1933 bekend gemaakt. Dat
dit onheilsbericht weer tot acties moet leiden zal wel niemand verbazen. 27
januari vergaderen de Europese bonden in een opgewonden stemming en groot is hun
verontwaardiging. Er wordt gepleit voor protestacties. Maar op die zelfde dag
wordt door de marine leiding een algemeen vergadergebod uitgevaardigd. Op 30
januari wordt door 400 vrijwel alleen Europose schepelingen dienst geweigerd. Na
dreigementen van de leiding gaan de meeste weer aan het werk, op een 40 tal na,
die meteen worden gearresteerd Op diezelfde dag wordt ook het salaris korting
voor het Inlandse personeel bekend gemaakt. Op 3 februari gaat het Inlandse
personeel over tot dienstweigering. In tegenstelling tot de Europese personeel
gaan zij niet in op de dreigementen van de Marine leiding en blijven voet bij
stuk houden. Tijdens deze demonstratie wordt het strijdlied Indonesia Raya
gezongen (zie voor de tekst van dit voor de Indonesiërs zo belangrijke lied
de link: Indonesia Raya).Gevolg is dat 459 mensen worden gearresteerd. In dit verband
is een citaat uit het boek van Mollema (1934) hier toepasselijk p.81/82 : " Een
afspraak tot solidariteit is onder Aziaten een zeer gewoon verschijnsel het
trouw blijven aan zulk een afspraak een bepaalde karaktereigenschap want "maloe"gemaakt
worden is den Inlanders een ondragelijke schande ". (Maloe betekent
letterlijk verlegen, maar het omvat meer, het is meer een gezichtsverlies) .
De volgende dagen worden ze in Soekolilo het quarantaine etablissement op
Madoera opgesloten. Ze hebben later flinke vrijheid straffen gekregen: ontslagen
uit dienst en ontzegging om bij de militaire macht ooit te mogen dienen. We gaan
nu zien wat deze laatste gebeurtenissen voor invloed heeft gehad op het Inlandse
personeel van de Hr.Ms.. De Zeven Provinciën: het opsluiten van hun kameraden van Soerabaja
De Muiterij op De Zeven Provinciën
Hr. Ms. De Zeven Provinciën vertrekt 2 januari 1933 uit Soerabaja voor een reis rond Sumatra. Het schip is een sterk verouderd schip, alhoewel toch nog een van de grootse oorlogsschepen in Nederlandsch Indië . Het schip dient als een opleidingschip voor de leerlingen van de Kweekschool in Soerabaia (K.I.S). De totale bemanning bestaat uit 141 Europese en 141 Inlandse schepelingen Voor de officieren wordt het meer gezien als een strafschip. Een aantal oudere officieren worden op dit schip geplaatst omdat ze elders onbekwame diensten hebben vervuld of ondisciplinair gedrag hebben getoond. Ook werden een paar lastige elementen, die in Soerabaja niet welgevallig waren aan boord geplaatst zo ook de korporaal-machinist Maud Boshart, omdat hij zich had laten zien tijdens de actie van de eind december als een vooraanstaand vakbond lid . De commandant Eikenboom van De Zeven Provinciën was speciaal voor hem gewaarschuwd. Ook aan boord was de Inlandse matroos 1e klasse Paradja waarvan bekend was dat hij goede contacten had met nationalistische groeperingen.
Ondanks alle gebeurtenissen in Soerabaja, verloopt de reis rustig , op enkele
ongeregeldheden in Sibolga na ( Dit wordt beschreven in het zgn witboek van de
regering en in het proefschrift van Blom). Op 2 februari meert het schip af op
de reede Oleh-led bij Koeta Radja in Atjeh. Maar de moeilijkheden beginnen als 3
februari het bericht wordt ontvangen dat 425 inlandse dienst weigeren, volharden
in hun acties en worden gearresteerd. Dit vormt de directe aanleiding dat door
enkele Inlandse wordt afgesproken in de avond van 4 februari zich van het schip
meester te maken en naar Soerabaja op te stomen om de Commandant van de Zeemacht
te verzoeken de gevangen vrij te laten en de salariskorting niet te laten
doorgaan. Daarna zal het schip aan de commandant Eikenboom weer worden
teruggegeven. Op de avond van 4 februari zijn festiviteiten speciaal voor de
opvarenden van De Zeven Provinciën georganiseerd. Een groot gedeelte van de
Inlandse bemanning zit het niet zitten, omdat ze weinig zin hebben om feesten te
vieren als hun kameraden in Soerabaja in de gevangenis zitten. Wel aan wal zijn
gegaan de Commandant met een aantal officieren, waarbij ook de eerste officier
C. Meijer. De verantwoordelijke officier aan boord is die avond W.F.J. Fels,
juist een van de officieren, die wegens slechte dienstervervulling aan boord was
geplaatst. In totaal blijven 17 officieren aan boord. De Inlandse bemanning zit
het behoorlijk dwars, dat het Europese personeel in Soerabaja geen solidariteit
met het Inlandse personeel had getoond, die immers wel hadden volhard in hun
dienstweigering met alle gevolgen van dien. In het begin van de avond lekt het
plan uit en wordt de commandant gewaarschuwd. Hij bespreekt dit met zijn eerste
officier, en beiden hechten geen geloof aan dit bericht. Voor alle zekerheid
sturen ze officier W.J. Reynierse naar het schip, die op 22.00 uur aan boord
komt. Inmiddels is de muiterij onder de leiding van Paradja. Ze weten zich
meester te maken van geweren en munitie en dringen machine kamer binnen en
brengen het schip onder stoom Het voorschip waar de Inlandse marine personeel
hun vertrekken hebben wordt in het donker gezet. Verbijsterend is te zien hoe de
officieren aan boord op dit alles regeert. Blom geeft daarvan een goed beeld in
zijn proefschrift op pagina 49 :
"De ontdekking van de diefstal van munitie gaf
de officier van de wacht, H. L. van Boven, en de verantwoordelijke officier,
Fels, weliswaar aanleiding over te gaan tot een nader onderzoek, maar speciale
algemene maatregelen achtte men zelfs toen niet nodig. Ook een aantal in de
longroom bridge spelende officieren, die hoorden wat er gebeurd was, zagen in
het incident geen aanleiding tot nader optreden. Zij speelden gewoon verder. Pas
toen de lichten op het voorschip uitgingen en er rumoer ontstond bij de
geweerrekken drong tot de officieren door wat er gebeurde. Van Boven, bijgestaan
door enkele onderofficieren, trachtte het stelen van de geweren nog te
verhinderen, maar zij werden ongewapend als zij waren, weggedrongen. Van Boven
ging daarop naar de officiersverblijven en beval de aanwezige officieren zich te
wapenen. Dit duurde zeer lang, omdat de munitie voor de pistolen (die bovendien
eerst in elkaar gezet moesten worden) verpakt was in blikjes die open behoorden
te springen wanneer men aan een lipje trok, maar de lipjes braken af en het
openen van de blikjes werd zeer moeilijk. De andere wapens waren inmiddels in
handen van het opstandige deel van de bemanning, dat elders op het schip zijn
positie consolideerde. Men nam zelfs twee reeds slapende officieren gevangen".
Er volgt een paniekerige situatie aan boord. De officieren weten de stuurinrichting onklaar te maken. Op initiatief van een der officieren D. Dekker wordt een overleg aangegaan met de muiters. Hierbij heeft korporaal-machinist een bemiddelende rol kunnen spelen. Zowel in het witboek van de Regering als in het boek van Mollema wordt de rol van Boshart veel te sterk benadrukt en wordt hij afgeschilderd als de belangrijkste raddraaier. Boshart was in het begin van de muiterij nogal sceptisch over de gang van zaken, maar koesterde later wel een duidelijke sympathie voor de muiters. Hij heeft de officieren de verzekering kunnen geven, dat de muiters alleen de bedoeling hadden hiermee te protesteren tegen de salaris korting en het gevangen nemen van hun kameraden in Soerabaja. Er werd een soort wapenstilstand gesloten. De stuurinrichting werd hersteld en twee door de muiters gevangen genomen officieren worden vrijgelaten gelaten. De officieren zien in dat verzet op een bloedbad zou eindigen Via telegrammen wil men Soerabaja laten weten, dat het absoluut geen communistische actie is. Zo wordt de rust aan boord hersteld en vaart het schip richting Soerabaja.
Toch lijkt er een kink in de kabel te komen. De commandant van De Zeven Provinciën is aan boord gegaan van een schip van de gouvernement marine de 'Aldebaran' om te proberen De Zeven Provinciën in te halen. De muiters van hun kant laten weten dat als het schip dichter bij dan vijf mijlen zou komen zij niet zullen schromen het vuur te openen. Inmiddels zit men in Soerabaja niet stil. De hoogste marine leiding in overleg met de Gouverneur-generaal Jhr de Jonge wordt besloten het schip aan te vallen vlak voordat het schip de straat van Soenda zou binnenvaren.. Zo wordt een eskader gevormd met de kruiser Java, torpedobootjagers Evertsen en Piet Hein, de onderzeeboten KVII en KIX en een aantal vliegtuigen. Men zou eerst een waarschuwingsbom voor het schip gooien, wanneer men zich daarna niet zou overgeven zou het schip gebombardeerd worden


Het vlooteskader dat Hr.Ms De Zeven Provinciën opwachtte vlak voor de straat van Soenda op 10 februari 1933. Linksboven : Kruiser Hr.Ms. Java. Rechts boven: Torpedobootjager Hr.Ms. Evertsen. Links onder: Torpedobootjager Hr.Ms. Piet Hein. Rechts onder: Onderzeeboot Hr.Ms IX (van de onderzeeboot Hr.Ms KVII geen foto kunnen bemachtigen)
In de verschillende door mij genoemde publicaties wordt uitvoerig in gegaan op wat er allemaal aan boord is gebeurd voor de bewuste vrijdag 10 februari 1933, de dag dat een einde zal worden gemaakt aan de muiterij. Alhoewel zeer interessant voert dit mij te ver om al deze gebeurtenissen weer te geven. Ik bepaal me op de wijze waarop de overheid een einde maakt aan de muiterij en vooral wat men doet met de muiters en welke argumenten de overheid gebruikt om de muiterij in een verkeerd daglicht te plaatsen.
Terug op het schip De Zeven Provinciën. In de ochtend van de vijfde dag de vrijdag de 10e februari kwam het eskader in zicht. Er komt een telegram dat wanneer de muiters niet binnen tien minuten de witte vlag hijsen er geweld zal worden gebruikt. Er wordt terug geseind:" Wensen niet gehinderd te worden, en stomen[ op naar Soerabaja. Even later valt er een bom op het voorschip. Het ooggetuige verslag van Boshart zegt hier over:
P 65/66." Ik liep naar het opperdek, een afstand van misschien 10 meter toen een bom met een geweldige slag op het schip viel. Een ontzettende vuurzuil spoot op en als een vlijming ging het door mij heen dat op de plaats waar het moordwerktuig viel een groot aantal mensen naar de vliegtuigen had staan kijken. Door de luchtdruk was ik tegen het dek geslagen en krabbelde overeind om beschutting te zoeken. Vlak daarop kwamen nog drie bommenwerpers overgevlogen. Allen vlogen zeer laag zodat het uitgesloten moet worden geacht dat ook maar één projectiel gemist had. Ze gooiden echter niets en nadat die vliegtuigen over waren, ging ik direct naar vooruit. Tranen sprongen me in de ogen. Daar lagen ze! Jongens, kinderen nog met vaneen gereten ledematen; enigen stonden in brand, anderen wentelden zich met afzichtelijke wonden in hun eigen ingewanden. Een kameraad van mij, een tamboer, had een vuistgroot gat in deborst waaruit de overblijfselen puilden van wat eens zijn altijd voor een ieder warm kloppend hart was. Een ontzettende ravage was aangericht; stalen platen verbogen, dekbalken aan splinters en om en boven dit alles speelden kleine vlammetjes van een blauwgele kleur. Het was een diep, diep treurig gezicht, doch tijd voor nadenken was er niet. De brand greep al verder en verder om zich heen en daar de machinisten aan boord altijd zijn ingedeeld bij de brandweer snelde ieder naar zijn post. De grote machines waren direct na het vallen van de bom gestopt en het schip ging niet meer vooruit. Vele mensen waren over boord gesprongen, niet achtend de vele haaien die dit gedeelte van de Indische Oceaan rijkelijk bevolken! Een sleepboot pikte hen later op. De radiohut stond in brand maar de Europese telegrafist, die direct na het bombardement achter het toestel was gaan zitten, bleef op z'n post. Ondertussen was ik naar achteruit gegaan om tegen de officieren te zeggen dat ze de zaken weer in handen konden nemen. Verreweg het grootste gedeelte van de inlandse leiders was gedood en Kawilaran voorlopig buiten gevecht gesteld door een gapende wond aan zijn slaap. Ook een officier, die aan dek stond had een lichte wond in de voet bekomen. De spiegels namelijk van het zoeklicht waren door de geweldige luchtdruk aan splinters geslagen en een stukje glas had genoemde heer in zijn voet gekregen".
*) Ook de Paradja de belangrijkste leider van de muiterij werd daarbij gedood
Behalve de materiële schade zijn er 19 doden ( 3 Europeanen en 19 Inlanders), 11 zwaar gewonden waarvan er 4 later overlijden en 7 lichtgewonden. De brand wordt spoedig geblust en alle muiters worden met sloepen vervoerd
In het
verhaal van Boshart staan nog enkele zinsneden die van belang zijn als later
Boshart wordt berecht voor zijn deelname aan de muiterij pagina 67:
"Voorlopig werden de inlanders naar de Java vervoerd en wij aan boord van de
Orion een klein scheepje van de gouvernementsmarine geladen. Spoedig kwamen ook
enige officieren van De Zeven Provinciën en met hen hebben we aangenaam staan
praten. Allen waren over het gedrag van de Europeanen in het algemeen en mij in
het bijzonder, ten zeerste tevreden Sigaren werden uitgedeeld en een van de
heren hield niet op of hij moest mij de hand drukken. Hij beweerde dat de
officieren blij geweest waren dat ik aan boord gezeten had die avond, dat ik
veel erger had kunnen voorkomen en daarbij mijn leven had op het spel gezet, enz., enz. Ik maakte deze heren er echter op attent dat we voorlopig als de
ergste boeven werden behandeld maar, zoals onze superieuren beweerden, zouden
zij wel zorgen dat zulks gauw afgelopen was". .

De route van het gekaapte oorlogschip Hr.Ms. De Zeven Provinciën. Van de haven Olel-leh in Atjeh tot vlak voor de straat van Soenda van 4-10 februari 1933
Werd de bom express op het schip gegooid of was het een misschot?
In de nieuwsmedia komt behalve het bericht, dat de muiterij ten einde is, het bericht dat de bom per ongeluk op het schip terecht is gekomen. Maar dit bericht houdt niet lang stand, want het blijkt dat de vlieger Th.H.J. Coppers de bom expres op het schip heeft laten vallen. Dit staat in schril contrast met wat er van te voren door de marine leiding was besloten, namelijk dat men eerst een waarschuwingsbom zou gooien.. Een reeks van misverstanden is de oorzaak is de reden dat de vlieger Coppers van het oorspronkelijke plan is afgeweken. Op 9 februari bespreekt de marineofficier C.J. baron van Asbeck, die de leiding heeft over de drie vliegtuiggroepen, het aanvalsplan met de vliegtuigcommandanten. Hier wordt besloten dat eerst een waarschuwingsbom zal worden gegooid. Het toeval dat de vlieger die uiteindelijk de bom heeft gegooid niet bij de bespreking aanwezig was. Hij moest wacht lopen en hoorde later van zijn kamergenoot het resultaat van de bespreking.

Vliegboot Dornier D11, waarvan de vlieger Coppers op 10 februari 1933
de bom gooide op het pantsterdekschip Hr. Ms De Zeven Provinciën
Bij het opstijgen van de vliegtuigen gaat het behoorlijk mis. Slechts twee Dornier vliegtuigen komen in de lucht de D35 en D11. Al spoedig moet de D35 een
noodlanding maken. De vlieger van de D11 Coppers weet nu niet meer wie de
leiding heeft. Hij krijgt geen antwoord op zijn bericht en seint "D11 neemt de
leiding". Hij vliegt dan recht op het schip af en gooit een bom van 50 kilo om
9.18 van een hoogte van 1200 meter. De bom treft De Zeven Provinciën niet
ver van de brug en explodeert direct met het catastrofale gevolgen, die we al
besproken hebben. Men vraagt achteraf aan de vlieger Coppers of het zijn
bedoeling was om het schip direct te treffen of dat het in zijn bedoeling was
een waarschuwingsbom te gooien. In de vroege ochtend van de 10e februari
was er een bevel uitgegaan om het schip als vijand te beschouwen. Hij was er
toen vanuit gegaan dat het oorspronkelijke plan van een waarschuwingsschot
veranderd was en de bom direct op het schip te gooien. Let wel hij was niet
aanwezig geweest bij de bespreking toen werd besloten werd om een
waarschuwingbom te gooien. (De Gouverneur-generaal Jhr B.C,.de Jonge gaat op
deze kwestie nog uitvoerig in zie link :Herinneringen
Jhr. de Jonge)
Reacties in Nederland op de muiterij van De Zeven Provinciën
In Nederland komt het tot heftige reacties, zowel van de linker als de
rechter kant. Blom gaat in zijn proefschrift over de Zeven Provinciën
uitgebreid in op de reacties op de muiterij. Ik volsta met het noemen van enkele
reacties. De felste reactie komt van niemand minder dan Hendrik Colijn. Van de
vergadering op 7 februari 1933 van de antirevolutionaire Kamerclub toen de
muiterij nog in volle gang heeft de aanwezige Duymaer van Twist later de
volgende indruk van Colijn gegeven:" Daar stak de storm van verontwaardiging bij
Colijn op. Wij zagen hem, zoals we hem nog nimmer gezien hadden. Schokschouderend, zenuwen en
spieren gespannen met
de vuist op tafel, kreet de schandelijke gebeurtenissen die op de
vloot hadden plaats gehad". Op dezelfde dag verschijnt de Haagse krant "Het
Vaderland", waarin Colijn gezegd zou hebben in een vraaggesprek: "De hoofdzaak is dat er
een klaar geval van muiterij
is, dat die muiterij moet worden onderdrukt, zoo nodig door het schip met een
torpedo naar de bodem van de Oceaan te zenden".
Aan de linker kant komt een reactie van C.G. Cramer (S.D.A.P.). Al eerder was hij opgekomen voor de belangen van de gestraften naar aanleiding van de communistische opstand van 1926/1927. Hij protesteerde tegen de extreme repressie en het gebrek aan politieke bewegingsvrijheid. De nationalistische groepen hadden zijn grote sympathie. Voor hen probeerde hij in het parlement begrip te kweken. In een eerste reactie op de berichten over de muiterij op De Zeven Provinciën in februari 1933 verklaarde Cramer op een openbare bijeenkomst dat deze hem 'uit het hart gegrepen' was. Toch vielen hem de andere leden van de S.D.A.P af In de Tweede Kamer keurde de S.D.A.P. weliswaar de gewelddadige beëindiging af, maar weigerde men de muiterij zelf goed te keuren
. 
C.G. Cramer 1879-1976
De politicus Jacques de Kadt deed een oproep in De Fakkel in 1933 aan soldaten en matrozen om zich achter de muiterij op De Zeven Provinciën te scharen. Hij kreeg daarvoor drie maanden gevangenis. Dan was er de reactie van Henk Sneevliet, de voorzitter van de in 1929 opgerichte Revolutionair-Socialistische Partij. Hij schreef een manifest waarin de muiterij op het oorlogsschip 'De Zeven Provinciën' werd toegejuicht. Hij werd op 21 februari 1933 gearresteerd en in april tot vijf maanden gevangenisstraf veroordeeld De tekst van het manifest is te vinden op het internet onder Henk Sneevliet Manifest1933. In de Kamer kwam alleen Wijnkoop namens de CPN fel op voor de muiters. De verkiezingen kregen een uitslag waarin de polarisatie ten gevolge van de muiterij tot uiting kwam. Winnaars waren met name de ARP

Jacques de Kadt (1897-1988) Henk Sneevliet (1883-1942) David Jozef Wijnkoop (1876-1941)
De danseres, die eigenlijk Flora Rodrigues heette, maakte het ballet Schepelingen uit verontwaardiging over het bombardement op De Zeven Provinciën. Een bekkenslag symboliseerde de bom en het stuk werd besloten met een solidariteitsdans van rouwende weduwen van de 23 omgekomen matrozen. Conservatieve critici als Werumeus Buning van De Telegraaf en H. Scholte van de NRC spraken schande van het ballet en in Amsterdam werd na de première in 1934 de opvoering ervan verboden.
A. W. Michels was bestuurder van de Matrozenbond en lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. In 1933 werkte hij evenals andere vooraanstaande ex-marinemensen mee aan een heruitgave van Het Anker, waarin kritiek op de autoriteiten werd geleverd vanwege hun optreden ten tijde van en na de muiterij op De Zeven Provinciën. Michels moest zich onder druk van de minister van Binnenlandse Zaken terugtrekken uit de groep, die de heruitgave van het blad verzorgde.

A.W.Michels (1880-1961)
Tot zo ver de reacties in Nederland na de muiterij van De Zeven Provinciën in de dertiger jaren.
Reacties op de muiterij van De Zeven Provinciën na de Tweede Wereld Oorlog
Na de Tweede Wereld Oorlog rust op de muiterij van De Zeven Provinciën nog steeds een taboe
De korporaal-machinist Maud Boshart veroordeeld voor zijn deelname aan de muiterij heeft na zijn vrijlating uit de Leeuwardense gevangenis eind 1936 zijn verhaal opgeschreven. Hij bood zijn verhaal aan bij de arbeiderspers, maar na vier jaar na de muiterij wilde deze uitgever het verhaal niet publiceren Piet Bakker, lid van de directie schreef Boshart een brief waarin hij hem prees voor zijn 'vlotte pen' en hem de raad gaf zijn krachten eens op en ander onderwerp te richten. Pas 1 jaar voor zijn dood in 1964 slaagt hij er in een artikel te schrijven in het familieblad "De Uilenspiegel" van 3 februari 1963.
Op 31 augustus 1957 veroorzaakt het door Jan Vrijman samengestelde programma 'Dag Koninginnedag' voor de VPRO een grote rel. Ter gelegenheid van de 77ste verjaardag van Wilhelmina, inmiddels weer prinses, wordt een programma uitgezonden over haar regeerperiode, waarbij gevoelige episoden als de Atjeh-oorlog en de muiterij op het oorlogsschip De Zeven Provinciën niet worden overgeslagen. Maud Boshart wordt ook gevraagd mee te doen aan het programma. Toen dit ter ore komt bij de Regering grijpt het kabinet Drees in en dreigt de direct betrokken staatssecretaris van OKW, mr R.G.A. Höppener, horend tot het departement van mr J. Cals, 'de knop te zullen omdraaien' als Boshart op het scherm zal verschijnen De VPRO vraagt vervolgens M. Dooijeweerd, die ook bij de muiterij betrokken was. De pers reageert verontwaardigd. 'Anti-nationaal', oordeelt Het Vaderland, 'Grove laster', schrijft Trouw. De regering kondigt een onderzoek aan, de VPRO betuigde haar spijt en Jan Vrijman wordt voor twee jaar uitgesloten van televisie-werk.

Jan Vrijman 1925-1997
In 1975 verschijnt het proefschrift van J.C.H. Blom over de muiterij. Het is een uitgebreid verslag gewordne met vooral de aandacht op de voorgeschiedenis en de latere gevolgen voor het politieke bestel in Nederland. De rol van Boshart wordt naar mijn mening te zwaar aangedikt. Zoals we later zullen zien. zien we bij Blom een meer genuanceerdere mening betreffende e de rol van Maud Boshart. In ieder geval is het een heel wat beter verhaal dan dat van het in 1934 geschreven boek door J.C. Mollema.
Drie jaar later verschijnt een opmerkelijk boek met het verhaal
van Maud Boshart dat hij in 1937 had geschreven. Dit boek wordt ingeleid door
H.J.A. Hofland , die zich fel verzet tegen de rol die Boshart kreeg toebedeeld
als belangrijkste raddraaier pagina 17:
"Het is treurig dat Bosharts manuscript niet meteen na voltooiing een uitgever
heeft gevonden. Het is jammer dat ook nog na de oorlog het zolang niet
mogelijk was, het op een behoorlijke manier te publiceren. Want eigenlijk wordt
Boshart met deze uitgave - hoe gelukkig die op zichzelf ook is - te laat recht
gedaan.". Nu 28 jaar later, met de mogelijkheid van het internet,
wil ik ook op mijn manier recht doen aan deze Maud Boshart door gedeelten uit
zijn verhaal af te drukken, vooral over zijn gevangenis tijd na de muiterij. Het
boek is gelukkig nog antiquarisch te krijgen is.
In 1983 verschijnt een fotomechanische herdruk van het proefschrift van Blom
In 2003 heeft Elly Touwen-Bouwsma een verhaal geschreven: Muiterij of vrijheidstrijders - Indonesische reacties op de muiterij op de De Zeven Provinciën- Zij wijst er op dat in door Blom in zijn dissertatie geen aandacht wordt besteed aan de situatie en gebeurtenissen in het toenmalige Nederlands-Indië, behalve waneer deze voor een goed begrip van de Nederlandse ontwikkelingen zijn. Zij belicht de Indonesische reacties niet alleen ten tijde of direct er na maar ook van latere datum. Bij de vijf en twintigjarige herdenking van de muiterij schreef M. Sapija een boek dat voor een deel is gebaseerd op het rapport van Pelupessy, die als lichtmatroos op De Zeven Provinciën diende Zij stelt zich in haar artikel de vraag : "Was de muiterij een uit de hand gelopen protestdemonstratie tegen de als onrechtmatig ervaren salaris korting of werd de Indonesische bemanning gemotiveerd door nationalistische of zelfs communistische motieven? "
Zij citeert het verslag van Pelupessy op pagina's 82-85. Elly Touwen concludeert dat het verslag in groet lijnen overeen komt met de beschrijving van Blo,m. Wel zijn er volgens haar opmerkelijke accentverschillen: "Allereerst de toenemende spanning tussen de Europese officieren en Indonesische minderen. Het verschil in salaris en voeding, de laatdunkende wijze waarop officieren zich soms uitlaten over het Indonesisch marine personeel de doorzichtige wijze waarop aan de Indonesische bemanning brood en spelen werden voorgezet, kortom het gevoel gediscrimineerd te worden, heeft mede de vastberadenheid van het Indonesische marine personeel doen groeien".. Verder vindt zij dat Pelypessy de rol van Boshart anders belicht dan Boshart zelf heeft gezegd. Hij zou op hun eergevoel hebben gewerkt en dat ze nu de kans kregen een schip te besturen zonder hulp van Europese officieren. Hij zou ook bij elk overleg betrokken zijn geweest. Ik zou hier bij willen aantekenen dat het verslag van Pelupessy 25 jaar na de muiterij is geschreven. Aan het slot van het artikel zegt Elly Touwen:
"Kort samengevat kan de muiterij op De Zeven Provinciën gezien worden als een door nationalistische vrijheidszin geïnspireerd sociaal protest tegen de salariskorting dat aangegrepen werd om de zich superieur wanende Europeanen de schok van hun leven te bezorgen. Het was een nationalistische daad van betekenis(...) Hoe hard deze aantasting van Europese superioriteit en het Europese koloniale gezag was aangekomen, blijkt onder meer uit de reactie van de koloniale regering. Niet alleen werden de muiters berecht, ook de KIS werd opgeheven, het Indonesisch onderwijs werd verdere beperkingen opgelegd, de pers blijvend gebreideld en de nationalistische beweging monddood gemaakt".
De VPRO heeft 'in 'Het Spoor Terug' twee radio-uitzendingen gewijd over de Muiterij op De Zeven Provinciën (19 juni en 26 juni 2005).In deze radiodocumentaires gaat Jaap Mostert op zoek naar de ware toedracht rond de mysterieuze dood van zijn oudoom Lieuwe Posthuma, korporaal- bottelier op de Zeven Provinciën het pantserdekschip van de Koninklijke Marine. Opmerkelijk is de bijdrage van de heer Blom onder meer zegt: " Boshart heeft geprobeerd om bloed vergieten te voorkomen". De journalist Herman Keppy, de schrijver van het boek de Laatste Inlandse Schepelingen - zegt over Boshart het volgende: Maud Boshart was belangrijk en was het er mee eens maar heeft het absoluut niet georganiseerd het kwam niet van de Nederlandse marine personeel, maar was bedacht en uitgevoerd door de Inlandse schepelingen (Via internet zijn de documentaires nog af te luisteren)
In september 2005 komt er een derde druk uit van het proefschrift van Blom Hij eindigt zijn inleiding als volgt: " Deze herdruk van mijn dissertatie lijkt mij in de eerste plaats van belang wegens de beschikbaarheid van de concreet onderzoeksresultaten. Maar daarnaast kan hij wellicht een zekere bijdrage leveren aan deze discussie over het eventuele eigen karakter van de Nederlandse geschiedenis en dus van het hedendaagse Nederland."
Inderdaad voor een beter inzicht in ons verleden en vooral hoe onze politiek is geweest tijdens onze koloniale periode in het toenmalige Nederlandsch Indië, lijkt mijn geen overbodige luxe. In dit verband is het interessant om te noemen, dat voor het centraal examen geschiedenis voor HAVO/VWO voor de jaren 2007 en 2008 luidt: De koloniale relatie tussen Nederland(ers) en Nederlands-Indië..Misschien helpt mijn website om de leerlingen meer inzicht te verschaffen.
Gebruikte literatuur
Blom, J.H.C. (1975) De Muiterij van op de Zeven Provinciën. Reacties en
gevolgen in Nederland. Proefschrift 27 juni 1975, Leiden. Uniboek b.v.Bussum
ISBN 90 228 3526
------ (1983) Herdruk van het proefschrift J.H.C. Blom. HES
Uitgevers te Utrecht 2e druk. ISBN 90 6194453 8
------ (2005) Derde druk van proefschrift J.H.C. Blom.
Amsterdam University Press Amsterdam Academic Archive, 2005. ISBN 90 5356 844 1
De Ongeregeldheden bij de Koninklijke Marine in Nederlandsch Indië in den
aanvang van 1933. Algemeene landsdrukkerij. 's Gravenhage.
Hofland, H.J.A. (1978 ) Maud Boshart en de muiterij op de Zeven Provinciën.
Contact Tijdsdocumenten. ISBN 90 6019 572 8
Keppy, Herman (1994) De laatste inlandse schepelingen. Uitgeverij Focus,
Amsterdam. ISBN 90 72216-56-3
Mollema, J.C. (1934) Rondom de Muiterij op de Zeven Provinciën. Uitgeverij W.
van Hoeve-Deventer
Sneevliet. H. (1933) Manifest. Aan de opvarenden van de Nederlandse Marine en de
werklieden van de Marinewerven!
Touwen-Bouwsma, E. (2003) Muiters of vrijheidsstrijders. Indonesische reacties
op de muiterij op De Zeven Provinciën in: Conny Kristal (eindredactie)
e.a. Met alle Geweld. Uitgeverij Balans. ISBN 90 5016 622
Wal, Dr. S.L. van der (1908 Herinneringen Jhr. Mr. B.C. de Jonge met
brieven uit zijn nalatenschap. Uitgave van het Historisch Genootschap Utrecht.
Van deze uitgave is onder dezelfde titel een handelseditie verschenen bij
Wolters-Noordhoff n.v Groningem
.
.