Uittreksel en citaten van en uit het boek van I.F.M. Salim: Vijftien jaar Boven-Digoel,
concentratiekamp op Nieuw-Guinea


Omslag van het boek van Salim. Hij koos voor de kleur rood-wit van de Indonesische vlag. (zie rechts) Rood staat voor moed en wit voor zuiverheid.
Dit hoofdstuk is gewijd aan het belangwekkende boek van Abdul Chalid Salim, een politieke gevangene van het Nederlands-Indische gouvernement, die vijftien jaar heeft gezeten in een concentratiekamp in westelijk Nieuw-Guinea. Het boek geeft een onthutsend beeld over zijn arrestatie en zijn vijftienjarige opsluiting. Ik zal dit boek zo kort mogelijk proberen samen te vatten, afgewisseld door citaten van belangrijke passages, die op treffende wijze weergeven wat het Nederlandsch gezag met hem, maar ook vele andere Indonesiërs, heeft gedaan.
Opmerkelijk is dat de voormalige minister--president (1945-1946) Prof. Dr. Ir W. Schermerhorn een voorwoord heeft geschreven in het boek van Salim. Hij zegt daarin: "In onze sfeer is dit boek een welkome aanvulling van onze te beperkte kijk op de roerige wijze van de geschiedenis van Indonesië gedurende de periode tussen de twee wereldoorlogen".

Prof dr. ir. W.Schermerhorn ( minister-president 1945-1946) en de schrijver I.F.M. Salim bij de gelegenheid van de aanbieding van de eerste druk van het boek Vijftien jaar Boven-Digoel in september 1973
Salim zegt in zijn woord vooraf o.a : "Moge de lezer (...) op deze wijze kennis nemen van de lange lijdensweg van allen die daar om politieke redenen door het Nederlandsch -Indische gouvernement werden geïnterneerd"
I. De Indonesische onafhankelijkheidsstrijd van de avant garde
De eerste zin op pagina 15 luidt: "De weergave van het geboden verzet van Indonesische zijde tegen de uitsluitend door koopmansgeest gedreven veroveringen van de Nederlanders gedurende de drie eeuwen overheersing in Insulinde zou een dik boek kunnen vullen. Die sluitsteen hiervan zou de beschrijving vormen van de zo bloedige Nederlandse politionele acties, die nu ongeveer 25 jaar geleden in dit enorme gebiedsdeel plaatsvonden. Het ligt dan ook geenszins in de bedoeling dit hier in extenso weer te geven. Al het sinds het bestaan van de Oost-Indische Compagnie (1602) door de Indonesiërs geboden verzet was altijd te beschouwen als een 'plaatselijke' strijd tegen de Hollanders in ons grote eilandenrijk. Tot deze lokale oorlogen behoorden bijvoorbeeld de 'eeuwige' Atjeh-oorlog en de strijd tijdens de Nederlandse expedities tegen Bali, Lombok en de Toradjalanden in Celebes"
Salim geeft enkele belangrijke gegevens over de opstanden op West Java en Sumatra in de jaren 1926-27.
Pagina's 22/29 "Volkomen onmachtig om het in
een strijd tegen het zo uitstekend bewapende en georganiseerde Kon. Ned.-Indische
Leger (K.N.I.L.) op te nemen, kwam het toch nog op verspreide plaatsen in de
archipel tot een weinig samenhangend en doeltreffend gewapend verzet tegen de
kolonisatoren en hun Indonesische aanhang, waaronder vooral de ambtenaren en het
politiepersoneel moesten worden gerekend. Aan onze zijde werd bij de gevechten
niet alleen van een aantal oude Beaumont-geweren en verouderde pistolen, maar
vooral van rentjongs (Atjehse klewangs) en messen gebruik gemaakt. De enige
gebiedsdelen waar de opstand de Nederlanders veel zorgen gaf, waren Sumatra's
westkust en de residentie Bantam op Java. In Sumatra speelde zich de strijd
voornamelijk af bij Padang, Padang-Pandjang, Siloengkang, Sitjintjin en
Sawah-Loento. Bij dit treffen sneuvelde daar onder anderen de Nederlandse
luitenant Simons en enkele Indonesische landsdienaren. De verliezen aan onze
zijde waren vanzelfsprekend groot te noemen. Ten slotte maakte de Nederlandse
majoor Rhemrev hier een einde aan ons verzet.
In Bantam werd hoofdzakelijk bij Pandeglang, Menès,
Tjaringin en de haven Laboehan gevochten. Vooral het bezit van deze oceaanhaven
in verband met de mogelijke aanvoer van wapens - kwam de leiding van onze
verzetslieden als bijzonder belangrijk voor! Bij de strijd in dit Bantamse
gebied sneuvelden aan Nederlandse zijde onder anderen de opzichter Benjamins, de
wedana van Menès, de assistent-wedana van Tjening, een mantri, een rechercheur
en een aantal Indonesische politieagenten. Hier sloeg de Nederlandse kapitein
Becking in betrekkelijk korte tijd het verzet neer, wat met zware verliezen aan
onze zijde gepaard ging
In beide genoemde gebiedsdelen werden door onze mensen wegen, bruggen en
spoorwegen vernield, terwijl huizen in brand werden gestoken en lichtleidingen
werden opgeblazen. In Sumatra waren onze aanvallers vaak in rode hemden gekleed,
terwijl zij zich bij Laboehan voor een deel in witte gewaden hadden gestoken en
zo voor de troep uit 'tandakten'. Zij meenden zo - naïef genoeg - onkwetsbaar te
zijn! Uiteraard vormden de op deze wijze geklede groepen een gemakkelijk doelwit
voor de soldaten van het K.N.I.L. De ongelijke strijd was dan ook in
betrekkelijk korte tijd ten voordele van de Hollanders beslecht. Zo onvoldoende
als de Ned.-Indische weermacht voor een gewapend conflict met een buitenlandse
vijand was toegerust, zo perfect was zij berekend voor haar taak een
'binnenlandse vijand' te verslaan. Hiervoor uitstekend bewapend, snel
verplaatsbaar en goed gedrild in een rimboekrijg, hadden onze opstandelingen
tegen dit leger geen schijn van kans! Tóch veroorzaakte de revolte van onze
'avant-garde' voor het eerst in de Nederlandse koloniale geschiedenis een grote
paniek onder de bezetters, bijvoorbeeld in het vroegere Batavia, waar vele
Hollanders zich uit angst in hun huizen opsloten. Men besefte plotseling, dat
het ditmaal niét meer om het een of andere lokale conflict handelde, maar dat
het hier een algemeen verspreid verzet in Ned. Oost-Indië betrof. En al was dit
Indonesisch verzet de avant-gardisten door onvoldoende leiding en bewapening
gedoemd volkomen te mislukken, het was niettemin een evidente uiting van een
massaal ontwaken van een onderdrukt volk. Terecht zei Sun Yat Sen eens; "The
east has awakend , but Indonesia unfortunatley awake too late!".( Sun Yat Sen
-1866-1925- grondlegger van het republikeinse China) 'Bovendien
realiseerden vele Hollanders zich voor de eerste maal, dat zij slechts met
ongeveer 200.000 landgenoten over een volk van 60 à 70 miljoen Indonesiërs
regeerden en dat zij bij een volgend verzet grote kans liepen onder de voet te
worden gelopen!(...)
De paniek die zich na de revolte van de Hollanders had meester gemaakt, uitte
zich onder meer in massa-arrestaties van Indonesiërs, een ingrijpen waarbij de
schuldvraag vaak kant noch wal raakte. Wanneer 'men' in die periode een
Indonesiër - zonder enig concreet bewijs te kunnen leveren - maar 'verdacht'
vond, werd deze zónder vorm van proces gearresteerd en opgesloten. En zoals dit
nóg steeds in landen met extreem linkse of rechtse dictaturen met weerloze
'politieke gedetineerden' gebeurt, had het tóén onder het koloniale Nederlandse
bewind in de hele archipel plaats. Ook de Indonesiërs in gouvernementsdienst -
vooral bestuursambtenaren en het politiepersoneel - wezen massaal de
'zondebokken' aan. Soms ging het alleen om 'lastige personen' te elimineren, die
in een bepaalde tak van dienst of in een of ander bedrijf nogal eens
moeilijkheden hadden veroorzaakt. Dán weer bleek achteraf, dat de lagere
ambtenaren - waaronder de kamponghoofden - of de particuliere 'tipgevers' hun
oog hadden laten vallen op een grondje of enig ander bezit, ja, zélfs op een
charmante vrouw van het slachtoffer. In ieder geval verdween de verdachte in
deze panische periode geruisloos voor geruime tijd of soms blijvend uit de
samenleving! In totaal werden, volgens Petrus Blumberger, ongeveer 13.000
arrestanten in de diverse gevangenissen in ons eilandenrijk opgesloten. Deze
getraliede verblijven puilden dan ook letterlijk uit. Van dit aantal werd
eerst na geruime tijd de helft - wegens gebrek aan bewijs - vrijgelaten. De
vrijgekomenen moesten er zélf maar verder voor zorgen om ergens aan de slag te
komen. Bovendien werden zij na hun vrijlating nog altijd als 'verdachten'
beschouwd en daarom bij hun sollicitaties gedwarsboomd. Voorts werden vier
gevangenen door de koloniale machthebbers geëxecuteerd. Waarom is mij onbekend.
Was dit om hun daden gedurende de opstand begaan, of was dit wegens gepleegd
verzet? Anderen beweerden later weer, dat de slachtoffers - wat al heel moeilijk
te bewijzen was - 'op de vlucht' waren neergeschoten! Verder werd een niet
onbelangrijk aantal- onder wie mijn vriend Dachlan - in de gevangenissen
afgeranseld, een barbaarse methode. In ieder geval zouden in een latere fase
circa 1300 gevangenen - onder wie ook ik - worden geïnterneerd. Het overgrote
deel van ons zou dan naar Boven-Digoel in Zuid-Nieuw-Guinea worden verbannen.
Tot deze gedeporteerden behoorden ook nog 15 vrouwen en 10 Chinezen, merendeels
om hun communistische activiteiten. De nationalisten zouden ons meestal in een
later stadium te Boven-Digoel volgen. Als gevolg van hun passieve houding
tijdens onze opstand, hun relaties met de communisten in de archipel of in het
buitenland en hun 'flirten' met het imperialistische Japan, werden ook 'zij op
den duur door de kolonisatoren geëlimineerd. Zo zouden in Nederland populaire
figuren als onze latere vice-president - drs. Mohammad Hatta - en de bekende
staatsman Soetan Sjahrir naar Digoel worden verbannen. Uiteindelijk zouden de
naar dit Nederlandse Cayenne gedeporteerden uit omstreeks 60% communisten en 40%
nationalisten bestaan. En zo zou dit oord dan terecht de rol van 'bakermat van
de Indonesische onafhankelijkheid' vervullen!
De benaming aan onze voorstrijders door de Nederlandse militairen, het
plaatselijk bestuur, het politie- of gevangenispersoneel gegeven, liep nogal
uiteen. Ze varieerde vooral in de gevangenissen van 'tuig', 'bandieten',
'raddraaiers', 'rampokkers', 'kwaadwilligen' tot 'bendeleden' en 'agitatoren'.
Te Boven-Digoel werden we weer 'staatsgevaarlijken', 'extremisten' of kortweg
'communisten' genoemd. Deze laatste benaming was natuurlijk geheel foutief,
omdat de Hollanders maar ál te goed wisten, dat wij - Digoelisten - uiteindelijk
voor minstens 40% uit nationalisten bestonden. Maar het klonk voor de
buitenwereld nu eenmaal aannemelijker alle geïnterneerden 'communisten' te
noemen. Bovendien trachtte men zo de vele miljoenen in de archipel wonende
islamieten hierdoor enigszins te verzoenen met het bestaan van het ballingsoord.
De vrees dat wij ooit nog eens door deze of gene als Indonesische
vrijheidsstrijders zouden worden gezien, noodzaakte de koloniale machthebbers
ons tegenover het grote publiek steeds als ongewenste 'extremisten' voor te
stellen. En het eenvoudigste was dus in deze hele aangelegenheid alleen 'Moskou'
van alles de schuld te geven en vooral te verzwijgen, dat het gebeuren een
uiting was van het ontwaken van een onderdrukt volk! Nu moet men ook aan de
andere kant niet denken, dat de Indonesische revolutionairen zich tijdens de
opstand uitsluitend als zulke 'onschuldige zielen' zouden hebben gedragen. Deze
opvatting zou immers een totaal vertekend beeld van de realiteit geven. Elk
gewelddadig optreden gedurende een revolte of oorlog is nu eenmaal 'beestachtig'
te noemen, wat dan weer wraaknemingen van de tegenpartij uitlokt. Dat de
Nederlanders en hun Indonesische aanhang ná de mislukte opstand - als resultaat
van het gepleegde geweld van onze voorvechters - echter véél te ver zouden gaan
in hun represailles was misschien wel 'ergens' te begrijpen, maar getuigde
desondanks niét van het juiste politieke inzicht en wijsheid van de regerende
macht! Het was dan ook voor ons in die tijd - en zelfs nog vele jaren daarna te
Boven-Digoel- moeilijk, zo niet onmogelijk, om de Hollanders duidelijk te maken,
dat onze revolutie in wezen een algemeen volksontwaken inhield. De Nederlanders
waren er immers van overtuigd, dat zij in ons eilandenrijk - geheel in óns
belang - een historische en zelfs 'heilige' roeping hadden te vervullen. Hierom
verwierpen zij unaniem het denkbeeld van een eendrachtig Indonesisch
volksverzet.(...) En daarom achtten de Hollanders hun te vervullen taak veelal
uitsluitend tot heil van het Indonesische volk. Dat er onder hun deskundige
leiding een subliem georganiseerde staat ontstond, die tot voorbeeld en lering
van vele andere koloniën kon dienen, is onbetwist juist. Maar dat zij daarbij
als een 'supervolk' tot in lengte van dagen over ons - in hun ogen nog altijd
'inlanders' - zouden moeten blijven regeren, zal tegenwoordig toch wel geen
enkel weldenkend mens ter wereld nog kunnen en willen aanvaarden!
Het was voor de gouverneur-generaal jhr. mr. A. C. D. de Graeff (I926- I931),
die in onze Indonesische samenleving - in tegenstelling tot vele anderen onder
deze hoge regeerders - als een wáre aristocraat en ethicus bekend stond, een
zware opgave tot het stichten van een deportatieoord te besluiten. De bewindsman
had namelijk altijd een open oog gehad voor de behoeften en verdere ontwikkeling
van ons volk en toonde in dit opzicht een profetische blik. Hij liet soms
duidelijk doorschemeren, dat naar zijn inzichten binnen afzienbare tijd aan
iedere vorm van kolonialisme een einde zou komen. Hierom achtte de bewindsman
het noodzakelijk, dat de Ned.-Indische regering onder andere tot taak had ons
volk hierop geleidelijk voor te bereiden. Deze zienswijze en zijn correct en
welwillend optreden tegen ons, Indonesiërs, pasten natuurlijk niet in de
denkwijze van de massa der Nederlandse kolonialisten. Men aarzelde dan ook niet
deze integere figuur in de onderlinge conversatie een 'weekdier' te noemen.
Het speet ons daarom intens, dat de revolte nu juist onder zijn zo opbouwend
bewind moest plaatshebben. Maar de wil tot dit grote Indonesische verzet was nu
eenmaal in de loop van enige decennia gegroeid en zou zich daarom op een
willekeurig moment in de vorm van een revolte uiten. Daarentegen wezen de
fanatici onder de koloniale Hollanders erop, dat naar hun oordeel vooral het
milde en rechtvaardige regime van deze gouverneur-generaal de oorzaak van de
opstand moest zijn en dat dit bloedige optreden dus aantoonde, dat wij,
Indonesiërs, uitsluitend 'met straffe hand' moesten worden geregeerd! . Onder
druk van de minister van Koloniën in het moederland, de leden van de Raad van
Indië, de procureur-generaal en mogelijk van zijn eigen secretarie moest 's
lands regeerder wel voor het denkbeeld zwichten 'ergens' in een uithoek van onze
archipel een ballingsoord te laten bouwen. Hem werden daartoe de in onze ogen zo
beruchte 'exorbitante rechten' (uitzonderlijke bevoegdheden) toegekend. Zelfs
vele jaren later - nadat ik het Digoel-drama had overleefd en mij in Nederland
bevond -liet de toen ex-gouverneur-generaal mij door tussenkomst van de bekende
journalist dr. M. van Blankenstein zijn excuses voor dit onmenselijke gebeuren
overbrengen!

Jhr A.C.D. de Graeff. Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië van 1926-1931
De Ned. Oost-Indische regering motiveerde haar besluit tot het bouwen van een verafgelegen deportatie-oord onder andere door te verklaren, dat zij niét bereid was de 1300 personen die volgens haar voor internering in aanmerking kwamen, de kans te geven naar het buitenland uit te wijken. (...) De grote moeilijkheid voor de regering was dan ook om 1300 avantgardisten, die volgens haar niet strafrechtelijk vervolgd konden worden, voor lange tijd of permanent uit de maatschappij te bannen. Voorop stond de steeds weer in het openbaar door de koloniale machthebbers verkondigde stelling, dat al deze personen vooral niet als gestraften mochten worden beschouwd en behandeld. En, dat zij daarom van élke dwang - waaronder arbeidsdwang - moesten worden vrijgesteld. Dat de behandeling van onze mensen in de diverse gevangenissen en de latere gebeurtenissen te Boven-Digoel in flagrante strijd zouden zijn met deze zo mooi klinkende voorschriften, zal in het navolgende beschreven worden. En zo viel het oog op een aan de linkeroever van de Digoelrivier hooggelegen terrein strook diep in de jungle van Zuid-Nieuw-Guinea, een gebied dat ik nog nader zal beschrijven.


Boven: Kaart van Nieuw Guinea. Onder: Detail kaart, met rood onderstreept het concentratiekamp Tanah-Merah in het Boven-Digoel gebied
Volgens de opvatting van de toenmalige regering zou deze minstens 10.000 hectare grote landstreek zeer 'vruchtbaar' zijn, terwijl het oord als 'gezond' gekwalificeerd werd. Bovendien had zij nog ándere redenen om ons zó ver weg te zenden en totaal te isoleren. Enkele van deze motieven maakte zij - onder andere in de pers - bekend, maar er waren er ook van zéér dubieuze en minder humane aard, die zij uiteraard liever niét publiceerde. Wij, bannelingen, zouden eerst láter ervaren, wat deze 'verzwegen redenen' inhielden, hetgeen hierna in dit boek 'uit de doeken' zal worden gedaan. (...) Al spoedig werden door de koloniale regering de eerste twee interneringsbesluiten in de Staatscourant gepubliceerd. Het is wel duidelijk, dat wij - na lezing van het 'document' - er niet veel meer voor voelden tegen dit besluit protest aan te tekenen. In de eerste plaats hadden wij al ervaren, dat van een redelijk verhoor geen sprake was. In mijn geval bestond dit hele 'verhoor' alleen uit een scheldkanonnade van een HoIlandse bestuursambtenaar, wat met de meesten van ons het geval was. Verder werd de massa van ons, geïnterneerden, - zoals ik eerst later vernam - in het gehéél niet verhoord! Dat wij de kans kregen ons schriftelijk te verdedigen, was uiteraard een farce, redenen waarom praktisch iedere geïnterneerde er maar van afzag. Bovendien beseften wij na kennisname van punt 4 van het interneringsbesluit - waarin élke ontkenning van onze kant tóch niet zou worden geaccepteerd - dat ieder verweer van onze kant nutteloos was! Bij de eerste 'golf' van deportatie in 1928 werden 823 personen geïnterneerd, onder ,wie zich - zoals al vermeld is - 15 vrouwen en in Ned.-Indië geboren Chinezen bevonden.(...) Ook liet het gouvernement bekendmaken, dat Boven-Digoel uitsluitend als een 'doorgangshuis' zou dienen. Iedere déporté die er zich 'behoorlijk' gedroeg, zou in de 'kortst mogelijke periode' voor terugzending naar zijn plaats van herkomst in aanmerking komen. Indien ik ooit een door een regering uitgevaardigde verklaring gelezen heb, die volkomen op onwaarheid berustte, was het wel deze. Hoewel ik het het plaatselijk bestuur te Boven-Digoel nóóit lastig heb gemaakt en er mij altijd correct gedroeg, was dit begrip 'doorgangshuis' blijkbaar niet voor mij en velen van mijn lotgenoten bestemd. En zo werden honderden geïnterneerden - met deze verklaring als een soort misleiding - lange jaren in dit oord der verschrikking op z'n zachtst gezegd bedrogen! ".
Salim vertelt op pagina 32-35 over zijn arrestatie en verblijf van 10 maanden in een gevangenis in Medan:
"Intussen waren er overal op Sumatra relletjes uitgebroken, die in de opstand
van 1926 culmineerden. Ik las in die tijd in de Deli Courant een artikel
van de hand van de toenmalige hoofdredacteur Van der Laan, die hierin
suggereerde álle deelnemers aan de opstand maar voor een vuurpeloton te plaatsen
en neer te schieten! Dit artikel prikkelde mij om in mijn blad ook hiertegen fel
te protesteren, wat - gezien de paniek die zich in die dagen van de Hollanders
had meester gemaakt olie op het vuur van de beruchte Politieke
Inlichtings-dienst (P.LD.) was. Al spoedig kreeg ik dan ook bezoek van een
uitermate vriendelijke landgenoot, Setèpoe genoemd, die later een
agent-provocateur bleek te zijn. Hij probeerde op alle mogelijke manieren mijn
vertrouwen te winnen en hoorde mij intussen uit. En zo kwamen enkele van mijn
niet voor openbaarheid bestemde mededelingen rechtstreeks bij de
inlichtings-dienst terecht, die mij vervolgens op 12 oktober 1927 liet
arresteren! Hierna werd ik door een Hollandse bestuursambtenaar 'verhoord', om
vervolgens in de gevangenis van Medan te worden 'gehuisvest.' Tot mijn schrik
werd ik er van de andere politieke gedetineerden geïsoleerd en in een kleine cel
opgesloten. Van mijn lotgenoten zag ik dus niemand. Wél hoorde ik hen op een
afstand met elkaar praten, wat enigszins mijn gevoel van eenzaamheid verdreef.
Op een morgen werd ik door een cipier opgehaald om mij in een badkamer te kunnen
mandiën. Op weg erheen passeerden wij een grote getraliede zaal, waarin vele
politieke gevangenen waren ondergebracht. Zij begroetten mij allen luidkeels,
waarop ik niet kon nalaten hen vriendelijk terug te groeten. Dit werd als een
ernstig disciplinair vergrijp van mij beschouwd. In plaats mij toen lekker te
kunnen baden, moest ik onmiddellijk naar mijn cel terugkeren. Hier kwam kort
daarna een andere gevangenisbewaarder mij zeggen, dat de gevangenisdirectie mij
voor mijn 'vergrijp' ernstig wilde straffen en dat ik daarom acht dagen lang op
'droge rijst' was gezet. Bovendien werd ik in mijn cel 'aan de ketting' gelegd,
wat inhield, dat mijn linkerpols en rechter enkel werden geboeid en met een
ijzeren ketting - bestaande uit zware schakels - werden verbonden. Ik wist
werkelijk niet hoe ik het had! Omdat ik klein van stuk en tenger gebouwd ben,
deden mij de zware ijzeren boeien uiteraard bij iedere beweging al gauw pijn aan
pols en enkel. Ik durfde mij daarom bijna niet te verroeren en wachtte dus -
zoveel mogelijk stil liggend - maar de verdere gang van zaken af. Het
allerergste vond ik wel, dat het mij verboden was te lezen. Ook de nachten waren
ten gevolge van deze bewegingsbeperking een verschrikking, daar ik altijd gewend
was mij enige keren tijdens de slaap om te draaien. De droge rijst werd
dagelijks naàst mij neergezet, terwijl ook het drinkwater onder mijn bereik was.
Dit duurde zo ongeveer drie dagen, tot een vriendelijke Hollandse cipier - die
zich kennelijk niet met deze gang van zaken kon verenigen - mijn celdeur opende.
Meewarig keek hij naar mijn boeien en schudde - zonder iets te zeggen - het
hoofd. Ik vertelde hem, dat mijn vader in Medan lid was van de Landraad en dat
ik hem graag op de hoogte van mijn penibele situatie wilde brengen. De bewaker -
ook fungerend als bibliothecaris van de gevangenis - stelde mij in de
gelegenheid een briefje aan mijn vader te schrijven en nam het epistel voor
verzending mee. Voorts bezorgde hij mij kort daarop allerlei boeiende lectuur.
Dit kon toen gebeuren, omdat de hele dienst - in verband met een
directiewisseling - in de war was, zodat er tijdelijk geen inspecties in de
cellen werden gehouden. Ik bofte dus enorm en schikte mij met meer optimisme in
mijn lot. Tegen alle verwachtingen in opende echter na twee dagen een Hollandse
hoofdcipier tóch mijn celdeur. Juist lag ik in een comfortabele houding - om
vooral niet aan mijn boeien te trekken - rustig te lezen, toen hij voor mij
stond. Hij vroeg mij op barse toon wie mij had toegestaan in mijn cel te lezen.
Vanzelfsprekend gaf ik op deze vraag geen antwoord, daar ik zijn collega in geen
geval wilde compromitteren. Vervolgens bukte hij zich om een naast mij liggend
boek op te rapen. Dit was Koenens Handwoordenboek der Nederlandse Taal,
dat hij toen haastig begon door te bladeren. Ergens moest ik wel om de groteske
situatie lachen, omdat deze forse en geïrriteerde Hollander - zorgvuldig een dik
woordenboek doorsnuffelend - zo dreigend tegenover een kleine aan de ketting
liggende weerloze Indonesiër stond. Hierna legde hij het 'onschuldige'
woordenboek weg en verweet mij, dat ik het misschien zou kunnen gebruiken om er
een 'code' uit samen te stellen. Deze code zou ik dan eventueel kunnen toepassen
om geregeld met de overige politieke gedetineerden in de gevangenis in contact
te komen. Om deze opmerking moest ik hartelijk lachen, wat hem nóg meer
prikkelde. Hij griste vervolgens het leesboek uit mijn rechterhand en las met
steeds stijgende verbazing de titel: Verbroken boeien, een sentimentele
roman van de Duitse schrijfster Hedwig Courths-Mahler. Wat tóén in hem omging,
was duidelijk op zijn gezicht te lezen. Hij nam vlug de beide boeken mee en
smeet met luide knal mijn celdeur in het slot. Na dit alles realiseerde ik mij,
dat ik verder in mijn 'dwanghouding' niet meer zou kunnen lezen, wat mijn enige
troost was geweest. Het stemde mij droevig, maar er was nu eenmaal niets aan te
doen. Er zat dan ook niet anders op dan deze toestand met oosters geduld te
aanvaarden. Ik begreep dat de voor mij zo humane bibliothecaris voor zijn
vriendelijkheid zou moeten boeten. Dit idee werd mij tot een obsessie, waardoor
ik er nachtenlang van wakker lag. Ik zou de vriendelijke cipier inderdaad nóóit
meer terugzien! Nog voordat mijn straftijd van acht dagen verstreken was, opende
de forse hoofdcipier op een goede avond wéér met veel misbaar mijn celdeur.
Zonder één woord met mij te wisselen, maakte hij - nog steeds kwaad kijkend -
mijn boeien los en smeet ze met ketting en al in een hoek. Wat een opluchting!
Ik wreef dadelijk mijn pijnlijke pols en enkel, die beide gezwollen waren.
Hiervoor kreeg ik echter niet veel tijd, want toen klonk het bevel: 'Pak je
boeltje op!' Eerst bij het opstaan ontdekte ik hoe stijf ik was geworden van dat
langdurige aan de ketting liggen. Het kostte mij veel moeite mij te strekken,
omdat mijn rug en bekken wel gefixeerd leken. Desondanks toonde de man geen
enkel medelijden met mij. Buiten het getraliede verblijf gekomen bemerkte ik dat
ook het lopen mij veel inspanning kostte. Het was alsof mijn benen de dienst
weigerden. Toch kreeg ik een forse por in mijn rug als aansporing tot grotere
spoed. En zo bracht hij mij naar een grote getraliede zaal, waar ik door mijn
medegevangenen - allen politieke gedetineerden - hartelijk werd verwelkomd. Wat
was ik blij weer onder vrienden te zijn! Eén ding begreep ik echter' direct: dit
alles moest het resultaat zijn van mij aan mijn vader gesmokkeld briefje. Arme
vader, wat moet hij een zorgen om mij hebben gehad! Tien lange maanden zou ik in
ons gemeenschappelijk verblijf moeten doorbrengen. Steeds bleven wij hopen op
het moment, dat ons door een gevangenisfunctionaris zou worden bericht, dat wij
in vrijheid zouden worden gesteld. Die dag liet evenwel lang op zich wachten". .
Hoofdstuk II In en om Nieuw Guinea, het grote eiland van onze verbanning
Salim geeft in dit hoofdstuk een beschrijving van de
ontdekking van Nieuw Guinea
vanaf het jaar 1512 en de verschillende expedities daarna, die Nieuw Guinea
op de kaart hebben
gezet. Ook komt de kwestie Nieuw Guinea van de zestiger jaren aan de orde,
als op 1 mei 1963 het gezag over Nederland Nieuw Guinea aan de Republiek
Indonesia wordt overgedragen. Het hoofdstuk eindigt met de volgende woorden:
Pagina 71: " Het zal een ieder na kennisname
van al het bovenstaande wel duidelijk zijn hoe wij - ballingen - ons voelden,
toen wij nu ruim 40 jaar geleden te Boven-Digoel in het hart van de jungle van
Zuid-Nieuw-Guinea werden 'neergezet'. En dit nog wel vele honderden kilometers
van de kust verwijderd! Bovendien hadden wij als naaste buren ... koppensnellers
en kannibalen. Want het - bij gouvernementsbesluit van l0 december 1926 - ons
daar doen deporteren hield een viervoudig doel in. In de eerste plaats dienden
wij ergens 'opgeborgen' te worden, van waaruit wij niet meer konden ontvluchten.
Verder moesten wij ergens verblijven, waar wij géén enkel politiek contact met
de omwonende autochtone bevolking konden hebben. Dan - en dit was uiteraard het
allerbelangrijkste moesten wij dermate in politicis geïsoleerd zijn, dat wij
onze miljoenen landgenoten elders in Indonesië niet meer konden beïnvloeden. En
als allerlaatst motief moesten wij zo maar in de loop der jaren rustig ...
wegkwijnen, met andere woorden: de vervroegde 'natuurlijke dood' tegemoet gaan,
zonder dat er een haan naar zou kraaien! Hóé dit alles uitpakte, zal in de
volgende hoofdstukken worden beschreven".
Hoofstuk III De voorgescheidensi van het Boven-Digoelgebied
Salim beschrijft de verschillende militaire expedities, die het Boven-Digoel hebben verkend, de eerste had omstreeks 1907 plaats.(Een ver familie lid van mij A.J.Gooszen heeft aan deze eerste expeditie deelgenomen). In januari wordt kapitein L.Th Beckingh in januari 1927 naar Nieuw Guinea toe gestuurd om een deportatie kolonie in Tanah-Merah te stichten.
Pagina 79: "Boven-Digoel kon dan ook niet helemaal 'terra incognito' worden genoemd, toen kapitein L.Th. Becking er in januari 1927 heen reisde om de deportatiekolonie in de eerste graad Tanah-Merah te stichten. Deze militair was dezelfde kapitein die in 1926, in opdracht van de legercommandant, een einde had gemaakt aan onze onafhankelijkheidsstrijd tegen het 'wettige' Nederlandse gezag in Bantam (West-Java). Na deze opstand en na onze revolte in West-Sumatra wenste het gouvernement zich van ons allen, 'avant-gardisten’ - schuldig of onschuldig - te ontdoen. En zo werd kapitein Becking daarna aangewezen om het zo ver afgelegen en eenzame ballingsoord midden in de ondoordringbare jungle van Nederlands Zuid-Nieuw-Guinea te bouwen. Want bij gouvernementsbesluit van 10 december 1926 was 'te onzer gerieve' de Onderafdeling Boven-Digoel in het leven geroepen, waarvan Tanah-Merah het centrum zou worden. Tevens zou dan genoemde onderafdeling als nieuw Nederlands bestuursgebied in deze diepe jungle moeten dienen. Voor dit gebeuren, namelijk de eerste deportatie op grote schaal in de geschiedenis van Nederland en Ned. Oost-Indië, bestond vanzelfsprekend destijds in Holland zelf, maar ook daar buiten, ruime belangstelling. Men sprak in die dagen al openlijk afkeurende woorden over Nederlands eerste en grote concentratiekamp en dat nog wel in een tijd lang voordat Adolf Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen
.
De eerste geïnterneerden worden onder
streng militair toezicht te Ambon ingescheept, teneinde naar het
concentratiekamp in het Boven-Digoel gebied in Zuid-West Nieuw Guinea
te worden vervoerd.
Hoofdstuk IV De verre reis naar het voormalige ballingsoord
Salim beschrijft drie reisverslagen om naar Nieuw Guinea te komen. De eerste beschrijving neemt hij over uit het boek van de arts dr Schoonheyt van zijn reis in 1932 van Java naar Zuid Nieuw Guinea, de tweede is van dezelfde arts de beschrijving van zijn reis van de monding van de Digoel rivier en de daarop volgende kalivaart. De derde is van de reis die Salim zelf heeft gemaakt. Zie hierover het volgende:
Pagina 106: "Mijn reis begon in de gevangenis te Medan. Zoals ik reeds in het hoofdstuk over de Indonesische vrijheidsstrijd van de avant-garde schreef, werd mij het 'Huis van Bewaring' in deze stad als tijdelijke verblijfplaats toegewezen. Ik werd er tien maanden gratis gevoed en 'gekleed'. Toen werd mij op een goede dag in mijn cel door een somber kijkende cipier mijn interneringsbesluit overhandigd. Ik bekeek het document - door ons later 'diploma' genoemd - en begreep, dat de teerling geworpen was en mijn noodlot bezegeld! Tevoren had ik bij de vloekende controleur van het Binnenlands Bestuur voor Beneden-Deli, de heer Batenburg een routine-vragenlijst moeten invullen, die blijkbaar ook in mijn geval onontkoombaar was. Deze nietszeggende formaliteit vloeide weer voort uit de beruchte 'exorbitante rechten' van de gouverneur-generaal, waarvan het koloniale gezag, zoals ik al schreef - na de revoltes in Sumatra en Java - een gul gebruik maakte om de in hun ogen ongewenste elementen op -te ruimen. Ik werd dus niet in de gelegenheid gesteld mij voor een gerecht te verdedigen, maar moest zonder meer de veroordeling aanvaarden. Wél zag ik in, dat dit nu eenmaal het lot van praktisch iedere politieke gevangene was, wáár ook ter wereld! Al begreep ik toen nog niet, dat de uitreiking van dit 'diploma' 15 lange jaren van isolatie inhield. Ik hoopte desondanks, dat al spoedig in Boven-Digoel een rechtvaardige afdoening van zaken zou volgen en dat mijn afzondering uit de maatschappij slechts van tijdelijke aard zou zijn. Te meer, daar mij - bij de uitreiking van het fatale document - werd verzekerd, dat de duur van mijn verbanning afhankelijk zou zijn van mijn gedrag. Vóór mij - anno 1927 en de eerste helft van 1928 - waren al vele van mijn lotgenoten, eveneens slachtoffers van deze 'exorbitante rechten', naar het afgelegen deportatie-oord getransporteerd. Ik behoorde dus tot de 'laatkomers'. Dit kwam - naar mijn mening - omdat mijn vader, Soetan Mohammad Salim, als gepensioneerd hoofddjaksa en lid van de Landraad te Medan, zich per rekest tot de gouverneur-generaal, de procureur-generaal en ten slotte tot de gouverneur van de Oostkust van Sumatra had gewend. Hierin verzocht hij deze autoriteiten te bewerkstelligen, dat ik niét zou worden verbannen. Voeg daarbij het feit, dat mijn broer Hadji Agus Salim toen lid was van de Volksraad. Ook hij had van zijn kant alles gedaan om dit noodlot van mij af te wenden. Een en ander moest wel tot gevolg hebben, dat de koloniale machthebbers aarzelden mijn internering uit te voeren. Maar in juli 1928 was het dan toch zover. Ik moest - zoals de geijkte term luidde - als 'staatsgevaarlijke' onder nr.: 925 naar Boven-Digoel gedeporteerd worden, zonder enig pardon!
Daarna volgt een boeiend verslag van zijn reis tot hij in het concentratiekamp Tanah-Merah aankomt
Pagina's: "114/115. En zo werd balling nr. 925 - nauwelijks in deze 'groene hel' gearriveerd - onder grote belangstelling en verontwaardiging van mijn lotgenoten wéér weggevoerd en in de 'boei' (= gevangenis) op het militaire terrein opgesloten. Nóg klinkt me het knarsend geluid van het omdraaien van de grote sleutel in het slot van mijn cel deur in de oren. En al was ik met dit geluid na al die lange maanden van opsluiting, wel vertrouwd geraakt, ditmaal gaf het mij evenwel een gevoel van absoluut buiten de wereld te worden gesloten. Hoe was het mogelijk! De bewaking bestond uit militairen, die nagenoeg geen woord met mij durfden te wisselen. Ook bleek al gauw, dat ik er vrijwel de enige onvrijwillige 'logé' ·was. In ieder geval kon ik er geen lotgenoot ontdekken. Wel zaten nog twee Papoea's en een kettingbeer 'knijp', waarschijnlijk wegens een crimineel delict. Eens per dag werd ik in de namiddag 'gelucht' en kon me dan - onder geleide van een soldaat - op de steiger aan de kalioever mandiën (= baden). Hierna moest ik, zonder dat ook maar één woord met mij werd gewisseld, de korte afstand naar de boei terug afleggen en ging de celdeur weer hermetisch dicht. Mijn collegae-gevangenen mochten tenminste hun deur nog een poosje openhouden. Dit prerogatief was voor mij als 'extremist' niet weggelegd. Wel werd mij daarna - als enige troost - een bordje nasi met zoute vis, tempeh en sambal gebracht. Na dit 'diner' gingen zonder pardon ook de andere 'huisdeuren' op slot. 's Avonds keek ik langs de tralies naar de met stormlantaarns verlichte ruimte tussen het cellencomplex, dat geheel met prikkeldraad was omgeven. Van het oerwoud kon ik zelfs geen glimp opvangen. Ik zag alleen tralies en prikkeldraad! Wél luisterde ik in de nachtelijke uren gespannen naar de geluiden van de dieren uit de 'hoetan' (= oerwoud), voorzover de luide nietszeggende conversatie van de wacht mij hiertoe in staat stelde. Van slapen kwam vanzelfsprekend niets terecht. Mijn bale-bale (brits) bestond uit ruwe takken, die met rotan dwars op twee boomstammen waren gebonden. Hierop lag slechts een matje. Zelfs een kleine bant al (hoofdkussen) werd me niet gegund. Hoe zeer miste ik mijn matrasje, dat mij op reis zoveel goede diensten had bewezen! Lang kon ik niet liggen, want dan kreeg ik ondraaglijke rugpijnen. Ik stond dan op en 'ijsbeerde' enige stappen naar de celdeur en terug, tot de rugpijn verdween. Hierna legde ik me maar weer op mijn martelbed neer en viel dan oververmoeid in slaap. Ook voerde ik iedere nacht een hoogst ongelijke strijd tegen de muskieten. En al kreeg ik - ter voorkoming van malaria - iedere avond mijn drie kininetabletten te slikken, opdat ik vooral niet te gauw uit dit aardse lijden verlost zou worden, deze nachtelijke duivels spaarden mij geen moment! Weliswaar kreeg ik als geruststellend symbool, dat de Nederlandse regering zelfs 's nachts over mij waakte, een rood-wit-blauw-gekleurde klamboe. Deze zat evenwel vol gaten en bood absoluut geen bescherming tegen die venijnige insekten. Ik voelde me werkelijk ellendig en van allen verlaten! Van mijn kampgenoten zag of vernam ik niets. Zij waren blijkbaar té bang om zich te 'compromitteren' door contact met mij op te nemen. Ik was hierdoor teleurgesteld en verbitterd. Ik begreep echter, dat dit voor hen grote risico's met zich kon brengen. Maar zelfs toen ik later 'op vrije voeten' werd gesteld, lieten deze 'vrienden in nood' verstek gaan! Het ergste was bij dit alles, dat ik nog steeds niet wist wat mijn 'zonde' was geweest. Na enkele dagen van spanning werd ik door de djaksa van Tanah-Merah (een oom van de wedana van Boven-Digoel) 'verhoord'. Hij zei me: 'Salim, ik zou maar bekennen wat je ten laste wordt gelegd, namelijk, dat je in het interneringskamp je lotgenoten tot onwerkwilligheid hebt aangezet.' Hierop repliceerde ik, dat ik nauwelijks te Tanah-Merah ingeburgerd was en amper contact met mijn medegeïnterneerden had gehad. Verder wees ik op het feit, dat ik de situatie ter plaatse niet eens kende en dus nog geen enkele invloed had kunnen uitoefenen. De grijze djaksa keek mij ongelovig aan, haalde zijn schouders op en vertrok met de woorden: 'Apa boleh boeat' (= Niks aan te doen!) Weer enige dagen daarna kwam tot mijn verrassing de Hollandse sergeant - die ons destijds aan boord van de 'Albatros' geëscorteerd had - mij 'ex officio' in mijn cel opzoeken. Hij ging op mijn brits zitten en voegde mij sarcastisch toe: 'Zie je nou, Salim, dat heb je ervan als je de rol van "edelmoedige ridder" aan boord wilt spelen!' Daarop wenste hij me met een sneer 'een prettige avond' toe en vertrok. Ik zat met stomheid geslagen. Dus tóch was dat telegram aan de Volksraad de aanleiding van mijn opsluiting! Wat was ik die militair - die me indirect liet blijken, dat hij met mij te doen had - dankbaar voor deze gecamoufleerde tip. Nu wist ik positief waaróm ik 'zat'!
Salem komt uiteindelijk uit de gevangeis en wordt gebracht naar het kamp Goedang Arang getransporteerd en vandaar ging hij naar het kamp Tanah-Tingii waar hij enige maanden verbleef en uiteindelijk naar Tanah-Merah
Hoofdstuk V Tanah-Merah, het kamp van onze internering eerste graad.
Salim geeft een beschrijving van dit verschrikkelijke
oord:
Pagina's: " 145/ 147. De conclusies - waartoe de Boven-Digoel
bezoekende journalister kwamen - waren meestal als volgt samen te vatten: Ten
eerste vond men unaniem ons interneringsoord' 'fraai gebouwd'. Men vergat
hierbij echter, dat onze mensen aanvankelijk in open barakken in de modderige
rimboe moesten wonen en dat de 'modernisatie' eerst in de loop der jaren op gang
kwam. Daarom vonden de verslaggevers - die ons in de beginperiode bezochten -
onze onderkomens 'eenvoudig erbarmelijk' en degenen die in látere jaren een
bezoek aan het kamp brachten: 'uitstekend behuisd' of: 'beter ondergebracht dan
in vele kampongs elders in Indië'! (...) Ten tweede vonden de verslaggevers - mijns inziens
zeer terecht dat de naam 'Nederlands eerste concentratiekamp', zoals die in de
buitenlandse pers opgang deed onjuist was, maar dat die had moeten luiden:
'Nederlands eerste deportatie-oord'. Immers, onze ballingennederzetting was
absoluut géén concentratiekamp! Want ons kamp was niét omringd met prikkeldraad,
waartussen zich wachttorens en mitrailleursnesten bevonden. Wij werden ook niet
geslagen en getrapt, of ... vergast! De enigen die te Boven-Digoel wél achter
prikkeldraad leefden, waren nota bene onze bewakers, dus de ... militairen met
hun gezinnen! Ja, inderdaad, wij leefden niét achter prikkeldraad en mochten ons
zelfs naar alle windrichtingen - met een radius van 25 km van ons kamp
verwijderd - geheel vrij en 'blij' bewegen. Dat klonk allemaal prachtig! Maar
men vergat hierbij 'natuurlijk' te vermelden, dat een ronddwalen van ongewapende
geïnterneerden in een oerwoud vele gevaren met zich bracht wat wij helaas
moesten ervaren. Behalve dat er altijd het potentiële gevaar van verdwalen en
dientengevolge van de hongerdood bestond, was het zwerven door de hoetan met
zijn verschillende parasieten en diersoorten gevaarlijk te noemen. Verder was
iedere aanwezigheid in het moerassige oerwoud - vooral in de beginfase van de
post - levensgevaarlijk door de daar steeds opererende vijandig Papoea's, die
geen kans voorbij lieten gaan om ongewapende 'gasten' te attaqueren. Dit zo
fraai klinkende 'zich vrij bewegen naar alle windrichtingen' was dus een farce
en bedoeld om het grote publiek in de buitenwereld zand in de ogen te strooien!
Ten derde behoorde bijna altijd tot de algemene opinie van de bezoekende
verslaggevers, dat wij, ballingen, er zo humaan werden behandeld en dat wij er
zo'n heerlijk leven leidden. Dit was althans de opvatting van diegenen die in
látere jaren een kijkje op de post kwamen nemen. Zij die in de aanvangsperiode
Boven-Digoel bezochten, waren het hiermee in het geheel niet eens, integendeel:
zij vonden er de toestand 'eenvoudig schandalig'! Ik geef gaarne ten volle toe,
dat de geïnterneerden te Boven-Digoel niét getreiterd of mishandeld werden. De
Hollanders distantieerden zich pijnlijk nauwkeurig van deze afkeurenswaardige
methoden van het 'fysiek tuchtigen' van gestraften, zoals die helaas elders in
de wereld wél plaatsvonden. Maar zij maakten van nog véél efficiëntere middelen
gebruik om ons op de lange duur 'op de knieën' te krijgen. En deze 'bondgenoten'
van de koloniale machthebbers waren: 1. het moordende klimaat, 2. de chronische
malaria, 3. het langzaam doen 'killen' door de jungle, 4. de verschrikkelijke
eenzaamheid en 5. de .... heimwee! . En als ik aan het einde van mijn
geïnterneerden bestaan te Digoel om mij heen zag hóé doeltreffend deze
'bondgenoten op de lange duur' gefunctioneerd hadden en hóé men een groot deel
van onze strijdbare figuren 'klein' had gekregen, voelde ik 'respect' voor dié
Nederlanders die dit geniale en geraffineerde spel met mensenlevens op lange
termijn hadden uitgedacht! En ten vierde waren de bezoekers van Tanah-Merah het
er 'unaniem over eens, dat uiteindelijk álle bewoners van de post - dus' óók de
burgers en de militairen - in zekere zin
'geïnterneerd' waren. Immers, ook deze
bevolkingsgroepen waren gehéél aan het Digoelgebied gebonden. Ook zij konden immers nergens heen, op straffe van
zich anders in het oerwoud vast te lopen, met alle risico's van dien. Ook zij hadden gedurende hun verblijf in deze
uitermate geïsoleerde nederzetting géén weekends of vakanties om 'elders' te
kunnen doorbrengen. Zij behoorden nu eenmaal ook tot de vaste ingezetenen van
het isoleringsoord en moesten eveneens maar trachten er zich tot elke prijs
staande te houden. Alleen was het grote verschil met ónze situatie, dat de
burgers en de militairen er meer comfortabel gehuisvest waren en - wat natuurlijk
de hoofdzaak was - maar voor bepaalde tijd - hoogstens voor één of twee jaar -
te Boven-Digoel moesten verblijven. Het demoraliseerde 'verblijf zonder einde',
dat 'ons - bagnards - was toebedeeld. zouden zelfs nooit kennen en veelal nimmer
begrijpen!"

Overzichtsfoto van het concentratiekamp Tanah-Merah in
het Boven-Digoel gebied Nieuw Guinea
Hoofdstuk VI Het vroegere leven op deze eenzame post
Hierin wordt op een wel zeer indringende wijze beschreven het
gevecht van de geïnterneerden tegen de eenzaamheid:
Pagina 153: "Dat de massa van ons bannelingen, als gevolg van
eenzaamheid en heiwee langzaam maar zeker te gronde ging, deed er minder toe.
Wij moesten nu eenmaal - volgens een ingenieus en duivels plan - blijvend
onschadelijk worden gemaakt; zo niet door te sterven, dan toch wel als een totaal
apathisch of dement en gedegenereerd mens eens Digoel te
verlaten!".
Er kwamen soms journalisten op bezoek maar deze mochten natuurlijk niet alles zien. Als ze dan toch een goed verhaal hadden gemaakt, werden ze al gauw als communistisch besmet of als sympathisant beschouwd. Uitgebreid verhaalt hij over de grootste vijand de malaria Zelf heeft hij vele aanvallen van malaria gehad en ook de geduchte complicatie van de malaria: de zwartwater koorts.
Hoofdstuk VII Wilde kaja-kaja's op bezoek
Uiterst boeiend zijn de ervaringen die met de Papoea's heeft gehad:
Pagina's 212/213: "Van de Kaja-Kaja's te Boven-Digoel heb ik
een vrij uitvoerige beschrijving gegeven. Dit deed ik, omdat zij destijds niet
alleen onze 'gevaarlijke buren' in het oerwoud waren, maar ook omdat ze in de
latere jaren geheel vredelievend tussen ons, ballingen, in het bagno woonden.
Zij waren dus geleidelijk aan min of meer een vaste bevolkingsgroep in ons kamp
geworden en wij hadden dan ook dagelijks contact met hen. En op enkele
uitzonderingen na ging dit erg goed! Daarentegen waren velen van hun stamgenoten
in de jungle onze aartsvijanden. Niet alleen hadden die - zoals ik reeds
vertelde - een aantal van onze mensen aan de grenzen van Tanah-Merah bepijld en
hierbij soms ernstig verwond. Maar er werden ook enkelen van ons door hen
gesneld. Eveneens werd een deel van onze vluchtelingen door hen diep in het
oerwoud opgewacht, onthoofd en ... opgegeten! Het leek mij dan ook wenselijk - ter
beoordeling van het vroegere leven in het deportatieoord - hen ten voeten uit te
'tekenen'. Vooral, omdat de koloniale regering ons met zeer vooropgezette
bedoeling tussen deze kannibalen had 'neergeplant' . Zij deed dit eveneens in de hoop dat wij met deze primitieven geen énkel politiek
contact zouden krijgen. Hierin zijn de Nederlandse autoriteiten dan
ook volkomen geslaagd! Hoewel ik in het voorgaande uit de doeken heb gedaan, dat
wij - via onze smokkelwegen aan boord van de steeds terugkerende Kapal Poetih -
een permanent politiek contact met ál 'onze mensen' in héél Ned. Oost-Indië
bleven onderhouden, was de politieke beïnvloeding van de Kaja-Kaja's te
Boven-Digoel van geen enkele betekenis!"
Hoofdstuk VIII Over nationalisten en communisten te Tanah-Merah
In 1934 werden twee kopstukken in de Indonesische vrijheidsstrijd in 1934 in Digoel geïnterneerd. Het waren niet minder dan Drs Hatta en Soetan Sjahrir. Salim geeft een levendige beschrijving van zijn contact met deze twee mannen.

Dr. Mohammad Hatta (1902-1980) werd in 1945 tot eerste vice-president van de Republiek Indonesia benoemd

Soetan Sjahrir (1909- 1966) was minister- president van Indonesië. Hij was een van de belangrijkste organisatoren van de vrijheidstrijd
Salim verhaalt in dit hoofdstuk over zijn verandering in
geloof: van moslim tot socialist en communist en later overtuigd atheïst.
Pagina 251: "In mijn socialistische en later
communistische periode werd ik overtuigd atheïst. Ik kon mij niet voorstellen,
dat een godheid alle ellende, die overal ter wereld was waar te nemen, kon laten
voortbestaan. Ook in de eeuwenlange vernederingen die het Indonesische volk van
de kant van de koloniale Hollanders hadden moeten ondergaan, kon ik maar steeds
geen goddelijke rechtvaardigheid ontdekken. Ik streed dus uitsluitend als
'humanist' voor de onderontwikkelde en achtergestelde mens, in casu: de
Indonesiërs".
Hij geeft ook duidelijk aan hoe de
Nederlanders hebben getracht, om de uit Digoel ontslagen gevangenen angst in te
boezemen en hun het leven in Indonesië onmogelijk te maken.
Pagina's
258/259."De koloniale Nederlanders verwachtten 'blindelings' van alle
gerepatrieerde ballingen, dat zij volkomen van hun politieke inzichten zouden
zijn 'genezen'. Dit was natuurlijk een grote denkfout! Er is in de hele wereld
nog nooit één politieke delinquent geweest die door gevangenisstraf of
deportatie met bijbehorende terreur van zijn politieke idealen is genezen. Dit
in het bijzonder als deze idealen niet alleen allerlei rechtvaardige sociale
hervormingen maar vooral het verkrijgen van de onafhankelijkheid van zijn land inhouden. Wél is het mogelijk - wat met een groot
aantal teruggezonden Digoelisten het geval was - politieke gevangenen door
jarenlange opsluiting of verbanning 'kapok' (murw) te maken, en hen fysiek en
mentaal te breken. Hierdoor zijn zij dan niet meer in staat voor hun
oorspronkelijke idealen te strijden. Ook kan men deze mensen - wat eveneens met
een deel der oud-Digoelisten het geval was - ten gevolge van hun
jarenlange isolatie zóveel vrees voor nieuwe terreurmaatregelen hebben
bijgebracht, dat men van hun kant nooit meer enige revolutionaire actie hoeft te
verwachten. De van Boven-Digoel teruggezonden ballingen
werden in het algemeen in de hele archipel met grote moeilijkheden
geconfronteerd. In de eerste plaats hadden hun naaste familieleden zich in vele
gevallen garant moeten stellen voor hun verdere politieke handelingen, wat tot
onderlinge wrijvingen kon leiden. De familieleden hadden dit natuurlijk gedaan
om de betrokkenen hierdoor in staat te stellen hun vrijheid te herkrijgen.
Persoonlijk vond ik altijd deze eis van het gouvernement onredelijk en inhumaan!
Verder werd aan een aantal ballingen niet toegestaan naar hun land van herkomst
terug te keren. En zo zwierven er vele van Sumatra afkomstige ex-geïnterneerden
doelloos over Java, waar zij zich niet thuis voelden, en omgekeerd. Bovendien
werden de politieke delinquenten aan een voortgezette discriminatie
blootgesteld, waardoor velen van hen geen arbeid konden vinden. Men nam hen bij
sollicitatie eenvoudig niet in dienst, of ontsloeg hen, omdat men van de
Politieke Inlichtingen-Dienst (P.I.D.) had vernomen, dat ze op Boven-Digoel hadden
'gezeten'. Ten slotte moesten de gerepatrieerden telkens weer bemerken, dat ze
voortdurend op vaak hinderlijke wijze door spionnen en agenten-provocateurs
geschaduwd werden, wat ernstig afbreuk deed aan hun levensvreugde. En al nam de koloniale regering hier en daar
enkele oud-ballingen die tevoren ambtenaren waren geweest - opnieuw in haar
dienst, ook déze mensen werden toch nog altijd als politiek onbetrouwbaar
beschouwd, waardoor ze zich er niet meer op hun plaats voelden. Zij voelden zich
dan ook blijvend 'displaced persons'! Deze moeilijkheden konden voor de betrokkenen
zelfs zó groot worden, dat enkelen in wanhoop de regering maar weer verzochten
naar Boven-Digoel te mogen worden teruggezonden. Zij die eens zo vol hoop en
hernieuwde moed het bagno verlieten, voelden zich in de voor hen nieuwe,
vijandige en zogenaamd 'vrije' samenleving niet meer thuis en verkozen daarom
maar opnieuw de gevangenschap! Ook de om hen wonende landgenoten in het
eilandenrijk waren vaak zó bang om zich door een normale omgang met de
teruggezonden en te 'compromitteren', dat ze hen geheel links lieten liggen. Hierom werden ten gevolge van genoemde
redenen vele ex-Digoelisten weer naar elkander toegedreven. En zo ontstond er in
de archipel één grote groep van uitgestotenen en ontnuchterde oud-bagnards.
Vanzelfsprekend. bevonden zich onder hen óók oud-ballingen die als verbitterden
door het hun aangedane leed niets liever wensten dan opnieuw de Nederlandse
kolonisatoren te bestrijden !".
Pagina 261. " Uit dit alles bleek dan ook afdoende
dat de Nederlanders er níet in waren geslaagd de nog ongebroken ex-ballingen -
ondanks hun jarenlange gevangenisstraffen en deportaties -
van hun politieke idealen te 'genezen. Dit in het bijzonder, omdat deze idealen
als belangrijkste doelstelling het verkrijgen van de Indonesische
onafhankelijkheid inhielden!".
Hoofdstuk IX Tanah-Tingii, het kamp van onze internering in de tweede graad
Er werd een tweede concentratiekamp gesticht.
Het kamp Tanah-Tingii lag 40 km
stroomopwaarts van Tanah-Merah.Het doel was om de gevaarlijkste gevangenen nog
verder van de samenleving af te zonderen. Ook Salim zelf moest er aan geloven en
werd overgebracht naar dit meest verschrikkelijke oord In het begin waren er 125
gevangen maar door sterfte malaria, ontvluchtingen, onderlinge vechtpartijen
werden de gelederen sterk gedund. Het was er ook gevaarlijk door de rondtrekkende
kannibalen Salim werd ernstig ziek en werd weer teruggebracht naar Tanah-Merah. Maar
hij heeft dit ergens al een soort 'verraad 'aan zijn principes gevoeld. Aan het eind
van dit hoofdstuk verzucht hij
Pagina 287: " Nog jarenlang zou het kamp de
onverzoenlijken door een kleine groep djago's (die-hards) bewoond
blijven. Het is voor mij altijd onbegrijpelijk hoe deze mensen het er konden uithouden Tóch hebben zij tot
het laatst toe geweigerd voor het Nederlands koloniale geweld te buigen. Voor hén was dit
inferno met recht .. the point of no return!".

De barakken, waarin de
onverzoenlijken, bij de oprichting van Tanah-Tinggi tijdelijk werden
ondergebracht
Hoofdstuk X De onderlinge strijd en ontvluchtingen uit het inferno
Door de verdeel en heers politiek van de Nederlanders braken er vele onderlinge gevechten in het Tanah-Tingii. Enkele hebben getracht te ontvluchten, dikwijls met een noodlottig resultaat. Op pagina 294 zijn daar de trieste getuigenissen van: "Als gevolg van het trieste en uitzichtloze bestaan van mijn lotgenoten in de beide kampen te Boven-Digoel besloot een aantal van hen - met inzet van hun leven - te vluchten. Dit deed men om alleen maar uit de ellende te zijn! Dat deze escapades levensgevaarlijk waren, valt te begrijpen, omdat men de topografie van het omringende junglegebied onvoldoende kende en praktisch ongewapend was. Uit de praktijk van al deze 'dodenmarsen' leerde men al spoedig, dat de ontvluchtingen naar het noorden, westen en zuiden onuitvoerbaar waren. Immers, in het noorden tornden de refugiés tegen het onneembaar massief van het Centrale Bergland op. En in het westen viel men met zekerheid in handen van de Djaer- en Mappi-Papoea's, die rasechte kannibalen waren. Ook het volgen van de weg naar het zuiden had tot resultaat, dat men vrijwel steeds een ongewenste ontmoeting met deze menseneters kreeg, die meestal korte metten met de vluchtelingen maakten. Dit was vooral het geval ter hoogte van de Kawarga, daar de wilden - tóén althans - dit gebied volkomen beheersten. En al zóu men levend de kust bereiken, dan was de verdere reis over de Alfaeren zee met de zo fragiele prauwen - gedurende bepaalde jaargetijden - onmogelijk wegens zwaar stormweer! Bovendien hadden enkele vluchtelingen geprobeerd - zuidoostwaarts trekkend - Merauke te bereiken om in de daar gevestigde grote Indonesische gemeenschap onder te duiken. Maar ook dit bleek een onbegonnen zaak te zijn, daar men onderweg eveneens kans liep in handen van bosbewoners te vallen, die in deze landstreek loyaal aan het Nederlandse gezag waren. Zij namen dan de refugiés gevangen, of bonden - bij geboden weerstand - de strijd met hen aan".
Pagina 297: "Het was te begrijpen, dat - gezien de onhoudbare toestand in het kamp der onverzoenlijken - de meeste pogingen tot ontsnapping vanuit Tanah-Tinggi werden ondernomen. Immers, van alle escapades - die sinds 1929 tot aan onze evacuatie in 1943 plaatsvonden - kwam het merendeel uit dit oord der verschrikking. Zo ontvluchtten van de in totaal ongeveer zestig 'deserteurs' ± veertig man uit Tanah- Tinggi en slechts een twintigtal uit het veel grotere kamp te Tanah-Merah. Daar er zowat zestien desertiepogingen werden ondernomen, volgt hieruit, dat de vluchtgroepen nu eens bijzonder klein dan weer wat groter waren. Slechts ongeveer één derde van deze ontsnappingspogingen voerde tot tijdelijk succes! ".
Salim beschrijft een aantal van deze
ontsnappingen.
Pagina 305: " In januari 1939 had nog een tweetal
geïnterneerden van Tanah-Tinggi van wie ik helaas de namen vergeten ben - de moed
opgebracht de wildernis in te vluchten. Tot op heden is ook van hén taal noch
teken vernomen! Zeer zeker zijn ook déze mensen door hongerige Papoea's
overweldigd geworden, of op andere wijze omgekomen! In ieder geval blijkt uit het bovenstaande duidelijk, dat
het - in dié jaren althans - praktisch onmogelijk was om uit Boven-Digoel te
vluchten. Wat déze aangelegenheid betrof, hadden de koloniale machthebbers géén
beter isolatieoord kunnen uitzoeken! Men kreeg immers de vluchtelingen vroeg of
laat tóch te pakken. En als zij onvindbaar bleven, hield dit met zekerheid in,
dat zij onderweg waren omgekomen! Ook in dit opzicht waren dus het barre oerwoud en de Papoea's
de bondgenoten van het Nederlandse gezag, dat geen enkel medelijden had met de
voor hun leven in de diepe jungle vechtende, ontsnapte bagnards. Integendeel:
vaak hoorde ik op de nederzetting militairen of burgers lachen, wanneer zij
vernamen dat onze vluchtelingen in het oerwoud waren omgekomen, of door Papoea's
'aan het braadspit' waren geregen! Men kende in het algemeen met onze gevluchte
desperado's geen enkel pardon, uitzonderingen daargelaten. Zelfs nu nog denk ik op stille avonden terug aan deze moedige
mensen, die - geen enkele uitweg in hun leven meer ziende - uit wanhoop de misère in de Digoelkampen ontvluchtten. En vooral zie ik dan het tragische einde
van mijn vriend Dachlan voor mij, de atleet Dachlan, vechtende voor zijn leven
en dat van zijn partners tegen een overmachtige en verraderlijke vijand ... de
Mappi-Papoea's! Wat moet dat een wanhopige en ongelijke strijd zijn geweest! Voorts denk ik steeds weer aan mijn trouwe sobat Najoan -
ònze Jungle Pimpernel - die niemand tot steun achter zich wist en die zo lang
onvindbaar was ... en voor altijd wegbleef.
Hoofdstuk XI Het vroegere patrouille- en expeditieleven en het leven van de Papoea's in de jungle
Tot zijn grote vreugde wordt Salim
uitgenodigd om mee te gaan op een van de patrouille tochten in de jungle.
Pagina's 312/313: "Zoals ik reeds eerder beschreef, besloot op zekere dag de
officier van gezondheid dr. Belinfante mij op een patrouilletocht mee te nemen
naar Ninati, gelegen aan de Moejoe rivier. Dit was voor mij als geïnterneerde wel
één van de hoogtepunten in mijn jarenlange Digoel bestaan. Nóóit tevoren had ik mij kunnen voorstellen, dat mij - als balling,
tevens malaria-onderzoeker en assistent bij de framboesiabestrijding - déze eer te
beurt zou vallen! Bij het horen van dit nieuws was ik dan ook buiten mijzelf van
vreugde even weg te mogen zijn uit de sleur van het interneringsleven
betekende voor mij uiteraard een heerlijke, zij het dan bijzonder vermoeiende 'vakantie'. Wie had dat durven dromen!
Ómdat ik de enige balling was die voor deze taak uitverkoren
werd, streelde deze 'invitatie' vanzelfsprekend mijn ijdelheid. Natuurlijk wekte
dit feit de afgunst op van velen van mijn mede-geïnterneerden. Zélfs zag een aantal van hen mijn
meetrekken met een militaire patrouille ten onrechte als een soort capitulatie!
De afgunst van deze mensen werd nóg groter, toen aan mij als aanvullende uitrusting nieuwe rimboelaarzen, een kakipak, reservekleding en 1 bamboehoed werden verstrekt. Bovendien
ontving ik nog een veldfles en een
schoudertas, waarin ik een aantal van de voor het onderzoek benodigde ingrediënten
kon meenemen. De zwaardere artikelen moesten de 'beren' dragen. Het was voor mij vreemd te moeten constateren, dat ik
plotseling door patrouillelopers volledig als volkomen gelijke werd geaccepteerd.
Ik kende trouwens de meesten van hen ten gevolge van mijn regelmatig malaria-onderzoek in de tangsi. Oók zal ik nimmer vergeten, dat ik tijdens deze tocht op een ochtend - geheel naakt - aan de oever
van de kali Moejoe naast
de dokter baadde. De zeep deelden wij broederlijk samen. Wat een kameraadschap!
Hoe was dit alles toch mogelijk!"
Hoofdstuk XII De apotheose: het einde van ons interneringsdrama
Salim begint het hoofdstuk op pagina 343: "Reeds eerder schreef ik, dat men in 1943 onze aanwezigheid in de kampen te Boven-Digoel verder ongewenst achtte. De Ned.-Indische regering-in-ballingschap te Melbourne vreesde namelijk - zoals men in het eerder genoemde boek van de toenmalige luitenant-gouverneur-generaaI, dr. H.J. van Mook, kan lezen - dat de Japanners ons alsnog op een goede dag zouden bevrijden. En dit wilde men in ieder geval voorkomen door ons naar Australië te doen evacueren. Aan de andere kant was onze positie in het bagno zo langzamerhand onhoudbaar geworden. Immers, daar de verbindingen met de door de Japanners bezette archipel geheel verbroken waren, was nagenoeg aan onze voedsel- en medicijnvoorziening op de post een einde gekomen. Vooral het gebrek aan rijst en braadolie werd ernstig aangevoeld. Onze voeding was dan ook vrijwel geheel op sago en ketella overgeschakeld. Bovendien was onze kininevoorraad uitgeput. Deze toestand kon natuurlijk niet lang meer gehandhaafd blijven.
Tijdens een vergadering over de evacuatie kwestie nam Salim het woord en zei het volgende (pagina's 345/'346)
' Jullie, lotgenoten, weten zeker wel, dat de blanda's voor
het bereiken van hun doelstellingen gedurende de drie eeuwen van hun bewind
over onze archipel altijd consequent en systematisch te werk zijn gegaan.
Wanneer zij iets wilden doorvoeren, begonnen ze steeds met een ... "perintah
haloes" te geven, wat een vriendelijk verzoek was, maar tevens een stille wenk
inhield. Als aan deze "wenk" niet onmiddellijk werd voldaan gingen
zij in een tweede ronde - wijdbeens en met de handen in de zij - tegenover ons
staan en riepen dan luid: ... "God verdomme!" En wanneer ook dit geen effect had, stuurden ze in de derde
faseals een ... "pertintah-keras" (strenge opdracht) - hun politie óf
militairen met getrokken klewangs op ons af! Jullie weten dus wat een ieder uiteindelijk te wachten
staat! Hoewel ik onze evacuatie·op dit moment uiteraard levensgevaarlijk acht,
raad ik aan er in toe te stemmen, want er is tóch geen ontkomen aan. Let maar op, mensen, het wordt ten slotte een: ... "Bevel is bevel!". Het zou inderdaad verlopen, zoals ik het mij had voorgesteld.
De massa van ons zou namelijk - mede als gevolg van mijn betoog - in juni 1943
vrijwillig Boven-Digoel verlaten. De nog steeds weigerachtige naturalisten en de
onverzoenlijken te Tanah- Tinggi werden dan ook later door gewapende eenheden
met getrokken klewangs opgehaald en ... weggevoerd!
Toen in juni 1943 - na een circa vijf tienjarig verblijf in
het bagno- de dag van mijn vertrek was aangebroken, voelde ik mij
desondanks droevig gestemd. Nog afgezien van het feit, dat ik wist welke gevaren
er tijdens ons transport naar Australië dreigden, viel het mij tóch ergens zwaar
van mijn huisje en mijn bibliotheek afscheid te nemen. Deze zo moeizaam
verworven boekenschat schonk ik aan de r.-k. missie te Tanah-Merah. En zoals een
misdadiger bij het voorgoed verlaten van zijn cel nog even met weemoed naar zijn
brits omkijkt, nam ook ik voor het laatst nog een ogenblik mijn kleine woning en
tuintje in mij op. Zou ik ooit in de zo gehaaste, lawaaierige en 'beschaafde'
maatschappij de rust kunnen vinden, die ik dáár zo lang genoten had? Ook het oerwoud om mij heen, waarmee ik in de loop der jaren
zo vertrouwd was geraakt, scheen mij bij het afscheid méér dan ooit te binden!
Eerst tóén begreep ik, wat de 'call of the jungle' eigenlijk inhield. Deze
binding zou mij nooit meer loslaten! In een grote groep werden wij per motorboot naar een Catalina-vliegboot
vervoerd, die op de Digoelrivier voor anker lag. Opnieuw zouden we als 'gouvernementspostpakketjes'
naar voor ons onbekende oorden worden verzonden. Vóór het binnengaan van het
vliegtuig keek ik nog eenmaal achterom. En wat ik nooit
tevoren had kunnen denken, gebeurde op dat moment ... ik
kon mijn tranen niet meer bedwingen!
"Met de Catalina-vliegboot vlogen ze naar
Thursday-eiland ( Eiland even ten noorden van Queensland in de Torres straat)
en werden daar in een kamp ondergebracht. Per schip gingen ze vervolgens
naar Australië:
Pagina 349: "Ik dankte dan ook God· toen ik, in
Cowra aangekomen, weer vaste wal onder de voeten had. Gelukkig was aan het grote
apathisch geworden deel van onze mensen het gevaar dat zij tijdens het transport
gelopen hadden, volkomen ontgaan. Deze lieden hadden hierop namelijk nauwelijks of totaal niet gereageerd! Op de kade van het plaatsje stonden al de vrachtwagens te
wachten, die ons naar een kamp moesten brengen. Dit bleek tot mijn grote schrik
een krijgsgevangenkamp (P.O.W.-camp) te zijn, waarin ook Italianen en Koreanen
waren ondergebracht. Het hele kamp was door enige rijen prikkeldraad omgeven,
terwijl zich op de hoekpunten wachtposten bevonden. Dit waren alle
mitrailleursnesten, die door Australische militairen waren bemand. Wij werden
dus blijkbaar opeens als krijgsgevangenen beschouwd en behandeld. En dát nog wel,
ofschoon velen van ons bij de wedana te Boven-Digoel een stuk hadden ondertekend,
dat zij aan de strijd tegen het fascisme en nazisme - en in het bijzonder tegen
het daartoe behorende racisme - wensten deel te nemen! Het zag er voor ons aldus steeds 'fraaier' uit! We waren immers op dát
uit! We waren immers op dát moment van Digoel-déporté's, die een zekere mate van
bewegingsvrijheid hadden genoten ... 'prisoners of war' geworden! Bovendien
begrepen we geen van allen, waarom wij - na onze járenlange deportatie en
internering - plotseling door de Hollanders in een concentratiekamp moesten
worden opgesloten. Dit in het bijzonder, omdat de Nederlanders in Australië zo
de mond vol hadden van de Duitse concentratiekampen in Europa! Niet lang daarna,
nadat we dus van geïnterneerden tot geconcentreerden waren 'gepromoveerd', kwam
de toenmalige hoogste Nederlandse gezagsdrager - de
luitenant-gouverneur-generaal, dr. H.J. van Mook in onze kampen op
inspectie. In zijn meermalen genoemde boek Indonesië, Nederland en de wereld,
schreef deze hoge autoriteit als volgt over onze voormalige internering te
Boven-Digoel en over zijn indrukken van ons, ex-ballingen, in de Australische
concentratiekampen: 'Wat tóén aan het licht kwam, demonstreerde wel uiterst
scherp, welke principiële fout schuilt in de interneringsmaatregel op zichzelf,
wanneer deze géén tijdelijk karakter draagt. Die fout wordt nóg groter, indien
de internering geschiedt in een afgelegen oord. Er waren onder de ruim duizend
mensen talrijken van wie men zich afvroeg, met welk doel zij eigenlijk nog
afgezonderd werden gehouden. Een aantal hunner was apathisch geworden; anderen
gingen weer gewoon aan de arbeid. Er bleef natuurlijk een verbitterde en
ontwortelde kern over, die sterk communistisch gekleurd - veel heeft bijgedragen
tot de verslechtering van onze naam en positie in Australië.'
Deze hoogste vertegenwoordiger van de Ned.-Indische regering-in-ballingschap in
dié periode was dus uiteindelijk - ná zijn bezoek aan onze kampen in Australië -
tot de overtuiging gekomen, dat onze internering in het zo vér afgelegen
Boven-Digoel foutief was geweest, daar deze slechts van tijdelijke aard had
mogen zijn. Verder had deze bewindsman er zich over verbaasd - onder andere naar
aanleiding van de vele apathische mensen onder ons - waarom dezen toch zo lang
uit de maatschappij geïsoleerd waren geworden. Hij had dit dan ook doelloos
genoemd! Een ernstiger kritiek op het Boven-Digoelbeleid van zijn
voorgangers, de gouverneurs-generaal jhr. mr. B.C. de Jonge en vooral jhr.
mr. Tjarda van Starkenborch Stachouwer, was dan ook niet mogelijk! Beide
bewindslieden hadden ons immers in het bagno maar rustig blijvend laten
wegkwijnen, in plaats van in te grijpen en aan dit jarenlange onrecht een einde
te maken! Het gebrek aan inzicht aangaande het Boven-Digoel probleem van de twee
genoemde hoge vertegenwoordigers van de Kroon in Indië - hierin bovendien
gestijfd door allerlei conservatieve elementen met uitgesproken blijvende
koloniale opvattingen in de Nederlandse regering en in het parlement te Den Haag
- had immers óók nog tot gevolg gehad, dat men ons tijdens de oorlog met Japan
te elfder ure op onverantwoordelijke wijze naar Australië had moeten vervoeren!
Trouwens, beide voornoemde gouverneurs-generaal waren - zoals ik al eerder
schreef - toch geheel 'blind' gebleven voor de richtlijnen, die hun voorgangers,
mr. J.P. Graaf van Limburg Stirum en jhr. mr. A.C.D. de Graeff, lang tevoren
hadden aangegeven om - op vriendschappelijke wijze en met volledige medewerking
van de Nederlanders - geleidelijk aan tot een vrij en onafhankelijk Indonesië te
komen. Had immers jhr. De Jonge deze richtlijnen niet volkomen genegeerd door
tijdens zijn bewind te verklaren, dat de Hollanders al drie eeuwen lang in Ned.
Indië hadden geregeerd en dat zij dit zeker nóg weer drie eeuwen zouden blijven
doen? En was jhr. Tjarda van Starkenborch Stachouwer niet totaal onwillig
gebleven om aan de verschillende petities voor het verkrijgen van een
toekomstige onafhankelijkheid van Indonesische zijde in de Volksraad gehoor te
schenken! Immers, de reeds eerder genoemde en zo bekende petitie-Soetardjo
opende toch volledig de weg tot een blijvende samenwerking tussen de Indonesiërs
en de Hollanders in het toekomstige vrij Indonesië! Juist door dit algeheel
gebrek aan inzicht in de toekomstige verhoudingen tot de Indonesiërs en het
voortdurend halsstarrig afwijzen van hun wensen door deze laatste landvoogd van
Ned. Indië werden én de Indonesische leiders én de hele Indonesische massa
steeds meer gedwongen in het Japanse vaarwater terecht te komen, waar zij véél
liever buiten waren gebleven! Zij kenden immers maar al te goed het Japanse
optreden in Mandsjoerije, China en in Formosa!

Links: Jhr. Mr B.C. de Jonge (1875-1958) Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië 1993-1936. Rechts: Jhr.Mr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer (1888-1978) Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, 1936-1945
Dat er onder ons, ex-ballingen, zoals dr. van Mook terecht opmerkte, een verbitterde kern overbleef, laat zich na het lezen van dit boek toch wel begrijpen. Er was té lang en té veel van Nederlandse zijde aan deze lieden beloofd, wat nóóit was nagekomen. En er was ook té lang met hen gesold! Dat deze verbitterde kern - meest communisten - al spoedig en met succes contact kreeg met hun politieke medestanders in Australië, welke communistische partij een vaste greep op de arbeidersbeweging in dat land had, is toch te begrijpen. Dat verder hierdoor de Nederlandse naam en het aanzien van het Nederlandse volk in Australië een ernstige deuk kreeg, is vanzelfsprekend. De Australische arbeiders weigerden immers aan iedere vorm van voortgezet Nederlands kolonialisme en het nóg langer opsluiten van ons in concentratiekampen in hun eigen land mee te werken. Integendeel, zij zouden alles in het werk stellen om het ons aangedane laatste onrecht zo spoedig mogelijk óngedaan te maken! "

Dr H.J. van Mook 1894-1965, Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, van 1944 tot 1948 . Was in augustus 1947 voorstander van de politionele actie om uitvoering van het Akkoord van Linggadjati af te dwingen
Salim heeft op zich genomen om namens de gevangene een rekest te sturen aan de Australische autoriteiten. Ze kregen te horen dat ze in vrijheid gesteld zouden worden, maar wel op voorwaarde dat ze dan in de Australische militaire dienst moesten gaan. Er zat voor hen niets anders op om daar gehoor aan te geven. Een aantal onverzoenljken gingen daar niet op in en bleven tot het einde van de oorlog in het concentratiekamp in Australië opgesloten.
Zo komt er dan toch een dag dat Salim na al die vijftien lange en bange jaren weer een vrij man wordt. Hij zegt daarover op pagina 353:" Op een goede dag was ik dus van ex-bagnard no. 925 te Boven-Digoel uiteindelijk 'vrij man' geworden. Ik had toen in totaal - mijn vóórarrest in het Huis van Bewaring in Ned. Oost-Indië én mijn ná-arrest in het Nederlandse concentratiekamp in Australië meegerekend - méér dan 16 lange jaren gevangen gezeten! Het was voor mij dan ook een onbegrijpelijke en onwezenlijke gewaarwording opeens 'vrij' te zijn. Dat woord hadden we immers zo langzamerhand uit onze Digoel vocabulaire geschrapt! Verder was ik er onder andere tijdens deze langdurige gevangenschap aan gewend geraakt altijd ergens door een cipier, militair dan wel politieagent bewaakt, gevolgd of bespied te worden. Buiten het prikkeldraad gekomen, keek ik telkens automatisch achterom, om te zien waar toch in 's hemels naam mijn permanente 'schaduw' gebleven was! Ik miste deze figuur wérkelijk in de eerste periode van mijn vrijheid! Ook miste ik de schijnbaar onschuldige ogen van de spionnen van de bui- . ten wacht en van die in ons kamp te Boven-Digoel, die mij zo lang dagelijks hadden gevolgd om mijn levenswandel regelmatig aan het Ned.Indische bestuur te kunnen rapporteren".
Zo komt er ook de dag waarvoor hij al die tijd gestreden had:
de onafhankelijkheid van het Nederlandse gezag.
Pagina 356; "Toen op 17 augustus 1945 de Republiek Indonesia werd uitgeroepen,
probeerden de Nederlanders dit feit voor ons, Indonesiërs in Australië, geheim
te houden. Wij hoorden dit heuglijke nieuws eerst officieel nadat de
oorlogshandelingen met Japan waren afgelopen. Vanzelfsprekend vierden we dit
voor ons zo belangrijke evenement slechts onderling op bescheiden wijze. We
waren - als gewezen avant-gardisten - intens dankbaar, dat we niet tevergeefs
zovele jaren van ons leven voor de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd
geofferd hadden. En bovenal waren we dankbaar voor het feit, dat we nog tijdens
ons leven mochten meemaken, dat ons land bevrijd was geworden van de Nederlandse
koloniale overheersing!".
Zo komt er ook een dag dat Salim in Nederland aankomt en wel op 3 oktober 1946.
Nabeschouwing
Uit deze nabeschouwing volsta ik met een alles zeggende passage, die wij Nederlanders tot op de dag van vandaag ter harte mogen nemen
Pagina's 392/393: "Naar aanleiding van bovenstaande acht ik mij dan ook volkomen gerechtigd te stellen, dat álle volwassen Nederlanders in dié tijd - zowel in Oost-Indië, als in Holland - gehéél op de hoogte waren van het trieste bestaan in het deportatie-oord Boven-Digoel en van het langdurige drama dat zich daar voltrok. Dit werd immers als het ware 'van de daken geschreeuwd!' Men kon - hier en overzee - toch zeker niet zeggen: 'Wij hebben het niét geweten!' En desondanks ontmoette ik in Holland nog vele Nederlanders die zich achter dit gezegde verscholen. Merkwaardig genoeg waren dit vaak dezélfde lieden die luid lachten als in Nederland op bezoek zijnde Duitsers hun zeiden, dat zij niét wisten wat voor vreselijke gruwelen gedurende de oorlog in de hermetisch door S.S.troepen afgegrendelde concentratiekampen in hun land hadden plaatsgevonden. Het: 'Wir haben es nicht gewuszt!' werd dan immers door deze Hollanders op luidruchtige wijze geridiculiseerd! En als ik dan in een gesprek met deze Nederlanders aanvoerde, dat het Digoelgebeuren jarenlang én in hun pers, én in hun parlement geregeld aan de orde was gesteld, kreeg ik het overigens van weinig intelligentie en eruditie getuigende antwoord te horen: Ja, maar ... het is al zo lang geleden!' Alsof men op dié manier maar een heel tragische episode uit de Nederlandse koloniale geschiedenis kan verdoezelen! Men vergat hierbij echter, dat de geschiedenis zich nu eenmaal nóóit laat verdonkeremanen, zélfs niet door historici! We lezen immers toch nog heden ten dage tot in details de geschiedenis van en rond figuren als bijvoorbeeld Alexander de Grote, de Romeinse keizer Nero en Napoleon. En al wil een bepaalde generatie - om zich niet historisch blijvend te blameren - een zeker gebeuren maar ál te graag in de doofpot stoppen, de navolgende generaties staan altijd weer klaar om ditzelfde gebeuren - en dan nog vaak in scherpe bewoordingen - volledig uit de doeken te doen! Trouwens, schreef de bekende Nederlandse dichter Bilderdijk eens niet: 'In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal!'? In ieder geval hebben de Hollanders - in dié periode - onze 15 à 16 jaren durende Digoel tragedie ... wél geweten, maar ze hebben alleen ... niéts gedaan om aan dit permanente onrecht resoluut een einde te maken. Ze deden dit pas, toen ze vreesden dat de Japanners - als bevrijders van Azië - ons zouden kunnen ontzetten. En daarna stopten ze ons zélfs in een Nederlands concentratiekamp, en dit nog wel in Australië!
De samenvatting van het onthutsende en schokkende boek van Salim, kan ik niet beter besluiten met een gedicht van de Nederlandse strijder voor de mensenrechten Jef Last heeft geschreven en dat Salim op pagina 394 citeert.

Autoportret van Jef Last (1898 - 1972) In zijn gedichten trok hij scherp van leer tegen de Nederlandse bezetting van Indonesië. De opstanden van Java en Sumatra van 1926 en 1927 leidden tot de felle vervolging van Indonesische communisten, die gepaard gingen met executies en massa-interneringen in Boven-Digoel, ver weg op Nieuw Guinea. Jef Last wilde de Nederlandse arbeiders in beweging brengen en hekelde de timide opstelling van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij.
" Digoel-Digoel
Waarom ik over Indië schrijf
en niets van mijn eigen land?
Daar ginds werd het lijf van mijn maats de schijf
voor het wapen in heerschers hand!
Daar ginds slaat de rattan, en vol zit de cel,
want zij plantten de roode vaan.
Wij vinden hen prachtig en prijzen hen wel,
maar wat hebben wij gedaan?
Wat deert ons de vent, die ginds krepeert
in de hel van het Digoel-oord?
Als de koningin dertig jaar jubileert,
is de wereld toch zoo als het hoort!
Wij hebben wel zorg, maar wij hebben nog brood
en zoo lang houden wij ons maar stil.
Wat heb je nou aan een voorbarigen dood,
als de baas het toch een keer zoo wil? ,
Wij vinden het prachtig, die kerels daar,
in hun bittere opstandigheid.
Maar wij laten ze rustig, jaar na jaar,
in hun barre verlatenheid.
Het is wel beroerd, maar wij zijn nog gezond
en wat heb je aan al dat misbaar?
Met het geld van de steun kom 'k voorloopig nog rond
en mijn aardappeltjes worden wel gaar.
Wij zijn socialist! wis en drie! op één Mei!
maar je moet niet te veel van ons wenschen.
Als er een lolletje is zijn wij er bij,
maar elk ideaal heeft zijn grenzen.
En zie jè, de daad der opstandigheid
moeten anderen maar voor ons bedrijven.
Want wij kiezen liever de landerigheid
waar je gezond bij kunt blijven.
Zoo staat het in Holland. En daarom, vrind,
denk ik steeds aan die Indische makkers.
Waar 't bekvechten ophoudt en 't strijden begint,
daar zijn wij, in Holland, maar stakkers!"
Aan het eind gekomen van de samenvatting en passages uit het boek van I.F.M Salim Vijftien jaar Boven-Digoel, moet het mij van het hart dat het verbijsterend, ontroerend en inspirerend is dat Salim na al die ellende die over hem en de zijnen door ons Nederlanders zijn uitgestort aan het eind van zijn boek in een laatste hoofdstuk: Eind Goed, al goed, laat blijken niet haatdragend te zijn Hij citeert daarbij een veel zeggend gedicht van de Genestet :
'Er is een tijd van komen,
Er is een tijd van gaan.
Dat hebt ge vaak vernomen
Maar hebt ge het ook verstaan'
Ik heb een enorme bewondering hoe de Indonesische bevolking momenteel staan tegen over onze Nederlanders. Ze hebben het vergeven maar uiteraard niet vergeten. Het moge ons een leidraad geven voor hoe wij in onze Nederlandse samenleving beter moeten omgaan met tolerantie en het zo dikwijls gebruikte wijsvingertje beter in een dijk kunnen stoppen dan....
De foto's zijn ontleend uit het boek van Schoonheyt, L.J.A. (1937)
'Boven-Digoel', het land van communisten en kannibalen. 2de druk. G. Kolff,
Amsterdam-Batavia 1940