Jean Paul Sarte De revolutie

     

Jean-Paul Charles Eymard Sartre (19051980) filosoof en schrijver.

Fragmenten uit zijn Manifesten L.J.C.Boucher , den Haag 1969, p.60-66

Iedereen die deel uitmaakt van de heersende klasse is mens bij de gratie Gods.

Omdat hij geboren is in een milieu van heersers, is hij er van jongs af aan van overtuigd dat hij geboren is om te heersen en in zekere zin is dat ook waar, omdat zijn ouders, die ook heersers zijn, hem hebben verwekt als hun opvolger. Er ligt een bepaalde sociale functie op hem te wachten in de toekomst, waar hij zomaar in kan stappen zodra hij oud genoeg is, en die voor hem ais het ware zijn metafysische realiteit betekent. Hij is dan ook in zijn eigen ogen een persoon, dat wil zeggen een aprioristische synthese van zijn bestaan de facto en de jure. Omdat zijn gelijken op hem rekenen voor de toekomst en hij voorbestemd is om hen te zijner tijd op te volgen, bestaat hij, omdat hij het recht heeft om te bestaan. Dit sacrale karakter dat de bourgeois heeft voor zijn klasse, en dat tot uiting komt in een heel herkennings-ceremonieeI (zoals het groeten, het visitekaartje, huwelijks- en overlijdensberichten, het hele ritueel van beleefdheidsbezoeken enzovoorts): dàt noemt men nu de menselijke waardigheid. De ideologie van de heersende klasse is geheel doordrongen van deze opvatting van waardigheid. En als er van deze mensen gezegd wordt dat ze ‘koningen der schepping ' zijn, moet men dit opvatten in de meest pregnante betekenis van het woord: zij zijn de koning der schepping bij de gratie Gods; de wereld is voor hen geschapen, het feit van hun bestaan is de absolute en volkomen toereikende waarde die er bestaat om de wereld zinvol te kunnen interpreteren. Dat is de eigenlijke betekenis van alle filosofische systemen die het primaat van het subject stellen ten opzichte van het object, en de natuur beschouwen als het resultaat van de scheppende activiteit van het denken. Het spreekt vanzelf dat, aldus gezien, de mens een bovennatuurlijk wezen is: wat natuur genoemd wordt, is al datgene wat bestaat zonder het recht daartoe te hebben. De verdrukte klassen maken voor de heersers bij de gratie Gods deel uit van de natuur. Ze mogen niet bevelen. Misschien kreeg de slaaf in andere vormen van samenleving door het feit, geboren te zijn in domo, daardoor ook een sacraal karakter: nl. dat hij geboren was om te dienen, en tegenover de mens bij de gratie Gods, de mens te zijn die van Godswege tot de plicht geroepen is Dat is de eigenlijke betekenis van subject stellen ten opzichte van het object, en de natuur beschouwen als het resultaat van de scheppende activiteit van het denken. Het spreekt vanzelf dat, aldus gezien, de mens een bovennatuurlijk wezen is: wat natuur genoemd wordt, is al datgene wat bestaat zonder het recht daartoe te hebben. De verdrukte klassen maken voor de heersers bij de gratie Gods deel uit van de natuur. Ze mogen niet bevelen. Misschien kreeg de slaaf in andere vormen van samenleving door het feit, geboren te zijn in domo, daardoor ook een sacraal karakter: nl. dat hij geboren was om te dienen, en tegenover de mens bij de gratie Gods, de mens te zijn die van Godswege tot de plicht geroepen was. Maar van het proletariaat zou men dat niet eens kunnen zeggen: het arbeiderskind geboortig uit de - massa van een afgelegen voorstad, heeft geen enkel rechtstreeks contact met de bezittende élite; persoonlijk heeft hij geen enkele plicht buiten die elke orde wet bepaald zijn, het is hem zelfs niet verboden om, als hij die mysterieuze genade deelachtig is die persoonlijke verdienste genoemd wordt, onder bepaalde omstandigheden en binnen zekere grenzen, toegang te krijgen tot een hogere maatschappelijke klasse: zijn zoon of kleinzoon zal dan. mens zijn bij de gratie Gods.

Zo is hij niets anders dan een levend wezen, de hoogst ontwikkelde diersoort. Wij voelen allen de minachting in het woord 'naturel', dat gebruikt wordt voor de inheemsen van een gekoloniseerd gebied. De bankier, de industrieel, de professor uit het moederland zijn geen naturellen, van welk land ook. Ze maken helemaal geen deel uit van de natuur. De verdrukte echter voelt zich wèl een naturel: elke gebeurtenis in zijn leven maakt hem opnieuw duidelijk dat hij geen bestaansrecht heeft. Zijn ouders hebben hem op de wereld gezet zonder een bijzondere bestemming: zomaar, toevallig, op zijn best omdat ze van kinderen hielden of omdat ze beïnvloed zijn geweest door een bepaalde propaganda, of omdat ze belust waren op de voordelen van kinderrijke gezinnen. Er wacht hem geen 'speciale functie, en als hij ergens in de leer wordt gedaan, dan is dat niet om hem voor te bereiden op de uitoefening van dat heilig ambt, zijn toekomstig beroep, aar alleen om het hem mogelijk te maken, het onrechtmatige bestaan voort te zetten dat hij vanaf zijn geboorte geleid heeft .Hij moet werken om te leven, en men ontneemt hem niet alleen het eigendomsrecht van de voortbrengselen van zijn arbeid, maar zelfs de zin van die arbeid, omdat hij zich immers niet solidair voelt met de maatschappij waarvoor hij produceert. Of hij nu bankwerker is of ongeschoold arbeider,. hij weet wel, dat hij niet onvervangbaar is kenmerkend voor de arbeider. Het werk van een arts of jurist wordt beoordeeld naar de kwaliteit; dat van de 'goede' arbeider alleen naar de kwantiteit. Door de omstandigheden van zijn situatie heen, gaat hij zichzelf zien als een exemplaar van een diersoort: de menselijke soort. Zolang hij op dit plan blijft, zal hij zijn situatie natuurlijk vinden: hij zal zijn leven voortzetten zoals hij het begonnen is, en zo nu en dan plotseling in opstand komen als de onderdrukking zich sterker doet gevoelen, maar alleen als onmiddellijke reactie. ~e revolutionair stijgt uit boven deze situatie, omdat hij die wil veranderen, en vanuit die wil tot verandering beschouwt hij zijn situatie. We moeten hierbij in de eerste plaats opmerken dat hij die wil veranderen voor zijn hele klasse, en niet alleen voor zichzelf: als hij alleen aan zichzelf dacht, zou hij gist zijn bestaan als exemplaar van de menselijke soort vaarwel kunnen zeggen en zich het waardensysteem van de heersende klasse eigen kunnen maken; het spreekt dus vanzelf, dat hij dan a priori het sacrale karakter zou accepteren van de heersers bij de gratie Gods uitsluitend om er op zijn beurt te genieten .Maar omdat het ondenkbaar zou zijn dat hij voor heel zijn klasse dat goddelijke recht op kunnen eisen, dat hij nu juist gebaseerd is op een onderdrukking die hij teniet wil doen, zal zijn eerste werk zijn, de rechten van de heersende klasse te betwisten. In zijn ogen bestaan er geen heersers bij de Gratie Gods Hij kent ze wel niet van nabij, maar hij heeft het gevoel, dat ze hetzelfde vage en niet te rechtvaardigen bestaan leiden als hij. Anders dan de leden van de onderdrukkende klassen, probeert hij niet de leden van de andere klasse uit te sluiten van de gemeenschap. Maar in de eerste plaats wil hij hun dat magische karakter ontnemen, waardoor de door hem ;onderdrukten met zoveel ontzag naar hen opzien. Bovendien ontkent hij spontaan de waarden die zij het eerst gesteld hebben. Als het waar was, dat hun opvatting van wat Goed is a priori gegeven was, dan zou de revolutie tot in zijn wortels vergiftigd zijn: zich verheffen tegen de onderdrukkende klasse zou dan betekenen zich verheffen tegen het Goede in het algemeen. Maar hij denkt er niet aan deze opvatting van wat goed is te vervangen door een andere aprioristische opvatting hiervan, want . hij heeft de constructieve fase nog niet bereikt: hij wil zich alleen bevrijden van alle waarden en gedragsregels die de heersende klasse heeft geschapen, omdat die waarden en die regels een rem vormen voor zijn handelen, en er van nature op gericht zijn de status quota te handhaven. En omdat hij de maatschappelijke ordening wil veranderen, moet hij beginnen het idee af te wijzen, dat deze ordening het werk is geweest van de 'voorzienigheid alleen als hij deze maatschappelijke orde als iets feitelijks beschouwt, kan hij hopen die te vervangen door een andere feitelijkheid, die hem beter past. Het revolutionaire denken is ook humanistisch. De stelling: 'Wij zijn ook mensen,' ligt ten grondslag aan de hele revolutie. En daarmee bedoelt de revolutionair inderdaad, dat ook zijn onderdrukkers mensen zijn. Zeker, hij zal met geweld tegen hen opstaan, hij zal proberen hun juk af te werpen, maar als hij er enkelen van moet doden, zal hij altijd proberen dit aantal tot een minimum te beperken, omdat hij technici en kaderpersoneel nodig heeft: zo vindt men ook bij de bloedigste revoluties bepaalde vormen van samenwerking: het is bovenal een assimilatieproces, waarbij de onderdrukkende klasse in de verdrukte klasse wordt opgenomen. Anders dan de overloper of de vervolgde minderheid die wil opklimmen tot het niveau der geprivilegieerden en zich daarmee wil assimileren, wilde revolutionair ze tot zijn niveau laten afdalen, door de geldigheid van hun privileges te ontkennen. En omdat het voortdurend gevoel van de contingentie van eigen bestaan hem ertoe brengt, zichzelf te zien als een niet te rechtvaardigen feit, beschouwt hij de heersers bij de gratie Gods ook als feitelijkheden, net als hijzelf. De revolutionair is dus niet iemand, die rechten als zodanig, dat hij ziet als een uitvloeisel van traditie en macht verenigt.. Zij humanisme baseert zich niet op de menselijke waardigheid niet de eenheid waarin hij al zijn soortgenoten en zichzelf wil doen opgaan, is niet de eenheid van de menselijke heerschappij, maar van de menselijke soort. Er bestaat een menselijke soort, .:.-en niet te rechtvaardigen, toevallige verschijning op aarde: de omstandigheden van zijn ontwikkeling hebben zijn innerlijk evenwicht in zekere mate verstoord; het is nu de taak van de revolutionair om hem, na overwinning van zijn huidige situatie, een rationeler evenwicht te doen hervinden. Zoals de heerser bij de gratie Gods ook deel is gaan uitmaken van de menselijke soort, gaat de mens deel uitmaken van de natuur; de mens is een natuurlijk feit, de mensheid een soort, onder andere soorten. Alleen op deze manier denkt de revolutionair te kunnen ontsnappen aan de mystificaties van de geprivilegieerde klassen: de mens die zichzelf beschouwt als een natuurlijk feit, kan nooit meer misleid worden door een beroep op een aprioristische moraal.

_