Den Haag: de geschiedenis van de woonwagenkampen 1903-1997
In 1903 zijn voor het eerst een tiental woonwagens gesignaleerd op de eilanden tussen de Waldorpstraat en de Laakhaven en het volgende jaar was het aantal opgelopen tot 26. De gemeente Den Haag was niet bepaald gelukkig met deze woonwagens. Ze hebben de pachters van de weilanden gesommeerd om de woonwagen te laten verwijderden op straffe van opzegging van het huurcontract. In 1911 zijn woonwagens neergestreken op de door verhuurde weilanden in de Wouwermanstraat en Hoefkade. De pachters konden op zo'n manier de weilanden laten bewaken. Ook hier wilde de gemeente dat de woonwagens worden verwijderd. De gemeente wilde geen vaste standplaats voor woonwagens inrichten omdat mogelijk dit een aanzuigende werking zou kunnen hebben. Er is een uitzondering gemaakt voor de familie Gerritsen, die een vergunning kreeg om hun woonwagen te plaatsen op een weiland aan de 2e Lulofsdwarsstraat. In het voorstel van B en W om de vergunning te verlenen stond nog wel een zin waaruit blijkt dat in algemene zin men het ongewenst vond om woonwagens op verharde terreinen toe te laten. In 1919 zag de gemeente zich verplicht om standplaatsen in te richten, aangezien de woonwagenwet van 1918 dit eist. De hoofdcommissaris van politie in den Haag was verantwoordelijk voor het vinden van een geschikt terrein. Een voorlopige oplossing werd in 1920 aan de Brinckhorstlaan. Het terrein was te klein en lag ingeklemd tussen de spoorlijn en het PTT-gebouw, terwijl men wist, dat de PTT-directie met alle macht had geprobeerd de komst van de woonwagen te verhinderen. In de volgende jaren moesten de woonwagens steeds weer naar andere plaatsen verhuizen. De gemeente was niet uit om een goede oplossing te vinden. Het verblijf in een woonwagen werd steeds als een ongewenste leefvorm beschouwd. Er werd een ontmoedigingsbeleid gevoerd in de hoop dat de woonwagens op die manier vanzelf zouden verdwijnen en dat de bewoners in een huis zouden gaan wonen. De voorzieningen werden tot het uiterste minimum beperkt. Het terrein aan de Brinckhorstlaan was te klein geworden voor 100 gezinnen, het kon niet worden uitgebreid aangezien het ingeklemd lag tussen de spoordijk en het PTT gebouw. Als de woonwagenwet van 1913 er niet was geweest had de gemeente Den Haag in het geheel geen beleid gevoerd ten aanzien van de woonwagenbewoners. In 1921 was de situatie steeds slechter geworden. Het terrein aan de Brinckhorstlaan vervuilde . De PTT begon met een stroom van klachten aan de gemeente te richten. Maar men had van de kant van de bevolking weinig klachten. Zo schrijft de Haagsche Courant over het kamp aan de Brinckhorstlaan:
Over het algemeen heerschte er vrede en rust in dit vreemde buurtje en verstonden zich de bewoners, uit alle windstreken hier samengebracht en uit diverse elementen samengesteld met elkaar. Het rijdend politie-posthuis in deze bereden wijk geposteerd, scheen feitelijk overbodig, Maar heel zelden heeft de bezetting behoeven in te grijpen, wanneer de al te groote intensiviteit van bevolking aanleiding gaf tot wrijvingen. Het was er rustig, zoolang men onder ons bleef. .
Er kwam in 1923 een voorstel voor een reserve standplaats aan de 2e Waldorpstraat. Het was gelegen naast controle woningen voor on-maatschappelijke gezinnen, die aan een programma heropvoeding werden onderworpen Men ging er vanuit dat woonwagenbewoners dezelfde soort mensen waren. Er kwam ook nog een voorstel om alle woonwagenbewoners op te nemen in deze controle woningen en alle woonwagens te vernietigen. Achteraf vond men dit geen goed idee en zo bleef Den Haag, maar met die ene locatie aan de Brinckhorstlaan zitten. Er kwam een voorstel van enkele leden van de Raad om een centrum aan de Leyweg in te richten. In 1924 vond de gemeente een stuk grond aan de Lozerlaan in de Escamppolder. De gemeente hoopte dat door de geïsoleerde ligging het animo om met een woonwagen in Den Haag te vestigen zou afnemen. Ook werd een terrein gevonden op het Slachthuisterrein voor negentien standplaatsen.

Woonwagenkamp aan de Slachthuiskade in 1966
Dit centrum was bedoeld voor de betere elementen onder de woonwagenbewoners. De selectie wie naar dit elite terrein mocht, lag in handen van de politie. 9 april 1925 kwamen op de Lozerlaan 22 woonwagens te staan en op het Slachthuisterrein 3 wagens. Aan het eind van de jaren dertig kwam de vervuiling van het centrum aan de Slachthuiskade in de Raad aan de orde. Er stonden toen 28 wagens en negentig volwassenen en honderd kinderen .De gemeente was tegen het verbeteren van de voorzieningen, met steeds weer het zelfde argument: hoe beter en ruimer ze de plek zouden maken des te meer woonwagenbewoners er naar toe zouden komen. In 1940 tijdens de Duitse bezetting was het kamp aan de Lozerlaan geheel verlaten. Na de oorlog keerden de woonwagens weer terug naar de Lozerlaan. Het bleef er tot 1959.

Het woonwagenkamp aan de Leyweg in 1963
In 1960 is een tijdelijke centrum aangelegd aan de Viaductweg vlakbij het Hollands Spoor voor zestig standplaatsen en ook een centrum aan de Leyweg voor 45 en later uitgebreid tot 72 plaatsen en weer later verkleind tot 55. In 1976 kwam het centrum aan de Escamplaan voor 40 plaatsen. Jarenlang heeft de gemeente de toestand op het centrum aan de Viaductweg laten versloffen en dank zij acties van de bewoners zijn de hoognodige verbeteringen aan gebracht. In 1977 werd besloten, dat het centrum aan de Viaductweg mocht blijven. Ondanks het feit dat door de aanwas steeds meer standplaatsen nodig waren, heeft de gemeente geen nieuwe standplaatsen aangelegd.
In het Woonwagennieuws van maart 1986 lezen we dat wethouder Van Otterloo door de raadscommissie gedwongen is tot een gesprek met de woonwagenbewoners. De commissie vond dat zij door de Wethouder te weinig was geïnformeerd over een op handen zijnde versleping van een aantal woonwagenbewoners uit Den Haag naar een nieuw centrum. in Zoetermeer. In Den Haag stonden in 1986 224 woonwagens. De gemeente vond dit veel te veel. De overtallige moesten maar naar elders in de regio verhuizen. De wethouder vond dat overleg met de woonwagenbewoners bij voorbaat als zinloos . Er moesten maar 45 wagens vertrekken. De gemeente bracht in 1986 een nota uit: "Gelijke behandeling van woonwagenbewoners en andere burgers" ("normalisatie"). Dit was pas mogelijk als de omstandigheden in de centra verbeterd zou zijn. Daarna zou een beter handhavings - en incassobeleid mogelijk zijn. In 1989 heeft de gemeente Den Haag plannen gemaakt om negentig standplaatsen in te richten verdeeld over zes kampjes. Deze nieuwe centra moesten over twee jaar klaar zijn. Uiteindelijk moeten er in Den Haag en omgeving 150 standplaatsen bijkomen. In 1987 was er ook al een plan geweest maar dit plan is nooit uitgevoerd. In 1990 bleek dat er 240 ipv 155 wagens zijn. Jos Meloen heeft een boek geschreven, waarin hij is nagegaan hoe de gemeenteambtenaren en diensten de woonwagenbewoners behandelden. Zijn conclusies zijn niet mals:
"De situatie op de drie Haagse kampen zijn al jarenlang onhoudbaar, de voorzieningen zijn slecht en de kampen zijn overvol. De gemeente Den Haag heeft de woonwagenbewoners letterlijk en figuurlijk in de kou laten staan. De gemeenteambtenaren hebben flinke vooroordelen tegen de woonwagenbewoners. Maar ook dat als de ambtenaren wel iets willen regelen voor de reizigers die dat niet durven omdat zoveel burgers negatief denken over de woonwagenkampen" .
In 1992 zegt staatsecretaris Heerma, dat de centra aan de Escamplaan mogen blijven. Maar de overbezetters moeten naar kleine centra binnen en buiten de stad. De gemeente Den Haag ziet de plannen van Heerma niet zo zitten. De gemeente wil het in slechte staat verkerende centrum aan de Viaductweg renoveren. Wanneer de Viaductweg is opgeknapt komt het centrum aan de Escamplaan aan de beurt. Op de Leyweg mogen volgens Heerma 40 vakken blijven bestaan. In december 1992 hebben de bewoners van de Viaductweg aan de gemeente laten weten, dat zij niet van plan waren te verhuizen naar de Guntersteinweg. Het centrum is bedoeld om een begin van de ontruiming van de Viaductweg van 90 wagens mogelijk te maken. De bouw van het centrum is toen gestaakt De gemeente heeft zonder met de woonwagenbewoners te overleggen prefab bergingen aan geschaft. Die kwamen op geen enkele manier tegemoet aan de wensen van de woonwagenbewoners. Geen inspraak, geen overleg. Dus hebben de bewoners het overleg met de gemeente gestaakt. Zij eisten twee grote centra van 40 plaatsen. Een op de Viaductweg en de andere op een andere plaats. In 1993 is een commissie van wijze mensen onder voorzitterschap van de heer Zeevalking ingesteld om uit de impasse te komen. Alle betrokken personen en instanties werden door de Commissie gehoord. De commissie is alleen aan één wens van de bewoners tegemoet gekomen: het centrum aan de Viaductweg mocht blijven bestaan maar slechts met 35 plaatsen. De bewoners eisen, als reactie op het rapport, een centrum te krijgen aan de Lozerlaan en willen inspraak bij de inrichting van nieuwe centra. De gemeente lijkt niet bereid om op deze wensen in te gaan. Eind 1993 werd definitief besloten tot aanleg van vier kleine woonwagencentra Guntersteinweg ( 15 standplaatsen ) , Lozerlaan/Erasmusweg (113 standplaatsen ), Schapenatjesduin (18) standplaatsen) en Energiestraat (115 standplaatsen). Begin 1995 staan op de Viaductweg 50 wagens maar dit moet worden teruggebracht tot 35. Aan de Leyweg staan rond 90 wagen, maar het centrum moet worden verkleind tot 40 wagens. Aan de Escamplaan staan nog rond 70 wagens ook dit aantal moet worden terug gebracht tot 40.
De gemeente Den Haag heeft geen knelpuntenanalyse in 1995 ingediend bij staatssecretaris Tommel; want er zijn immers indertijd afspraken over de drie grote centra gemaakt met de staatssecretaris Heerma: verkleining van de centra tot 40 wagens. In 1996 is het centrum aan de Viaductweg teruggebracht tot 35 vakken. Een deel van de bewoners van de Viaductweg heeft genoegen genomen met 15 vakken aan de Guntersteinweg.
Eind 1996 deelt de gemeente Den Haag aan de redactie van het Woonwagennieuws mede, dat onderhandelingen over het centrum aan de Leyweg in 1997 beginnen. Van onderhandelingen met de bewoners is blijkbaar niet veel terecht gekomen, want deze krijgen op die bewuste zaterdagochtend 12 april 1997 een brief in de bus waarin hun wordt medegedeeld dat de gemeente heeft besloten om het centrum aan de Leyweg maar helemaal op te heffen. Dit alles staat uitvoerig te lezen in een nota getiteld "Wonen op wielen in beweging". Deze nota zal woensdag 28 mei 1997 in de vergadering van de raadscommissie Volkshuisvesting worden besproken. Ook zal behandeld worden het voorstel van B en W gedateerd 13 mei 1997. Uit de nota en het raadsvoorstel geven wé enkele passages weer om daarmee te laten zien hoe de gemeente over de woonwagenbewoners denkt.
"Indien, conform het bijgaande voorstel, besloten wordt tot het opheffen van het centrum Leyweg is er een vervangende locatie voorbanden op het terrein Noordweg 88" (…). In dat geval zal het terrein aan de Leyweg worden bebouwd met woningen". Onder het hoofdstuk Inspraak van het wetsvoorstel lezen we: "Vanaf half april.1997 heeft er inspraak plaatsgevonden ten aanzien van het gestelde in dit raadsvoorstel voor zowel de bewoners van het huidige centrum aan de Leyweg als voor de omwonenden van de nieuwe lokatie aan de Noordweg 88".( ... ) "Van het aanbod voor overleg tussen de portefeuillehouder en een delegatie van de bewoners van het bestaande woonwagencentrum aan de Leyweg is geen gebruik gemaakt".
De opstellers van het rapport hebben wel een zeer eigenaardige opvatting over het begrip inspraak. Eerst een brief op 12 april 1997 aan de bewoners van het centrum aan de Leyweg te sturen met de mededeling, dat de gemeente Den Haag heeft besloten het centrum op te heffen, om vervolgens een paar dagen later de bewoners uit te nodigen voor het geven van inspraak. Ja, of ze lelies of rozen op hun graf villen hebben.
Wat betreft het centrum aan de Escamplaan : "Het raadsvoorstel voor bet laatste grote regionale woonwagencentrum, aan de Escamplaan, zal u nog dit jaar worden voorgelegd" .
In het rapport staat ook iets over vrouwen:
"Projecten zullen worden ontwikkeld waarin in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de volgende aspecten: -
- het vergroten van de cognitieve en sociale vaardigheden door bijscholing
- het versterken van het zelfoplossend vermogen, bijvoorbeeld het zelf kunnen invullen van formulieren
- extra ondersteuning bij de opvoeding van hun kinderen vaardoor de vrouwen beter in staat zijn kinderen te helpen, bijvoorbeeld bij hun huiswerk".
Op pagina 11 van de nota lezen we: "Er zijn in Den Haag nog 13 standplaatsen buiten de centra, de zgn. artikel 10 standplaatsen. Na intrekking van de woonwagenwet wordt geen toestemming meer verleend voor permanente vestiging buiten de woonwagencentra". In het rapport is ook rekening gehouden met de intrekking van de woonwagenwet het wegsleepartikel komt dan te vervallen. De gemeente zal hierin voorzien door een wegsleepartikel in de Algemene Politie Verordening op te nemen. Wethouder Noordanus wil het uiterste middel van wegslepen van woonwagens nooit uit handen geven. De beraming van de kosten, die dit sleepgeweld met zich mee zal brengen zijn niet nader in de nota aangegeven. Aangezien de bewoners van de centra Leyweg en Escamplaan alleen bereid zijn om te verhuizen op basis van vrijwilligheid, zal de geestelijke als materiele schade bijzonder hoog zijn, als wethouder Noordanus zijn zin krijgt en de nota "Wonen op wielen in beweging" door de Gemeenteraad van Den Haag wordt aangenomen.
(Deze geschiedenis van het woonwagenbeleid van de gemeente Den Haag is gepubliceerd in de Vliegende Egel van mei 1997.)
5 juni 1997 is het plan voor de ontruiming van Leyweg aan de orde bij de zitting van de gemeenteraad van Den Haag gekomen. Met 36 stemmen voor en vijf tegen heeft de Raad beslist het regionale woonwagencentrum te sluiten. De meerderheid van de gemeenteraad was het eens met de wethouder Noordanus, dat bij de overplaatsing van de woonwagen families naar vier of vijf andere centra goed overleg moet worden gevoerd, maar uiteindelijk bestuurlijke dwang mogelijk moet blijven. De woordvoerders van de woonwagenbewoners lieten weten alleen op basis van vrijwilligheid met de gemeente te willen onderhandelen.
Sinds die bewuste 5 juni 1997 is de gemeente Den Haag blijven vast houden aan het uiterste middel: het wegslepen van de wagens van de Leyweg naar de Noordweg. In november 1999 heeft de gemeente Den Haag een brochure (oplage 250 stuks ) getiteld Reizigers reizen niet meer gericht aan de bewoners van het woonwagencentrum aan de Leyweg met een voorwoord van de wethouder Noordanus:.
" De verhuizingen staan nu voor de deur. Over een ruim half jaar verhuist u naar uw nieuwe woonplek in een nieuwe omgeving, maar wel met uw eigen, vertrouwde familieleden en vrienden en met uw eigen wagen"
Nu dat is inderdaad gebeurd en is te lezen in een ander hoofdstuk van deze website: Mijn persoonlijke belevenissen van de gewelddadige ontruiming van de Leyweg van 11 december tot en met 20 december 2002.