Archief Familie De Booij
Verhalen van Hendrik de Booij: "Mensen die ik ontmoette"
De herinneringen en dagboeken van Hendrik de Booij zijn een mengeling van mededeling over zijn werkzaamheden, over familieaangelegenheden en bespiegelingen van allerlei aard. Hij merkte veel op over mensen en schreef dat vaak later in zijn dagboek. Deze verhalen bewerkte hij later tot verhalen waarmee hij schriften volschreef onder de titel "Mensen die ik ontmoette"

De schrijver Hendrik de Booij in 1939
"Je zegt wel eens wat".
Wij, d.w.z. mijn vrouw en ik, gingen voor familiebezoek naar Leeuwarden. Per spoor naar Enkhuizen en dan aan boord van een van die mooie witte boten van de Holland-Friesland lijn. Daar zag ik al spoedig de stoere gestalte van mijn vriend kapitein Slok en ik hoorde zijn krachtige stem. Hoe vaak had ik deze reis al gemaakt als ik de noordelijke reddingstations ging bezoeken. Dan was is welkom op het voor passagiers verboden gedeelte van het opperdek in de stuurhut, waar ik kon praten met kapitein, stuurman en matrozen."Ha, bent u daar, meneer de Booy en wie breng je nou mee. Is’t je vrouwtje? Wel, daar zullen we een mooi plaatsje voor uitzoeken. Wees maar goed voor je vrouwtje, de Booy, ze moet een goede plaats hebben, waar ze in de zon zit en nièt in de wind. Zorg maar goed voor d,r ".En toen hij het allerbeste plaatsje had uitgezocht en vlak bij mij stond, werd zijn zware stem plotseling zachter. Bijna fluisterend zei hij, alleen tegen mij: "Mijn vrouw is kort geleden gestorven…ja, je zegt wel eens wat, is ’t niet zo, de Booy,…wees maar zacht voor haar".
Jan Plak of Rijkdom is een straf.
We zijn nog niet lang geleden bevrijd van het juk der Duitsers. Het jaar is 1945 en nu staat op het Minervaplein iedere morgen een Volendammer met zijn zoon met een wagen met vis, grote vissen, tarbot, tong, kabeljauw, schelvis, bot, schol, niet zelf gevist maar gekocht te IJmuiden. De vis is groot van stuk, een gevolg van het feit, dat de Noordzee in de laatste vijf jaren veel minder is bevist. De Volendammers dragen de klederdracht, het kleine petje, het gestreepte hemd, de wijde broek en de klompen. Jan van Tienen heet de Vader en Jacob is de zoon.
Ik heb vroeger Volendam goed leren kennen toen ik in l905 deelnam aan een Zuiderzee-expeditie onder Dr. Dekhuyzen en later zeilende met de jongens, mijn zoons in onze zeilboot "Mavourneen". Dus weet ik, dat die familienaam Van Tienen niet in de boeken van de Burgerlijke Stand voorkomt maar dat de Volendammer, behalve zijn stadhuisnaam nog een naam draagt, door hem Scheldnaam genoemd, die in het dagelijks leven van groter belang voor hem is omdat men, door de zogenaamde scheldnaam te gebruiken spoediger bij de persoon terecht komt, die men zoekt of nodig heeft. Mijn kennis van Volendam berust op ervaring toen het een vloot van meer dan 300 botters had en een hecht aaneengesloten gemeenschap was met belangen, die uitsluitend de visserij betroffen. Destijds kende ik o.a. "Willem Drie", die volgens het stadhuis W.A.P.F.L. Steur heette, met voornamen gelijk aan die van Koning Willem III, omdat hij de zoveelste – ik weet niet meer de hoeveelste zoon was van zijn ouders, wel herinner ik mij, dat al die zoons langer waren dan zes voet. Dan herinner ik mij uit de tijd van schaatsenrijden nog een Pinkhof en als ik ga denken verscheidene anderen en zo is het begrijpelijk dat ik een praatje maakte met Vader en zoon van Tienen als ik, op weg naar de bijbank van de Handelmaatschappij langs hun viskar kwam. Maar "neen" moest ik antwoorden als zij mij vroegen of ik Jan Plak kende. Ik vroeg hun wat hij voor een man was. Wel, was het antwoord, hij was een visserman maar hij had eigenaardigheden. U weet wel, meneer, dat wij visserlui bij thuiskomst van de visvangst, nadat wij onze vangst aan de markt hebben gebracht, de gewoonte hadden onze ervaring met elkander te bespreken. Wat hadden we gevangen, waar hadden we gevist, wat bracht de vis op, hoe was de gelegenheid, dat waren onderwerpen en vragen waarin we belangstelden en waar we van leerden.
Maar Jan Plak was anders. Hij nam geen deel aan die besprekingen, bleef, op de drempel van zijn huisje staande, naar ons kijken. Hij wilde rijk worden, had een gedachte, die hij vaak uitte als uitvoerbaar aangenomen. Die gedachte was:" íedereen die rijk wil worden, kan het worden". En waarom nam hij nu geen deel aan de besprekingen met zijn kameraden? Het antwoord was: omdat dan zijn klompen onnodig zouden slijten". Hoe verschilde hij hierdoor van ons, zijn medevissers. . Waarom deed hij dat. Jan Plak had een vast doel. Wij immers dachten nooit aan een mogelijkheid rijk te worden. Hoe gaat het gewoonlijk bij de visserij. Als er veel vis wordt gevangen daalt de marktprijs en wordt pas hoog als er weinig vis is. Dus is het over het algemeen niet veel wat wij verdienen. Is het door bijzondere omstandigheden wel eens zo, dat een hoge prijs van de vis samenvalt met een rijke visvangst dan rinkelen korte tijd de rijksdaalders in de broekzakken. Meestal is het tegenovergestelde het geval…….er waren nu enige klanten gekomen, die vis wilden kopen, maar Jan van Tienen ging rustig door met zijn verhaal en de klanten bleven luisteren.….."toch is het waar, "vervolgde Jan van Tienen, "dat een visserman niet gaarne het leven en bedrijf van de visserman zal prijsgeven voor dat op een fabriek, dit niet dan gedwongen zal doen. Het is een leven waaraan hij gehecht is"……..
Op zekere dag had Jan Plak zijn doel bereikt. Hij was rijk geworden en toonde dit doordat hij een winkel kon openen, waarmee hij kon ophouden met vissen en aan zijn vroegere medevissers de dingen kon verkopen, die zij in hun bedrijf en huishouden nodig hadden. Kledingstukken behoorden er ook toe. Maar het viel ons op, dat het Jan Plak niet meeviel in de staat van rijkdom waarin hij geraakt was. Immers hoorde men hem nu vaak zeggen: "rijkdom is een straf"."Op een ruwe dag in November", zo vervolgde Jan van Tienen zijn verhaal, "waren mijn Vader en ik aan het vissen. Toen gebeurde het, dat door een overslaand zeetje mijn Vaders wanten, die hij even had neergelegd, overboord spoelden. Zonder wanten kan je op een winterdag niet vissen. Daarom zei mijn Vader tegen mij, "Jan, ga morgen naar Jan Plak en koop een paar wanten. Ze kosten 83 centen. Kies een goed paar uit. Maar die 83 centen heb ik niet. Zeg dus tegen Jan Plak dat ik die wanten na de eerste goede vangst volgende zomer zal betalen". Ik volgde het bevel van mijn Vader op en zocht bij Jan Plak een goed paar wanten van 83 centen uit. Toen ik dat gedaan had, zei ik tegen Jan Plak, dat ik ze komende zomer na de eerste goede vangst zou komen betalen, maar Jan Plak zette grote ogen op en zei: "neen Jan van Tienen, dat gaat niet". "Gaat dat niet Jan Plak?" Neen dat gaat niet, Jan van Tienen"…..
Daarna zijn jaren verlopen. Mijn Vader was gestorven en Jan Plak dreef nog zijn winkel en zei nog steeds dat Rijkdom een Straf is….. Op de avond van een dag van harde wind bevond ik mij aan de haven. Daar zag ik voor mij Jan Plak. Hij kwam blijkbaar kijken naar zijn viskarren, die bij de golfslag gevaar liepen stuk te stoten tegen de schoeiing. Het was donker maar niet zo of hij zag mij en riep mij toe: ‘’ach Jan van Tienen kom mij even een handje helpen met die karren".
Het is wel zeker dat, zou ik hem helpen, Jan Plak mij er niets voor zou geven, want dat deed hij nooit, misschien zelfs geen dankje zeggen, maar daaraan dacht ik niet. Ik dacht aan mijn Vader en aan zijn wanten en zei: "dat gaat niet Jan Plak". Toen kwam hij naderbij en vroeg: "gaat dat niet Jan van Tienen?" Maar ik zei nogmaals: "neen, dat gaat niet Jan Plak".
En waarom gaat dat niet Jan van Tienen?"Vanwege die wanten van mijn Vader, Jan Plak"."Herinner je je dat Jan van Tienen van zo lang geleden?" En zijn ogen werden heel groot. "Ja, dat herinner ik mij Jan Plak".Toen zei hij: "heb ik het je niet gezegd, Jan van Tienen, Rijkdom is een Straf".
Het verhaal was uit, de klanten hadden er naar geluisterd en werden geholpen.
In lijn 2.
De tram stopte en naast mij kwam een jonge vrouw zitten, dertig jaar ongeveer, misschien wat jonger. Ze had een mandje bij zich; was misschien een werkmans vrouw. Ze scharrelde in haar mandje en zei plotseling: "wel, wel ik heb vergeten geld mee te nemen, wilt U me dan bij de volgende halte uitlaten, condukteur? Ik zei: "juffrouw, kan ik U helpen met een kaartje? "Dat is wel mooi", zei ze, "maar hoe moet ik U dat dan teruggeven?"Hiernamaals, antwoordde ik en zij, na even te hebben nagedacht: "nou dan is het goed".Hoe stelde zij zich dit voor? De gezichten van de trampassagiers waren onveranderd strak gebleven.
Een kraai die beledigd wordt.
Voor mij uit liep een aanspreker, in de volksmond "kraai" genoemd in zijn zwarte kleding, hoge hoed, rechtop. Bij het huis in aanbouw "Lydia" was een metselaar aan het werk. Toen de "kraai" naderde, hield hij op met metselen, draaide zich om en richtte enkele woorden tot hem. Ik hoorde wel klanken maar geen woorden en deze hadden de aanspreker blijkbaar gehinderd, wat ik zag aan de bewegingen die hij maakte. Nog rechter van houding vervolgde hij zijn weg zonder iets te zeggen. Ik was nieuwsgierig en langszijde van de aanspreker gekomen zijnde, vroeg ik hem wat de metselaar had gezegd. "Wat hij had gezegd", antwoordde de aanspreker, was kenmerkend voor de lage trap der beschaving van een volk, dat het gezicht van een uniform nog niet kan verdragen!!Op onverklaarbare wijze vormden de klanken, die ik had gehoord, zich tot woorden, en ik wist, dat de metselaar had gezegd: "mot je maan hebbe".
Aderverkalking.
Aantekening in dagboek: "Midsland, augustus 1938, strandkarretje gebracht naar Key /Swart.Key Swart is vroeger vuurpijlrichter van de Reddingmaatschappij geweest; de bekende plaat, uitgegeven ter gelegenheid van het eeuwfeest van N.Z.H.R.M. in 1924 hangt bij hem in de gang. Hij woont tegenover Teunis Dekker te Midsland. Ik bracht hem het karretje ter reparatie. Als wij, zittend op de bank voor z’n huis, de reparatie hebben besproken, zegt hij: "ik zal zorgen dat-ie vanavond klaar is". Dan vraagt hij mij: "Weet je wat aderverkalking is?" Ik heb er wel eens van gehoord", zeg ik. Dan vervolgt hij:"Daar heb je nou dat karretje. Als ik nou uitga en over een uur thuis kom, dan zal ik misschien niet meer weten wat dat voor een karretje is en waarom het hier in huis staat. Dat is aderverkalking. ’t Is een ziekte"."Hoe oud bent U", vraag ik. "Ik ben 61".Boukje Dekker vertelt mij even later, dat hij 71 is, dat hij helemaal niet meer weet hoe oud hij is en dat hij onlangs heeft gezegd: "Nou mot je es horen wat ze nou van me willen maken, ze zeggen dat ik 70 ben en ik ben pas 60".Ik twijfelde er wel een beetje aan of het karretje klaar zou komen. Maar ’t was klaar en heel netjes."Hoeveel kost ‘t?, vraag ik. "Wat had je gedacht?", zei hij. Ïk dacht ƒ. 2,- zei ik. "Dat had ik ook gedacht", antwoordde Key Swart.
In lijn 3.
Met lijn 3 naar het Rijksmuseum, tentoonstelling franse schilderijen. Wordt in de wagen van lijn 3, die tamelijk laag is, met vele strijkages stijl Louis XIV begroet door de condukteur, die mij op sierlijke wijze een zitplaats aanwijst, waarvoor ik op even sierlijke wijze bedank, wat aanleiding geeft tot enige vrolijkheid bij een werkster, een juffrouw naast mij rechts en een heer tegenover mij in de hoek. De condukteur begint daarop op niet onverdienstelijke wijze te zingen. Hij heeft een goede tenor, waarop de heer in de hoek hem deskundige raad geeft, daarbij ook tenorklanken doet horen, die nog veel mooier zijn. Ook ik zing mee, want ik heb ook een tenor. Als de heer in de hoek is uitgestapt, vertelt de condukteur, dat hij een Italiaan is. Ik vermoed, dat hij hetzij bij de opera is of tot een ander gezelschap hoort. Het was een vrolijke tramrit. Het eerste menselijke wezen dat ik in de tentoonstellingzaal zie is die lieve kleindochter Elsbeth.
Op het spreekuur.
Als schoolopziener had ik een spreekuur, waarop ouders mij konden bezoeken en vragen stellen. Ook konden ze, maar dit gebeurde gelukkig zelden, bezwaren uiten tegen onderwijzers of onderwijzeressen. Zo zat ik dan op mijn spreekuur toen een Vader binnenkwam, een uiterlijk geweldige man, in wiens hand een ledig flesje. Het verhaal dat hij deed kwam hierop neer, dat de juffrouw van de klasse zijn dochter Helena onvriendelijk had behandeld door haar, terwijl zij op de voorste bank zat, te verwijzen naar de vijfde, omdat zij – de juffrouw – die "stank" niet kon verdragen. "Ze beledigde ook mijn vrouw", zei hij, "die met grote zorg Helena’s haar verzorgt, het netjes boven de oren oprolt en het tweemaal ’s-weeks behandelt met haarwater."Dit is het flesje, nu ledig, dat een bekend frans haarwater heeft bevat", zeide de geweldige Vader. "Is dit stank", eindigde hij, ruikende aan het ledige flesje. De eis was, dat de juffrouw excuses zou maken en Helena weder tot de voorste bank zou worden toegelaten. Men verlangt wel eens naar de wijsheid van Koning Salomo. Ik vroeg hem wat zijn werk was te Amsterdam en het antwoord was dat hij directeur was van een fabriek van Herculeskoffers. Hij uitte verbazing toen het bleek dat ik niet volkomen op de hoogte was van alle goede eigenschappen van die koffers. Toen verzocht ik hem mij hiervan wat te vertellen.Het was een lang verhaal over die koffer waar ik geduldig naar luisterde. Niet zonder reden heten zij Hercules koffers. Tenslotte vroeg ik hem of zijn arbeiders, hij had vijftig werklui op zijn fabriek, hem wel eens last veroorzaakten. Spreek er niet van, zei hij, er zijn erbij die liever lui waren dan moe en dan had je neiging om ze op krachtdadige wijze aan te pakken. Toen wees ik hem op de moeilijkheden die een onderwijzeres in haar werk ontmoet en hij verenigde zich tenslotte met het compromis, dat zijn vrouw de haarbehandeling zou verrichten op zaterdagmiddag en in plaats van tweemaal, eenmaal per week, dan zou de lucht er maandag al zowat af zijn en zou juffrouw Derksen er zeker mee instemmen, dat zijn dochter weer op de voorste bank zat.
Bijbelvast.
Een wintermorgen aan de kust te Katwijk aan Zee. Grijze voortjagende wolken, bulderende branding en een lange schuimstreep dicht bij de voet van de duinen. Daar komt de reddingboot. Acht paarden trekken de zware wagen, waar de wit-blauwe roeireddingboot op staat, over de boulevard. Er zal een oefening worden gehouden. De roeiers lopen naast de boot; hun oliejassen en kapokzwemvesten hebben zij reeds aangetrokken. Praten doen ze niet; elke oefening is ernst en vandaag zal het niet meevallen, want er staat een krachtige branding.Plotseling struikelt een van de paarden, de anderen worden schichtig, rukken, steigeren …en eensklaps zijn re voerlieden de toestand niet meer meester. Met woeste vaart rennen de paarden met de bootwagen langs de zeereep. Een machtig schouwspel. De blauwe boot, de zwarte en donkerbruine paarden met als achtergrond de witte branding en de grauwe wolken. De voerlieden hollen er achteraan en doen pogingen de paarden tot stilstand te brengen. Terwijl zij hiermee bezig zijn, vang ik het volgende gesprek op tussen twee Katwijker vissers, die naar de boulevard zijn gekomen om de manoeuvres van de reddingboot in de branding te volgen;"Huig, ’t lijkt hier wel Nahum 3 vers 2". "Zo is ‘t, Floor. Thuisgekomen zoek ik Nahum 3 vers 2 op en lees: "Daar is het geklap der zweep, en het geluid van het bolderen der raderen en de paarden stampen en de wagens springen op".
Alleen voor de Rijke Man.
Op de Stadhouderskade kwam de bereden militaire politie voorbij op haar mooie paarden. Ik was op weg naar het kantoor van de Redding-Maatschappij in het Koloniaal Instituut en bleef er bewonderend naar staan kijken. "Een mooi gezicht, meneer", zei een man naast mij. Hij was een werkman met een handkar, waarop enige planken. "Een prachtig gezicht", herhaalde hij, "maar… ’t is niet nodig. Alleen nodig voor de rijke man".Ik kwam in verzet en toonde dit, maar hij bleef er bij. "Kijk nou eens, meneer. Ziet u die kar en die plankjes? Dat is nou mijn enig bezit, verder bezit ik niets. Als er nou een soldaat aankomt, een duitse of een franse en hij gaat op me schieten, dan zeg ik: hou op man, hier heb je me kar. Dat kan een rijke man niet doen." De bewonderde politie was nu voorbij. De man met de kar en ik liepen samen op. Hij op de weg, ik op het trottoir. Wat moest ik antwoorden, ik wist het niet goed, bleef bij mijn bewering, dat een leger nodig was voor de verdediging van het vaderland, maar hij bleef, aldoor met een vrolijk gezicht, bij de zijne, dat een leger alleen nodig is om de rijke man te verdedigen en toen ik er eindelijk de pas inzette en voor de laatste maal zei, dat een leger wel nodig was, riep hij mij nog eens, vrolijk kijkend toe: ""niet nodig meneer, alleen voor de Rijke Man".
Dit gesprek had plaats in 1930.
Aan boord van de " Argus".
1 maart 1898 werd ik geplaatst aan boord van Hr. Ms. Gaffelschoener " Argus", wier taak het was toezicht te houden op onze Noordzeevissers, die toen de haringvisserij uitoefenden. De geneeskunde was toevertrouwd aan een nog niet lang geleden gepromoveerde officier van gezondheid 2e klasse. De bemanning bestond uit ongeveer twintig matrozen onder een bootsman en een tweetal korporaals, t.w. een kwartiermeester en een konstabel, die voor de twee kanons van 7,5 cm. had te zorgen. Tenslotte was er ook een loods aan boord, die over een grote kennis van de Noordzee beschikte, waarvan de commandant al of niet gebruik kon maken. Ik kwam te IJmuiden aan boord, had een cricketspel aangeschaft met de bedoeling met onze bemanning te cricketen als de gelegenheid het veroorloofde. Ik was vroeger een der oprichters geweest van de cricketclub "zwart en geel" te Haarlem. De bemanning van de Argus had er plezier in en zo oefenden we dan op een veld niet ver van de haven. Ik herinner mij dat de stuurman van een binnenkomend engels schip mij van de bak toeriep dat hij volk zou kunnen leveren voor mijn cricketclub als ik het nodig had. We speelden op ons veld tot we naar zee gingen. Mijn matrozen vonden dat cricket te weinig beweging leverde voor de spelers, vooral wat de "fielders" betrof, zij zelven toonden een gebrek aan de nodige opmerkzaamheid, gingen wel eens op het hoofd staan. Ik denk dat voetbal en hockey meer bij hun aard zouden gepast hebben. Wij verkeerden in een tijd van overgang van de visserij met het schobnet naar die met haringnetten. De bomschuiten waarvan Scheveningen een aantal van ongeveer vijfhonderd bezat hadden elk zestig netten. Het gebruik was dat de vangst op haring met Sint Jan aanving. Die bomschuiten werden van het strand af in zee gebracht en landden met hun vangst op het strand. Daarbij kwamen dan nog de kleinere getallen bomschuiten van de andere vissersplaatsen aan de kust, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk en de loggers van de Maashavens, Vlaardingen, Maassluis, die de Waterweg uit- en invoeren. De vissers konden door het hijsen van bepaalde vlaggen mededelen, dat zij het schip van de visserij-politie nodig hadden, voor geneeskundig advies of voor iets anders. Ik herinner mij een verzoek om hulp van de bomschuit SCH 163, die twee vlaggen had gehesen en die ons, toen we dicht langs hem zeilden toeriep, dat hij "een zware zieke had, kommandantje".Onze jonge dokter ging er met de vlet heen en kwam terug met Jacob Roeleveld, die een gezwel had in de borst. De " Argus" had geen hospitaal dus kwam hij in mijn hut en ik, die als oudste officier de hondewacht had, sliep onder de tafel van de officieren in de longroom zolang Roeleveld mijn hut bewoonde.Wij moesten twee nachten zeilen tot bij Egmond, dan dachten wij door het Schulpengat naar de haven van Nieuwediep te zeilen om hem af te geven aan het Marine hospitaal.De eerste nacht was een zee met witte koppen en de gedachte kwam bij mij op om te zien hoe de zieke het maakte. Daarvoor moest ik even omlaag. Eerst gezien of er iets in zicht was; neen er was niets in zicht, de roerganger bevolen goed uit te kijken en dadelijk te waarschuwen als hij iets zag. Een paar treedjes omlaag, het gordijntje van de hut weggeschoven en gevraagd "hoe gaat ’t Roeleveld". Hij antwoordde: "’t is of ik in de Hemel ben". Zo is alles betrekkelijk. Roeleveld kwam van de bomschuit waar hij in hetzelfde verblijf waar haring gebakken werd met een drietal anderen in dezelfde kooi lag, ontkleed, wat op de bomschuit betekende met het petje af, het enige kledingstuk dat buiten dienst werd gesteld, zonder matras of dekens en hier aan boord, van de "Argus" lag hij in mijn hut, werkelijk ontkleed, op een matras op en onder een laken en dekens. Zo werd die stampende en slingerende "Argus" een "Hemel" voor hem.Na de tweede nacht kwamen wij in de vroege morgen bij Egmond en verzochten wij de vuurtoren met vlaggen aan het Nieuwediep te seinen dat wij op weg waren naar de haven en verzochten een brancard klaar te hebben bij het loodskantoor om onze zieke te brengen naar het hospitaal. De vuurtoren van Egmond had ons begrepen en zou doen wat wij verlangden. Wij hadden het in de wind naar de haven maar wij hadden het vloedtij mee, zodat wij na betrekkelijk korte tijd de haven van het Nieuwediep binnen zeilden en de patient afgaven aan de mensen van het hospitaal, die klaar stonden met de brancard. Wij hoorden later, dat Roeleveld na een operatie, genezen was ontslagen. De eigenaardige lucht van Roeleveld bleef nog lang mijn hut beheersen.
Radja Brul.
In maart 1894 werd ik geplaatst a/b van Hr. Ms. Ramtorenschip "Koning der Nederlanden". Nadat Kapitein ter zee Stokhuyzen op 17 november 1893 het commando over de "Koning" en de in de wateren van Atjeh aanwezige Nederlandse scheepsmacht had overgegeven aan Kapitein ter zee F.K. Engelbrecht had het niet lang geduurd of deze had op het schip waarop wij dienden zijn stempel gedrukt. Het duurde ook niet lang of ik had een naam bedacht, die goed bij hem paste. Deze naam was "Radja Brul", een naam waaronder hij weldra op onze gehele vloot bekend was, en die hij tot zijn dood behield, ja zelfs daarna. Hij was de door allen erkende "radja" op het schip dat "Koning" heette en de toevoeging Brul hield verband met zijn alle scheepsruimten doordringende stem. Bij de overdracht aan hem van het commando over een van onze grote schepen met een bemanning van 300 man zeide hij: "Ik heb van mijn voorganger gehoord, dat gij niet een gemakkelijke bemanning zijt en ook aan de wal wel eens aanleiding geeft tot klachten. Welnu, ik waarschuw u, als daarvan iets blijkt, zal ik u in veertien dagen zó tam maken, dat gij gort komt eten uit mijn hand." Wat hij tot de bemanning zeide werd zeer bewonderd.
Ik persoonlijk herinner mij, in de vroege morgen de wacht hebbende, aan dek geluid te horen van een menselijke stem, komende uit het achterschip, een geluid, aanzwellende tot een geluid dat het best kan worden vergeleken, al heb ik het nog nooit gehoord, met het geluid van de ontwakende leeuw, de koning der dieren. Dan een hofmeester van Europees ras, doodsbleek, die aan dek verschijnt, bedreigd wordende door die menselijke stem met het indraaien met een schroef in, ja waarin, ik weet het niet. Wij noemden zulk een vertoning "réveil du lion" en zorgden er voor een der torens van ons schip tussen onze commandant en ons te hebben als, na de doodsbleke hofmeester, de commandant op het halfdek verscheen. Het gebeurde wel eens, dat ik, op snippenjacht lang in de tropenzon gelopen hebbende, met een paar dagen koorts aan boord terug kwam en dan geen dienst kon doen. Ik was toen 26 jaar. Toen, nadat zo iets had plaats gehad, ik weer onderweg was met het voornemen snippen te schieten en op een afstand van zowat honderd meter van het schip was, hoorde ik mijn naam en, omkijkende, zag ik Radja Brul, staande op het achterschip, die mij toeriep: "denk eraan de Booy, je lichaam hoort niet aan je zelf maar aan het schip. En ik heb: "Jawel commandant" geroepen.Velen aan boord zullen zijn stem gehoord en verstaan en begrepen hebben wat hij zeide. Dat elke opvarende de plicht had mede te werken tot de goede naam van het schip, waarop hij dient en zodoende tot de goede naam van onze marine, was een gedachte die onze commandant gemeengoed wenste en die ook tegenover de Atjeher moest worden geëerbiedigd.
Koksmaat Gerrit.
In April 1891 werd ik geplaatst a/b van Hr. Ms. Fregat Ëvertsen", een, in 1857 te water gelaten, mooi houten fregat, dat nu uit zijn zeiltijd nog slechts de drie ondermasten toonde. Het diende voor de opleiding van 600 zeemiliciens, waarvan vele flinke jongens van de vissersvloot waren.Op zekere dag kregen wij bezoek van een bejaarde Katwijker, Kapitein van de zeilvaart, die vele reizen had gemaakt met zijn vrouw aan boord, doch met niets anders dan een "papieren" dokter aan boord. Deze kapitein ,Haasnoot, misschien 70 jaar oud, die op al zijn zeereizen nooit anders dan een "papieren"dokter had gehad, nog nooit op een stoomschip had gevaren, had al een paar maal dingen gezegd, die onze officier van gezondheid 1e klasse, Kloppers, hinderden. Hij vroeg tenslotte permissie een herinnering te mogen ophalen welke zou handelen over anatomie en toen hem daarvoor door de eerste officier vergunning was verleend, begon hij zijn verhaal. Na een lange zeereis het land van Soenda in zicht krijgende, moest hij stoppen daar de wind niet gunstig was. Niet ver van een eilandje viel het anker. Hij dacht toen aan de bemanning. Wellicht zouden er onder zijn, die in lange tijd niet aan de wal waren geweest en dan was het, zo dicht bij dat eilandje, een goede gelegenheid om liefhebbers in de gelegenheid te stellen zich aan de wal te verpozen. Toen hij de bemanning met zijn plan in kennis had gesteld, meldde zich Gerrit, de koksmaat, die gaarne de wal op wilde. "Hoe lang ben je niet aan de wal geweest" vroeg de kapitein. "Drie jaar, kapitein, "antwoordde Gerrit. "Dan vind ik het billijk"zei de kapitein, "dat je wens wordt bevredigd."Een sloep werd overboord gezet en Gerrit ging aan de wal op het eilandje. Hij had een eind touw meegenomen. Er waren vele klapperbomen waarbij er waren, die zonder veel moeite konden worden beklommen. Zo zat onze koksmaat weldra in de top van een klapperboom en wierp "klapper moeda"(jonge klappers) omlaag met de bedoeling, die straks mee te nemen. Hij had al een aardige hoeveelheid geplukt toen hij plotseling voelde, dat er met hagel op hem was geschoten. Hij keek omlaag en zag, niet ver, een heer, die blijkbaar jagende was en nu kennelijk sterk onder de indruk was van de vergissing, die hij had begaan. "Neem me niet kwalijk, ik dacht…". Maar Gerrit liet hem niet uitspreken. "’t Is niks hoor,"zei hij, "dat was ik er straks aan boord wel uit." En toen die meneer weer begon met zijn leedwezen te uiten, legde Gerrit hem weder het zwijgen op, maar kan hij niet verhinderen, dat die jagende meneer eindelijk zijn zin kon afmaken: hij had Gerrit tot zijn grote leedwezen voor een stinkvogel aangezien, waarop Gerrit, diep beledigd, zich snel liet zakken en toevoegde: "dat je in me kont schiet vind ik niks, maar dat je me aanziet voor een stinkvogel is wat anders". Daarop viel hij op de jager aan met het gevolg, dat kapitein Haasnoot al zijn kennis van anatomie uit de "papieren dokter"moest toepassen om de jager weder in goede staat te brengen
Kapitein Haasnoot had veel succes met zijn verhaaltje in die grote, volle longroom van wel twintig officieren, tafelgenoten. Er was er slechts één, die niet instemde met het applaus en dat was onze brave officier van gezondheid 1e klasse Kloppers.
Aan boord van de Wassenaar.
In 1896 na met de Van Speyck te zijn thuisgevaren, werd ik geplaatst aan boord van de Wassenaar.
Hr. Ms. fregat Admiraal van Wassenaar, gebouwd in 1856, het schip, dat met zijn hoge tuig van drie masten met ra's gemeerd lag aan het terrein van de Marine werf tegenover de Prins Hendrikkade te Amsterdam.' Op zijn oude dag werd het gebruikt voor de opleiding van jongens voor de Zeemacht, waarvan er zeshonderd aan boord waren. Zulk een ouderwets houten schip met het ruime, met zand geschuurde opperdek en hoge verschansing, kampanje, hoge masten met ondermars- en bramra's, had, al was het ook ontdaan van zijn batterij, een bekoring, die de nieuwere schepen missen. Des Zondags gingen de jongens van de opleiding naar de kerk. Dan riep de opperschipper, na een langdurig 'alle hens' op de fluit: "Kerkgangers aantreden, protestanten aan stuurboord, katholieken aan bakboord, bijgeloven in de midscheeps". Met de benaming "bijgelovigen" werden de kerken bedoeld, die niet Hervormd of Gereformeerd waren, dus Doopsgezinden, Remonstranten, Luthersen en anderen. De fluit en de in dit werk geoefende stem van de schipper vierden overal in het schip gehoord en spoedig was het opperdek aan stuurboord, bakboord en de midscheeps vol kerkgangers, die tenslotte onder het steeds wakend oog van de opperschipper over de valreep gingen en die dan in het gelid naar de verschillende kerken werden geleid. Als de opperschipper hen zag afmarcheren zei hij: Al worden zij niet zalig, ze bennen tenminste van de vloer"..De biggen van Berend.
In het begin van deze eeuw woonde op Texel een zekere Berend. Deze man, in moeilijke financiële omstandigheden verkerende, doch in het bezit zijnde van een aantal biggen, kwam bij het aanschouwen van zijn bezit op een gedachte, die hem aanlokte. Hij zou een loterij houden op Vlieland. De biggen, of een deel ervan, zouden de prijzen worden. Zo gezegd, zo gedaan. Op zijn verzoek verkondigde de omroeper te Vlieland, dat Berend zou komen met een aantal biggen om deze te verloten. Ieder lot kostte een gulden. Daarop liet Berend zich met een vlet over het Eierlandse gat zetten en geleidde zijn twaalf biggen over de Vliehors, via het Posthuis naar het dorp, een lange wandeling. Daar aangekomen was iedereen verheugd hem te zien en velen kochten loten. Tevreden met de afloop bracht Berend zijn biggen weer naar het Eierlandse gat en liet zich overzetten naar Texel. Sedertdien vernam niemand op Vlieland iets van Berend, noch van zijn biggen.
Toch lekte de zaak uit, natuurlijk, en Texel was er min of meer trots op, dat Vlieland er zo was ingelopen. Vlieland schaamde zich, echter met eén beetje respect voor het geniale van de onderneming en klaagde niet.
Berend was uit de zorgen.