Annie Offenberg, voorvechtster voor het behoud van het woonwagencentrum Trekvaartplein. In het woonwagennieuws van mei 1994  zei ze : "geef ons kans voort te bouwen op onze geschiedenis, zodat we weer in vrijheid kunnen leven".

De geschiedenis van het woonwagencentrum Trekvaartplein 1918-1997

Door de invoering van de woonwagenwet in 1918 kon de gemeente Leiden de woonwagens niet meer uit de gemeente laten verwijderen. Daarvoor gebeurde dat wel, dat blijkt zonneklaar uit de brief geschreven in 1929 aan de gemeenteraad door de burgemeester van Leiden van de Sande Bakhuysen: " Sedert het inwerking treden van die wet zijn de gemeenteraden helaas alleen nog maar bevoegd bepalingen vast te stellen betreffende de plaats door woonwagens bij verblijf in de gemeente, in te nemen". (Let goed op het woordje : helaas). Maar de wet had ook enkele voordelen, zo kon de gemeente door het aanwijzen van speciale standplaatsen de zaak goed onder controle houden. Volgens de gemeenteraadsleden vond men de standplaats die woonwagens tot die tijd innamen- aan de Haarlemmerweg - niet geschikt omdat de  woonwagens te dicht in de buurt van huizen van de burgers van Leiden stonden. Ook om een andere reden was de locatie ongeschikt, want bezoekers aan de feesten op 3 oktober hadden last van de woonwagens! In gemeenteraad stelde in 1922 burgemeester de Gijselaar een andere standplaats voor. In een brief aan de gemeenteraad zegt hij : "Ik geef toe dat in een stad als de onze een dergelijke toestand niet past; de menschen klagen volkomen terecht en ik vermoed dan ook, dat ik die wagens door de politie uit de stad zal laten verwijderen totdat wij bij tijd en wijle een geschiktere plaats hebben gevonden". De wethouders stelden aan de raad voor om een weiland aan de Lage Morschweg te kopen voor een officiële standplaats voor woonwagens. Ondanks de invoering van de woonwagenwet in 1918.was het toch nog mogelijk tot 1927 om door politieverordeningen de woonwagens buiten de gemeente te houden. In 1923 werd het kamp aan de Lage Morschweg - buiten de bebouwde kom en in de polder gelegen - ingericht. De woonwagens mochten alleen daar gaan staan, overtreding werd bestraft met 25 gulden boete of een celstraf met een maximum van zes dagen. De hoogte van het staangeld was een kwartje per dag voor alle  woonwagens. Dit was zeer hoog in vergelijking met andere gemeenten en op 6 juni 1932 heeft men dit bedrag verlaagd tot een dubbeltje. Het was moeilijk en veel werk om het geld te innen en niet om humanitaire maar om praktische motieven werd het staangeld op 4 december 1933 afgeschaft. Verder moesten de woonwagenbewoners bij het innemen of verlaten van de standplaats dit aan de politie mededelen. De burgemeester de Gijselaar vond dat het kamp niet luxueus ingericht moest worden om de woonwagenbewoners te ontmoedigen om naar Leiden te komen. Niet meer dan een aansluiting op de waterleiding, toiletten en een gemetselde vuilnisbak. In 1932 bestond de verlichting uit twee petroleum lantaarns waarvan er een bij de ingang en de ander in het kamp zelf stond. Bij de minste windstoot gingen de lampen uit! Niet alleen de verlichting liet te wensen over maar ook de hygiënische toestand was slecht. Het vuilnis moest worden gestort op grote afvalhopen. 7 jaar na het inrichten van het kamp in 1923 waren de noodzakelijke voorzieningen nog niet getroffen geen elektrische verlichting en geen stenen vuilnis bak. In 1930 werd de locatie aan de Lage Morschsweg afgekeurd. Er  moest een andere standplaats worden gezocht. Directeur van de gemeentewerken schreef hierover aan B en W in 1934: " Het kan inderdaad niet worden ontkend, dat in verband met de omstandigheid dat sinds eenige jaren aan en nabij de Lage Morschwveg een nieuwe woonwijk is ontstaan, welke wijk zich meer en meer uitbreidt, de aanwezigheid ter plaatste van het woonwagenkamp daarvoor een zeer ongunstige factor oplevert. Het terrein van de Lage Morschweg was bestemd volgens het gemeentelijke uitbreidingsplan voor de bouw van woningen. Het woonwagenkamp moest om economische redenen weg" (Red. Waar hebben we dit geluid meer gehoord?). Ook de Leidse exploitatie maatschappij van onroerende goederen wilde ook graag dat het kamp weg ging. De plannen lagen al klaar als het niet verplaatst zou worden zou worden dan liep de bouw van een nieuw stadgedeelte gevaar, en als de bouw niet doorging leverde, dat verlies op voor de exploitatiemaatschappij. Er werden vele locaties voorgesteld: 1. Boschhuizerpolder, 2. Ten zuiden van de Boschhuizerwetering, 3. Ten oosten van de Haarlemmerweg. De commissaris van politie wil een andere locatie, liefst erg ver buiten de bebouwde kom en op' een open terrein. Het animo om daar te verblijven moest tot een minimum worden beperkt. Commissaris van politie zei:"Wordt dus de Lage Morschweg van deze plaag bevrijd, de Haarlemmerweg en omgeving zullen dan door deze plaag worden bezocht". In 1934 werd onderzocht of het niet mogelijk zou zijn om met Oegstgeest of Leiderdorp tot de inrichting te komen van een gemeenschappelijk woonwagenterrein. Het laatste vooroorlogse plan was van 12 juni 1935: het terrein van de Kettingfabriek van de Koninklijke Nederlandse Grofsmederij. Er kwamen  nieuwe richtlijnen betreffende de inrichting van woonwagenstandplaatsen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken:

"De woonwagenkampen moeten van de weg worden gescheiden door een zware stevige afrastering of door aarden wallen, dan wel door ene singel of een breede beplante strook, welke het kamp aan het oog van de weggebruiker ontrekt". Dan komt de oorlog en wordt het beleid inzake woonwagenkampen steeds grilliger. Zo verscheen in augustus 1940in het tijdschrift sociale zaken met een artikel van L.L. van Doorn onder de titel "Woonwagenbewoners moeten verdwijnen". De woonwagenwet moet worden gewijzigd door de woonwagenbewoners te verbieden zich te verplaatsen. Van Doorn noemt nog een aantal negatieve kenmerken van de woonwagenbewoners :" Hij zaait niet dus maait ook niet. Hij teert op de weldadigheidszin van zijn gemeenschap, hij teert op den gemeenschap, bedelarij verkapt en openlijk, stroperig, landloperij, misbruik van openbare en particuliere en kerkelijke armenzorg. De doorsnee-woonwagenbewoner behoort tot het a-sociale type. Noodig is: het vormen uit woonwagenbewoners gezonde, krachtige, arbeidzame mannen en vrouwen die de waarde van den arbeid leeren waarderen, die de groote betekenis van goed onderwijs ervaren, die de noodzakelijkheid van hygiëne en een goede huisvesting leeren inzien, de groote waarde leeren beseffen van een uit arbeid verkregen inkomen. Zij moeten worden opgenomen in het groote leger van landgenoten, dat met hernieuwde kracht met nieuwe moed verfrischt en gesterkt naar geest en lichaam aan de Nederlandsche Gemeenschap bouwt". Deze mening sloot goed aan bij die van het Ministerie van Binnenlandse zaken. Door het Ministerie werden de woonwagenbewoners als a-sociaal bestempeld. Het nomadenleven van de groep werd sterk afgekeurd en vereenzelvigd met luiheid. Ze wilden de groep dan ook interneren  in werkkampen. Tussen 1940 en 1942 werden alle woonwagenbewoners met een Nederlandsche nationaliteit geregistreerd. Deze was in handen van de rijks identificatie dienst en het centraal bevolkingsregister. De rijksidentificatie dienst viel onder het Ministerie van Justitie en wilde gegevens verzamelen van woonwagenbewoners  omdat zij werden beschouwd als een potentieel criminele groep, die extra toezicht nodig had. Alleen woonwagens die niet meer getrokken konden worden en woonwagenbewoners die in een gemeente een vaste standplaats hadden, mochten op hun standplaats blijven. De gemeente Leiden heeft in de oorlogsjaren in zekere zin invloed gehad op woonwagenbewoners, die wel of niet in aanmerking kwamen voor deportatie naar verzamelkampen. (red. net als nu: een deel van de bewoners mag blijven en een ander deel moet worden gedeporteerd). Höheren SS en Politzeifuehrer Rauter vaardigde een bevel uit om de woonwagenbewoners uit de provincies Noord en Zuid-Holland, Zeeland en de kuststrook langs bet IJsselmeer te evacueren en onder te brengen in een groot centrum. Aan het nomadische leven van dit volksdeel moest een eind gemaakt worden en deze bevolking moest in de geordende samenleving worden opgenomen, net zoals Van Doorn in zijn artikel in 1940 al had voorgesteld! 13 juni 1943 werd het de woonwagenbewoners verboden zich te verplaatsen. De woonwagenbewoners probeerden de maatregel te voorkomen door hun wagens te verkopen of onder te brengen bij boeren of in onbewoonbaar verklaarde woningen te trekken. Ook verstopten sommigen zich in bossen of op de hei. Uit de gemeenteverslagen waren vlak voor de oorlog in Leiden nog maar 12 woonwagens. Men weet niet hoeveel er tijdens de oorlog in Leiden zijn gebleven. Na de oorlog kwamen de woonwagenbewoners weer naar Leiden terug. Pas in 1951 werd een nieuw kamp ingericht aan de Broekweg (nu Trekvaartplein geheten). Alleen de hoogst noodzakelijke voorzieningen werden getroffen: waterleiding, toiletten, paardenstal en elektrische verlichting. Het bleek echter dat jaren na de inrichting van het kamp de voorzieningen volstrekt onvoldoende waren. De toiletten waren vies, omdat op het kamp maar een waterkraan aanwezig was en werd gebruikt om de kampbewoners van water te voorzien en tegelijkertijd om dagelijks de toiletten te reinigen. Niet alleen toiletten veroorzaakten slechte hygiënische omstandigheden, maar ook het vuilnis dat op een onverharde grondstrook binnen het kamp werd gegooid. De bewoners konden in de avonduren wegens overlast van ratten niet de deur van de wagen laten opstaan. De kampwacht die normaal gesproken twee keer per dag het kamp schoonmaakte was volgens de bewoners als een dik half jaar niet meer geweest. 22 juni 1959 werd in de gemeenteraad van Leiden de mogelijkheid geopperd om van het woonwagenkamp aan de Broekweg een regionaal kamp te maken. Het was de bedoeling om met de gemeenten Leiderdorp, Oegstgeest, Rijnsburg, Sassenheim, Voorschoten, Warmond en Zoeterwoude tot een gemeenschappelijke regeling te komen. De gemeente Leiden zou het beheer en verzorging van het regionale kamp op zich nemen. De uitbreiding en vernieuwing van de voorzieningen leverde echter moeilijkheden op, omdat men met de andere gemeenten niet tot overeenstemming kon komen over de kostenverdeling. Het gevolg was dat 11 jaar na het tot stand komen van het woonwagenkamp aan de Broekweg de woonwagenbevolking nog steeds te kampen had met gebrekkige voorzieningen en slechte hygiënische omstandigheden. Een wet van 11 april 1962 stelt dat de gemeente een verzoek kan richten aan de gedeputeerde staten om het aantal woonwagens vast te stellen dat maximaal mag worden toegelaten. Leiden heeft zo'n verzoek gedaan en gevraagd om 68 woonwagens toe te laten. In 1966 worden scherpe verordeningen voor woonwagenbewoners vastgelegd, die veel weg hebben van huisregels van gevangenissen. Zo lezen we in de verordening van 10 artikelen: Artikel 2. De eigenaar of gebruiker van een woonwagen is verplicht aan het kamphoofd onmiddellijk na aankomst en tenminste 24 uur voor vertrek dit mede te delen. Artikel 3. Hij is gehouden op bevel van het kamphoofd a. van standplaats te veranderen; b. opslag onder en naast de woonwagen en/of het bijbehorend voertuig te verwijderen. Artikel 8. Overtreding en niet nakomen van het bepaalde in deze verordening wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste driehonderd gulden of met hechtenis van ten hoogste twee maanden. In 1972 blijkt dat het woonwagencentrum aan de Broekweg niet meer aan de gestelde eisen voldoet. Zo wordt in 1974 vlak naast het oude kamp het nieuwe kamp aan de Trekvaartplein geopend. Maar het voldoet al van af het begin aan niet aan de noodzakelijke sanitaire voorzieningen. In de 2e helft van de jaren 70 hebben de bewoners hier tegen acties gevoerd (bezetting van het stadhuisplein door caravans). De acties hebben succes en de voorzieningen worden getroffen. Het kamp raakt overvol. De boventalligen worden door het woonwagenschap gedoogd. Eind zeventiger jaren komt er weer een wijziging in het beleid. Volgens de overheid blijkt dat het meestal gedwongen overplaatsen van woonwagenbewoners naar grote regionale woonwagencentra het isolement versterkt en het tot stand komen van contacten met de samenleving juist belemmert. (Red. de waarheid is echter dat men meer controle wilde hebben over het wel en wee van woonwagenbewoners). Men wil de woonwagenbewoners weer in kleine kampjes onderbrengen. Maar dit blijkt in de Leidse regio niet goed van de grond te komen. Slechts een kleine locatie in Leiderdorp met 8 standplaatsen komt tot stand. Minister mevrouw Tilly Gardeniers, verantwoordelijk voor het woonwagenbeleid over de uitvoering van het nieuwe plan: "Leiden heeft zich steeds van zijn goede kant laten zien, maar de gemeenten in de regio hebben het erbij laten zitten". Als een gemeentebestuur een mogelijke plaats aanwijst geeft dat aanleiding onder de burgerlijke bevolking tot heftige reacties. Zo in het geval bij de inwoners van Warmond. Ze verzamelen handtekeningen om te voorkomen dat het kamp er komt. "Warmond wordt geconfronteerd met een groep die ervoor kiest niet te worden geïntegreerd in de maatschappij. De plaatsing van een kamp zou funest zijn voor de omgeving en de omwonenden", zeggen bewoners van Warmond. Door deze beleidswisseling van de overheid leven de kampbewoners steeds in grote onzekerheid over hun uiteindelijke bestemming. De bewoners van het kamp zien het uit elkaar halen van de families niet zitten. Ze zijn net gewend. "Wij willen bij elkaar blijven, onze kinderen trouwen en die blijven in hun eigen wagen bij ons wonen".In 1981 komt van het Ministerie VROM een circulaire MG 81-03 van 19 januari, waarin volgens het Ministerie het kamp aan de Trekvaartplein niet meer voldoet en wel op twee punten:Een slechte ontsluiting, terwijl daarnaast de maatschappelijke voorzieningen te ver weg liggen. Het centrum dient derhalve te worden opgeheven". (Wat dit laatste punt betreft: "De school ligt op 700 meter, postkantoor en bushalte op 800-900m. De dichtst bij zijnde winkel op 700 meter). " Het kamp ligt op een stuk grond dat geschikt is voor woningbouw. De gemeente Leiden zelf, in tegenstelling tot het Ministerie, wil het kamp wel handhaven. In 1982 komen 86 bewoners van het kamp met een petitie gericht aan de staatssecretaris van het VROM met het verzoek om het kamp te behouden en niet op te splitsen in kleine kampen. Ze willen dat het kamp aan de Trekvaartplein behouden blijft. In het zelfde jaar zegt de staatsecretaris mevrouw Langedijk de Jong echter dat de gemeenten in de Leidse regio vaart moeten zetten met het inrichten van kleine kampen. Ze verwijt de bestuurders een gebrek aan politieke moed. In 1983 wordt een open dag in het kamp georganiseerd. De belangstelling valt echter wat tegen. De provincie is bereid woonwagenbewoners die niet van het Leids centrum naar een (toekomstig) kamp in de regio willen verhuizen, desnoods daartoe te dwingen. De provincie zal dan toestemming geven aan het woonwagenschap om de woonwagens weg te slepen. Dit staat in het voorlopig provinciaal plan 1985-1990.Maar er is toch nog een sprankje hoop. In 1983 wordt door de gemeente Leiden een motie aangenomen dat er nooit sprake mag zijn van gedwongen verplaatsing van woonwagens. Eind november hebben tachtig bewoners van het Leidse woonwagencentrum op het stadhuisplein actie gevoerd. Wethouder Tesselaar zei tegen de bewoners: "Het is een idioot soort beleid om woonwagenbewoners naar kleine kampjes te slepen. Vooral omdat de bewoners twintig jaar geleden juist naar grotere kampen moesten van overheid. Ons college vindt dat mensen op vrijwillige basis naar kleine kampjes moeten kunnen. En in tegenstelling tot het rijk vinden we dat het kamp in Leiden best wat groter kan blijven. 19 maart 1984 is er een hoorzitting over het voorontwerp woonwagenplan Zuid-Holland. 68 plaatsen mogen in Leiden behouden blijven . Reactie van de bewoners op dit plan: "Je verruilt toch geen goede schoenen voor klompen. Als je mensen gedwongen gaat verplaatsen veroorzaakt je ellende. Dan heb je een zwerm bijen gekregen en jullie weten wel wat gebeurt als zo'n zwerm in je tuintje neerdaalt: die steken". 15 november wordt een motie Schijndel-Broses aangenomen door de Provinciale Staten van Zuid-Holland met o.m. - dat de starheid waarmee aan een maximaal aantal standplaatsen wordt vastgehouden ingaat tegen de wensen en belangen van woonwagenbewoners - geen dwangmaatregelen mogen worden toegepast om een verhuizing door te voeren. Begin januari 1985 wil het woonwagenschap de nodige gas- en elektrische voorzieningen aanbrengen, alleen als 27 woonwagens van het centrum verdwijnen. 17 januari 1985 zegt staatssecretaris Brokx dat het kamp weg moet, de provincie wil 41 staanplaatsen, terwijl de gemeente 68 plus 10 trekkers plaatsen zit zitten. De heer Parlevliet, voorzitter van het woonwagenschap wil nieuwe kampjes van maximaal 15 plaatsen . 11 maart 1985 zegt PvdA-gemeenteraadslid Elkerbout tijdens een politiek forum op het Trekvaartplein dat de ruim dertig boventallige bewoners op het centrum Trekvaartplein in het uiterste geval gedwongen moeten worden om naar een standplaats in een van de regio-gemeenten te verhuizen. 13 maart 1986 herinneren 4 raadsleden van gemeente Leiden de burgemeester Goekoop dat in 1983 een motie unaniem door de raad is aanvaard, waarin stond dat verhuizing uitsluitend op vrijwillige basis zou mogen geschieden. Gedeputeerde staten vinden dat de gemeente Leiden desnoods moet meewerken aan gedwongen verhuizingen van woonwagenbewoners als de regiokampen niet vol komen. Wethouder De la Mar zegt dat het streven moet zijn om de druk van de ketel te halen en er niet meer wordt gedreigd met gedwongen verhuizing. Het belangrijkste op dit moment vindt hij echter dat er rust moet komen in de tent. Hij gelooft dat de provincie en het woonwagenschap onvoldoende beseffen wat de gevolgen zijn van wegslepen. " Ga je slepen dan is het oorlog". 25 maart sturen de bewoners van het kamp een brief aan het regionaal woonwagenschap met drie punten:

1. Wij willen duidelijkheid over de ruimte waarin het schap door ons onderhandeld wordt kan worden. 2. Over gedwongen verhuizing wordt niet meer gepraat. En dan bedoelen we niet tussen nu en 2 weken, maar we bedoelen dat dat in zijn algemeenheid niet meer over wordt gepraat. 3. Het noodkamp blijft gehandhaafd totdat die plaatsenvoor permanente bewoning niet meer nodig zijn.

26 maart 1986 is er een discussie tussen de voorzitter Parlevliet van het woonwagenschap en vijftig bewoners. De bewoners zeggen dat als je toch gaat slepen er doden vallen. Herhaalde malen wordt een verband gelegd met de Tweede Wereldoorlog. "Wij zijn Leidenaars en willen daar blijven wonen". Daarop volgt een vergelijking met het feit dat mevrouw Goekoop, de vrouw van de burgemeester van Leiden, in Amsterdam wil blijven. "Als ze dat wil", zegt mevrouw Offenberg, " dan heeft ze daar groot gelijk in. Maar laat ons dan zitten waar we zitten". Aan het adres van de heer Parlevliet voegt ze toe: " Zullen we U en uw gezin morgenochtend vroeg ook even naar Drente brengen". Toch zijn er enkele wagens naar Noordwijk vertrokken. Volgens de bewoners is dat ook onder dwang gebeurd. Ze gingen er van uit dat er op den duur niet aan wegslepen zou zijn te ontkomen

21 mei 1986 schrijven de gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de Gemeente Leiden, dat zij het standpunt van de gemeente Leiden betreffende het niet willen slepen onaanvaardbaar vinden en verzoeken om intrekking van de motie. Indien de gemeente Leiden bij haar standpunt blijft dan beschouwt de provincie dit als afwijzing van het ingenomen uitgangspunt om woonwagenstandplaatsen te deconcentreren. De provincie zal zich dan genoodzaakt zijn om met een nieuw plan te komen, dat er voor de gemeente Leiden veel ongunstiger uit zal gaan zien. Opheffing Trekvaartplein en met als taakstelling voor de gemeente Leiden om 100 standplaatsen in te richten, verspreid over minstens 7 locaties.

12 mei 1986 is er overleg tussen de Gedeputeerde staten van Zuid-Holland en het woonwagenschap. De voorzitter van het schap de heer Parlevliet zegt, dat door het aannemen van een motie door de gemeente Leiden in 1983, dat er niet gesleept mag worden, het hele beleid lam wordt gelegd. Gedeputeerde Statenlid mevrouw Gunther concludeert dat weliswaar de sleepbevoegdheid is overgedragen aan het woonwagenschap en dat het algemeen bestuur van het schap heeft besloten deze bevoegdheid niet uit te oefenen zolang de raad van de grootst deelnemende gemeente (Leiden) zegt : " er wordt niet gesleept:". Zij zegt voorstander te zijn dat de motie voor eind juni aanstaande van tafel gaat.

28 november 1986 actie van bewoners: " De overheid solt met ons en behandelt ons als kudde dieren". In 1987 is het staatssecretaris Heerma die handhaving van het kamp niet bij voorbaat van de hand wijst. Hij wil eerst praten met de provincie. Het standpunt van de provincie is inmiddels veranderd. Voor 1987 wilde de provincie net als het rijk dat het kamp moet worden opgeheven. 28 februari 1987 wil Gedeputeerde staten af van gedwongen verplaatsing, omdat zowel de gemeente Leiden als het woonwagenschap daar aan geen medewerking willen geven. Eind april 1987 heeft de wethouder van de gemeente Leiden nog steeds geen afspraak kunnen maken met de staatssecretaris Heerma. 16 september 1987 wil B en W van Leiden twee nieuwe kampjes aanleggen ,zodat het Trekvaartplein dan kan worden teruggebracht naar 40 standplaatsen. (Stevenshof en Roomburgpolder) Wethouder De La Mar van de gemeente Leiden roept zich zelf uit als de grote voorvechter voor het behoud van Trekvaartplein, maar dan wel in een afgeslankte vorm. Hij wil dat de bewoners akkoord gaan met de 40+30 formule. Als de gemeente vasthoudt aan een groot kamp dan komt er per 1 januari 1988 geen subsidie meer van het Rijk, alle kosten komen dan voor rekening van het woonwagenschap. Voor de andere gemeenten is dit niet acceptabel. Als reactie op de initiatieven van De la Mar zeggen de bewoners:" Wij zijn niemand tot last, niemand is ons tot last. Wij willen hier perse met z'n allen blijven wonen".

23 september 1987 tijdens de vergadering van de commissie sociale zaken en maatschappelijke aangelegenheden vraagt Geertsema (VVD) zich af hoe men denkt het Trekvaartplein woonwagencentrum af te bouwen tot 40 standplaatsen als men uit gaat van overplaatsing op vrijwillige basis. Dorus, een woonwagenbewoner zegt, "We willen niet als beesten worden behandeld. Je kan ons toch niet zo maar wegslepen?! Er is iets helemaal fout met de manier waarop er altijd maar van alles over ons wordt besloten. Wij willen gewoon op Trekvaartplein blijven wonen. Dat is een prima kamp en alles is daar nu in orde"

Eind september 1987 wil zeker de helft van het aantal woonwagenbewoners op de locatie Katwijk/Noordwijk terug naar het Trekvaartplein. De bewoners krijgen bezoek van de kamerleden Wolffensberger en Jorritsma. De bewoners roepen hun toe.: "Ze hebben ons hier gedumpt en kijken niet meer naar ons". De bewoners hebben niet de noodzakelijke voorzieningen gekregen die hun waren beloofd. "Ze hebben ons koeien met gouden horens beloofd. Twee jaar vragen we naar een speelplaats voor kinderen en een jaar om telefoon aansluitingen". Op het Trekvaartplein kamp aangekomen zeggen de twee kamerleden dat het kamp moet blijven. "Hier zijn geen problemen" zegt mevrouw Jorritsma.

8 oktober 1987 deelt wethouder De la Mar mede dat de locatie Roomburg is afgevallen. Het grond is ernstig vervuild en men zal last hebben van het drukke verkeer.

23 oktober 1987 vindt er een gesprek plaats tussen de gedeputeerde mevrouw Stolker en de staatssecretaris Heerma. Het rijk stelt voor 1990 geen subsidie meer ter beschikking voor de hoognodige renovatie van het kamp. De provincie wil wel meewerken aan 41 standplaatsen, mits Leiden twee nieuwe kampjes aanlegt. In 1990 wordt beslist door de Provincie (in overleg met de staatssecretaris Heerma en wethouder De la Mar), dat het woonwagencentrum mag blijven bestaan, maar wel met slechts 40 standplaatsen en 40 woningen.

17 januari 1990 wordt het akkoord gesloten tussen de gemeente Leiden (wethouder De la Mar), de provincie (gedeputeerde mevrouw Stolker) en het Rijk (staatssecretaris Heerma) dat er 40 standplaatsen en 40 woningen komen, onder de voorwaarde dat er woningbouw komt in de Broek- en Simontjespolder. Dit wekt de woede van wethouder Kohlbeck van Oegstgeest, want er worden afspraken gemaakt over woningbouw in de polder die op het grondgebied van Oegstgeest ligt..De polder moet groen blijven. Die structuur schets geldt tot de 21ste eeuw. Dat is vastgesteld beleid. Daar kan men niet om heen, zegt Kohlbeck. De structuurschets is na twee jaar en na uitgebreide inspraakmogelijkheden vastgesteld". De wethouder De la Mar beroept zich op het feit dat een aantal woonwagenbewoners bereid is hun wagens te verruilen voor een huis. " Wie zijn dat dan? Ga je lottoballetjes opgooien om te bepalen wie er zijn woonwagen uit moet?" reageerde woonwagenbewoonster Annie Offenberg, tevens voorzitster van het landelijk overleg woonwagenvrouwen. Volgens haar zijn er vrijwel geen kandidaten voor het huis onder de huidige bewoners van het Trekvaartplein. Mevrouw Offenburg beschuldigt de Leidse wethouder 'burgers' te maken van woonwagenbewoners. "Waar zijn jullie mee bezig, huizen kunnen hier wel worden gebouwd, maar waarom kunnen wij hier niet gewoon blijven wonen. Jullie dwingen ons gewoon de huizen in. Niets vrije keus" Een andere bewoners verzucht: "Ik woon hier al veertig jaar. Ik ben op deze plek geboren. Je denkt toch niet dat ik mijn wagen verplaats omdat er een huis moet komen". In een brochure lezen we dat de gemeente Leiden een aantal uitgangspunten wil hanteren met betrekking tot het vaststellen van de taakstelling in de periode 1990-1995. Een van deze uitgangspunten is (pagina 16): "Het toepassen van dwangmaatregelen blijft voor ons derhalve het ultimum remedium".(red. dit betekent: het uiterste middel" in gewoon Nederlands). Dit staat in schril contrast met een passage die voorkomt in een schrijven van 28 februari 1990 van de provincie Zuid-Holland aan de gemeente Leiden: "Tijdens een hoorzitting op 14 maart 1989 in het centrumgebouw Trekvaartplein hebben de bewoners over het plan 1990-1995 tegenover de aanwezige vertegenwoordigers van gemeente Leiden, provincie en rijksoverheid de wens uitgesproken om het centrum in de volle omvang te behouden. Ze willen niet vrijwillig weggaan, laat staan onder dwang. Het uitgangspunt van provincie en gemeente is dat geen medewerking zal worden verleend aan mogelijke wangverhuizing, indien het bewoners aangaat die in het verleden rechtmatig standplaats op het centrum hadden verkregen". Heerma wil wel op het kamp komen voor een bezoek, maar 30 oktober 1990 schrijft hij echter:" Inmiddels is ge- bleken dat " tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren ". Hij wil pas komen als de praktische bezwaren zowel op provinciaal als gemeentelijk niveau zijn geruimd. In de volgende jaren valt er niet veel te melden. Er worden geen huizen gebouwd op het Trekvaartplein. Niemand waagt zich om zijn vingers te branden aan dit vrijwel onoplosbaar probleem. Wanneer men het wapen van de gedwongen verplaatsing uit handen geeft realiseert men zich terdege dat een spoedige oplossing niet mogelijk is. Aan de andere kant beseffen de bestuurders heel goed dat gedwongen verplaatsing voor nog grotere problemen zullen zorgen. Kortom wat te kiezen van de twee kwaden.

In auqustus 1993 komt het bureau Inbo Adviseurs met een rapport gemaakt in opdracht van de gemeenten Leiden, Oegstgeest en Warmond." Het kamp moet verhuizen als huizen worden gebouwd. De wagens staan nu te veel aan de rand van die nieuwe woonwijk. De woonwagenbewoners moeten verhuizen naar een stuk grond aan de andere kant van de Broekweg". Wethouder van Rij zegt hierover: "Dat lijkt me op zich ook een goed idee". Inbo Adviseurs benadrukt in het rapport dat nog niet met betrokkenen is overlegd over verplaatsing van het kamp. In september 1993 zal voor de bouw van 1100 huizen voor de eeuwwisseling bij het rijk subsidie worden aangevraagd. In 1997 zal vermoedelijk de eerste paal de grond in gaan. Er was ook een plan van de wethouder van Oegstgeest Kohlbeck om de Broek-en Simontjes polder over te doen aan de buurgemeente Leiden. Dit plan heeft het niet gehaald. De redenering van Kolhbeck was: "Poelgeest heeft het geld niet om de Lange Voort met een brug over de Haarlemmervaart door te trekken naar de Broek- en Simontjespolder. De gemeente zou acuut tot de bedelstaf vervallen. Nu is het plan om tussen de twee gemeenten Leiden en Oegstgeest een convenant(overeenkomst) te sluiten om de nieuwe woonwijk van ruim 1000 huizen samen te ontwikkelen. Er komt landelijk weer leven in de brouwerij als in juni 1994 een rapport verschijnt onder de titel: "Woonwagenbeleid 20 jaar later halverwege". Minister van Binnenlandse Zaken de heer H.F.Dijkstal schrijft een brief op 28 oktober 1994 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-generaal. We citeren een zinsnede die van groot belang is voor wat in de volgende jaren gaat gebeuren: "De regering kiest ervoor de deconcentratie voort te zetten en af te ronden zoals die medio de jaren zeventig door parlement en regering is ingezet. De regering kiest hierbij voor een bredere invalshoek dan het tot nu toe gebruikelijke, louter volkshuisvestelijke invalshoek. Als men af zou willen wijken van de bestaande afspraken zal in overleg tussen regering, desbetreffende provincies en gemeenten per centrum een integrale knelpuntenanalyse moeten worden opgesteld. Het ministerie van VROM zal in alle gevallen een stimulerende en ondersteunende rol blijven vervullen bij de aanleg van nieuwe locaties ter vervanging van deze grote centra".

21 november 1994 heeft wethouder van Rij aan de bewoners van het Trekvaartplein het volgende toegezegd: "dat hij wil streven naar overeenstemming met de bewoners en dat hij daarom met de bewoners wil overleggen, voordat er onder zijn verantwoordelijkheid bouwplannen worden opgesteld en dat hij geen plannen zal doorzetten als de bewoners dat om duidelijke redenen niet willen"Begin januari 1995 gaan de overleggroep van het centrum Trekvaartplein en de gemeente Leiden proberen een nieuw plan op te stellen voor de toekomst van het kamp. De gedeputeerde mevrouw L.Stolker geeft een jaar de tijd voor het maken van zo'n alternatief plan. Het oude plan is het besluit van 1990 : 40 woningen en 40 standplaatsen. 26 april 1995 komt de staatssecretaris Tommel in een circulaire MG-95-13 waarin het standpunt van de regering nader wordt uitgewerkt. Aan de gemeenten wordt gevraagd om een knelpuntenanalyse te maken. Om onduidelijke redenen heeft de gemeente Leiden geen gebruik willen maken van de mogelijkheid om een knelpuntenanalyse te maken. Wel heeft de provincie van Zuid-Holland de gemeente Leiden gewezen op de noodzakelijkheid om zo'n knelpuntenanalyse te maken. Vanwege wethouders-waarnemingen in verband met de ziekte van wethouder van Rij en interne organisatorische vertraging is men in 1996 pas begonnen met het maken van een knelpuntenanalyse.

21 juni 1995 wordt een overeenkomst gesloten tussen drie gemeenten: Leiden,Oegstgeest en Warmond. Voor het bouwen van 1040 woningen in de Broek- en Simontjes polder heeft de gemeente Oegstgeest binnen de samenwerking bestuurlijk de eindverantwoordelijkheid en voor het resultaat van de exploitatie in het bijzonder de gemeente Leiden draagt voor de reconstructie bestuurlijk eindverantwoordelijkheid van het regionaal woonwagenkamp Trekvaartplein. Ook de gemeente Warmond heeft een inbreng in de ontwikkeling. De stuurgroep (Poelgeest) wordt gevormd door de wethouders Van Elsen (Oegstgeest), Van Rij (Leiden) en Van Wassenaar (Warmond). De projectleider is de heer van Valkenhoef. De bedoeling van het plan Nieuw Poelgeest is om voor het jaar 2000, 1040 woningen te bouwen in de Broek-en Simontjes polder en voor een deel in de Veerpolder. Het plan beoogt om het woonwagencentrum Trekvaartplein in tweeën te splitsen met elk 35 wagens. In het midden komt een blok van 47 woningen die twee verdiepingen hoog zijn. Om deze woningen komt een gracht. Ook moet er een groengebied over het Trekvaartplein komen, zodat de aanvlieg- en startroutes voor vogels gegarandeerd wordt.

 21 auqustus 1995 dient de heer J.Pruimboom namens de bewoners van het woonwagencentrum een bezwaarschrift in tegen het besluit van de provincie van 31 maart 1995 tot vaststelling van Provinciaal Woonwagenplan 1995-2000. Met name 40 woningen in plaats van standplaatsen. In een gesprek met de bewoners van het kamp op 30 oktober 1995 heeft de wethouder van Rij gezegd dat de regio gemeenten zouden worden aangesproken om mee te betalen in de kosten voor standplaatsen die de gemeente Leiden meer zal aanleggen als is voorzien in provinciaal woonwagenplan. Dit plan noodzaakt om nog eens 74 standplaatsen aan te leggen. In januari 1996 wordt er een structuurschets Nieuw Poelgeest gemaakt met als subtitel "wonen op een 21ste eeuwse buitenplaats". Over het kamp wordt het volgende gezegd: "Het centrum zal geïntegreerd worden in de verkavelings- structuur van de nieuwe woon~ijk. Er komen ook groene zones die onder meer dwars door het kamp gaan". 15 februari geven de bewoners als reactie op deze structuurschets dat er rekening moet worden gehouden met 122 standplaatsen en vragen een gesprek aan met Wethouder Van Rij. 17 februari wordt een inspraakavond in Leiden georganiseerd voor het het plan Nieuw Poelgeest. Op de vraag waarom wel moeten gaan wonen in een huis, gaven de bewoners als commentaar: "Als je een struisvogel vangt en je stopt 'm in een kooitje denkt u dan dat'íe gaat fluiten".20 februari komt wethouder van Rij naar het kamp om over de toekomst te praten. Hij belooft goed overleg en met het instellen van een ambtelijke werkgroep integraal woonwagenbeleid en het opstellen van een knelpuntenanalyse en een gesprek met de staatssecretaris. Het bezwaarschrift van J.Pruimboon wordt gegrond verklaard, zodat de provincie 26 maart 1996 aan de heer J.Pruimboom schrijft dat zij het besluit zullen herzien. Dit betekent: a. huisvesting in woningen dient duidelijk de wens van de betrokken woonwagenbewoners te zijn. b. duidelijk moet zijn dat de keuze van de betrokken woonwagenbewoners voor huisvesting in woningen niet bepaald is door het tekort aan goede standplaatsen (met andere woorden), het ontbreken van mogelijkheden om te kiezen voor een standplaats. Het aantal geplande standplaatsen voor de gemeente Leiden in plaats van 40 tenminste op 88 standplaatsen worden vastgesteld. 28 maart schrijft de inspecteur Volkshuisvesting aan GS dat Trekvaartplein dient te worden verkleind tot 40 standplaatsen. Omdat de gemeente Leiden geen gebruik heeft gemaakt voor het opstellen van een knelpuntenanalyse blijven de eerder gemaakte afspraken geldig. In een brief van 28 maart schrijven de bewoners aan wethouder van Rij: "25 maart 1996 komt een ambtenaar R. Slavenburg met tekeningen over de nieuwe standplaatsen op het Trekvaartplein. Ze hoeven niet meer terug te komen als ze geen tekeningen hebben voor 120 standplaatsen. Wij bewoners zijn niet verantwoordelijk voor de vertraging, want U zou immers december 1995 komen praten, nu al weer 4 maanden geleden. We willen daarom het gesprek met mevrouw de Jong op 16 april 1996 niet laten doorgaan". In een brief van de provincie aan de inspectie Volkshuisvesting Zuid-Holland van 24 april 1996 wordt gesteld dat op het Trekvaartplein 79 legale standplaatsen en 15 werkelijk overtallige illegale standplaatsen en 15 "papieren" boventallige illegale standplaatsen zijn

26 april 1996 schrijft wethouder van Rij aan de bewoners: "dat hij verbaasd en teleurgesteld is over de brief van 28 maart. Opzeggen van overleg brengt standpunten niet dichter bij elkaar en geeft zoals ook nu blijkt ongewenste vertraging in de samenwerking. Wij hadden toch afgesproken om een knelpuntenanalyse te maken. De stedenbouwkundige en medeopsteller van de structuurschets heeft mij gezegd dat er onvoldoende ruimte is voor 120 standplaatsen. Willen we komen tot een maximaal van 70 standplaatsen dan is deze analyse absoluut noodzakelijk om de staatssecretaris te overtuigen. Graag willen we dat U een nieuwe afspraak maakt met mevrouw de Jong."

7 juni 1996 schrijven de bewoners een reactie op de brief van wethouder van Rij van 26 april 1996: "De vertraging is ontstaan door toedoen van gemeente Leiden. Na de afspraak met de provincie op 23 januari 1995 is er wel contact geweest met U en uw waarnemer Hillebrand, maar dat heeft niet geleid tot gesprekken over de mogelijkheden voor het Trekvaartplein. Op het huidige grondgebied ( met de punt erbij) kunnen 120 standplaatsen worden gepland, die voldoen aan het bouwbesluit en bereikbaarheid volgens stedenbouwkundige richtpunten"

8 oktober 1996 is de eerste opzet klaar van de wordt een knelpuntenanalyse gemaakt "Trekvaartplein anders". Hierin wordt o.m. een reden gegeven waarom steeds het getal van 70 standplaatsen naar voren komt. "Het komt voort uit de beschikbare ruimte. Het centrum zou slechts een ingang hebben. Geen mens zal er toevallig binnengaan"(red. men vergeet daarbij te noemen dat er aan de zuidkant nog een ingang is voor fietsers en wandelaars en men is schijnbaar niet op de hoogte dat dagelijks vele burgers het kamp op komen zoals de SRV man, de bakker, de bezorgers van post en leesabonnementen etc . Ook zijn er burgers uit Leiden die in het clubgebouw Bingo avonden en andere activiteiten bezoeken. Ook gaan bewoners naar clubavonden van burgers).

12 november 1996 is er een inspraakavond over het plan Nieuw Poelgeest. Er zijn veel bewoners van het Trekvaartplein en ze brengen 17 bezwaren naar voren. Ook de steungroep bewoners Trekvaartplein sturen op 12 december 1996 een reactie op het plan Poelgeest aan de leden van de stuurgroep Poelgeest.

18 december 1996 sturen de bewoners aanvullende informatie op de eerste inspraakronde betreffende het plan Poelgeest aan de stuurgroep. De bewoners beklagen zich over het feit, dat er geen overleg is geweest, ondanks alle toezeggingen en beloften. "Wij zijn niet opgeroepen als klankbordgroep en de gemeente Leiden kan niets doen omdat in de stuurgroep wordt bepaald hoe het plan er uit zou moeten zien. Dit werkt niet".

In januari 1997 komt de stuurgroep Poelgeest met een antwoord op de inspraakreacties. Op pagina 9 komt de zin voor : "Wij zetten op dat verband in op 71 standplaatsen. Een uitgangspunt van 120 wagens is niet bespreekbaar. Een harde toezegging dat absoluut niemand tegen zijn wil verplaatst zal worden kunnen wij echter niet doen". 22 januari 1997 zeggen de bewoners van het Trekvaartplein aan de leden van de commissie Volkshuisvesting van de gemeente Leiden over het ontwikkelingsplan Poelgeest dat ze geen genoegen nemen met 70, maar willen 120 staanplaatsen.

25 januari hebben 22 van de 39 raadsleden het centrum bezocht, om van de bewoners te vernemen hoe zij denken over het plan Poelgeest: "Naar de dertig plaatsen voor woonwagens in Roomburg, die de gemeente de bewoners heeft aangeboden willen wij niet. Daar gaan we niet wonen. Dat is een afgedekte vuilnisbelt. Opbouwwerker Lou van Vliet hekelde het gebrek aan inspraak bij het maken van plannen voor de wijk Poelgeest. "De huidige bewoners zijn gewoon genegeerd. Maar je kunt niet met mensen sjouwen alsof het zakken zout zijn". Woonwagenbewoner Nelis van Esch kondigt aan dat het Trekvaartplein verwijdering van dertig woonwagens niet over zijn kant laat gaan. Als we nu weg moeten om ruimte te maken voor de Hoge Snelheid Lijn dan zouden we het nog niet eens zo heel erg  vinden, maar om plaats te maken voor andere huurders; dat pikken we niet"

4 februari 1997 wordt het ontwerp Poelgeest door de gemeenteraad van Leiden een motie van der Berg aangenomen. Interessant is het stuk dat door de burgemeesters van Leiden en Oegstgeest voor deze vergadering aan de raadsleden hebben gestuurd. Hieruit citeren we een aantal volzinnen die duidelijk laten zien hoe het plan Poelgeest in elkaar steekt. Pagina 2. Het was niet mogelijk gedurende het opstellen van het ontwikkelingsplan goed overleg met betrokkenen te voeren over de inhoud daarvan. De stuurgroep heeft uitdrukkelijk de inzet om bij de uitwerking van het ontwikkelingsplan tot concrete bouw- en inrichtingsplannen tot een goed inhoudelijk overleg te komen. Hierbij kan worden gedacht aan de inrichting van het Trekvaartplein. Pagina 5. De voorgestelde opzet voor het Trekvaartplein heeft overigens tot gevolg dat een relatief groot deel van de goedkopere woningen op Leids grondgebied zal worden gerealiseerd. Pagina 6. Dat wij bereid zijn tot nader overleg over de invulling van het Trekvaartplein binnen de daar genoemde randvoorwaarden. Pagina 9. Vanwege zowel de voorgeschiedenis als de omvang van de voorgestelde wijzigingen op het Trekvaartplein zal zeer veel aandacht aan overleg met de bewoners moeten worden besteed. Doordat vrijwel al de hiervoor genoemde punten van overleg niet voor de eerste bouwplannen behoeven te zijn afgerond is er voldoende tijd voor dat overleg.

20 februari 1997 wordt een nieuwe knelpuntenanalyse ontvangen. Vergeleken met die van 8 oktober 1996 is er weinig veranderd . Dezelfde tekst van de eerste nota wordt letterlijk herhaald: "Tal van bewoners die geen familierelaties hebben met een der overbezetters, storen zich aan dit uitdijen van de bevolking en het inpikken van het gemeenschappelijk groen. Dat komt de onderlinge verhoudingen en daarmee de rust en het leefklimaat niet ten goede" Bij navraag bij de overbezetters bleek dat zonder uitzondering het directe familieleden zijn van de bewoners van een officiele standplaats. Het is interessant om na te gaan hoe deze zin in knelpuntenanalyse terecht is gekomen. Dan komt het moment dat de Vereniging Trekvaartpleinbewoners op 27 februari 1997 wordt opgericht. Er wordt besloten niet meer met welke overheid dan ook, in overleg te gaan alvorens de~ garantie wordt gegeven door de 67 raadsleden van de drie betreffende gemeenten Leiden, Oegstgeest en Warmond dat nooit en nimmer tot gedwongen verplaatsing van de bewoners van het Trekvaartpleincentrum zal worden overgegaan.

8 april 1997 heeft de gemachtigde en belangenbehartiger van de Vereniging Trekvaartpleinbewoners de heer De Booij een gesprek gehad met de wethouders van de gemeente Leiden de heren J.Laurier en Tj.van Rij op het gemeentehuis in - de kamer van de burgemeester. Hij heeft namens de bewoners van het woonwagencentrum medegedeeld, dat slechts weer overleg mogelijk is tussen de bewoners van het kamp en de gemeente Leiden, als de schriftelijke garantie wordt gegeven, dat verplaatsing van woonwagenbewoners uitsluitend zal geschieden op basis van vrijwilligheid. Tevens heeft de heer de Booij de wethouders een brief van 13 maart 1986 laten lezen van 4 raadsleden van Leiden aan de burgemeester van Leiden de heer Goekoop, met de veelzeggende inhoud: "Wij willen U herinneren dat er in 1983 een motie unaniem door de raad aanvaard is, waarin stond dat verhuizingen uitsluitend op vrijwillige basis mogen geschieden. Wij willen u daarin verzoeken om met kracht stelling te nemen tegen, zeker in dit stadium, eventuele besluiten tot wegslepen te nemen". De wethouders waren niet op de hoogte van deze motie en naar hun weten was deze motie nooit door de Raad teruggenomen. De motie is aangenomen op 1 december 1983. De gewijzigde motie H55 van de heer De La Mar (behoud woonwagencentrum) luidt; "De Raad, gehoord het besluit van het college van B en W spreekt als haar mening uit dat de woonwagenbewoners van het Leidse woonwagenkamp uitsluitend op vrijwillige basis naar kleine kampjes in de regio moeten verhuizen; spreekt als haar mening uit dat het huidige Leidse kamp aan het Trekvaartplein gehandhaafd dient te blijven, en verzoekt dit standpunt ter kennis van de provincie, de regering en de Staten-Generaal te brengen". Eveneens deelde de heer de Booij mede, dat er 15 november 1984 een motie Eli Schijndel-Brosens door de provincie Zuid-Holland was aangenomen, waarin eveneens wordt gesteld,dat alleen gesleept mag worden op basis van vrijwilligheid. Ons is ter ore gekomen, dat burgemeester van Leiden kortgeleden gesprek heeft gehad met de bestuurders van de gemeente Oegstgeest over het wegslepen uitsluitend op basis van vrijwilligheid. Deze bestuurders waren wel genegen om zo'n verklaring te willen afgeven. Kortom het ziet er naar uit dat binnenkort, als de schriftelijke garantie, van zowel de provincie als van de gemeente Leiden wordt afgegeven, het bestuur van de Vereniging Trekvaartpleinbewoners het overleg met de gemeente Leiden weer zal hervatten. Uit dit alles wordt een ding heel duidelijk: de gemeenten Leiden, Oegstgeest zitten in tijdnood. Immers als er dit jaar geen paal de grond ingaat voor de bouw van ruim 1000 woningen in de Broek- en Simontjespolder, dan verliezen ze de rijkssubsidie van bijna 9 miljoen gulden. Vrijdagavond 2 mei jl. belde de Wethouder van Rij de belangenbehartiger van de Vereniging Trekvaartpleinbewoners op, met het verzoek of hij een concept van een brief, die B en W aan het bestuur van de Vereniging Trekvaartpleinbewoners mocht doorfaxen. In deze fax stond dat de motie van de Raad van december 1983 nog van kracht was dwz, dat er alleen verhuizing van woonwagens op vrijwillige basis kan geschieden. Dinsdagmiddag 6 mei jl. is tijdens een bijzondere ledenvergadering besloten om het overleg met de gemeenten Leiden, Warmond, Oegstgeest weer te hervatten, alleen op voorwaarde dat een duidelijke formulering wordt gegeven over de afspraak om alleen woonwagens te verhuizen op basis van vrijwilligheid, alsmede op welke manier en met wie het overleg zal worden gevoerd van de woonwagenbewoners.

Einde geschiedenis van het woonwagencentrum Trekvaartplein 1918-mei 1997 (Al eerder gepubliceerd als bijlage 2 in de nieuwsbrief van de Vliegende Egels

 .