Wie was Mr G.W. von Meyenfeldt?
Wat was de rol van Mr G.W. von Meyenfeldt, officier van Justitie te Utrecht, die hij heeft gespeeld in de strafzaken van Bertus van Poorten in 1971, Tom de Booij en Erik van Maal in 1973, André Koppen in 1974 en Tom de Booij in 1975? Zou er een verband hebben bestaan tussen zijn slechte ervaringen als procureur-generaal in Nieuw Guinea in de zestiger jaren en zijn voor ons positieve uitgevallen requisitoiren in de zeventiger jaren? Of is hij als idealist slachtoffer geworden zijn strijd tegen het onrecht en de doofpotcultuur van onze 'rechtstaat'?
Allereerst, wat waren deze slechte ervaringen met onze 'rechtstaat'. Het VPRO-radioprogramma Argos van de VPRO heeft over zijn ervaringen in Nieuw Guinea een documentaire uitgezonden op 17 en 24 juni 1994. Een korte samenvatting van deze uitzending wat betreft de rol van Von Meijenfeldt geven we hieronder weer. We zullen daarbij zien hoe Von Meijenfeldt gedwarsboomd wordt bij zijn pogingen Rolph Gonsalves strafrechtelijk te vervolgen voor het doden van twee Papoea's in de zestiger jaren. Daarna laten we zien -vooral aan de hand van een paar requisitoiren van Von Meyenfeldt - wat de voor ons positieve rol is, die hij gespeeld heeft in een aantal bovengenoemde strafzaken.
1. Von Meijenfeldt wil Gonsalves vervolgen voor
geweldsmisdrijven.
Gonsalves is in 1958 op 26-jarige leeftijd Controleur Eerste Klasse in de
Baliemvallei op Nieuw-Guinea geworden, een ontoegankelijk gebied met circa
60.000 Dani (een Papoea stam). Zijn taak luidt in korte tijd een einde te maken
aan de stammenoorlogen.
In de kleine twee jaar die Gonsalves in de Baliemvallei doorbrengt is hij
betrokken bij een reeks incidenten, waarnaar eerst een bestuurlijk en vervolgens
een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Laatstbedoeld onderzoek vindt
plaats in opdracht van Gerard von Meijenfeldt. Het belangrijkste incident
waarnaar onderzoek wordt gedaan is het doodschieten van een hoofdman en diens
plaatsvervanger. Gonsalves tracht hen te arresteren en als er een speer in zijn
richting wordt geworpen schiet hij met zijn karabijn. Verder is er een
incident waarbij Gonsalves een Dani die hij van leugens in verband met een
varkensdiefstal verdenkt door vier agenten aan armen en benen laat strak spannen
en eigenhandig 25 slagen met een gummistok toedient totdat de Dani flauwvalt.
Voorts is er een incident op 6 december 1959: Gonsalves schiet een Dani vanuit
een hinderlaag in het hoofd en doodt hem, ook in verband met een
varkensdiefstal.
De resident Eibrink Jansen zal later getuigen dat Gonsalves in een gesprek
voorstelt 50 gevangenen te fusilleren
Hoe de pogingen van Von Meijenfeldt tot vervolging van Gonsalves zijn
gestrand.
Het Openbaar Ministerie in Hollandia neemt kennis van de uitkomsten van het
bestuurlijk onderzoek. Procureur-generaal Von Meijenfeldt besluit een
strafrechtelijk onderzoek te doen instellen naar het handelen van Gonsalves. De
resident mr F. Eibrink Jansen en de directeur Binnenlandse Zaken in Hollandia A.
Boenderman vragen hem van dat onderzoek af te zien. Von Meijenfeldt noteert in
zijn dagboek: "Ik moest toch inzien van welk belang het was dat ik mijn
onderzoek zou staken. Een justitieel onderzoek betekende ipso facto publiciteit,
in tegenstelling tot een bestuursonderzoek."
Het politie-onderzoek wordt door de bestuurders waar mogelijk tegengewerkt.
Commissaris Van Klinken en politieman Schülz wordt met ontslag gedreigd in geval
van een belastend rapport. Van Klinken zwicht uiteindelijk voor een aanbod van
een half jaar studieverlof. Von Meijenfeldt ondervindt ook zelf problemen: "Men
voerde vertragende acties, men zette mij onder druk, men kletste over mijn
onderzoek, men hield materiaal achter, men loog, men gaf de regering onvolledige
en onjuiste inlichtingen." Op 17 juli 1960 besluit Gouverneur Platteel in te
grijpen en ontbiedt Von Meijenfeldt, Van Vliet en Bohr op de Residentie. Hij
vraagt om inzage in de processen-verbaal, teneinde te kunnen beoordelen of
stopzetting van het onderzoek gewenst is. De drie anderen leggen de vraag nog
diezelfde avond aan het Gerechtshof voor en krijgen het antwoord dat de
Gouverneur noch gerechtigd is de processen-verbaal op te vragen noch bevoegd is
het onderzoek te doen staken. De leden van het Hof overwegen zelfs hun functie
in verband met de gang van zaken neer te leggen. Op 18 juli verklaart Von
Meijenfeldt bereid te zijn het onderzoek 2 dagen te bevriezen om een
tussentijdse rapportage uit te brengen.
Von Meijenfeldt besluit het onderzoek voort te zetten en wil resident Eibrink
Jansen verhoren. Deze weigert zonder uitdrukkelijke toestemming van de
gouverneur te worden verhoord. Platteel vraagt Von Meijenfeldt nog eens drie
weken bevriezing van het onderzoek, teneinde zich nader te kunnen beraden. Von
Meijenfeldt wil van geen verder uitstel weten en het gesprek loopt hoog op.
Platteel zwicht tenslotte, maar zegt voor zichzelf alle vertrouwen in de
procureur-generaal op. Later komt Von Meijenfeldt hier achter en schrijft aan de
Staatssecretaris: "Wie als hoogste gezagsdrager het vertrouwen in justitie
opzegt, stort zich zondermeer in het misdadig avontuur van een autoritair
regime."
In september is Von Meijenfeldt toe aan het verhoor van Gonsalves zelf, maar
krijgt van Platteel geen toestemming hiervoor naar Nederland te reizen in
verband met het aanstaande bezoek van de Minister van Binnenlandse Zaken. Bij
dat bezoek kan Von Meijenfeldt in drie gesprekken met de Minister zijn standpunt
uiteen zetten. Hij verneemt van de Minister dat Platteel had overwogen hem als
procureur-generaal te schorsen, maar daarvan in verband met juridisch-technische
onzekerheden had afgezien. Pas begin november 1960 komt Von Meijenfeldt in
Nederland aan, maar dan is Gonsalves juist voor een huwelijksreis naar het
buitenland vertrokken. Eind november verhoort de Rijksrecherche Gonsalves
eindelijk gedurende drie dagen in het Paleis van Justitie in Den Haag, in
aanwezigheid van Von Meijenfeldt. Gonsalves ontkent niets, maar verklaart uit
noodzakelijke afschrikking en soms uit noodweer te hebben gehandeld. De pers is
inmiddels ook goed op de hoogte van de affaire. De katholieke pers is sterk op
de hand van Gonsalves en duwt de kwestie in de hoek van de eeuwige
competentiestrijd tussen bestuur en openbaar ministerie.
In zijn eindadvies bij brief van 5 december 1960 aan Platteel hakt Von
Meijenfeldt op dramatische wijze de knoop door. Hij concludeert dat Gonsalves
zich schuldig heeft gemaakt aan enige gevallen van doodslag, zeer vele gevallen
van mishandeling gepleegd met voorbedachte rade en veel gevallen van
opzettelijke brandstichting. Een beroep op overmacht, noodweer(exces),
wettelijk voorschrift of ambtelijk bevel acht hij uitgesloten. De strafbare
feiten waren ernstig genoeg om er een rechter over te laten oordelen. Von
Meijenfeldt adviseert tot sepot, echter onder voorwaarde dat er iets gebeurt aan
de niet minder ernstige bestuurlijke aansprakelijkheid. De gouverneur en de
resident hadden Gonsalves op zijn post gelaten, sinds april 1959 wetende dat hij
overspannen was en teveel geweld gebruikte. Hij meent dat het aan de Regering en
het Parlement is om hierover een oordeel te vellen. Voorts pleit hij voor meer
onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie, bijvoorbeeld door de politie
onder zijn gezag te laten vallen.
Het bestuur pakt de aangeboden hand van Von Meijenfeldt niet aan. De Minister en
Staatssecretaris zijn geïrriteerd geraakt door de zware aantijgingen in de
richting van het plaatselijke bestuur en vinden dat de procureur-generaal buiten
zijn bevoegdheid treedt. Bij brief van 6 januari 1961 krijgt Von Meijenfeldt de
politieke opdracht van de gouverneur om in het landsbelang af te zien van
strafvervolging (zoals ook thans nog de Minister van Justitie tot een dergelijke
ingreep bevoegd is). Op 18 januari informeert Staatssecretaris Bot de Vaste
Commissies voor Nederlands-Nieuw-Guinea van de Eerste en Tweede Kamer hierover
in een geheime nota. Over Von Meijenfeldt schrijft hij: “Deze gang van zaken
versterkt de reeds eerder gewekte indruk, dat deze Procureur-Generaal in zijn
brieven en rapporten, aan een gebrek aan objectiviteit tevens een gebrek paart
aan zorgvuldigheid in zijn formuleringen.” De bewindslieden in Hollandia en Den
Haag zijn van oordeel dat er geen aanleiding is tot het nemen van bestuurlijke
maatregelen. Von Meijenfeldt besluit niet naar Nieuw-Guinea terug te keren. In
een persoonlijk gesprek met Toxopeus en Bot dient hij zijn ontslag in. Hij
krijgt in een overeenkomst een zwijgplicht opgelegd.
Materieel gebeurt er precies wat Gerard geadviseerd had. De zaak tegen Gonsalves
wordt geseponeerd en hij keert ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek niet naar de
Baliem terug, maar naar de Vogelkop. De regering overweegt ter begeleiding van
jonge bestuursambtenaren een ervaren resident Bergland aan te stellen of een
Commissariaat voor Ontwikkelingsgebieden. Maar in 1962 wordt Nederland gedwongen
afstand te doen van Nieuw-Guinea en via de Verenigde Naties over te dragen aan
Indonesië.
Hoe liep het verder af met Von Meijenfeldt?
Na zijn ontslag krijgt Gerard von Meijenfeldt zijn oude baan als Officier
van Justitie in Utrecht terug en die baan houdt hij tot het einde aan toe. Aan
de kranten vertelt zijn vrouw Nel dat Gerard er van overtuigd was dat zijn
loopbaan door deze affaire is geblokkeerd. Von Meijenfeldt is nimmer
gerehabiliteerd.
Aan het einde van zijn loopbaan in 1979 werkt Von Meijenfeldt aan het zogenaamde
Turkenproces, maar gaat wegens stress-verschijnselen met ziekteverlof.
(Gegevens ontleend aan het internet:
www.meijenfeldt.nl/Nieuws-Gonsalves.htm)
2. De rol die Mr G.W. von Meyenfeldt, officier van Justitie te
Utrecht, heeft gespeeld in de strafzaken van Bertus van Poorten in
1971, Tom de Booij en Erik van Maal in 1973, André Koppen in 1974 en Tom de
Booij in 1975?
a. Strafzaak tegen Bertus van der Poorten in 1971
Tijdens mijn detentie in het Huis van Bewaring
in Utrecht was de man die mij dagelijks van eten voorzag (reiniger geheten)
Bertus van der Poorten. Hij werd verdacht van het feit dat hij zijn dochter had
doodgeranseld. Na mijn detentie heb ik een uitgebreide correspondentie met hem
gevoerd, tevens bezocht in de verschillende strafinrichtingen. Hij heeft zelfs
een paar dagen bij mij thuis tijdens zijn verlof gelogeerd (zie mijn dagboeken
1971t/m 1973). In zijn strafzaak was mr G.W.von Meijenfeldt de officier van
justitie. Hier volgt een artikel in de Volkskrant van 4 augustus 1971:
"We zijn allemaal schuldig". Boze vader ranselde dochtertje dood. Officier eist
half jaar plus TBR
UTRECHT, 4 aug. (ANP) - "Maar ze wou niet eten", luidde het
enige verweer van de 29·jarige opperman Lambertus van der P. uit Woerden, toen
hij begin februari van dit jaar , werd voorgeleid aan de Utrechtse officier van justitie,
mr. G. W. von Meijenfeldt, die hem vroeg waarom hij zijn pas één jaar geworden
dochtertje Sophietje op 3 maart had doodgeranseld . . "Een vreselijke
zaak", noemde mr Von Meijenfeldt dinsdag het gedrag van de verminderd
toerekenbaar verklaarde man. Wegens doodslag hoorde hij dinsdag voor de
Utrechtse rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van
voorarrest en terbeschikkingstelling van de regering tegen zich eisen.
"Er zou eigenlijk een centrale instantie moeten zijn waar
dokters terecht kunnen met voor het algemeen belang nuttige vertrouwelijke gegevens.
Dan was dit misschien niet gebeurd", zei mr Van Meijenfeldt in zijn requisitoir. Het was niet de eerste keer dat vader Van der P. zijn dochtertje had
mishandeld. Het kind was geen vlotte eter en daarover kon Van der P.
zich heel kwaad maken. Hij sloeg en stompte het kind dan waar hij het maar
kon raken. Dat gebeurde eind september 1970 ook al een keer . Sophietje
verbleef daarvoor enige tijd in een ziekenhuis. De artsen hadden naar het
oordeel van mr Van Meijenfeldt
in dat geval niet gehinderd moeten zijn door hun medisch ambtsgeheim, maar ze
hadden hun vertrouwelijke gegevens ergens moeten kunnen deponeren. Zo'n
instituut van een sociale raadsman bestaat helaas nog niet, zodat de artsen
ook niets kan woerden kwalijk genomen. Maar de maatschappij treft in ieder
geval wel schuld, omdat zij niet voor een dergelijk instituut heeft gezorgd,
zo meent de Utrechtse officier.
Lat
Op 3 maart was Van der P. (vader van twee kinderen)
samen met Sophietje thuis. Hij was tijdelijk zonder werk en zijn vrouw had een
baantje gezocht in een wasserij om wat bij te verdienen. Omstreeks
half twee 's middags maakte Van der P. eten klaar voor de baby, maar het kind
wou niet eten. Van der P. werd toen zó kwaad, dat hij het kind minstens vijf
ferme stompen in de zij gaf. Vervolgens prikte hij het kind met een twee
meter lange lat in de buik. Deze afstraffing duurde volgens de dagvaarding een half
uur, waarna de man het ernstig verwonde kind nog enige tijd in een stoeltje
liet zitten. Vervolgens bracht hij Sophietje naar bed. Nadat zijn vrouw was thuisgekomen, werd de dokter gewaarschuwd.
Het ouderpaar sprak inmiddels af, dat als verklaring voor de
verwondingen een val van de trap zou worden genoemd. Dezelfde avond overleed Sophietje in het ziekenhuis. Sectie bracht een ontstellende hoevee1heid verwondingen aan
het licht.
Vlam
"Ik heb twee en een half jaar in een droom geleefd vanwege
mijn vrouw en schoonouders, waar ik boven wilde staan. Toen Sophietje niet
wou eten, ging er een vlam in me op en zag ik een object. Ik weet niet
wat ik heb gedaan", stamelde de verdachte, die evenmin kon
verklaren waarom hij niet meteen een dokter had gewaarschuwd, maar wèl een
biertje met zijn schoonvader was gaan drinken. In het psychiatrisch rapport werd een ernstige ziekelijke
stoornis in de geestvermogens gemeld. De sterk verminderde toerekenbaarheid
bleek net niet genoeg om tot een krankzinnig verklaring te adviseren. "We zijn allemaal schuldig", concludeerde mr Von
Meijenfeldt, die onthulde dat zich onlangs in Woerden een soortgelijk geval van
mishandeling heeft afgespeeld. "Als we niets doen, krijgen we
meer herhalingen", waarschuwde hij. De rechtbank zal op 17 augustus
uitspraak doen.
b. Strafzaak in 1973 tegen Erik van der Maal en
Tom de Booij voor het stelen en helen van het zgn K.Z. dossier in 1972
Vrijdag 21 september 1973: Rechtszaak Baarnse K-Z Zaak vandaag voor de rechter
Proces Rechtbank Utrecht.
De officier van justitie G.W. Von Meijenfeldt hield het volgende
requisitoir.
Meneer de President, Mijn Heren Leden van deze rechtbank,
Het strafrecht is niet de archaïsche rekenkunde die men er wel van maakt. Het
bezit niet de sacrale hokuspokus-macht die in de weg van arithmetische.
vergelijkingen existentiële grootheden op één lijn plaatst zo in de trant van
een verkeerd begrepen: oog om oog, tand om tand. Helaas heerst die opvatting nog
véél te véél. Vandaar dat enerzijds in de institionalisering van het strafrecht van een duidelijke discriminatie sprake is. Slechts de zogenaamde "civilist"
komt volgens die gedachtengang toe aan een juridisch denken van enige
importantie. En het strafrecht kan men wel aan mindere goden in handen geven;
namelijk aan die simpele doch degelijke rekenmeesters die een goede maat weten
te hanteren. Vandaar dat anderzijds nog telkens weer ook van die kwasi
eigentijdse aanvallen op het strafrecht ondernomen worden. Het zou
stigmatiserend werken. En jongens, vooruit laten we daarom zorgen voor een
depenaliseren en een discriminaliseren. Weg met dat verminkende en onterende
strafrecht! Nu wil ik (hiertegenover) in geen geval ons positiève strafrecht
zoals dit heden ten dage zich ook in ons land aandient, idealiseren. Er is zelfs
héél véél te hervormen. Toch zal men voor een verbetering die er zijn mag,
stellig van een ander standpunt voor het denken over wat strafrecht is behoren
te starten. Van het strafrecht immers als oorspronkelijk gegeven! Mag ik dat dan
hier in het kort typeren als het strafrecht naar de karakteristieke benaming van
oordeel? Resulteert het niet, gaat het niet op in zulk een oordeel, in een
aandeel, in een rechtmatig aandeel zoals dit, gegeven de situatie aan de
betrokken partijen, aan de partijen in het geding toekomt? Wil het niet
recht:doen? Richten? De richting, de koers voor mensenlevens aangeven? En is dat
niet wat de wetenschap van de wet aan de rechters, daartoe bijzonderlijk met
gezag, met zeggenschap bekleed, voor welke casus aan mogelijkheden behoort te
bieden: voor het vinden, voor de vondst, voor (het wijzen van) het vonnis in zake
wat rechtens, hier en nu, geboden is? De strafzaak, thans aan Uw jurisdictie
onderworpen, is meen ik bij uitstek illustratief voor dit standpunt; dat met het
strafrecht een elementair menselijk gegeven aan de orde is. Het is immers geen
van beide verdachten om te doen de wet te ontduiken, het gezag omver te lopen
dan wel een vonnis of een oordeel te ontgaan? Integendeel, ze vragen om,
ze eisen als het ware toepassing van de wet, het laten funtioneren van de
zeggenschap, het gezag, het wijzen van een oordeel. Ik laat hierbij in het
midden hoe men zou hebben te denken over de i.h.a, toegepaste modus quo. En het
strafrecht wil naar zijn essentie het ergens toen stukgelopen gesprek van onze
samenleving weer op gang brengen. En, àls deze verdachten iets nagestreefd
hebben is het juist dit oormerk! Waarom ga ik hierop zo uitvoerig in? Wel, om te
beginnen meen ik dat in de zaak Van der Maal de diefstal en in die van de Booij
de verduistering in het laatste geval: zoals sub primair telastegelegd, bewezen
is. Dàt is geen punt. Voor hen evenmin als ik hen goed begrijp. Vervolgens
evenwel zullen zij ter rechtvaardiging van hun gedrag willen wijzen, op het
waarom dit hen dreef. En derhalve zullen wij behoren na te gaan of hun movering
en hun motivering in dit geval de wederrechtelijkheid ontbreken deed. Ik geloof
van niet. Dit stel ik voorop. Ze blijven stráfbaar, desondanks moge ik erop
wijzen, dat zij terecht, hoewel op volstrekt ontoelaatbare wijze voor allerlei
grotere en kleinere ontsporingen bij de ambtelijke afdoening van de zaak van de
Maal, de aandacht willen opeisen. Merkwaardig echter is dat:hoezeer men een
gevoel van onbehagen krijgt indien men die afdoening kritisch bekijkt, óók wéér
sterk de conclusie zich doet aandienen: er is geen sprake van, bij wie ook, van
welk spoortje kwade trouw ook! Zèlfs kun je niet zeggen: deze of die hoeft zich
ergens in komen te misdragen. Wat zich daarentegen met kracht presenteert is de
visie op wat ambtenarij. Waartoe spijtig genoeg, ons werken als ambtenaar en al
te gemakkelijk verworden kan. Zeker, we blijven dan binnen de paden van onze
regeltjes, de bevoegdheden, kennis en kunde. Máár, bij elkaar is de vorm van dit
alles heláás niet wat het zijn moet: menselijkheid, het authentieke contact van
mens tot mens. Op die grond heb ik al enige tijd geleden voor de instelling van
een sociaal raadsman gepleit. En ik kan niet anders zeggen, dan dat dit
instituut, b.v .in de stad Utrecht geïntroduceerd, zeer belangrijk werk
(heeft)verricht. Juist als trait d'union tussen de hulpzoekende hulpbehoevenden
en al die ambtenaren: hier en daar, zo hoog en zo laag in rang, op deze wijze of
op die wijze te benaderen, enz. Hulde aan de :stad Utrecht! Dat men het budget
van deze functiónaris vooral verhoge!
Ik kom aan een slot. Tot mijn spijt kent ons strafrecht nog geen vonnis in de
vorm van een zuiver declaratoir. Maar mag ik voor deze verdachten bepleiten dat
een vonnis gewezen worden hetwelk in·elk geval die strekking bezit? En om dit
extra te beklemtonen eis ik hierbij een straf, daarop toegespitst, te weten : f
0.50 of één dag hechtenis voorwaardelijk met één maand proeftijd.
(Zeer waarschijnlijk is door toedoen van mr G.W. von Meijenfeldt Mr W.H. Overbeek in hoger beroep gegaan tegen de vrijspraak die de Booij heeft gekregen in bovengenoemde rechtzaak. Zie hiervoor mijn dagboek 1973)
3. Rechtzaak tegen André Koppen die in de nacht van
18 op 19 februari 1974 twee molotov-cocktails in het politiebureau
van Baarn heeft gegooid
In een lange brief dd. maandag 25 februari 1974 schrijf ik Mr von Meijenfeldt, dat ik me geestelijk verantwoordelijk voel en pleit voor de
bommengooier. Dezelfde dag antwoordt Von Meijenfeldt, zoals blijkt uit mijn
brief van donderdag 28 februari aan Von Meijenfeldt.
"Ik was zeer verheugd met uw snelle reactie
op mijn brief van U maandag j.l. Hierbij geef ik mijn toestemming om deze brief
van maandag 25 februari ter beschikking te stellen aan de Officier van justitie
die de Baarnse Explosie Zaak behandeld zodat dit schrijven bij het dossier
gevoegd kan worden".
In de strafzaak tegen André Koppen wordt door de officier van justitie
vijf maanden gevangenisstraf geëist met aftrek van het voorarrest, waarvan twee
maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Of mijn brief geholpen heeft- voor deze uiterst lichte strafmaat -
is niet met zekerheid te zeggen, maar lijkt toch wel waarschijnlijk.
4. Von Meijenfeldt wil Tom de Booij behoeden zijn straf uit te zitten in de
gevangenis
Woensdag 12 maart 1974 krijg ik de volgende brief van de Officier van Justitie
in Utrecht:
"Zeer geachte heer de Booij, het blijkt mij dat u bij vonnissen van de kantonrechter te Amersfoort d.d. 16 augustus 1973 en de kantonrechter te
's-Gravenhage d.d. 12 februari 1974 veroordeeld bent tot twee geldboetes van
respectievelijk tien gulden subsidiair één dag hechtenis en vijfentwintig gulden
subsidiair één dag hechtenis. Er is verder geen rechtsmiddel uwerzijds aangewend. Voorts
zie ik dat u de
boeten nog niet betaald heeft. Mag ik aannemen dat u, in
aanmerking genomen wat wij zoal eens uitgepraat hebben, het in geen geval zult
laten aankomen op de noodzaak de vervangende vrijheidsstraffen ten uitvoer te
laten leggen?? Mij dunkt, u heeft zonder enige twijfel wel iets beters om uw
gaven voor te gebruiken dan dit soort,oppositie -tenminste indien u het als
oppositie (tegen wat?) bedoelt- tegen - relatief bezien - onnozele
bestraffingen. Komt u anders een keer praten. In elk geval, laat mij het
vertrouwen mogen behouden dat u een echt hollandse man bent die iets weet uit
te praten, zoals het in ons vaderland van ouds de beste traditie geweest is.
Vertrouwend op uw medewerking, hoogachtend, G.W. von Meijenfeldt".
5. Waarom wordt Tom de Booij in juni 1975,
verdacht van een ernstig geweldsmisdrijf, na 2 dagen vrijgelaten?
Krantenbericht: Dr. Tom de Booy is dinsdag 10
juni 1975 aangehouden. Hij wordt ervan verdacht medeplichtig te zijn aan een·deel van de
recente gewelddadige activiteiten rond de Amsterdamse Nieuwmarkt affaire. Op
diverse plaatsen in ons land, waaronder ook Baarn, zijn onlangs ruiten van hooggeplaatste
personen aan diggelen gegooid. Hierbij werd. o.m. gebruik gemaakt van
molotov-cocktails. Tom de Booy is gearresteerd op verdenking van openlijke
geweldpleging, opzettelijke brandstichting, en poging tot het bedrijven van
misdrijven
Donderdag 12 juni 1975 ben ik, na voorgeleid te
zijn geweest voor de Officier van Justitie te Amsterdam, vrijgelaten (zie mijn
dagboek van 1975).
Jaren later heeft een rechercheur in Utrecht tegen mij gezegd, dat Von
Meijenfeldt mij in deze zaak gematst heeft. We zullen het nooit precies weten,
maar vreemd is het wel.
Conclusie
Resumerend kunnen we niet aan de indruk ontkomen, dat Von Meijenfeldt een
idealist was, die gevochten heeft tegen onrecht en de doofpotcultuur. Hij is
door onze 'rechtstaat' daardoor ernstig beschadigd, zodat hij met 'stress-verschijnselen'
het ( Meijen) veld heeft moeten ruimen!