Presentatie van het rapport Onderzoek naar het woonwagenbeleid in de Gemeente Den Haag woensdag 23 Juni 2004 15.00 uur in het Gemeentehuis Den Haag door de commissie De Haseth.
Tot onze stomme verbazing hoorden we van de media pas op dinsdag 22 juni van een presentatie van het rapport betreffende het Haagse woonwagenbeleid en in het bijzonder over de gedwongen verhuizing van het woonwagencentrum Leyweg december 2002. Bij navraag bij de gemeente kon men wel bevestigen, dat er zo iets van een presentatie was, maar waar en wanneer en of het openbaar was, kon men nog niet zeggen. Pas dinsdagmiddag kregen we te horen dat het openbaar was en dat het om 3 uur 's-middags in het Gemeentehuis zou plaatsvinden. Zo konden we de bewoners van dit feit op de hoogte brengen. Vreemd blijft het toch, dat de gemeente Den Haag de bewoners van het woonwagencentrum Noordweg/Jan Hanlostraat niet heeft ingelicht. Desondanks konden een twintigtal bewoners de presentatie van de Commissie De Haseth bijwonen op kamer 18 van de 4e verdieping. Het programma TV Zembla mocht van de presentatie opnamen maken voor een documentaire, die ergens in september zal worden uitgezonden. Ook de schrijvende pers was vertegenwoordigd, als ook een vrouwelijke radio reporter. Onder de aanwezige ambtenaren van de Gemeente konden wij waarnemen de manager bureau woonwagenzaken de heer van de Brom, als ook de heer Jagersma, de algemeen directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling ( DSO). De vergadering werd voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie de Heer Verheij. De voltallige commissie was aanwezig de heer De Haseth, de voorzitter, en de leden de heren Van Daalen en Tommel, alsmede de medewerksters van de commissie mevrouw Van der Vlies en mevrouw Oostvriesland.
De presentatie kon echter niet om drie uur beginnen, aangezien de wethouder Hilhorst aan wie het rapport zou worden aangeboden nog in een vergadering zat. Maar toen hij om kwart over drie binnen kwam, kon de presentatie beginnen en gaf de heer Verheij het woord aan de voorzitter van de commissie de heer De Haseth. Deze gaf een korte samenvatting van het rapport. Wat ons direct opviel was de milde ondertoon van zijn betoog, hetgeen waarschijnlijk de bedoeling had om twee partijen de gemeente Den Haag en de bewoners van het woonwagencentrum Noordweg/Jan Hanlostraat nader tot elkaar te brengen. Na zijn inleiding konden er vragen gesteld worden. Vier bewoners hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt door te vragen hoe het nu verder moet gaan met de bestuursdwang, dwz de inbeslagname van de wagens en de betaling van de absurde hoge kosten van de gedwongen verhuizing. Bij deze discussie over dit hete hangijzer, werd ook de wethouder Hilhorst betrokken. De bewoners willen wel in gesprek komen met de gemeente, maar dan moet eerst de bestuursdwang zoals die door de Gemeente is omschreven van tafel. Deze wordt als zo bedreigend gevoeld, dat een goed gesprek niet mogelijk is. Er lopen momenteel een aantal juridische procedures tegen de inbeslagname van de woonwagens. De vraag werd gesteld: " Moeten deze nog gewoon doorgaan?". Een van de commissieleden, de oud vice-president van het gerechtshof Den Haag de heer van Daalen gaf de wethouder Hilhorst een goede oplossing, namelijk door alle juridische procedures tijdelijk stil te leggen. De wethouder hield nog wat slagen om de arm, maar uit alles bleek duidelijk dat de deur van een goede communicatie, die zeven jaar potdicht heeft gezeten, nu door de wethouder op een kier werd gezet. Er waren duidelijk tekenen die er op wezen, dat de Gemeente uit is op een constructieve dialoog met de woonwagenbewoners. Dit gunstige resultaat mag volledig op de rekening geschreven worden van de Commissie De Haseth. Deze heeft bergen werk verzet en heeft bij de bewoners een bijzondere goede indruk gemaakt, omdat zij voor de eerste keer sinds december 2002 hun verhaal kwijt konden en een toegewijd oor vonden bij de leden van de commissie. Misschien zal er nu een eind komen aan alle ellende en overgegaan kan worden tot een normaal leven voor de bewoners en niet voortdurend in angst te moeten leven van wat de gemeente nu weer voor harde maatregelen gaat nemen.
De presentatie heeft ruim een uur geduurd. Er werd nog druk nagepraat door de bewoners met de Commissie leden, als ook met de ambtenaren van woonwagenzaken en de wethouder Hilhorst.
Zou er nu eindelijk een einde komen aan alle verschrikkingen, die de bewoners de afgelopen 17 maanden hebben meegemaakt?
-------------------------------------------------
Hieronder citeren we enkele delen uit het rapport van de Commissie De Haseth. Vooral die hoofdstukken die speciaal gaan over de gedwongen verhuizing. We hebben gemeend deze hoofdstukken geheel over te nemen om niet het gevaar te lopen te worden verweten van een zekere eenzijdigheid .De lezer kan daarom voor zich zelf een mening vormen over deze delen van het rapport.
Vet gedrukte tekst is de mening van de Commissie. Tevens hebben we aangegeven welke hoofdstukken we niet hebben overgenomen.
Balanceren op wielen

Onderzoek naar het woonwagenbeleid in de Gemeente Den Haag. Commissie De Haseth. Juni 2004
1. Inleiding ( niet overgenomen).
2. Samenvatting.
In opdracht van het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente Den Haag heeft de commissie onder voorzitterschap van
de heer drs. C.P. De Haseth een onderzoek uitgevoerd naar het gemeentelijk
beleid inzake woonwagens en naar het verloop en de afhandeling van de verhuizing
in december 2002 van woonwagens van de locatie aan de Leyweg naar de Jan
Hanlostraat.
De commissie heeft haar onderzoek verricht aan de hand van relevante dossiers,
ondermeer van de gemeente Den Haag, en informatie verkregen uit gesprekken met
personen die betrokken zijn of waren bij de totstandkoming en uitvoering van het
beleid en met bewoners en hun vertegenwoordigers.
Met de nota "Wonen op wielen in beweging" uit 1997 heeft de gemeente Den Haag
haar beleid inzake woonwagens vastgesteld, welk beleid gekenmerkt werd door
normalisatie en deconcentratie. De commissie stelt vast dat het beleid zoals
verwoord in deze nota van meet af aan onvoldoende is uitgevoerd.
Deconcentratie
De gemeente Den Haag heeft veel inspanning gepleegd om deze doelstellingen
te halen. De deconcentratieoperatie ligt op koers, twee van de drie grote
woonwagencentra werden vervangen door kleinere centra dan wel gerenoveerd. De
uitbreiding van het aantal standplaatsen voor woonwagens die daarmee gepaard
ging verdient waardering. De deconcentratie van het centrum aan de Leyweg is
echter minder soepel verlopen Een belangrijk deel van de bewoners
verhuisde vrijwillig naar nieuwe locaties, maar uiteindelijk moesten de laatste
bewoners onder bestuursdwang worden verhuisd om de locatie geheel te kunnen
ontruimen. Bij deze ontruimingsoperatie was er onvoldoende voorbereiding,
slechte communicatie met bewoners en in de uitvoering afwijkingen van de
planning. Daardoor zijn veel ad hoc beslissingen genomen en ontstond er meer dan
normale verhuisschade aan de
woonwagens. Bij de afhandeling van die schade is afgeweken van de binnen de gemeente
afgesproken
beleidsregels en is er willekeur opgetreden in de afhandeling. Op dit moment
zijn nog altijd niet
alle schades afgewikkeld.
De commissie beveelt aan met alle bewoners individuele gesprekken te voeren over
het voldoen
van achterstallige betalingen voor huur, energie en andere kosten, over de
betaling van de
kosten van de bestuursdwang en over het repareren van alle schades. Wanneer
bewoners niet
in staat blijken alle kosten te voldoen, zal door de gemeente hierover een
individuele regeling
worden getroffen.
Uit de ervaringen van deze verhuizing kan worden geleerd dat een strakkere
voorbereiding
(inclusief een volledige inventarisatie van alle te verhuizen wagens) en
intensieve betrokkenheid
van de bewoners en de toekomstige beheerders essentiële voorwaarden zijn voor
een goed
verloop van de verhuizing van de woonwagens op de laatste nog te deconcentreren
locatie.
Normalisatie
Van het normalisatiebeleid is in de afgelopen jaren weinig terechtgekomen.
Woonwagenbewoners zijn enerzijds te veel als groep in plaats van, zoals elke
andere burger, individueel behandeld en anderzijds is van de handhaving, bij
voorbeeld op gebied van incasso, openbare
orde en bouwregelgeving weinig terechtgekomen.
In het nieuw ontwikkelde beleid van de gemeente Den Haag is ruime aandacht voor
handhaving op alle terreinen. De commissie roept de gemeente op de uitvoering
daarvan consequent door te zetten. De commissie beveelt tevens aan om, in het
kader van het integrale beleid, regelmatig te evalueren en nader onderzoek uit
te voeren naar de effecten en resultaten van het beleid. In het nieuwe beleid is
aangegeven dat bewoners van woonwagens meer als individu
behandeld zullen worden en minder als groep. De commissie juicht dit van harte
toe.
De commissie benadrukt dat een goede communicatie van groot belang is. De
gemeente doet er goed aan extra aandacht te besteden aan de manier waarop de
schriftelijke communicatie met de woonwagenbewoners plaats vindt. De
correspondentie met de burger wekt soms de
indruk niet in de eerste plaats bedoeld te zijn om door de ontvanger begrepen te
worden, maar vooral rekening te houden met eventuele juridische kwesties die
eruit zouden kunnen voortkomen.
Beheer en overdracht van centra aan woningcorporaties
Ten aanzien van de opzet en inrichting van woonwagencentra adviseert de
commissie aanzienlijk kleinere centra te ontwikkelen die bovendien minder
geïsoleerd liggen en goed toegankelijk zijn. Op woonwagencentra zijn geen
bedrijven gevestigd. Mede gezien de beperkte ruimte binnen de gemeente Den Haag,
zal de planning van nieuwe centra binnen de regio Haaglanden plaats moeten
vinden. Koop van de standplaats door de bewoner, dan wel het in erfpacht geven
van de grond zou tot de mogelijkheden
moeten behoren.
Ten aanzien van het beheer beveelt de commissie aan dit in handen van de
woningcorporaties te geven. Het beheer van deze 'woongelegenheden' sluit
prima aan bij de doelstelling van corporaties. Overdracht zou moeten gebeuren
aan de hand van de checklist en aanbevelingen uit de gezamenlijke brochure van
Aedes en VNG, hetgeen betekent dat overdracht alleen mogelijk is wanneer er
sprake is van een normale situatie.
De commissie beveelt aan het geschil omtrent de overdracht met de corporaties op
korte termijn te beslechten, door bindend advies of arbitrage overeen te komen.
Is de situatie in Den Haag anders dan bij andere
gemeenten?
Uit onderzoek bij andere gemeenten blijkt dat daar een vergelijkbare
problematiek speelt. Uit de ervaringen elders in het land is te leren dat het
consequent handhaven en een goede communicatie essentiële voorwaarden zijn voor
een goede uitvoering van het beleid ten aanzien
van woonwagens. AIs de gemeente Den Haag er in slaagt die twee voorwaarden echt
in te vullen, loopt zij daarmee voorop.
De problematiek inzake woonwagens heeft de nodige aandacht van zowel de
politieke en bestuurlijke organen als van de media en het algemene publiek.
Daarin speelt mee het gevoel dat regels, normen en waarden strenger dienen te
worden nageleefd en dat er minder ruimte
mag zijn voor het gedogen van afwijkende situaties.
De commissie is herhaaldelijk gestuit op meldingen van bedreiging of intimidatie
door bij de verhuizing naar de Jan Hanlostraat betrokken woonwagenbewoners.De commissie
keurt elk gedrag dat kan worden beschouwd als bedoeld om de ander te intimideren
en hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden te belemmeren met kracht en ten
stelligste af.
Tevens
constateert de commissie dat het gevaar bestaat dat de rationele objectiviteit
in het gedrang komt waar het gaat om de opstelling van de gemeente tegenover
bewoners van woonwagencentra. De commissie betreurt dit ten zeerste.
Er zal
alles aan gedaan moeten worden om met alle betrokkenen op een open en
constructieve
vorm te geven aan de nieuwe kaders en omgangsvormen, zonder steeds rekening te
moeten houden met de belasting van het verleden.
Het gemeentelijke woonwagenbeleid is als balanceren: het steeds opnieuw zoeken
naar een
evenwicht tussen respect voor de eigenheid en gelijke behandeling van alle
burgers. Voor
woonwagenbewoners is het een balanceren tussen begrip voor de positie van de
gemeente en 'burgers' en het zelf begrepen willen worden.
3. Uitgangspunten van het gemeentelijk
woonwagenbeleid (niet overgenomen)
4. De deconcentratie van de locatie Leyweg
(De hoofdstukken 4.1.en 4.2 gaan over de voorbereiding van de verhuizing. We hebben alleen de mening van de commissie - de vetgedrukte passages - weergeven, omdat het anders te lang van stof wordt)
De commissie is van oordeel dat de gemeente Den Haag op het gebied van
deconcentratie voldoende uitvoering heeft gegeven aan de nota 'Wonen wielen in
beweging' door het renoveren van oude woonwagencentra en aanleggen van nieuwe.
Zij constateert echter wel dat er in het proces van vrijwillige verhuizingen
vanaf 1998 gebrek aan transparantie is ontstaan zoals heldere regels over de
hoogte van en de voorwaarden verbonden aan de verhuisvergoeding. Door de
verslechterde verhoudingen tussen bewoners en de gemeente Den Haag, heeft de DSO
gezocht naar andere mogelijkheden om de verhuisvergoeding uit te kunnen keren.
Hierbij is een extern expertisebureau ingeschakeld. Ondanks vele geruchten over
onrechtmatigheden heeft de commissie kunnen vaststellen dat er afspraken waren
met het expertisebureau en dat de betalingen, voorzover de commissie heeft
kunnen vaststellen, ook verantwoord zijn.
Al met al is te constateren dat in deze periode de relatie tussen de bewoners aan de Leyweg en de gemeente Den Haag ernstig is verslechterd, ondanks de opdracht van de gemeente tot het opschorten van de verplaatsing en extra onderzoeken naar de brandwerendheid van sanitaire units en draagkracht van de standplaatsen. De gemeente onderkende kennelijk de bezwaren van de bewoners, maar is hieraan niet volledig tegemoetgekomen. De uitspraak van de bestuursrechter gaf de gemeente uiteindelijk voldoende houvast de verplaatsing van de laatste bewoners aan de Leyweg doorgang te laten vinden. Hierbij werd echter niet uitgesproken op welke wijze deze verplaatsing concreet diende te worden ingevuld. Met andere woorden een vrijwillige of geregisseerde verhuizing dan wel het verplaatsen onder bestuursdwang waren mogelijk om de bewoners zo spoedig mogelijk op de nieuwe locatie te krijgen.
Ten aanzien van deze laatste periode in aanloop naar de daadwerkelijke
verplaatsing naar de Jan Hanlostraat komt het de commissie voor dat vanuit de
DSO tot het laatste moment is getracht te komen tot een vrijwillige verhuizing.
De bereidheid tot volledige onvoorwaardelijke medewerking van alle bewoners aan
een vrijwillige verhuizing is in de communicatie met de (advocaat van de)
bewoners niet verkregen. De commissie sluit niet uit dat de advocaat van de
bewoners bij zijn cliënten tot in een laat stadium de indruk heeft laten bestaan
dat blijvend vasthouden aan hun eisen en verlangens tot een voor hen gunstige
onderhandelingsresultaat zou kunnen leiden, waardoor de gemeente op haar beurt
de indruk heeft gekregen dat de bewoners eigenlijk in het geheel niet van zins
waren aan een vrijwillige verhuizing alsnog hun medewerking te verlenen. In de
getroffen voorbereidingen is deels uitgegaan van een vrijwillige verhuizing,
zoals af te leiden uit het feit dat er onvoldoende rekening is gehouden met
eventuele schaden aan de wagens, zowel in een financiële raming, de procedure
van afhandeling ervan als in het niet afsluiten van een voldoende dekkende
verzekering. Tevens is er getracht door zowel de DSO als door het eerder
ingehuurde expertisebureau via minnelijk overleg te komen tot een vrijwillige
mogelijke oplossing, maar de gemeente is hier niet op ingegaan. De invulling aan
de verplaatsing, zoals omschreven in het opgestelde draaiboek, duidt op
uitgangspunten van een gedwongen verhuizing, zoals de grote inzet van politie en
ME en de verleende machtigingen tot binnentreden tegen de wil van de bewoner in.
Kort voor de dag van de verplaatsing werd de term
geregisseerde verhuizing geïntroduceerd, aangezien de bewoners aan een aantal voorwaarden moesten
voldoen, wilden zij de bestuursdwang niet tot uitvoer laten komen en wilden zij
in aanmerking komen voor een vergoeding. De termijn die gesteld werd om
kenbaar te maken dat de bewoners hieraan wilden voldoen, verdient echter geen
schoonheidsprijs.
De commissie constateert dat er in de aanloop naar de verplaatsing van de Leyweg
naar de Noordweg/Jan Hanlostraat een verschillend beeld (vrijwillig, onder regie
van de gemeente, bestuursdwang) is ontstaan over de aard en het gewenste verloop
ervan, zowel binnen de gemeente Den Haag als in de communicatie van de gemeente
naar de advocaat van de bewoners.
Opvallend is dat in het draaiboek inventarisatie van de wagens op de oude locatie niet ter sprake komt.
In het algemeen is het draaiboek een weloverwogen en zorgvuldig opgesteld stuk,
waarin echter de operationele kant van de verhuizing onvoldoende belicht is. De
commissie sluit zich dan ook aan bij de al getrokken bestuurlijke conclusies uit
februari 2003 (DSOI2003.326).
Zij kan zich in het bijzonder vinden in de aanbeveling dat de voorbereiding van
grootschalig optreden door de gemeente op de volgende onderdelen aangescherpt
dient te worden :
- bij grootschalige acties moet vooraf (meer) rekening worden gehouden met
onvoorziene omstandigheden en/of het planmatig kunnen voorzien in
noodzakelijk te treffen, extra maatregelen/voorzieningen;
- in dat verband dient aandacht te worden gegeven aan de organisatie en
kwaliteit van de gemeentelijke communicatiefunctie alsmede aan de taakverdeling
tussen het strategisch en operationeel (dienst)management;
- naast de inhoudelijke en organisatorische aspecten van dit soort operaties
dient vooraf afzonderlijk aandacht te worden gegeven aan de financiële aspecten
ervan, in de vorm van een realistische raming van de kosten.
4.3
Uitvoering
De verhuizing van de Leyweg - de Noordweg/Jan Hanlostraat
De uitvoering start met het besluit dat conform het draaiboek op 11 december
2002 om 9.00 uur
de operatie van het laatste gedeelte van de deconcentratie van de Leyweg van
start gaat.
Inboedel inpakken. Het inpakken van de inboedel verloopt chaotisch. Daar de bewoners in de
veronderstelling
waren vrijwillig te verhuizen, waren enkelen al begonnen met inpakken. In een
aantal gevallen
moest weer uitgepakt worden.
Andere bewoners stelden het inpakken uit, aangezien zij volgens het
plaatsingsplan verder in de
tijd zouden verhuizen. AI met al was er onvoldoende helderheid over de
verantwoordelijkheden
van de verhuizer en de bewoners over het inpakken van persoonlijke bezittingen,
inboedel en
overige spullen in garageboxen en schuren. Resultaat hiervan is dat tot op heden
onduidelijkheid bestaat over vermiste goederen.
Inventarisatie van de wagens. De verhuizer zag bij aankomst op de Leyweg hoe de daadwerkelijke situatie van de wagens was. De luchtfoto en metingen van de wagens door de beheerder bleken voor de verhuizing onvoldoende en in een aantal gevallen zeIfs onverantwoord om als basis voor de.verplaatsing te dienen. Een van de uitgangspunten van de verplaatsing was dat de Leyweg compleet moest worden ontruimd en moest worden ontdaan van obstakels. Ondanks het feit dat sommige wagens te groot waren voor de voorzieningen, illegaal op de oude locatie stonden en het aantal wagens groter was dan verwacht, zijn alle wagens verplaatst naar de nieuwe locatie.
Transport.Het transporteren over de weg van ene locatie naar de ander verliep zonder hinder. Hierbij zette politie de weg enige tijd af.
Uitladen. Om de wagens te kunnen vervoeren zijn er onder de wagens onderslagbalken
geplaatst. Bij het
uitladen en plaatsen zijn bij een aantal wagens deze balken niet verwijderd.
Plaatsen. Na overleg met de bewoners is een lichte wagen op een verzwaarde standplaats
terecht
gekomen. Hierdoor is ook zeker één zware wagen op een niet verzwaarde
standplaats gezet.
Aansluiten. De weersomstandigheden, met de extreem lage temperatuur, hadden nadelige gevolgen voor het aansluiten van de installaties. Bovendien was er bij de aanleg van het centrum geen rekening gehouden met afwijkende wagens in relatie tot het aanleggen van verwarming en water- en elektriciteitleidingen.
Controle. Alle wagens zijn van binnen en van buiten vastgelegd op film en foto, bij aanvang van de verhuizing, tijdens de verhuizing en bij plaatsing van de wagen. Deze vastlegging verliep echter chaotisch, waardoor achteraf het overzicht verloren is geraakt.
Overdracht. Aangezien een aantal leidingen kapot
was gegaan door de vrieskou kon de verhuizer de aansluitingen niet testen.
Bovendien wilde het energiebedrijf pas leveren nadat het contract met de bewoner
getekend was. Hierdoor liep de overdracht niet zoals gepland.
Volgens diverse betrokkenen is er geen overdracht en oplevering van de wagens
geweest. De processen verbaal die hiervoor zijn opgesteld zijn niet ten tijde
van de verhuizing aan de bewoners verspreid en door hen ondertekend. Ook hier
speelden de weersomstandigheden
een grote rol.
Betrokkenen/verantwoordelijken. Er werd al op de eerste dag van de verhuizing op een aantal wezenlijke punten afgeweken van het draaiboek. Zo wordt er in overleg met bewoners besloten in een aantal gevallen af te wijken van het plaatsingsplan zoals dat in het draaiboek was opgenomen. Ook bleek er onvoldoende voorzien in de benodigde menskracht, zowel vanuit de gemeente als vanuit de verhuizer. Hierdoor ontstond er een ad hoc situatie, waarin betrokkenen flexibel moesten optreden en improviseren en daardoor afweken van het draaiboek.
Bewoners. Voor de meeste bewoners kwam de overmacht aan politie en de aanzegging van bestuursdwang als een verrassing, hoewel zij waren geïnformeerd over de ophanden zijnde verhuizing. Hierdoor hadden niet alle bewoners hun wagen verlaten op het moment dat de verhuizer de inboedel moest inpakken.Hoewel de sfeer grimmig was, hebben de bewoners weinig daadwerkelijk verzet getoond; wel hebben verhuizers last gehad van beledigingen door bewoners. Bovendien verslechterde de stemming nog verder doordat het koude weer en de duur van de 'operatie' op het gemoed van de bewoners ging werken. Na de onteigening van de wagens konden de bewoners ten tijde van hun verhuizing niet in hun eigen wagen terecht. Aangezien er onvoldoende voorzieningen waren getroffen en de bewoners weinig persoonlijke bezittingen mee hadden genomen zoals lijfgoed, leidde dat voor sommigen tot schrijnende situaties.
Werktermijn. De verhuizer had bij aanvang van de
verplaatsing door miscommunicatie onvoldoende bemensing voor een werkgang van 24
uur per dag. Hierdoor werd er in de eerste dagen vertraging opgelopen. De meeste
wagens waren niet in een dag 'over'. Er was echter onvoldoende voorzien in
hotelaccommodatie voor de bewoners die meer dan een nacht niet in hun wagen
terecht konden.
Overig. De politie had ervoor gekozen een grote hoeveelheid politie en ME
in te zetten.Onder de aanwezigen op de oude locatie waren ook raadsleden van de
gemeente Den Haag. Aan sommige bewoners, die vanwege professionele redenen het
ontruimde terrein op moesten,
werden toegangspasjes verstrekt. Dat leidde bij de overige bewoners tot onvrede
en onduidelijkheid.
Bij de uitvoering van de gedwongen verhuizing kunnen enkele kanttekeningen
worden gemaakt. Volgens deskundigen was de gestelde termijn waarbinnen de
verhuizing geklaard moest zijn te kort om tot een zorgvuldige uitvoering, dat
wil zeggen met zo min mogelijk schade aan de wagens, te komen. Doordat reeds op
de eerste dag van de operatie is afgeweken van het draaiboek, heeft de
verhuizing vertraging opgelopen. De commissie gaat ervan uit dat het niet volgen
van het draaiboek met de beste bedoelingen is gebeurd, vanuit de wens om de
indeling meer in overeenstemming met de bewoners te brengen. Resultaat was wel
dat een van de lichtste wagens op een van de weinige verzwaarde plekken van
nieuwe locatie terecht is gekomen. Een van de grotere wagens is neergezet op een
standplaats die daarop niet berekend was.
Bovendien constateert de commissie dat er ook ten aanzien van het verwijderen
van illegale woonwagens is afgeweken van het draaiboek. Zo was een aantal
uitvoerenden overtuigd van het in het draaiboek opgenomen uitgangspunt dat de
Leyweg volledig leeg moest worden opgeleverd.
Tevens is het uitgangspunt dat niet vergunbare wagens zouden worden opgeslagen
niet uitgevoerd. Hierdoor staan momenteel ook de niet vergunbare wagens op de
nieuwe locatie, zonder de mogelijkheid alsnog een vergunning te krijgen, maar
ook, naar het zich laat aanzien, zonder dat de gemeente ze kan verwijderen; zij
heeft ze immers daar doen neerzetten. Ten aanzien van de voorbereiding van de
verhuizing is de commissie van mening dat de logistieke en personele organisatie
van de 'operatie' ernstig is onderschat, waardoor er sprake was van veel
improvisatie en ad hoc beslissingen tijdens de uitvoer ervan door alle
betrokkenen. Ook de weersomstandigheden en de tijdsdruk hebben bijdragen aan het
niet strak volgen van het draaiboek. In het bijzonder moet het, naar oordeel van
de commissie en veel van haar gesprekspartners, als een ernstige tekortkoming
worden aangemerkt dat er voor aanvang van de verplaatsing geen volledige schouw
is gehouden op de oude locatie, waarbij de te verhuizen wagens konden worden
gemeten en de verhuizer de gelegenheid kreeg op te nemen wat voor verschillende
wagens hij diende te verhuizen. Ook het feit dat er na afloop van de
verhuizing geen integrale evaluatie heeft plaatsgevonden, ziet de commissie als
een tekortkoming, zeker in het licht van de nog op handen zijnde deconcentratie
van de Escamplaan.
4.4 Nasleep
4.4.1 De procedure van schadeafhandeling
Tot maart 2003 werd er binnen de DSO volgens de volgende uitgangspunten voor de
afhandeling van schades gehandeld:
. inventariseren van de aard en omvang van de schade;
. de oorzaak van de schade nagegaan;
. de eventuele aansprakelijkheid van de gemeente vaststellen en de eventuele
verhaalsmogelijkheid bij derden bepalen;
. overgaan tot reparatie, waarbij de te maken kosten afhankelijk zullen worden
gesteld van de betaling van de (later vast te stellen)
bestuursdwangkosten.
Uitzonderingen hierop vormden de zogenaamde noodreparaties die onontkoombaar
werden geacht en die bij voorrang moesten worden uitgevoerd. Hierbij valt te
denken aan lekkages, uitval van verwarming e.d. Bij deze schades is afgezien van
het laten opstellen van
schaderapporten. Deze procedure is echter niet schriftelijk vastgelegd of
opgenomen in het draaiboek van de verplaatsing.
De noodreparaties. De ingehuurde experts hebben geconstateerd dat tijdens het verplaatsen van de wagens een aantal daarvan (ernstige) schade had opgelopen. Het bureau risicomanagement had de taak om de inboedelschade en overige schade in behandeling te nemen. De meeste kleine reparaties aan de wagens werden dan ook op korte termijn na de verplaatsing verricht (voornamelijk beschadigingen aan verwarmingen en airco's). Voor vier wagens werden reparaties vergoed die ten onrechte als noodreparaties werden aangemerkt. Na overdracht aan de dienst BTD (eind maart 2003) blijkt dat het hier niet ging om de vergoeding van noodreparaties, maar om de eerste aanbetaling van een totaal herstel. In mei 2003 werden ook de tweede termijn betalingen goedgekeurd en verricht.
De overige reparaties. Vanaf februari 2003 heeft de DSO een
expertisebureau ingehuurd om ten behoeve van de gemeente de aard, omvang en
oorzaak van de schade vast te stellen. Bij uitvoering van de opdracht
constateerde het expertisebureau dat bij alle gemelde schades belanghebbende
bewoners reeds een offerte hadden aangevraagd aan een wagenbouwer/reparateur.
Deze offertes zijn door het expertisebureau beoordeeld en in aanwezigheid van de
manager woonwagenzaken besproken met de wagenbouwer. Dit leidde in al die
gevallen tot een forse
neerwaartse bijstelling van de schade/reparatiekosten. De herziene offertes zijn
-met uitzondering van één- door het expertisebureau gezien en voor akkoord
getekend. Vanaf eind maart 2003 was de directeur BTD verantwoordelijk voor de
afhandeling van de schades. Hij constateerde dat het voor een aantal wagens meer
rendabel was (nood)reparaties te laten samenvallen met daadwerkelijke
herstelwerkzaamheden. Alle interne uitgangspunten zoals gehanteerd door de DSO
zijn vanaf dat moment losgelaten. Ook werd duidelijk dat een aantal wagens voor
een groter bedrag beschadigd was dan de toenmalige dagwaarde. Diverse experts
hebben de gemeente aanbevolen een aantal oude wagens niet te herstellen, maar te
vervangen door nieuwe wagens. Hieraan is, op één uitzondering na, geen gevolg
gegeven.
Over het algemeen zijn de uitgekeerde schadeposten te verantwoorden op basis van
taxatierapporten. Schade aan één wagen ten bedrage van euro 171.000,- werd
uitgekeerd zonder dat de offerte was voorgelegd aan de taxateur. Kennisnemend
van dit bedrag heeft de taxateur
ernstige bedenkingen geuit over de hoogte van het bedrag. In de meeste gevallen
krijgt de reparateur opdracht van de DSO de schade te herstellen na overleg met
het ingehuurde expertisebureau. De volgorde waarin de schadereparaties zijn
toegekend lijkt echter willekeurig.
De commissie heeft de indruk gekregen dat er in de betalingen van de schades
willekeurig is gehandeld door de gemeente, waarbij de frequentie van
aanwezigheid van de bewoner en zijn vasthoudendheid een rol speelden. Daarnaast
is zij ervan overtuigd dat door het verplaatsen van oude wagens en het niet
vervangen hiervan, de gemeente de schade onnodig heeft doen oplopen.
Eind 2003 bleek dat er door de DSO en FAD betalingen waren verricht voor
schadereparaties aan 13 wagens. De constatering hierbij is dat deze
schadereparaties op een eerder tijdstip zijn uitgevoerd dan de afgesproken
procedure voorschreef. Hierna heeft de algemeen directeur van de DSO besloten de
eerder afgesproken werkwijze weer op te pakken, vanwege de volgende redenen:
. er was volgens de DSO sprake van grote verschillen tussen taxaties en
offertes;
. door het extern expertisebureau is in november 2003 geconstateerd dat haar
taxatie gedateerd respectievelijk achterhaald is;
. er is geen duidelijkheid over de oorzaken van de ontstane schade, zodat de
aansprakelijkheid ook niet helder is;
. de kosten bleken fors uit de hand te lopen.
Hiertoe wordt onder andere een definitief schaderapport opgesteld door een
derde, waarin ook de oorzaak van de schade (verhuizing of anderszins) wordt
vastgelegd. De hierboven omschreven werkwijze werd tijdens een bijeenkomst in
december 2003 gecommuniceerd met
de bewoners van de Jan Hanlostraat.
In maart 2004 werd besloten de volgende lijn inzake de
vergoeding van de schade te volgen:
. de herstelkosten worden vergoed indien ze lager zijn dan de gebruikerswaarde
op de dag voor de verhuizing;
. indien de herstelkosten hoger zijn dan de gebruikerswaarde op de dag voor de
verhuizing, dan wordt de gebruikerswaarde vergoed.
De commissie constateert dat de afspraken over de afhandeling van schades niet
schriftelijk zijn vastgelegd, maar wel binnen de betrokken organisatie bekend
waren. In de periode tot maart 2003 is er, met uitzondering van bovengenoemd
voorbeeld, volgens deze gedragslijn gehandeld. Na maart 2003 is deze gedragslijn
geheel verlaten, zonder dat hiervoor aannemelijke redenen waren en zonder
datdaarvan melding is gemaakt aan de bestuurlijk verantwoordelijke. Toen de
omvang van het financiële beslag helder werd (najaar 2003), heeft de algemeen
directeur van de DSO nader onderzoek laten verrichten. Dit heeft ertoe geleid
dat er is teruggekeerd naar de oorspronkelijke gedragslijn. De commissie is er
van overtuigd dat de geschetste gang van zaken er tot het najaar van 2003 toe
heeft geleid dat de kosten van de schadeafhandeling onnodig hoog zijn
uitgevallen.
4.4.2 De bestuursdwangkosten
Vanaf december 2003 heeft de gemeente een start gemaakt met het aanschrijven
van de bewoners in verband met de bestuursdwangkosten. In een bijeenkomst op 8
december 2003 zijn de bewoners hierover geïnformeerd. Gesteld werd dat de
rekeningen nu pas konden worden
verstuurd, omdat eerst tot een vergelijk moest worden gekomen met
transporteur/verhuizer over de verplaatsingskosten.
Op advies van de gemeenteadvocaat over de te hanteren verdeelsleutel en de vraag
of er aanleiding was het kostenverhaal te matigen, werd besloten een
kortingspercentage van 15% toe te passen. De DSO geeft hiervoor de volgende
redenen :
. er is geen sprake van gespecificeerde kosten van de verplaatsing per
woonwagen;
. er is onder tijdsdruk gewerkt;
. de weersomstandigheden.
In maart 2004 neemt het college het besluit inzake de bestuursdwangkosten, dat
de betreffende bewoners van de Jan Hanlostraat op individuele basis uitgenodigd
worden voor een gesprek met de ambtenaren van de gemeente, waarin de
schadeafwikkeling wordt bezien in samenhang
met het verhalen van de kosten van bestuursdwang en eventuele andere vorderingen
die de gemeente op hen heeft.
De commissie constateert dat ten aanzien van de bestuursdwangkosten de
volgende redenering is aangehouden.
In de periode tot 1998 heeft de gemeente vrijwillige verhuizing geregisseerd,
waarbij de verhuiskosten gemiddeld f 50.000,- per wagen bedroegen. De
bewoners kregen ter compensatie een vergoeding van f 4.500,-. In de periode
vanaf 1998 zijn bewoners vrijwillig en zelfstandig verhuisd, waarbij hen een
individuele ruime verhuiskostenvergoeding is verstrekt. Bij de verplaatsing naar
de Leyweg was het inschakelen van een professioneel transportbedrijf
noodzakelijk, wat de verhuiskosten verhoogde. Aangezien de verhuizing
uiteindelijk onder bestuursdwang is verlopen, komen de verplaatste bewoners niet
in aanmerking voor een individuele vergoeding en worden alle gemaakte
verhuiskosten op hen verhaald. Het is de commissie niet duidelijk geworden of de
bewoners hiervan voldoende doordrongen waren.
Tevens is vastgesteld dat bij de verhuizing aanzienlijke schade is toegebracht
aantal van wagens. In een aantal gevallen is deze door de gemeente vergoed, in
een aantal gevallen niet, maar zijn de schades wel door de gemeente erkend. Die
schade wordt echter verrekend met de kosten van de bestuursdwang. Van de eerste
groep zal naar alle waarschijnlijkheid de gemeente in het merendeel van de
gevallen, nooit de volledige kosten van de bestuursdwangterugzien, aangezien de
meeste bewoners die hoge kosten niet kunnen betalen. Deze situatie wringt en is
aan de tweede groep bewoners niet uit te leggen. Zolang hiervoor geen oplossing
komt, is volgens de commissie een zekere mate van verzoening onmogelijk.
5. Toekomstig beleid (niet overgenomen)
6. Onderzoeksvragen en aanbevelingen
6.1. Algemene opmerkingen
6.1.1 Verzakelijking
De problematiek inzake woonwagens heeft niet alleen in Den Haag, maar ook elders
in het land de nodige aandacht van zowel de politieke en bestuurlijke organen
als van de media en het algemene publiek. In niet onbelangrijke mate speelt
hierbij mee het allengs gegroeide, thans vrijwel algemeen gevoelen in de
maatschappij dat regels, normen en waarden strenger dienen te worden nageleefd
en dat er minder ruimte mag zijn voor het gedogen van, van de norm en
regelgeving afwijkende situaties. De commissie constateert dat met name vanwege
de media-aandacht voor deze maatschappelijke verharding in het algemeen,
gecombineerd met de aandacht voor gemeentelijke acties in woonwagengebieden, het
gevaar bestaat dat de rationele objectiviteit in het gedrang komt waar het gaat
om de opstelling van de gemeenschap tegenover bewoners van woonwagencentra. De
commissie betreurt dit ten zeerste. Zoals de commissie onherroepelijk
onderschrijft dat alle burgers gelijk behandeld moeten worden door de overheid,
meent zij dat aan de keerzijde van voorkomen moet worden dat een correctie van
in het verleden bewust of onbewust situaties leidt tot een onterechte
stigmatisering van een bevolkingsgroep. Een dergelijke stigmatisering is niet
alleen emotioneel voor betrokkenen pijnlijk, zij kan ook de nagestreefde
integratie van de groep in de gemeenschap ernstig belemmeren. Belemmeren door
bij de groep gevoelens van 'buitengesloten' te worden te bevorderen en daarmee
de bereidheid tot een actieve deelname aan de maatschappij te ontmoedigen,
alsook aanleiding te geven tot, weliswaar tot op zekere hoogte begrijpelijk,
maar daarom niet minder ongewenst, verzet tegen normalisatie en integratie in de
gemeenschap. Er zal dan ook alles aan gedaan moeten worden om in gezamenlijkheid
met alle betrokkenen op een open en constructieve wijze de nieuwe kaders van het
met elkaar omgaan vorm te geven,zonder steeds rekening te moeten houden
met de belasting van het verleden.
6.1.2 Agressie
Zowel bij het dossieronderzoek als bij de gehouden interviews is de
commissie herhaaldelijk gestuit op meldingen van bedreiging/intimidatie, van
onder meer medewerkers van de gemeente en de woningcorporaties, door
woonwagenbewoners. in een aantal gevallen is er
aantoonbaar sprake geweest van fysiek geweld of van dermate zware psychische
druk dat het slachtoffer zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft kunnen
uitvoeren en in een enkel geval zich zelfs heeft moeten terugtrekken van de
werkzaamheden.
In het verlengde hiervan beveelt de commissie aan, met inachtneming van de
continuïteit, een personeelsbeleid te voeren dat erop gericht is medewerkers in
het frontoffice niet te lang op dezelfde positie te laten opereren. De commissie
keurt elk gedrag, dat kan worden beschouwd als bedoeld om de ander te
intimideren en hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden te belemmeren, met
kracht en ten stelligste af. In een normale, zichzelf respecterende gemeenschap
is er geen plaats voor enige vorm van bedreiging.
De commissie heeft met instemming kennisgenomen van het duidelijke standpunt van
de gemeente Den Haag om in alle gevallen van bedreiging van medewerkers van de
gemeente daar onmiddellijk aangifte van te doen. De indruk die in het verleden
bij sommigen -terecht of
ten onrechte- heeft bestaan dat men onvoldoende gesteund werd door de leiding
wordt daarmee weggenomen.
Voorzover de commissie heeft kunnen nagaan, heeft het in het verleden ontbroken
aan een helder en consistent beleid waar het betreft het optreden in gevallen
van bedreiging of agressief of intimiderend gedrag. Dat heeft ertoe bijgedragen
dat in een aantal gevallen het slachtoffer
ervoor gekozen heeft af te zien van het doen van aangifte.
De commissie kan zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het feit dat
bedreiging of intimidatie plaats heeft gevonden door sommigen, wellicht ook als
excuus, is gebruikt om bepaalde acties na te laten of werkzaamheden niet uit te
voeren. Hoe begrijpelijk dit ook moge zijn, het regulier en rechtmatig optreden
van de gemeente hoort niet be'invloed te worden door een dergelijk gevoelsmatig
handelen van medewerkers.
6.1.3 Communicatie
De commissie beseft dat de manier van communiceren mede bepaald wordt door de in
een bepaalde groep gebruikelijke omgangsvormen en de cultureel bepaalde manier
van het zich uitdrukken in houding, gebaar en woord. Daarnaast hebben de nadruk
die in onze tijd gelegd wordt op assertiviteit (zeker ten aanzien van de
overheid), alsmede de invloed
van de moderne communicatiemiddelen bijgedragen tot een zekere mate van
verruwing van de omgangsvormen. Dit betekent dat de grens tussen
bedreiging/intimidatie en in die specifieke omstandigheid
'normaal' gedrag niet altijd voor een ieder duidelijk zal zijn en dat er een
extra beroep wordt gedaan op het inschattingsvermogen van betrokkenen. De
commissie heeft inderdaad gemerkt dat wat de een als een regelrechte bedreiging
beschouwt, door de ander niet als zodanig wordt ervaren, waardoor verwarring kan
ontstaan die onnodig tot escalatie kan leiden. Zolang er verschillen bestaan in
omgangsvormen, zal er rekening mee moeten worden gehouden dat het eigen optreden
door de ander verkeerd kan worden begrepen. Beide partijen doen er dan ook goed
aan meer aandacht te besteden aan de manier waarop men bij de ander overkomt en
op het voorkomen van het afgeven van signalen die verkeerd kunnen worden
geïnterpreteerd. Alhoewel enigszins buiten dit kader van directe contacten
vallend, wijst de commissie erop dat
de gemeente er goed aan doet extra aandacht te besteden aan de manier waarop ook
de schriftelijke communicatie met de woonwagenbewoners plaatsvindt. De commissie
is van oordeel dat de correspondentie met de burger soms de indruk wekt niet in
de eerste plaats bedoeld te zijn om door de ontvanger begrepen te worden, maar
vooral rekening houdt met eventuele juridische kwesties die eruit zouden kunnen
voortkomen.
6.2 De onderzoeksvragen (niet overgenomen)
6.3 Aanbevelingen gemeentelijk woonwagenbeleid Den Haag (niet overgenomen)
6.4 Hoe nu verder in de Jan Hanlostraat?
De verhuizing van de Leyweg naar de Jan Hanlostraat kent nog steeds een
nasleep. Slechts wanneer schoon schip' wordt gemaakt, kan een gezonde situatie
voor de toekomst worden gecreëerd. Dat betekent in de ogen van de commissie dat
met iedere bewoner individuele
gesprekken worden gevoerd waarin alle openstaande zaken op technisch en
financieel gebied worden besproken. Deze gesprekken moeten uitmonden in
individuele afspraken die worden vastgelegd en gehandhaafd. De commissie doet in
dat kader de volgende aanbevelingen:
Ten aanzien van de technische aspecten
Het is moeilijk te aanvaarden dat anderhalf jaar na de verhuizing een aantal
schades nog niet is gerepareerd en dat daarover nog zoveel onduidelijkheid
bestaat. De commissie beveelt daarom aan de schades nu zo snel mogelijk af te
handelen en daarbij het voorstel zoals vermeld in de rapportage 'Inventarisatie
transportschade Jan Hanlostraat' te volgen. De commissie vraagt aandacht voor de
omstandigheid dat een (beperkt) aantal wagens op een voor die wagens te lichte
standplaats staan. De commissie adviseert om voor die situatie via individueel
overleg met de betreffende bewoner een passende oplossing te zoeken. De rechten
en plichten die uit die oplossing voortkomen, moeten duidelijk worden vastgelegd
en de te maken afspraken moet strikt worden gehandhaafd.
Ten aanzien van de financiële aspecten
Er speelt in de financiële relatie een aantal aspecten, te weten de kosten van
de bestuursdwang, de achterstallige betalingen van huur, energie en andere
heffingen enerzijds en de verhuisvergoeding anderzijds. De commissie stelt voor
met iedere bewoner individueel een regeling te treffen in volgorde van de
volgende uitgangspunten. De gemeente draagt zorg voor de financiële kant van de
schadevergoeding, voorzover dit
nog niet gebeurd is; wanneer de schade te groot is, wordt een nieuwe (standaard)
wagen verstrekt. Alle achterstallige huur, heffingen en energienota's worden
door de bewoner betaald. De bewoner voldoet de kosten van de bestuursdwang;
voorzover deze niet op anderen
kunnen worden verhaald. Over het totaal van de door de bewoner te betalen som
(2+3) vindt individueel overleg plaats. Wanneer een bewoner aantoonbaar niet in
staat is de som geheel te betalen, wordt het restbedrag door de gemeente
kwijtgescholden.
Samenvattend is het advies van de commissie: maak
(individueel) schoon schip en voorkom juridiseren van de situatie. Ook in het
kader van de lopende geschillen met de verhuizer en met de woningcorporaties
lijkt dit de commissie een goede weg.
4. Bijlagen (niet overgenomen). Helaas is in bijlage 4 onze webstite niet goed geciteerd. Er staat www.egotraject.nl/woonwagenbeleid het moet zijn: www.egoproject.nl/woonwagenbeleid
(Het rapport kan bij de Gemeente De Haag opgevraagd worden, zodat men dan alle hoofdstukken, die niet zijn overgenomen alsnog kan lezen).