Aan den lezer,

Wanneer ik een beroep doe op het volk van Nederland heeft dit het regt te vragen, wie het is, die tot hem het woord rigt en wat hem daartoe de bevoegdheid geeft. Ik ben in 1815 te 's Gravenhage geboren, in 1836 tot Indisch ambtenaar benoemd, ik heb van 1837 tot 1845 op Java en in de Molukkos in verschillende ondergeschikte regterlijke en administrative betrekkingen gediend, ik ben vervolgens met het bestuur der afdeeling Buitenzorg en der residentien Banjoemas, Preangerregentschappen en Soerabaya belast en laatstelijk ruim vier jaren lang lid van het hoogste regeringscollege van Indië geweest. Ik was dus in de gelegenheid de belangrijkste gedeelten van Java en eene buitenbezitting , het raderwerk der koloniale regering, den gang van zaken in Indië en de betrekking tot het moederland zeer van nabij te leeren kennen in mijne loopbaan heeft mij met alle klassen der bevolking veelvuldig in aanraking gebragt. Gij kunt van mij eischen zoowel kennis van Indische toestanden, als de bezadigdheid en het beraad, welke mijne jaren en eene langdurige ervaring medebrengen. Ik nader tot u met het bewustzijn eene zware verantwoordelijkheid op mij te laden, doch ik deins daarvoor niet terug, gevoelende dat, waar het land in gevaar is, pligt gebiedt in persoon op de bres te springen. Ik strijd zoowel voor Uwe belangen, als voor die van allen die mij dierbaar zijn, zonder te vragen of die strijd voor mijn persoon goed of kwaad zal opleveren. Ik laat dit aan hooger besturing over, doch ik stel vast vertrouwen, zoowel op mijne overtuiging, als op den gezonden zin van het nederlandsche volk. Ik wend mij tot allen, die den moed hebben een naderenden storm onverschrokken in de oogen te zien en dien zonder verwijl, doch met kalmte te keer te gaan; - ik wend mij tot den vorst, die in het uur van nood en gevaar zijn persoon niet heeft ontzien, en tot allen, die nog een nederlandsch zeemanshart in hun boezem voelen kloppen; die nog in staat zijn te gelooven, dat op kwalijk verdiend geld geen zegen kan rusten, die door bekwaamheid en noeste vlijt eerlijk den kost willen winnen en voor zich en hun kroost de rijke vruchten willen verdienen, welke onze koloniën hen kunnen afwerpen. Voor de beangsten in den lande, voor hen die eeuwig ongerust zijn en nimmer kunnen gerust gesteld worden, voor de letterzifters en legisters, voor de beginsellooze beginselzoekers en voor de afwachters schrijf ik niet; ik raad hen mijn werk niet te lezen, het zou hun slechts slapelooze nachten veroorzaken of wrevel verwekken. Ik behoor tot geene partij; al mogen partijen in een constitutionelen staat op hunne plaats, ja onmisbaar zijn; ik vrees, dat, wanneer zij het beheer der koloniën aan zich trachten te trekken, zij veeleer den buit zullen verscheuren, dan dien aan de andere partij te gunnen. Zoo ik met warmte heb geschreven, - wie kan koud blijven waar het vaderland, zijn eigen toekomst en die der zijnen in gevaar zijn! - zoo ik zonder meêdoogen alle wetten, instellingen en rigtingen, welke mij verderfelijk schijnen, heb aangetast, - ik heb het gedaan zonder bitterheid tegen personen. Ik had daartoe geen reden; ik heb eene gelukkige loopbaan gehad, welke ik in vrede heb mogen verlaten; - bij alle partijen zijn mannen aan wie ik verpligting heb; mannen, die ik hoog acht; mannen, met wie ik mij in bekwaamheid niet zou durven meten. Mogt ik, en hoe kan dit anders dáár waar allen schuld hebben, hen in meerdere of mindere mate kwetsen, ik hoop en vertrouw, dat zij het mij om der wille van de zaak zullen willen vergeven. Ik besluit met de woorden, onlangs op een nationaal gedenkteeken gegrift, al is het ook in een anderen zin: God redde Nederland. Moge God Nederland zijne schoone bezittingen doen behoeden.
's Gravenhage, 24 October 1865.

H. C. VAN DER WIJCK.

Hoofdstuk I.

Wij gaan op Java eene omwenteling met rassche schreden tegemoet.

Het was in 1859, dat ik voor het eerst het eenige jaren te voren verschenen werk las van den beroemden schrijver van "la démocratie en Amérique" A. de Tocqueville, l'ancien régime et la révolution, waarbij hij met zeldzaam doorzigt, grondige zaakkennis en ongemeene helderheid van geest de oorzaken der fransche omwenteling van 1789 uiteenzet. Reeds toen - ik was destijds resident van Soerabaija werd ik levendig getroffen door de veelvuldige punten van overeenkomst van den maatschappelijken toestand op Java met dien, welke de fransche revolutie vooraf ging; reeds toen begon zich bij mij de overtuiging te vestigen, dat wij ook in die kolonie toestanden tegemoet gingen, boven het peil van het gewone menschelijke begrip. Wat later in die bezittingen is voorgevallen was niet geschikt die overtuiging, welke met meerdere of mindere juistheid van inzigten gedeeld wordt door honderden, ja welligt door duizenden, die in deze bezittingen belang stellen, te verzwakken. In het vaderland teruggekeerd las ik op nieuw hetzelfde werk, en ik vond dat de indruk dien het vroeger op mij gemaakt had, instede van bij eene nieuwe lezing te verminderen, bevestigd en versterkt werd door al hetgeen ik sedert in Indië gezien en beleefd had, zoodat ik mij thans gedrongen voel te trachten openbaarheid te geven aan de lessen, welke uit het werk van een der edelste, diepste en tevens vrijheidlievendste denkers op staatkundig gebied, ook voor onze bezittingen zijn te putten. Het denkbeeld van Frankrijk en fransche toestanden met Java en javasche toestanden te willen vergelijken, zal welligt door velen al dadelijk als ongerijmd en onpraktisch worden verworpen; doch, al moge- de oosterling van den europeaan hemelsbreed in aanleg en ontwikkeling verschillen, zijne denkbeelden zich op andere wijze vormen dan de onze, zoo dat dikwerf niets moeijelijker valt dan - ja, het ons soms ondoenlijk is, die op te vatten zooals hij dit doet, de oosterling blijft altijd een mensch, op stoffelijk en zedelijk gebied aan dezelfde wetten onderworpen als zijne blanke medemenschen, even vatbaar voor het gevoel van lief en leed, van regt en onregt, en door dezelfde hartstogten bewogen, al moge zijn gevoel zich op andere wijze dan het onze uiten en zijn maatstaf van beoordeeling dikwerf zeer van den onzen afwijken. Er bestaat veel meer overeenkomst dan men oppervlakkig zou denken, tusschen den tegenwoordigen maatschappelijken toestand van den javaan, - ik bedoel hiermede de arbeidende klasse, voornamelijk den landbouwenden stand, waaruit de overgroote meerderheid der javaansche bevolking is zamengesteld , - en dien der boeren in Frankrijk en nog meer andere landen van Europa in de vorige eeuw; welligt zou het zelfs niet moeijelijk zijn te bewijzen, dat de toestand van den europeschen boer veel ongunstiger was, dan die waarin thans de javaan verkeert.

Van de Duitsche boer toch wordt gezegd: 

"Dans la plupart des états d'Allemagne, en 1788, le paysan ne peut quitte  seigneurie, et s'il la quitte on peut le poursuivre partout ou il se trouve et l'y ramener de force. Il y est soumis à la justice dominicale, qui surveille sa vie privée et punit son intempérance et sa paresse. Il ne peut ni s'élever dans sa position, ni changer de profession, ni se marier sans le bon plaisir du maître. Une grandepartie de son temps doit être consacrée au service de celui-ci. La corvée seigneuriale existe dans toute sa force, et peut s'étendre, dans certains pays, jusqu'à trois jour par semaine. C'est le paysan qui rebàtit et entretient les bàtiments du seigneur, mène les denrées de celui-ci au marché, le conduit lui-même, et est chargé de porter ses menages. Plusieurs années de sa jeunesse doivent s'écouler dans la domisticité du manoir. Le serf peut cependant devenir propriétaire foncier, mais sa propriété reste toujours très-imparfaite. Il est obligé de cultiver son champ d'une certaine manière,  sous l'oeil du seigneur; il ne peut ni l'aliéner ni l'hypothèquer à sa volonté. Dans certains cas on le force d'en vendre les produits; dans d'autres on l'empêche de les vendre; pour lui la culture est toujours obligatoire. Sa succession même ne passe pas tout entière à ses enfants: une partie en est d'ordinaire retenue par la seigneurie 1). (L'ancien régime et la révolutionj 2e uitgave, bl. 58.)

1) In 1788 mag, in de meeste duitsche staten, de boer bet grondgebied van zijnen adelijke nu heer en meester niet verlaten; doet hij dit, zoo kan hij overal, waar hij zich ook bevindt vervolgd en door den sterken arm naar zijnen landheer terug gevoerd worden. Hij is onderworpen aan het landsheerlijke geregt, dat hem in zijn dagelijksch leven nagaat, zijne onmatigheid en luiheid straft. Hij kan noch zijne stelling verbeteren, noch van beroep veranderen, noch een huwelijk aangaan, zonder verlof van den meester, van wiens willekeur hij afhankelijk is. Een groot deel van zijnen tijd moet hij ten dienste van dezen besteden. De heeredienst bestaat er in alle haren omvang en kan in sommige landen, tot op drie dagen in de week worden uitgestrekt. Het is de boer, die de woning en andere gebouwen van den heer opbouwt en onderhoudt, diens waren naar de markt brengt, dezen met zijne eigen middelen vervoert en diens boodschappen overbrengt. Verscheiden jaren zijner jeugd moet hij doorbrengen in huiselijke dienst van den heer. De lijfeigene kan evenwel landeigenaar worden, maar zijn regt van eigendom blijft altijd zeer beperkt. Hij is verpligt zijn veld op eene zekere wijze te bebouwen, onder het oog van den heer, hij kan zijn goed niet vervreemden noch verpanden, zoo als hem goed dunkt. In sommige gevallen dwingt men hem zijn product te verkoopen; in andere belet men hem om dit te doen; voor hem is de kultuur altijd verpligt; zijne nalatenschap zelfs gaat niet geheel op zijne kinderen over; een gedeelte wordt gewoonlijk door den heer terug gehouden.

Zoo was het nog in de vorige eeuw in vele gedeelten van Duitschland gesteld; eerst in het begin van deze eeuw zijn lijfeigenschap en erfonderdanigheid , - eene mildere vorm van het eerste, - afgeschaft; in drie staatjes zelfs geschiedde dit eerst in 1820, 1832 en 1833. Even als op Java bestonden daar dus heere- en kultuurdiensten, nog drukkender dan de javasche, en was de boer in zijne persoonlijke vrijheid oneindig meer beperkt dan den Javaan, wien de vrijheid is gelaten om te verhuizen wanneer hij wil, met wiens huwelijk en erfenis zich geene hoogere magt bemoeit, en die feitelijk ook veel minder dan de duitsche boer in de 18e eeuw, in zijn grondbezit, in de beschikking over de vruchten van zijnen arbeid is beperkt, al mogen zijne regten nog zeer onbepaald zijn, en hij tot bebouwing van een gedeelte van den grond ten behoeve van het gouvernement tegen eene belooning, beneden de marktwaarde van het product, verpligt worden. Anders was het in Frankrijk gesteld. Den adel waren daar alle heerlijke regten ontnomen, die hem gezag over den boer gaven; alleen zijne voorregten waren hem gelaten, vrijdom van belasting, honorifique onderscheidingen en het regt om van de bevolking te vorderen heerediensten en van haar nog kwellende regten te heffen. De boer bezat den vollen eigendom van den grond, maar moest, behalve de heerediensten ten behoeve van den adel, ook nog behulpzaam zijn in het maken van wegen en andere werken van algemeen belang verrigten. In sommige streken was hij hiervan evenwel vrij. Maar het waren niet deze diensten, welke hem het meest drukten; hij ging gebukt onder een ongeregeld en in hooge mate kwellend stelsel van belastingen, (la taille), dat dikwerf tot opstand aanleiding gaf en oorzaak was, dat ieder landbouwer die eenigzins welgesteld was geworden, zich haastte het platteland te verlaten, om burger eener stad te worden. Daarenboven had hij nagenoeg den geheelen last van de dienst der militie te dragen, waarvan allen, die eenigzins welgesteld waren, vrij waren. Het was de arme, de behoeftige landbouwer, op wien alle lasten drukten, terwijl de hoogere en rijkere standen der maatschappij, de eene in meerdere de ander in mindere mate, daarvan vrij waren. Ook de vergelijking met den franschen boer valt niet ten nadeele van den Javaan uit; is hij ook even als gene aan heerediensten zoowel ten behoeve der inl. hoofden als van de regering onderworpen, zoo is hij toch vrij van gedwongen krijgsdienst, hij heeft slechts ligte en veel beter geregelde belastingen te betalen, terwijl daar, waar hij tot de gedwongen kultures verpligt is, deze, waar zij goed geregeld zijn, hem genoeg laten verdienen, om daaruit alle belastingen te voldoen, en nog eene zekere som voor eigen behoefte over te houden, terwijl hem genoegzaam tijd overblijft om voor zijn eigen landbouw te zorgen. Men zou geneigd zijn te denken, dat de fransche boer, wien de eigendom van zijn grond, meer vrije beschikking van zijn tijd en het produkt van zijn arbeid verzekerd, die slechts aan de bevelen der regering; niet aan die van eenen heerschzuchtig·en adel onderworpen, en er dus in veel opzigten beter aan toe was dan de duitsche boer, tevredener met zijn lot had moeten geweest zijn dan deze, en dat hij niet zoo ligt in opstand zou zijn gekomen, - en voor zoover Frankrijk zelf betrof, dat dáár waar de boer in beteren toestand verkeerde, waar de heerediensten reeds lang waren opgeheven en de belastingen beter waren geregeld, de geest tot verzet het minst zou hebben bestaan. Juist het tegendeel had plaats; in Duitschland hebben de boeren zich nog tot in het begin dezer eeuw het juk laten welgevallen, waaronder zij zuchtten, en zij zijn nimmer, zoo als in Frankrijk, algemeen in opstand gekomen tegen den adel en de regering. In Frankrijk zelf, in de Vendée, waar de adel bij uitzondering op het land was blijven wonen, en zijnen invloed op den boer had weten te handhaven, is deze aan den adel en den koning getrouw gebleven en de hardnekkigste verdediger van het koningschap geworden. In die streken daarentegen waar de toestand van den boer betrekkelijk het best was, waar het meest gedaan werd om dien te verbeteren, is de opstand het eerst en het hevigst uitgebroken. Ook was in het algemeen nimmer zoo veel tot verbetering van het lot van den boer gedaan, en Frankrijk nimmer zoo spoedig en sterk in welvaart vooruit gegaan dan gedurende de twintig laatste jaren vóór het uitbreken der revolutie. Het scheen dus dat de franschen hun lot ondragelijker hebben gevonden naarmate er meer werd gedaan om het te verbeteren; dat het juk der feodale instellingen dáár het minst te dragen was, waar dit het ligtst was. Dit verschijnsel wordt door de Tocqueville daardoor verklaard, dat naarmate de adel aan magt verloor hem elk aandeel aan de regering werd ontzegd, en de boer zich vrijer gevoelde en meer waarde aan zijn eigendom hechtte, de voorregten, welke aan de bevoorregte standen gelaten waren en die door den boer moesten bekostigd worden, dezen hatelijker en minder gegrond voorkwamen. Maar bovenal had daartoe bijgedragen de onvoorzigtige wijze, waarop door de - pers, door de bevoorregte standen, en door de regering zelve, de grieven van het volk breed werden uitgemeten en het regtmatige gevoel van verontwaardiging dat het volk bezielde, tot razernij werd aangehitst, die, toen zij ten toppunt klom, de geheele maatschappij tot in hare grondslagen omkeerde, en de bevoorregte standen op eene vroeger nimmer geziene wijze in den kolk der omwenteling deed te gronde gaan. Geen van allen, die met zooveel gemoedelijkheid over de regten van den mensch en de grieven van het volk declameerden, had er het minste denkbeeld van, dat dit volk zou toonen die redeneringen maar al te goed te hebben begrepen, en dat zij dit met hun leven en met hunne bezittingen zouden moeten boeten. Het zij mij vergund dit door eenige aanhalingen uit de Tocqueville te bevestigen.

"Elle (l'aristocratie), zegt de Tocqueville, avait si bien oublié comment les théories générales, une fois admises, inévitablement à se transformer en passions politiques et en actes, que les doctrines les plus opposées à ses  droits particulers, et même à son existence, lui paraissaient des jeux fort ingénieux de l'esprit; elle s'y mêlait elle même volontiers pour passer Ie temps, et jouissait paisiblement de ses immunités et de ses privilèges, en dissertant avec serenite sur l'absurdite de toutes les coutumes établies" (blz. 239, 240).
"Mais ce qui nous paraîtra plus etrange, à nous qui avons sous les yeux les debris de tant de revolutions, c'est que la notion même d'une revolution violente etait absente de l'esprit de nos pères." (bl. 241).
"Je lis attentivement les cahiers que dressèrent les Trois Ordres avant de se reunir en 1789; je dis les Trois Ordres, ceux de la noblesse et du clergé aussi bien que celui du tier's. Je vois qu'ici on demande le changement d'une loi, là d'un usage, et j'en tiens note. Je continue ainsi jusqu'au bout cet immense travail, et, quand je viens à reunir ensemble tout ces voeux particuliers, je m'aperçois avec une sorte de terreur que ce qu'on reclame est l'abolition systematique de toutes les lois et de tous les usages ayant cours dans le pays, je vois sur le champ qu'il va s'agir d'une des· plus vastes et des plus dangereuses révolutions qui aient jamais paru dans le monde. Ceux qui en seront demain les victimes n'en savent lien; ils croient que la transformation totale et soudaine d'une société si compliquée et si vieille peut s'operer sans . secousse, à l'aide de la raison et par sa seule efficace. Les malheureux, ils ont oublié jusqu'à cette maxime que leurs pères avaient ainsi exprimée quatre cents ans auparavant dans le français naïf et énergique de ce temps la: "Par requierre de trop grande franchise et libertés chet-on en trop grand servaige." (Bladz. 241, 242.)
"Les écrivains ne fournirent pas seulement leurs idées au peuple qui la (revolution) fit; ils lui donnèrent leur tempérament et leur humeur. Sous leur longue discipline, en absence de tous autres conducteurs, au milieu de l'ignorance profonde ou l'on vivait de la pratique, toute la nation en les lisant, finit par contracter les instincts, le tour d'esprit, les goûts et jusqu'aux travers naturels à ceux qui écrivent; de sorte que, quand elle eut enfin à agir, elle transportera dans la politique toutes les habitudes de la littérature." (Bladz. 246.)
Comme le peuple n'avait pas paru un seul instant depuis cent quarante ans sur la scène des affaires publiques, on avait absolument cessé de croire qu'il put jamais s'y montrer; en le voyant si insensible on le jugeait sourd; de sorte que lorsqu'on commença à s'intéresser à son sort, on se mit à parler devant lui de lui-même, comme s'il n'avait pas été là. Il semblait qu'on ne dut être entendu que de ceux qui étaient placés au dessus de lui, et que le seul danger qu'il y eut à craindre était de ne pas se faire bien comprendre de ceux-là.
Les gens qui avaient le plus à redouter sa colère s'entretenaient à haute voix en sa présence des injustices cruelles , dont il avait toujours été victime; ils se montraient les uns aux autres les vices monstrueux que renfermaient les institutions qui lui étaient les plus pesantes; ils employaient leur rhétorique à peindre ses misères et son travail mal récompensé; ils le remplissaient de fureur en s'efforçant ainsi de le soulager. Je n'entends point parier des écrivains, mais du gouvernement, de ses principaux agents, des privilégiés eux-mêmes. Quand le roi treize ans avant la révolution, essaye d'abolir la corvée, il dit dans son préambule: "A l'exception d'un petit nombre de provinces (les pays d'état) presque tous les chemins du royaume ont été faits gratuitement par la partie la plus pauvre de nos sujets. Tout le poids en est donc retombé sur ceux qui n'ont que leur bras et ne sont intéressés que très sécondairement aux chemins, les véritables interessés sont les propriétaires, presque tous privilégiés, dont les biens augmentent de valeur par l'établissement des routes. En forçant le pauvre à entretenir seul celles-ci, en l'obligeant à donner son temps et son travail sans salaire, on lui enlève l'unique ressource qu'il ait contre la misère et la faim pour le faire travailler au profit des riches." 2)

2) Zij (de aristocratie) had zoodanig vergeten, hoe algemeene theorien, wanneer zij eens ingang hebben gevonden, onvermijdelijk in staatkundige hartstogten ontaarden en tot handelen aanleiding geven, dat de leerstellingen, welke het meest in strijd waren met hare bijzondere regten en zelfs met haar bestaan, haar slechts een zeer onschuldig spel van het vernuft toeschenen; zij mengde er zich zelve gaarne in om den tijd te verdrijven en zij genoot vreedzaam hare vrijheden en voorregten, terwijl zij met de meeste gerustheid over het onzinnige van alle bestaande instellingen redetwistte. Maar wat ons nog vreemder zal toeschijnen, aan ons die de puinhoopen van zoo veel omwentelingen voor oogen hebben, het is de omstandigheid dat het denkbeeld zelfs van eene geweldige omwenteling bij onze vaderen in de verte niet opkwam. Ik lees met aandacht de bundels, welke de Drie Standen opmaakten, alvorens zij zich in 1489 vereenigden; ik herhaal de drie Standen, die van den adel en van de geestelijkheid even goed als die van den burgerstand. Ik zie dat hier de eene de wijziging van eene wet vraagt, ginds een ander die van een gebruik wenscht, en ik houd er aanteekening van. Ik vervolg aldus tot aan het einde dezen onmetelijken arbeid en wanneer ik er toe kom om al deze bijzondere wenschen tot een geheel te vereenigen word ik met zekere schrik gewaar, dat wat men eischt niet minder is, dan de systematische afschaffing van alle wetten en van alle gebruiken, die in het land van kracht zijn; ik zie dadelijk dat het te doen is, om eene der gevaarlijkste omwentelingen, die immer in de wereld zich hebben voor gedaan. Degenen, die er morgen de slagtoffers van zullen wezen, weten er niets van; zij gelooven, dat de algeheele en plotselinge hervorming van eene zoo ingewikkelde en zoo oude maatschappij kan bewerkstelligd worden zonder schokken, met behulp der rede en door hare werkzaamheid alleen. De ongelukkigen, zij hebben alles vergeten. zelfs deze stelling, welke hunne vaderen, vier honderd jaren vroeger in het krachtige en naïeve fransch van dien tijd aldus hadden uitgedrukt: "Door te groote vrijstellingen en vrijheden te eischen, vervalt men in al te groote dienstbaarheid". De schrijvers wisten niet alleen het volk dat de omwenteling bewerkte, hunne denkbeelden te doen deden, zij gaven het tevens hun inborst en gemoedsgesteldheid. Onder hunne langdurige tucht, bij gemis aan alle andere leiders, bij de diepe onwetendheid omtrent de staatkunde, kwam de geheele natie, terwijl zij hunne werken las, er toe om al de hebbelijkheden, gevoelens en verkeerdheden over te nemen aan schrijvers eigen, zoodat toen zij eindelijk moest handelen, zij in de staatkunde al de gewoonten der letterkunde overbrengt. Daar het volk sedert meer dan 140 jaren geen oogenblik op het staatstooneel was verschenen, had men geheel opgehouden te gelooven, dat het er zich immer konde vertoon en toen men het zoo ongevoelig zag, hield men het voor doof; zoodat toen men in zijn lot begon belang te stellen, men in tegenwoordigheid van het volk over het volk begon te spreken, alsof het niet tegenwoordig geweest ware. Het scheen dat men door niemand konde worde begrepen dan door degenen, die boven het volk geplaatst waren, en dat het eenige gevaar dat men te vreezen had daarin bestond door hen niet goed begrepen te worden: Mannen, die het meest te dachten hadden van zijnen toorn, onderhielden zich met luide stem in zijne tegenwoordigheid over de gruwelijke onregtvaardigheden, waarvan het altijd het slagtoffer was geweest; zij wezen elkander al de gedrochtelijke gebreken der instellingen, welke het 't meest drukten; zij besteedden hun redenaarstalent om zijne ellende en zijn slecht beloonden arbeid te schilderen; zij vervulden het met woede, terwijl zij trachtten het te verligten. Ik doel hier niet op de schrijvers, maar op de regeering, op hare voornaamste werktuigen, op de bevoorregten zelven. Toen de koning, dertien jaren vóór de revolutie, de heerendiensten tracht af te schaffen, zegt hij in zijne inleiding: met uitzondering van een klein aantal Provincien zijn bijkans al de wegen van het koningrijk om niet gemaakt door het armste gedeelte onzer onderdanen. De geheele last daarvan is dus gevallen op hen, die slechts hunne handen bezitten en slechts in de verte bij de wegen belang hebben, terwijl de landeigenaren bijkans allen bevoorregten zijn, wier goederen in waarde toenemen door de daarstelling der wegen. Door den arme te dwingen om deze alleen te onderhouden, door hem te verpligten om zijn tijd  en zijn werk zonder loon te geven, beneemt men hem het eenige hulpmiddel, dat hij tegen de ellende en den honger heeft, ten voordeel van den rijke.

Is het niet alsof deze regelen voor Java waren geschreven? Evenmin als in Frankrijk de boerenstand, is het op Java de inlander, die zelf zijne grieven doet gelden; maar even als in Frankrijk de schrijvers, de hoogere standen, de adel en de regeering den landman zijne grieven voorhouden en deze ten breedste uitmeten, zijn het op Java en in Nederland de overheerschende klasse, de Europeanen, die in boeken, in brochures, in dagbladen, in de Kamers en zelfs in de stukken, die van de regeering uitgaan, den Javaan luide verkondigen, dat hij mishandeld wordt, dat hij het slagtoffer is van een op zijne exploitatie berekend stelsel, dat heere- en kultuurdiensten moeten worden afgeschaft, dat hij door zijne hoofden wordt onderdrukt en gekneveld, dat wij het zijn, die zijne welvaart ondermijnen, of de ontwikkeling daarvan beletten, dat het aantal misbruiken waaronder hij te lijden heeft alle paal en perk te buiten gaat. Een Javaan, die eenig gevoel van nationaliteit, van regt of onregt heeft, moet, wanneer hij onze geschriften leest, al ras tot de overtuiging komen, dat wij zelven de grootste hinderpaal zijn, die zijn geluk in den weg staat, en dat hij niet beter kan doen dan ons het land uit te jagen. En men wane niet, dat hem verborgen blijft wat bij zijne meesters omgaat. Wie onzer heeft niet de opmerking kunnen maken, dat wat wij in tegenwoordigheid van dienstboden of van kinderen verhandelen, denkende dat zij het niet zullen opmerken of niet begrijpen, maar al te gretige ooren vindt, en dat, wat maar half verstaan, geraden en aangevuld wordt, zelden in ons voordeel, meestal in ons nadeel. Ieder, die in verdrukking of in eene afhankelijke stelling leeft, is er op uit om de fouten zijner meesters te bespieden en daarvan in zijn voordeel partij te trekken. Er zijn verscheiden hoofden, die hollandsch lezen; honderden afstammelingen van Europeanen en javaansche moeders lezen gretig de dagbladen en deelen aan hunne Javaansche landgenooten, wie zij nader staan dan wij, mede wat bij ons omgaat, vermoedelijk zelden in ons voordeel. Wij hebben niet nagelaten ook de grieven der inlandsche kinderen breed uit te meten, en het gevoel van verbittering, dat hunne tweeslagtige stelling in. de maatschappij al ligt doet ontstaan, tot razernij op te voeren. Geen wonder dus, wanneer ook wij eens dezelfde ondervinding opdoen als de bevoorregte standen in Frankrijk en te laat zullen ontwaren, dat wij een vuur hebben aangeblazen, dat ons zelve het eerst zal verteren. Ware het nu maar alleen de kleine Javaansche landbouwer, wiens ongenoegen wij opgewekt hebben; maar neen, wij hebben zorg gedragen alle standen der maatschappij oorzaak tot grieven te geven. De inlandsche hoofden, onze werktuigen, waardoor het volk leiden en in bedwang houden, hebben in de laatste tien of vijftien jaren weinig redenen gehad om met ons bestuur tevreden, zeer vele om er misnoegd over te zijn. Terwijl het meerendeel ten eenenmale onvoldoende bezoldigingen ontvangt, en om te kunnen bestaan ongeoorloofd bronnen van inkomsten moet trachten te vinden, is dit hulpmiddel in de laatste jaren altijd moeijelijker gemaakt. Men heeft meer op hunne handelingen gelet, velen zijn voor den strafregter vervolgd, en in het algemeen zijn zijn zij tot een staat van volslagen armoede en gebrek vervallen,  zoodat zij niet kunnen leven op de wijze zoo als 's lands gebruik dit van een inlandsch hoofd vergt. Daarentegen verlangen wij van hen met den meesten drang dat zij hunne kinderen ter schole zullen zenden, die dikwerf van de woonplaats der ouders verwijderd is, waar door zij in kosten vervallen, die hen vroeger onbekend waren. Maar dit is nog niet het ergste; nood en ontbering: alleen kunnen dikwerf lang zonder morren worden gedragen, zedelijke vernedering en minachting grieven nog erg leiden tot onverzoenlijken haat. En ook deze is den hoofden niet gespaard gebleven. Luide zijn zij uitgekreten als zedelooze knevelaars onderdrukkers der bevolking; ook aan onze ambtenaren in zijn die gevoelens ingeprent, en op hunne wijze van omgang met de hoofden is dit zeker niet zonder uitwerking gebleven. Het zoude dan ook een wonder zijn, indien wij in van ernstigen nood op hunnen steun konden rekenen. En dit is nog niet genoeg.
Ook aan de vreemde oosterlingen, vooral aan de Chinezen hebben wij alle redenen tot ontevredenheid gegeven; met eene kwalijk begrepen philantropie den Javaan tegen hen willende beschermen, hebben wij deze nijvere en invloedrijke klasse, wier aantal meer dan 200,000 zielen bedraagt, waarvan verreweg het meerendeel op Java is geboren en zijnen geboortegrond nimmer kan, noch wil verlaten, en die dus onze onderdanen zijn even goed als andere inboorlingen van den Archipel, uit de binnenlanden willen weren, hetgeen maar zeer onvolkomen gelukt is; wij hebben hen, even als de Joden te Rome in het Ghetto, in kampen willen vereenigen, hen daardoor aan tallooze plagerijen, aan gebrek en armoede blootgesteld en aan velen het winnen van een eerlijk bestaan bijkans ondoenlijk gemaakt, niet bedenkende, dat, zoo zij van de mindere bedrevenheid van den inlander misbruik maken, wij zelven daarvan de voornaamste oorzaak zijn, daar wij hunnen natuurlijken aanleg tot het plegen dier misbruiken nog veelvuldig versterken, door hen te wapenen met de magt welke zij als pachters of als huurders van landerijen over de bevolking uitoefenen, terwijl dáár waar Chinezen en Javanen aan zich zelven zijn overgelaten, het nadeel dat de chinesche bevolking door meerdere 'slimheid veroorzaakt, grootendeels wordt opgewogen door de meerdere bedrijvigheid, welke zij in het leven roept. Maar hiermede. zelfs is de lijst nog niet vol. Zelfs onze eigen landgenooten - de overheerschende klasse - zijn in hooge mate ontevreden; ook deze klasse der indische maatschappij is van eene voorbeeldelooze misnoegdheid en moedeloosheid doordrongen, en allen deelen in meerdere of mindere mate de overtuiging dat wij den rand eens afgronds naderen. 1)
 Al die teekenen duiden aan dat wij, op den tot dus ver ingeslagen weg voortgaande, in Indië onze ondergang tegemoet gaan.

1) Over de afstammelingen der Europeanen heb ik hiervoren met een enkel woord genoeg gezegd; het is onvergeeflijk, dat wij hen tegen ons hebben opgehitst; in stede van hen met liefde en welstand te leiden; want, zoodanig behandeld, betoonen zij zich trouw en zijn hoogst nuttige leden der maatschappij. Steeds blijve mij in dankbare herinnering de vele en goede diensten door  hen in mijn loopbaan bewezen.

Hoofdstuk II

Aan welke oorzaken is die toestand toe te schrijven.

Het antwoord op die vraag zal iedereen welligt al dadelijk gereed hebben; de eene partij zal zeggen: gij schildert slechts de gevaren, waarop wij reeds duizendmaal gewezen hebben; had men het oude stelsel behouden, in stede van het bij den dag moedwillig af te breken, het zou niet zoo ver zijn gekomen. De andere partij zal aanvoeren: het tegendeel is waar; gij hebt den javaan mishandeld, en in strijd met alle gezonde beginselen der wetenschap geregeerd; zoo Java te gronde gaat, wijt het niet aan ons, maar wel daaraan, dat gij aan onze waarschuwingen niet eerder hebt gehoor gegeven.
Is de javaan dan inderdaad zoo mishandeld?  Zullen velen dit te goeder trouw durven beweren? Bijkans niemand weerspreekt het, dat hij er oneindig beter aan toe is dan vroeger, toen hij door zijn eigen vorsten werd geregeerd. De bevolking van Java is onder ons regtstreeksch beheer in 50 jaren tijds welligt verdrievuldigd, en zij is beter gekleed en gevoed dan in vroegere jaren; de regering is doorgaans van een humanen geest bezield, geweest en heeft tot verbetering van het lot van den inlander gedaan zoo veel in haar vermogen en in het bereik harer inzigten lag; onze bezittingen kunnen gerust de vergelijking doorstaan met andere kolonien, waar eene indiaansche bevolking onder een, vreemden europeschen meester staat, en meer dan ooit is de regering, zoowel in het moederland als in Indië, er op bedacht, om tot een beteren toestand te geraken, en nog nimmer was het publiek, zoo wel in Nederland als in Indië, zoo menschlievend ten aanzien van den inlander gestemd. De oorzaak ligt hooger, zij ligt in niets anders dan het batig slot, in het stelsel om Java ten behoeve van Nederland te exploiteren. Wel, zal men mij toeroepen, hoe kunt gij, die een trouw dienaar van het kultuurstelsel zijt geweest, die in langdurige staatsdienst kalme bezadigdheid had moeten leeren, eene leer voorstaan, welke tot dusver slechts door enkele dwaze geniën of radikale heethoofden werd verkondigd, maar die door ieder weldenkend Nederlander van gezonde zinnen met een minachtend schouder-ophalen wordt begroet! En toch is het zoo; na de meest kalme overweging, kan ik tot geene andere gevolgtrekking komen, dan die der gewraakte geniën en heethoofden, op het gevaar af van te worden uitgekreten "voor een genie of heethoofd?" neen; daartoe ontbreekt mij alle aanleg - maar voor een radikalen dwaas, iets wat binnen ieders bereik ligt en wat ten allen tijde, zoowel wijzen als gekken, is te beurt gevallen. Zoowel voor volken en regeringen, als voor ieder van ons bestaan zedelijke wetten, die niet ongestraft mogen worden overtreden. Met de bestraffing van het individu, waar hij die wetten te grovelijk overtreedt, belast zich de maatschappij, die den misdadiger aan den strafregter overlevert. Bij de volken en regeringen neemt de voorzienigheid, of hoe gij de eeuwige bron der regtvaardigheid wilt noemen, die zorg op zich, en zij kiest bij voorkeur de overtreders zelven tot voltrekkers van haar regtvaardig, maar onverbiddelijk oordeel. Het zijn dan niet alleen de slechte hartstogten, op kwalijk begrepen eigenbelang gegrond, die daartoe medewerken; neen, het zijn in de eerste plaats de edelsten in den lande, wier borst het meest van verontwaardiging over onregt gloeit, zij, die het eerst er op bedacht zijn het gepleegde onregt goed te maken, die het meest tot den val van het gedoemde, met blindheid geslagen volk medewerken, en zelven als de eerste zoenoffers vallen. Zoo was het in Frankrijk, zoo zal, het ook ons gaan, wanneer wij niet, nu het welligt nog tijd is, tot inkeer komen. Reeds duizende jaren geleden werden den mensch de geboden gegeven: "Gij zult in het zweet uws aanschijns uw brood eten." "Gij zult niet stelen." "Gij zult niet begeeren iets dat uws naasten is." Ieder kind leert en weet dit; maar ook de verhevenste staatkundige wijsbegeerte, en onze hooggeroemde staathuishoudkunde, met hare meest ingewikkelde stellingen, gaan van geen anderen grondslag uit. En het zijn deze geboden, die wij in Indië overtreden hebben. Wij hebben ons ten koste van den Javaan verrijkt; met de vruchten van zijnen arbeid onze staatsschulden betaald, de slaven in West-Indië vrijgekocht en thans nog worden onze spoorwegen daarvan aangelegd. Aanvankelijk heette het, dat de nood van het moederland dwong om tot de baten van Java de toevlugt te nemen. Is die verontschuldiging aannemelijk? Hij die uit nood een ander zijn regtmatig goed ontneemt, is daarom niettemin schuldig; de wet noemt hem dief, en straft hem. Even schuldig is een volk, dat zijne meerdere magt misbruikt, door een ander te dwingen om voor hem te werken, en door hem de vruchten van zijn arbeid te ontnemen. Ik ken geene zedeleer die zulk eene handelwijze zon kunnen regtvaardigen. En zelfs die verontschuldiging kan niet meer gelden, nu de baten van Java niet meer dienen om den nood van het moederland te lenigen. Ook voor ons blijft de straf niet weg, men moet blind zijn, om dit niet te zien. Zouden wij voor opstand op Java te vreezen hebben, zoude onze koloniale politiek in zulk eene babylonische verwarring geraakt zijn, tot zoo veel onvruchtbaren twist geleid hebben, zoo de bevolking daar vrij ware gebleven van dwangkultuur en van drukkende heerediensten, en de maatschappij zich daar op eene meer natuurlijke wijze had kunnen ontwikkelen? Voorzeker niet. Heeft de strijd op koloniaal gebied, wel bezien, niet de meeste overeenkomst met dien der roovers, die het over de verdeeling van den buit niet eens kunnen worden? En wie kan berekenen, welk nadeel op den duur aan de natie is berokkend door de verlamming van den geest van handel en onderneming, een gevolg van de gemakkelijke en verzekerde winsten, welke het zoo geprezen consignatiestelsel opleverde? En wie zijn hier de schuldigen? Het geheele nederlandsche volk, staatslieden en volksvertegenwoordigers, behouders en liberalen, - zij mogen in de oppositie of aan het bewind geweest zijn, - kooplieden en belastingschuldigen, vromen en onvromen, ik die deze regelen schrijf, en gij, die ze leest, (zoo gij nederlander zijt), wij allen hebben ons deel in die schuld; dezen door een stelsel dat tegen de zedekunde en tegen een beter weten indruischt in het leven te roepen en staande te houden, anderen door het af te breken zonder de gevolgen te bedenken, of de ware reden van het kwaad te durven aangrijpen, allen door de vruchten er van te genieten, en daaronder zijn voorzeker niet het minst te laken, degenen die helder genoeg zagen om het stelsel zelve in beginsel te veroordeel en, maar niettemin gretig over zijn baten beschikten.
Waar de schuld zoo algemeen is, zou het overbodig zijn verder te onderzoeken, hoe groot het aandeel van ieder daarin is; bovendien, er is reeds tot verzadiging toe getwist; het zal veel verstandiger zijn, in stede van elkander bittere en onnutte verwijten te maken, de handen in een te slaan, om uit den hoogst bedenkelijken en gevaarlijken toestand, waarin wij door gemeene schuld zijn vervallen, te geraken.

Hoofdstuk III

Welke zijn de vooruitzichten voor de toekomst voor Indië en Nederland, en wat moet de grondslag voor elke verbetering zijn.

Het is geen sterveling gegeven met zekerheid de toekomst te voorspellen. Of het vonnis over ons reeds is uitgesproken, of Indië onherroepelijk voor ons verloren is, dan wel, of het ons gegund zal zijn die schoone bezitting te behouden, en haar en het vaderland, welks welzijn daarmede zoo innig verknocht is, voor eene betere toekomst op te leiden? - de beantwoording dezer vragen is in het duister der toekomst verborgen. Maar niet twijfelachtig is het, dat onze pligt gebiedt, al onze vermogens en al onze krachten in te spannen, om dat doel te bereiken. Ik hoop en vertrouw, ja ik ben vast overtuigd, dat dit nog mogelijk zal zijn. Bezat ik niet die overtuiging, ik zou de pen niet hebben opgenomen; de rol van ongeluksbode is even ondankbaar als onnut. Al hebben wij groote fouten begaan, er is veel wat tot verontschuldiging kan dienen. Even als de enkele mensch, komen ook de natiën eerst langzaam en na verloop van tijd tot de juiste onderscheiding van goed en kwaad, en laten zij zich dikwerf door drogredenen misleiden; maar wie eens den goeden weg gevonden heeft, en dien vastberaden durft te bewandelen, vindt meestal vergeving voor begane fouten en belooning voor het goede dat hij doet. Om eene kwaal te kunnen genezen, dient de aard der ziekte naauwkeurig onderzocht te worden; is het staatsligchaam ziek, men schrome niet zijne wonden te peilen, en de ongezonde stoffen er uit te verwijderen, al moge dit den lijder oogenblikkelijk ook pijn veroorzaken en hem minder aangenaam wezen, zijne dankbaarheid zal later, na gelukkige genezing, zoo veel te grooter zijn. De hoofdkwaal, - hiervoren werd dit reeds gezegd is het batig saldo, het zich toeeigenen van het overschot der koloniale administratie ten behoeve van het moederland. Het offer moge voor Nederland groot schijnen; - het staat nog te bezien of dit werkelijk het geval is , maar dit doet er weinig toe; - het is noodzakelijk. Ik zal niet op het punt van regt of onregt terugkomen; ik wil hier de vraag slechts uit een staatkundig oogpunt behandelen. Men is het vrij wel eens dat het kultuurstelsel niet meer kan behouden worden. Om het te behouden had men bij tijds het bekende "sit ut est, aut non sit" (waarvan de zin is: beter, het opgeven dan in eene verandering toe te stemmen) moeten bedenken. Om het een langer leven te doen genieten, had men het in zijn geheel moeten laten, namelijk in Indië geene vrije drukpers moeten toelaten, noch Europeanen, anders dan in kontrakt met het gouvernement, in de binnenlanden moeten gedoogen en geene particuliere kultuur behooren te dulden.
De geheele natie had als één man het kultuurstelsel moeten voorstaan, even als de slavenstaten van Noord-Amerika het stelsel der slavernij; het had alsdan langer kunnen blijven bestaan, maar zou dan welligt, even als daar de slavernij, ook in eens gewelddadig ten val zijn gebragt.
Het geheele stelsel van kultures is een stelsel gegrond op willekeur - op willekeurige beschikking over den tijd en de gronden der bevolking; neemt men de willekeur weg, zoo valt het stelsel onmiddellijk in duigen.
Met welke gronden van regt toch is het te verdedigen, dat men een gedeelte der bevolking dwingt koffij of suiker voor de regering te planten, alleen omdat zij woont in de nabijheid, hetzij van gronden welke voor de koffijkultuur geschikt zijn, hetzij van eene suikerfabriek; dat men die bevolking zelfs verbiedt hare velden voor de teelt van suikerriet te verhuren, of voor eigen rekening daarop riet te telen en dit te verkoopen, terwijl de bevolking, die toevallig niet in de nabijheid van voor de teelt geschikte gronden woont, van al die lasten geheel wordt vrijgelaten, en beide bevolkingen voor het overige even zwaar belast zijn.
Is dit iets anders dan willekeur, en zal een nederlandsche wetgever, in de negentiende eeuw, zulk eene willekeur bij de wet durven bekrachtigen?
Iedere poging tot wettelijke regeling der kultures, hetzij van de koffij- hetzij van de suikerkultuur , moet tot hare ontbinding leiden.
Art. 56 van het regeringsreglement zoude dit reeds lang hebben bewerkt, indien het ware nageleefd, en den inlander werkelijk voor zijn product ware betaald geworden wat de vrije kultuur hem opbragt. Is bovendien het kultuurstelsel niet reeds veroordeeld van het oogenblik af dat men de gouvernementskultuur eene dwang kultuur. Een stelsel van dwang laat geen volk zich op den duur welgevallen; zoodra bij ons de militiedienst niet meer mogt beschouwen, als eene verpligting om den staat tegen den vijand te verdedigen, maar als een dwang dien de staat hem oplegt in strijd met regt en billijkheid, zal ook bij ons het stelsel van verpligte militaire dienst niet meer zijn vol te houden. Gelukkig voor ons, dat de Javaan tot dus ver aan het kultuurstelsel nog niet dat hatelijke begrip schijnt te hebben verbonden, dat hij de kultuur nog beschouwt als eene verpligting jegens den souverein, en het vrij geriefelijk vindt daarmede het geld te verdienen om zijne belastingen te betalen en nog het een en ander te koopen.
Tocqueville is verbaasd over de onnoozele gemoedelijkheid, waarmede de fransche schrijvers en de regering over de grieven der bevolking uitwijdden; maar ik vraag in gemoede, geeft niet even veel stof tot verbazing onze naïviteit, waarmede wij, terwijl wij tuk zijn op de voordeelen, welke het kultuurstelsel ons afwerpt, en niet genoeg voor zijne zegeningen kunnen danken, aan de andere zijde: "plus javanais, que les javanais ," (meer javaansch, dan de javaan zelve) dat stelsel als een dwangstelsel uitkrijten?
En men denke niet dat de eer daarvan toekomt aan de tegenstanders van het stelsel; 0 neen, met eigen oogen heb ik het gezien - reeds in 1844 of vroeger bezigde de Minister Baud in officiëele stukken het woord dwangkultuwr, en brandmerkte daarmede zijn eigen werk en stelsel. Men moge hierover de schouders ophalen, of men moge den staatsman bewonderen, bij wien in een onbewaakt oogenblik het gevoel van regt zegevierde over zijn verstand; - maar ik vraag het in allen ernst, is ook hier niet bewaarheid het gezegde "quem Deus vult perdere dementat" - (wien God wil straffen, dien beneemt hij het verstand.) ? Maar hoe dit ook zij, zoo veel is zeker, dat een stelsel, dat door zijn stichter zeIven is gebrandmerkt, en sedert onophoudelijk van alle zijden werd bestookt, niet meer voor rehabilitatie vatbaar is.
Hoe lang het nog zal kunnen behouden blijven kan niemand zeggen. Bij den aanvang van den amerikaanschen oorlog, kon niemand vermoeden, dat reeds na vier jaren tijds de slavernij zou zijn afgeschaft. Al schrijven wij hier ook in de wet, dat de koffij- of de suikerkuluur zal behouden blijven - het zal niet baten geene wet zal het onhoudbare houdbaar maken. Ook de slavenstaten van Noord-Amerika hebben een aantal wetten tot behoud,  bescherming en uitbreiding der slavernij weten door te drijven. Wat heeft het hen geholpen? Wij mogen dus niet rekenen op bet behoud der voordeelen van dat stelsel. En is het dan niet verstandiger bij tijds vrijwillig daarvan afstand te doen, dan ze, welligt iets vroeger, welligt iets later, tegen wil en dank, te moeten verliezen? Doen wij het nu, men zal er ons nog dankbaar voor zijn, en die opoffering - zoo het eene opoffering is - zal voor ons in den vervolge rijke vruchten dragen; er is alle redelijke grond dit aan te nemen. Het moge nog voor velen duister zijn, dat de deugd hier op aarde hare belooning vindt, maar weinigen betwijfelen het - zij ondervinden dit zelven dagelijks - dat verstand het steeds op den duur van onverstand moet winnen. Maar men verwachte niet die vruchten te oogsten in de gedaante van een batig slot der toekomst, de grootste misleiding, welke immer der natie is voorgespiegeld. Er gebeuren geene wonderen in Indië; ik heb dit eens in een officiëel stuk durven zeggen - en wie het las sloeg van verbazing de handen ineen. - Het is ongelooflijk maar toch waar; een batig saldo ten behoeve van Nederland kan niet worden verkregen dan ten koste van Indië, en het wonder waaraan men tot dusver geloofd heeft - om Indië te doen bloeijen en Indië tevens 20 tot 40 millioen ' s jaars in de Nederlandsche schatkist te doen storten, is evenmin mogelijk, als dat Nederland er wel bij zoude kunnen varen, wanneer het aan een ander land schatting moest opbrengen. Zal Indië geregeerd worden volgens het stelsel, dat onder alle hemelstreken het beste is, zal het op werkelijk liberale en humane wijze bestuurd worden, zoo heeft het niet alleen al zijne inkomsten noodig om de uitgaven te bestrijden, maar zal het bovendien nog schulden moeten maken. Onder een ander stelsel toch - ik kom hierop nader terug zullen de inkomsten aanvankelijk aanmerkelijk verminderen, en zij zullen eerst weder toenemen nadat de maatschappij een tijd lang op andere en betere grondslagen zal zijn gevestigd geweest. Wel is het te verwachten, dat de inkomsten onder een beter stelsel gestadig vermeerderen, en eens de tegenwoordige ver zullen overtreffen; doch dit is eene zaak van tijd, van beleid en van geduld, en in Indië zullen, even zeer als in alle europesche landen die op  den weg van vooruitgang zijn, de uitgaven klimmen naarmate de inkomsten vermeerderen. Eerst wanneer Nederland van het batig slot zal hebben afgezien, wordt herstel in Indië mogelijk. Om maar één punt te noemen; met welk regt kunnen wij den inlandsche hoofden het knevelen verbieden, wanneer zij ons verwijten kunnen zelven de grootste knevelaars te zijn en dat wij hun, onze getrouwe werktuigen bij die taak, niet eens de brokken willen gunnen die van den rijken disch vallen? Eerst dan zullen, als met een tooverslag, de hartstogten hier te lande tot bedaren komen; eerst dan zullen de natie en zij, aan wie de leiding van hare belangen is toevertrouwd, de kalmte, bezadigdheid en vrijheid kunnen verkrijgen, vereischt om een groot, een goed werk ,de hervorming van Indië, ten uitvoer te brengen. Wat. meer is, men zal dan vinden dat die taak, waartegen thans als tegen een berg wordt opgezien, gemakkelijk is, en dat de chaotische verwarring van denkbeelden, waarin wij thans leven, en die beurtelings den behouder tot de meest vrijzinnige, den liberaal tot de meest behoudende denkbeelden doet overspringen voor licht en orde zal plaats maken. Doet men het niet, iedere maatregel tot verbetering dien men neemt, zal instede van te helpen, het kwaad slechts verergeren, en den val onzer heerschappij verhaasten.

Hoofdstuk IV

Welke middelen tot verbeteren en hoe deze moeten worden aangewend.

De middelen tot verbetering van den toestand des inlanders zijn niet moeijelijk op te noemen; reeds dikwerf zijn zij aangegeven; - individuëel grondbezit, intrekking der gouvernements-kultuur, belasting in geld, vermindering of afschaffing der heerediensten, zoo wel die ten behoeve der inlandsche hoofden als die voor de regering, verhooging van de bezoldiging der inlandsche hoofden, volksonderwijs, evangelisatie, afschaffing der rottingslagen en der opiumpacht , geleidelijke bevordering van vrije kultuur, aanmoediging der nijverheid. Al deze geneesmiddelen zijn uitmuntend, even als chinine, laudanum en morphine dit voor ziekten zijn. Maar het is niet voldoende het geneesmiddel te kennen; wordt het niet op oordeelkundige wijze, in juiste hoeveelheden, op het regte tijdstip, en berekend naar het gestel van den lijder toegediend, zoo kan het in stede van genezing diens dood ten gevolge hebben. Zonder kundige doctoren falen de beste geneesmiddelen of zijn zij een gevaarlijk wapen. Niets is gevaarlijker en vereischt meer omzigtigheid en beleid, dan vrijzinnige staatkundige hervormingen; slechts zeer krachtige regeringen, die met zelfvertrouwen de handen aan het werk slaan, en zich den steun der bevolking weten te verwerven, kunnen daarin slagen. Wordt met laauwheid en slapheid, zonder vastberaden plan, hier het eene, dáár het andere afbrekende, te werk gegaan, zoo zullen slechts de bestaande banden geslaakt, een niet te bevredigen geest van misnoegen opgewekt en alle orde verbroken worden. Indië is op dien weg reeds ver gevorderd; wie er aan twijfelt leze slechts de berigten uit de binnenlanden in de indische dagbladen. Al de aangegeven middelen van verbetering berusten op vrijzinnige grondslagen; het zijn bouwstoffen, die op zich zelve niet te wraken zijn; maar de fundering ontbreekt, waarop zij alleen met goed gevolg kunnen worden opgetrokken, namelijk - de vrijheid. Aan wat heeft Nederland zijn bestaan en zijne grootheid te danken? Waardoor neemt het ook nu nog, hoe klein dan ook, eene eervolle plaats in onder de staten van Europa? Alleen door zijne vrijheid. Die vrijheid vraag ik ook voor Indië als het eenige middel om Indië groot en bloeijend te maken,- en om den band tot het moederland op hechte, duurzame grondslagen te vestigen. Ik bedoel daarmede geene constitutionele instellingen; Indië is daarvoor in de verte nog niet rijp; maar de vorm der instellingen doet er weinig toe af, wanneer het wezen der zaak er maar is. Een volk kan onder eene autocratische regering betrekkelijk eene groote mate van vrijheid genieten, beantwoordende aan zijne behoeften; het kan onder eenen constitutionelen of democratischen regeringsvorm zeer onvrij zijn. Griekenland en een aantal amerikaansche republieken kunnen dit laatste getuigen. Onder vrijheid voor Indië versta ik, dat aan dat land eene krachtige regering worde geschonken, in staat om met de meest mogelijke vrijheid van beweging te handelen, maar ook voor hare handelingen ten volle verantwoordelijk; dat de inlander zoo wel als de europeaan en de vreemde oosterling geregeerd worde op de wijze, die het meest met zijne wenschen en behoeften overeenstemt, en dat men hun de gelegenheid geve, die wenschen en behoeften te doen kennen, en hen, waar dit mogelijk is aan het bestuur des lands, der provincie of der gemeente die deel nemen; dat eindelijk alle klassen der bevolking door eene goede, voor ieder zooveel mogelijk bereikbare regtsbedeeling worde geholpen en dat aan hunne bedrijvigheid en handel geene belemmeringen worden in den weg gelegd, dan die door het algemeen belang vereischt worden of, waar dit noodig mogt wezen, om onderdrukking van het eene ras door het andere te voorkomen. Rigt de regering zoo in, dat de meerderheid der verschillende bestanddeelen waaruit de bevolking bestaat, zich op haar gemak kan gevoelen, dat zij de vrijheid van beweging heeft, die noodig is tot bereiking van hare redelijke wenschen, en niemand zal er aan denken zulk eene regering weg te jagen. Het recept is dood eenvoudig, zult gij zeggen, maar de uitvoering! Die is het evenzeer, wanneer gij alleen het recept wilt toedienen en geene kwade nevenbedoelingen hebt.

Hoofdstuk V 

Is de tegenwoordige organisatie van het bestuur in Indië berekend voor de taak der hervorming?

Indien  iemand de taak werd opgedragen eene stoommachine te ontwerpen, met een werk waarin alle raderen elkander in den weg zitten, het eene de werking van het andere verlamt, en waarmede men met eene kracht van 1000 ponden slechts het gewigt van een pond zou kunnen tillen, gij zoudt zeggen welke eene dwaze taak is dat? En toch aan eene dergelijke opdragt is met het beste gevolg voldaan door de tegenwoordige organisatie van het indisch bestuur. Het ligt niet binnen het bestek, dat ik mij heb voorgesteld, om eene verhandeling over indisch staatsregt te schrijven, maar ik zal trachten u zoo beknopt mogelijk eene schets van de zamenstelling te geven. De gouverneur-generaal regeert Indië volgens een regeringsreglement, waarin een groot aantal wijze, welligt ook sommige minder doeltreffende bepalingen zijn vervat. Welk menschelijk werk toch heeft niet zijne gebreken? Hij is bevoegd om - let wel op, zoo gij het noodige geduld hebt, lezer! - "met inachtneming der bepalingen van dat reglement en van 's konings bevelen, algemeene verordeningen vast te stellen, omtrent alle onderwerpen, waarvan de regeling niet door de wet is geschied of moet geschieden, waarin niet door een koninklijk besluit is voorzien of waarvan aan den koning de regeling niet is voorbehouden". Daar de minister verantwoordelijk is voor de besluiten des konings, en het geheel van het goeddunken van den minister afhangt, welke onderwerpen hij al of niet aan de regeling bij de wet wil onderwerpen, zoo komt het voorschrift der wet daarop neder, dat zoo de gouverneur-generaal al verordeningen mag maken, het geheel aan de willekeur des ministers blijft overgelaten hoe ver hij daarin mag gaan, en·deze tevens weder verordeningen van den gouverneur-generaal, zonder verder eenige verantwoording schuldig te zijn, kan te niet doen of wijzigen. En dezelfde magt heeft de minister ten aanzien van alle andere regerings-handelingen van den gouverneur generaal. De minister behoeft daarvan, zoo hij niet wil, aan niemand verantwoording te doen; wat hij doet blijft geheim, voor zoover hij zelf niet de openbaarmaking gelast. Al wordt de staatsraad gehoord, hij· is aan diens advies niet gebonden. En is de minister, wien zulk eene groote, geheel onbeperkte magt in handen is gegeven, er veel beter aan toe? Ik betwijfel dit. Hij is toch van zijne zijde door de omstandigheden gebonden om in alle maatregelen van eenig belang de indische regering te raadplegen; doet hij dit niet, zoo moet hij vreezen bij haar op tegenstand, op onwil of verkeerde uitvoering zijner besluiten te stuiten; niemand toch voert gaarne een maatregel uit, die hem, volgens zijne innige overtuiging, verkeerd schijnt. Bovendien is het uitermate moeijelijk zich op duizende mijlen afstands te verstaan, al bestaat van beide zijden ook de beste wil en het meeste gevoel van pligt. Over en weder moet dikwerf naar de ware bedoelingen geraden worden, en hoe ligt is. dan misverstand mogelijk, terwijl het ten eenenmale ondoenlijk is in zaken van belang tot algeheele overeenstemming te geraken. De minister is dus ook, uit den aard dier zaak, geenszins vrij tegenover de indische regering, maar staat ten haren aanzien veelvuldig in eene gewrongen en moeijelijke verhouding. Ik verraad u hier geene staatsgeheimen, evenmin wil ik eenige blaam op personen werpen, maar ieder zal zelf ligt kunnen bevroeden, dat het niet anders kan wezen, en het getuigt van de wijsheid en het pligtbesef onzer met de regering van Indië, zoowel daar als in het moederland, belaste staatslieden, dat die onnatuurlijke vérhouding tot elkander, niet reeds lang tot ernstige conflicten heeft. aanleiding· gegeven. Maar dit is nog de minste zorg van den minister; hoewel zijne magt onbeperkt is, heeft de Kamer toch de bevoegdheid hem over elken stap dien hij doet of doen wil, te interpelleren, en hem alle mogelijke moeijelijkheden in den weg te leggen, en ieder weet in hoe ruime mate daarvan sedert jaren is gebruik gemaakt. Maar dezelfde Kamer, die zoo veel kwaad kan doen, is onmagtig  tot het  nemen van eenigen maatregel ten goede, tenzij dat de minister haar daarin wil voorgaan of hare hulp inroepen. Dit alles geeft aanleiding tot oneindige wrijving, tot eene ongeloofelijke massa schrijfwerk, zonder dat de zaken er veel mede vorderen; het eenige wat nog verwondering  moet baren, en wat zeer pleit voor de onverdroten volharding, en de werkzaamheid dergenen die met dat gebrekkig; zamenstel moeten werken, is, dat nog zoo veel is tot stand gebragt. Men is wel eens verbaasd over den indischen goudsmid, die met een geheel gebrekkig  werktuig zeer kunstig filigraanwerk vervaardigt, maar is maar is de indische regering in dit opzigt niet nog veel meer te bewonderen? Doch ik vervolg mijne vergelijking; - zet die machine in een schip en doe daarmede eene reis. Wat zal dan gebeuren? Het schip zal slechts langzaam vorderen; de passagiers, die wel de groote raderen en de stoomketel zien, doch het doorzigt en de kennis missen, om te bevroeden waarom de machine zoo weinig uitwerking doet, zullen den kapitein en den machinist alle schuld geven, hen achter ter hun rug, sommige meer vermetelen, welligt in hun aangezigt, met smaad redenen overladen; het meerendeel der passagiers zal tot spoed drijven; enkelen, die zien dat het schip niet tegen den stroom, welke het naar de klippen voert, bestand is, zullen op stilstaan of wenden aandringen. Evenzoo is het de indische regering gegaan; sedert jaren is er onophoudelijk op haar gescholden. Al werden soms uitzonderingen voor personen gemaakt en enkele handelingen geprezen, het gouvernement, in het afgetrokkene beschouwd, werd toch in dagbladen en andere openbare geschriften in den regel aangevallen en beschreven als het kwade element dat het goede belette en meer en meer verkleind en in minachting gebragt , zelfs daar waar het geprezen werd. Te kwader ure zou de ontdekking kunnen gemaakt worden, dat dit laatste gelukt is boven veler bidden en wenschen, dat, wanneer het uur des gevaars slaat, de regering, die bovendien gewoon om aan den leiband van den minister te loopen, al ligt verleerd heeft op eigen kracht te steunen, het zedelijk overwigt en de zelfstandigheid mist, vereischt om het met kracht te keer te gaan. Ook het ontzag voor het opperbestuur en de volksvertegenwoordiging hebben er niet bij gewonnen. Mogt gij er aan twijfelen lees dan slechts de indische dagbladen. En wat draagt ook hier weder de schuld? Niets anders dan het batig saldo en de daaruit voortspruitende zucht om het indische bestuur zoo veel mogelijk aan banden te leggen, en ook des ministers werkkring te bemoeijelijken; de zorg der bewaking en verdeeling van den buit, (men vergeve het mij wanneer ik dezen in het regeringsreglement met  zulk eene schoone vacht getooiden en daaronder geheel verborgen wolf zoo naakt uitkleede,) moest van zelfs, welligt onbewust, tot wantrouwen leiden, en uit wantrouwen spruit zelden veel goeds voort. Naarmate het onderling wantrouwen grooter, en de koloniale strijd in Nederland heviger werd, nam, als een onvermijdelijk gevolg, ook de bemoeijing met het indische bestuur toe, en werd de regering van Indië meer en meer naar het Ministerie en de Kamers overgebragt. Slechts in het voorbij gaan zal ik er op wijzen, dat het tegen alle gezonde rede indruischt, voor een land dat duizende mijlen afstands van ons verwijderd is, in het moederland wetten te willen maken, en het van dáár, zoo als thans geschiedt, in alle bijzonderheden te willen regeren. Wat zouden wij nederlanders er wel van zeggen, wanneer onze regering en volksvertegenwoordiging in de kolonie gevestigd waren, en ons van daar wetten en bevelen wilden geven? Nederland en Indië zijn nu wel in geenen deele gelijk te stellen, maar, geloof mij, wat in dat geval voor het eene het toppunt van onzinnigheid zou zijn, is voor het andere, op het zachtst genomen hoogst onverstandig. Doch ik ben nog niet ten einde met mijne beschrijving. De gouverneur-generaal regeert Indië alleen, volgens het meest autocratische beginsel. Wel staat hem een Raad van Indië ter zijde die gezamenlijk adviezen uitbrengt, behoudens het regt, van ieder lid om een afzonderlijk advies over te leggen, en moet de gouverneur-generaal in sommige belangrijke gevallen in overeenstemming met den raad beslissen, doch hij is niet aan het advies van den raad gebonden, en hij kan ook, daar waar overeenstemming wordt gevorderd, de beslissing des konings inroepen of; in geval van gevaar, op eigen verantwoordelijkheid handelen. Dit klinkt nu zeer fraai; maar laat ons de zaak eens nader bezien  De gouverneur-generaal woont te Buitenzorg op 12 uren afstands van Batavia; hij heeft daar geenen anderen ambtenaar die hem ter zijde staat, dan den algemeenen secretaris. Hij moet te Buitenzorg wonen, want te Batavia zou hij te veel aanloop hebben, alle vrijheid missen, en niet genoeg tijd tot werken overhouden; bovendien is zijn hôtel te Batavia ongeschikt om voortdurend bewoond te worden, en vol verzakkingen en scheuren, zoodat het reeds door het bouwdepartement is afgekeurd en het bouwen van een nieuw hotel is eene kostbare zaak waarmede jaren kunnen verloopen. Komt de gouverneur-generaal te Batavia, zoo moet hij daar audientie, diners en feesten geven, en de aanloop houdt niet op. De Raad van Indië is te Batavia gevestigd; hij mag den gouverneur-generaal slechts schriftelijk adviseeren; de bespreking van zaken met enkele leden geeft aan de anderen ligt aanleiding en reden tot naijver. Wat is hiervan het gevolg? Dat de gouverneur-generaal, uitgenomen de raadpleging van een enkel persoon, geheel geïsoleerd staat, dat hij alles van uit zijn kabinet, op de stukken afgaande moet beslissen; dat hij geene gelegenheid heeft om door dagelijksche gedachtenwisseling met zaakkundige mannen de noodige vlugheid van geest te behouden, of hen in zijn zorgen en twijfelingen te doen deelen, noch in gemeen overleg nieuwen moed te scheppen of zijn twijfel op te lossen. Ik vraag u lezer is de stelling van zulk een man zoo te benijden, vooral wanneer hij, geheel vreemd aan Indië zijne  betrekking aanvaardt, en moet hij niet hartelijk, ja hartstogtelijk verlangen naar het oogenblik, waarop het uur zal slaan, dat hem uit zijne verbanning verlost? Zulk eene stelling van een gouverneur-generaal moge uitmuntend passen in een stelsel van wantrouwen, van angst voor indischen invloed, zij moge geheel te huis behooren in eene regering als die van Philips II, maar zij is kwalijk te vereenigen met de gezonde rede, en nog minder met de vrijzinnige beginselen, welke wij hier te lande zoo luide uitbazuinen. De gouverneur-generaal moet daarbij alles doen, zoowel het groote als het kleine; met dezelfde peil en in hetzeIfde uur moet hij soms twee besluiten teekenen, het eene om den oorlog te verklaren en eene groote expeditie te gelasten, het andere om een eersten klerk of derden kommies een buitengewoon voorschot te weigeren. En de Raad van Indië ? Verbeeldt u, een collegie uit vijf mannen bestaande, waarvan een, en nog wel de voorzitter, bij elke afwezigheid. of verhindering van den gouverneurgeneraal voor korteren of langeren tijd moet uittreden, om de functiën van gouverneur-generaal als tijdelijk plaatsbekleeder te vervullen, een collegie dat niet alleen wetten maken, maar ook nog over alle regeringsaangelegenheden van eenig belang, een zeer uitvoerig gemotiveerd advies moet uitbrengen, de voorstellen welke aan het opperbestuur gedaan woorden moet voorbereiden en toelichten dat meestal gehoord moet worden op de maatregelen, welke het opperbestuur wil nemen, daartegen zijne bezwaren niet alleen kan inbrengen, maar zelfs door zijn eed verpligt is dit te doen; dat alle belangrijke voorstellen der hoofden van algemeen burgerlijk en van gewestelijk bestuur( directeuren en residenten) moet onderzoeken en naar zijne inzigten omwerken en wijzigen; - een collegie, dat onverkropt met werk is, zoodat het met geene mogelijkheid den tijd kan vinden, om wetten en organisatien naar behooren te overwegen en te onderzoeken, dat een zeer grooten invloed op den gang van zaken uitoefent, zonder evenwel de allerminste uitvoerende magt te bezitten, zoo dat het wel maatregelen voorstellen, maar hoegenaamd niet voor de behoorlijke uitvoering zorgen kan, en, dat eindelijk door de organisatie van het hoofdbestuur en het overbrengen van dit laatste naar Nederland zich veelal in zeer onvruchtbaar werk moet afsloven. Zoudt gij dan nog denken dat de stelling van raad van Indië zoo benijdenswaardig is, dat het mogelijk is daarin veel goeds uit te werken, en vindt gij het onnatuurlijk, wanneer men, ook zonder de minste persoonlijke grieven, er naar haakt en de gelegenheid niet laat voorbij gaan, om zulk een collegie te verlaten? En wat wilt gij daarvoor in de plaats stellen? Ik gevoel noch het talent noch de roeping om nieuwe regeringsvormen uit te vinden, en ik schrijf hier trouwens niet over staatsregt, maar ik vraag slechts, of het niet veel rationeler en vrijzinniger zou zijn, het voorbeeld onzer naburen in Britsch Indië te volgen, den gouverneur-generaal wel is waar eene groote magt te laten, maar hem een executiven raad ter zijde te stellen, wien bij dagelijks, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk over zaken kan raadplegen, en eene wetgevenden raad, waarin benevens leden van den executiven raad, ook regtsgeleerden, officieren, kooplieden, en zelfs aanzienlijke inlanders zitting nemen, en die in het openbaar beraadslaagt? Wanneer het batig slot komt te vervallen, berust onze koloniale regering toch op dezelfde grondslagen als de Britsch-Indische, namelijk zich te vergenoegen met de indirecte voordeelen, welke de kolonie aan handel en nijverheid oplevert en haar als eene uitkomst te beschouwen voor velen, die hier te lande geen bestaan kunnen vinden en voorts alle hare bronnen van welvaart zoo ruim mogelijk te doen vloeijen. Dan zal vermoedelijk ook dezelfde regeringsvorm, behoudens de noodige wijzigingen in ondergeschikte punten, de beste zijn. Aan den wetgevenden raad zou dan ook welligt het onderzoeken en vaststellen der begrooting, behoudens de bekrachtiging door den gouverneur-generaal of door den koning, kunnen worden opgedragen. Ook voor Indië zal wel de regel gelden, dat openbaarheid in de finantiën de beste waarborg voor zuinigheid is. Is nu het groote raderwerk goed geregeld, zoo zal het ook niet moeijelijk vallen om de kleine deelen vrijer en gemakkelijker dan thans te doen werken, en dan de alle paal en perk te boven gaande, onnutte verspilling van krachten, - de hoofdkwaal van ons tegenwoordig bestuur, waaraan voor een voornaam deel de algemeene diep gewortelde ontevredenheid zoowel der ambtenaren ,als van bet publiek is te wijten, - te doen ophouden.

Hoofdstuk VI

Welke zijn de gebreken der tegenwoordige rigting?

Tocqueville ontheft mij van een groot deel van de moeite u deze te beschrijven. Ik herhaal hier, wat reeds hiervoren door mij is aangehaald.

"De schrijvers wisten niet alleen het volk dat de omwenteling bewerkte, hunne denkbeelden te doen deel en zij gaven het tevens hun inborst en gemoedsgesteldheid. Onder hunne langdurige tucht, bij gemis aan alle andere leiders, bij de diepe onwetendheid omtrent de staatkunde, kwam de geheele natie, terwijl zij hunne werken las, er toe om al de hebbelijkheden, gevoelens en verkeerdheden over te nemen aan schrijvers eigen, zoodat toen zij eindelijk moest handelen, zij in de staatkunde al de gewoonten der letterkunde overbragt."
Is het niet als of deze regelen opzettelijk voor Indië waren geschreven? Hier in Nederland kan het schrijven over de inwendige staatkunde geen kwaad veroorzaken; het volk weet wat het wil; het kent zijne belangen en laat zich niet ligt meer door schrijvers op het dwaalspoor brengen; er wordt hier dan ook weinig meer over binnenlandsche  staatkunde geschreven, althans niet meer dan noodig is, om den volksgeest niet te doen verslappen; brochures en dagbladen hebben betrekkelijk weinig invloed op den gang van zaken. Geheel anders is·het gesteld in Indië; daar mist het nederlandsche publiek, even als in der tijd het fransche, ervaring en eenheid, en het is nog niet tot zelfstandig werken en handelen opgeleid. Vandaar dat in der daad de schrijvers, - de dagbladpers - de zaak geheel in handen hebben genomen, en zoowel het nederlandsche als het indische publiek leiden. Zulke schrijvers hebben nu wel voor, dat zij vrijer naar de gebreken van den bestaanden toestand kunnen onderzoeken, en de juiste algemeene beginselen van verbetering aangeven; maar zij hebben ook het groote nadeel, dat zij voor de uitvoering hoegenaamd niet verantwoordelijk zijn; dat zij dus slechts het doel voor oogen hebben en er hoegenaamd niet naar vragen langs welke wegen dat doel het best kan bereikt worden, - daaromtrent ontbreekt hun alle ondervinding en zaakkennis, - dat zij steeds slechts met ongeduld aandringen op de verwezenlijking van hunne idealen, alles in eens willen afbreken en verbeteren, en het publiek op dien weg medeslepen. Wat nu Indië betreft, is de zaak zoo veel erger, omdat de schrijvers voor het meerendeel niet leven onder het volk waarvoor zij schrijven, zijne wenschen en behoeften niet uit zijn eigen mond kunnen vernemen. Vandaar dat men, met de beste bedoelingen voor den javaan, dezen, even als vroeger de fransche schrijvers het volk, als niet bestaande beschouwt, en dat niemand vraagt of de geneesmiddelen, waarmede wij zoo gretig zijn, ook naar zijnen zin en voor zijn gestel zijn berekend. De eenige zorg van den schrijver is dat zij in zijn eigen stelsel passen; de javaan moet dan maar zelf zien, dat hij er wel mede vare. Bekomt het middel hem slecht, wel dat is zijne zaak; de schrijver heeft daar niets mede te maken. Vandaar dan ook dat de berigten en beschouwingen, aan schrijvers uit de binnenlanden van Java, van mannen die dagelijks met den javaan omgaan en hem kennen, zelfs al kleven zij liberale denkbeelden aan, toch altijd hemelsbreed verschillen van de beschouwingen der schrijvers, die het publiek mede slepen, terwijl dit voor de stem van genen meestal doof blijft. En wat is tegen dit kwaad, dat inderdaad eene zeer bedenkelijke hoogte heeft bereikt, het eenige tegengift? Welligt een gestreng drukpersreglement voor Indië? Maar dat zal u niet helpen, zoo gij ook niet de Nederlandsche drukpers aan banden legt. Dit kunt gij niet doen en al waart gij daartoe in staat, zelfs al vermogt gij, zoo als sommigen zeker gaarne met de beste bedoelingen zouden doen, alle schrijvers te steenigen , het zou u niet veel baten, het zou zijn de eene put dempen om in eene andere, veel diepere te vallen. Neen, het eenige middel daartegen is Indië die mate van zelfstandigheid te geven, waardoor de gemeente, in stede van een bedillend toeschouwer te zijn, zelve mede voor den gang van zaken verantwoordelijk wordt, en gevoelt dat zij zelf hare eigen zaken in handen moet nemen; geen schrijvers, hetzij in Nederland hetzij in Indië, zullen daar dan nog kwaad kunnen doen. Gij zult dan ook geen politieke uitzettingen meer noodig hebben, thans nog een noodzakelijk palliatief, waartoe de indische regering onlangs, door eed en pligt gebonden, haar onlangs, de toevlugt heeft moeten nemen. De zucht om in Nederland, bevoegd of onbevoegd, indisch regeringtje te spelen zal dan van zelf ophouden, en de schrijvers in Nederland zullen zich bepalen tot hetgeen voortaan hunne taak zal zijn, namelijk om in de stilte van het studeervertrek het werk te doen, waartoe in eene gemeente als de indische veelal de tijd en de middelen ontbraken; zij zullen dan de maatschappij daar met de vruchten hunner studie en van hun onderzoek in elk vak van wetenschap, zoo wel staat- en staathuishoudkunde, als land-, volken-, taal- en natuurkunde voorlichten, en op feilen en gebreken opmerkzaam maken, hetgeen wanneer het met zaakkennis en overtuiging geschiedt, dan met dankbaarheid en eerbied zal worden aangenomen. Of denkt gij welligt lezer, dat de europeanen in Indië van andere stof zijn gemaakt dan gij, of dat hunne huid, met de perkementen kleur, ook de ongevoeligheid van perkement heeft aangenomen? Dan vergist gij u zeer; ik kan U verzekeren, dat men daar ons eeuwig schoolmeesteren, onze betweterij en - o afgrijsselijkste van alle zonden! - onze gansch onuitstaanbare pedanterie in indische zaken hartelijk moede is. Aan alle jonge maatschappijen is het eigen zeer kitteloorig en fijngevoelig te zijn, omdat zij aan den eenen kant zich bewust zijn veel zwakke zijden te bezitten, aan de andere zijde er trotsch op zijn dat zij, onder moeijelijke omstandigheden met gebrekkige middelen, veel tot stand hebben gebragt , maar dit dan ook minstens gewaardeerd willen zien. Men versta mij echter wel; al ben ik nog zoo scherp, ik werp geene blaam op personen; reeds in de inleiding is dit door mij gezegd; al gisp ik schrijvers en instellingen, en al zou men daarin ligt kwetsende toespelingen kunnen zien, het zij verre van mij de personen te willen veroordeelen of krenken, die daartoe hebben medegewerkt. Alles heeft zijn tijd en zijn nut; juist hun mag men het in de eerste plaats danken, zoo wij tot een juistere kennis van zaken geraken, en ik ben zelf de laatste die het regt heeft op hen individuëel den steen te werpen. Welligt meer dan iemand voel ik mij getrokken tot degenen, die de handen aan het werk durven te· slaan; - het is aan alle menschelijke pogingen op een vreemd en onbekend gebied eigen, aanvankelijk veelvuldig te moeten mistasten alvorens den regten weg te vinden, en indien ik er in mogt slagen dien te naderen, zoo weet ik zeer wel dat ik verkeerd zou doen door mij daarvan de verdienste toe te eigenen, dat ik slechts voortbouw op hetgeen door honderd anderen vóór mij is verrigt, en dat de arbeid der baanbrekers veel moeijelijker en ondankbaarder is, dan de taak van degenen die de laatste steenen op het gebouw hebben te zetten en alle bouwstoffen reeds gereed en bewerkt vinden.

Hoofdstuk VII

Is de Toestand van Indië werkelijk zoo gevaarlijk?

Ja lezer, ik zeg het u, hij is gevaarlijk. Gij zult welligt zeggen, ja, maar onze militaire magt is voldoende om elken opstand te onderdrukken. Zij is dit, wanneer de· opstand slechts partiëel is, maar het is zeer twijfelachtig of zij tegen een algemeenen opstand zou opgewassen zijn. Wat vermogen toch 15 of 20000 soldaten, waarvan welligt de helft inlanders, en deze nog wel voor het meerendeel javanen, tegen eene bevolking van 15 millioen zielen, zoo deze eensgezind is? Gij zult zeggen dit laatste is nooit te vreezen. Vertrouw daar niet te veel op. Zijn op Sicilië niet alle franschen, op last van Mithridates niet 60000 romeinen in ééne nacht of één dag vermoord? Wij zijn op Java zwakker dan vroeger, omdat wij ligter te verwonden zijn. Toen waren er maar weinig europeanen in de binnenlanden; brak ergens een opstand uit, zoo waren welligt één of eenige europeanen er de eerste slagtoffers van, maar verder bleef de zaak onder inlanders, tegen welke de troepen de handen vrij hadden. Maar tegenwoordig zijn honderden europeanen in elk gewest, tot ver in de binnenlanden, verspreid. Het is eene gewone taktiek van den inlander om bij elken opstand, al heeft die ook eene andere hoofdbedoeling, te beginnen met den moord van europeanen, ten einde daardoor de weifelachtigen zoodanig in schuld te dompelen, dat zij niet meer terug kunnen. Zijn nu in stede van een of twee, twintig en meer europeanen ten offer gevallen, wat altijd kan gebeuren, zoo wordt de bloedschuld zoo groot, dat aan geen verzoening meer de denken valt; de opstand, al ware het alleen door de zucht tot zelfbehoud is genoodzaakt zich verder uit te breiden, en er blijft niets anders over, dan hem tot het laatste toe met het zwaard te dempen en in bloed te smoren. Zoo is het te Bandjermassin gegaan. Op Java zou het in zulk een geval nog veel erger wezen. omdat daar veel meer europeanen zouden gevaar loopen; de troepen zouden veel meer enkele punten moeten beschermen, en dus minder vrij in hunne bewegingen zijn. Al mogten wij dan ook de magt hebben om eenen opstand te bedwingen, zoo moeten wij toch al het mogelijke doen, om dien te voorkomen. En toch zie ik velen onder u ongeloovig het hoofd schudden en zeggen: gij wilt ons met uwe vrees aansteken, doch wij zijn daartegen verhard; wij hebben die noodkreten dagelijks van eene zekere partij gehoord en zijn er aan gewend. Ik vraag het u, lezer ben ik bang? Ik, die het waag, met niemand uwer te rade gaande, met open vizier voor u op te treden, u in uwe verkeerdheden en dierbaarste zwakheden onbarmhartig te geeselen, en de lont te werpen in de mijn, waarvan de bouwstoffen met zoo veel zorg en liefde sedert jaren door u zijn bijeen gebragt onder het wrakke gebouw onzer koloniale staatkunde, wetende, dat de stukken ligt op mij zelven kunnen wedervallen, en dat ik u hevige pijn doe, wanneer ik poog uw geliefd speeltuig in eens uit een te doen springen. Maar het is iets anders, opmerkzaam te letten op de teekenen die den storm voorafgaan, op de bliksemschichten en den rollenden donder in de verte, op de drukking in den dampkring, op het krijschen der stormvogels, ten einde bij tijds het zwakke roer door een beter te doen vervangen, de masten te versterken, den onnoodigen ballast over boord te werpen, en zoo doende verder moedig de golven te klieven, den storm zoo het kan te ontwijken, zoo dit niet kan, hem zonder vrees te trotseren. Ik houd dit voor beter, dan ligtzinnig, kortzigtig of onderling twistende die teekenen over het hoofd te zien, wanneer de storm daar is, roer en masten te verliezen, radeloos de handen te wringen, en eene reddelooze prooi der golven te worden. En die teekenen, zij hebben u niet ontbroken. Of zijn reeds uit uw geheugen gewischt en is in uwe ooren het geluid verdoofd van de klewangwettende gezangen; het adres van dertien mijner voormalige ambtgenoten, mannen waarmede ik in opvattingen verschil, doch die met mij en vele anderen van het gevoel van het gevaar doordrongen waren; de berigten van oproeren, die van hoe weinig beteekenis ook, toch het kenmerk dragen van een den europeaan hoogst vijandigen, fanatiek en geest? Hebt gij niet hooren mompelen van eenen vloekzang, te afgrijselijk om u dien hier te kunnen mededeelen? En wie kan ontkennen, dat de stemming in Indië gedrukt is, zoo als dit vroeger nimmer het geval was, en dat een onbestemd voorgevoel van naderend onheil iedereen vervult?  Men heeft den javaan dikwerf bij zijn geliefkoosden buffel vergeleken, een edel dier, dat in gewonen toestand zachtzinnig en geduldig zich door een kind laat leiden, maar, tot woede gebragt, alles met ontembare kracht voor zich nederwerpt en met zijne breede horens verplettert. Maar bedenk dan ook, dat de buffel veel ligter door ingebeelde, dan door werkelijke grieven woedend wordt, op het gezigt van een vreemde of van een rood kleed veel eer dan over zwaren arbeid; - en dat wij den javaan genoeg redenen ook tot ingebeelde grieven hebben gegeven, ja dat hij dikwerf moest denken, dat zijn europesche meester niet regt meer bij zijne zinnen was. Zou het dan zoo wonderlijk wezen, indien bij eens schrikte en aan zijn juk ging schudden? En waarlijk, geloof mij, het zou eeuwig jammer en zonde zijn, zoo wij zelf onze zaak op Java bedierven. Er is welligt geen land, waar met zoo weinig middelen zoo veel te bereiken is. Ik zal u slechts aan eene zaak herinneren, welke u reeds uit de dagbladen bekend, doch welligt weder door u vergeten is, en waarvan ik zelf gedeeltelijk getuige was. Bij den watersnood van 1861 werden in de residentie Bagelen 50000 menschen in ééne nacht van hunne have en alle mondvoorraad door het water beroofd; meer dan 1000 menschen kwamen om; de overigen moesten in de grootste overhaasting vlugten, - bijkans alle waterleidingen voor de besproeijing der rijstvelden waren vernield, en het land, wijd en zijd door modder overstroomd, had een geheel ander aanzien verkregen. De regering zond onverwijld eenen kommissaris, en toen deze kwam, waren al de hulpbehoeftigen reeds bij vrienden en verwanten of ook wel bij vreemden onder dak gebragt en over dag bezig het verloren goed bijeen te zoeken en hunne woningen te herstellen; overal werd druk aan de waterleidingen gewerkt en bij de bevolking was geen zweem van opschudding te bespeuren. De kommissaris had niets te doen, dan eenige besluiten te teekenen  waarbij fondsen voor de tot herstel der schade benoodigde werken werden toegestaan, maar waarop volgens den gewonen loop van ambtelijke zaken anders vele maanden lang had moeten worden gewacht, en de geteisterd districten rond te gaan om eenige conferenties van de resident met den regent en de districts- en dorpshoofden bij te wonen, 'waarbij aan deze de plannen van het bestuur werden medegedeeld, sommigen zeer goed het woord voerden en allen hunne medewerking beloofden. Na een jaar tijds was van de geheele ramp bijkans geen spoor meer te vinden waartoe ook hier liefdadigheid, lezer, haar deel had bijgedragen. Men stelle zich bij ons een ongeluk van dien omvang voor; welk een oneindig weegeklag zou er niet worden aangeheven; welk een omslag en hoeveel kosten zouden niet gemaakt, hoeveel kommissiën niet benoemd en hoeveel papier niet beschreven geworden! In de naburige residentie Banjoemas hadden europeanen en inlanders, van den resident en regent tot den minsten toe vele uren lang te zamen in het grootste doodsgevaar doorgebragt; met onvermoeide hulpvaardigheid en niet zonder veel gevaar en groote krachtsinspanning werden de europeanen gered; niemand werd het minste leed gedaan, noch bestolen; het hoofd van het gewestelijk bestuur kon, hoewel van alles verstoken, toch zonder moeite de rust bewaren, en onmiddellijk het noodige tot te gemoetkoming in de eerste behoeften verordenen. Zou dit hier alles zoo gemakkelijk gaan?

Hoofdstuk VIII

Wat is de oorzaak van de aangegeven redmiddelen te wachten?

Ik zal trachten zoo kort mogelijk hierop het antwoord te geven.
a. Individuëel grondbezit. Er kan voorzeker geen beter middel bedacht worden, om de welvaart van de indische maatschappij te verzekeren en den inlander aan ons te verbinden; maar de uitvoering is eene zaak van tijd en van zeer veel geduld en volharding. Er ontbreken op Java aIle gegevens voor eene behoorlijke kadastrering, die de grondslag van elk goed geregeld landbezit behoort te zijn. Bedenk eens wat de kadastrering in Nederland heeft gekost, hoeveel personeel zij heeft vereischt, en hoe ver men er in geslaagd is om ze behoorlijk bij te houden en te herzien, en gij zult mij dan wel toegeven, dat er nog zeer vele jaren moeten verloopen alvorens men dat werk aan den javaan kan opdragen. Java wordt thans geodesisch, trigonometrisch en statistisch opgenomen; het is een hoogst verdienstelijk werk, waarmede welligt 15 en meer jaren zullen gemoeid zijn; maar toch zal het nog op verre na niet voldoende zijn voor eene geregelde kadastrering, die oneindig meer zou kosten en meer personeel vereischen. Bovendien weten wij eigenlijk nog niets van de werkelijke regten van den inlander op den grond, hoe deze verschillen naarmate van de gesteldheid van den grond en van plaatselijke gewoonten, waarop de regten der gemeenten op de gronden berusten, en in hoever die van ieder lid der gemeente daaraan ondergeschikt zijn.
De zaak is dus in de verte nog niet rijp voor eene wettelijke regeling, in onzen zin; maar niets belet al dadelijk er toe over te gaan, den - inlander de verzekering te geven, dat zijne regten op den grond zullen geëerbiedigd worden; te trachten in elke gemeente registers van de rijst- en later van de andere velden, hoe gebrekkig aanvankelijk dan ook, aan te leggen; den inlander. vrijheid te geven, waar hij verkiest, de gemeentevelden, waar die nu gemeenschappelijk worden bezeten, onder elkander te verdeelen; naar den aard van het grondbezit een grondig onderzoek te doen, en dusdoende eene meer volledige regeling voor te bereiden. Handelt men anders; zoo zal men, vrees ik, ondervinden, een gebouw op los zand opgetrokken, en meer verwarring dan nut gesticht te hebben. Al dadelijk zou men voorloopig bij wijze van proef, den inlander kunnen toestaan gronden aan niet inlanders te verhuren, en zoo dit in de praktijk bleek te voldoen, dien maatregel kunnen bestendigen. Het is toch ten eenen male ondoenlijk vooraf te berekenen wat de gevolgen van dien maatregel zullen zijn en in staats zaken is het altijd hoogst gevaarlijk een sprong in het wilde te doen, die zelden goed bekomt.
b. Intrekking der gouvernements-kultuur. Hiervoren heb ik reeds betoogd, dat de gouvernementskultuur niet voor wettelijke regeling vatbaar zijn, en daarmede te gronde moeten gaan. Op den duur zullen de gouvernements-kultures niet houdbaar zijn, maar al moge er ook geen batig slot meer worden gevorderd, zoo zal men toch vooraf goed moeten bezien, met welk ander stelsel van belasting men de groote bres in de indische finantiën zal kunnen aanvullen. In geen geval zal men in eens honderde suiker-fabriekanten van de plank, waarop zij thans staan, gouvernements-kultuur, mogen stooten, en hun in het ledige, de kultuur voor eigen rekening, laten spartelen; zulk eene plotselinge omwenteling zou voor hen even verderfelijk zijn als voor de bevolking, die in eens de geregelde betaling, waaraan zij was gewoon geraakt, zou moeten missen. Gij valt hier de kultuurwet en den minister aan, zal men mij toeroepen. Neen, de minister heeft mij wel nopens die wet willen raadplegen, ik heb haar breedvoerig met hem besproken, en ik moet bekennen, dat wanneer er eene wet moet gemaakt worden ik geen betere zou weten te ontwerpen. Nog veel minder wil ik den man aanvallen, dien ik hoog acht, omdat hij, rijkelijk gezegend met hetgeen de gewone sterveling als het toppunt zijner wenschen beschouwt, vaderlandsliefde genoeg heeft om te trachten het vermolmde welligt maar al te lekke schip onzer koloniale staatkunde tusschen tallooze klippen en reven door naar eene veilige haven te sturen, en dat met ongehoorde inspanning van krachten en niettegenstaande de manschap hem veelal eer tot last dan tot hulp is; waar zij bang is geworden hem openlijk aan te vallen, doch achter zijn rug blijft voortmompelen en voor een deel van genoegen in de handen zou wrijven, zoo zij hem zag struikelen. Maar ik val u aan, o lezer, die hem gedwongen hebt eerst eene indische comptabiliteitswet in te dienen, (met schrik hoorde ik haar onlangs doopen: dat wangedrocht, dat de hebzucht tot moeder, onverstand en onkunde tot vaders heeft), en die nu eene onmogelijke kultuurwet verlangt. De manschap doe haar pligt en sla, zonder verward geschreeuw, maar onder een krachtig holli ho! de handen aan het werk, en gij zult zien hoe flink, hoe braaf, hoe spoedig die schipper u met volle zeilen in behouden haven zal brengen
c. Belasting in geld. Alom wordt verkondigd, dat, wanneer de inlander van dwangkultuur en heerediensten wordt ontheven, hij veel hooger belasting zal kunnen betalen. Het is mogelijk dat dit later eens het geval zal zijn, maar voor het oogenblik is die stelling in strijd met alle ervaring. Ieder ambtenaar die bij het binnenlandsch bestuur op Java is geweest, zal u kunnen zeggen, dat het den inlander over het algemeen zeer moeijelijk valt belasting in geld te betalen; dat hij daar, waar geen of weinig gouvernementskultuur, noch partikuliere landbouwnijverheid met europeesch of chineesch kapitaal of eene andere buitengewone bron van inkomst bestaat, tegen den tijd der aanzuivering van landrente meestal zijn vee, zijne kris of ander have moet verkoopen of verpanden; dat die belasting, al is zij nog zoo laag gesteld, hen daar zeer drukt en verarmt, terwijl deze daarentegen het hoogst opgevoerd kan worden en dit inderdaad is, daar waar hij met de gouvernements-kultures veel geld verdient, omdat hem daar door de regering zelve het geld verstrekt wordt om de belasting te betalen. Dit verschijnsel is wel te verklaren; de landbouwer op Java kan, wanneer hij gedurende 100 dagen in het jaar met zijn gezin goed werkt, genoeg product van zijne velden verkrijgen om daarvan gedurende het geheele jaar te leven, en ook nog voor zijne overige zeer geringe behoeften te zorgen. Maar waar geen gouvernements- of partikuliere kultuur is, ontbreekt hem de gelegenheid, om op andere wijze geld te verdienen , dan met den verkoop van rijst, en deze is in die streken meestal goedkoop; bovendien denkt hij niet genoeg door, om uit eigen beweging zoo veel rijst boven zijne behoefte te planten als noodig zou zijn voor de betaling der belasting. Van daar dat het hem zoo moeijelijk valt belastingen in geld te betalen; moet hij haar in product voldoen, zoo is het hem gemakkelijker vooraf te weten, hoeveel hij moet bijplanten voor de belasting; want dit valt hem al spoedig in het oog. Op de partikuliere landerijen, waar laatstbedoelde wijze aan belastingheffing plaats heeft, bedragen de inkomsten van den landheer drie tot vijfmaal meer dan de landrente aan de regering opbrengt. Ieder indisch landeigenaar zal u dadelijk zeggen, dat zoo hij belasting in geld instede van in product moest heffen, zijne inkomsten onmiddellijk met veel meer dan de helft zouden verminderen. Daarentegen kan de landbouwer, daar waar gouvernementsof partikuliere kultuur bestaat, van de 265 vrije dagen die hem overblijven nog 65 aan feesten, 70 aan heerediensten besteden, en hij houdt dan nog meer dan genoeg tijd over voor de gouvernements- of voor de particuliere kultuur, welke hem daar, waar beide in gunstige omstandigheden verkeeren, ruimschoots het geld kunnen opleveren om zijne belastingen te betalen, en bovendien nog zijn welstand te verbeteren.
Gij ziet dus, dat de landbouwer ook bij de gouvernements kultuur, er niet overal slecht aan toe is, en dat men wel doet eerst nog rijpelijk te overdenken en hem zelf te raadplegen, alvorens dien vorm van belasting met een anderen, welke voor hem welligt drukkender is, te verruilen. Hoe moeijelijk het is den javaan aan belastingen te wennen, kan daaruit worden afgeleid, dat in de residentien Madioen en Kediri, niettegenstaande in beide gewesten zoowel de gouvernements als de partikuliere kultuur in vrij bloeijenden toestand verkeert, en door beide zeer groote sommen onder de bevolking in omloop gebragt worden, maar waar de landrenten eerst in 1858 zijn ingevoerd, de aanslag der belasting aanvankelijk op een ongemeen laag cijfer werd gesteld, en zelfs tot heden nog veel minder bedraagt dan in andere veel armer gewesten, waar echter de bevolking reeds langer aan de belasting gewoon is. Mij is een geval bekend in een ander gewest, dat uit een district bijkans alle boerenknechten (rajat) verhuisden, omdat zij -voor eene zeer geringe som, zoo ik mij wel herinner nog geen gulden 's jaars, in de belasting op het bedrijf waren aangeslagen. Zijn deze feiten niet geschikt om den ijver der hervormers in het belastingwezen aanmerkelijk te bekoelen, voorzigtigheid aan te raden, en vooral te waarschuwen tegen het doordrijven van algemeene maatregelen, - de manie van den tegenwoordigen tijd -, zonder op de bijzondere ontwikkeling en het vermogen der bevolking in de verschillende gewesten te letten?
d.) Afschaffing der heerediensten. Er is voorzeker geen heilzamer maatregel te bedenken, dan de afschaffing der heerediensten, dien arbeid waarmede met de meest mogelijke tijdverspilling de minst mogelijke uitkomst wordt verkregen. Overal waar de heerediensten werden beperkt, nam de welvaart der bevolking al zeer ras toe. Die afschaffing is niets dan eene kwestie van geld, en zal op den duur eene bezuiniging zijn, even als zij dit in Europa was; de afschaffing kan niet in eens geschieden, maar er kan al dadelijk veel worden gedaan door geene kunstwerken anders dan in vrijen arbeid uit te voeren. Aan het indische bestuur kan deze regeling en ook die der ontneming van de heerediensten aan de inlandsche hoofden, natuurlijk tegen schadeloosstelling, gerustelijk worden overgelaten
e.) Afschaffing der rottingslagen. Ik bid de lezer, wees geen philantroop, maar haat met alle magt en alle kracht die in mij is, de philantropie, (gij zult straks zien hoe zij ook mij heeft beet genomen) die ziekelijke woekerplant, welke, bij het hoekje van den haard gekoesterd, onder de vaan van medelijden en van menschlievendheid, zonder de minste opoffering van hare zijde, zich zelve ten koste van anderen tracht te verheffen en te bewierooken, en die reeds aan meeslepende en bloedvergieten schuld heeft, dan menige ondeugd, die zonder masker optreedt. Rottingslagen vind ik niet mooi, evenmin als moksas en rhabarber, maar gij kunt die in Indië nog niet missen. Straf degenen, die er misbruik van maken, dit is geheel in uwe magt, maar gebruik den rotting om duizende kleine dieven en leegloopers, de pest der javasche maatschappij, in bedwang te houden, om overspelers te bestraffen, want anders verschaft de javaan zich zelf met zijn kris of gollak regt, en om brutaliteit van den inlander te tuchtigen, want gij moet meester blijven. Eerst dan kunt gij den rotting afschaffen, wanneer gij een doelmatiger strafstelsel zult hebben ingevoerd, waardoor dwangarbeid voor den javaan eene straf wordt, die hij evenzeer of nog meer vreest dan rottingslagen; doch dit zal veel, zeer veel geld kosten en vereischt tijd. Werp intusschen de oude schoenen niet weg voor gij nieuwe hebt.
f.) Afschaffing van de opiumpacht. Weet gij wat opium is? Het is, - ik bedien mij hier van een om zijne sierlijkheid geliefkoosden officiëlen term, - een heulsap, dat u bedwelmt, u in aangename droomen en zins-begoochelingen, in half wakenden half slapenden toestand wiegt, of ook wel de levenskrachten opwekt, om later eene te grootere verslapping te veroorzaken. Voor hem die er eens aan gewoon is geraakt, wordt het eene hartstogtelijke, meer en meer klimmende behoefte; het is een vergif dat ligchaam en ziel ondermijnt, bij den eenen spoedig, bij den anderen zeer langzaam en onmerkbaar. De geleerden twisten nog of het al dan niet verderfelijker is dan brandewijn en jenever. Gij kunt vele jaren in Indië hebben doorgebragt, zonder immer een opium schuiver (de in Indië geijkte uitdrukking, gelijk aan die van dronkaard bij ons) te hebben opgemerkt, het opium schuiven is eene ondeugd die zich verborgen houdt, afgelegen schuilhoeken zoekt, en zeer zelden aan het daglicht komt. De opiumpacht is een stelsel, dat, even als ons tegenwoordig koloniaal stelsel, te gelijk Gode en den Mammon zoekt te dienen, en dat om dit doel te bereiken, zonder natuurlijk daarin te slagen, tot dusver verschillende potsierlijke sprongen gemaakt heeft. Nu eens heeft men de opium aan de pachters zeer duur verkocht, maar in dat geval werd er boven alle mate gesmokkeld; dan eens heeft men de opium hun zeer goedkoop afgestaan, maar toen werd er boven alle mate geschoven; vervolgens werd er weder duur verkocht en op nieuw boven alle mate gesmokkeld; eindelijk is men te rade geworden den onverbeterlijken gast regtstreeks te lijf te gaan, een geregelden veldtogt tegen hem te openen en hem gestadig binnen engere grenzen terug te dringen, zoodat in de gewesten A en B waar de inlander het minst van opium gebruik maakte, hem onder bedreiging van gevoelige straf, geheel verboden werd dit te doen, terwijl in de gewesten C en D, waar hij er te veel aan verslaafd was, de regering hem dat gebruik niet alleen toestond, maar hem zelve de opium liet verkoopen. Heeft dit niet veel van een papa, die aan Jantje en Pietje, omdat zij weinig snoepen, gebiedt dit voor altijd te laten, of hij zal hen op de vingers tikken, terwijl hij aan Klaas en Koos, omdat zij wat grooter, en al te veel het snoepen gewoon zijn, dit niet alleen toestaat, maar zelf hen ook nog bij den koekbakker brengt? En dan de pachters, die men te gelijk het debiet van opium zoo veel mogelijk moeijelijk wil maken, en toch tevens zooveel wil mogelijk laten betalen, maar die om dat alles in het vuistje lagchen, altijd meer betalen, en dus altijd nog wel meer opium aan den man zullen weten te brengen.  Maar de kroon spannen de inlandsche hoofden, die slimme guiten; die met aandoenlijke eenstemmigheid hartroerende rekesten tegen het verbruik van opium indienen, waarin gewestelijk bestuur en regering even gul happen, om daarna zooveel te ongestoorder zelf opium te kunnen invoeren. Ik weet dit natuurlijk niet uit officiële bronnen, het is mij in het oor gefluisterd. Nu zoudt gij denken, dat ik, die hier zoo verstandig zit te schrijven, die sprongen niet zou hebben mede gedaan; maar neen, waarde lezer, ik ben van dezelfde stof gemaakt als gij en een ander; ik heb even hard medegesprongen, welligt nog eenige duimen hooger dan anderen, en ben eerst zeer laat, na verscheidene mistastingen, met behulp van een verstandiger ambtgenoot tot inkeer gekomen. Maar scherts ter zijde; is het wel de roeping der regering, om zulk eene vaderlijk-willekeurige rol te spelen, die ligtelijk door te volwassen zonen zeer euvel zou kunnen worden opgenomen, en zou het niet beter zijn, om zich te bepalen tot het heffen van een inkomend en van een consumtieregt, even als bij ons van sterken drank, en alleen door haren zedelijken invloed, met behulp van hoofden en priesters, het verbruik van opium tegen te gaan, en de vermindering daarvan ook nog van de vermeerdering van welvaart en beschaving onder de bevolking te verwachten; want welgestelde inlanders staan niet gaarne als opiumschuivers, evenmin als bij ons de welgestelden als dronkaards bekend.
 
g.) Verhooging van de bezoldiging der inlandsche hoofden. Ik weet hiervan niets te zeggen als dat eere toekomt aan dengene , die zich door het geldelijke offer niet laat afschrikken, om de reeds lang noodige verbetering onbekrompen tot stand te brengen.
h.) Volksonderwijs. Men verwacht daarvan wonderen. Wat zegt Tocqueville? (blz. 266.)
"La seule garantie qu'ils inventent contre l'abus du pouvoir, c'est 1'éducation publique; car, comme dit encore Quesnay, le despotisme est impossible, si la nation est éclairée." "Frappés des maux qu'entrainent les abus de l'autorité," dit un autre de ses disciples, "les hommes ont inventé mille "moyens totalement inutiles et ont négligé le seul véritablement efficace, qui est 1'enseignement public général, continuel, de la pure essence de la justice et de l'ordre naturel. " C'est à 1'aide de ce petit galimathias littéraire, qu'ils entendent à suppléer à toutes les garanties politiques." 1)

1)Den eenige waarborg. dien zij tegen misbruik van de regerings magt uitvinden is de openbare opvoeding; want, zoo als Quesnoy zegt: het despotisme is onmogelijk, wanneer de natie verlicht is. "Getroffen door de rampen welke misbruik van magt mede brengen" zegt een ander van zijne leerlingen, "hebben de menschen duizend geheel onnutte middelen uitgevonden, en het eenige doeltreffendeverwaarloosd, namelijk het openbaar. algemeen voorturend onderwijs. in het zuivere wezen der regtvaardigheid en van de natuurlijke orde van zaken." En met·deze literarische brabbeltaal vermeenen zij in alle staatkundige waarborgen te kunnen voorzien! 

Is dit ook niet, mutatis mutandis, met eenige verwisseling van decoratie, op Java toe te passen.? Weet gij wel wat het zeggen wil op Java welligt 15 millioen, en daar buiten nog ettelijke onbekende millioenen inlanders door onderwijs tot beschaving, welligt ook tot bekeering op te leiden! Zijt gij zoo bijzonder geschikt om onderwijs te geven? Gij die pas, door eene magtige hand voortgezweept, een middelbaar onderwijs hebt erlangd, dat naburige landen reeds sedert 20 en meer jaren, zij het dan ook niet zoo uitgebreid, bezitten, en die daarbij nog steen en been over uw lager onderwijs klaagt? Ligt het niet veeleer in uwen·aard, u naar de zeden en gewoonten van den inlander te plooijen, en heeft dit u niet tot dusver uwe kracht in Indië gegeven, veel meer dan den inlander met uwen geest te vervullen; is er veel heil te vervullen aan eene taak, die met uwe geaardheid en uwen inborst strijdt, en waarvoor gij nu door een stroovuur zijt ontvlamd? Volksonderwijs  bestaat in Indië nog nergens anders dan in de Molukkos en eenige andere eilanden, en dan nog maar onder de inlandsche christenen. Te Amboina zijn reeds voor meer dan 100 jaren christenscholen opgerigt, en hoe is het daar met het onderwijs gesteld? Sommigen laken het hevig, anderen prijzen het. De waarheid zal wel in het midden liggen .Weet gij hoeveel het zou kosten op Java een volksonderwijs in te voeren niet beter dan dat in de Molukkos? Ik zal het u zeggen: twaalf tot vijftien millioen. En. waarom hebt gij op de Ambonische eilanden, waar mohammedanen en christenen naast en onder elkander wonen, slechts de christenen onderwezen, maar er in de verte niet aan gedacht de mohammedanen die weldaad deelachtig te doen worden? Zou dit ook zijn omdat onderwijs en godsdienst bij een onbeschaafd volk hand aan hand dienen te gaan? Gij wilt den javaan onderwijzen om hem te beschaven en te bekeeren, maar wat leert de geschiedenis? Zijn de batavieren en de germanen eerst onderwezen en beschaafd, of eerst bekeerd geworden? En wie zegt u, dat, wanneer gij den javaan onderwijst, hij die kennis niet bij voorkeur zal benuttigen, om dieper in de leer van zijne eigene godsdienst door te dringen en een getrouwer dienaar daarvan te worden. Mij zijn daarvan voorbeelden bekend. Neen, wil niet beproeven wat geheel buiten uwe krachten ligt, althans niet van regeringswege, maar bepaal u tot hetgeen uw pligt is, namelijk· om de inlandsche ambtenaren en hoofden voor hunne betrekking op te leiden, zoodat zij daarvoor geschikt zijn; leidt hen bovendien op, niet alleen tot doctoren en landmeters, zoo als thans reeds geschiedt, maar ook tot practische waterbouwkundigen en meer andere vakken, die binnen het bereik hunner vermogens liggen. Gij kunt u geluk wenschen zoo gij slechts in deze taak goed slaagt. Ongemerkt zal zich dan door uwe ambtenaren en hoofden meer licht onder de bevolking verspreiden. Willen echter partikulieren uit eigen beweging den inlander onderwijzen, ondersteun dit zoo veel gij kunt; leg de handen niet in den schoot, om het op de regering te laten aankomen, maar steek ze in uwe beurs en geef uwe bijdragen daartoe.
i.) Evangelisatie. Gij wilt den javaan bekeeren en verwacht daarvan zoo wel alle heil voor hem als de bevestiging van uw gezag. Ik eerbiedig die overtuiging en wensch degenen, die, daarvan doordrongen, met ijver aan het werk gaan en voor geene ontbeering terug schrikken, toe, dat zij daarin mogen slagen. Maar ik vraag u, kent gij kortzigtig sterveling de raadsbesluiten Gods? Weet gij of het zijn wil is, dat de javaan hem volgens de leer van Christus of volgens die van Mohamed diene? De godsdienst spot met alle wereldsche wijsheid, en gij moogt daaraan geene wereldsche bedoelingen verbinden. Dien God volgens uwe wijze en overtuiging, maar vergun ook een ander dit volgens de zijne te doen, ja hebt er uwe vreugde in zoo hij dit doet, en ondersteun hem daarin. Gij behoeft dan geen fanatisme meer te vreezen , en de priesters, die gij nu met wantrouwen van u verwijderd houdt, zullen zich meer bij u aansluiten en u ondersteunen. Overwin den Mohamedaan en maak hem onschadelijk door den geest van Christus; gij komt er verder mede, dan door hem uw geloof op te dringen. Haal de pen door art. 123 van het regeringsreglement en door staatsblad 1859, no. 42; zij zijn door kleinmoedige aardsche vrees ingegeven, en zullen veel kwaad en weinig goed doen. Door staatsblad 1859 no. 12 hebt gij het gaan naar Mekka niet belet, maar slechts bemoeijelijkt en wrevel opgewekt. Ik wenschte dat alle mohamedanen op Java eens in hun leven naar Mekka konden gaan; ik zou hen dit zoo gemakkelijk mogelijk maken en alle zorg voor hen dragen. De hadjies zullen dan ophouden gevaarlijk te zijn. Door een zendeling eene akte van toelating uit te reiken, verleent gij hem een patent om te bekeeren, en verliest gij uwe veelgeroemde onzijdigheid uit het oog.
k.) Bevordering van kultuur, aanmoediging van nijverheid. Wanneer de indische regering wordt geschoeid op de leest, zoo als die door mij is voorgesteld, zal het overbodig zijn hierover zelfs slechts een enkel woord, te verliezen.

Hoofdstuk IX

Van verhouding van Indië tot het moederland

Het is mij altijd voorgekomen, dat het eene groote fout was, den koning het beheer over Indië uit handen te nemen en bij de volksvertegenwoordiging over te brengen, zoowel met opzigt tot Indië als tot het moederland. Wat Indië betreft, zoo wil ieder die zwak is en behoefte aan steun heeft, gaarne onder eenen meester staan, die hem kan beschermen en behoeden. Wanneer de meester zijne beschermelingen met wijsheid en welwillendheid behandelt, zullen deze hem met eerbied en dankbaarheid beloonen. Geen nederlander in Indië zal, zoo hij geen landsverrader is die zich laat omkoopen, - wat altijd maar bij enkelen uitvoerbaar is - er immer aan denken het moederland afvallig te worden; hij weet maar al te goed, dat de overgang der kolonie in andere banden voor hem niets anders ten gevolge kan hebben dan vernedering en achteruitgang, of zelfs vernietiging van zijne welvaart en vooral van die zijner nakomelingen. Zelfs eene onredelijke en sarrende behandeling van de zijde des moederlands zal hem niet tot afval brengen, maar zij kan hem wel wrevelig en moedeloos maken, zoodat hij in het uur van gevaar de zedelijke kracht mist, welke hij anders zou hebben, om leven en bezittingen voor de kolonie en het vaderland ten offer te brengen. En Indië is op weg in dezen toestand te geraken. Wat zou hiervan de oorzaak zijn? Onder eenen meester te staan, die het hoogste standpunt in de maatschappij inneemt, is eervol en laat ieder zich gaarne welgevallen; de afstand zal den eerbied voor den meester slechts vermeerderen. Maar niet te weten onder welke en onder hoevele meesters men staat, of onder meesters te staan die geheel zonder verantwoordelijkheid zijn, en u ongestraft naar willekeur wetten kunnen voorschrijven, en u daarenboven nog verguizen en belasteren, dit is eene geheel ondragelijke tirannie, die het gemoed op den duur met bitterheid moet vervullen. En Indië is op weg in dezen toestand te geraken. Wat zou hiervan de oorzaak zijn? Onder eenen meester te staan, die het hoogste standpunt in de maatschappij inneemt, is eervol en laat ieder zich gaarne welgevallen; de afstand zal den eerbied voor den meester slechts vermeerderen. aar niet te weten onder welke en onder hoevele meesters men staat, of onder meesters te staan die geheel zonder verantwoordelijkheid zijn, en u ongestraft naar willekeur wetten kunnen voorschrijven, en u daarenboven nog verguizen en belasteren, dit is eene geheel ondragelijke tirannie, die het gemoed op den duur met bitterheid moet vervullen. Ik zelf heb er mijn deel van gehad; ik vergeef het gaarne voor mijn persoon; ik ben overtuigd dat geene persoonlijke beleediging bedoeld was, maar zoo ik mogt zien dat zij voor hunne pligt en voor hetgeen het algemeen welzijn eischt doof blijven, zal ik de schuldigen welligt nog eens in bet algemeen belang openlijk ter' verantwoording roepen en naar verdienste kastijden. Wilt gij Indië voor Nederland behouden, breng het dan onder het beheer van den koning terug, wien gij het met verwringing der grondwet hebt trachten te ontnemen. En voor Nederland zelf. Gelooft gij welligt dat de achting voor den parlementairen regeringsvorm door de debatten over de kolonien veel is -vermeerder, of zou welligt het tegendeel het geval zijn? En mogt het ongeluk eens willen, dat de kolonie verloren ging of in groot gevaar werd gebragt, zijt gij dan zoo geheel verzekerd dat het volk in zijne blinde woede, slechts op hetgeen hem het naast is ziende en de oorzaken niet dieper doorgrondende, niet de schuld op de volksvertegenwoordiging zal werpen, en dat dan niet onze dierbaarste vrijheden groot gevaar zouden kunnen loopen? Gij kunt hierover beter oordeelen dan ik, maar ik vrees, dat gij met het koloniaal beheer het paard van Troje in de kamer hebt gehaald, en dat die gevaarlijke gast niet spoedig genoeg er uit verwijderd kan worden.

Hoofdstuk X

Wat dient gedaan te worden om tot een beteren toestand te geraken?

Het staat niet aan mij die vraag te beantwoorden; het was mijne taak, mijne kennis van koloniale toestanden ten dienste van het vaderland te stellen, op naderende gevaren en, op verkeerdheden te wijzen, middelen, tot verbetering in het algemeen op te geven, in ronde en ongedwongen. taal, zoo als die een vrij man in een vrij land betaamt, - maar ik heb te veel eerbied, voor den wetgever en voor onze instellingen, om op zijne taak ook in de bijzonderheden vooruit te willen loopen.

Hoofdstuk XI Slot

Aan het einde van mijn beroep op u genaderd, zult gij welligt verbaasd staan en vragen, met wien heb ik hier te doen? Hij matigt zich aan alles af te keuren, hij treedt op hoogen toon als zedeprediker op, is meer behoudend en alarmist dan de ergste behoud er, en overtreft in zucht tot hervorming en afbreken den verst gevorderden radikaal. Alle partijen vestigen hunne beweringen op eenen grond van waarheid; maar meestal beschouwen zij die uit een eenzijdig oogpunt en dragen haar eenzijdig voor. Ik tart u uit in al wat ik nu geschreven heb, een enkel oorspronkelijk denkbeeld te vinden; al wat ik u mededeel is reeds vóór en met mij door honderden gedacht, gevoeld, gezegd en beschreven; gij zelf hebt het dagelijks kunnen lezen. Ik heb alleen getracht er de waarheid uit te vinden, die in een bundel te vereenigen, ze voor mij zelven en voor u tot klaarheid te brengen, en daaruit de noodzakelijke gevolgtrekkingen af te leiden, een arbeid, waarin mijne laatste ambtsbetrekking mij eenige oefening heeft gegeven. Zijn die gevolgtrekkingen behoudend, zijn zij radikaal? het is mij hetzelfde; het staat een ieder vrij mij te wederleggen en aan te toonen dat ik dwaal; ik wil u mijne overtuiging, hoe vast ik ook daaraan hecht, niet opdringen. Ik heb mij in den aanhef op de fransche revolutie beroepen; mijn doel is, dat aan Indië en ten gevolge daarvan ook aan u de zegeningen zullen worden geschonken, van gelijken aard als die welke een gevolg dier omwenteling waren, doch zonder die te moeten koopen en betalen met de gruwelen welke haar vergezeld hebben. En ben ik in der daad  wel zoo radikaal? Bezie wel wat ik vraag; ik ben het niet die zoo luide op hervorming heeft aangedrongen; anderen hebben dit gedaan en het is zo ver gekomen, dat ieder erkent dat het niet meer zóó kan blijven, dat hervorming onvermijdelijk is, en nu wijs ik u slechts den weg langs welken dit volgens mijn gevoelen alleen uitvoerbaar is, en roep u daarbij nog toe: overhaast u niet en bovenal, laat de zaak aan andere handen over, daarvoor beter berekend dan de uwe. Ik ben het niet, die den ketel tot springens toe heeft gestookt, zonder voor de veiligheidsklep te zorgen; - maar nu het zoover is gekomen, waarschuw ik U slechts en roep u toe: zet haar zonder talmen, doch bedaard en voorzigtig open. En eisch ik op zedekundig gebied zoo veel van u; vraag ik van u iets meer dan wat eerlijke gemoedelijkheid en wat alledaagsch practisch verstand? Zouden deze hoedanigheden niet meer bij het meerendeel van het Nederlandsche volk in ruime mate aanwezig zijn? Ik mag daar niet aan twijfelen; deed ik dit, ik zou het niet wagen met zoo veel vrijmoedigheid daarop een beroep te doen. Vraagt gij mij eindelijk, lezer, hoe ik er toe kom eerst nu, welligt ter elfder ure, dit opstel te schrijven; ik weet er u niets anders van te zeggen, dan dat ik omstreeks drie weken geleden er nog in de verte niet aan dacht; dat ik toevallig bij een vriend het werk van Tocqueville vond en het leende; dat onder de lezing het denkbeeld om u mijne indrukken mede te deelen zich van mij meester maakte, en mij geen rust of duur meer liet tot dat ik u alles, wat mij reeds lang op het hart lag en met zorg vervulde had medegedeeld.
Was het eene goede, was het eene verkeerde ingeving? Oordeel zelf.

Einde tekst van de brochure 'Onze Koloniale Staatkunde'  door H.C. van der Wijck 1865

PS. Aangezien Jhr van der Wijck het boek: " Regime l'ancien et la révolution " (1856) van de franse schrijver Alexis de Toqueville vele malen citeert, volgen hieronder enkele gegevens betreffende deze schrijver

  

Alexis Charles Henri Clérel de Tocqueville ( 18051859) Frans politiek denker, politicus, schrijver, reiziger en historicus.

De Tocqueville was een prominent politicus, in het bijzonder vlak vóór en vlak na de revolutie van 1848 in Frankrijk. Hij was in 1849 kort minister van Buitenlandse Zaken. Het was een liberaal denker wiens diepste overtuiging was dat de menselijke vrijheid zou moeten zegevieren. De Tocqueville geloofde dat de politieke democratie en de sociale gelijkheid onvermijdelijk de aristocratische instellingen in Europa zouden vervangen. In zijn boek Regime l'Ancien et la révolution (1856) beklemtoonde hij, dat er na de Franse Revolutie vele tendensen van ervoor waren blijven bestaan. (Uit Wikipedia)
De tekst van dit boek kan men integraal op het internet vinden